Gemeenteblad van Beverwijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beverwijk | Gemeenteblad 2026, 66513 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beverwijk | Gemeenteblad 2026, 66513 | beleidsregel |
Het Treasurystatuut is het kader voor het sturen en beheersen, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financieringspositie en de hieraan verbonden risico's. In de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) worden de kaders gesteld voor een verantwoorde, verstandige en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden.
De Wet fido definieert de treasuryfunctie als:
het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op:
de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s
De gemeente heeft twee instrumenten op het gebied van treasury:
In dit statuut leggen we eerst uit wat we bedoelen met bepaalde begrippen en wat het doel is van de treasuryfunctie van de gemeente Beverwijk. Daarna maken we dit concreet voor drie onderdelen van treasury: het omgaan met risico’s, het regelen van geld voor de gemeente, en het beheren van de kas.
Ook beschrijven we hoe de organisatie rondom treasury is geregeld. Daarbij is het belangrijk dat duidelijk is wie welke taken heeft, wie ergens over mag beslissen, en wie waarvoor verantwoordelijk is.
De gemeente Beverwijk vindt het belangrijk om goed en verantwoord om te gaan met haar geld. Daarom wil de gemeente haar werkzaamheden op het gebied van treasury (zoals het beheren van geld en leningen) zo duidelijk en goed te controleren als mogelijk organiseren.
Op basis van de Financiële verordening art 18 lid 3 van de gemeente dient het treasurystatuut tenminste eens in de vier jaar aan de raad te worden aangeboden ter vaststelling Het huidige treasurystatuut was in 2020 vastgesteld.
Bij het opstellen van het treasurystatuut is rekening gehouden met de bepalingen van de wettelijke kaders (o.a. Gemeentewet, Wet fido, Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo) het verplicht schatkistbankeieren en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).
Tot slot leggen we vast welke informatie nodig is om het hele proces goed te kunnen volgen en controleren. In de toelichting bij de artikelen leggen we, waar nodig, uit wat er precies in het treasurystatuut staat. Het treasurystatuut 2025 vervangt het treasurystatuut 2020.
In dit artikel worden de belangrijkste begrippen gedefinieerd die met betrekking tot treasury relevant zijn.
Algemene begrippen treasuryfunctie:
Het treasurybeheer is de (beleids)uitvoering van de treasuryfunctie, binnen de kaders van het treasurystatuut. De beleidsuitvoering vindt zijn weerslag in specifieke beleidsplannen. Deze en de realisaties daarvan voor een referentieperiode komen aan de orde in de paragraaf financiering van achtereenvolgens de programmabegroting en de programmarekening.
De treasuryfunctie bestaat uit drie treasury deelfuncties:
In dit statuut wordt verstaan onder:
Artikel 3. Uitgangspunten risicobeheer
Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:
Het college mag leningen of garanties uit hoofde van de “publieke taak” uitsluitend verstrekken aan door de gemeenteraad goedgekeurde derde partijen, waarbij vooraf het advies van het college van burgemeester en wethouders wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij;
Het college kan middelen uitzetten uit hoofde van de treasuryfunctie indien deze uitzettingen een behoedzaam karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het behoedzame karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd middels de richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut;
Het beleid betreffende de financiering is gericht op spreiding van toekomstige renterisico’s. Hierdoor wordt voorkomen dat een ongewenst budgettaire belasting kan ontstaan in een jaar waarin voor een substantieel deel van de lening portefeuille hoogrentende leningen c.q. lening conversies moeten worden gesloten c.q. plaatsvinden;
In afwijking van de wettelijke ruimte zoals opgenomen in artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden, wordt in deze verordening vastgelegd dat de kasgeldlimiet niet langer dan twee achtereenvolgende kwartalen mag worden overschreden. Dit sluit aan bij de bepalingen uit de Wet Fido, waarin is opgenomen dat bij overschrijding gedurende drie kwartalen een herstelplan moet worden ingediend bij de toezichthouder;
Het college beperkt de koersrisico’s op uitzettingen uit hoofde van treasury, door daarbij uitsluitend de volgende producten te hanteren: rekening-courant, spaarrekening, daggeld, deposito’s, commercial paper (CP), certificates of deposit (CD), obligaties, medium term notes (MTN) en garantieproducten (mits de hoofdsom voor 100% is gegarandeerd);
Hoofdstuk 4 Gemeentefinanciering
Artikel 9. Aantrekken van lang vermogen
Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:
Artikel 10. Langlopende uitzettingen
Bij het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:
Artikel 11. Schatkistbankieren
Door de invoering van het verplicht schatkistbankieren is het niet meer mogelijk tijdelijke overschotten weg te zetten bij een financiële instelling anders dan bij de schatkist. Wel is het mogelijk om als decentrale overheden gebruik te maken van elkaars overliquiditeit. Hierbij worden de richtlijnen en grensbedragen zoals genoemd in de Wet fido in acht genomen.
Artikel 12. Leningen en garanties
De gemeente mag leningen of garanties uit hoofde van de publieke taak uitsluitend verstrekken aan door de Gemeenteraad goedgekeurde derde partijen. Met uitzondering van de achtervang-overeenkomst met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) waartoe het college van burgemeester en wethouders bevoegd is op basis van artikel 160 lid 1 onder e van de Gemeentewet.
Het college beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
Financiële instellingen (banken, kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) dienen statutair in Nederland te zijn gevestigd. Bovendien dienen zij onder Nederlands toezicht te vallen, bijvoorbeeld van De Nederlandsche Bank of de Verzekeringskamer;
Om de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren wordt het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op gemeenteniveau op elkaar en op de liquiditeitenplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen;
Hoofdstuk 6 Administratieve organisatie en interne controle
Artikel 17. Administratieve organisatie en interne controle
In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle.
Artikel 18. Verantwoordelijkheden
De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeente staan in onderstaande tabel gedefinieerd.
|
In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot treasuryactiviteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering. |
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
|
||
Hoofdstuk 7 Informatievoorziening
Artikel 20. Informatievoorziening
Ter optimalisering van het treasurybeleid en de daarbij van belang zijnde transparantie dient de informatievoorziening tijdig opgeleverd te worden ter ondersteuning van de uitvoering van de treasury activiteiten.
Met betrekking tot de treasury activiteiten dient tenminste de in de onderstaande tabel opgenomen informatie te worden verstrekt door de betreffende functionarissen:
Hoofdstuk 8 Handreiking aangaan van garantstellingen, verstrekken van leningen en aankopen van aandelen.
Het eerste uitgangspunt is dat de gemeente Beverwijk terughoudend omgaat met het verstrekken van garantstellingen, het verstrekken van leningen en het aankopen van aandelen.
In de onderstaande volgorde wordt op grond van de toetsingscriteria en randvoorwaarden gehandeld:
De gemeente gaat alleen over tot garantstelling als deze maatregel past binnen de taak van
de gemeente als overheid en binnen de geldende Europese, landelijke en gemeentelijke wet- en regelgeving. Elke aanvraag voor een garantstelling wordt daarom getoetst aan een aantal criteria en randvoorwaarden, zoals hieronder opgenomen.
De gemeente mag financieringsinstrumenten alleen inzetten als er sprake is van publiek belang. De gemeente bepaalt - gemotiveerd en transparant - zelf wat onder de publieke taak verstaan moet worden en hoe deze zal worden uitgeoefend. Een verstrekte garantie moet dus nadrukkelijk verband houden met het uitvoering geven aan beleidsdoelstellingen. Het is de raad die de publieke taak bepaalt. Een aanvraag moet daarom altijd getoetst worden aan de kaders die door de raad zijn meegegeven, zoals de programmabegroting.
