Gemeenteblad van Amsterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2026, 65212 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2026, 65212 | beleidsregel |
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels over bedragen in een last onder dwangsom (“Beleidsregel Bestuursrechtelijke handhaving THOR dwangsombedragen”)
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
gelet op artikel 125 Gemeentewet, artikel 5:32 lid 1, artikel 5:32b lid 1, en artikel 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht,
besluit de volgende regels vast te stellen:
Deze regels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking.
Deze regels worden aangehaald als Beleidsregel Bestuursrechtelijke handhaving THOR dwangsombedragen.
Bestuursrechtelijke handhaving
Bij handhaving wordt een onderscheid gemaakt tussen strafrechtelijke handhaving en bestuursrechtelijke handhaving. Zowel de strafrechtelijke handhaving als de bestuursrechtelijke handhaving worden binnen Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte (hierna: THOR) ingezet. Strafrechtelijke handhaving ziet op vergelding en generale preventie en vindt onder andere plaats bij verkeersovertredingen (Wet Mulder). Indien een buitengewoon opsporingsambtenaar een dergelijke overtreding constateert, maakt hij daarvan een proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt naar het Openbaar Ministerie gestuurd voor verdere afhandeling.
Bij bestuursrechtelijke handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen herstelsancties en bestraffende sancties. Een herstelsanctie heeft tot doel om de overtreding geheel of gedeeltelijk te beëindigen. Herstelsancties zijn onder andere de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Een bestraffende sanctie heeft tot doel om de overtreder leed toe te voegen. De bestuurlijke boete overlast openbare ruimte (hierna: bboor) is een bestraffende sanctie.
Volgens de wet is het mogelijk een herstelsanctie (last onder bestuursdwang en last onder dwangsom) en een bestraffende sanctie (bboor) gelijktijdig op te leggen. Twee herstelsancties voor dezelfde gedraging gelijktijdig opleggen is daarentegen niet toegestaan. Het effect van de ene herstelsanctie moet eerst afgewacht worden, alvorens een tweede herstelsanctie opgelegd kan worden.
In het kader van het rechtszekerheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel is het wenselijk dat tegen geconstateerde overtredingen op een zoveel mogelijk gelijke wijze handhavend wordt opgetreden. Deze werkwijze ziet alleen op THOR Gebieden. THOR Nautisch heeft een eigen werkwijze.
Uitgangspunt bij bestuursrechtelijke handhaving binnen THOR Gebieden is dat bij een geconstateerde overtreding eerst een bboor wordt opgelegd.
Wordt door dezelfde overtreder een tweede keer dezelfde overtreding begaan dan wordt wederom een bboor opgelegd aan deze overtreder. Gelijktijdig met deze tweede bboor wordt een herstelsanctie opgelegd. Dit geldt voor de overtredingen genoemd in tabel A in de bijlage.
Op dit algemene uitgangspunt – tweemaal een bboor en gelijktijdig met de tweede bboor een herstelsanctie – wordt één uitzondering gemaakt: bij sommige overtredingen (opgenomen in tabel B in de bijlage) wordt direct een herstelsanctie opgelegd. Voor overtredingen genoemd in tabel B geldt dat voordat een (voornemen) last onder dwangsom wordt opgelegd, eerst een waarschuwingsbrief aan de overtreder wordt gestuurd.
Nadat een herstelsanctie is opgelegd wordt er geen bboor meer opgelegd. Dit geldt zowel voor overtredingen genoemd in tabel A als in tabel B.
Eén van de manieren om een geconstateerde overtreding middels een herstelsanctie te doen beëindigen, is het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Een last onder dwangsom is een bestuurlijke herstelsanctie bedoeld voor het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken van een overtreding, het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel het wegnemen of beperken van de gevolgen van de overtreding.
Artikel 5:32, eerste lid van de Awb stelt dat een bestuursorgaan een last onder dwangsom op kan leggen aan de overtreder.
Bij THOR Gebieden wordt er in eerste instantie voor gekozen om, waar mogelijk, primair een last onder dwangsom op te leggen bij een geconstateerde overtreding en geen last onder bestuursdwang. De last onder dwangsom is minder ingrijpend voor de overtreder en het risico van het niet beëindigen van de overtreding ligt ook bij de overtreder zelf. Als de overtreder niet binnen de gestelde begunstigingstermijn aan de lastgeving voldoet, dan moet de overtreder van rechtswege een bepaald geldbedrag aan de gemeente betalen.
In sommige gevallen is het niet mogelijk om een last onder dwangsom op te leggen, bijvoorbeeld indien de eigenaar van het voorwerp niet te achterhalen is of als de spoedeisendheid zich daar tegen verzet. In dat geval wordt een last onder bestuursdwang opgelegd, en aangebracht op het voorwerp.
Het opleggen van een last onder dwangsom kan in verschillende wettelijk voorgeschreven vormen, de zogenaamde modaliteiten (artikel 5:32b, eerste lid van de Awb).
Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij bij:
Deze vorm wordt voornamelijk toegepast in situaties waarin een overtreder door het verrichten van een handeling de overtreding vóór een bepaalde datum kan beëindigen. Het voordeel is dat er slechts één controlemoment is om te constateren of de overtreding beëindigd is.
Deze vorm wordt voornamelijk toegepast bij gedragingen waarbij sprake is van een continue c.q. langdurige niet afzonderlijk te constateren overtreding. De overtreder is constant in overtreding. Als het gaat om overtredingen die een continu karakter hebben, en dus niet opzichzelfstaande overtredingen, dan kan uit het oogpunt van rechtszekerheid geen dwangsom worden opgelegd per overtreding (zie hierna), wel een bedrag per tijdseenheid (dag, week of maand) dat de overtreding voortduurt.
Indien regelmatig overtredingen plaatsvinden, die geen continu karakter hebben en tot individuele opzichzelfstaande gedragingen zijn terug te leiden, dan kan er, ter voorkoming van herhaling van die gedragingen, voor gekozen worden een dwangsom per individueel geconstateerde overtreding op te leggen.
Een last onder dwangsom kan alleen gericht worden aan de overtreder (artikel 5:32, eerste lid van de Awb). En dan nog alleen tot die overtreder die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen. Bij een onbekende overtreder is een last onder dwangsom dus niet mogelijk. Bestuursdwang kan wel bij een onbekende overtreder, maar kostenverhaal zal dan niet mogelijk zijn.
De overtreder kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn. Uitgangspunt is dat de bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd aan degene of degenen die de overtreding pleegt of plegen. Dat kan zijn door het fysiek zelf uitvoeren van een verboden handeling of door tussenkomst van een ander (functioneel pleger).
Ook als de overtreding wordt uitgevoerd door medewerkers of andere ondergeschikten en de eigenaar/bestuurder van een bedrijf deze handelingen heeft aanvaard, ontstaat functioneel pleger. Ook deelnemers, medeplegers of feitelijke leidinggevenden zijn via de last onder dwangsom aan te schrijven.
Vaststelling (maximum) bedrag dwangsom
Wanneer een dwangsom per tijdseenheid (dag, week of maand) of per overtreding wordt opgelegd, is het bestuursorgaan, gelet op de rechtszekerheid richting de overtreder, verplicht een maximumbedrag vast te leggen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd (artikel 5:32b, tweede lid van de Awb). Opgemerkt wordt dat na het bereiken van het maximale bedrag besloten kan worden om een nieuwe last onder dwangsom met hogere dwangsombedragen, dan wel een last onder bestuursdwang op te leggen.
Uitgangspunt is dat de openbare ruimte in Amsterdam leefbaar en van iedereen moet zijn en blijven; het toe-eigenen van openbare ruimte voor commerciële of private doeleinden wordt bestreden. Van een dwangsom dient een zodanige prikkel uit te gaan dat de last wordt nagekomen en het verbeuren van de dwangsom wordt voorkomen.1
Artikel 5:32b, derde lid van de Awb stelt dat de bedragen in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom moeten staan. Het bedrag wordt dus bepaald aan de hand van de aard en ernst van de overtreding en de beoogde prikkel. Er is geen wettelijk maximaal te verbeuren bedrag noch zijn er concrete regels voor het bepalen van de hoogte van een dwangsom. Bestuursorganen hebben dus een ruime marge bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. Het is aan het bestuursorgaan om een afweging van de belangen te maken en de hoogte van de dwangsom te bepalen.2 Daarbij is van belang dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels.
Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde dwangsom wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 5:32b, derde lid van de Awb speelt vooral een rol of het bestuursorgaan op inzichtelijke en toereikende wijze de hoogte van de dwangsom heeft gemotiveerd.
De hoogte van een dwangsom wordt slechts door de rechter terughoudend getoetst en dan vaak alleen als de hoogte van de dwangsom aanhangig gemaakt wordt in het kader van bezwaar of beroep. De rechter kijkt alleen of er sprake is van een evenredige dwangsom.3
Binnen THOR Gebieden is een aantal uitgangspunten gehanteerd bij het bepalen van de (maximum) hoogte van dwangsommen:
de geschatte kosten om de overtreding te beëindigen moeten hoger zijn dan het geschatte financiële voordeel van de overtreder bij het laten voortduren van de overtreding: het onrechtmatig verkregen voordeel dat de overtreder zal hebben, moet worden weggenomen.4 Hierbij mag alleen het nog te behalen financiële voordeel met het laten voortduren van de overtreding worden meegenomen en niet het in het verleden reeds behaalde financiële voordeel.5 Volstaan kan worden met een globale schatting van de te verwachten winst bij het niet voldoen aan de last.
uit jurisprudentie blijkt dat de financiële omstandigheden van de overtreder in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom.6 De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat van een dwangsom die naar draagkracht van de overtreder wordt vastgesteld, geen zodanige prikkel zal uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Indien de financiële omstandigheden van de overtreder daar om vragen, kan er een betalingsregeling worden getroffen.
Als blijkt dat de overtreding niet ongedaan is gemaakt, of de overtreder nogmaals dezelfde overtreding heeft begaan, dan is de prikkel mogelijk onvoldoende geweest en mogelijk de hoogte van de dwangsom te laag gekozen of een verkeerd handhavingsinstrument gekozen.
Het bevoegd gezag kan dan besluiten om een nieuwe hogere last onder dwangsom op te leggen of te kiezen voor bestuursdwang. Ook als de last onder dwangsom nog niet volledig verbeurd is, beschikt het bevoegd gezag over deze mogelijkheid.
Belangrijk is dat voor eenzelfde overtreding niet gelijktijdig twee lasten van toepassing kunnen zijn. De voorafgaande last zal dan actief moeten worden ingetrokken. Het intrekken van de oude last ontslaat de overtreder niet van het betalen van de verbeurde dwangsommen.
Als voor de eerdere overtreding al een last onder dwangsom is opgelegd die niet effectief is gebleken, wordt in beginsel een recidivetoeslag toegepast. Er wordt dan bij een volgende last onder dwangsom een hoger dwangsombedrag gehanteerd om de prikkel tot ongedaan making te versterken. De eerdere prikkel is immers niet voldoende gebleken om herhaling van de overtreding te voorkomen.
De recidivetoeslag bedraagt een verdubbeling van de initiële dwangsombedragen. De betreffende overtreding moet wel binnen 2 jaar nadat de vorige last onder dwangsom is opgelegd, plaatsvinden.
De hoogte van deze nieuwe dwangsom wordt door het bestuursorgaan gemotiveerd.
Het is niet altijd noodzakelijk dat er sprake is van een feitelijke overtreding voordat een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Ook in situaties waar sprake is van een klaarblijkelijke dreiging van een overtreding, kan een last onder dwangsom (of last onder bestuursdwang) worden opgelegd. Dit is geregeld in artikel 5:7 van de Awb. Het gaat dan bijvoorbeeld om een aankondiging van een illegale situatie in krant of via social media. