Financiële verordening gemeente Weert 2026

De raad van de gemeente Weert,

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 16-12-2025, gezien het advies van de commissie Samenleving en Bestuur van d.d. 20-1-2026,

 

gelet op artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet en het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV);

 

besluit:

Vast te stellen de financiële verordening gemeente Weert 2026.

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder

  • a.

    administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • b.

    afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college;

  • c.

    autonome ontwikkelingen: ontwikkelingen op basis van vastgesteld beleid, waarbij alleen rekening wordt gehouden met de uitvoering van beleidsvoornemens waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden;

  • d.

    budgetneutrale wijziging: een wijziging waarbij er geen budget wordt gevraagd ten laste van het begrotingsresultaat, de post onvoorzien of een reserve;

  • e.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • f.

    EMU-saldo: het saldo van de ontvangsten en de uitgaven van de gemeente in een jaar, berekend overeenkomstig de uitgangspunten van de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (wet HOF);

  • g.

    inkomsten: totaal van de baten vóór onttrekkingen van reserves;

  • h.

    investeringsbudget: budget dat geactiveerd wordt voor het uitvoeren van de totale investering ongeacht het aantal componenten waaruit de investering bestaat;

  • i.

    investering gereed: een investering is gereed indien het object is aangeschaft en / of in gebruik genomen is, maar uiterlijk binnen 6 maanden na oplevering en / of ingebruikname. Bij grote projecten in maatschappelijk nut kan de investering verdeeld worden over fases.

  • j.

    overhead: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces;

  • k.

    project: een project is een in de tijd en middelen begrensde activiteit;

  • l.

    rechtmatigheid: ontvangsten en bestedingen vinden plaats in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen, raadsbesluiten en collegebesluiten. In dit kader is er sprake van een afwijking wanneer iets niet volgens de regels is gegaan (fouten) of wanneer het college niet zeker weet of iets wel volgens de regels is gegaan (onduidelijkheden);

  • m.

    rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen (lasten, baten en veranderingen op de balans) en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;

  • n.

    subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten;

  • o.

    taakvelden: De voorgeschreven taakvelden uit de “Regeling vaststelling taakvelden en verstrekking informatie voor derden”;

  • p.

    uitgaven: totaal van de lasten vóór toevoegingen aan reserves;

HOOFDSTUK 2 BEGROTING EN VERANTWOORDING

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode een programma-indeling voor de komende raadsperiode vast.

  • 2.

    De onderverdeling van de programma’s in taakvelden staat voor een raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijzigen. Dit wordt dan bij de kadernota en/of begroting expliciet gemeld.

  • 3.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma, de maatschappelijke effecten, de doelstellingen die hier een bijdrage aan leveren en de daarbij relevante beleidsindicatoren vast. Hiermee kan gemeentelijk beleid gemeten en verantwoord worden. Het voorstel bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    De begroting en jaarstukken zijn ingericht conform het gestelde in het Besluit Begroting en Verantwoording gemeenten (BBV).

  • 2.

    De lasten en baten per programma zijn onderverdeeld in taakvelden, waarbij elk taakveld slechts bij één programma hoort. Deze taakvelden zijn conform de voorgeschreven taakvelden uit het Besluit Begroting en Verantwoording.

  • 3.

    In de begroting respectievelijk de jaarstukken worden per programma minimaal 90% van de afwijkingen ten opzichte van het vorige begrotingsjaar respectievelijk de bijgestelde begroting toegelicht met als richtlijn een toelichting vanaf € 100.000 op de lasten, baten en mutaties in de reserves.

  • 4.

    In het overzicht van incidentele baten en lasten worden de incidentele baten en lasten per programma apart opgenomen en toegelicht vanaf € 100.000. De overige incidentele baten en lasten worden als 1 bedrag per programma opgenomen.

Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming

  • 1.

    Het college biedt in het tweede kwartaal aan de raad een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze kadernota voor het zomerreces vast.

  • 2.

    Lid 1 is niet van toepassing indien, in een verkiezingsjaar of in het jaar dat er tussentijds een nieuw college gevormd moet worden, vanwege coalitievorming het opstellen van een kadernota voor het zomerreces praktisch niet haalbaar is. In dat geval zal de begroting als uitwerking dienen van het nieuwe coalitie- of bestuursakkoord. Er wordt dan een verkorte kadernota (kaderbrief) in het tweede kwartaal door het college aan de raad aangeboden voor het vaststellen van de te gebruiken indexcijfers en het toelichten van de autonome ontwikkelingen.

  • 3.

    In de begroting wordt een post opgenomen voor Onvoorzien. De voorwaarden voor het inzetten van deze post betreffen de zogenoemde 3 O’s: Onvoorzienbaar, Onuitstelbaar en Onvermijdbaar.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringsbudgetten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en de totale baten per programma en het overzicht algemene dekkingsmiddelen (inclusief de prioriteiten en vervangingsinvesteringen).

  • 2.

    Bij de begrotingsbehandeling doet het college een voorstel aan de raad welke prioriteiten en vervangingsinvesteringen op een later tijdstip moeten worden aangeboden, via een apart voorstel voor beschikbaarstelling en autorisatie van het budget. Dit gebeurt door middel van het vetgedrukt maken van een prioriteit of vervangingsinvestering.

  • 3.