Idealiter zou men door middel van een kosten-baten analyse de publieke baten in euro’s willen uitdrukken. Dit is echter in de meeste gevallen onmogelijk. Het is echter belangrijk om toch zo helder mogelijk te verantwoorden wat de publieke baten zijn. Er zou bijvoorbeeld een overzicht kunnen worden opgesteld met de vraag wie er gebaat is bij het afgeven van de lening of garantie, hoe groot deze groep is, en hoe groot de baten naar schatting zijn. Hierbij is het dus van belang om de situatie zonder en met garantie of lening voor deze groep te vergelijken om duidelijk te maken wat het afgeven ervan voor de groep betekent.
Als het college een lening of garantie nodig en wenselijk acht, dient te worden verantwoord waarom men verwacht dat de baten de kosten zullen overstijgen.
De (verwachte) baten dienen te worden gespecificeerd.
Zoals aangegeven gaat de gemeente in beginsel terughoudend om met aanvragen voor garantstellingen. Het verstrekken van garanties is op zichzelf geen gemeentelijke taak en wordt daarom zoveel mogelijk overgelaten aan de markt. Dit om marktverstoring te voorkomen en vanuit het principe dat private partijen de zaken onderling vanuit hun eigen verantwoordelijkheid regelen, zonder tussenkomst van de gemeente. Een vereiste voor betrokkenheid van de gemeente is dan ook dat er sprake is van strikte noodzakelijkheid.
Bijvoorbeeld omdat externe partijen niet of slechts deels bereid zijn te financieren zonder tussenkomst van de gemeente, terwijl er wel een publiek belang is. Dit betekent meestal dat de gemeente risico’s loopt daar waar de markt niet bereid is tot financieren. Hiervoor zal de gemeente een vergoeding en/of waarborgen eisen.
Concreet houdt dit toetsingscriterium het volgende in:
Financiële haalbaarheid en positie van de aanvrager
De risico's voor de gemeente worden beperkt door vooraf onderzoek te doen naar de financiële haalbaarheid en de financiële positie waarin de aanvragende instantie verkeert.
Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de volgende criteria:
Door de aanvrager moeten voldoende zekerheden worden overlegd voor de garantstelling (bijvoorbeeld regresrecht of het eerste recht van hypotheek op een pand of op grond). Voor een zekerheidsstelling komen alleen roerende of onroerende zaken die gevestigd of gelegen zijn binnen de gemeente Beverwijk in aanmerking. De zekerheidsstelling wordt zo snel mogelijk - en in ieder geval binnen zes maanden - gevestigd na goedkeuring van de garantieaanvraag.
De gemeente kan op de afgegeven garantie een vergoeding in de vorm van een premie verlangen in het kader van de regels omtrent staatssteun. De premie wordt gesteld op een marktconform percentage waarvoor de gemeente in enig jaar risico loopt. De financiële positie en prognoses van de aanvrager dienen zodanig te zijn dat rente en aflossing naar verwachting betaald kunnen blijven worden.
Staatssteun en Wet Markt en Overheid
Van staatssteun is sprake bij elk voordeel dat een overheid aan een onderneming geeft. Bijvoorbeeld door het verstrekken van een lening of het geven van een garantie aan een onderneming tegen een lagere rente of premie dan de markt biedt. Staatssteun is gebonden aan Europese regelgeving. Het is verboden om ongeoorloofde staatssteun te verstrekken. De staatssteunregels kennen een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een algemeen economisch belang. Op elke garantstellingsaanvraag wordt daarom een staatssteuntoets uitgevoerd om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen. De gemeente neemt als uitgangspunt dat commerciële ondernemingen (gekenmerkt door een winstoogmerk) geen aanspraak kunnen maken op een garantie. Dit om het risico op ongeoorloofde staatssteun verder te minimaliseren.
Gerelateerd is de Wet markt en overheid. De Wet Markt en Overheid schrijft gedragsregels voor overheden voor om concurrentievervalsing te voorkomen. Ook in het kader van deze wet wordt een toets uitgevoerd bij elke garantstellingsaanvraag.
In de bijlage worden nog aanvullende onderwerpen voor de beoordeling vermeld.
