Gemeenteblad van Den Helder
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Den Helder | Gemeenteblad 2026, 66886 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Den Helder | Gemeenteblad 2026, 66886 | beleidsregel |
Besluit van de burgemeester van gemeente Den Helder, houdende regels over de beoordeling van levensgedrag en wijze van bedrijfsvoering (Beleidsregels beoordeling levensgedrag en bedrijfsvoering Den Helder)
De burgemeester van de gemeente Den Helder;
De burgemeester bevoegd is te beslissen op aanvragen voor een exploitatievergunning voor openbare inrichtingen, speelautomaathallen, het uitoefenen van een bedrijf in aangewezen gebouwen of gebieden of aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, kamerverhuurbedrijf, seksinrichtingen, evenementenvergunningen, Alcoholwetvergunningen, ontheffingen overeenkomstig artikel 35 Alcoholwet;
de volgende beleidsregels vast te stellen:
Beleidsregels beoordeling levensgedrag en bedrijfsvoering Den Helder
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
betrokkene: de exploitant, beheerder, (aspirant-)leidinggevende, vergunninghouder of – aanvrager van een evenementenvergunning, een vergunning voor een openbare inrichting, een bedrijf dat wordt uitgeoefend in een aangewezen gebouw of gebied of waar aangewezen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten, of de organisator van een sportevenement die naar het oordeel van de burgemeester niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Het gaat om de natuurlijke persoon met feitelijke leiding of gezag, of voor wiens rekening en risico de activiteit wordt uitgevoerd;
De toets of een betrokkene 1 niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, strekt ertoe het belang van de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting, het bedrijf of evenement te waarborgen. De uitwerking van de bevoegdheid om levensgedrag te toetsen is in het verleden gedaan op basis van een vaste gedragslijn. Het is echter wenselijk om de toepassing van het criterium slecht levensgedrag nader uit te werken in beleidsregels zodat kenbaar wordt gemaakt hoe het bevoegde bestuursorgaan van zijn bevoegdheid gebruik maakt.
Exploitanten en leidinggevenden vervullen een belangrijke rol als het gaat om het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en ook als het gaat om de openbare orde en veiligheid. Ze spelen een belangrijke rol in het creëren van een rustige en veilige omgeving en hebben hierin een voorbeeldfunctie. Ze dienen zorg te dragen voor een goede gang van zaken in en rondom de onderneming. Exploitanten en leidinggevenden dienen een verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en misbruik van andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van de onderneming en het signaleren en melden van misstanden, mensenhandel en uitbuiting. Van exploitanten en leidinggevenden wordt verwacht dat zij te allen tijde hun medewerking verlenen aan toezichthouders, informatie proactief delen en eerlijk zijn over de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan en relevant zijn voor het beoordelen van het levensgedrag en de bedrijfsvoering.
Wanneer precies sprake is van slecht levensgedrag, dusdanig dat dit van invloed is op het exploiteren van de openbare inrichting, het bedrijf of evenement, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Wegens de diversiteit in (strafbare) feiten die bij de beoordeling van het levensgedrag een rol kunnen spelen bestaat hiervoor geen standaard criterium. In sommige gevallen is één gedraging voldoende om slecht levensgedrag aan te nemen. In andere gevallen zijn meerdere gedragingen op zichzelf bezien onvoldoende, maar kunnen deze in onderlinge samenhang wel leiden tot de beoordeling slecht levensgedrag.
Net als bij slecht levensgedrag kan een slechte bedrijfsvoering door de exploitant of leidinggevende van bovengenoemde bedrijven uit de Apv een grond zijn om de vergunning te weigeren of in te trekken. Bij het beoordelen van de bedrijfsvoering gaat het om feiten waaruit blijkt of betrokkene het bedrijf op deugdelijke wijze zal exploiteren of exploiteert.
Bij het beoordelen van de bedrijfsvoering wordt in ieder geval aspecten zoals het bedrijfsplan, administratieve verplichtingen, andere overtredingen van de Apv, Opiumwet, Omgevingswet, belastingwetgeving, arbeidswetgeving, milieuwetgeving en kansspelwetgeving. Ook factoren die niet direct een overtreding inhouden, kunnen meewegen in de beoordeling, zoals de houding van de exploitant ten opzichte van toezichthouders en personen in de directe omgeving van de onderneming. Als de wijze van bedrijfsvoering niet op orde is, kan er bestuursrechtelijk worden opgetreden door de exploitatievergunning (gedeeltelijk) te weigeren of in te trekken.