    Voor investeringen en/of exploitatielasten in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen, legt het college vooraf een (investerings-)voorstel aan de raad voor, tenzij het voorstel voldoet aan de onder lid 4 en 5 aan het college gemandateerde besluiten of de onder lid 6 benoemde administratieve wijzigingen.

  • 4.

    De raad mandateert het college tot nieuwe of wijziging van geautoriseerde investeringsbudgetten indien:

    • a.

      er geen sprake is van nieuw beleid;

    • b.

      en er geen wijziging in de doelstellingen van een programma optreedt;

    • c.

      en er geen wijziging is van een bestaand investeringsbudget voor meer dan 10% ten opzichte van het laatst door de raad geautoriseerde investeringsbudget;

    • d.

      en het investeringsbudget of de verhoging van het investeringsbudget wijzigt met minder dan € 100.000;

    • e.

      en de wijziging voor de kapitaallasten voldoet aan de vereisten van lid 5.

  • 5.

    De raad verleent het college mandaat om te besluiten tot collegewijzigingen waarbij rekening wordt gehouden met lid 4 voor investeringsbudgetten. Hiervoor is een beslisboom opgenomen in bijlage A. Dit zijn wijzigingen waarbij:

    • a.

      er geen sprake is van nieuw beleid;

    • b.

      en er geen wijziging in de doelstellingen van een programma optreedt;

    • c.

      en het niet gaat om een wijziging ten laste van of ten gunste van het begrotingsresultaat, de post onvoorzien of de algemene reserve, tenzij het gaat om een wijziging van de algemene uitkering;

    • d.

      en het gaat om een wijziging van de algemene uitkering (mei-, september-, of decembercirculaire), waarbij de raad via een raadsinformatiebrief zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd;

    • e.

      of een budget wordt gevraagd ten laste van een bestemmingsreserve waarvan de besteding van de reserve gemandateerd is aan het college en de besteding overeenkomt met de door de raad gestelde kaders voor de reserve;

    • f.

      of het gaat om een budgetneutrale wijziging waarbij de wijziging in de totale lasten en / of de totale baten per programma kleiner is dan € 100.000 en het geen herverdeling van de personele budgetten betreft;

    • g.

      of het gaat om een budgetneutrale wijziging van de ontvangen subsidies, waarbij de baten het toegekende subsidiebedrag betreffen en de lasten de besteding van de subsidie conform de voorwaarden. De Raad wordt geïnformeerd via de TILS (ter inzage liggende stukken) lijst indien de subsidie € 100.000 of meer bedraagt;

    • h.

      of het gaat om een budgetneutrale wijziging waarbij de baten bestaan uit detacheringsopbrengsten van personeel en de lasten een even grote ophoging van salariskosten of inhuurkosten betreft;

    • i.

      of de wijziging betrekking heeft op een anterieure overeenkomst, buitenplanse omgevingsactiviteit of omgevingsvergunning waarbij de baten voor het volledige bedrag in de voorziening worden gestort en besteding plaatsvindt uit deze voorziening;

  • 6.

    Administratief mogen de volgende wijzigingen verwerkt worden (conform de beslisboom in bijlage A):

    • a.

      budgetneutrale wijzigingen van personele budgetten over programma’s heen (alleen lasten);

    • b.

      verschuiving van budgetten naar andere jaren indien het budget uit een reserve komt èn de verschuiving plaatsvindt tussen jaren die vallen binnen de in het oorspronkelijke besluit genoemde periode.

  • 7.

    In bijlage A is een beslisboom opgenomen van de bevoegdheden bij begrotingswijzigingen. Deze bijlage maakt integraal onderdeel uit van deze verordening.

  • 8.

    Begrotingsafwijkingen die per programma kleiner zijn dan 2% van het programma-budget, met een maximum van € 200.000, worden via vaststelling van de jaarrekening door de raad geaccordeerd.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van minimaal één tussentijdse rapportage over de realisatie van de begroting van de gemeente van het lopende boekjaar en over de lopende investeringen.

  • 2.

    De tussentijdse rapportage bevat alleen een voorstel tot het wijzigen van de begroting voor autonome ontwikkelingen, zijnde de posten waar geen sprake is van intensivering of wijzigingen in de inhoud.

  • 3.

    Afwijkingen op programmaniveau gelijk of groter dan € 100.000 (zowel aan de lastenkant als aan de batenkant) worden tekstueel toegelicht in de tussentijdse rapportage.

Artikel 7. Jaarstukken en budgetoverheveling

  • 1.

    Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 2.

    Het college kan de raad voorstellen om budgetten, die in een jaar nog niet volledig gebruikt zijn, over te hevelen naar het volgende jaar, indien voldaan wordt aan de criteria zoals opgenomen in bijlage B. Het college biedt het voorstel met de over te hevelen bedragen uiterlijk in december van het betreffende jaar aan de raad aan.

  • 3.

    In het nieuwe jaar worden de overgehevelde bedragen bijgesteld op basis van de werkelijke restant budgetten bij de jaarrekening. Bijstelling kan plaatsvinden naar zowel een hoger als een lager bedrag dan opgenomen in het voorstel van het college. Deze wijziging wordt verwerkt in het nieuwe jaar als administratieve wijziging. De bijstelling wordt ter informatie opgenomen in de jaarrekening.

Artikel 8. Beheersing investeringsbudgetten

  • 1.