Naast de hierboven uiteengezette toetsingscriteria is er een aantal randvoorwaarden waaraan elke aanvraag voor garantstelling moet voldoen:
Geen langlopende garanties, tenzij. Langlopende garanties worden in principe niet toegekend, met name bij instellingen waar de gemeente slechts beperkte invloed heeft. Een looptijd van maximaal vijftien jaar wordt gehanteerd voor publiek maatschappelijke of grote gesubsidieerde instellingen. Alleen in bijzondere gevallen en na instemming van de raad kan hiervan worden afgeweken.
Garantstelling maximaal ‘pro rata’ bij bestuurlijk en / of financieel belang. Indien een garantstelling wordt verstrekt aan een organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en/of financieel belang heeft, geldt altijd dat de gemeente (maximaal) ‘pro rata’ bijdraagt aan de totale garantstelling. De gemeente zal bijvoorbeeld maximaal voor 20% garant staan voor een lening aan een rechtspersoon waarin de gemeente zelf voor 20% deelnemer is.
Nieuwe aanvraag bij grote wijzigingen of herfinanciering. Als grote wijzigingen optreden in de aanvraag, zoals de hoogte van het bedrag of rentepercentage, of in het geval van herfinanciering dient opnieuw een aanvraag voor een garantie ingediend te worden. Het gehele toetsingsproces wordt opnieuw doorlopen, met de mogelijkheid dat de aanvrager alsnog wordt doorverwezen naar een waarborgfonds of de kapitaalmarkt.
Indien geen garantiestelling mogelijk is en toch aan de toetsingscriteria en randvoorwaarden wordt voldaan, dan gelden de onderstaande aanvullende voorwaarden.
De gemeente Beverwijk hanteert het principe dat er geen geldleningen aan derden worden verstrekt om de volgende redenen:
Beleidslijn is daarom dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen een lening wordt verstrekt. Het verstrekken van een garantstelling heeft altijd de voorkeur boven het verstrekken van een geldlening. Voorwaarden bij het verstrekken van een geldlening zijn dat er een zwaarwegend publiek belang in het spel is en dat door de benaderde financiers buitenproportionele eisen worden gesteld, zelfs bij garantstelling door de gemeente.
Voor de toetsing worden dezelfde toetsingscriteria gevolgd zoals in dit stuk opgenomen voor garantstellingen.
Aanvullend op de toetsingscriteria en randvoorwaarden zoals vermeld in dit hoofdstuk voor het verstrekken van garantiestellingen geldt onderstaande voor aankopen van aandelen.
De gemeente zal bij (de voorbereiding van) het besluit complexe afwegingen op verschillende gebieden moeten maken, zoals:
Ad I Alleen aandelen kopen om beleidsdoel na te streven en niet als financieringsfunctie
Goedkeuring voor substantiële uitbreiding van een belang in een deelneming.
Toetsing van Financieringsconstructie
Ad II Potentieel doel: Welk (beleids) doel wordt specifiek beoogd met de aankoop van de aandelen en wat is de reden dat dit niet kan middels garantiestelling of leningen.
Ad III Wat is de invloed op de aandeelhoudersvergadering, het benoemen leden van de Raad van Commissarissen.
Ad IV Financiering jaarlijkse rentelasten uit dividendopbrengsten. Wat is het koersrisico en niet verkoopbaar zijn van de aandelen
In elke fase van de procedure voor garantstellingen zijn maatregelen getroffen met het doel risico’s in de uitvoering van dit proces te minimaliseren.
Risicobeheersing bij beoordelen en verstrekken van garantstellingen
In het voorgaande zijn toetsingscriteria en randvoorwaarden beschreven voor de verstrekking van garanties door de gemeente Beverwijk. Ten behoeve van de risicobeheersing in het uitvoeren van een beoordeling op een garantieaanvraag worden de volgende stappen ondernomen.
Bij beoordeling van een aanvraag vindt de eerste toetsing plaats aan de hand van de toetsingscriteria en randvoorwaarden zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Daarnaast wordt bij de beoordeling van de aanvraag ingegaan op de risico’s van het in te zetten instrument en de wijze waarop deze risico’s worden afgedekt (hypotheekrecht, premie, etc.
