Omgevingsprogramma buitengebied

Omgevingsprogramma buitengebied

Artikel I

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, gelezen het voorstel, met bijbehorende stukken, maken bekend dat het Omgevingsprogramma Buitengebied, in ontwerp is vastgesteld en gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd,

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

Van de terinzage legging, de termijn voor terinzage legging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het Gemeenteblad, op de gemeentelijke website, en via Crackstate Nijs.

Artikel III

Aldus besloten, 20 januari 2026

-

Bijlage A

Omgevingsprogramma buitengebied

Hoofdstuk 1 Inleiding

Paragraaf 1.1 Aanleiding

Op 1 januari 2024 trad de Omgevingswet in werking. Vanaf dat moment zijn alle geldende bestemmingsplannen en enkele verordeningen samen 1 omgevingsplan. Tot en met 2031 kunnen wij deze plannen (tijdelijk deel genoemd) geleidelijk wijzigen naar een volledig gemeente dekkende omgevingsplan. Onze gemeenteraad stelde op 27 januari 2022 de Startnota omgevingsplan vast. Daarmee stelde de raad ook een stapsgewijze aanpak van de transitie van het tijdelijk omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan vast. Eén van de deelgebieden die we daarbij oppakken is het buitengebied van Heerenveen. Daarmee gaan we echter niet direct aan de slag. Een belangrijke stap die wij eerst zetten is het opstellen van een omgevingsprogramma voor het buitengebied.

Er is een aantal redenen waarom we een programma voor het buitengebied opstellen.

  • a.

    In de omgevingsvisie die onze gemeenteraad 8 juli 2021 vaststelde, staat over het programma Buitengebied onder andere het volgende:

    “Het beleid voor het buitengebied van onze gemeente is op dit moment voor een belangrijk deel vastgelegd in drie verouderde bestemmingsplannen uit de voormalige gemeenten Heerenveen, Boarnsterhim en Skarsterlân. Daarnaast is de notitie Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (gemeentelijke herindeling 2014) opgesteld om te voorkomen dat er binnen de huidige gemeente beleidsverschillen ontstaan.”

    “Ten behoeve van het op te stellen omgevingsplan wordt in het programma Buitengebied het bestaande beleid geactualiseerd.”

  • b.

    De startnota omgevingsplan die onze gemeenteraad op 27 januari 2022 vaststelde is een tweede reden. Via de startnota stelde de raad een stapsgewijze aanpak van de transitie van het tijdelijk omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan vast. We werken bij deze aanpak in stappen, gebiedsgewijs, naar het complete omgevingsplan voor de gemeente Heerenveen. In 2022 zijn we gestart met de verdere verkenning van het instrument programma als beleidsmatige onderlegger van het op te stellen omgevingsplan voor het buitengebied. Traditioneel behoren de bestemmingsplannen buitengebied die we in Nederland actueel maakten onder de Wet ruimtelijke ordening tot de plannen die doorgaans de meeste tijd en aandacht vroegen. Dat heeft onder andere te maken met de vaak grote belangentegenstellingen en meervoudige complexe opgaven in het buitengebied. Ook is meestal sprake van een grote inventarisatie-opgave van functies en activiteiten. Het opstellen van een omgevingsplan voor het buitengebied is dus een proces dat veel tijd en aandacht vraagt. Dit programma vormt hierin voor dit deelgebied dan ook de eerste tussenstap.

  • c.

    Voor de gemeente Heerenveen komt daar als extra reden bij dat wij al langere tijd met een verouderd beleidskader werken. Ook de beleidsnotitie harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied dateert van 2014. Daar komt verder bij dat Provinciale Staten in september 2022 de nieuwe provinciale omgevingsverordening vaststelde. Deze nieuwe verordening biedt meer beleidsruimte voor gemeenten die een plek kan krijgen in het omgevingsplan. Omdat we dus werken met een verouderd beleidskader moeten we voor veel functies en activiteiten in het buitengebied beleid harmoniseren of nieuwe beleidskeuzes maken.

De realiteit is ook dat op dit moment het landelijk gebied en de agrarische sector in het bijzonder onder een vergrootglas liggen. Beleidsontwikkelingen op rijksniveau en provinciaal niveau laten een grote dynamiek zien, spanning op (toekomstige) ruimteclaims en een grote neiging naar behoud. Hoe dan ook geven lopende beleidsprocessen inzicht in de complexiteit van de integrale beleidsopgaves die in het landelijk gebied spelen. Binnen de eigen beleidsruimte die wij als gemeente op dit moment hebben, stelt de gemeente Heerenveen een programma op dat recht doet aan de ambities van de omgevingsvisie en oog heeft voor ontwikkelingen aan de randen van de eigen beleidsruimte. Om hierin een goede afweging te maken is een milieueffectrapportage uitgevoerd als onderlegger van dit programma.

Voorliggend programma beoogt een toekomstbestendige structuur te hebben en eenvoudig digitaal raadpleegbaar te zijn.

Paragraaf 1.2 Toelichting instrument programma

Het programma is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet en maakt deel uit van de zogenaamde beleidscyclus die de Omgevingswet heeft geïntroduceerd.

afbeelding binnen de regeling

Naast het programma gebruikt de gemeente ook de instrumenten omgevingsvisie, omgevingsplan en omgevingsvergunning. In de Omgevingswet staat dat een programma voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan bevat. Verder kunnen in het programma maatregelen staan om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of om één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.

Voor een onverplicht programma, zoals voorliggend programma, stelt de Omgevingswet geen eisen aan vorm en inhoud. Er moet wel aan participatie worden gedaan. Voor het programma buitengebied hebben de participatiemomenten plaatsgevonden in het proces met de milieueffectrapportage. Dit heeft geleid tot het programma wat ook als voorkeursalternatief beoordeeld is.

Net als de omgevingsvisie is het programma een zelfbindend document. Het programma bindt alleen de overheid die het vaststelt. In dit geval het college. Dat het programma zelfbindend is betekent ook dat inwoners en organisaties er geen rechten aan kunnen ontlenen. Bezwaar en beroep bij de rechter is niet mogelijk. Wel is het mogelijk om zienswijzen in te dienen op het ontwerp-besluit waarmee het ontwerp-programma wordt vastgesteld en ten behoeve waarvan een milieueffectrapportage is opgesteld.

Dat het programma zelfbindend is, betekent overigens niet dat het college daar vrij, naar eigen inzicht, mee kan omgaan. Het college moet zich houden aan de opgenomen beleidslijnen en uitgangspunten die in het programma staan. Het college kan gemotiveerd van het programma afwijken.

Paragraaf 1.3 Afbakening plangebied

In de omgevingsvisie is onderscheid gemaakt in 8 gebiedstypen:

  • Centrumgebieden;

  • Gemengde gebieden met een bovenlokaal karakter;

  • Groene gebieden met een bovenlokaal karakter;

  • Historische lintstructuren;

  • Hoofdassen en infrastructuur;

  • Woongebieden;

  • Bedrijventerreinen;

  • Buitengebied.

afbeelding binnen de regeling

Het beleid en de maatregelen van het Programma Buitengebied zijn van toepassing op het gebied Buitengebied. Naast het gebiedstype buitengebied, maakt ook het gedeelte van het gebiedstype historische lintstructuren dat gelegen is buiten de bebouwde kom deel uit van dit gebied. Grofweg beslaat het programma Buitengebied dus het hele gemeentelijk grondgebied, exclusief de bebouwde kom van kernen, bedrijventerreinen, snelwegen en spoorwegen. Vanwege hun specifieke karakter zijn ook het landgoederenlandschap rondom Oranjewoud aan de zuidoostkant en het natuur- en recreatiegebied De Heide aan de zuidwestkant van de kern Heerenveen uitgesloten.

Paragraaf 1.4 Beschrijving van het proces en participatie

De totstandkoming van het programma Buitengebied is het resultaat van een iteratief en zorgvuldig doorlopen proces. Centraal hierin staat het milieueffectrapport (MER), waarin vier alternatieve ontwikkelrichtingen voor het buitengebied zijn verkend. Deze scenario’s vormden de basis voor het gesprek over de gewenste koers. Tegelijkertijd is een grondige analyse uitgevoerd van de geldende provinciale beleidsregels, die het kader bepalen voor de ruimtelijke speelruimte van de gemeente. In dialoog met de omgeving en de gemeenteraad zijn de inzichten uit het MER en beleidsanalyse verder aangescherpt en gewogen. Dit samenspel van inhoudelijke onderbouwing en participatie heeft geleid tot het programma zoals het nu voorligt.

Paragraaf 1.5 Leeswijzer

Dit programma geeft een uitwerking van de beleidsdoelen en gestelde ambities voor het buitengebied van de gemeente Heerenveen. Dit eerste hoofdstuk geeft een uiteenzetting van de aanleiding van het programma, een toelichting op het instrument omgevingsprogramma en geeft de afbakening van het plangebied. Ook is in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de participatie. In Hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de doelen van dit programma en de relatie met de omgevingsvisie. Hoofdstuk 3 geeft de relatie met overig beleid weer. Vervolgens zoomt hoofdstuk 4 in op de kwaliteiten van de verschillende landschapstypen die ons buitengebied rijk is, waarna hoofdstuk 5, 6, 7 en 8 ingaan op ons beleid ten aanzien van natuur en water, wonen, werken, recreatie en toerisme. Hoofdstuk 9 geeft vervolgens duiding aan milieuaspecten en veiligheids- en gezondheidsaspecten waar alle ruimtelijke ontwikkelingen vanuit het oogpunt van een evenwichtig toedeling van functies aan locaties rekening mee moeten houden en geeft een aantal uitgangspunten die wij hanteren voor een gezonde, veilige en evenwichtige leefomgeving. Specifieke projecten kunnen om specifieke uitwerkingen hiervan vragen.

In hoofdstuk 10 gaan we vervolgens nog kort in op gebieden, zoals de overgangszones tussen dorp en buitengebied en lopende gebiedsprocessen, waar bij aanvragen voor nieuwe ontwikkelingen naast de geldende beleidslijn voor het gehele buitengebied, ook gekeken wordt naar de dynamiek en het karakter, alsook mogelijke toekomstige verandering van functies, voor dat specifieke gebied. Richting hiervoor herleiden we uit de omgevingsvisie en lopende gebiedsprocessen. Tot slot gaat hoofdstuk 11 in op de uitvoering en monitoring van dit omgevingsprogramma, alsook de opgestelde milieueffectrapportage – welke als onderlegger gebruikt is om de richting van dit programma, tevens beoordeeld als voorkeursalternatief - mee te bepalen.

Tevens zijn de op basis van dit programma mogelijk voorgestane ontwikkelingen getoetst ten opzichte van de instandhoudingsdoelstellingen voor de nabijgelegen Natura2000-gebieden middels een passende beoordeling.

Hoofdstuk 2 Doelen van het programma

Paragraaf 2.1 Doel

Het programma Buitengebied beoogt de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied te behouden en te versterken en geeft richting aan ontwikkelingen. Het programma geeft kaders voor doorvertaling van het beleid in het omgevingsplan.

Het buitengebied van de gemeente Heerenveen is afwisselend: zand en veen, open en besloten landschap, beekdalen en zandruggen. Deze afwisseling geeft diversiteit en kwaliteit, maar biedt ook verschillende ambities en uitdagingen. Onze gemeenteraad onderkent deze verschillen in de omgevingsvisie. De omgevingsvisie benoemt de landschappelijke diversiteit, de historie van de (veen)ontginningsgeschiedenis en een robuust groen- en blauw netwerk met ruimte voor een sterk agrarische sector als kernkwaliteiten die ook gaan over het buitengebied. Daarnaast doet de omgevingsvisie recht aan de verschillen door deelgebieden te onderscheiden.

Per deelgebied geeft de omgevingsvisie inzicht in de ontstaansgeschiedenis, de kernkwaliteiten, de functionele gebiedsomschrijving, de ontwikkelingen en opgaven en de aandachts- en uitgangspunten. Hoofdstuk 4 van dit programma gaat hier verder op in. Dit programma bouwt verder op de algemene uitgangspunten, maar vraagt ook bij ontwikkelingen rekening te houden met de kenmerken en ambities voor de landschapstypen. In principe is het dan ook altijd een voorwaarde dat ontwikkelingen naar aard en schaal passend zijn bij het landschapstype waar deze onderdeel van uit maken.

Paragraaf 2.2 Ambities

Het doel van dit programma komt dus voort uit de ambities die steunen op de omgevingsvisie en sluit ook aan bij het Hoofdlijnenakkoord 2022-2026 van de coalitiepartijen.

Eén van de vier kernopgaven uit de omgevingsvisie is het versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied. Deze specifieke kernopgave is en blijft het brede leidende principe voor de keuzes de we maken in en voor het landelijke gebied van onze gemeente. Vanuit het hoofdlijnenakkoord komt daar een ambitie bij: de keuzes die we maken dragen bij aan brede welvaart.

Hoewel het begrip brede welvaart niet concreet staat genoemd in de omgevingsvisie zijn elementen van brede welvaart zoals zorg voor landschap, een schoner milieu, betere gezondheid en sociale verbindingen wel degelijk deel van onze omgevingsvisie. Wij willen brede welvaart nog duidelijker sturend laten zijn bij de keuzes die we maken onder andere in de fysieke leefomgeving. Het hoofdlijnenakkoord 2022-2026 ‘Daadkrachtig veranderen –een doordacht samenspel’ is gebaseerd op de visie van brede welvaart van het Fries Sociaal Planbureau. Het Fries Sociaal Planbureau stelt dat de manier waarop een samenleving zich ontwikkelt niet alleen is uit te drukken in geld en economische groei. Er spelen meer zaken een rol als het gaat om de kwaliteit van leven van mensen.

Als onderdeel van het MER is een beoordeling gedaan op de socio-economische effecten van mogelijke maatregelen. Deze beoordeling helpt bij het maken van de keuzes in dit programma die bijdragen aan brede welvaart in het buitengebied.

Paragraaf 2.3 Reikwijdte van het programma

Het programma bevat kaders voor nieuwe ruimtelijke initiatieven die niet passen binnen het omgevingsplan. Hiernaast biedt het programma kaders voor de ‘omzetting’ van bestemmingsplan naar omgevingsplan.

Ten behoeve van dit omgevingsprogramma is een milieueffectrapportage uitgevoerd. De maatregelen voorgesteld in het programma zijn beoordeeld als voorkeursalternatief in de milieueffectrapportage. Dit voorkeursalternatief is voortgekomen uit de milieueffectbeoordeling van de vier verschillende onderzochte alternatieve richtingen voor doorontwikkeling van het Heerenveens buitengebied.

afbeelding binnen de regeling

Gekozen is in lijn met de ambities uit de omgevingsvisie voor behoud en versterking van de landschappelijke kwaliteiten. We zetten in op de beleefbaarheid, toegankelijkheid en diversiteit van het landschap. Binnen de kaders van de provinciale omgevingsverordening zetten we verder in op het verbreden van mogelijkheden bij vrijkomende (agrarische) bebouwing. We zien mogelijkheden voor wonen en recreatieve voorzieningen zodat we karakteristieke bebouwing behouden. En om een goed verdienmodel te houden voor met name de agrariërs zetten we in op een mix van functies die ontplooid kunnen worden als nevenactiviteiten. Ook hebben we aandacht voor uitbreiding van bestaande bedrijven. Hierbij streven we naar extensivering en natuurinclusiviteit in plaats van intensivering.

Hoofdstuk 3 Relatie met beleid en ontwikkelingen

Paragraaf 3.1 Inleiding

Op het buitengebied van de gemeente zijn verschillende beleidskaders, vanuit de verschillende overheidslagen van toepassing. Dit betreffen met name het nationale beleid, het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid, maar ook beleid vanuit het Wetterskip Fryslân en ontwikkelingen vanuit deelgebieden van de gemeente zelf. De aard van dit beleid toont ook het brede spectrum van gebruik van het buitengebied: van wonen tot werken en van natuur tot landbouw, maar ook als gebied dat een belangrijke rol speelt in het tegengaan van problemen zoals klimaatverandering.

Deze wet- en regelgeving vormt het speelveld waarbinnen het programma Buitengebied is ontwikkeld. Onderstaand volgt een korte samenvatting van de verschillende beleidslijnen op de verschillende schaalniveaus. Deze stukken zijn meegenomen in de bijgevoegde milieueffectrapportage als het nulscenario.

Paragraaf 3.2 Rijksbeleid

Omgevingswet

De Omgevingswet (in werking getreden op 1 januari 2024) is een integrale wet die de regels voor de fysieke leefomgeving bundelt. Door de een aantal wetten (zoals de voormalige Wet Ruimtelijke Ordening en de Wet milieubeheer) samen te voegen is een integrale aanpak ontstaan. De Omgevingswet zet in op participatie en samenwerking, waarbij inwoners en bedrijven nauwer worden betrokken bij ontwikkelingen in hun leefomgeving. Dit stimuleert de samenwerking tussen overheden, burgers en bedrijven voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast de vereenvoudiging van de regels bevordert de wet een snellere besluitvorming.

De Omgevingswet gaat uit van een drietal kerninstrumenten:

  • Omgevingsvisie: Strategische lange termijnplannen van Rijk, provincies en gemeenten;

  • Omgevingsplan: Één plan per gemeente dat regels bevat voor het gebruik van de fysieke leefomgeving;

  • Omgevingsvergunning: Één vergunning voor diverse activiteiten (zoals bouwen, milieu en natuur).

Als uitwerking van de omgevingsvisie voor een gebied en/of een thema kan een omgevingsprogramma opgesteld worden.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In de Nationale Omgevingsvisie (of NOVI) geeft het Rijk een strategische langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving van Nederland, met een horizon tot 2050. De NOVI gaat uit van integraal werken, waarbij de problematiek wordt opgepakt samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Zo werken de betrokken partijen samen aan de volgende prioriteiten:

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Nota Ruimte

De Nota Ruimte schetst de nationale koers voor de inrichting van Nederland richting 2050. Centraal staat dat ruimte schaars is en opgaven als woningbouw, landbouw, natuurherstel, energie, waterveiligheid en bereikbaarheid in samenhang moeten worden aangepakt. Het Rijk kiest daarbij voor drie leidende principes: rekening houden met toekomstige generaties, zuinig en meervoudig omgaan met ruimte en recht doen aan de eigenheid van regio’s.

De visie vertaalt zich in drie bewegingen: het zoeken naar een nieuw evenwicht tussen landbouw en natuur, de overgang naar een klimaatneutrale en circulaire samenleving en het versterken van steden, dorpen en regio’s. Wonen, economie, energie, natuur en water krijgen elk hun eigen koerslijnen, waarbij water en bodem als sturend principe gelden. De nationale regie ligt bij het Rijk, maar uitvoering gebeurt in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten en waterschappen, zodat landelijke keuzes regionaal en lokaal vorm krijgen.

Paragraaf 3.3 Provinciaal beleid

Provinciale Omgevingsvisie “De romte diele”

De Provinciale Omgevingsvisie “De romte diele” (vastgesteld op 23 september 2020) omschrijft de inzet van de provincie Fryslân om de basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Ook omschrijft de visie welke ambities en doelen de provincie Fryslân heeft voor de komende 25 jaar (vanaf 2020). Dit geeft de koers weer die de provincie, samen met betrokken partijen, wil aanhouden.

Met deze visie werkt de provincie aan vier integrale opgaven:

  • Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden;

  • Energietransitie met kracht voortzetten;

  • Fryslân klimaatadaptief inrichten;

  • Versterken van de biodiversiteit.

Momenteel is de provincie bezig met een actualisatie van de huidige provinciale omgevingsvisie. Te zijner tijd zullen de hierin opgenomen ontwikkelingen worden gebruikt om het programma te actualiseren.

Omgevingsverordening Fryslân 2022

De omgevingsverordening Fryslân 2022 (voor het laatst gewijzigd juni 2025) is de provinciedekkende verordening waarin alle regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Deze verordening schetst daarmee de kaders waarbinnen ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving mogelijk zijn.

De omgevingsverordening Fryslân 2022 bevat regels die gebaseerd zijn op:

De beleidsdoelen en provinciale belangen, die zijn geformuleerd in de omgevingsvisie en de daarin beschreven nieuwe wijze van werken. De regels in de omgevingsverordening werken met name door in de gemeentelijke omgevingsplannen: dit zijn de zogenaamde instructieregels; Instructieregels van het Rijk: een aantal regels in de omgevingsverordening dienen verplicht hierin te worden opgenomen. Dit heeft het Rijk zo bepaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voorbeelden hiervan zijn de grondwaterbeschermingsregels en de regels ter bescherming van het natuurnetwerk Nederland (NNN).

Uitvoeringsprogramma Stikstof

Het Uitvoeringsprogramma Stikstof Fryslân 2030 (vastgesteld op 29 maart 2022) betreft een uitwerking van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn of stikstofwet). In dit programma worden de maatregelen en processtappen toegelicht die de provincie Fryslân nu kan en wil nemen. De nadruk ligt hierbij op een onderdeel van natuurherstel, namelijk stikstofreductie.

Beleidsbrief Landbouw

De landbouwbeleidsbrief “Noflik buorkje in Fryslân” (vastgesteld in januari 2025) biedt een toekomstgericht plan voor de agrarische sector van Fryslân. De provincie Fryslân heeft in de beleidsbrief landbouw de ambitie vastgelegd om de landbouwsector toekomstbestendig te maken en haar positie als belangrijke landbouwprovincie te behouden en versterken. Daarbij staat niet langer uitsluitend productie centraal, maar wordt landbouw verbonden met bredere maatschappelijke opgaven zoals natuur, landschap, waterkwaliteit, biodiversiteit en klimaat. De provincie kiest voor boerdiversiteit, waarbij verschillende bedrijfsmodellen naast elkaar kunnen bestaan. Landbouwbedrijven worden gestimuleerd om zich te onderscheiden, bijvoorbeeld door innovatieve en technologische vernieuwing, door te combineren met natuurbeheer of door multifunctionele activiteiten te ontwikkelen. Kwaliteit, duurzaamheid en maatschappelijke meerwaarde krijgen nadrukkelijk de voorkeur boven louter kwantitatieve groei.

In juli 2025 werd de Uitvoeringsagenda Landbouw 2025–2030 gepresenteerd. De uitvoeringsagenda landbouw vertaalt dit beleid naar concrete acties en financiële kaders voor de periode 2025–2030. Er worden vijf ontwikkelpaden onderscheiden, variërend van hightech open en gesloten systemen tot natuurinclusieve en multifunctionele landbouwvormen. Deze worden ondersteund door thematische actielijnen, zoals het versterken van het verdienvermogen en toekomstperspectief van boeren, het stimuleren van korte ketens, innovatie en behoud van landbouwgrond. Voor de eerste jaren is ruim zeventien miljoen euro beschikbaar, waarvan 1,7 miljoen uit provinciale middelen komt. Daarnaast wordt aangesloten bij landelijke en Europese regelingen, onder meer via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Deze is 8 juli 2025 vastgesteld.