De toets op levensgedrag en bedrijfsvoering is een noodzakelijke, preventieve toets om de risico’s op inbreuken op de openbare orde en veiligheid en een goed woon- en leefklimaat te beperken.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen
Bij het beoordelen van het levensgedrag en de bedrijfsvoering wordt gekeken naar uiteenlopende feiten en omstandigheden die iets zeggen over het gedrag en/of de bedrijfsvoering van de betrokkene. Er moet voldoende vertrouwen kunnen worden gesteld in exploitanten en leidinggevenden. Bij de beoordeling wordt vooral gekeken naar (mogelijk) gepleegde strafbare feiten, maar ook bijvoorbeeld de omstandigheid dat iemand liegt over relevante feiten en omstandigheden kan worden meegewogen bij de toets op het levensgedrag en de bedrijfsvoering.
Om van slecht levensgedrag te kunnen spreken moet het gaan om gedragingen waarvan het voor een ieder evident is dat daarmee niet aan de voorwaarde van het ‘’niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’’ zijn, is voldaan. In vaste rechtspraak 2 is aan de motiveringsplicht nadere invulling gegeven middels drie voorwaarden.
De burgemeester motiveert waarom de feiten en omstandigheden die aan zijn oordeel over het levensgedrag ten grondslag liggen in dat concrete geval relevant zijn voor de exploitatie van een openbare inrichting, bedrijf of evenement. Die feiten en omstandigheden moeten verband houden met de vraag of de inrichting kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, openbare orde en het woon- en leefklimaat.
De burgemeester motiveert hoe de betrokkene vooraf had kunnen weten dat hij, gezien de feiten en omstandigheden, niet aan de voorwaarde van zedelijk gedrag voldoet. De burgemeester moet kunnen aantonen dat betrokkene vooraf had kunnen weten dat sprake is van onzedelijk gedrag. Om dit aan te kunnen nemen moet bijvoorbeeld reeds een waarschuwing zijn gegeven aan de betrokkene of valt dit te herleiden uit de ernst van het feit.
De burgemeester motiveert waarom de feiten en omstandigheden waarop hij zijn weigering baseert niet gering zijn (zie 6.1. onder 1) en waarom deze, ondanks een bepaald tijdsverloop, nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid van betrokkene om een inrichting op verantwoorde wijze te exploiteren. Feiten en omstandigheden die wel kunnen leiden tot het oordeel dat de aanvrager van slecht levensgedrag is, mogen niet gedurende een onredelijk lange periode in de weg blijven staan aan verlening van de gevraagde vergunning (zie 6.1. onder 4).
De bovengenoemde motiveringsplicht is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling van de bedrijfsvoering.
De toetsing van het levensgedrag en de bedrijfsvoering vindt plaats bij:
Aanleiding om opnieuw te beoordelen kan bijvoorbeeld bestaan bij nieuw geconstateerde (strafbare) feiten, feiten en omstandigheden die op een later moment bekend worden, of naar aanleiding van signalen over de openbare inrichting, het bedrijf of evenement van dezelfde betrokkene.
Voor de beoordeling van het levensgedrag en de bedrijfsvoering worden eigen handhavingsgegevens van de gemeente standaard geraadpleegd. Om het levensgedrag te toetsen kunnen daarnaast diverse gegevens (in samenhang) worden gewogen. De voornaamste informatiebronnen die daarvoor kunnen worden geraadpleegd zijn:
Informatie van de Belastingdienst 3 ;
Indien noodzakelijk voor de beoordeling kan via het Regionaal Informatie en Expertisecentrum (RIEC) informatie worden uitgewisseld met onder andere de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Belastingdienst.
De burgemeester beoordeelt het levensgedrag van een betrokkene per geval. Bijlage 1 bevat een niet-limitatieve opsomming van signalen die wijzen op slecht levensgedrag. Elke beoordeling is maatwerk, dus alle feiten en omstandigheden worden in onderlinge samenhang en in relatie met de (te verlenen) vergunning gewogen. Dit wordt in ieder geval op basis van onderstaande beoordelingsaspecten gedaan.
Bij de levensgedragtoets gaat het om gebleken feiten en omstandigheden of gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de betrokkene als verantwoordelijke voor de vergunningsplichtige activiteit het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloedt. In het licht van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel mogen geringe feiten en omstandigheden die te maken hebben met het levensgedrag op zichzelf bezien niet leiden tot een weigering/intrekking van een vergunning. 4 Ook de feiten, gedragingen en omstandigheden die betrekking hebben op derden mogen bij de beoordeling worden betrokken. 5 Het gaat er daarbij om dat door de wijze waarop het bedrijf wordt gerund, het risico op strafbare gedragingen door derden wordt vergroot. Zo mag van een leidinggevende van een openbare inrichting worden verwacht dat deze diens bezoekers aanspreekt op naleving van de wet- en regelgeving.