In het proces van toetsing en beoordeling vindt functiescheiding plaats in de verschillende taken en verantwoordelijkheden voor verlening en registratie.
Een aantal randvoorwaarden voor het besluit of de overeenkomst ten behoeve van de garantstelling zijn:
Organisaties aan wie een garantie afgeven wordt moeten beleid formuleren over het inzetten van verklaringen omtrent het gedrag (VOG). De intentie is om alleen garanties af te geven aan organisaties met bestuurders, medewerkers en vrijwilligers van onberispelijk gedrag. Het betreffende beleid wordt door de gemeente opgevraagd en beoordeeld.
Beheer en monitoring van garantstellingen
Na het besluit tot het verlenen van een gemeentegarantie is zowel op bestuurlijk als financieel vlak monitoring van belang. Hiervoor wordt de onderstaande werkwijze gehanteerd.
Jaarlijkse informatieverstrekking door geldnemer
In het besluit of de overeenkomst ten behoeve van de garantstelling is opgenomen dat de geldnemer jaarlijks -binnen zes maanden na het verstrijken van het boekjaar - de jaarstukken over het verstreken boekjaar bij het college indient. Dit bestaat uit de balans en de winst- en verliesrekening met toelichting en een accountantsverklaring of een verklaring van de kascommissie. Voor individuele gevallen is maatwerk mogelijk en kan de gemeente nadere eisen stellen. Daarnaast kan de gemeente de meest actuele gespecificeerde exploitatiebegroting bij de geldnemer opvragen. Ook treft de geldnemer actief risicobeheersmaatregelen en informeert de gemeente hierover. Wanneer dit op basis van de verstrekte informatie nodig blijkt vindt met het bestuur of de directie waaraan de garantie verstrekt is minimaal één keer per jaar overleg plaats waarin bovenstaande punten en de informatievoorziening door de geldverstrekker aan de orde komen.
Jaarlijkse informatievoorziening door geldverstrekker
De geldverstrekker informeert het college jaarlijks - binnen zes maanden na het verstrijken van het boekjaar of en in hoeverre de geldnemer zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst waarvoor de gemeente garant staat, is nagekomen.
Jaarlijkse risicoanalyse door gemeente
De door de geldnemer en geldverstrekker aangeleverde informatie wordt jaarlijks door de gemeente beoordeeld. Een risicoanalyse wordt uitgevoerd. Hieruit volgt een kleurcodering per garantstelling, die indiceert hoe risicovol de garantie is. Het college rapporteert hierover aan de raad middels een geheime rapportage, die voorafgaande aan de behandeling van de programmabegroting aan de raad wordt toegezonden.
Overige informatieverstrekking
De geldnemer en de geldverstrekker hebben daarnaast gedurende het gehele jaar de informatieplicht om aan het college die gegevens te verstrekken die van belang zijn voor de risico-ontwikkeling die met de garantstelling samenhangt. In het geval van betalingsproblemen onderneemt de garantienemer actie om de betalingsproblemen zo snel mogelijk weg te nemen of te beperken. In ieder geval zullen zij het college zo spoedig mogelijk berichten over:
Het niet nakomen door de geldnemer van de aan de geldlening verbonden betalingsverplichtingen waarvoor de gemeente garant staat. Hierbij is het uitgangspunt dat in het geval van betalingsproblemen de garantienemer actie onderneemt om de betalingsproblemen zo snel mogelijk weg te nemen of te beperken;
De gemeente kan interveniëren wanneer hier aanleiding voor is op basis van de verstrekte (al dan niet jaarlijkse) informatievoorziening. Het gaat hierbij om de volgende acties om risico’s te beperken of wegnemen:
Het college kan een door hen aangewezen persoon laten deelnemen aan de bestuursvergaderingen van de geldnemer, die daarvoor de volledige agenda van deze vergaderingen en de notulen van de gehouden vergaderingen ontvangt. Deze persoon heeft inzage in de te behandelen stukken en de mogelijkheid om de risico-ontwikkeling voor de gemeente bij voorgenomen besluiten nader toe te lichten en hierover zo nodig terstond het college te informeren;
De gemeente kan een garantie intrekken wanneer een of meerdere van de volgende zaken van toepassing zijn:
Het risico dat voor de gemeente uit de verstrekte garantie voortvloeit, wordt significant gewijzigd door toedoen of nalaten van de geldnemer. De geldnemer onderneemt activiteiten die grote financiële risico's met zich meebrengen of treft geen maatregelen om vermogensverlies te voorkomen. Denk hierbij aan wanbeheer en het nalaten van afsluiten van verzekeringen;
Informatievoorziening aan de raad
In het onderdeel ‘Niet in de balans tot uitdrukking komende verplichtingen en aanspraken’ wordt in de jaarrekening door het college aan de raad verantwoording afgelegd over verstrekte garantstellingen.