Paragraaf 3.4 Waterschap

Fryslân Klimaatbestendig 2050+ (Blauwe Omgevingsvisie)

Fryslân Klimaatbestendig 2050+ is een gezamenlijke toekomstvisie van Wetterskip Fryslân en de provincie Fryslân, die in 2023 is vastgesteld door het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân. De visie richt zich op een klimaatbestendige inrichting van Fryslân voor 2050 en verder, waarbij water en bodem centraal staan.

Het doel van de visie is om het Friese water- en bodemsysteem in te richten zodat het bestand is tegen ontwikkelingen als klimaatverandering, zeespiegelstijging en extremere weersomstandigheden. Vertaald naar de opgaven betekent dit onder andere voldoende beschikbaarheid van schoon drinkwater, waarborging van waterveiligheid, het behouden van de bodemkwaliteit en het tegengaan van bodemdaling in de Friese veenweidegebieden.

Paragraaf 3.5 Gemeentelijk beleid

Omgevingsvisie Heerenveen 1.0

De omgevingsvisie Heerenveen 1.0 (vastgesteld op 8 juli 2021) is een langetermijnvisie van de gemeenteraad op de leefomgeving. Het is gericht op de ontwikkeling van onze gemeente tot 2040. In de visie wordt op hoofdlijnen aangegeven wat nodig is om de leefomgeving te beschermen, te ontwikkelen en in te richten. Het gaat over alle terreinen van de leefomgeving, zoals verkeer en vervoer, water, milieu, natuur, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, landbouw, cultureel erfgoed en economie. Eén van de benoemde kernkwaliteiten van Heerenveen, die wordt genoemd in de Omgevingsvisie, is ook een robuust groen- en blauw netwerk met ruimte voor een sterke agrarische sector.

Als gemeente richten wij ons vanuit de omgevingsvisie op vier speerpunten:

  • Heerenveen als centrum voor (top)sport, werk en voorzieningen;

  • Toekomstbestendige woningen;

  • Gezonde, klimaatbestendige en leefbare wijken en dorpen;

  • Kwaliteit en veerkracht van het landschap.

Het programma Buitengebied betreft een tussenstap in de vertaling van de omgevingsvisie naar het omgevingsplan. Hierbij wordt verdere invulling gegeven aan de aspecten die benoemd staan in de omgevingsvisie en deel uitmaken van het buitengebied.

Momenteel is de gemeente Heerenveen bezig met de contourenschets voor de vernieuwing van de omgevingsvisie. Te zijner tijd zal deze nieuwe omgevingsvisie dienen als basis voor het actualiseren van het programma Buitengebied.

Beleidskader zonneparken 2022

Het Beleidskader zonneparken 2022 (vastgesteld op 19 december 2022) geeft heldere kaders voor het realiseren van zonneparken. Het beleidskader geeft verdere uitwerking aan de provinciale verordening en aan de opgenomen energiedoelstellingen van het Duurzaamheidsprogramma en de Regionale Energiestrategie (RES).

Woonvisie Heerenveen 2023-2028

In de Woonvisie Heerenveen 2023-2028 (vastgesteld op 19 oktober 2023) legt de gemeenteraad de ambities vast op het gebied van wonen. Dit betreft een langetermijnvisie waarbij de gemeenteraad sturing geeft op de kwaliteit, beschikbaarheid en betaalbaarheid van de woningen in de gemeente Heerenveen. Ook wordt hierbij getoetst aan het denkkader brede welvaart: de kwaliteit van leven van mensen in het hier en nu en de mate waarin deze ten koste gaat van die van latere generaties of die van mensen elders in de wereld.

De Woonvisie Heerenveen 2023-2028 gaat uit van vijf prioriteiten:

  • De gemeente Heerenveen groeit met minimaal 2000 woningen tot 2030;

  • Een gevarieerde bevolking vraagt om het toevoegen van betaalbare woningen;

  • Er wordt waarde gehecht aan vitale kernen en gemengde wijken;

  • Een inclusieve gemeente vraagt om een gevarieerd woonzorglandschap;

  • Een duurzaam thuis staat in een klimaat adaptieve woonomgeving.

Voor het buitengebied betekent dit concreet dat terughoudend wordt omgegaan met nieuwbouw. In het buitengebied worden alleen woningen toegestaan als het gaat om het hergebruiken van bestaande (agrarische) percelen.

Visie Gastvrijheidseconomie

De provincie Friesland benadrukt in Gastvrij Fryslân 2028 dat toerisme en recreatie belangrijk zijn voor economie, leefbaarheid en duurzaamheid. Voor Heerenveen is het nodig hier beleid op te ontwikkelen om kansen voor werkgelegenheid en voorzieningen te benutten, bezoekers te trekken én de kwaliteit van de leefomgeving te versterken. De koers hiervan wordt verder uitgewerkt in de Visie Gastvrijheidseconomie.

Paragraaf 3.6 Ontwikkelingen

Koersdocument Aldeboarn-De Deelen

Het koersdocument Aldeboarn-De Deelen is een strategisch plan op hoofdlijnen, ontwikkeld door provincie Fryslân in samenwerking met stakeholders uit het gebied Aldeboarn-De Deelen. Het koersdocument is niet door de betrokken overheidsinstanties vastgesteld en geldt dus ook niet als vigerend beleid, maar wordt door de overheden wel ter inspiratie gebruikt voor het opstellen van beleid in het gebied. Om deze reden dient het document in zekere zin als inspiratiedocument voor toekomstige ontwikkelingen en beleidsmaatregelen voor het gebied.

Het koersdocument richt zich op het verbeteren van waterkwaliteit, het tegengaan van bodemdaling en het bevorderen van duurzame landbouw in het gebied Aldeboarn-De Deelen. Het gebied Aldeboarn-De Deelen wordt gekenmerkt door veenweidegebieden, die te maken krijgen met uitdagingen zoals bodemdaling en CO2-uitstoot door oxidatie van het veen. Het koersdocument stelt maatregelen voor om deze problemen aan te pakken, waaronder het verhogen van het waterpeil om oxidatie te vertragen en, ten gevolge hiervan, het stimuleren van alternatieve vormen van landgebruik die beter passen bij de natte omstandigheden.

Het koersdocument geeft een visie op hoofdlijnen voor de volgende onderwerpen:

  • Groenblauwe functies;

  • Rood;

  • Recreatie en toerisme;

  • Energie.

In hoofdstuk 10 gaan we dieper in op de mogelijke uitwerking.

Hoofdstuk 4 Gebiedswaarden en -kwaliteiten van het buitengebied

Paragraaf 4.1 Kernopgave vanuit de omgevingsvisie

Het beschermen en versterken van de kwaliteit van het landschap is een van de opgaven voor het programma Buitengebied. Maar wat zijn de kwaliteiten van het Heerenveense landschap? De omgevingsvisie geeft hierover het volgende aan:

Het diverse landschap vormt een belangrijke kwaliteit van onze gemeente. Het maakt het aantrekkelijk om in deze gemeente te wonen en te recreëren. Het belang van herkenbare en kwalitatief aantrekkelijke landschappen neemt steeds verder toe, naarmate andere delen van het land verder verstedelijkt raken. Tegelijkertijd erkennen we dat het landschap niet stilstaat en zich door de tijd altijd heeft aangepast aan maatschappelijke behoeftes. Nieuwe maatschappelijke behoeftes op het gebied van landbouw, recreatie, energietransitie en klimaatadaptatie en biodiversiteit krijgen hierin een plek. We willen er daarom voor zorgen dat nieuwe ontwikkelingen passen in het landschap op een manier dat de verschillende landschapstypen herkenbaar blijven.

Dit leidt tot de volgende doelstellingen:

  • Beschermen van het raamwerk (landschappelijke dragers);

  • Afwegen of een nieuwe ontwikkeling in het betreffende landschap past en zo ja, zorgen dat nieuwe ontwikkelingen goed worden ingepast (stimuleren, maatwerk leveren of terughoudend zijn);

  • Grote ontwikkelingen gaan gepaard met nieuwe investeringen in het landschap (kwaliteitsimpuls).

Behoud, bescherm en versterk wat waardevol is, herstel wat misschien verloren is en bied ruimte voor nieuwe ontwikkelingen waar dat passend is. Om deze keuzes te maken moeten we weten wat onze kwaliteiten zijn en waar en hoe we inzetten op behoud, herstel en ontwikkeling.

In het eerste deel van dit hoofdstuk beschrijven we de waarden (aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en landschapswaarden) welke mede de verschillende landschapskwaliteiten van ons buitengebied – zoals ook gedefinieerd en benoemd in onze omgevingsvisie – vormen. We herhalen de kernkwaliteiten en bouwen voort op de genoemde ambities.

In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaan we verder in op maatregelen en werkwijzen waarmee we onze landschapskwaliteiten willen versterken, herstellen en behouden bij ontwikkeling.

Paragraaf 4.2 Ontstaansgeschiedenis

Tijdens de voorlaatste ijstijd ontstonden in Zuidoost-Friesland noordoost zuidwest lopende ruggen als gevolg van de opstuwende werking van het landijs. Daartussen ontstonden lager gelegen beekdalen van de Tjonger en de Boorne. Tijdens de vrij droge laatste ijstijd werden op deze ondergrond dekzandpakketten afgezet. Later, in het Holoceen, werd het klimaat warmer en vochtiger waardoor de plantengroei toenam en op sommige natte plaatsen veen ontstond, bijvoorbeeld in de laagten die tussen de zandruggen waren gelegen. Er ontstonden veenlagen met een maximale dikte van 2 à 3 meter die deels boven de dekzandruggen uitstaken; het hoogveen. Op plekken waar de veengroei onder de grondwaterstand werd gevormd, is sprake van laagveen.

In de Middeleeuwen werden vooral de hoger gelegen dekzandruggen bewoond. Op deze hoger gelegen delen ontstonden langgerekte bewoningstructuren. Voorbeelden daarvan zijn de Schoterlandseweg en de Aengwirderweg. Vanuit deze ontginningsassen werd het omliggende landschap geschikt gemaakt voor landbouw. Eerst ging het om de aangrenzende gronden. Later werden ook de lager gelegen delen stapsgewijs ontwaterd en geschikt gemaakt voor de landbouw. De Boorne vormde in de Middeleeuwen een van de voedingsstromen van de Middelzee en was daarmee een belangrijke handelsroute vanuit het veen- en zandgebied naar de kleigronden aan de kust. Bewoning in dit overstromingsgevoelige gebied vindt lange tijd plaats op terpen. De terpen bij Aldeboarn en Akkrum groeiden uit tot rijke handelssteden. Aldeboarn was zelfs lange tijd de hoofdzetel van het bestuur in deze regio. Toen de Middelzee dichtslibde en werd ingedamd, veranderde de positie van deze plaatsen en raakten ze meer georiënteerd op het omliggende landschap.

Vanwege de behoefte aan turf in de Hollandse steden werden in de 16e eeuw de eerste voorbereidingen getroffen tot het grootschalig afgraven van het hoogveen. In 1551 werd op initiatief van drie heren – van Dekema, Cuyck en Foeyts - een compagnie opgericht, met als doel grote stukken land op te kopen en aan veenontginning te doen. Van Akkrum tot Heerenveen werd de Heeresloot gegraven en haaks daarop de Schoterlandse Compagnonsvaart (het veengebied in). Op het kruispunt van deze waterwegen ontstond de kern Heerenveen.

Tot in de 19e eeuw bleef bebouwing in Heerenveen geconcentreerd in lintstructuren op de hoger gelegen zandruggen en langs de Schoterlandse Compagnonsvaart. Nadat steeds meer veengebieden waren ontgonnen en steenkool in opkomst was als brandstof, werd de landbouw rond 1900 de dominante economische factor.

Paragraaf 4.3 Aardkundige waarden

Aardkundige waarden zijn natuurlijke variaties in het aardoppervlak van geomorfologische, geologische en bodemkundige verschijnselen en/of processen die onder andere onder invloed van wind en water plaatsvinden. Het zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van het gebied. Onder aardkundige waarden vallen bijvoorbeeld stuifzandgebieden, hoogveengebieden, pingoruïnes, stuwwallen en dekzandruggen. Vaak hebben deze waarden dan ook te maken met reliëf. Veel aardkundig waardevolle gebieden zijn hierdoor kwetsbaar voor ingrepen, afgraven of erosie. Dit geldt vooral daar waar de processen die tot het ontstaan hebben geleid niet meer actief zijn, bijvoorbeeld de werking van het landijs. Ook door dorpsuitbreidingen, modernisering van de landbouw en de aanleg van nieuwe infrastructuur zijn aardkundige waarden aangetast of verdwenen.

Uit de aanwezige subtiele hoogteverschillen vloeit ook grotendeels het verschil tussen openheid in de beekdalen en beslotenheid in het cultuurlandschap op de dekzandruggen voort. De hoogteverschillen zijn ook bepalend voor landschapsecologische verschillen die bijvoorbeeld samenhangen met grondwaterstromen. In de beekdalen komt bijvoorbeeld kwelwater uit de grond, waardoor hier andere vegetatiesoorten kunnen floreren. Belangrijke aardkundige waarden willen we dan ook beschermen en behouden.

Dit zijn onder andere de oude meanderende loop van de Tjonger, het reliëfrijke gebied De Kiekenberg, stuwwallen en dekzandruggen. Maar ook het kenmerkend patroon van petgaten en legakkers (stripen) in natuurgebied De Deelen is door de provincie aangemerkt als aardkundig waardevol gebied. Ook in het gemeentelijk omgevingsplan kunnen te beschermen aardkundige waarden aangewezen worden. Echter waar de provincie al zaken beschermd

Paragraaf 4.4 Archeologische en cultuurhistorische waarden

Subparagraaf 4.4.1 Archeologie

Archeologisch erfgoed ligt hoofdzakelijk nog in de bodem, op de plekken waar mensen in het verleden hun sporen hebben achtergelaten. Archeologisch erfgoed bestaat niet alleen uit voorwerpen, maar ook uit de door de mens gegraven kuilen en sloten en door hen omgewoelde en opgeworpen bodemlagen. Deze sporen en voorwerpen worden samen het archeologisch bodemarchief genoemd. Een betere bescherming van het bodemarchief vraagt om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief. Om deze reden heeft de provincie het initiatief genomen om, zoveel mogelijk in samenwerking met het Rijk en de gemeenten, het bodemarchief zo goed mogelijk in kaart te brengen.

Dit gebeurt op de FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. https://www.fryslan.frl/archeologische-kaart-famke

De FAMKE is gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn en houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provinciedekkende kaarten die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan. Op gemeentelijk niveau is dit verder uitgewerkt en deze uitwerking is/wordt in het omgevingsplan opgenomen.

Het zwaartepunt van de archeologische waarden ligt in het 'Veenweidegebied' en het 'Beekdal van de Boorne en de Dracht'. Daarnaast bevindt zich een gebied met hoge archeologische waarde in het zuidoosten, in het gebied 'Beekdal van de Tjonger'.

Subparagraaf 4.4.2 Cultuurhistorie

Binnen het landelijk gebied van gemeente Heerenveen bevinden zich verspreid door het landelijk gebied ook rijksmonumenten. In deelgebied de Deelen bevinden zich geen rijksmonumenten. Een nadere beschouwing van deze rijksmonumenten geeft weer dat dit voornamelijk bestaat uit gebouwd erfgoed zoals boerderijen, landhuizen, molens en kerken.

Gemeentelijke monumenten zijn ook vaak waardevol gebouwd erfgoed zoals boerderijen, maar ook de industriële geschiedenis, sluisjes, watertorens of kerken en oude schoolgebouwtjes. Kenmerkende objecten die het verhaal en de ontstaansgeschiedenis van het gebied vertellen waar zij als gemeentelijk monument in zijn aangewezen. Daarnaast is ook onderzoek gedaan naar waardevol groen en cultuurhistorisch relevante landschapsstructuren.

Voor de 'oude' gemeente Heerenveen is enkel jaren terug een erfgoednota opgesteld en vastgesteld en zijn op basis van vastgestelde criteria gemeentelijke monumenten verspreid over het gebied en verspreid over bebouwingstypen aangewezen. Tevens is ook waardevol groen vastgelegd. In de gemeente Boarnsterhim waren karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle elementen in de bestemmingsplannen (nu opgegaan in het (tijdelijk) omgevingsplan) vastgelegd en wordt nog op een andere manier de cultuurhistorische waarden beschermd. Een project om deze criteria en het omgaan met (het behoud van) cultuurhistorische waarden voor de hele gemeente gelijk te trekken loopt nog, maar cultuurhistorisch waardevolle objecten en groen zullen uiteindelijk in het omgevingsplan opgenomen worden.

Paragraaf 4.5 Landschappelijke waarden

Subparagraaf 4.5.1 Inleiding

Het landschap van Zuidoost Friesland is als gevolg van de ontstaansgeschiedenis onder te verdelen in een zevental karakteristieke landschapstypen, dit zijn:

  • de woudontginningen;

  • de heideontginningen;

  • het essenlandschap;

  • het landgoederenlandschap;

  • de laagveenontginningen;

  • de hoogveenontginningen;

  • de beekdalen.

In de gemeente Heerenveen komt het merendeel van deze landschapstypen voor; Heerenveen heeft enkel geen essenlandschap.

afbeelding binnen de regeling

Het is gewenst om bij te dragen aan het versterken van de contrasten tussen de landschapstypen en hieraan in ieder geval geen afbreuk te doen. De diversiteit aan landschapstypen maakt het gebied aantrekkelijk en herkenbaar. De landschapskarakteristieken dienen als herkenningspunten. Het is van belang dat de nuances tussen de verschillende landschapstypen herkenbaar blijven en hun kenmerken, waar mogelijk, versterkt worden. Aandacht gaat uit naar het herkenbaar vormgeven van de overgangen tussen de verschillende landschapstypen. Hierbij valt te denken aan:

  • herkenning van het verschil tussen de veenderijen, veenweide een veenpolderlandschappen;

  • herkenning van het verschil tussen de hoogveengebieden en heideontginningen;

  • herkenning van het verschil tussen de woudontginningen en het essenlandschap;

  • de uitstraling van het beekdallandschap, waarbij de benedenloop een weids en open karakter kent (in aansluiting op het laagveengebied) en de midden- en bovenloop met name contrasteert met de besloten en kleinschalige hoger gelegen landschappen (woudontginningen).

In dit programma volgen we hierbij de landschapstype-indeling zoals deze ook in de omgevingsvisie gehanteerd is, gebaseerd op de Landschapsvisie Zuidoost Friesland. Deze landschapsvisie is overigens niet vastgesteld, maar doorvertaald in de wel vastgestelde omgevingsvisie. De landschapsvisie dient wel als inspiratiedocument.

Van noord naar zuid zijn dit: het veenweidegebied, het beekdal van de Boorne en de Dracht, natuurgebied De Deelen, de veenpolders, de hoogveenontginning, de woudontginning, de heideontginningen en het beekdal van de Tjonger.

In de navolgende subparagrafen zijn deze landschapstypen benoemd en is aangegeven welke kenmerkende kwaliteiten we willen behouden en versterken. Ook beschrijven we per gebied de bijbehorende ambities en werken we die waar mogelijk verder uit. Daar waar in het vervolg van dit programma dan wel in het omgevingsplan aangegeven wordt dat bij een bepaalde ontwikkeling een goede landschappelijke inpassing dan wel een kwaliteitsimpuls van het landschap als vereiste geldt, moet tevens gemotiveerd worden hoe aan de benoemde kwaliteiten wordt bijgedragen. Deze paragrafen en achterliggende landschapsvisie Zuidoost Friesland kunnen dan ook inspiratie en uitgangspunten bieden.

Subparagraaf 4.5.2 Veenweidegebied

Het Veenweidegebied in het noorden van de gemeente Heerenveen is een uniek en waardevol landschap. Met zijn uitgestrekte openheid, rijke natuur en historische structuren vormt het een gebied waar natuur, landbouw en cultuur hand in hand gaan.

Natuurlijke rijkdom en klimaatwaarde

De veenbodem is een natuurlijke schatkamer: rijk aan organisch materiaal, vruchtbaar en in staat om veel water vast te houden. Bovendien ligt er in het veen veel koolstof opgeslagen, wat het gebied belangrijk maakt in de strijd tegen klimaatverandering. Het behoud van dit veenpakket helpt om CO₂-uitstoot te beperken en draagt bij aan een gezonde bodem.

Open landschap en karakteristieke bebouwing

Wat het veenweidegebied zo bijzonder maakt, is de grootschalige openheid. Er is weinig bebouwing en beplanting, waardoor je ver kunt kijken en het landschap kunt beleven. De verspreid liggende boerderijen op terpen – vaak karakteristieke stelp- of kop-hals-rompboerderijen – vormen groene bakens in het landschap dankzij hun erfbeplanting.

Water en natuur in balans

Het gebied is rijk aan water, met deels bevaarbare sloten en vaarten. Het opkwellende grondwater uit de hogere zandgronden is van goede kwaliteit en voedt zowel landbouw als natuur. Natte natuurgebieden en percelen met agrarisch natuur- en akkerrandenbeheer en bermbeheer zorgen voor biodiversiteit en zijn belangrijk voor weidevogels.

Een gebied in ontwikkeling

Hoewel het veenweidegebied te maken heeft met uitdagingen zoals bodemdaling, funderingsproblemen en CO₂-uitstoot, biedt dit ook kansen. Door samen te werken aan innovatieve oplossingen – zoals watergestuurd peilbeheer en duurzame landbouw – ontstaat er ruimte voor herstel van biodiversiteit, nieuwe verdienmodellen voor boeren en (naar aard en schaal passend) versterking van recreatie en toerisme. Het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen zien we als pilot project.

Toekomstgericht beleid

De gemeente ondersteunt in dit gebied actief het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen. Samen met bewoners, boeren en ondernemers wordt gewerkt aan een toekomstbestendig plan. Natuurinclusieve landbouw, kleinschalige recreatie, herstel van cultuurhistorische routes en natuurvriendelijke inrichting van het landschap staan hierbij centraal. [Zie paragraaf 10.2]

In de omgevingsvisie zijn de kenmerkende kwaliteiten van het Veenweidegebied aangegeven, die we willen behouden en versterken. Het veenweidegebied heeft een overwegende agrarische functie, met hier en daar woon-bebouwing of een andersoortig bedrijfsperceel. Kenmerkende kwaliteiten van dit gebied zijn:

  • In de veenbodem is veel koolstof (CO2) vastgelegd. Door het hoge organisch stof gehalte is de bodem vruchtbaar en kan deze veel vocht vasthouden. Behoud van dit veenpakket is daarom wenselijk;

  • Grootschalige openheid en ruime zichtlijnen, doordat er weinig bebouwing en opgaande beplanting aanwezig is;

  • Verspreid liggende bebouwing. Veelal agrarische erven of voormalige boerderijen met name karakteristieke stelpboerderijen. Door de aanwezige erfbeplanting vormen de erven groene bakens in het landschap;

  • Waterrijke omgeving met (deels) bevaarbare waterverbindingen;

  • Het opkwellende grondwater van de hogere zandgronden heeft over het algemeen een goede kwaliteit, is rijk aan mineralen (vooral kalk en ijzer). Verschillende natte natuurgebieden en percelen met agrarisch natuurbeheer (weidevogelbeheer);

  • De verkavelingsstructuur bestaat uit smalle, opstrekkende percelen gericht op de ontginningsas (de Boorne of het Oud diep). Op sommige plekken verspringt de verkavelingsrichting;

  • (oude) Paden en verbindingen door het landschap waarderen en mogelijk toegankelijk maken (recreatieve routestructuren), als ook wegen en dijken die het landschap volgen beheren en behouden, waardoor het landschap beleefbaar is.