Bij de levensgedragtoets speelt het aantal feiten dat bekend is een rol. Daarbij wordt ook gekeken naar een mogelijk gedragspatroon (zie onder 4). Verder wordt gekeken naar gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig kunnen worden beschouwd, maar die in samenhang met andere feiten een gedragspatroon opleveren waaruit blijkt dat de betrokkene de wet- en regelgeving niet naleeft. Het gaat dus om bijvoorbeeld één zwaarder feit of meerdere (lichte) overtredingen. Een hoge frequentie van kleinere overtredingen kan wel gezien worden als het structureel niet naleven van de wet- en regelgeving.
Uiteenlopende branches, ondernemingen of activiteiten kennen verschillende risico’s en verantwoordelijkheden. Een lunchroom, shishalounge, café of fastfoodrestaurant zijn verschillend van aard en trekken daarom overwegend ander publiek aan. Ook een kinderevenement of festival trekken bijvoorbeeld uiteenlopend publiek aan. In iedere beoordeling weegt mee welke risico’s en verantwoordelijkheden verbonden zijn aan de vergunning die nodig is voor een specifieke onderneming of activiteit. De aard van de inrichting, het bedrijf of evenement is relevant voor het wegen van de (strafbare) feiten en omstandigheden. Bij een horecaonderneming of evenementenbranche kunnen geluidsoverlast of alcoholgerelateerde overtredingen bijvoorbeeld zwaarder wegen. Bij alcoholschenkende horecabedrijven wegen overtredingen zoals rijden onder invloed van alcohol en openbaar dronkenschap in beginsel zwaar mee in de beoordeling. Exploitanten en leidinggevenden dienen hun verantwoordelijkheid naar de bezoekers te tonen en hen indien noodzakelijk ervan te weerhouden verdovende middelen in te nemen.
Voor de beoordeling of de aanvrager in een concreet geval voldoet aan het vereiste ‘slecht levensgedrag' wordt een vaste gedragslijn gehanteerd. De feiten en omstandigheden die wel meegenomen kunnen worden, mogen niet een onredelijke lange periode worden meegewogen. Een redelijke periode tot wanneer relevante gedragingen kunnen worden beoordeeld is in beginsel tot vijf jaar geleden. Indien zich in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die te maken hebben met het levensgedrag van de betrokkene, kan de vergunning in beginsel worden verleend.
Als zich in die periode van vijf jaar wel voorvallen hebben voorgedaan kijkt de burgemeester ook naar de voorvallen in het verdere verleden om te bezien of er een bepaald gedragspatroon valt te ontwaren. Bij een patroon van feiten, waarbij een "criminele carrière" wordt vermoed, wordt bij de beoordeling langer dan vijf jaar teruggekeken (tot tien jaar). Dat is bijvoorbeeld het geval bij een bepaald gedragspatroon van niet-naleving van de regels dan wel hoge frequentie van (soortgelijke) feiten. Of wanneer de betrokkene eerder is veroordeeld wegens (soortgelijke) feiten en omstandigheden. Mocht de betrokkene in de afgelopen vijf jaar niet betrokken zijn geweest bij het runnen van de openbare inrichting of het bedrijf en/of in detentie hebben gezeten, dan kunnen de feiten die ouder zijn dan vijf jaar ook betrokken worden.
Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist voor het kunnen aannemen van slecht levensgedrag. 6 Ook bestuursrechtelijke maatregelen wegen mee. Geseponeerde strafbare feiten wegens onvoldoende bewijs, of feiten die leidden tot ontslag van alle rechtsvervolging dan wel vrijspraak kunnen tevens worden betrokken bij de beoordeling. Informatie uit de betreffende zaak over het gedrag van de betrokkene is namelijk relevant. Een betrokkene kan bijvoorbeeld zijn vrijgesproken voor een geweldsdelict, maar het feitencomplex kan informatie bevatten over de houding en het gedrag van de betrokkene die relevant is voor de levensgedragtoets. Wanneer de betrokkene is veroordeeld, weegt dit mee in de beoordeling. Het soort, de hoogte en zwaarte van de straf of maatregel kan meewegen. Naast (on)herroepelijke strafrechtelijke veroordelingen wegen ook strafbeschikkingen mee. 7 Feiten die door het Openbaar Ministerie middels een transactie zijn afgedaan worden ook bij de beoordeling van het levensgedrag betrokken. Ook (strafbare) feiten gepleegd als minderjarige worden bij de beoordeling betrokken. Bij de beoordeling speelt de leeftijd waarop het feit is gepleegd, de ernst van het feit en de ontwikkeling op latere leeftijd een rol.