    Het college rapporteert aan de raad bij gesignaleerde afwijkingen en/of ontwikkelingen tot afwijkingen ten aanzien van investeringsbudgetten. De geformuleerde uitgangspunten over hoe om te gaan met afwijkingen en opschoningen ten aanzien van deze budgetten zijn opgenomen in bijlage C.

  • 2.

    Door de raad is eenmalig een raamkrediet beschikbaar gesteld van € 100.000 om voorbereidingskosten ten behoeve van in de loop van het jaar opgekomen initiatieven te kunnen verantwoorden. Het college is gemandateerd om ten laste van het raamkrediet maximaal € 25.000 per project beschikbaar te stellen. De regels die ten aanzien van het raamkrediet in acht worden genomen, zijn opgenomen in bijlage D.

  • 3.

    Door de raad is een revolverend voorbereidingsbudget voor toekomstige grondexploitaties beschikbaar gesteld van € 500.000. Het college is gemandateerd om ten laste van het revolverend voorbereidingsbudget grex maximaal € 50.000 per locatie te verstrekken. De regels die ten aanzien van dit revolverend voorbereidingsbudget in acht worden genomen, zijn opgenomen in bijlage E.

  • 4.

    Door de raad is een budget grondverwerving beschikbaar gesteld van € 5.000.000. Het college is gemandateerd om ten laste van het budget grondverwerving gronden en eventuele opstallen aan te kopen of tot ruiling over te gaan voor percelen die buiten vastgestelde grondexploitaties vallen. De regels die ten aanzien van het budget grondverwerving in acht worden genomen, zijn opgenomen in bijlage F.

Artikel 9 Informatieplicht

De wijze waarop en waarover het college verplicht is informatie te verstrekken aan de raad, zodat deze zijn taken goed kan uitvoeren, is vastgelegd in de “Notitie informatieplicht en richtlijn actieve en passieve informatieplicht gemeente Weert”, zoals deze laatstelijk is vastgesteld.

Artikel 10. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

HOOFDSTUK 3 RECHTMATIGHEIDSVERANTWOORDING

Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves.

  • 3.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan de verantwoordingsgrens nader toegelicht.

Artikel 12. Voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Het college biedt de raad jaarlijks in november ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Het college operationaliseert dit normenkader in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing.

Artikel 13 Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringsbudgetten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.1.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde investeringsbudget. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het investeringsbudget, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. Een onderschrijding wordt alleen beoordeeld bij gereedkomen van het investeringsproject.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren;

    • b.

      er is sprake van een overschrijding van lasten binnen nog niet-afgesloten grondexploitaties;

    • c.

      er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling;

    • d.

      er is sprake van een afwijking als gevolg van bij decembercirculaire ontvangen middelen van het Rijk;

    • e.

      de gemeenteraad is geïnformeerd, maar er is geen begrotingswijziging vastgesteld (indien het niet mogelijk is om via het eerstvolgende rapportagemoment de begroting bij te stellen);

  • 5.

    Onderschrijding van lasten en lagere of hogere baten zijn rechtmatig mits de afwijkingen op toereikende wijze in de jaarrekening zijn toegelicht (waarbij de vastgestelde rapportagegrenzen van de jaarrekening van toepassing zijn).

  • 6.

    Een verwachte onderschrijding van investeringsbudgetten bij gereedkomen van het investeringsproject wordt beschouwd als rechtmatig mits de afwijking op toereikende wijze in de jaarrekening is toegelicht (waarbij de vastgestelde rapportagegrenzen van de jaarrekening van toepassing zijn).

  • 7.

    Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

Artikel 14 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Het college zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

HOOFDSTUK 4 FINANCIEEL BELEID

Artikel 15 Waardering en afschrijving vaste activa.

  • 1.

    De afschrijvingstermijnen die worden gehanteerd voor immateriële en materiële vaste activa zijn vermeld in het overzicht zoals opgenomen in bijlage G "Notitie waardering en afschrijving vaste activa”, die onderdeel uitmaakt van deze verordening.

  • 2.

    In principe wordt lineair afgeschreven tenzij middels gemotiveerd raadsbesluit hiervan wordt afgeweken.

  • 3.

    Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. De activeringsgrens geldt voor de investering als geheel en niet per afzonderlijk component.

  • 4.

    Afschrijving start op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het actief gereed komt dan wel wordt verworven. Een investering wordt als gereed beschouwd als het in gebruik is genomen.

  • 5.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen en het saldo van agio of disagio worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 6.

    De kosten van sloop van een gebouw worden geactiveerd als onderdeel van het nieuwe materiële actief indien op dezelfde locatie een nieuw gebouw wordt gerealiseerd. De afschrijvingstermijn is gelijk aan het activum “gebouw”. In alle andere gevallen worden de kosten van sloop ten laste van de exploitatie gebracht.

Artikel 16. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2.

    Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval:

    • a.

      de vorming, vrijval en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen, en

    • c.

      bij welke specifiek benoemde uitgaven het verschil tussen het geraamde saldo van baten en lasten en het gerealiseerde saldo van baten en lasten mogen worden verrekend met een daartoe in het leven geroepen reserve.

  • 3.

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt in ieder geval aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      indien van toepassing de maximale hoogte van de reserve en

    • d.

      indien van toepassing de maximale looptijd van de reserve.

  • 4.

    Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

Artikel 17. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde integrale kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening zijn naast de directe kosten ook de indirecte kosten verwerkt, die samenhangen met de door de gemeente geleverde goederen of verrichte werken/diensten.

  • 2.

    Voor de toerekening van de overheadkosten wordt uitgegaan van een percentage dat berekend wordt door de salariskosten op taakveld overhead te delen door de salariskosten die kunnen worden toegerekend aan taakvelden. Deze berekening wordt uitgevoerd voor T-1, T, T+1 en T+2 en hier wordt een gemiddelde van genomen. Dit percentage wordt om de vier jaar herzien.

  • 3.

    De toerekening van overheadkosten aan grondexploitaties, investeringen en groot onderhoudsprojecten die ten laste van een voorziening worden gebracht, vindt plaats door middel van een opslag (zijnde de in lid 2 berekende overheadpercentage) op de salariskosten die zijn toegerekend aan de grondexploitatie, investeringen en groot onderhoudsprojecten die ten laste van een voorziening worden gebracht.

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Het grond- en grondprijsbeleid wordt vastgelegd in de grondprijsbrief, die door de raad wordt vastgesteld.

  • 2.

    Het college past bij economische activiteiten de gedragsregels van de Wet Markt en Overheid en de Europese regelingen aangaande staatssteun toe. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 3.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 4.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

  • 5.

    Bij afwijking van het tweede, derde of vierde lid vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

  • 6.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel over de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen en heffingen. De raad stelt de tarieven vast vóór 1 januari van het jaar waarvoor de tarieven gelden.

  • 2.

    Overige tarieven en vergoedingen, uitgezonderd de onder lid 1 van dit artikel vallende tarieven en het grondprijsbeleid, worden door het college vastgesteld.

Artikel 20. Financieringsfunctie (treasury)

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de financieringsfunctie (treasuryfunctie) en neemt hierbij het treasurystatuut in acht.

  • 2.

    In het treasurystatuut worden regels opgenomen over de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie.

  • 3.

    Het college biedt het treasurystatuut tenminste één keer in de 4 jaar ter vaststelling aan de raad aan.

HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE ORGANISATIE EN FINANCIEEL BEHEER

Artikel 21. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • -

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

  • -

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

  • -

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten en voor het maken van kostencalculaties;

  • -

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • -

    het afleggen van verantwoording door het college aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en

  • -

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid, en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 22. Financiële organisatie

Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;

  • c.

    de verlening van mandaten en ondermandaten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten (vastgelegd in de mandatenregeling);

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor de verdeling van de salariskosten voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten en legt dit aan de raad voor om vast te stellen;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen en legt dit aan de raad voor om vast te stellen;

  • i.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude en van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, zodat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan en legt dit aan de raad voor om vast te stellen;

  • j.

    het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst;

Artikel 23. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording. Bij geconstateerde gebreken neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

  • 3.

    Jaarlijks stelt het college het normen- en toetsingskader voor de interne controle op en legt dit aan de raad voor om vast te stellen.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 24. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Met de inwerkingtreding van deze verordening komt te vervallen:

    • -

      de Financiële Verordening gemeente Weert 2021, vastgesteld op 2 juni 2021

  • 3.

    Deze verordening wordt aangehaald als “Financiële Verordening gemeente Weert 2026”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 4 februari 2026,

de burgemeester,

de griffier,

Bijlage A Beslisboom wijzigingen budgetten

 

In deze bijlage is de beslisboom voor het wijzigen van budgetten opgenomen die gebaseerd is op artikel 5 autorisatie begroting en investeringsbudgetten. Er is een beslisboom voor wijziging / opvoering van investeringsbudgetten gemaakt en een beslisboom voor wijziging / opvoering van exploitatiebudgetten.

 

De beslisboom is een hulpmiddel om te bepalen welk type besluit nodig is voor wijzigingen van de begroting. De beslisboom wordt van boven naar beneden doorlopen. Het is niet mogelijk om laag in de boom uit te komen als één van de eerste vragen al met ja moet worden beantwoord. Indien sprake is van nieuw beleid is dus altijd een wijziging op basis van een raadsbesluit nodig.

Daarnaast geldt dat:

  • indien het voorstel een investering betreft beide beslisbomen doorlopen moeten worden en hierbij geldt het hoogste orgaan als besluitvormingsorgaan voor het volledige voorstel.

  • de boom per onderdeel dat gewijzigd wordt doorlopen moet worden (bijv. bij meerdere voorstellen betreffende exploitatiebudgetten). Indien daar verschillende typen wijzigingen uit voortkomen dan geldt het hoogste orgaan als besluitvormingsorgaan voor het volledige voorstel.

 

De beslisboom voor wijziging / opvoering van investeringsbudgetten

 

 

De beslisboom voor wijziging / opvoering van exploitatiebudgetten

 

Bijlage B Criteria budgetoverhevelingen

 

In artikel 7 van de verordening wordt gerefereerd aan de criteria om budgetten over te hevelen naar het nieuwe begrotingsjaar.

Deze criteria luiden als volgt:

 

criterium 1:

Is de voorgenomen aanwending van middelen in jaar t+1 gelijk aan de oorspronkelijk geplande besteding in jaar t (zijn doel en aard identiek)?

  • Ja: overheveling kan noodzakelijk zijn, ga naar criterium 2 voor verdere toetsing.

  • Nee: niet overhevelen (tenzij criterium 5 van toepassing is).

criterium 2:

Is er in jaar t+1 een regulier (structureel) budget beschikbaar?

  • Ja: niet overhevelen (tenzij criterium 5 van toepassing is). Ontstaan er onoverkomelijke problemen indien de voorgenomen besteding ten laste komt van regulier budget jaar t+1? Dan aangeven waaruit die problemen bestaan. In dat geval kan overheveling alsnog noodzakelijk zijn. Ga naar criterium 3 voor verdere toetsing.

  • Nee: overheveling kan noodzakelijk zijn. Ga naar criterium 3 voor verdere toetsing.

criterium 3 :

Zijn er problemen te verwachten indien de uitgave in het geheel niet meer plaatsvindt?

  • Ja: overheveling kan noodzakelijk zijn. Beschrijf wat de problemen zijn indien de uitgaaf niet plaatsvindt. Ga naar criterium 4 voor verdere toetsing.

  • Nee: niet overhevelen (tenzij criterium 5 van toepassing is).

criterium 4:

Is het betreffend budget in jaar t-1 al overgeheveld naar jaar t?

  • Ja: niet overhevelen (tenzij criterium 5 van toepassing is).

  • Nee: er kan een overhevelingsvoorstel ingediend worden (er is voldaan aan criteria 1 t/m 4).

criterium 5:

Is er sprake van een projectopzet waarover besluitvorming heeft plaatsgevonden waardoor het budget beschikbaar moet blijven tot het einde van het project?

  • Ja: er kan een overhevelingsvoorstel ingediend worden, ook als niet wordt voldaan aan criteria 1 tot en met 4. Geef een omschrijving van het project en het geplande tijdsbeslag en benoem wanneer besluitvorming door wie heeft plaatsgevonden.

  • Nee: niet overhevelen.

Bijlage C Uitgangspunten rapportage afwijkingen investeringsbudgetten

 

De gemeente Weert heeft ervoor gekozen om informatie te geven over de investeringsbudgetten bij de tussentijdse rapportage.

 

De hierboven toegelichte werkwijze betekent dat periodiek gerapporteerd wordt over de stand van zaken met betrekking tot investeringsbudgetten. Om geen afbreuk te doen aan het budgetrecht van de raad dienen daarom tussentijds afwijkingen en/of ontwikkelingen tot afwijkingen gesignaleerd en gerapporteerd te worden aan de raad.

Dit heeft geleid tot het formuleren van onderstaande financiële uitgangspunten over hoe om te gaan met afwijkingen ten aanzien van deze budgetten.

 

No.

Gradatie

Toelichting

1.

Onderschrijding van het investeringsbudget (verwachting bij gereed komen investering)

Bijstellen via tussentijdse rapportage voorzien van een onderbouwende toelichting. Indien de investering al gereed is wordt deze direct (administratief) afgesloten en wordt deze niet voorgelegd bij de tussentijdse rapportage. De bijstelling van de kapitaallasten vindt plaats bij de eerstvolgende tussentijdse rapportage en / of begroting.

2.

Overschrijding van < 10% van het laatst door de raad geautoriseerde investeringsbudget met een overschrijding van maximaal € 100.000

Indien een beperkte overschrijding gesignaleerd of verwacht wordt moet het investeringsbudget bijgesteld worden (zie artikel 5 lid 4). Indien dit bekend wordt bij gereed komen van het project wordt aan het college een voorstel voorgelegd om het project met kleine overschrijding af te sluiten.

3.

Alle overige overschrijdingen (> 10% van het laatst door de raad geautoriseerde investeringsbudget of een afwijking van minimaal € 100.000, afhankelijk van wat het laagste is).

Indien grotere overschrijdingen ontstaan en gesignaleerd of verwacht worden en derhalve het investeringsbudget bijstelling behoeft, dan vooraf voorleggen aan de raad via een apart voorstel of de tussentijdse rapportage.

De investering wordt pas afgesloten nadat de raad akkoord is met de bijstelling.

 

Voor de tussentijdse rapportage worden ten aanzien van de investeringsbudgetten de volgende uitgangspunten voor de verantwoording gehanteerd:

  • a.

    Investeringsbudgetten van het lopende en het voorgaande jaar worden opgenomen en alleen verantwoord bij verwachte afwijkingen.

  • b.

    Investeringsbudgetten ouder dan het lopende en het voorgaande jaar dienen verantwoord te worden in de tussentijdse rapportage mits dit niet strijdig is met bovenstaande (financiële) uitgangspunten.

  • c.

    Beschikbaar gestelde investeringsbudgetten ouder dan het lopende en de voorgaande twee jaren, die nog niet in uitvoering zijn genomen of waarop minder dan 20% van het beschikbaar gestelde investeringsbudget is uitgegeven of verplichtingen zijn aangegaan, zullen worden afgesloten en afgevoerd tenzij gemotiveerd aangegeven kan worden waarom ze gehandhaafd moeten blijven. Via de tussentijdse rapportage worden het college en de raad hierover geïnformeerd.

  • d.

    Ten aanzien van alle investeringsbudgetten geldt een maximum doorlooptijd van het lopende en voorgaande vier jaren. Na deze periode zullen ze afgesloten en afgevoerd worden, tenzij gemotiveerd aangegeven kan worden waarom ze gehandhaafd moeten blijven. Via de tussentijdse rapportage worden het college en de raad hierover geïnformeerd.

Bijlage D Regels t.a.v. raamkrediet

 

In de praktijk kan het voorkomen dat ambtelijke of bestuurlijke initiatieven met betrekking tot nieuwe beleidsplannen formeel niet nader kunnen worden uitgewerkt, omdat de benodigde financiële middelen ontbreken om eigen uren te kunnen verantwoorden en/of eventuele noodzakelijke kosten van in te huren derden te kunnen verantwoorden.

 

Door de raad is een raamkrediet beschikbaar gesteld van € 100.000 om voorbereidingskosten ten behoeve van in de loop van het jaar opgekomen initiatieven (plannen, projecten en investeringen) te kunnen verantwoorden. Op het raamkrediet wordt niet afgeschreven.

 

Ten aanzien van het raamkrediet worden de volgende regels in acht genomen:

  • 1.

    Alleen het college kan besluiten om ten laste van het raamkrediet een specifiek voorbereidingsbudget tot een maximum van € 25.000 per project beschikbaar te stellen. De toewijzing (aframen raamkrediet, ramen voorbereidingskosten) wordt verwerkt met een begrotingswijziging op basis van het collegebesluit.

  • 2.

    De door het college aan te wijzen voorbereidingsbudgetten kunnen alleen betrekking hebben op initiatieven waarbij er een redelijke veronderstelling is dat er ook daadwerkelijk een (voorbereidings-)budget aan de raad gevraagd zal worden.

  • 3.

    Aan ieder collegebesluit tot het aanwijzen van een voorbereidingsbudget ten laste van het raamkrediet moet een globale indicatie ten grondslag liggen wat wordt nagestreefd op basis waarvan in het college een afweging kan plaatsvinden.

  • 4.

    De voorbereidingskosten hebben in hoofdzaak betrekking op kosten eigen personeel of kosten in te huren personeel.

  • 5.

    Als door de raad een besluit wordt genomen tot verdere uitvoering / uitwerking van het project incl. goedkeuring investeringsbudget, dan worden de voorbereidingskosten in de aanvraag van het investeringsbudget meegenomen. De betreffende raming van het voorbereidingsbudget vloeit weer terug naar het raamkrediet en de daadwerkelijke uitgaven worden overgeboekt naar het beschikbaar gestelde investeringsbudget. Indien de goedkeuring van het investeringsbudget achterwege blijft, komen de werkelijke uitgaven ten laste van de exploitatie.

Bijlage E Regels t.a.v. revolverend voorbereidingsbudget toekomstige grondexploitaties

 

Voor nieuwe ontwikkelplannen zijn werkzaamheden, zoals onderzoeken en planvorming, nodig om deze uiteindelijk ter besluitvorming aan de raad aan te kunnen bieden. Deze werkzaamheden brengen kosten met zich mee.

 

Door de raad is een investeringsbudget beschikbaar gesteld voor de voorbereidingskosten van toekomstige grondexploitaties van € 500.000.

 

Ten aanzien van het revolverend voorbereidingsbudget toekomstige grondexploitaties worden de volgende regels in acht genomen:

  • 1.

    Alleen het college kan besluiten om ten laste van het revolverend voorbereidingsbudget toekomstige grondexploitaties een voorbereidingsbudget tot een maximum van € 50.000 per locatie beschikbaar te stellen. De toewijzing (aframen raamkrediet, ramen voorbereidingskosten) wordt verwerkt met een begrotingswijziging op basis van het collegebesluit en wordt maximaal 5 jaar geactiveerd als immateriële vaste activa.

  • 2.

    Als door de raad een besluit wordt genomen om een nieuwe grondexploitatie te openen worden de voorbereidingskosten in deze grondexploitatie opgenomen. De betreffende raming van het voorbereidingsbudget vloeit weer terug naar het revolverend voorbereidingsbudget toekomstige grondexploitaties en de daadwerkelijke uitgaven worden overgeboekt naar de nieuwe grondexploitatie. De voorbereidingskosten kunnen maximaal 5 jaar als immateriële vaste activa worden geactiveerd en worden binnen 5 jaar ten laste gebracht van een nieuw vast te stellen grondexploitatie.

  • 3.

    Indien de kosten niet volledig aan een ontwikkeling worden toegerekend, worden ze ten laste gebracht van het rekeningresultaat van het betreffende boekjaar.

  • 4.

    Via de tussentijdse rapportage en / of de jaarrekening wordt de raad door het college geïnformeerd over de inzet van deze middelen.

Bijlage F Regels t.a.v. budget strategische verwerving gronden

 

Voor het aankopen of ruilen van gronden en eventuele opstallen voor percelen die buiten vastgestelde grondexploitaties vallen is een budget strategische verwerving gronden door de raad beschikbaar gesteld van € 5.000.000.

 

Ten aanzien van budget strategische verwerving gronden worden de volgende regels in acht genomen:

  • 1.

    Alleen het college van burgemeester en wethouders kan besluiten om ten laste van het investeringsbudget een verwerving van percelen uit te voeren met uitsluiting van de verwervingen waarvoor op basis van art. 169 lid 4 Gemeentewet de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen;

  • 2.

    De door het college te nemen besluiten tot verwerving van percelen kunnen betrekking hebben op initiatieven waarbij er sprake is van een strategisch belang;

  • 3.

    De door het college te nemen besluiten tot verwerving van percelen kunnen betrekking hebben op percelen waar bijvoorbeeld legalisering van bestaand gebruik of correcties van perceelsgrenzen van toepassing is;

  • 4.

    Als door de raad een besluit wordt genomen tot vaststelling van een exploitatieopzet voor woningbouw of bedrijfslocatie worden de hiervoor verworven gronden via de balans gecorrigeerd naar de betreffende grondexploitatie;

  • 5.

    Verwerving betreft financieel gezien de grondprijs verhoogd met aanvullende kosten (taxaties, advieskosten, notariskosten, etc.);

  • 6.

    Verantwoording van het budget vindt plaats in Meerjaren Perspectief Grondexploitaties & Vastgoed en de paragraaf Grondbeleid in de jaarrekening.

Bijlage G Notitie “waardering en afschrijving vaste activa”

 

Vaste activa worden in het dagelijks leven veelal geduid als investeringen. Investeringen betreffen posten die een langere tijd (langer dan 1 jaar) mee gaan en een bepaalde waarde hebben. In het BBV zijn regels ten aanzien van de vaste activa opgenomen. Daarnaast is bepaald dat de verordening ex artikel 212 gemeentewet in elk geval de regels voor waardering en afschrijving activa moet bevatten.

 

Overzicht “Waardering en afschrijving vaste activa”

De immateriële vaste activa, materiële vaste activa met economisch nut en de vaste activa met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het BBV, worden lineair afgeschreven conform onderstaande tabel, tenzij bij raadsbesluit anders besloten is.

Gestart wordt met afschrijven vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt / verworven wordt.

 

In de tweede kolom van het overzicht is aangegeven of het actief een investering met een economisch nut (EN), een investering met een economische nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven (HE), of een investering in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut (MN) is.

 

Activa

EN, HE of MN

Afschrijvings-termijn

Immateriële activa

Onderzoeken en ontwikkeling

  • -

    Kosten van onderzoeken en ontwikkeling, uitwerking beleidsplannen, publicaties en brochures, mits dit een actief tot gevolg heeft

5 jaar

Bijdragen aan activa van derden

  • -

    alle investeringssubsidies

Conform af-schrijvings-termijn gelijk-waardige gem.activa met een maximum van de afschrijvings-termijn die de derde voor het actief toepast.

Materiële activa

Grond en terreinen:

 

 

  • -

    Volkstuinencomplex

EN

40 jaar

  • -

    Begraafplaatsen

HE

30 jaar

  • -

    Overige gronden en terreinen (niet zijnde sportterreinen)

EN

niet

  • -

    Sportterreinen (m.u.v. de bij de voorziening sport genoemde)

EN

niet

Gebouwen en inrichting:

 

 

  • -

    nieuwbouw woonruimten, (bedrijfs)gebouwen, onderwijshuisvesting, parkeergarages

EN

50 jaar

  • -

    bouwkundige aanpassingen woonruimten en gebouwen, (aan)bouw bijruimten, JOP’s / Jongerenvoorzieningen

EN

25 jaar

  • -

    renovatie van gebouwen waarbij het gebouw praktisch weer in nieuwstaat wordt gebracht

EN

40 jaar

  • -

    brandveiligheids- en beveiligingsvoorzieningen in gebouwen, arbo- aanpassingen, voorzieningen hemelwaterafvoer

EN

15 jaar

  • -

    inventaris/inrichting gemeentelijke en openbare gebouwen (bureaus, kleinere installaties, materiaal stembureau e.d.), geluidwerende voorzieningen

EN

10 jaar

  • -

    wijkunits

EN

6 jaar

  • -

    losse inventaris (bijv. stoelen, tapinstallatie)

EN

5-10 jaar

  • -

    groene daken / gevels

EN

15 jaar

Vervoermiddelen/ (rijdend) materieel:

 

 

  • -

    vlaggenmasten

EN

20 jaar

  • -

    Groot materieel (vrachtwagens e.d.)

EN

12 jaar

  • -

    Klein materieel (personenauto’s e.d.) niet electrisch

EN

10 jaar

  • -

    Klein materieel (personenauto’s e.d.) electrisch

EN

8 jaar

  • -

    Sneeuwploeg / - strooier

EN

12 jaar

Technische installaties:

 

 

  • -

    noodstroomaansluitingen

EN

30 jaar

  • -

    CV installaties, paternosterkasten, cateringinstallaties

EN

15 jaar

  • -

    warmte-installaties, waaronder (hybride) warmtepompen, warmtetapopwekking d.m.v. lucht/water warmtepompen, electrische warmtepompen, gebalanceerde ventilatie met warmteterugwinning, koelinstallaties met warmtepomptechnologie

EN

15 jaar

  • -

    geautomatiseerde regelinstallatie gebouwbeheersysteem (GBS)

EN

15 jaar

  • -

    zonnepanelen, zonnecollectoren, zonneboilers, PV-panelen

EN

15-20 jaar

  • -

    datamanagement energiestromen

EN

15 jaar

  • -

    accu zonne-energie in batterijopslag

EN

15 jaar

  • -

    telefooncentrale, garage-interieur (o.a. hefbrug en afzuiginstallatie), klimaatbeheersing, waterkoelers, presentatieapparaten, elektronische afsluitsystemen

EN

10 jaar

Algemeen en automatisering / ICT:

 

  • -

    digitale basiskaarten, kasten kadasterkaarten, reader archief

EN

10 jaar

  • -

    straatnaamborden

MN

10 jaar

  • -

    ICT infrastructuur:

EN

 

    • ~

      statische componenten (o.a. bekabeling)

 

10 jaar

    • ~

      dynamische componenten, telefooncentrale

 

5 jaar

  • -

    ICT hardware:

EN

 

    • ~

      servers (procesafhankelijk)

 

4–5 jaar

    • ~

      werkplekvoorzieningen (werkplekafhankelijk)

 

3–4 jaar

  • -

    ICT software (voor zover geen SAAS-oplossing)

    (procesafhankelijk), kantoorautomatisering

EN

3–6 jaar

  • -

    leesapparaat microfiches, “gemeentearchief online”, microfilms, ontwikkeling archeologische kaarten

EN

5 jaar

  • -

    defibrillatoren

EN

8 jaar

  • -

    plotter

EN

4-10 jaar

  • -

    luchtfoto’s

EN

3 jaar

Reiniging/ milieu:

 

 

  • -

    inrichting milieustraat

HE

25 jaar

  • -

    geluidsanering (bijv. geluidswal)

EN

25 jaar

  • -

    ondergrondse inzamelstations

HE

15 jaar

  • -

    containers, duobakken

HE

10 jaar

  • -

    hondentoiletten

MN

10 jaar

  • -

    geluidsniveaumeters

EN

7 jaar

Weg- en waterbouwkundige werken, groen en verkeer:

 

 

  • -

    wegen, straten, pleinen, bruggen voor autoverkeer

MN

40 jaar

  • -

    overige bruggen

MN

60-100 jaar

  • -

    (recreatieve) fiets- en wandel/voetpaden, rotondes/verkeerstafels, natuuroevers/ beschoeiing, parkeerplaatsen/ voorzieningen, verkeersafremmende voorzieningen

MN

25 jaar

  • -

    civieltechnische werkzaamheden / infrastructuur,

MN

25 jaar

  • -

    groen en plantsoenen, bomen

MN

20 jaar

  • -

    verkeersregelinstallaties, aanleg 30 km-zones

MN

15 jaar

  • -

    openbare verlichting

MN

25 jaar

  • -

    belijningen en bebordingen, straatmeubilair, rijwielstallingen, hekwerken

MN

10 jaar

  • -

    parkeerautomaten (inclusief zuilen), parkeerapparatuur in garages, rijwielstallingen waar een tarief voor geheven wordt

EN

10 jaar

  • -

    handterminals

EN

5 jaar

  • -

    speelplaatsen, speeltoestellen

MN

10 jaar

  • -

    waterberging

MN

20 jaar

  • -

    regenwateropvanginstallatie

MN

20 jaar

(Openbare) verlichting/ elektriciteitsvoorzieningen:

 

  • -

    lichtmasten

MN

50 jaar

  • -

    verzwaring elektriciteitsaansluitingen

MN

25 jaar

  • -

    armaturen

MN

25 jaar

  • -

    integrale veiligheid (verlichting)

MN

15 jaar

  • -

    elektriciteitskasten

MN

10 jaar

Voorzieningen sport en zwembad:

 

  • -

    aanleg en volledige renovatie atletiekbaan, hockeyvelden en tennisbanen

EN

30 jaar

  • -

    terreinleidingen zwembad, aanleg en renovatie sport(gras)velden, wedstrijdverlichting, scheidingswanden sportaccommodaties -

EN

25 jaar

  • -

    onderhoudswerkzaamheden zwembad, inrichting sportaccommodaties, verlichting velden, dug-outs

EN

20 jaar

  • -

    technische installaties zwembad, toplaag houten sportvloer, telescopische tribunes, jaarklok met optimaliser, tumblingbaan, binnenzonweringen, verlichtingsarmaturen sportaccommodaties, toplaag kunstgrashockeyveld, atletiekbanen en trainingsvelden, beregeningsinstallaties en pompen, parkeer/ voorterrein, zittribune, aandrijfaggregaat scheidingswanden

EN

15 jaar

  • -

    inventaris horecavoorziening zwembad

EN

10 jaar

  • -

    inventaris zwembad, toplaagrenovatie kunststofsportvloeren, opwikkelbanden scheidingswand, afdekvloer, ontkalkinginstallatie, sportattributen, verlichting binnensportaccommodaties, ballenvangers, bezanden voetbalvelden, (toplaag)renovatie tennisbanen, skeelerbaan en andere (half)verharde velden, deksels en goten atletiekbaan, onderdelen tribune

EN

10 jaar

Toeristisch-recreatieve voorzieningen:

 

  • -

    natuurijsbaan

MN

25 jaar

  • -

    passantenhaven

HE

25 jaar

  • -

    natuurleerpad, knuppelpad, steigers (viswater)

MN

15 jaar

  • -

    bewegwijzering wandel- en fietsroutes, informatiepanelen, toestellen, trimbaan

MN

10 jaar

 

In het Gemeentelijk Rioleringsplan zijn de landelijk gehanteerde technische levensduur van rioleringsonderdelen genoemd. Onderstaand volgt een opsomming van deze activa met de bijbehorende afschrijvingstermijnen.

 

Gemeentelijk Rioleringsplan:

 

 

  • -

    Vrijvervalriolen

HE

60 tot 80 jaar 

  • -

    Gemalen:

HE

 

    • *

      bouwkundig

 

45 jaar

    • *

      mechanisch / elektrisch

 

15 jaar

  • -

    Pers- en drukleidingen

HE

60 jaar

Naar boven