Bij uitbreiding van bestaande agrarische percelen houden we rekening met een zorgvuldige inpassing van het bouwvlak in het landschap. Bij een schaalvergroting tot 2,0 hectare wordt een landschappelijk inpassingsplan als voorwaarde gevraagd. Bij grotere bouwvlakken wordt ook een kwaliteitsimpuls in het landschap voorgestaan, waarmee het plan dan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. Deze kwaliteiten staan in dit programma globaal omschreven en worden verder uitgewerkt in het programma groen blauwe structuren.

Subparagraaf 4.5.3 Beekdal van de Boorne en de Dracht

Het Beekdal van de Boorne en de Dracht is een historisch waardevol landschap, waar de Boorne – ooit de levensader van het veengebied – nog altijd zichtbaar door het landschap kronkelt, met oude dijken, terpen en kronkelende wegen als stille getuigen van een rijk verleden.

Landschap met karakter

De ondergrond van klei-op-veen geeft het gebied zijn vruchtbaarheid én zijn karakter. De openheid, de onregelmatige blokverkaveling en de verspreid liggende boerderijen op (voormalige) terpen zorgen voor een afwisselend en herkenbaar landschap. Veel van deze plekken hebben archeologische waarde en vertellen het verhaal van eeuwenlange bewoning en strijd tegen het water.

Beleefbare natuur en cultuur

De Boorne is niet alleen een rivier, maar ook een beleving. Het zicht op het water, de oude dijktracés zoals de Leppedyk en Van Sminiawei, en routes als het Jabikspaad maken het gebied aantrekkelijk voor wandelaars, fietsers en waterrecreanten. De Boorne maakt deel uit van de historische Turfroute, wat kansen biedt voor cultuurhistorisch toerisme en kleinschalige recreatie.

Rust, ruimte en biodiversiteit

Het beekdal is een rustig buitengebied met een agrarisch karakter, waar natuur en landbouw elkaar versterken. Natuurgebieden met petgaten en open water zorgen voor biodiversiteit en zijn belangrijk voor weidevogels. Door de lage ligging speelt het gebied ook een rol in waterberging, wat in tijden van klimaatverandering steeds belangrijker wordt.

Toekomstgericht en veerkrachtig

Hoewel de veenbodem ook hier langzaam daalt, zorgt de kleilaag ervoor dat dit minder snel gaat dan elders. Toch vraagt ook dit gebied – evenals het omliggende veenweidegebied – om slimme oplossingen voor waterbeheer, funderingen en bodemkwaliteit. Samen met de provincie wordt hier in het Veenweideprogramma aan gewerkt.

Kenmerkende kwaliteiten in het Beekdal van de Boorne en de Dracht die we willen behouden en versterken zijn:

  • de klei-op-veen-ondergrond;

  • het zicht op en de beleefbaarheid van de Boorne;

  • de cultuurhistorische waarde van de Middeleeuwse dijktracés, waaronder de Leppedyk en de Van Sminiawei;

  • de openheid en ruime zichtlijnen;

  • de onregelmatige blokverkaveling;

  • de verspreid liggende bebouwing op (voormalige) terpen. Deels met beschermde archeologische waarden;

  • de oude routes/verbindingen, zowel over water als over land (zoals het Jaabikspaad) door het landschap.

Het beekdal van de Boorne en de Dracht kent een lange bewoningsgeschiedenis en oude kenmerkende historische structuren. Waar mogelijk biedt dit mogelijkheden voor culthuurhistorisch behoud bij vrijkomende bebouwing en is er zowel in als door toeristisch-recreatieve uitingen potentie om routes terug te laten komen, te beleven en te versterken.

Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Bij een schaalvergroting tot 2,0 hectare wordt een landschappelijk inpassingsplan als voorwaarde gevraagd. Bij grotere erven wordt ook een kwaliteitsimpuls in het landschap voorgestaan, waarmee het plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. Deze kwaliteiten staan hierboven globaal beschreven en worden verder uitgewerkt in het programma groen blauwe structuren.

Subparagraaf 4.5.4 De Deelen

Natuurgebied De Deelen is een bijzonder natuurgebied midden in het oorspronkelijke laagveengebied, waar water, riet en vogels nu de hoofdrol spelen en waar rust en natuurbeleving centraal staan.

Van turfwinning naar natuurparel

Tot in de jaren zestig werd in De Deelen nog turf gestoken. Maar in plaats van landbouwgrond werd het gebied na de vervening een mozaïek van water, moerasbosjes, rietvelden en smalle graslanden. Deze unieke combinatie maakt De Deelen tot een van de meest waardevolle laagveenmoerassen van Friesland.

Een paradijs voor vogels

De Deelen is aangewezen als Natura 2000-gebied vanwege de vele bijzondere vogelsoorten die er broeden of rusten. Denk aan de roerdomp, purperreiger, bruine kiekendief, zwarte stern en rietzanger. Het gebied is een kwetsbaar ecosysteem waarin vogels het zichtbare topje van een rijke voedselketen vormen.

Rust, stilte en donkerte

Wat De Deelen extra bijzonder maakt, is de stilte. Er is nauwelijks bebouwing, geen verkeersdrukte en 's nachts is het er écht donker. Daarom is het gebied ook aangewezen als provinciaal stiltegebied.

‍Beleefbaar, maar met respect

Via vlonders, paden en bruggetjes kunnen wandelaars het gebied verkennen. Jaarlijks komen er zo’n 50.000 tot 60.000 bezoekers. Om de natuur te beschermen én de beleving te verbeteren, is er aandacht voor de ontsluiting van het gebied.

Natuur vraagt om balans

Omdat De Deelen hoger ligt dan de omliggende landbouwgronden, sijpelt water weg uit het gebied. Daarom wordt onderzocht hoe een nattere bufferzone rondom het gebied kan helpen om het waterpeil en de natuurwaarden in stand te houden. Dit kan resulteren in het aanwijzen van een bufferzone met dit doeleind in het omgevingsplan, maar of we dit daadwerkelijk juridisch willen regelen, hangt ook af van ontwikkelingen in het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen.

In de omgevingsvisie zijn dan ook de volgende te behouden en beschermen kenmerken aangegeven:

  • Aanwezigheid van natte natuur: laagveenmoeras;

  • Broed- en rustplaats voor beschermde vogelsoorten. Het gebied is daarom aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn;

  • Het kenmerkend patroon van petgaten en legakkers (stripen) is door de provincie aangemerkt als aardkundig waardevol gebied;

  • Aanwezigheid van rust, stilte en donkerte. Het gebied is daarom ook aangewezen als provinciaal stiltegebied;

  • Ontbreken van bebouwing en niet-natuurfuncties;

  • Aanwezigheid van een netwerk aan paden, vlonders en bruggetjes waardoor het gebied beleefbaar en toegankelijk is voor o.a. wandelaars.

Subparagraaf 4.5.5 Veenpolders

De Veenpolders vormen één geheel met het veenweidegebied. Het was voorheen dan ook één groot hoogveengebied. In de polders werd de vervening echter systematisch en grootschalig aangepakt. Het is een geheel van elf aaneensluitende veenpolders, die ondanks diverse ruilverkavelingen hun zeer fijnmazige sloten- en percelenpatroon hebben behouden. Alleen in het noorden, bij De Veenhoop en Boornbergum (buiten de gemeente Heerenveen), is blokverkaveling gecreëerd. Dat geldt eveneens voor landerijen bij oudere en grotere nederzettingen als Aldeboarn, Joure en Lemmer.

De veenpolders liggen in Heerenveen aan weerszijden van het lint Terband, Luinjeberd, Tjalleberd en Gersloot. In 1854 is het gebied ingepolderd omdat het door de veenontginning was veranderd in een nat onland. In dit gebied wordt hoofdzakelijk veeteelt bedreven. Doordat het veen hier in het verleden is afgegraven, behoren deze polders tot de laagstgelegen gebieden van Friesland (1,5 tot 2 meter beneden NAP). Deze zijn daarom ook minder geschikt voor akkerbouw.

Op meerdere plekken zijn wegen en andere landschappelijke structuren gemarkeerd met flinke bomensingels. De veenpolders worden begrensd door de Hooivaart in het noorden en de Schoterlandse Compagnonsvaart in het zuiden. Het zuidelijke deel van de polder is daarbij bebouwd door industrieterreinen de Kavels en IBF en ook het terrein Klaverblad Noordoost wordt hier aangelegd. De bedrijventerreinen maken geen onderdeel uit van dit programma Buitengebied.

Kenmerkende kwaliteiten in de veenpolders, waarvan behoud en versterking voorgestaan worden zijn:

  • Langgerekte strokenverkaveling, waarbij de verkavelingsrichting en structuur nog wordt bepaald door de veenontginning en de hierbij behorende en kenmerkende bebouwingskarakteristiek;

  • Dijken, polderdijken, petgaten;

  • Waterstructuur met ringvaarten, sloten en polderdijken (poldersysteem);

  • Open landschap met ruimtelijke geleding door de laanstructuren en de verschillende ruilverkavelingsbosjes;

  • Aanwezigheid van flora en fauna; met name in de laanstructuren, bermen en petgaten en de verschillende ruilverkavelingsbosjes in eigendom van Staatsbosbeheer, dan wel de gemeente;

  • Het opkwellend grondwater van de hogere zandgronden heeft over het algemeen een goede kwaliteit en is rijk aan mineralen (vooral kalk en ijzer).

Subparagraaf 4.5.6 Hoogveenontginning

Het Hoogveenontginningslandschap kent door de ontstaansgeschiedenis een kenmerkende ontginningsstructuur. Het landschap van de hoogveenontginning is gevormd door het winnen van turf uit hoogveen. Dit begon al in 1551 in Heerenveen en breidde zich in de eeuwen daarna oostwaarts uit, tot voorbij Jubbega.

Om het veen te kunnen afgraven, werd een lang kanaal gegraven: de Schoterlandse Compagnonsvaart. Hierop sloten dwarsliggende zijsloten aan, de zogenaamde wijken, en daarop weer kleinere greppels. Deze waterstructuren dienden zowel voor de afvoer van turf als voor het droogleggen van het gebied. Kenmerkende kwaliteiten van het gebied die we willen behouden zijn de volgende:

  • Laanbeplanting langs de vaart zorgt voor een karakteristiek beeld.

  • Elzensingels langs de wijken geven het landschap een halfbesloten karakter.

  • Naast de bebouwing langs de hoofdvaart zijn er kleinere boerderijen en huizen langs de wijken, soms ook vrijstaand in het landschap.

  • Er zijn nog zand- en onverharde paden aanwezig, wat het gebied een landelijke sfeer geeft.

Het is een gebied waar landbouw, wonen en kleinschalige bedrijvigheid samenkomen. De grotere erven liggen aan de vaart, terwijl de wijken vooral kleinschalige percelen met woonfunctie herbergen.

Naast algemene uitdagingen voor het buitengebied, biedt dit gebied kansen voor toerisme en recreatie. Denk aan:

  • Het ontdekken van het landschap en de geschiedenis van de veenontginning.

  • Wandel-, fiets-, ruiter- en mountainbikeroutes.

  • Rustpunten, B&B’s, kamperen bij de boer en andere kleinschalige verblijfsaccommodaties.

Uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven is mogelijk maar moet passen in het landschap. Vanaf 1,5 hectare wordt een ontwikkeling aangemeld voor de Nije Pleats systematiek (zie paragraaf 4.6). Bij grotere erven (vanaf 2 hectare) kan ook een kwaliteitsimpuls van het landschap gevraagd worden. Hierbij kan gedacht worden aan het herstel en herkenbaar maken van de wijken. Nieuwe landschapselementen moeten bijdragen aan de structuur en biodiversiteit.

Subparagraaf 4.5.7 Woudontginningen

Het gebied op de hogere zandrug, benoemd als Woudontginningen, is gevormd door eeuwenlange menselijke activiteit, waarbij bossen en heidegronden zijn omgevormd tot een kleinschalig, afwisselend cultuurlandschap. Juist deze kleinschaligheid en afwisseling van openheid en houtwallen willen we hier behouden en versterken.

Van woeste grond tot waardevol landschap

Langs de oude route van Oudeschoot naar Donkerbroek ontstonden in de Middeleeuwen verspreid liggende boerderijen. Vanuit deze nederzettingen werd het omliggende gebied ontgonnen. Wat ooit woeste grond was – begroeid met bos en heide – veranderde in landbouwgrond, mede dankzij grootgrondbezitters en ontginningsmaatschappijen. Restanten van deze tijd zijn nog zichtbaar in de Ketliker Heide en het Ketliker Schar, natuurgebieden van It Fryske Gea.

Kleinschaligheid en karakter

De woudontginningen kenmerken zich door woudhuisjes en kleine boerderijtjes, vaak vrijstaand en gericht op de weg. Een coulisselandschap met afwisselend bos, houtsingels en open weiden. Smalle percelen haaks op de Schoterlandseweg en zandpaden en binnenwegen die het gebied toegankelijk maken voor wandelaars en fietsers. Wij zien hier mogelijkheden voor versterking in het kader van de Friese bomen- en bossenstrategie.

Wonen, recreatie en natuur in balans

Door de kleinschalige structuur is het gebied minder geschikt voor grootschalige landbouw. In plaats daarvan ligt de nadruk op wonen, natuur en recreatie. Wandelaars, fietsers en ruiters kunnen genieten van een fijnmazig netwerk van paden. Er is ruimte voor kleinschalige toeristische initiatieven zoals B&B’s, kamperen bij de boer en rustpunten.

Water vasthouden voor de toekomst

Door klimaatverandering en bodemdaling in omliggende veengebieden, neemt de kans op verdroging toe. Daarom is het belangrijk om in dit hoger gelegen zandgebied zoveel mogelijk water vast te houden. Gebieden als het Ketliker Schar staan op de TOPlijst van verdroogde natuurgebieden, wat extra aandacht vraagt voor herstel van natuurlijke waterstromen.

Subparagraaf 4.5.8 Beekdal van de Tjonger

Tijdens de voorlaatste ijstijd ontstonden in dit gebied brede beekdalen, waaronder dat van de Beekdal Tjonger. Eeuwenlang werd het gebied gebruikt als hooiland, met een kenmerkende smalle strokenverkaveling. In de 17e eeuw maakte de Tjonger zelfs deel uit van de Friese Waterlinie, met schansen bij Oudeschoot en de Tolhuisbrug om Leeuwarden te beschermen.

Openheid en weidsheid

Tegenwoordig is het beekdal een grootschalig open landschap, met lange zichtlijnen, verspreid liggende boerderijen en nauwelijks beplanting. Dit heeft er ook toe geleid dat in dit landschap grotere agrarische erven ontstaan zijn. Bij een schaalvergroting tot 2,5 hectare wordt een landschappelijk inpassingsplan als voorwaarde gevraagd. Dit vraagt een ander soort inpassing dan de kleinschaligere woudontginningen.

De Tjongerdellen als onder deel van het Tjongerdal vormen een nat natuurgebied met struweelbosjes en nog oude riviermeanders, die het landschap extra karakter geven.

Ruimte voor water en natuur

Door klimaatverandering wordt het steeds belangrijker om water tijdelijk op te kunnen vangen en water vertraagd te kunnen afvoeren. Het beekdal van de Tjonger is hier erg geschikt voor. Er liggen hier kansen om enerzijds bufferzones en nieuwe natte natuur te ontwikkelen in combinatie met uitbreiding van recreatiemogelijkheden en anderzijds te kijken naar gedeeltelijke hermeandering van de gekanaliseerde waterloop. Zo kan het gebied ook een sterkere rol spelen als ecologische verbindingszone. Specifieke projecten zijn er op dit moment niet.

Recreatie langs het water

De Tjonger is niet alleen een natuurlijke deels gekanaliseerde waterloop, maar ook een plek voor ontspanning. Dankzij fietspaden en een bevaarbare route is het gebied populair bij (dag)recreanten.

Subparagraaf 4.5.9 Heideontginningen

Tot slot ligt in het noorden van het Tjongerdal nog een bijzonder stukje landschap: de Heideontginningen. De natuurgebieden, de Kiekenberg en het Schuregaasterveld vormen een aardkundig waardevol landschap waar natuur, reliëf en rust samenkomen.

Een landschap met hoogteverschillen

De Kiekenberg – met bijna 100 hectare aan natuur – is het hoogste punt van de gemeente en bestaat uit drie deelgebieden: de Grote en Kleine Kiekenberg en het Tolheksbos. Samen vormen ze een gevarieerd landschap van bos, heide en oude rivierduinen. Ook het Schuregaasterveld, met droge en natte heide en een herstelde meander van de Tjonger, is een waardevol natuurgebied.

De heideontginningen zijn grotendeels bestemd voor natuur en bos. Er is nauwelijks bebouwing, wat zorgt voor rust en ruimte. De oorspronkelijke rechthoekige verkaveling is op veel plekken vervaagd door natuurlijke processen, waardoor het landschap nu een meer organisch karakter heeft. Hoewel recreatie hier beperkt is en een grote toename er van hier ook niet is voorgestaan, zijn de gebieden goed te beleven voor wandelaars en natuurliefhebbers. De afwisseling van heide, bos en hoogteverschillen maakt het een aantrekkelijk gebied. In dit gebied is bestaand agrarisch (mede)gebruik mogelijk. Uitbreiding van agrarische activiteiten in dit gebied is niet toegestaan.

Door klimaatverandering en bodemdaling in omliggende veengebieden neemt ook hier de kans op verdroging toe. Zowel de Kiekenberg als het Schuregaasterveld kampen met dit probleem. Daarom is het belangrijk om ook in deze hoger gelegen zandgronden zoveel mogelijk water vast te houden, bijvoorbeeld door het aanpassen van watergangen en het herstellen van natuurlijke waterstromen.

Paragraaf 4.6 Kwaliteitsimpuls groene omgeving en Nije Pleats

Onderzoek naar Overijssels model: instrument kwaliteitsimpuls groene omgeving

Naar voorbeeld van de provincie Overijssel is als uitwerking van de omgevingsvisie onderzocht of bij initiatieven in het buitengebied, initiatiefnemers gevraagd zou kunnen worden naar een bijdrage ter stimulering van de kwaliteit van het buitengebied.

Binnen de Omgevingswet is dit mogelijk. De mogelijkheden zijn onder te verdelen in drie categorieën:

  • Kwaliteit realiseren op schaal van het perceel van het initiatief zelf: de basisinspanning. Hierbij maakt de gemeente afspraken voor de landschappelijke inpassing op het erf.

  • Kwaliteit toevoegen buiten het perceel via wettelijke instrumenten (kostenverhaal of financiële bijdragen). Deze inspanning geldt naast de basisinspanning.

  • Kwaliteit toevoegen buiten het perceel voor overige ontwikkelingen. Ook deze inspanning geldt naast de basisinspanning. De initiatiefnemer voegt zelf elders (in overleg) kwaliteit toe, zonder dat kostenverhaal of financiële bijdragen gebruikt worden.

Dit programma, de gemeentelijke omgevingsvisie en het omgevingsplan zijn instrumenten die grond geven om een kwaliteitsimpuls te kunnen vragen indien hier aanleiding voor is.

De beleving van het landschap is de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden. Maar daarnaast staan de natuur en het landschap sterk onder druk. Om het mooie en gevarieerde Heerenveense buitengebied te behouden en versterken wil Heerenveen meer sturen op kwaliteit. In de praktijk zal dit op dit moment via maatwerk per initiatief afgewogen worden.

De Omgevingswet geeft aan dat bij een groot aantal activiteiten kosten verhaald of financiële bijdragen gevraagd kunnen worden. Het gaat bijvoorbeeld om nieuwe woningen, (uitbreidingen van) (agrarische) bedrijven, of om de aanleg van zonnevelden of oprichting van windmolens. In artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit zijn de activiteiten terug te vinden die in aanmerking komen voor kostenverhaal. Artikel 8.20 geeft de categorieën activiteiten waarbij een financiële bijdrage gevraagd kan worden.

De gemeente vraagt dan ook bij een ruimtelijk initiatief in het buitengebied en bij historische linten die doorlopen in het buitengebied in ieder geval om een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing. En als het initiatief een grotere impact heeft op de omgeving, maar wel wenselijk is, zal er onderbouwd om een investering gevraagd kunnen worden in ruimtelijke kwaliteit die verder gaat dan het eigen erf of het perceel waar het initiatief op ziet. De initiatiefnemer profiteert hier ook van. Door een aantrekkelijker buitengebied wordt het er fijner en gezonder wonen, werken en recreëren.

Nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied bieden een mooie gelegenheid om de kwaliteiten van het buitengebied te versterken. Bij uitbreidingen van agrarische erven schakelt de gemeente al het provinciale concept ‘Nije Pleats’ in. De Nije-Pleats methode biedt een gestructureerde aanpak voor de herbestemming van vrijkomende boerderijen in Friesland. Door eigenaar, gemeente en omgeving vroegtijdig in gesprek te brengen, ontstaat ruimte voor nieuwe functies zoals wonen, recreatie, cultuur of ondernemerschap. Zo blijven de boerderijen behouden als herkenbare dragers van het landschap en krijgt leegstand een duurzame oplossing. De methode versterkt tegelijkertijd de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het platteland. Dit houdt Deze werkwijze bevalt goed en willen we ook blijven continueren.

Met het instrument ‘kwaliteitsimpuls groene omgeving’ voegen we hier nog een mogelijkheid aan toe. Juist wanneer ontwikkelingen meer vragen dan een ‘gewone’ landschappelijke inpassing, wil dit niet direct zeggen dat een ontwikkeling niet mogelijk is, maar wordt er wel meer gevraagd. De kwaliteitsimpuls omvat dan een inspanning (compensatiemaatregel in natura) of een financiële bijdrage voor het verbeteren van de omgevingskwaliteit bedoeld die de initiatiefnemer levert wanneer de gemeente zijn/haar initiatief mogelijk maakt. De gemeente vraagt deze inspanning of bijdrage om te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Per situatie/initiatief kan worden bekeken of maatregelen ter verbetering van de omgevingskwaliteit volledig toe te rekenen kunnen zijn aan het initiatief (kostenverhaal) of maar ten dele ten goede komen aan het initiatief (financiële bijdragen). We sluiten hiervoor dus aan bij de wettelijke mogelijkheden. Het is mogelijk dat op den duur een meer gestandaardiseerde werkwijze hiervoor ontstaat, maar vooralsnog is deze kwaliteitsimpuls maatwerk per initiatief.

De ambities waar de kwaliteitsimpuls een bijdrage aan kan leveren zijn breed. Het gaat bijvoorbeeld om het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. Deze zijn per deelgebied specifiek benoemd. Naast landschappelijke inpassing worden bij grotere initiatieven ingrepen in de ruimte gerealiseerd juist om kenmerkende landschapsstructuren (houtstructuren of blauwe structuren) te versterken of natuurgebieden te versterken of met elkaar te verbinden.

Vanuit de provincie ligt er ook een opgave voor een Friese bomen- en bossenstrategie om meer CO2 vast te leggen. Hoewel dit vooral een provinciale opgave is, kan gemeente Heerenveen hiervoor ook een bijdrage vragen, wanneer dit passend is binnen het desbetreffende deelgebied. Het gaat hierbij om meer dan alleen het bijplaatsen van bomen en planten. Het gaat bijvoorbeeld ook om het vergroten van biodiversiteit door middel van specifieke inheemse boomsoorten (soortensamenstelling).

Verdere uitwerking van mogelijke plekken voor versterking van bijvoorbeeld groene structuren in de gemeente wordt gegeven in het nog in voorbereiding zijnde programma groene en blauwe structuren. Op basis hiervan wordt ook bepaald of het mogelijk aanwijzen van hiervoor interessante gebieden in het omgevingsplan of uitwerking van voorbeelden in een handboek en daarmee verdere standaardisering van een werkwijze, zinvol is.

Hoofdstuk 5 Natuur en water: groen-blauwe dooradering

Paragraaf 5.1 Kernopgave vanuit de omgevingsvisie

Vanuit de omgevingsvisie wordt ingezet op een robuust groen en blauw netwerk met ruimte voor een sterke agrarische sector.

Daarnaast is specifiek voor water aangegeven dat we uitgaan van de voorkeurstrits infiltreren-bergen-vasthouden. Inzetten op het versterken van de beleefbaarheid van de waterstructuur, de bescherming van (toekomstige) drinkwatergebieden en inzetten op het voltooien van het natuurnetwerk Nederland. Zaken waarvoor de provincie aan de lat staat, maar waar wij met dit programma richting aan willen geven en (indien nodig) in ons omgevingsplan gebieden voor willen aanwijzen.

In dit hoofdstuk gaan we in op dit robuuste groene en blauwe netwerk. In de navolgende paragrafen gaan we eerst in op het watersysteem, de waterkwaliteit en de waterkwantiteit en daarna beschouwen we het groen, de natuurgebieden, het natuurnetwerk en de verbindingszones.

afbeelding binnen de regeling

Paragraaf 5.2 Water en waterwegen

Uitgangspunten beleid

Onze ambities zoals geformuleerd in de omgevingsvisie ten aanzien van water zijn als volgt:

1. Infiltreren en vasthouden van water

Het vasthouden is vooral aan de orde op de hoger gelegen dekzandrug. Dit geven we vorm door het regenwater zoveel mogelijk af te koppelen en in de bodem te infiltreren. Daarnaast streven we ernaar om de afvoer van water in nieuwe sloten zoveel mogelijk te beperken.

2. Waterbergend vermogen vergroten

In de lager gelegen beekdalen, bijvoorbeeld de Tjongervallei en veengebieden willen we juist meer ruimte bieden om water te bergen en piekbuien op te vangen. Dit zorgt er ook voor dat we in drogere tijden minder gebiedsvreemd water hoeven in te laten. Dat laatste aspect wordt ook meegenomen in de planvorming voor het gebied Aldeboarn-De Deelen. In hoofdstuk 10 gaan we in op mogelijke ontwikkelruimte in bijvoorbeeld gebieden die deel uitmaken van een gebiedsproces.

3. Waterstructuur veenontginning beleefbaar houden

Kenmerkend voor Heerenveen is de geschiedenis van veenontginning. De aanwezige waterstructuur is daar nog een zichtbaar restant van. Met name in het hoogveenontginningslandschap is de structuur van de Compagnonsvaart en de wijken nog goed te herkennen. De cultuurhistorische bescherming hiervan nemen we op in het omgevingsplan. Het zichtbaar en beleefbaar maken van deze structuur is voor dit gebied daarom een belangrijk doel, naast het duurzaam beheren van het water.

4. Bescherming van drinkwater

De gemeente ziet ook het belang van een natuurlijker bodem- en grondwatersysteem om de levering van drinkwater voor de toekomst te waarborgen. Beschermingszones voor drinkwater nemen wij op in ons omgevingsplan. Op dit moment wordt er op provinciaal niveau gekeken naar het aanwijzen van gebieden met strategische voorraden. Wij zijn hier als gemeente bij betrokken om vanuit onze gebiedskennis mee te denken en input te leveren.

Een flinke opgave in het landelijk gebied is daarnaast de daling van de veenbodem en daarmee ook afname van de waterbergingscapaciteit door de oxidatie van het veen, vermindering van landbouwopbrengsten per hectare, versnippering van het waterbeheer, verdichting van de bodem, terugloop van de biodiversiteit en risico op schade aan funderingen. Aan de andere kant liggen er ook kansen om de biodiversiteit te vergroten, de CO2-uitstoot te terug te dringen, het toerisme te stimuleren en verdienmogelijkheden voor de boeren toe te voegen. In hoofdstuk 10 komen we terug op de mogelijkheden waarover nagedacht wordt in het gebiedsproces Aldeboarn-De Deelen. Daarmee wordt het gebied duurzamer en toekomstbestendiger.

Het watersysteem bestaat zowel uit natuurlijke systemen (beekdalen) als systemen met een cultuurlijke oorsprong (kanalisatie, vaarten, ontginningssloten). De beekdalen vormden de basis voor de vroegere ontginning van het merendeel van het gebied. Blijvende benutting van het beekdal voor de waterhuishouding geeft garanties voor het behoud ervan. In de lagere delen (in de lage beekdalen en veengebieden) vormt het patroon van vaarten en sloten een beeldbepalende structuur in een open landschap. Behoud van de waterstructuren vormt het uitgangspunt. Dit verdient met name aandacht bij de kleinschaligere structuren, die gevoelig zijn om verloren te gaan bij ontwikkelingen.

Het is gewenst om het verschil tussen (van oorsprong) natuurlijke watersystemen en cultuurlijke (gegraven) watersystemen te verduidelijken. Onderdeel hiervan is het weer sterker laten meanderen van de beken in contrast met de rechtlijnigheid van de (compagnons)vaarten.

Initiatieven die kunnen bijdragen aan natuurversterking en waterberging, langs zowel natuurlijke als cultuurlijke watersystemen, worden gestimuleerd.

Water is echter meer dan alleen het zichtbare oppervlaktewater. Het gaat ook om grondwaterstromen, bodemsamenstelling (mogelijkheden tot waterberging) en de kwaliteit en kwantiteit van het water.

Het natuurlijk bodem- en grondwatersysteem bepaalt in belangrijke mate welke vormen van landbouw en natuur in het gebied mogelijk zijn.

Voorstel beleidslijn

Wij houden vast aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en willen er daarnaast naar toewerken dat ook de niet alleen de als KRW-water aangewezen wateren schoner worden. Dit betekent dat er bijvoorbeeld langs sloten spuitvrijzones worden aangehouden.

Daarnaast zetten we ons daar waar mogelijk (met name op gronden in eigendom van gemeente en natuurorganisaties) in om water langer vast te houden, door middel van natte natuur en zien we mogelijkheden om retentiegebieden aan te wijzen zodat er bij hoge waterstanden ruimte is voor het water en daarmee overstromingen op plaatsen waar we dit niet willen worden voorkomen. We sturen hier niet actief zelf op, maar in overleg met de provincie en het Wetterskip verkennen we mogelijkheden en koppelkansen.

We beschermen het cultuurhistorisch waardevolle complex van wijken door middel van een gebiedsgerichte bescherming in het omgevingsplan en kijken we naar mogelijkheden om bij nieuwe ontwikkelingen de oude structuren te stimuleren.

We nemen actief deel in het provinciale veenweideprogramma en zetten ons in voor gebiedsprocessen die moeten leiden tot een goede balans in het veenweidegebied. In de navolgende hoofdstukken werken, wonen en recreëren gaan we in op maatregelen die we sowieso bieden voor uitbreiding, verbreding of verandering van activiteiten. Daarnaast volgen we op de voet de ontwikkelingen die in het kader van gebiedsprocessen plaatsvinden. Dit zal ruimte geven voor maatwerk, onderbouwd met het gebiedsplan. Ontwikkelingen die juist bodemdaling in het veenweidegebied versterken staan we niet voor.

Drinkwater en de bescherming van strategische drinkwatervoorraden is een provinciale aangelegenheid, maar we zijn met onze lokale kennis betrokken bij de totstandkoming hiervan en waar nodig verankeren we de bescherming van gebieden in ons omgevingsplan, aangezien een strategische voorraad kwalitatief geschikt drinkwater ons algemeen belang dient.

Paragraaf 5.3 Natuurnetwerk

Heerenveen is een groene gemeente. Naast het Natura 2000-gebied De Deelen zijn flinke stukken in de gemeente aangewezen als onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Grote bos- en natuurgebieden bepalen het beeld voor de dorpen direct ten oosten van Heerenveen. Het woudontginningslandschap met groene houtsingels loopt door tot in de kern Heerenveen en bepaalt het groene beeld in wijken als Skoatterwâld, de Akkers en de Heide.

Het overkoepelende doel is om natuurgebieden beter met elkaar te verbinden en in te zetten op het versterken van de contrasten en beleefbaarheid van de verschillende landschapstypen die Heerenveen rijk is, juist omdat landschap een grote aantrekkingskracht op inwoners en recreanten heeft. Nieuwe ontwikkelingen worden ingepast in het landschap en leveren een bijdrage aan de ontwikkeling en het beheer van het landschap. Zie paragraaf Kwaliteitsimpuls landschap. In de paragraaf landschappelijke waarden is beoogd te beschrijven waar per deelgebied op ingezet kan worden. Verdere uitwerking vindt plaats in het programma groen blauwe structuren.

Daarnaast wordt ingezet op het natuurvriendelijk(er) beheren van bermen en boerenland. Voorbeelden hiervan zijn begrazing door schapen, laten liggen van hout in bossen, inzaaien van bloemenweides en -bermen, natuurlijke oevers en het gebruik van inheemse plantensoorten. En ook wordt er al jaren ingezet op natuurlijk groenbeheer. Dit levert ook een bijdrage aan de verbetering van de soortenrijkdom (biodiversiteit).

De soortenrijkdom neemt ook toe wanneer leefgebieden groter worden en beter met elkaar verbonden zijn. Dieren en planten moeten zich kunnen verplaatsen, voortplanten, leven, foerageren etc. Daarvoor is een geschikte leefomgeving nodig en bij voorkeur verbindingen tussen die leefgebieden. Deze verbindingen noemen we het natuurnetwerk. De basis van het natuurnetwerk wordt gevormd door de gebieden van Staatsbosbeheer en It Fryske Gea en de natuurlijk beheerde delen van het openbaar groen van de gemeente. De Provincie heeft het voortouw bij het realiseren en inrichten van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als gemeente hebben we de ambitie uitgesproken te werken aan een fijnmazig lokaal natuurnetwerk. Dit netwerk omvat zowel het landelijk gebied, bebouwde omgeving, particuliere tuinen als bedrijventerreinen.

In het programma groen blauwe structuren brengen we in beeld welke schakels in het natuurnetwerk ontbreken en benoemen we de kansen voor de verdere ontwikkeling hiervan. Op basis hiervan wordt ook bepaald of het mogelijk aanwijzen van gebieden hiervoor in het omgevingsplan zinvol is.

Investeringen in het natuurnetwerk kunnen ook onderdeel zijn van de kwaliteitsimpuls landschap, ter compensatie van ontwikkelingen elders. Een en ander zoals ook beschreven in de paragraaf Kwaliteitsimpuls landschap.

Hoofdstuk 6 Werken in het buitengebied

Paragraaf 6.1 Inleiding

In het buitengebied zijn allerlei bedrijven actief. De landbouw is de dominante gebruiker, economische drager en voornaamste beheerder in het buitengebied. Daarnaast zijn er ook andere bedrijven actief. Soms zijn deze bedrijven direct gebonden aan het buitengebied, soms niet. Dit deel van het programma Buitengebied geeft inzicht in de ontwikkelmogelijkheden en de voorwaarden waarbinnen agrarische bedrijven en niet-agrarische bedrijven zich verder kunnen ontwikkelen in het buitengebied van de gemeente Heerenveen.

Paragraaf 6.2 Kernopgave uit de Omgevingsvisie

De omgevingsvisie schetst het ontwikkelperspectief voor de landbouw in een duurzame richting. Wij ondersteunen een landbouwsector die past bij de schaal van het landschap, die zich meer toelegt op het sluiten van kringlopen (kringlooplandbouw) en die gericht is op het beschermen en ontwikkelen van natuurwaarden (natuur inclusieve landbouw).

Daarnaast zien we dat ervoor het toekomstbestendig maken van de landbouw onder voorwaarden ruimte is voor:

  • Agrarische innovaties (in relatie tot dierenwelzijn, kringlooplandbouw en natuur inclusieve landbouw);

  • Energieopwekking bij agrarische bedrijven;

  • Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, zoals ondergeschikte detailhandel en aan-huis-verbonden beroepen;

  • Het verlenen van (mantel)zorg;

  • Uitbreiding van kleinschalige recreatieve functies, waarmee ook de beleefbaarheid van het landschap wordt versterkt.

Ook is het bij uitzondering nog mogelijk om agrarische bedrijven te verplaatsen (in relatie tot verbetering van het landschap of voor het oplossen van milieuknelpunten). Hiervoor geldt altijd maatwerk.

Uitbreidingen bij niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid willen we zoveel als mogelijk beperken, omdat we zuinig zijn op de kwaliteit van ons landschap. In het geval er bij een bestaande ondernemer uitbreidingswensen zijn, zullen we samen het gesprek aan gaan om te kijken of een uitbreiding op de huidige locatie nog inpasbaar is. Nieuwbouw heeft niet de voorkeur. Een uitzondering is vervangende nieuwbouw.

Ook bieden we mogelijkheden voor het vestigen van een lichte categorie bedrijvigheid, kantoor of dienstverlenend bedrijf, mits naar aard en schaal passend in de omgeving, in vrijkomende (agrarische) bebouwing.

Paragraaf 6.3 Agrarische bedrijven (niet-grondgebonden)

Het huidige beleid (zoals de provinciale omgevingsverordening) staat geen nieuwvestiging van intensieve bedrijven toe. In uitzonderlijke gevallen kan dit wel worden toegestaan indien daar een dringende reden van maatschappelijke aard voor aanwezig is. Dit uitgangspunt zal worden gehandhaafd.

Bestaande intensieve bedrijven mogen zich verder ontwikkelen tot een oppervlakte van ten hoogste 1,5 hectare, hierbij gelden verder dezelfde voorwaarden die ook voor grondgebonden bedrijven gelden.

Paragraaf 6.4 Agrarische bedrijven (grondgebonden)

Subparagraaf 6.4.1 Inleiding

Voor wat betreft de vraag wat onder een grondgebonden agrarisch bedrijf of grondgebonden veehouderij wordt verstaan, hanteren we in dit programma de omschrijving uit de provinciale verordening. Deze wijkt af van wat daar in het omgevingsplan onder wordt verstaan. In de nieuwe omschrijving wordt sterker het accent op ‘grondgebondenheid’ gelegd:

Grondgebonden veehouderij: een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering.

Het huidige beleid staat geen nieuwvestiging van een nieuw agrarisch bedrijf toe, tenzij hiermee een milieuknelpunt elders, binnen of buiten de gemeente, opgelost wordt. Dit zal altijd maatwerk zijn.

Subparagraaf 6.4.2 Oppervlakte bouwvlakken

Huidig gemeentelijk beleid

Een uitbreiding van een bestaand bedrijf of de nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf tot en met een oppervlakte van 1,5 hectare moet plaatsvinden op landschappelijk verantwoorde wijze. Indien noodzakelijk zal een beplantingsplan of anderszins een plan met compenserende maatregelen moeten worden overlegd, waarvan de realisering als een voorwaardelijke verplichting aan de vergunning of het bestemmingsplan wordt gekoppeld. Een uitbreiding van een bestaand bedrijf tot een oppervlakte van meer dan 1,5 hectare, (ook indien het huidige bedrijf een oppervlakte heeft van meer dan 1,5 hectare) en een nieuwvestiging van een grondgebonden bedrijf met een oppervlakte van meer dan 1,5 hectare wordt alleen toegestaan indien het bedrijf voor wat betreft schaal, verschijningsvorm, ontsluitingssituatie en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten (een en ander volgens de Nije Pleats-methodiek).

Gemeentelijke omgevingsvisie

Wat betreft de omvang van de bedrijven, werken we ten behoeve van het omgevingsplan voor het buitengebied een methodiek uit die aansluit bij het provinciale beleid. Daarbij sturen we niet op een maximale omvang van agrarische percelen, maar kan bij schaalvergroting wel een investering in het landschap aan de orde zijn.

Voorstel beleidslijn

Bij uitbreiding van bestaande agrarische erven houden we rekening met een zorgvuldige inpassing in het landschap. Een beplantingsplan en andere compenserende maatregelen moeten worden overlegd. Deze dienen als voorwaardelijke verplichting op te worden genomen in vergunning of omgevingsplan.

Bij schaalvergroting vragen we de initiatiefnemer een landschappelijk inpassingsplan op te stellen. De grenswaarde vanaf wanneer een inpassingsplan opgesteld dient te worden verschilt per landschapstype. Bij grotere erven vragen we ook om een kwaliteitsimpuls in het landschap, waarmee het plan een bijdrage levert aan de landschappelijke kernkwaliteiten. In het omgevingsprogramma voor groene en blauwe structuren wordt deze kwaliteitsimpuls inhoudelijk verder uitgewerkt. In al deze gevallen is de Nije Pleats-systematiek voor ontwikkelingen vanaf 1,5 hectare van toepassing.

Landschapstype

Grenswaarde

Veenweidegebied

2,0 ha.

Beekdal Boorne en De Dracht

2,0 ha.

Veenpolders

2,0 ha.

Hoogveenontginning

2,0 ha.

Woudontginning

1,5 ha.

Beekdal Tjonger

2,5 ha.

Per landschapstype is in de omgevingsvisie vastgesteld wat de grenswaarde is van een bouwperceel, uitgaande van passendheid/inpassing in het landschap. In lijn met het provinciaal beleid, bedraagt een bouwperceel van een grondgebonden agrarisch bedrijf maximaal 3 hectare. Alleen bij specifieke redenen kan worden meegewerkt aan een nog groter bouwperceel, mits de ontwikkeling een bijdrage levert aan andere opgaven en ambities, zoals herstel van biodiversiteit, energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of landschapsversterking. De decentrale overheden in de provincie Fryslân hebben niet een specifieke methodiek voor aanvragen van agrarische bouwpercelen van meer dan 3 hectare. In ieder geval dient de Nije Pleats-methodiek toegepast te worden. Het landschapstype is sturend voor de inpassing. In kleinschalige landschapstypes, zoals binnen de Woudontginningen, zal een dergelijk groot bouwperceel, indien hier behoefte aan is, waarschijnlijk (landschappelijk) gesplitst moeten worden.

Subparagraaf 6.4.3 Niet-grondgebonden neventak

Wanneer een grondgebonden agrarisch bedrijf een niet-grondgebonden neventak heeft, staan wij de bestaande activiteiten hierin toe. Nieuwe activiteiten dan wel uitbreiding van een niet-grondgebonden neventak is niet toegestaan.

Subparagraaf 6.4.4 Bedrijfsbebouwing

Huidig gemeentelijk beleid

In de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied, vastgesteld op 27 juni 2024, zijn de bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten Heerenveen, Boarnsterhim en Skarsterlân samengebracht en op elkaar afgestemd. Voor bedrijfsbebouwing in het buitengebied geldt daarbij het volgende, zoals opgenomen in onderstaande tabel:

Tabel: Oppervlaktematen bedrijfsbebouwing

 

max oppervlakte (m2)

 

binnen of buiten bouwvlak

 

bouwwerk

gezamenlijk

 

bedrijfsgebouwen

overkappingen

-

-

binnen bouwvlak

bij afwijking

 
 

buiten(a)

serrestallen

-

-

binnen bouwvlak

bij afwijking

 
 
 

bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning

-

100

binnen bouwvlak

bij afwijking

-

150/200(b)

binnen bouwvlak

veldschuren

bestaand

 

bestaand

Hiervoor gelden de volgende regels:

(a) indien geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden, de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 250m² en deze bouwwerken niet voor bewoning zijn bedoeld;

(b) tot 150m²: indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld en de landschappelijke waarden; tot 200m²: zie bij voorwaarden tot 150m² en de woning of bedrijfsgebouw(en) een gemeentelijk monument of Rijksmonument betreft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden;

(c) dan wel de bestaande maten indien deze meer bedragen;

Naast de bedrijfsgebouwen is ook de bedrijfswoning onderdeel van het beleid. Deze worden behandeld in het hoofdstuk “Wonen”.

Huidig provinciaal beleid

De omgevingsverordening van de provincie Fryslân geeft geen specifieke oppervlakte voor bedrijfsbebouwing.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij het huidige gemeentelijke beleid en geeft richting aan hoe de ruimte buiten de dorpskernen wordt gebruikt. In de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied is vastgelegd hoeveel ruimte bedrijven krijgen voor nieuwe bebouwing. Op die manier wordt duidelijkheid geboden aan ondernemers én wordt tegelijkertijd het landschap beschermd. Het behouden van de openheid en de karakteristieke uitstraling van het buitengebied staat hierbij centraal.

Er is ruimte om in bijzondere gevallen van de regels af te wijken. Dat kan bijvoorbeeld wanneer een ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteit van het landschap of het buitengebied versterkt. Afwijkingen zijn alleen toegestaan als aan de voorwaarden wordt voldaan, waarbij de bescherming van de landschappelijke waarden altijd de belangrijkste toetssteen vormt.

Dit zorgt voor meer duidelijkheid en voorspelbaarheid voor inwoners, ondernemers en initiatiefnemers die plannen hebben in het buitengebied.

Subparagraaf 6.4.5 Bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde

Huidig gemeentelijk beleid

In de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied zijn de bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten samengebracht en op elkaar afgestemd. Voor bedrijfsbebouwing in het buitengebied geldt daarbij het volgende, zoals opgenomen in onderstaande tabel:

soort bouwwerk

plaats

max. bouwhoogte (m)

max oppervlakte (m2)

aantal

 
 
 
 
 

mestsilo's

binnen bouwvlak

-

-

-

afwijking(a)

buiten bouwvlak

5

750

 

sleufsilo's

binnen bouwvlak

-

-

-

afwijking (a)

buiten bouwvlak

5

750

-

voedersilo's

binnen bouwvlak

15

-

-

mestzakken

binnen bouwvlak

-

-

-

afwijking(a)

buiten bouwvlak

5

750

 

torensilo's

bestaand

bestaand

 

bestaand

afwijking(b)

binnen bouwvlak

25

-

3

afscheidingen

binnen bouwvlak

2

-

-

afscheidingen

buiten bouwvlak

1

-

-

overige bouwwerken

binnen bouwvlak

15

-

-

overige bouwwerken

buiten bouwvlak

4

-

-

opslag van mest

binnen bouwvlak

-

-

-

afwijking(c)

buiten bouwvlak

-

2.000

-

Hiervoor gelden de volgende regels:

a. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de landschappelijke waarden en de gezamenlijke oppervlakte van alle met een (a) aangeduide bouwwerken mag niet meer bedragen dan 750m²,

b. mits geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke waarden wordt gedaan

c. mits geen onevenredige afbreuk aan de landschappelijke waarden en de milieusituatie wordt gedaan, de opslag direct aansluitend aan het bouwvlak plaatsvindt en dit om bedrijfseconomische, ontsluitings- of milieukundige redenen noodzakelijk is.

Huidig provinciaal beleid

De omgevingsverordening van de provincie Fryslân hanteert geen specifiek beleid voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Hierbij geven ze de gemeente de rol om eigen beleid te schrijven.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij het huidige gemeentelijke beleid en geeft richting aan hoe de ruimte buiten de dorpskernen wordt gebruikt. In de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied is vastgelegd hoeveel ruimte bedrijven krijgen voor nieuwe bebouwing. Op die manier wordt duidelijkheid geboden aan ondernemers én wordt tegelijkertijd het landschap beschermd. Het behouden van de openheid en de karakteristieke uitstraling van het buitengebied staat hierbij centraal.

Er is ruimte om in bijzondere gevallen van de regels af te wijken. Dat kan bijvoorbeeld wanneer een ontwikkeling bijdraagt aan de kwaliteit van het landschap of het buitengebied versterkt. Afwijkingen zijn alleen toegestaan als aan de voorwaarden wordt voldaan, waarbij de bescherming van de landschappelijke waarden altijd de belangrijkste toetssteen vormt.

Paragraaf 6.5 Verbreding agrarische activiteiten

Subparagraaf 6.5.1 Nevenactiviteiten

Ten aanzien van de nevenactiviteiten op het bouwperceel van agrarische bedrijven sluiten we aan bij de regels vanuit de provinciale verordening. Ondersteunende glastuinbouw staan we niet toe, aangezien dit in onze gemeente niet aan de orde is.

Toegestaan is:

  • Detailhandel in de vorm van productie-gebonden detailhandel of detailhandel in streekproducten;

  • Bedrijvigheid in de vorm van lichte bedrijvigheid of bij het landelijk gebied passende bedrijvigheid;

  • Activiteiten voor het bewerken, verwerken en vergisten van mest of andere agrarische producten als deze ten dienste staan van, of verband houden met de agrarische activiteiten van het agrarisch bedrijf.

Maar ook:

  • Een consumptieverkooppunt,

  • Logiesverstrekking;

  • Beroepsuitoefening aan huis;

  • Opslag van vaar- en voertuigen;

  • Africhten, verzorgen en onderbrengen van dieren;

  • Ruimte voor dagrecreatieve voorzieningen;

  • Landschapsbeheer;

  • Een zorgfunctie.

De nevenactiviteit heeft ruimtelijk een zodanige omvang dat deze ondergeschikt blijft aan de agrarische activiteiten en past in de landelijke omgeving. In lijn met het eerder vastgestelde harmonisatiebeleid houden we hierbij een maximum van 30% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen aan. In het omgevingsplan kunnen nog maximale oppervlakten voor bij recht toegestane activiteiten opgenomen worden. Voor alle activiteiten geldt dat altijd een afweging gemaakt wordt of de activiteit naar aard en schaal passend is in de omgeving.

In de navolgende paragraaf gaan we nog specifiek in op mogelijkheden voor energieopwekking op agrarische gronden, want naast mestvergisting, staan we ook mogelijkheden voor windturbines, zonne-energie toe.

Subparagraaf 6.5.2 Energieopwekking op agrarische percelen

Windturbines

We staan de maximale mogelijkheden toe zoals deze ook aangegeven zijn in de provinciale verordening.

In een omgevingsplan kan het plaatsen van maximaal drie windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf, bestaand hulpbedrijf landelijk gebied of grootschalige recreatieve voorziening worden toegestaan, onder de volgende voorwaarden:

  • De windturbines mogen een maximale ashoogte van 15 meter hebben;

  • Het op te stellen vermogen is afgestemd op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf;

  • De windturbines mogen maximaal 25 jaar in stand worden gehouden daarna moet de oorspronkelijke situatie worden hersteld.

Zonne-energie

Bij het toedelen van functies aan nieuwe locaties voor opstellingen voor zonne-energie volgen we het provinciaal beleid. In een omgevingsplan voor gronden buiten het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in een opstelling voor zonne-energie op:

  • Het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, niet-agrarisch bedrijf, horecagelegenheid, maatschappelijke voorziening of woning, mits het op te stellen vermogen is afgestemd op het eigen energieverbruik;

  • Een zandwinlocatie of een voormalige zandwinlocatie, voor zover deze geen onderdeel uitmaakt van het natuurnetwerk Nederland;

  • Gronden met een functie in de overhoeken voor infrastructuur voor weg, spoor, water en vliegverkeer, voor zover het niet gaat om historische infrastructuur en groene grasdijklichamen, zoals beschreven in de Structuurvisie Grutsk op 'e Romte;

  • Gronden met een functie voor bestaande nutsvoorzieningen of gronden die eerder zijn bestemd en gebruikt voor nutsvoorzieningen, maar waarop de functie nutsvoorzieningen vervallen is;

  • Gronden die deel uitmaken van het natuurnetwerk Nederland of gronden die zijn aangewezen als natuur buiten het natuurnetwerk Nederland, uitsluitend voor zover de opstelling wat betreft functie en vermogen is gericht afgestemd op de energiebehoefte die samenhangt met het fysieke beheer en onderhoud van het gebied;

  • Gronden die aansluiten op het bestaand stedelijk gebied die niet in gebruik zijn voor landbouw- of natuurdoeleinden en niet zijn voorzien van de functie agrarisch dan wel natuur, mits de gronden geen functie hebben voor de landschappelijke inpassing van andere functies;

  • De zonnevelden mogen maximaal 25 jaar blijven staan, daarna moet de oorspronkelijke situatie worden hersteld.

  • Zonnevelden worden niet geplaatst op landbouwgronden, tenzij deze minder geschikt zijn voor landbouwfunctie door vernatting en bodemdaling en voortvloeien uit ‘Veenweideprogramma 2021-2030’.

De mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend.

Mestvergisting, biomassavergisting

We staan een duurzame ontwikkeling van landbouw voor. Hierbij hoort ook het niet onwelwillend staan ten opzichte van nieuwe initiatieven voor onder meer mestvergisting als nevenactiviteit bij een bestaand agrarisch bedrijf. In principe is hierbij het uitgangspunt dat dit voor gebruik binnen het eigen bedrijf gebeurt en de veiligheidscontouren ook niet over de terreingrens heen gaan. Een dergelijk initiatief is altijd maatwerk.

Batterijopslag

De gemeente Heerenveen beschikt momenteel nog niet over specifiek beleid voor batterijopslag, maar wij erkennen dat dit een sector is die zich snel ontwikkelt. Daarom volgen wij deze ontwikkelingen actief en werken wij toe naar het opstellen van een algemeen beleidskader. Daarbij ligt de nadruk in eerste instantie op toepassing op bedrijfskavels, met name ter ondersteuning van zonne- en/of windenergieprojecten.

Als toekomstige ontwikkelingen aanleiding geven, wordt het beleid rondom (bedrijfsmatige) batterijopslag in het buitengebied ook nader uitgewerkt op gemeentelijk niveau. Voor nu blijft dit individueel maatwerk.

Paragraaf 6.6 Agrarisch aanverwante bedrijven

Hieronder verstaan we bijvoorbeeld de loonwerkbedrijven, de grondverzetbedrijven, agrarische handels- en exportbedrijven of een paardenfokkerij, danwel paardenhouderij.

Bij dit type bedrijven staan we geen nieuwvestiging van toe. Bestaande bedrijven behouden hun bestaansrecht. Bij grote uitbreidingen (massa) of uitbreiding met activiteiten die niet meer als agrarisch aanverwant te bestempelen zijn en wanneer er niet meer een logische koppeling is met lokale clientèle, ligt een verplaatsing naar een bedrijventerrein voor de hand.

Paragraaf 6.7 Niet-agrarische bedrijven

Nieuwe grootschalige niet-agrarische bedrijvigheid verwijzen we door naar bedrijventerreinen in de gemeente. Wel zien we mogelijkheden voor kleinschalige bedrijvigheid, bijvoorbeeld in vrijkomende bebouwing en aan-huis-verbonden beroepen, die zich goed verhouden met de woonfunctie.

Bestaande niet-agrarische bedrijven in het buitengebied behouden hun bestaansrecht en kennen we daarom ook een 10% uitbreidingsmogelijkheid toe, mits het bedrijfsperceel dat toe laat. Bij plannen voor grotere uitbreidingen gaan we in gesprek over mogelijkheden voor verplaatsing naar en bedrijventerrein.

Paragraaf 6.8 Vrijkomende (agrarische) bebouwing

Er zijn steeds meer agrarische bedrijven die stoppen. Dit heeft verschillende oorzaken, zoals het gebrek aan bedrijfsopvolging, financieel perspectief, regeldruk, etc. Veelal is het een combinatie van meerdere factoren. De gemeente Heerenveen wil stoppende agrarische bedrijven faciliteren, binnen de planologische mogelijkheden die er zijn. Zo is de stapeling van bijvoorbeeld de ruimte voor ruimte-regeling en de stoppersregeling van het Rijk toegestaan.

Nieuwe mogelijke functies en daarbij horende activiteiten die hierbij kunnen worden toegestaan om verpaupering en verval van veelal karakteristieke panden en ondermijning tegen te gaan zijn wonen, een zorgfunctie, verblijfsrecreatie- en logiesverstrekking, beroep aan huis, kleinschalige, lichte bedrijvigheid, inpandige opslag van vaar-en voertuigen en ruimte voor dagrecreatieve voorzieningen. Een nieuwe ontwikkeling is echter altijd maatwerk en moet met zorg worden ingepast in het omringende landschap.

Hoofdstuk 7 Wonen in het buitengebied

Paragraaf 7.1 Inleiding

De Woonvisie 2023 – 2028 van de gemeente Heerenveen draait om mensen én brede welvaart. Onze belangrijkste opgave? Zorgen voor fijne, veilige woonplekken in onze wijken en dorpen. We willen dat inwoners nu prettig kunnen wonen, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Brede welvaart vormt dan ook de rode draad: welzijn op de korte én lange termijn.

Met deze visie behouden én versterken we de sterke kanten van onze gemeente. We richten ons daarbij op vijf speerpunten:

  • a.

    Heerenveen groeit Tot 2030 voegen we minimaal 2.000 woningen toe om de bevolkingsgroei op te vangen.

  • b.

    Betaalbaar wonen voor iedereen Onze diverse bevolking vraagt om voldoende betaalbare woningen voor jong en oud.

  • c.

    Levendige kernen en gemengde wijken We investeren in vitale dorpen en buurten waar mensen van verschillende achtergronden samenleven.

  • d.

    Wonen met zorg in de buurt Een inclusieve gemeente vraagt om een woonzorgaanbod dat aansluit bij verschillende behoeften.

  • e.

    Een duurzaam thuis in een groene omgeving Nieuwbouw en bestaande woningen dragen bij aan een klimaatbestendige, gezonde leefomgeving.

Daarnaast hechten we veel waarde aan het landschap en de natuur rond onze kernen. De groene corridors, die onderdeel zijn van het robuuste natuurnetwerk, verbinden deze gebieden met elkaar en zijn van grote waarde. Daarom zijn we terughoudend met bouwen in het buitengebied. Alleen als het gaat om hergebruik van bestaande (agrarische) percelen – bijvoorbeeld via sloop/nieuwbouw of transformatie – staan we daar nieuwe woningen toe.

Paragraaf 7.2 Woningen

Subparagraaf 7.2.1 Hoofdgebouwen

Gemeentelijk beleid

In de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied is het beleid voor de lintbebouwing in dorpen en de bebouwde kom van Heerenveen doorgetrokken naar de linten in het buitengebied. De maximum oppervlakte die wordt genoemd in deze partiële herziening is 150 m2. Hiervoor is gekozen met de volgende overwegingen:

  • In de lintbebouwing van dorpen en de bebouwde kom van Heerenveen hanteren actuele bestemmingsplannen voor hoofdgebouwen een maximale gevelbreedte van 10 meter en een maximale diepte van 15 meter, wat neerkomt op een maximale oppervlakte van 150 m². Deze maatvoering blijkt goed verenigbaar met het behoud van de karakteristieke lintbebouwing.

  • Voorgesteld wordt om deze maximale oppervlakte van 150 m² ook toe te passen op lintbebouwing in het buitengebied. Vanuit het oogpunt van eenduidigheid wordt aanbevolen om voor het gehele buitengebied één maximale oppervlaktelimiet van 150 m² te hanteren, inclusief (agrarische) bedrijfswoningen.

  • Wonen in het buitengebied blijft een ondergeschikte en aanvullende functie. Het gemeentelijk beleid is terughoudend ten aanzien van het toestaan van nieuwe woningen. De maximale oppervlakte van bestaande woningen heeft hierop geen invloed; de ondergeschiktheid van wonen in het buitengebied komt vooral tot uitdrukking in het niet laten toenemen van het aantal woningen.

Deze grens zorgt voor duidelijkheid en uniformiteit, en geldt dan ook voor het hele buitengebied.

Provinciaal beleid

Op 25 september 2024 hebben Provinciale Staten de aangepaste Omgevingsverordening vastgesteld. Deze bepaalt dat nieuwe stedelijke functies (zoals woningen) buiten het bestaande stedelijke gebied alleen mogelijk zijn als ze:

  • Aansluiten op het bestaande stedelijke gebied, en

  • Qua aard en schaal passen bij de stad of het dorp.

Voor woningbouw betekent dit dat nieuwe woningen alleen zijn toegestaan als ze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. Uitzonderingen zijn mogelijk wanneer er bilaterale afspraken zijn gemaakt over woningbouw, vooruitlopend op de volgende herziening van de regionale afspraken.

Voorstel beleidslijn

Zoals ook vastgelegd in de Woonvisie is de gemeente Heerenveen terughoudend met woningbouw in het buitengebied. Nieuwe woningen zijn toegestaan als het gaat om hergebruik van bestaande (veelal agrarische) percelen. Dit kan via sloop/nieuwbouw of transformatie van bestaande bebouwing.

Voor deze woningen hanteren we één duidelijke norm: een maximale oppervlakte van 150 m² voor hoofdgebouwen in het gehele buitengebied. Dit is dus ook de maximum oppervlakte ook in andere delen van Heerenveen. Dit zorgt voor consistentie binnen het beleid én duidelijkheid voor initiatiefnemers. Ook sluit dit aan op het provinciale beleid en is dit een maat die gehanteerd wordt in omliggende gemeenten.

Subparagraaf 7.2.2 Bijbehorende bouwwerken

Gemeentelijk beleid

In de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied is vastgelegd dat aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw een maximale oppervlakte van 100 m² mogen hebben.

In specifieke gevallen kan deze oppervlakte worden vergroot tot 150 m², mits dit:

  • In goede verhouding staat tot het hoofdgebouw en het erf, én

  • Geen onevenredige afbreuk doet aan de woonsituatie, het straatbeeld en het karakter van de omgeving.

Tevens is het mogelijk om uit te breiden tot 200 m², met inachtneming van bovenstaande en wanneer de woningen een gemeentelijk monument of rijksmonument betreffen, waardoor geen vergunning vrij bouwen mogelijk is.

Provinciaal beleid

De Provinciale Omgevingsverordening van Fryslân biedt ruimte voor het toestaan van bijgebouwen, mits deze zijn afgestemd op de aard en schaal van de omgeving. In plaats van strikte maatvoeringen hanteert de provincie een benadering die inzet op inpasbaarheid in het landschap en samenhang met de bestaande bebouwing. Gemeenten vertalen dit principe in hun omgevingsplannen, waarbij bijgebouwen qua omvang, vorm en uitstraling moeten passen bij de ruimtelijke context. Hiermee stimuleert Fryslân maatwerk en ruimtelijke kwaliteit, zonder onnodig beperkende regels op te leggen.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij het gemeentelijke beleid, maar zoekt aansluiting op de provinciale verordening door meer ruimte te bieden:

  • Basisoppervlakte: maximaal 100 m²;

  • Uitbreiding mogelijk, mits deze is afgestemd op de aard en schaal van de omgeving.

Dit betekent maatwerk om ruimtelijke kwaliteit te behouden, waarbij evenals in de huidige beleidslijn afweging van de verhouding hoofd- en bijgebouwen, verhouding tussen bebouwing en de grootte van het erf, straatbeeld en karakter van onder meer het landschapstype leiden tot de conclusie of verzoek om een grotere massa passend is. Een intern toetsingskader voor doorvertaling van deze beleidslijn in het omgevingsplan wordt nog verder uitgewerkt.

Deze lijn zorgt voor duidelijkheid, behoud van kwaliteit in het buitengebied en sluit aan op de eerder vastgestelde beleidskaders.

Subparagraaf 7.2.3 Aan-huis-gebonden beroepen en bedrijvigheid

Gemeentelijk beleid

In het kader van de Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (vastgesteld op 2 mei 2024, naar aanleiding van de gemeentelijke herindeling in 2014), staat de gemeente beperkte bedrijvigheid aan huis in het buitengebied toe.

Belangrijk uitgangspunt is dat de activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en geen afbreuk doen aan het karakter van de woning of de uitstraling van het woongebied.

Voor de uitoefening van een dienstverlenend beroep aan huis geldt:

  • Direct toegestaan tot maximaal 50 m²;

  • Maximaal 30% van de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen.

Voor nevenfuncties zoals logiesverstrekking, streekgebonden detailhandel of consumptieverkooppunten gelden dezelfde oppervlaktematen. Hier is echter een nadere toetsing vereist op basis van geschiktheid en impact op de omgeving.

De gemeente is op dit moment nog terughoudend bij het toestaan van nevenfuncties zonder duidelijke relatie tot het buitengebied of de woonfunctie. Nieuwe stedelijke functies zijn immers niet toegestaan in het buitengebied. Op basis van het Beleidskader zonneparken 2022 (geldig sinds 13 februari 2023), wordt energieopwek met zonnepanelen op daken en gevels toegestaan als nevenfunctie bij een woning.

Tevens wordt voor kleinschalige kampeerterreinen de volgende maatvoering aangehouden:

  • Maximaal 15 standplaatsen bij een reguliere woning, of 25 als het bij een agrarisch bedrijf hoort;

  • Afstand tot eigen woning of bedrijfsbebouwing: bij reguliere woning maximaal 50 meter, bij agrarisch bedrijf maximaal 100 meter;

  • Afstand tot woningen van derden: minimaal 50 meter;

  • Afstand tot andere kampeerterreinen: minimaal 500 meter.

Kleinschalige recreatieve verblijfsaccommodaties kennen een andere hoofdbestemming dan recreatie. Voor de afweging van nieuwe ontwikkelingen is enkele jaren terug de leidraad vitale verblijfsaccommodaties vastgesteld (29 november 2022). Dit gaat uit van vijf ontwikkelprincipes:

1. Vernieuwend en aanvullend logiesaanbod

  • Geen ruimte voor ‘meer van hetzelfde’.

  • Focus op jaarrond kwaliteit, diversiteit en innovatieve concepten. Voorbeelden: boetiekhotels, natuurbeleving, erfgoedlogies.

2. Aansluiting bij natuur en cultuur(historie)

  • Logies moeten maatschappelijk en cultureel passen in de omgeving.

  • Zuinig ruimtegebruik en versterking van de lokale identiteit staan voorop.

3. Bijdrage aan maatschappelijk opgaven

  • Logies dragen bij aan economie, werkgelegenheid, leefbaarheid en voorzieningen.

  • Afstemming van nieuwe initiatieven met de samenleving is belangrijk.

  • Circulaire en duurzame ontwikkeling.

  • Bij de ontwikkeling van nieuwe initiatieven is er aandacht voor duurzaamheid in ontwerp, bouw en exploitatie. Bijvoorbeeld hergebruik en landschappelijke inrichting met aandacht voor het versterken van biodiversiteit en waterbeheer.

4. Aandacht voor echt ondernemerschap

  • Alleen serieuze ondernemers met langjarige exploitatie worden ondersteund.

5. Uitponding (verkoop van losse kavels) en permanente bewoning worden ontmoedigd.

Nieuwe ontwikkelingen waar medewerking aangegeven wordt, moeten onderbouwd aan deze principes voldoen.

Provinciaal beleid

In de op 25 september 2024 vastgestelde omgevingsverordening van de provincie zijn algemene kaders opgenomen voor het toevoegen van stedelijke functies buiten bestaand stedelijk gebied. Specifiek beleid over bedrijvigheid aan huis ontbreekt, maar het toevoegen van functies is mogelijk onder voorwaarden zoals:

  • Hergebruik van bestaande bebouwing

  • Passend qua aard en schaal bij de omgeving

  • Bijdrage aan regionale opgaven of ambities

Voor kleinschalige recreatieve voorzieningen bij woningen zijn wel duidelijke regels vastgesteld. Op of aansluitend aan het bouwperceel zijn onder voorwaarden toegestaan:

  • Een kleinschalig kampeerterrein (maximaal 25 kampeerplaatsen)

  • Een kleinschalige jachthaven (maximaal 25 ligplaatsen)

  • Logies, recreatiewoningen en groepsaccommodaties in bestaande bebouwing

  • Dagrecreatieve voorzieningen tot maximaal 1 hectare

Daarnaast biedt de provincie, net als de gemeente, ruimte voor zonnepanelen op daken en gevels. Ook zijn kleine windturbines (maximale tiphoogte 10 meter) toegestaan, mits:

  • Geplaatst op het bouwperceel

  • Alleen voor eigen energiegebruik

  • Maximaal voor een periode van 25 jaar

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij het provinciale beleid, dat iets meer ruimte biedt voor aanvullende functies. Hoewel bedrijvigheid aan huis niet expliciet wordt benoemd, laat de regelgeving wél mogelijkheden toe voor het toevoegen van stedelijke functies buiten bestaand stedelijk gebied, mits:

  • Het gaat om hergebruik van bestaande bebouwing;

  • De functie past bij de schaal en aard van de omgeving;

  • De toevoeging bijdraagt aan maatschappelijke doelen of ambities.

Voor kleinschalige recreatie bij woningen houden we de volgende lijn aan:

  • Kampeerterreinen en jachthavens tot 15 plekken bij reguliere woningen;

  • Kampeerterreinen en jachthavens boven de 25 plekken passend bij aard en schaal (zie landschap);

  • Logies, recreatie en groepsaccommodaties in bestaande bebouwing;

  • Dagrecreatie tot 1 hectare.

Gemeenten hebben de taak ervoor te zorgen dat het gemeentelijke omgevingsprogramma leidt tot een evenwichtige toeeling van functies over locaties. Voor logiesaccommodaties in het buitengebied betekent dit onder andere dat clustering moet worden voorkomen, zodat bijvoorbeeld geluidsoverlast en verkeersdruk voor omwonenden zoveel mogelijk worden beperkt.

Daarom hanteren wij de afstanden zoals vastgelegd in de Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied. Voor kleinschalige kampeerterreinen geldt:

  • Afstand tot de eigen woning: maximaal 50 meter

  • Afstand tot een agrarisch bedrijf: maximaal 100 meter

  • Afstand tot woningen van derden: minimaal 50 meter

  • Afstand tot andere kampeerterreinen: minimaal 500 meter

Daarnaast bewaken we dat nieuwe initiatieven geen afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Dat betekent dat er geen negatieve invloed mag zijn op onderwerpen zoals verkeer, landschap of stedenbouw. Om dit te beoordelen, worden plannen besproken aan een omgevingstafel, waar deskundigen vanuit verschillende disciplines hun expertise inbrengen.

Tot slot volgen wij de uitgangspunten uit de Leidraad Vitale Verblijfsaccommodaties. Deze waarborgen dat het aanbod van verblijfsaccommodaties in het buitengebied niet alleen van hoge kwaliteit blijft, maar ook voldoende divers is. Zo zorgen we voor een aantrekkelijk, leefbaar en toekomstbestendig buitengebied.

Daarnaast blijven zonnepanelen op daken en gevels en kleine windturbines (onder bovengenoemde voorwaarden) toegestaan als duurzame nevenfuncties bij woningen.

Paragraaf 7.3 Woonboerderijen

Subparagraaf 7.3.1 Nevenfuncties bij woonboerderijen

Provinciaal beleid

In de op 25 september 2024 vastgestelde omgevingsverordening van de provincie zijn algemene kaders opgenomen voor het toevoegen van stedelijke functies buiten bestaand stedelijk gebied. Specifiek beleid over bedrijvigheid aan huis ontbreekt, maar het toevoegen van functies is mogelijk onder voorwaarden zoals:

  • Hergebruik van bestaande bebouwing;

  • Passend qua aard en schaal bij de omgeving;

  • Bijdrage aan regionale opgaven of ambities.

Voor woonboerderijen specifiek (voormalig agrarische bedrijven) gelden specifieke regels die niet voor reguliere woningen van toepassing zijn. Op of aansluitend aan het bouwperceel zijn onder voorwaarden toegestaan:

  • Maximaal 10 kleine recreatieverblijven op of in aansluiting op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf of voormalig agrarisch bedrijf, aansluitend op bestaande bebouwing;

  • Kampeerterreinen en jachthavens tot 25 plekken bij (voormalige) agrarische bedrijven.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij het provinciale beleid, waarbij (naast de voor reguliere woningen toegestane nevenfuncties) meer mogelijkheden zijn voor woonboerderijen. Deze verruiming van mogelijkheden betreffen:

  • Maximaal 10 kleine recreatieverblijven op of in aansluiting op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf of voormalig agrarisch bedrijf, aansluitend op bestaande bebouwing;

  • Kampeerterreinen en jachthavens tot 25 plekken bij (voormalige) agrarische bedrijven.

Hierbij wordt wel uitgegaan van de leidraad vitale verblijfsaccommodaties.

Paragraaf 7.4 Woningsplitsing en gebruik vrijkomende karakteristieke bebouwing voor wonen

Gemeentelijk beleid

In de Harmonisatie bestemmingsplannen Buitengebied (vastgesteld op 2 mei 2014) zijn de regelingen uit de voormalige gemeenten samengevoegd. Binnen de voormalige gemeente Heerenveen bestond al de mogelijkheid om één of meerdere wooneenheden toe te voegen in voormalige boerderijpanden. Deze regeling was niet van toepassing binnen de andere twee opgeheven gemeenten. Met het oog op het behoud van landschappelijke en karakteristieke waarden is deze mogelijkheid geharmoniseerd.

Voor het toestaan van extra wooneenheden binnen het hoofdgebouw gelden de volgende voorwaarden:

  • De woonoppervlakte per extra wooneenheid bedraagt minimaal 100 m²;

  • Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan:

    • Het woon- en leefklimaat van omliggende woningen;

    • De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen;

    • De natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied.

Provinciaal beleid

Op 25 september 2024 is door Provinciale Staten de gewijzigde omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening biedt ruimte voor het hergebruik van vrijkomende (niet-) agrarische bebouwing in het buitengebied.

Concreet betekent dit:

  • Wonen is toegestaan in de voormalige bedrijfswoning, inclusief aangebouwde bijgebouwen en bestaande karakteristieke gebouwen;

  • Binnen deze kaders is het mogelijk om door splitsing van een woning, zoals een woonboerderij, tot drie wooneenheden te realiseren.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij de provinciale beleidslijn, zoals vastgelegd in de gewijzigde Omgevingsverordening. Hiermee wordt het huidige gemeentelijke beleid verruimd.

Daarin wordt:

  • a.

    Het hergebruik van vrijkomende (niet-)agrarische bebouwing toegestaan voor bewoning;

  • b.

    Expliciet ruimte geboden voor splitsing van woonboerderijen, waarbij maximaal drie wooneenheden in bestaande karakteristieke gebouwen mogen worden gerealiseerd;

  • c.

    Benadrukt dat bewoning beperkt blijft tot de voormalige bedrijfswoning, bijgebouwen en karakteristieke bebouwing.

Deze benadering sluit aan bij het gemeentelijk streven om cultuurhistorisch waardevolle panden een duurzame toekomst te bieden, zonder daarbij het landschap of het woon- en leefklimaat te belasten.

Paragraaf 7.5 Ruimte-voor-ruimte

Gemeentelijk beleid

Op dit moment worden er vanuit het gemeentelijk beleid nog geen specifieke uitgangspunten gegeven voor een ruimte-voor-ruimte regeling.

Provinciaal beleid

De provinciale Omgevingsverordening biedt ruimte om buiten het bestaand stedelijk gebied maximaal twee nieuwe woningen te bouwen op een bestaand voormalig agrarisch of niet-agrarisch bouwperceel. De voorwaarden hiervoor zijn als volgt:

  • a.

    Voor één woning moet er minimaal 1000 m² aan beeldverstorende bebouwing worden gesloopt. Voor twee woningen moet er minimaal 3000 m² aan beeldverstorende bebouwing worden gesloopt.

  • b.

    Deze woning moet voldoen aan de eerder geschetste maximale oppervlakten.

Daarnaast moet de sloop gepaard gaan met een aanzienlijke verbetering van de omgevingskwaliteiten op het perceel. De omvang van de nieuw te bouwen woningen moet in overeenstemming zijn met de aard en schaal van de omliggende omgeving.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij de lijn die wordt gehanteerd in de provinciale Omgevingsverordening. Dit houdt in dat er een sloop van minimaal 1000 m² voor één woning en 3000 m² voor twee woningen dient plaats te vinden. Dit betreft de sloop van beeldverstorende bebouwing, oftewel: gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Hierbij wordt de oppervlakte van de verharding als uitgangspunt gehanteerd. Dit geeft een reëel beeld van de ruimtelijke en milieutechnische impact van een ontwikkeling, omdat verharding niet alleen het landschap bepaalt, maar ook gevolgen heeft voor waterhuishouding en klimaatadaptatie. Door verhardingsoppervlak centraal te stellen wordt transparant en eerlijk gestuurd op daadwerkelijke kwaliteitswinst in het buitengebied. Daarnaast moeten de omgevingskwaliteiten op het perceel aanzienlijk worden verbeterd, en dient de omvang van de woningen afgestemd te zijn op de aard en schaal van de omgeving.

Paragraaf 7.6 Bedrijfswoningen

Gemeentelijk beleid

In de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied (vastgesteld op 27 juni 2024) zijn de bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten samengevoegd en geharmoniseerd. In de gemeente Heerenveen werd voor een bedrijfswoning een maximale oppervlakte van 120 m² gehanteerd. In de voormalige gemeenten Boarnsterhim en Skarsterlân gold deze regeling alleen voor niet-inpandige woningen.

In de herziening is voorgesteld om alleen een maximale oppervlakte voor niet-inpandige bedrijfswoningen te hanteren, en wel een oppervlakte van 150 m². Deze keuze is gebaseerd op de toegenomen gemiddelde woninggrootte en de groeiende vraag naar woonkwaliteit. Daarnaast is in de herziening voorgesteld om voor het aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen met een gezamenlijke oppervlakte van 100 m² toe te staan.

Tot slot wordt nog opgemerkt dat op dit moment in de voormalige gemeente Skasterlân nog een mogelijkheid voor een tweede bedrijfswoning in de beheersverordening staat. Gezien het feit dat de noodzaak voor een tweede bedrijfswoning nauwelijks meer te onderbouwen is, wordt voorgesteld dit gelijk te trekken en geen tweede bedrijfswoning meer in het omgevingsplan op te nemen. In specifieke gevallen kan onderbouwd maatwerk geleverd worden.

Provinciaal beleid

De provinciale verordening bevat geen specifieke uitgangspunten voor bedrijfswoningen in het buitengebied.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan op de lijn die wordt voorgesteld in de partiële herziening Harmonisatie Buitengebied. Daarbij wordt voorgesteld deze lijn aan te houden voor alle bedrijfswoningen. Zowel de agrarische als niet-agrarische. Dit houdt in:

  • Alleen een maximale oppervlakte van 150 m² voor niet-inpandige bedrijfswoningen, in lijn met de grotere gemiddelde woninggrootte en de toenemende behoefte aan woonkwaliteit.

  • Voor het aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen wordt voorgesteld om een gezamenlijke oppervlakte van 100 m² te blijven toestaan, zoals vastgelegd in de herziening.

  • Geen nieuwe tweede bedrijfswoning toestaan.

Deze lijn ondersteunt de harmonisatie van het beleid en draagt bij aan een consistent en transparant beleid in het buitengebied.

Paragraaf 7.7 (pre)Mantelzorg

Nationale regelgeving

Het toestaan van mantelzorgwoningen in het buitengebied is geregeld via het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), onderdeel van de Omgevingswet. Dit besluit legt vast dat een bestaande woning of bijgebouw zonder vergunning mag worden aangepast of gebruikt als mantelzorgwoning, mits er sprake is van een noodzaak tot mantelzorg. In het buitengebied betekent dit dat binnen de regels van het omgevingsplan een tijdelijke woonvoorziening kan worden gerealiseerd. Dit kan bijvoorbeeld door een woning te splitsen of een mantelzorgunit op het erf te plaatsen. De tijdelijke voorziening moet wel worden verwijderd zodra de mantelzorgsituatie eindigt.

Pre-mantelzorg verwijst naar het creëren van woonruimte voor een naaste vóórdat er sprake is van een acute zorgbehoefte. In tegenstelling tot reguliere mantelzorgwoningen valt pre-mantelzorg (nog) niet onder de landelijke vergunningvrije regels.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij de lijn zoals opgenomen in de nationale regelgeving. Dit betekent dat een tijdelijke woonvoorziening is toegestaan zolang sprake is van een mantelzorgsituatie. Pre-mantelzorgwoningen vallen op dit moment nog niet onder de landelijke vergunningsvrije regels en zijn daardoor nog niet toegestaan in het buitengebied. Tegelijkertijd signaleren wij op landelijk niveau ontwikkelingen die het in de toekomst mogelijk maken om een woning voor familieleden in de eerste graad toe te staan. Aangezien deze regelgeving nog in ontwikkeling is, wordt deze op dit moment nog niet opgenomen in het programma. Wel staan wij positief tegenover de aankomende wetgeving en zullen, zodra deze van kracht is, de mogelijkheden onderzoeken en indien mogelijk geacht overnemen in ons gemeentelijk beleid. De gemeente Heerenveen volgt deze ontwikkelingen actief en zal, zodra deze van kracht worden, overnemen en verwerken in het programma Buitengebied.

Paragraaf 7.8 Permanente bewoning recreatiewoningen

Provinciaal beleid

Vanuit de provinciale verordening wordt geen ruimte geboden voor nieuwe mogelijkheden voor permanente bewoning van recreatiewoningen, behalve voor woningen die oorspronkelijk gebouwd zijn als reguliere woning, en voor de huisvesting van arbeidsmigranten onder voorwaarden. Wel is de gemeente zich bewust van de ontwikkeling waarbij de provinciale verordening ruimte biedt aan permanente bewoning van recreatiewoningen die zich bevinden grenzend aan stedelijk gebied. De invulling hiervan ligt bij de gemeente.

Voorstel beleidslijn

Voor nieuwe mogelijkheden voor permanente bewoning van recreatiewoningen wordt geen ruimte geboden, behalve voor woningen die oorspronkelijk gebouwd zijn als reguliere woning, en voor de huisvesting van arbeidsmigranten onder voorwaarden, conform de provinciale verordening. De ontwikkelingen als vanuit de provincie worden gevolgd door de gemeente. Te zijner tijd zal worden gekeken hoe deze dienen worden opgenomen in het programma.

Hoofdstuk 8 Recreatie en toerisme in het buitengebied

Paragraaf 8.1 Kernopgave recreatie vanuit de Omgevingsvisie

In de omgevingsvisie is aangegeven dat kleinschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen worden gestimuleerd. Daarbij zetten we in op slimme groei, waarbij toerisme en de kernkwaliteiten van een gebied elkaar versterken, bijvoorbeeld door bij te dragen aan herstel en behoud van (cultuur)historie en het versterken van routestructuren, de leefbaarheid en beleefbaarheid. We zetten dan ook in op vernieuwende verblijfsrecreatieve concepten.

Deze ambitie wordt ondersteund door de conclusies uit de recent uitgevoerde regionale analyse naar de vitaliteit en marktruimte in de toeristisch-recreatieve sector. Hieruit is gebleken dat:

  • In zuidoost Friesland slechts 42% van de logiesbedrijven vitaal is;

  • De helft van de bedrijven weinig toekomst perspectief heeft;

  • Herontwikkeling van bestaand aanbod de voorkeur heeft boven nieuwbouw;

  • De marktruimte beperkt is, er is dan ook geen behoefte aan meer van hetzelfde, maar wel ruimte voor vernieuwende concepten. Daarbij moeten nieuwe initiatieven aantonen dat er vraag is.

Als vervolg op de eerste regionale analyse naar de vitaliteit en marktruimte is een SWOT-analyse uitgevoerd om input te krijgen voor de te ontwikkelen kaders waar binnen de gemeente toekomstige initiatieven in de logiessector wil beoordelen. De eerste SWOT -analyse bestaat uit de natuurlijke en landschappelijke potentie van de regio zuidoost Friesland, gericht op ontwikkelingsmogelijkheden van logiesaccommodaties. De tweede SWOT -analyse is ook een grafische weergave (eveneens in kaartvorm) van de locaties en spreiding van de huidige logiesaccommodaties en toeristische voorzieningen/ecosystemen in Zuidoost Friesland (zoals campings, hotels, bungalowparken, camperplekken, aanlegplekken, recreatieve voorzieningen, wandel- en fietspaden, vaarroutes, ruimtelijke entrees, TOP ’s en rustpunten). Het betreft een momentopname van eind 2023, die een goed beeld geeft, maar niet uitputtend is.

Als derde en laatste stap zijn beide analyses samengevat en gevisualiseerd in een inspirerende ‘eindkaart’. Deze eindkaart maakt inzichtelijk waar nog ruimte is voor ontwikkelingen en hoe ontwikkeling hiervan bij kan dragen aan de opgaven in Zuidoost Friesland.

afbeelding binnen de regeling

Voor de gemeente Heerenveen valt op dat het buitengebied van de gemeente met name in trek is bij verbindings- en inzichtszoekers. Verbindingszoekers reizen graag samen, zoeken kleinschaligheid en waarderen variatie in de natuur (bos, heide, veenweide) het meest van alle leefstijlen.

Deze analyse geeft een bevestiging van de lijn zoals beschreven in de omgevingsvisie, en dit beleid wordt dus voortgezet en verder uitgewerkt in dit programma. Hierbij maken we net als de provinciale verordening onderscheid tussen recreatiebedrijven, kleinschalige verblijfsrecreatie en recreatief medegebruik, zoals de mogelijkheid voor een b&b bij woningen en (dag)recreatieve voorzieningen. Dit betekent ook dat kleinschalige recreatieve verblijfsvoorzieningen en (dag)recreatieve voorzieningen ook al benoemd zijn als mogelijkheden voor nevenactiviteiten bij wonen en werken (hoofdstuk 6, resp. 7). En dat bestaande recreatiebedrijven in principe (ook) vallen onder bestaande overige bedrijvigheid in het buitengebied.

Paragraaf 8.2 Recreatiebedrijven

Gemeentelijk beleid

Onder de term recreatiebedrijven vallen de recreatiebedrijven en logiesverstrekkende bedrijven die als hoofdactiviteit (voormalig hoofdbestemming) recreatie hebben. Als gemeente staan we een vitale recreatiesector voor en daarmee staan we ook voor het behoud van bestaande bedrijven. Wel willen we zuinig omgaan met de ruimte in ons buitengebied en stellen we kwaliteit boven kwantiteit. Bij uitbreidingswensen zullen we dan ook gezamenlijk met de ondernemer kijken naar deze wensen (het concept), de kwaliteit ervan en de landschappelijke inpasbaarheid.

Provinciaal beleid

Op basis van de provinciale omgevingsverordening zijn uitbreiding van bestaande voorzieningen en nieuwe voorzieningen mogelijk indien nabij of aansluitend bij bestaand bebouwd gebied en naar aard en schaal passend bij de kern of het bestaande recreatiebedrijf. Dit is dan ook altijd maatwerk. In uitzonderingsgevallen kan ook meegewerkt worden aan een recreatieve ontwikkeling wanneer deze niet naar aard en schaal passend is. In dat geval moet aan extra voorwaarden voldaan worden.

Voorstel beleidslijn

In dit programma Buitengebied houden we voor uitbreiding van bestaande bedrijven in principe maximaal 10% van het bestaande oppervlakte aan, of een bedrijfsplan moet anders kunnen aantonen. In principe gelden de landschapskwaliteiten en de draagkracht van het gebied waarin de ontwikkeling plaats vindt sowieso als voorwaardelijk bij een ontwikkeling. Daarnaast wordt bij een grotere ontwikkeling een bijdrage, kwaliteitsimpuls groene ruimte verlangd en zal overeenkomstig de Nije Pleats systematiek toegewerkt worden naar inpassing in het landschap. Dit betekent dat de gemeente en de eigenaar hierover vroegtijdig in gesprek gaan. Ook moet een logiesvoorziening altijd bedrijfsmatig geëxploiteerd worden.

Paragraaf 8.3 Kleinschalige verblijfsrecreatie

Gemeentelijk beleid

Kleinschalige recreatieve verblijfsaccommodaties kennen een andere hoofdbestemming dan recreatie. Voor de afweging van nieuwe ontwikkelingen is enkele jaren terug de leidraad vitale verblijfsaccommodaties vastgesteld (29 november 2022). Dit gaat uit van vijf ontwikkelprincipes:

1. Vernieuwend en aanvullend logiesaanbod

  • Geen ruimte voor ‘meer van hetzelfde’

  • Focus op jaarrond kwaliteit, diversiteit en innovatieve concepten

  • Voorbeelden: boetiekhotels, natuurbeleving, erfgoedlogies;

2. Aansluiting bij natuur en cultuur(historie)

  • Logies moeten landschappelijk en cultureel passen in de omgeving

  • Zuinigruimte gebruik en versterking van de lokale identiteit staat voorop

3. Bijdrage aan maatschappelijke opgaven

  • Logies dragen bij aan economie, werkgelegenheid, leefbaarheid en voorzieningen

  • Afstemming van nieuwe initiatieven met de samenleving is belangrijk

  • Circulaire en duurzame ontwikkeling

  • Bij de ontwikkelingen van nieuwe initiatieven is er aandacht voor duurzaamheid in ontwerp, bouw en exploitatie. Bijvoorbeeld hergebruik en landschappelijke inrichting met aandacht voor het versterken van biodiversiteit en waterbeheer.

4. Aandacht voor echt ondernemerschap

  • Alleen serieuze ondernemers met langjarige exploitatie worden ondersteund.

5. Uitponding (verkoop van losse kavels) en permanente bewoning worden ontmoedigd.

Nieuwe ontwikkelingen waar medewerking aangegeven wordt, moeten onderbouwd aan deze principes voldoen.

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid Gastvrij Friesland is al meegenomen in bovenstaande gemeentelijke leidraad bij nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast geeft de provinciale omgevingsverordening de volgende kaders voor kleinschalige recreatieve voorzieningen als nevenactiviteiten in het landelijk gebied.

In een omgevingsplan kunnen buiten het bestaand stedelijk gebied de volgende aan de hoofdfunctie ondergeschikte kleinschalige recreatieve voorzieningen worden toegestaan:

a. een kleinschalig kampeerterrein van maximaal 25 kampeerplaatsen of een kleinschalige jachthaven met maximaal 25 ligplaatsen, op of in aansluiting op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, woning, bedrijf, horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening;

b. logies, recreatiewoningen, groepsaccommodaties in bestaande bebouwing op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, woning, bedrijf, horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening;

c. groepsaccommodaties op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf, aansluitend op bestaande bebouwing;

d. maximaal 10 kleine recreatieverblijven op of in aansluiting op het bouwperceel van een agrarisch bedrijf of voormalig agrarisch bedrijf, aansluitend op bestaande bebouwing;

e. kleinschalige dag-recreatieve voorzieningen.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij het provinciaal beleid en de eerder vastgestelde Leidraad vitale verblijfsaccommodaties. We zoeken de ruimte op die hierin geboden wordt voor het stimuleren van een veelzijdig aanbod van recreatieve (neven)activiteiten, met aandacht voor kwaliteit, kleinschaligheid en passendheid bij de verschillende landschapstypen. Tevens in lijn met de leidraad vitale verblijfsaccommodaties.

De afwegingsprincipes die hier dan ook bij gebruikt worden zijn de volgende:

  • Ontwikkelingen moeten passen bij de schaal en aard van de locatie;

  • Landschappelijke inpassing is maatwerk;

  • De gemeente wil toeristisch gebruik behouden en leegstand voorkomen;

  • Nieuwe logies moeten aantoonbaar binnen de marktruimte passen en waar de recreatiefunctie geen nevenactiviteit betreft, bijvoorbeeld wanneer het een initiatief in vrijkomende bebouwing betreft, moet deze aantoonbaar langjarig bedrijfsmatig geëxploiteerd worden.

Deze lijn zorgt voor duidelijkheid, behoud van kwaliteit in het buitengebied en zet daarmee eerder vastgestelde beleidskaders voort. Verdere uitwerking van Gastvrij Friesland sluit daarmee ook aan op dit programma Buitengebied.

Qua omvang sluiten we aan bij de kaders vanuit het provinciaal beleid, maar maken we hierbij wel onderscheid of het kleinschalige kampeerterrein opgericht wordt bij een agrarische functie of bij regulier wonen. Hiervoor verwijzen wij naar het hoofdstuk Wonen.

Paragraaf 8.4 (dag)Recreatieve voorzieningen en routestructuren

Gemeentelijk beleid

Voor het versterken van de kwaliteit en veerkracht van het landelijk gebied, willen we inzetten op het versterken van de variatie in landschappen in de gemeente. Hoewel recreatiedruk ook kwaliteit onder druk zet, levert dit ook waardering en middelen op ter behoud van het landschap. Vandaar dat we ook inzetten op de beleefbaarheid en toegankelijkheid van het landschap. Voor de toerist, maar ook voor de eigen inwoners.

Horecarustpunten, een regeling voor consumptieverkooppunten die nu al toegestaan zijn als nevenactiviteit, zijn hierbij ondersteunend. Ingezet wordt op een goede mix aan rustpunten in combinatie met de verblijfsrecreatieve mogelijkheden langs routes. Bij nieuwe initiatieven wordt de oriëntatie en doelgroep meegewogen.

Provinciaal beleid

Provinciaal beleid staat dagrecreatieve inrichtingen tot een maximale oppervlakte van 1 hectare toe op of in aansluiting op het erf van een agrarisch bedrijf, woning, bedrijf, horecagelegenheid of maatschappelijke voorziening, waarbij alleen ondergeschikte nieuwbouw ten behoeve van de voorziening is toegestaan.

Voorstel beleidslijn

In het programma Buitengebied zien wij per landschapstype de volgende karakteristieken:

In het veenweidegebied en de veenpolders ligt de nadruk op mogelijkheden voor alternatieve verdienmodellen en versterking van de waterrecreatie, rustpunten, b&b, kamperen bij de boer, kleinschalige accommodaties of innovatieve verblijfsrecreatieconcepten.

Langs de Boorne liggen mogelijkheden om de beleefbaarheid van het landschap verder te ontwikkelen. Het vaarwater van de Boorne maakt onderdeel uit van de Turfroute. Daarnaast loopt het Jabikspaad langs deze rivier. De Boorne geeft dus mogelijkheden voor ontwikkeling van cultuurhistorie, natuurbeleving en waterrecreatie-gerelateerde voorzieningen én (kleinschalige) voorzieningen, accommodaties en rustplaatsen voor recreanten op land. Bovendien worden combinaties van water- en landrecreatie ook steeds relevanter.

In natuurgebied de Deelen is beperkt recreatief medegebruik mogelijk en ook bij de heideontginningen, is slechts een beperkte (extensieve) recreatiefunctie mogelijk, waarbij rekening gehouden moet worden met de draagkracht en natuurwaarden in het gebied. Jaarlijks komen er al zo’n 50.000 tot 60.000 bezoekers. Om de natuur te beschermen én de beleving te verbeteren, wordt gekeken naar nieuwe toegangsroutes.

Het hoogeveenontginngingsgebied en de woudontginningen lenen zich voor het uitbreiden van het wandel-, mountainbike en ruiterpadennetwerk in combinatie met kleinschalige overnachtingsmogelijkheden. Cultuurhistorisch zien we hier kansen om het verhaal van de veenontginning beleefbaar te maken. Herstel van cultuurhistorische routes en landschapselementen die bijdragen aan biodiversiteit en beleving.

Het beekdal van de Tjonger heeft door de aanwezigheid van doorlopende fietspaden en een bevaarbare waterverbinding al een belangrijke functie op het gebied van recreatie en toerisme. In gezet wordt op het behoud en versterken hiervan. Tevens ondersteund door mogelijkheden voor kleinschalige verblijfsrecreatie. Versterking van de natte natuurfunctie in dit gebied, in combinatie met wandel- en fietsroutes kan het gebied alleen maar aantrekkelijker maken.

Hieruit volgt ook dat bij vrijkomende agrarische bedrijven een invulling met de toeristisch-recreatieve functie één van de mogelijkheden is, zeker als het gaat om het behoud van een karakteristiek pand. Echter met de kanttekening niet te veel van hetzelfde, aandacht en zorgvuldige inpassing in de omgeving en kwaliteit voor kwantiteit. Een dergelijke invulling blijft dan ook altijd maatwerk.

Hoofdstuk 9 Veiligheid en gezondheid

Paragraaf 9.1 Kernopgave vanuit de Omgevingsvisie

In de Omgevingsvisie Heerenveen (vastgesteld 8 juli 2021) is één van de vier kernopgaven expliciet gericht op het buitengebied, namelijk: “Een toekomstbestendig, veilig en gezond buitengebied”. Hier komen ook een aantal milieuaspecten bij kijken om het buitengebied leefbaar te behouden, zoals geur, geluid en externe veiligheid. Dit hoofdstuk behandelt deze onderdelen.

Paragraaf 9.2 Geur

Nationale regelgeving

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn landelijke instructieregels van kracht geworden. Gemeenten moeten geurnormen opnemen in hun omgevingsplannen, waarbij standaardwaarden gelden afhankelijk van de locatie:

  • Binnen de bebouwde kom, buiten concentratiegebieden: 2,0 ou_E/m³;

  • Binnen de bebouwde kom, binnen concentratiegebieden: 3,0 ou_E/m³;

  • Buiten de bebouwde kom, buiten concentratiegebieden: 8,0 ou_E/m³;

  • Buiten de bebouwde kom, binnen concentratiegebieden: 14,0 ou_E/m³.

Deze normen zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en dienen als richtlijn voor gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplannen.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Heerenveen heeft op 26 april 2023 de “Verordening geurhinder en veehouderij Heerenveen” vastgesteld. Deze verordening geeft, in afwijking van artikel 4, eerste lid van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij, regels mee omtrent de afstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. De verordening geeft de volgende punten mee:

De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 50 meter, indien het geurgevoelig object is gelegen in een lint binnen de bebouwde kom. Hierbij geldt dat binnen de afstand van 50 tot 100 meter deze afstand tenminste de bestaande afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object moet bedragen;

De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 25 meter, indien het geurgevoelig object is gelegen in een lint in het buitengebied of het buitengebied zelf. Hierbij geldt dat binnen de afstand van 25 tot 50 meter deze afstand tenminste de bestaande afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object moet bedragen.

Als een gemeente al een gebied met geurhinder had aangewezen, is dat automatisch onderdeel geworden van het tijdelijke omgevingsplan bij de invoering van de Omgevingswet.

Vanaf de inwerkingsdatum Omgevingswet, 1 januari 2024 moeten nieuwe gebieden aangewezen worden in het omgevingsplan. De bestaande gebieden moeten in de overgangsperiode (tot 2032) worden overgezet naar het definitieve Omgevingsplan.

Voorstel beleidslijn

Vanuit het programma Buitengebied wordt voorgesteld de lijn van het geldende gemeentelijke beleid aan te houden. Dit betekent dat de volgende punten blijven gelden in het toekomstige, definitieve Omgevingsplan:

De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 50 meter, indien het geurgevoelig object is gelegen in een lint binnen de bebouwde kom. Hierbij geldt dat binnen de afstand van 50 tot 100 meter deze afstand tenminste de bestaande afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object moet bedragen;

De afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 25 meter, indien het geurgevoelig object is gelegen in een lint in het buitengebied of het buitengebied zelf. Hierbij geldt dat binnen de afstand van 25 tot 50 meter deze afstand tenminste de bestaande afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object moet bedragen.

Paragraaf 9.3 Geluid

Nationale regelgeving

De Omgevingswet regelt dat de regels rondom geluidshinder worden geïntegreerd in het gemeentelijke omgevingsplan. Dit betekent dat de gemeente beleidsvrijheid heeft om hogere waarden te hanteren voor nieuwe ontwikkelingen.

Atlas voor de leefomgeving

Onderstaande kaart geeft op basis van de atlas voor de leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl) weer waar in de gemeente meer geluid dan 45 dB voorkomt als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai, dan wel industrielawaai. Deze kaart is indicatief. Bij elke nieuwe ontwikkeling wordt nagegaan waar het initiatief plaatsvindt, of dit een geluidgevoelige ontwikkeling betreft etc. Te zien is dat er in het buitengebied van de gemeente Heerenveen ook nog veel rustige gebieden voorkomen. Tevens is de provinciale aanwijzing van het natuurgebied de Deelen als stiltegebied herkenbaar.

afbeelding binnen de regeling

Gemeentelijk beleid

Het Omgevingsplan van de gemeente Heerenveen geeft, wanneer dit vastgesteld is, geluidswaarden mee waar nieuwe ontwikkelingen aan getoetst kunnen worden. Hierbinnen worden ook een aantal uitzonderingen voor het toetsen aan geluidswaarden meegegeven.

Deze uitzonderingen betreffen:

  • De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit;

  • Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

    • Op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden;

    • Eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij de standaarden voor geluid, zoals die tot inwerkingtreding van de Omgevingswet golden op basis van de Wet geluidhinder. De bestaande situatie, inclusief verleende hogere grenswaarden en uitzonderingen voor bedrijfswoningen en voormalig bedrijfswoningen, is uitgangspunt in het omgevingsplan Heerenveen.

Paragraaf 9.4 Externe veiligheid/Omgevingsveiligheid

Provinciaal beleid

De provincie hanteert twee hoofdcriteria bij elke nieuwe of gewijzigde planactiviteit:

  • Plaatsgebonden risico (PR): iedere inrichting of bouwwerk moet zó worden ingericht dat de kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen de wettelijke grenswaarden blijft;

  • Groepsrisico (GR): bij de berekening van het aantal potentiële slachtoffers wordt beoordeeld of elk plan nog maatschappelijk aanvaardbaar is.

Daarnaast gelden voor risicovolle activiteiten – zoals Seveso-inrichtingen of (her)aanleg van leidingen voor gevaarlijke stoffen – óók provinciale advies- of instemmingsverplichtingen. De provincie legt langs deze transportassen veiligheidszones vast waarin bouwen en bestemmen óf helemaal niet is toegestaan, óf alleen na aanvullend advies van Gedeputeerde Staten.

Gemeentelijk beleid

Heerenveen vertaalt bovenstaande provinciale instructies in praktijkgerichte regels, met extra aandacht voor de bereikbaarheid en hulpdiensten:

  • Brandweer-toegankelijkheid: elk nieuw-, verbouwd- of uitgebreid gebouw moet direct toegankelijk zijn voor brandweerwagens en voldoen aan de minimale draaicirkel- en doorgangseisen;

  • Bluswatervoorziening: een wateraanvullingspunt (hydrant, tappunt of pomp) moet binnen 150 meter loopafstand van het meest afgelegen deel van het gebouw liggen;

  • Opslag gevaarlijke stoffen: voor opslag boven de landelijke Bal- en Bkl-normen is altijd een maatwerk-omgevingsvergunning nodig, waarin extra veiligheidsmaatregelen kunnen worden opgelegd.

Hiervoor wordt aangesloten bij de eerder ten behoeve van de omgevingsvisie opgestelde bouwsteen omgevingsveiligheid.

Bestaande situatie risicobronnen (bron: atlasleefomgeving.nl)

afbeelding binnen de regeling

Zoals te zien, zijn er nogal wat routes en puntbronnen met een kleine of grotere risicocontour. Op deze kaart worden alle risicobronnen weer gegeven. Het overgrote deel van de risicovolle activiteiten (propaantanks, gas(verdeel)station, windturbines ed.) heeft echter een risicocontour die de terreingrens niet te boven gaat. Bij een nieuwe ontwikkeling wordt altijd de afweging gemaakt of dit inpasbaar is en welke risicobronnen er mogelijk in de buurt zich bevinden (mogelijk domino-effect). Langs de snel-, spoor en waterwegen, als ook langs de gastransportleidingen moet rekening gehouden worden met de wettelijk voorgeschreven aandachtsgebieden.

Aardgastransportleidingen

In Heerenveen bevinden zich meerdere hogedruk aardgasleidingen. De leidingen maken onderdeel uit van het hoofdtransportnetwerk van de Gasunie. Door de leidingen wordt aardgas onder hoge druk getransporteerd.

De hogedruk aardgasleidingen liggen in de bodem en zijn daardoor in de basis goed beschermd. Door bijvoorbeeld (graaf)werkzaamheden kan er een breuk ontstaan. Het aardgas stroomt dan onder hoge druk uit de leiding. Het brandbare gas zal waarschijnlijk ontsteken, waardoor een fakkelbrand optreedt met een hoge hittestraling.

Afhankelijk van de druk, diameter en diepteligging van de hogedruk aardgasleiding kan de afstand voor het plaatsgebonden risico en het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding worden bepaald.

Transport gevaarlijke stoffen over de weg

De A7 en A32 vallen onder het Basisnet Weg. Er is sprake van een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter.

Voor de A7 en A32 is geen brandvoorschriftengebied aangewezen.

Over het algemeen is de frequentie van het vervoer van gevaarlijke stoffen over provinciale en gemeentelijke wegen laag. Het vervoer zal zich naar alle waarschijnlijkheid concentreren op de provinciale wegen de N383 en de N384. Voor provinciale en gemeentelijke wegen zijn geen plaatsgebonden risico-contouren en aandachtsgebieden vastgesteld.

Transport gevaarlijke stoffen over spoor

Over de spoorlijn Leeuwarden-Meppel vindt op dit moment alleen incidenteel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

Transport gevaarlijke stoffen over water

Aan de noordgrens van de gemeente ligt het Prinses Margrietkanaal. Het Prinses Margrietkanaal is opgenomen in het Basisnet als één van de binnenvaartroutes waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Voor deze binnenvaartroute geldt wettelijk gezien een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter.

Voorstel beleidslijn

Het programma Buitengebied sluit aan bij de beleidslijn uit de bouwsteen omgevingsveiligheid, opgesteld in het kader van de Omgevingsvisie 2021.

Hier in zijn voor het buitengebied de volgende beleidsuitgangspunten benoemd:

Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in beginsel niet binnen een aandachtsgebied

We hanteren voor zeer kwetsbare gebouwen het ‘nee, tenzij’ principe als het gaat om nieuwbouw in aandachtsgebieden. Er kunnen andere belangen (zoals leefbaarheid en bereikbaarheid) zo relevant zijn dat het omgevingsveiligheidsbelang in de afweging ondergeschikt blijkt. Wanneer we besluiten om een zeer kwetsbaar gebouw toe te staan in een aandachtsgebied, dan moet dit plangebied worden aangewezen als voorschriftengebied.

Nieuwe kwetsbare gebouwen mogelijk binnen een aandachtsgebied

We hanteren voor kwetsbare gebouwen het ‘ja, mits’ principe als het gaat om nieuwbouw in aandachtsgebieden. De realisatie van kwetsbare gebouwen binnen een aandachtsgebied is mogelijk onder de voorwaarde van voldoende bescherming.

Nieuwe risicovolle activiteiten bij voorkeur op een bedrijventerrein, tenzij al bestaand en/of agrarisch gerelateerd (maatwerk)

Nieuwe risicovolle activiteiten (met een aandachtsgebied) vinden bij voorkeur plaats op een bedrijventerrein. Dat betekent dat een aandachtsgebied van een nieuwe risicovolle activiteit in ieder geval niet over woonbestemmingen en maatschappelijke bestemmingen ligt. Bestaande bedrijven of bedrijven in het buitengebied moeten ook in staat zijn hun (risico)volle activiteiten uit te breiden. Voor het buitengebied vinden we het daarbij wel van belang dat de activiteiten gerelateerd zijn aan agrarische functies.

De genoemde aandachtsgebieden zijn te vinden in de Atlas voor de leefomgeving en worden daar waar nodig opgenomen in het omgevingsplan Heerenveen.

Paragraaf 9.5 Gewasbeschermingsmiddelen en daaraan gekoppelde spuitzones

Wet- en regelgeving ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen is op verschillende plaatsen te vinden.

Europees niveau:

  • Verordening (EG) Nr. 1107/2009: Deze verordening regelt de toelating van gewasbeschermingsmiddelen binnen de Europese Unie. Het stelt procedures en criteria vast voor de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van producten die deze stoffen bevatten.

  • Verordening (EU) Nr. 284/2013: Deze verordening specificeert de gegevensvereisten voor de indiening en beoordeling van aanvragen voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, zoals vastgesteld in Verordening (EG) Nr. 1107/2009.

Nationaal niveau

  • Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb): Deze wet regelt de toelating, het gebruik en het toezicht op gewasbeschermingsmiddelen en biociden in Nederland. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is verantwoordelijk voor de beoordeling en toelating van deze middelen.

  • Natuurvergunningen: Recentelijk heeft de Rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt nabij Natura 2000-gebieden een natuurvergunning kan vereisen. Dit betekent dat telers moeten aantonen dat hun activiteiten geen negatieve effecten hebben op beschermde natuurgebieden.

Provinciaal niveau

  • Provinciale regelgeving: De provincie Friesland is verantwoordelijk voor de handhaving van natuur- en milieuwetgeving. In recente rechtszaken is bepaald dat de provincie beter moet onderbouwen of voor bepaalde lelieteeltactiviteiten nabij Natura 2000-gebieden een natuurvergunning nodig is. Dit onderstreept het belang van een zorgvuldige beoordeling van de milieueffecten van gewasbeschermingsmiddelen.

In Nederland is er verder geen specifieke landelijke wet die in het kader van gezondheid een minimale spuitzone voorschrijft tussen agrarische percelen en gevoelige functies zoals woningen, scholen of zorginstellingen. Wel is een dergelijke afstand, op dit moment 50 meter, ontstaan uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze wordt gehanteerd als richtlijn binnen het omgevingsrecht, met het oog op het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening en het voorzorgsbeginsel.

Gemeenten gebruiken deze afstand bij planologische besluiten om het woon- en leefklimaat te beschermen tegen mogelijke gezondheidsrisico’s door drift van gewasbeschermingsmiddelen. De toepassing van de 50-meterregel wordt doorgaans per geval beoordeeld, en kan ook verkleind worden, waarbij locatiespecifiek onderzoek en maatregelen ter beperking van drift een rol kunnen spelen. Een algemeen geaccepteerd wetenschappelijk model daarvoor ontbreekt echter momenteel.

Daarnaast is inmiddels bekend dat ook vanuit het oogpunt van de waterkwaliteit ter plaatse, dan wel te behalen specifieke natuurdoelen mogelijk voorwaarden gesteld zouden kunnen worden om in bepaalde gebieden, dan wel zones rond natuurgebieden en watergangen, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te verbieden, dan wel vergunningsplichtig te maken. Deels ligt deze bevoegdheid echter bij hogere overheden. Bij het opstellen van het omgevingsplan zal hier zorgvuldig mee om gegaan worden.

Voorstel beleidslijn

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt de minimale spuitzone van 50 meter tussen agrarische percelen en gevoelige functies zoals woningen, gehanteerd. In het omgevingsplan wordt deze aan te houden afstand ook juridisch verankerd. Slechts wanneer aantoonbaar geen gezondheidsschade aangericht wordt, kan een kortere afstand gehanteerd worden.

Daarnaast zijn er dus spuitzones die voortkomen uit de Kaderrichtlijn Water (zie hoofdstuk 5) en dus zien op het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Hierbij geven wij de kanttekening mee dat gewasbeschermingsmiddelen en het vastleggen van spuitzones een beweeglijk onderwerp is. Het kan dan ook zo zijn dat op het moment van vaststelling van een nieuw omgevingsplan al actuelere beleidsrichtlijnen gelden. Indien noodzakelijk wordt ook dit programma Buitengebied daar weer op aangepast.

Hoofdstuk 10 Overgangszones en gebieden onderdeel van gebiedsprocessen

Paragraaf 10.1 Inleiding

Hoewel de afbakening van het plangebied een harde grens is – afgestemd op de bebouwde kom vs. buiten de bebouwde kom definities van de voormalige Boswet – is de overgang van stedelijk gebied naar landelijk gebied natuurlijk niet op alle plekken zo hard als het lijkt en zijn er gebieden te benoemen die ten tijde van het vaststellen van de omgevingsvisie in 2021 nog in het deelgebied buitengebied vielen, maar nu eigenlijk al niet meer.

Daarnaast wordt in de dorpsrandzones ook verder gezocht naar onder meer mogelijkheden voor toekomstige woningbouw, locaties voor nieuwe bedrijvigheid, mogelijkheden voor energieopwek en -opslag en juist het vergroenen van de entree, door het landschap de kern op een logische manier binnen te laten dringen.

Tot slot kennen we in het buitengebied twee gebieden waar een gebiedsproces vanuit het provinciale veenweideprogramma loopt, waardoor in deze gebieden experimenten met andersoortige landbouw, extensivering en functieverandering (zullen) gaan plaatsvinden.

Dit hoofdstuk bevat geen concrete aanbevelingen voor het omgevingsplan. Wel geven wij hiermee aan dat we in de dorpsrandzones en gebiedsprocessen zien dat hier op den duur meer mogelijk functies mogelijk kunnen worden dat wat in de vorige hoofdstukken is beschreven. In de nieuwe Omgevingsvisie zal nader worden ingegaan op de functies die in deze gebieden wenselijk zijn.

Paragraaf 10.2 Dorpsrandzones

Het Planbureau voor de Leefomgeving schetst dat we stadsranden niet meer moeten zien als de harde grens tussen stad en landelijk gebied, maar als een aparte ruimtelijke categorie, een schakelgebied 1. Stadsranden kunnen te maken hebben met hoge of lage rode druk (de vraag naar woningbouw in stadsranden) en hoge of lage groene druk (de mate van landschapsbescherming in de stadsrand). Stadsranden hebben de potentie om in de toekomst langetermijndoelen op het gebied van energie en klimaat, voedsel en natuur, mobiliteit, wonen en werken te combineren. Het Planbureau redeneert dat de “dikte” van de stadsrand in verhouding moet zijn met de oppervlakte van de stad. Oftewel, hoe groter de stad, hoe dikker ook de stadsrand. Kortom, de stadsrand is “naar aard en schaal” van de stad.

In het klein gelden al deze zaken ook voor grotere en kleinere dorpen. Op basis van de kernenindeling die ook in de Woonvisie Heerenveen 2023-2030 gebruikt is tekenen we de globale dorpsrandzone in waar in de toekomst nieuwe functies een plek kunnen krijgen. Voor alle kernen geldt dat de stads-/dorpsrandzone naar aard en schaal is van de kern.

Verschillen in de mogelijkheden in de stads-/dorpsrandzone worden veroorzaakt door de lokale eigenschappen van de bebouwde kern aan de ene kant en het landelijk gebied aan de andere kant. Zo zullen er aan de randen van de grote bedrijventerreinen in Heerenveen en Akkrum andere mogelijkheden zijn dan aan de randen van (hoofdzakelijk) woongebieden. Ook zal het landschapstype van het landelijk gebied een rol spelen in de mogelijkheid van functies in de stads-/dorpsrandzone. Tot slot zijn er situaties waarin de stads-/dorpsrandzone hard wordt afgebakend door infrastructuur.

In de Omgevingsvisie 2.0 zal er nader worden ingegaan in de toekomstige mogelijkheden in de stads-/dorpsrandzones.

Paragraaf 10.3 Gebiedsprocessen

Subparagraaf 10.3.1 Gebiedsproces Aldeboarn - De Deelen
Subparagraaf 10.3.1.1 Inleiding

Het veenweidegebied rondom het dorp Aldeboarn en natuurgebied De Deelen kampt met verschillende opgaven. Door de veengrond kampt het gebied met dalende bodems en hoge CO2-uitstoot door veenoxidatie. Een hoger waterpeil is nodig om dit te beperken, echter betekent een hoger waterpeil wel het een en ander voor de huidige vorm van landbouw. Daarnaast staat de biodiversiteit, waaronder weidevogels als de grutto, onder druk.

Om deze reden is in het gebied rondom Aldeboarn – De Deelen een gebiedsproces opgestart. Het eerste product hiervan, het Koersdocument Aldbeoarn – De Deelen (2030-2050), schetst een langetermijnvisie voor het gebied, waarin landbouw, natuur, waterbeheer en leefbaarheid op integrale wijze worden opgepakt. Door middel van het proces, zetten boeren, bewoners en overheden op gezamenlijke wijze stappen richting een klimaatbestendig, biodivers en economisch vitaal landschap.

In de vervolgfasen zullen concreet de kaders worden opgesteld. In de eerste stap, het koersdocument, wordt de koers uitgezet voor het gebied. Omdat de provincie nog niet de mogelijkheden biedt tot de verbreding van functies die nodig is voor het gebiedsproces, kijkt dit programma naar de mogelijkheden onder huidig beleid. Wel roepen wij de provincie op om duidelijke kaders op te zetten, zodat een eenduidige beoordeling binnen gemeenten, maar ook over de drie betrokken gemeenten, goed kan verlopen. Ook geeft dit programma de ruimte om, mocht de provincie deze verbreding bieden, de benodigde stappen te zetten.

Om het gebied rondom Aldeboarn – De Deelen leefbaar en economisch vitaal te houden, wordt gekeken naar kansen die op het gebied van rood, energie en recreatie & toerisme benut kunnen worden. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Initiatieven met ruimtelijke consequenties doen geen afbreuk aan gebiedskwaliteiten en moeten deze, waar mogelijk, versterken of ondersteunen;

  • Initiatieven gaan primair om kleinschalige (her)invullingen;

  • Bij ruimtelijke invullingen heeft (her)invulling van bestaande bebouwingen prioriteit;

  • Nieuwe ontwikkelingen moeten passen in de ruimtelijk-functionele structuur van ADD en moeten, waar mogelijk, een kwalitatieve aanvulling zijn.

Subparagraaf 10.3.1.2 Visie op rood

Vanuit het koersdocument wordt, op basis van een schatting, uitgegaan van een maximaal aantal van 150 (woon)eenheden passend bij de verhoudingen, aard en schaal van het gebied. Vanuit het gebied is voornamelijk behoefte aan betaalbare woningen voor starters, jongeren, jonge gezinnen en ouderen (die zich deels ook in het buitengebied willen vestigen).

Ook stelt het document dat niet-agrarische bedrijvigheid zich vooral zal kunnen ontwikkelen in vrijkomend bouwvolume van agrarische bedrijven. Qua schaal en type bedrijvigheid passen met name de zakelijke dienstverlening en midden- en kleinbedrijven in ADD.

Voor ontwikkelingen op het gebied van rood in ADD wordt de volgende beoordelingsladder en prioritering gehanteerd:

  • a.

    (Her)invulling van vrijkomende boerderijen die beeldbepalend zijn. Het gaat daarbij vaak om grote boerderijen met een fors volume. Wooneenheden die voldoen aan de vraag van de primaire doelgroepen hebben doorgaans voldoende ruimte aan 60 tot 120 m2. Dat betekent dat boerderijen doorgaans een nieuwe vitale functie kunnen krijgen voor maximaal 5 tot 10 wooneenheden;

  • b.

    In aanvulling op bovenstaande wordt gekeken naar het agrarisch bouwperceel dat bij functiewijziging beschikbaar komt. Deze ruimte (doorgaans 1 tot 3 hectare) kan gebruikt worden voor invulling van een woon en/of werkcluster. Al dan niet in combinatie zal het dan gaan om 10 tot 15 wooneenheden. Energieopwekking vindt plaats op eigen erf. Aandachtspunten voor de invulling zijn ruimtelijk-landschappelijke en cultuurhistorische aspecten. Daarbij kan de Nije Pleats-methode worden gevolgd;

  • c.

    Nieuwe bouwlocaties in het buitengebied kunnen ruimte bieden aan woon en/of verblijfseenheden in een bijzondere vorm en zullen moeten appelleren aan de gebiedskwaliteiten (bijvoorbeeld water-georiënteerd wonen/verblijven aan de Wijde Ee).

  • d.

    Nieuwbouwlocaties van grotere omvang moeten aansluiten op Aldeboarn of een van de bebouwingslinten in ADD.

Benodigde stappen

Voor de (her)invulling van boerderijen waarbij wooneenheden worden toegevoegd, wordt vanuit het huidige provinciale beleid ruimte geboden voor maximaal twee woningen bij sloop van 3.000 m2 aan beeldverstorende bebouwing, en maximaal drie woningen in karakteristieke bebouwing.

Dit aantal ligt lager dan de 5 tot 15 wooneenheden als gevraagd vanuit het koersdocument. Om het gewenste aantal op een efficiënte en eenduidige manier te beoordelen bij alle betroken gemeenten en in alle ingediende plannen, is verbreding van provinciaal beleid noodzakelijk. De provincie kijkt voor uitvoering echter naar de gemeente. Zonder duidelijke provinciale kaders op dit gebied wordt elke casus een kwestie van gemeentelijk maatwerk, wat leidt tot verschillen in beoordeling tussen casussen en gemeenten. Om deze reden is een verbreding van de provinciale kaders noodzakelijk.

Subparagraaf 10.3.1.3 Visie op recreatie & toerisme

Kansen voor recreatie & toerisme binnen Aldeboarn – De Deelen liggen in de (her)ontwikkeling van verblijfsruimtes, recreatieve netwerken en voorzieningen. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Er wordt ruimte gezien voor uitbreiding van het aantal verblijfseenheden. Uiteraard moet in relatie met omliggende gebieden, zoals de Hegewarren, bekeken worden hoeveel capaciteit mogelijk en gewenst is. De uitbreiding is kleinschalig van aard en richt zich op doelgroepen die passen in ADD (mensen die houden van natuur, rust, ruimte, authenticiteit en cultuurhistorie). We voorzien interesse voor verschillende typen verblijven: luxe en eenvoudig, georiënteerd op water, land, dorp en boerderij;

  • Door mogelijkheden te creëren op (vrijkomende) agrarische bedrijven komt de uitbreiding van de recreatieve verblijfscapaciteit ten goede aan het gebied (slimme groei en brede welvaart);

  • Uitbreiding en verbetering van recreatieve routes en routegebonden voorzieningen maken de gebiedskwaliteiten beter beleefbaar. In de verkenning van bureau H+N+S in samenwerking met het gebied, overheden en experts, zijn al suggesties gedaan, zoals kuierpaden, een pad tussen Aldeboarn en De Deelen, maar ook een (vaar)verbinding die Akkrum en Aldeboarn rechtstreeks verbindt met Nationaal Park De Alde Feanen en Grou;

  • Gezamenlijke branding is wenselijk om ADD als gebied te presenteren. Suggesties die hiervoor al zijn gedaan: ‘Hotel ADD’ (één ‘loket’ voor alle verblijfsaccommodaties in ADD). Van belang is hierbij de afstemming met ‘Het Andere Friesland’ en Merk Fryslân.

Voor de uitwerking van bovenstaande wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:

  • Uitbreiding van verblijfsrecreatie wordt getoetst aan de effecten op de gebiedskwaliteiten. De invloed op c.q. afstand tot kwetsbare natuurwaarden, zoals een weidevogelkerngebied, is daarbij van groot belang;

  • Veelzijdigheid van het recreatief verblijfsaanbod wordt gestimuleerd, passend bij de gebiedskwaliteiten;

  • Uitbreiding van het aanbod van dag-recreatieve voorzieningen wordt bevorderd: bezoekerscentra, uiteenlopende horeca, visstekken, rust- en opstappunten, aanleggelegenheid et cetera. ADD heeft groot belang bij nieuwe vitale functies voor het cultuurhistorisch erfgoed, zoals De Waag in Aldeboarn;

  • Ruimtelijk heeft het de voorkeur om aansluiting te zoeken bij een kern, lintbebouwing of incidentele verdichtingen in het landschap (bijvoorbeeld agrarische bouwpercelen);

  • De uitbreiding van de (verblijfs)accomodaties is kleinschalig.

Benodigde stappen

Vanuit het huidige provinciale beleid en het huidige gemeentelijke beleid liggen al mogelijkheden om gehoor te geven aan bovenstaande wensen uit het koersdocument. Om deze reden wordt vanuit het programma niet gezocht om verbreding van provinciaal beleid op dit aspect.

Subparagraaf 10.3.1.4 Visie op energie

In het koersdocument wordt gekeken naar duurzame vormen van opwekking. Een voorwaarde voor ontwikkeling van duurzame vormen van opwekking is dat er voldoende netcapaciteit is. De energievorm bepaalt de impact op de ruimte rondom het gebied. Voor de inzet van zonnepanelen kan een op ADD afgestemde ‘zonneladder’ worden toegepast:

  • a.

    Op daken en gevels. Hierop is vigerend beleid van toepassing. Deze mogelijkheid kan vooral individueel ingezet worden. Aandachtspunt is de cultuurhistorische waarde van de bebouwing;

  • b.

    Op gronden binnen bestaand stedelijk gebied. In het buitengebied bieden (vrijkomende) agrarische bouwpercelen (1 tot 3 hectare groot) ruimte om zonnepanelen te plaatsen. Is een bouwperceel groter dan 1,5 hectare, dan kan hiervoor de Nije Pleats-methode worden gevolgd. Stap 2 kan zowel individueel als collectief worden toegepast. Aandachtspunten zijn ruimtelijk-landschappelijke en cultuurhistorische aspecten;

  • c.

    Toepassing op landbouwgronden. Bij voorkeur op landbouwgronden die door peilverhoging minder geschikt worden voor landbouw en gekoppeld aan andere ruimtelijke elementen, zoals infrastructuur, nutsvoorzieningen et cetera. Deze mogelijkheid zal bij voorkeur (deels) collectief worden ingezet. Belangrijk is dat verdiencapaciteit in het gebied ontstaat en blijft.

Benodigde stappen

Het huidige provinciale beleid biedt ruimte voor zonnepanelen op landbouwgrond, mits deze landbouwgrond niet meer bruikbaar is voor agrarische doeleinden en de zonnepanelen worden ingezet ten behoeve van een gebiedsproces als genoemd in het Veenweideprogramma 2021-2030. Om aanvragen op een efficiënte en eenduidige manier te beoordelen bij alle betroken gemeenten en in alle ingediende plannen, is verbreding van provinciaal beleid noodzakelijk. De provincie kijkt voor uitvoering echter naar de gemeente. Zonder duidelijke provinciale kaders op dit gebied wordt elke casus een kwestie van gemeentelijk maatwerk, wat leidt tot verschillen in beoordeling tussen casussen en gemeenten. Om deze reden is een verbreding van de provinciale kaders noodzakelijk.

Subparagraaf 10.3.2 Gebiedsproces Akkrumer Goedland

Akkrumer Goedland is een coöperatief landgoed in het Friese veenweidegebied waar boeren, inwoners en ondernemers samenwerken aan toekomstbestendig landgebruik. Sinds 2024 is de coöperatie officieel opgericht en door de provincie aangewezen als koplopergebied. Er lopen pilots rond vernatting, CO₂-reductie, nieuwe gewassen zoals lisdodden en cranberries, korte ketens en recreatie. Via het GLB en andere fondsen zijn subsidies beschikbaar gesteld, maar de economische haalbaarheid en organisatievorm worden nog verder onderzocht. De gemeente Heerenveen is op de hoogte van deze ontwikkeling en zal deze te zijner tijd verwerken wanneer het programma wordt geactualiseerd.

Hoofdstuk 11 Uitvoering, monitoring en milieueffectrapportage

Paragraaf 11.1 Inleiding

Het doel van het omgevingsprogramma Buitengebied is het geven van een eenduidig en actueel beleidskader voor het buitengebied. Het omgevingsprogramma bevat kaders waarbinnen ruimtelijke initiatieven uitgevoerd kunnen worden die niet plaats kunnen vinden onder het vigerende omgevingsplan. Hiernaast biedt het Omgevingsprogramma kaders voor de ‘omzetting’ van bestemmingsplan naar omgevingsplan. In dit hoofdstuk wordt dit nader toegelicht. In wordt gegaan op de inzet van de verschillende instrumenten. Daarna volgt de financiële paragraaf, hoe om te gaan met monitoring en evaluatie en de ten behoeve van dit omgevingsprogramma uitgevoerde milieueffectrapportage.

Paragraaf 11.2 Inzet van instrumenten

Subparagraaf 11.2.1 Instrumenten omgevingswet

De Omgevingswet bevat verschillende instrumenten die worden gebruikt voor het realiseren van de doelstellingen uit de Omgevingswet en die uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Ook Rijk en provincie leggen hun beleid op hoofdlijnen vast in een omgevingsvisie. Zij werken dit uit in programma’s en in juridische regels (AMVB’s of Provinciale Verordening).

Voor de gemeente zijn de volgende (wettelijke) instrumenten van belang:

  • a.

    De Omgevingsvisie voor het beleid op hoofdlijnen

  • b.

    Omgevingsprogramma’s voor de uitwerking van het beleid voor thema’s of gebieden (waarvan dit er één is)

  • c.

    Het Omgevingsplan voor de juridische regeling

  • d.

    Omgevingsvergunningen voor het toestaan van activiteiten (onder voorwaarden)

  • e.

    Toezicht en handhaving

  • f.

    Monitoring en evaluatie (voor het meten van de voortgang en het toetsen van het doelbereik)

Deze instrumenten kunnen in een beleidscyclus worden geplaatst; beleidsontwikkeling, doorwerking, uitvoering en terugkoppeling. Het idee is dus dat beleid en regelgeving regelmatig worden geëvalueerd en herzien (zie paragraaf 11.3 voor de monitoring en evaluatie van dit programma). De keuze voor de inzet van het instrumentarium wordt bepaald door de wettelijke bevoegdheden die de gemeente heeft en de rol(len) die zij heeft in het kader van de fysieke leefomgeving (faciliterend, stimulerend, regisserend/regulerend). Per opgave en gebied kan die rol verschillen.

Subparagraaf 11.2.2 Beoordelen ruimtelijke plannen

De gemeente neemt als het gaat om ruimtelijke initiatieven in het buitengebied vaak een regulerende rol aan. De uitgangspunten uit hoofdstukken 4 tot en met 10 dienen hiervoor als basis. Dit zijn de uitgangspunten voor het afgeven van een omgevingsvergunning of het wijzigen van het omgevingsplan als de activiteit in strijd is met het vigerende omgevingsplan. Deze uitgangspunten dragen bij aan het realiseren van doelstellingen in lijn met de kernopgave versterken en behouden van de veerkracht en kwaliteit van het landelijk gebied.

Aan de andere kant helpt het initiatiefnemers door het creëren van een bepaalde mate van ‘voorzienbaarheid’. Initiatiefnemers kunnen namelijk uit het omgevingsprogramma opmaken of de gemeente in principe wel of geen medewerking zal verlenen aan een initiatief dat niet mogelijk is onder het vigerende omgevingsplan. Hierbij is het belangrijk voor initiatiefnemers te weten dat naast deze beleidskaders zij mogelijk ook rekening moeten houden met de overige (deel)omgevingsprogramma’s en beleid, bijvoorbeeld omtrent mobiliteit, circulariteit, milieu etc. Bij intaketafel en omgevingstafels worden ruimtelijke initiatieven die niet op basis van het vigerende omgevingsplan kunnen worden toegestaan beoordeeld. Bij de grootschalige gebiedsontwikkelingen en projecten wordt dit binnen het project beoordeeld. De uitgangspunten uit het omgevingsprogramma worden aan deze tafels vertegenwoordigd om ervoor te zorgen dat deze belangen geborgd worden in nieuwe ruimtelijke plannen. De uitvoering van het omgevingsprogramma landt dan ook voor een groot deel in het adviseren en leveren van input op (ruimtelijke) initiatieven in het buitengebied.

Paragraaf 11.3 Monitoring en evaluatie

Om de voortgang en actualiteit van het programma Buitengebied te waarborgen, voeren we jaarlijks een actualisatiecheck uit. Hierbij toetsen we of de uitgangspunten, doelen en maatregelen nog aansluiten bij de ontwikkelingen in het buitengebied en bij relevante beleidskaders. Na vaststelling van de vernieuwde omgevingsvisie volgt een diepgaandere inhoudelijke beoordeling. Deze grondige check biedt de gelegenheid om het programma waar nodig te herijken, aan te scherpen of te actualiseren, zodat het blijft bijdragen aan een toekomstbestendig buitengebied.

Paragraaf 11.4 Kostenverhaal

In de Omgevingswet zijn regels opgenomen met betrekking tot het kostenverhaal. Deze gaan over het verhalen van kosten voor investeringen in publieke voorzieningen die direct verband houden met de bouwactiviteit. Denk bijvoorbeeld aan het aanleggen van riolering en straatverlichting. Het kan ook gaan om 'bovenwijkse voorzieningen', zoals de verbreding van een weg of de aanleg van een rotonde, als dat nodig is voor de bereikbaarheid of ontsluiting als gevolg van het inititiatief. Kostenverhaal kan langs privaatrechtelijke of publiekrechtelijke weg plaatsvinden. Daarbij heeft privaatrechtelijk kostenverhaal tussen gemeente en initiatiefnemer de voorkeur. Aan privaatrechtelijk kostenverhaal zijn geen voorwaarden of beperkingen gesteld. Wanneer het niet tot een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer komt, kan de gemeente overgaan tot publiekrechtelijk kostenverhaal.

De Omgevingswet bevat ook mogelijkheden om in een anterieure overeenkomst een financiële bijdrage voor de ontwikkeling van een gebied overeen te komen (artikel 13.22 Ow). Financiële bijdragen kunnen ook worden gevraagd voor behoud of verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in een gemeente, die indirect een relatie hebben met een bouwplan. Dan gaat het bijvoorbeeld om een bijdrage waarmee de aanleg van nieuwe natuur of herstel van landschapselementen elders in de gemeente wordt bekostigd. Voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied met een bepaalde omvang en impact vragen we als gemeente om een kwaliteitsinspanning, zodat we ons landelijk gebied vitaal en aantrekkelijk houden. In paragraaf 4.5 landschappelijke waarden zijn per landschapstype ambities opgenomen. Gezien het verwachtte lage aantal ontwikkelingen waarop deze bijdrage van toepassing is, heeft het voorkeur dit per geval met de ontwikkelende partij via de anterieure overeenkomst af te spreken. Het instellen en beheren van een landschapsfonds op gemeentelijk niveau is vooralsnog niet aan de orde. Mocht dit in de toekomst anders zijn, kan dit opnieuw overwogen worden.

Paragraaf 11.5 Milieueffectrapportage

Ten behoeve van de ontwikkelingen in voorliggend programma is een Milieueffectrapportage uitgevoerd door Witteveen en Bos. Deze beoordeling heeft input en inzicht geboden in de keuzes en ontwikkelrichting van het programma. De volledige rapportage is als bijlage bij dit programma opgenomen. Waar nodig wordt in het programma hiernaar verwezen. Dit programma en de hierin weergegeven beleidslijn geldt als voorkeursalternatief en is op die manier ook weer beoordeeld. De totstandkoming van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau en de milieueffectbeoordeling is onderdeel geweest van de participatie en besluitvorming rondom dit omgevingsprogramma. Hiervoor wordt dan ook terugverwezen naar paragraaf 1.4 Beschrijving van het proces en participatie. In de bijlage vindt u een overzicht van participatiemomenten en het participatieverslag van de momenten waarop het concept milieueffectrapport en de voorkeursrichting(en) besproken is met belanghebbenden.

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

Regelingsgebied

/join/id/regdata/gm0074/2026/RG25gio4b115778-b782-4745-9dcb-3c44fc660e2b/nld@2026‑02‑25;3

Bijlage 2 managementsamenvatting programma Buitengebied

/join/id/regdata/gm0074/2026/pdf_4ce52fa4-36a6-4f5d-93e9-7c07e9089cbd/nld@2026‑02‑25;42

Bijlage 3 Begrippenlijst

/join/id/regdata/gm0074/2026/pdf_3081dade-183d-4331-90ae-a7ff6fc764e2/nld@2026‑02‑25;42

Bijlage 4 Milieueffectrapportage

/join/id/regdata/gm0074/2026/pdf_e1a82eea-2d22-4e53-8b10-4ddf56008246/nld@2026‑02‑25;42

Bijlage 5a Overzicht participatiemomenten

/join/id/regdata/gm0074/2026/pdf_b9c71abe-4b3a-4324-8225-1c9dbdf2f544/nld@2026‑02‑25;42

Bijlage 5b Participatieverslag programma Buitengebied

/join/id/regdata/gm0074/2026/pdf_bdaaeca8-0acd-4b9a-a54e-8b32383613b6/nld@2026‑02‑25;42

beekdal tjonger

/join/id/regdata/gm0074/2026/25giodae43fd5-f915-4410-bc3c-2cf0a4c9bfeb/nld@2026‑02‑25;3-0

beekdal van de boorne en de dracht

/join/id/regdata/gm0074/2026/25gio0f7ec6b6-5223-41c4-bd99-65256a444b78/nld@2026‑02‑25;5-0

de deelen

/join/id/regdata/gm0074/2026/25gio9d0e173b-7f55-47ff-abc1-8cbe9f74f927/nld@2026‑02‑25;7-0

heideontginningen

/join/id/regdata/gm0074/2026/25gio3c65e91e-2489-4261-8855-1501902f6fa7/nld@2026‑02‑25;9-0

hoogveenontginning

/join/id/regdata/gm0074/2026/25gio8b84b24d-e69d-459f-ba42-3bd6943daf0e/nld@2026‑02‑25;11-0

programma buitengebied

/join/id/regdata/gm0074/2026/25gio553d77cc-e3b6-4108-bc5a-8ec1487f0dfe/nld@2026‑02‑25;21-0

veenpolders

/join/id/regdata/gm0074/2026/25gio403cbf1a-cafb-4802-ab15-f3d03dfc34ab/nld@2026‑02‑25;13-0

veenweidegebied

/join/id/regdata/gm0074/2026/25giob2bf6f55-d8c2-4a54-b694-161de69a5042/nld@2026‑02‑25;15-0

woudontginningen

/join/id/regdata/gm0074/2026/25giob381c557-6b84-40aa-94de-b32b32e57e99/nld@2026‑02‑25;17-0

Bijlage II Managementsamenvatting programma Buitengebied

Bijlage 2 managementsamenvatting programma Buitengebied.pdf

Bijlage III Begrippenlijst

Bijlage 3 Begrippenlijst.pdf

Bijlage IV Milieueffectrapportage

Bijlage 4 Milieueffectrapportage.pdf

Bijlage Va Overzicht participatiemomenten

Bijlage 5a Overzicht participatiemomenten.pdf

Bijlage Vb Participatieverslag programma Buitengebied

Bijlage 5b Participatieverslag programma Buitengebied.pdf

Naar boven