Net als bij de levensgedragtoets is elke beoordeling van de bedrijfsvoering maatwerk en zijn er geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken. Alle feiten en omstandigheden worden in samenhang bezien en in relatie tot de vergunning gewogen.
Vergelijkbaar met de levensgedragtoets geldt dat het niet concreet te benoemen valt wanneer sprake is van een bedrijfsvoering die een nadelige impact heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf en de openbare orde of de veiligheid. In sommige gevallen is één feit voldoende om te spreken van een slechte bedrijfsvoering. In andere gevallen zijn het meerdere feiten en/of omstandigheden die op zichzelf staande onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot een weigering of intrekking van de vergunning.
Dat al een maatregel is opgelegd betekent niet dat datzelfde feit geen rol meer kan spelen bij de beoordeling van de bedrijfsvoering. Bij het toetsen van de bedrijfsvoering wordt onderzocht of de bedrijfsvoering in zijn geheel voldoende vertrouwen geeft voor de toekomst.
Bijlage 2 bevat een niet-limitatieve opsomming van signalen die wijzen op het voeren van een slechte bedrijfsvoering. Wanneer zaken, zoals beschreven in bijlage 2, niet op orde zijn, kan worden geconcludeerd dat de bedrijfsvoering niet op orde is. Bij de beoordeling zijn in ieder geval de volgende punten relevant:
Wat heeft de betrokkene wel/niet gedaan dat bijgedragen heeft aan het ontstaan van de waargenomen feiten? Hoe treedt deze op als er problemen zijn of dreigen? In hoeverre valt het gedrag aan de betrokkene te verwijten?
In beginsel worden slechts feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Bij de berekening van de periode van vijf jaar is 6.1. onder 4 van overeenkomstige toepassing. Uitgezonderd is informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten, waarbij mogelijk een langere terugkijktermijn geldt.
Hoe gaat de exploitant en/of leidinggevende om met eventuele camerabeelden? Is er bijvoorbeeld beveiligingspersoneel ingezet of een veiligheidsplan aanwezig?
7. Uitgangspunten en voorbeelden
Bij de beoordeling van het levensgedrag van de betrokkene gelden de volgende uitgangspunten:
Het is niet vereist dat bij de beoordeling alleen feiten en omstandigheden worden betrokken die te maken hebben met de exploitatie van de openbare inrichting, het bedrijf of evenement. Bij de beoordeling van iemands levensgedrag worden ook feiten en omstandigheden meegewogen die niet in (de directe) omgeving van de openbare inrichting, het bedrijf of evenement plaatsvinden. Deze informatie kan inzicht geven in het gedrag en houding van de betrokkene en kan relevant zijn voor de beoordeling daarvan. Het gedrag van de exploitant/leidinggevende kan een indicatie zijn van hun vermogen om de regels en voorschriften na te leven bij een (alcoholschenkende) openbare inrichting. Als de feiten te relateren zijn aan de openbare inrichting, het bedrijf of evenement, dan weegt dit zwaarder mee;
Voor het aannemen van slecht levensgedrag is niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting en/of met betrekking tot de openbare orde of veiligheid hebben voorgedaan. Het opzetten dan wel in stand houden van een schijnconstructie binnen de onderneming is een voorbeeld van slecht levensgedrag dat het woon- en leefklimaat indirect beïnvloedt. 8 Door de (moedwillige) schijnconstructie wordt het de burgemeester immers onmogelijk gemaakt om de horecabranche te controleren en zou criminaliteit gefaciliteerd kunnen worden. Dit kan dus wel gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat en weegt daarom mee;
Beschreven constateringen in bijvoorbeeld processen-verbaal, of bestuurlijke rapportages van de politie of rapportages, gespreksverslagen of mutaties van opsporingsambtenaren of toezichthouders wegen mee in de beoordeling; 9
Indien op basis van deskundig advies, zoals een Bibob-advies van het LBB, wordt aangenomen dat ernstig gevaar bestaat voor het plegen van strafbare feiten met de betreffende vergunning, wordt dit meegenomen in de beoordeling voor het intrekken of weigeren daarvan; 10
Indien bewust onjuiste informatie wordt verstrekt (valsheid in geschrift) welke van belang is voor het verlenen dan wel voortzetten van de gevraagde vergunning wordt dit meegewogen in de beoordeling. Een voorbeeld is overtreding van artikel 3 lid 6 Wet Bibob, dat bepaalt dat het verstrekken van onjuiste informatie (middels een Bibob-formulier) een grond is voor intrekking/weigering van de exploitatievergunning. 11 Het opzettelijk zwak/onjuist invullen van het Bibob-formulier staat haaks op integer gedrag van een ondernemer. Er mag vanuit gegaan worden dat voor betrokkene duidelijk is dat diegene verplicht is een eerdere overtreding te melden;
De beoordeling van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is, beperkt zich niet tot de feiten en gedragingen die bij de toetsing van Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) worden beoordeeld. Een VOG vormt een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een aanvrager over de vereiste eigenschappen en kwaliteiten beschikt. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan op grond van de Alcoholwet, Apv, Wet Bibob, Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 een zelfstandige bevoegdheid heeft in de beoordeling van het levensgedrag.
Bij de beoordeling van de wijze van bedrijfsvoering gelden naast sub b en c, de volgende uitgangspunten:
Alleen feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de wijze van bedrijfsvoering het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloedt, worden meegenomen in de beoordeling. Feiten en omstandigheden waarvan geen weerslag valt te verwachten op het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid kunnen geen grond zijn voor weigering of intrekking van een vergunning.
Ook het publiek dat op de gelegenheid afkomt, de sfeer en uitstraling van de gelegenheid kunnen meewegen bij de beoordeling. Daarnaast speelt de houding (en aanwezigheid) van de exploitant, de leidinggevende en het personeel een belangrijke rol. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een exploitant die niet in gesprek gaat met buurtbewoners die overlast ervaren van (bezoekers van) de gelegenheid of een exploitant die niet optreedt tegen onwenselijk gedrag van bezoekers en/of het personeel.
Ook registraties over andere zaken van dezelfde exploitant of andere zaken waarbij de exploitant en/of leidinggevende betrokken is of was, kunnen worden meegewogen in de beoordeling van de bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld wanneer de exploitant en/of leidinggevende bij eerdere exploitaties en/of bij een andersoortig bedrijf een slechte bedrijfsvoering hebben laten zien. Ook de bedrijfsvoering ten aanzien van andere bedrijven van de betrokkene kan meewegen bij de beoordeling van de bedrijfsvoering.
De exploitant is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en daarmee ook voor degene aan wie hij de exploitatie overlaat. Dat hij de exploitatie aan een ander overlaat, ontslaat hem in ieder geval niet van de plicht erop toe te zien dat er geen activiteiten in de inrichting plaatsvinden, die een slechte bedrijfsvoering opleveren.
8. Imperatieve weigerings- en intrekkingsgronden
Naast beoordelingsruimte zijn er imperatieve weigeringsgronden voor alcoholschenkende horecabedrijven en slijtersbedrijven. Op grond van artikel 8 lid 2 Alcoholwet moeten exploitanten en leidinggevenden voor zedelijk gedrag voldoen aan de eisen uit hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit. In artikel 31 Alcoholwet volgt het imperatieve karakter van de bepaling uit de zinsnede dat een vergunning ‘wordt ingetrokken’ (dus geen vorm van ‘kunnen’). Een betrokkene mag binnen de laatste vijf jaar bijvoorbeeld geen leidinggevende geweest zijn van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31 lid 1 sub c Alcoholwet. Dit geldt ook voor een inrichting die ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet, artikel 174 Gemeentewet, of een verordening op grond van artikel 149 Gemeentewet. Het moet wel aannemelijk zijn dat betrokkene een verwijt kan worden gemaakt.
Bijlage 1. Gedragingenlijst beoordeling levensgedrag
De onderstaande lijst betreft een niet-limitatieve opsomming van gedragingen die in ieder geval relevant zijn voor de beoordeling van het levensgedrag. Dit betekent dat feiten die niet op deze lijst staan ook kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van ‘slecht levensgedrag’. De burgemeester kan bij de beoordeling of al dan niet sprake is van slecht levensgedrag in ieder geval rekening houden met de volgende (strafbare) feiten en omstandigheden:
Niet meewerken met de politie en toezichthouders en het niet opvolgen van rechterlijke uitspraken
Bijlage 2. Gedragingenlijst beoordeling bedrijfsvoering
De onderstaande lijst betreft een niet-limitatieve opsomming van gedragingen die in ieder geval relevant zijn voor de beoordeling van de bedrijfsvoering:
Voor de aanvraag van een alcoholvergunning en een exploitatievergunning voor een openbare inrichting in ieder geval de volgende gedragingen relevant:
Voor de bedrijfsvoering van prostitutiebedrijven zijn in ieder geval de volgende gedragingen relevant:
Voor de bedrijfsvoering van escortbedrijven zijn in ieder geval de volgende gedragingen relevant:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-66886.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.