Daarnaast wordt in de programmabegroting gerapporteerd over het (bijgestelde) risicoprofiel per garantstelling en, indien van toepassing, welke acties worden ondernomen.
Een risico mitigerende beheersmaatregel die de gemeente hanteert is dat voorafgaand aan de verstrekking van een garantie of geldlening grondig onderzoek wordt uitgevoerd naar de haalbaarheid van het project en naar de financiële en bestuurlijke positie van de aanvragende instelling. Dit onderzoek start nadat uit de fase van toetsing van het wettelijk kader is komen vast te staan dat de aanvraag voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving binnen de gemeente.
Het onderzoek bestaat uit de volgende verschillende onderdelen;
Om de uitkomsten van de toetsing eenduidig en objectief te beoordelen, wordt voor de toetsingscomponenten een rating (score) vastgesteld. De uitkomst van de rating vormt onderdeel van het advies dat wordt opgenomen in de B&W nota en/of het raadsvoorstel. Met de resultaten van dit onderzoek (uitkomst rating) wordt aan het college en/of de raad een beeld gegeven omtrent de financiële risico’s rondom een aanvraag voor een gemeentegarantie of geldlening.
Voorbeelden van ratio’s die worden gebruikt door de BNG bij het verstrekken van een geldlening zijn;
Hoe meer de uitkomst tendeert naar 1 des te hoger het risico
Hoofdstuk 9 Artikelsgewijze toelichting
In dit treasurystatuut is het treasurybeleid van de gemeente op hoofdlijnen vastgelegd. Dat gebeurt in de eerste plaats door het aangeven van de algemene doelstellingen van de treasuryfunctie (in artikel 2). Vervolgens geeft het bestuur in het treasurystatuut aan binnen welke richtlijnen en limieten de doelstellingen dienen te worden gerealiseerd. Een richtlijn is een bindend voorschrift voor een handelswijze die gevolgd moet worden, de limieten geven de “speelruimte” aan waarbinnen handelingen verricht mogen worden. Een belangrijk deel van de limieten en richtlijnen is bepaald door de Wet fido. Middels de limieten en richtlijnen wordt het “risicoprofiel” van de gemeente bepaald, waarbinnen de treasuryactiviteiten dienen te worden uitgevoerd.
De paragraaf financiering bij de begroting geeft de beleidsplannen voor de treasuryfunctie voor de komende jaren en in het bijzonder voor het eerstkomende jaar weer. Het bevat onder meer gegevens over de algemene ontwikkelingen en de concrete beleidsplannen binnen de kaders van het treasurystatuut. Het gaat hierbij vooral om de plannen voor het risicobeheer, de gemeentefinanciering (analyse financieringspositie, leningen- en garantieportefeuille en uitzettingsportefeuille) en het kasbeheer. Uit de toelichting zal moeten blijken dat de plannen binnen de kaders van de Wet fido en het treasurystatuut blijven. De paragraaf financiering in het jaarverslag geeft in het bijzonder een verschillenanalyse tussen de plannen zoals deze zijn opgenomen in de begroting en de realisatie in het verslagjaar.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-66513.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.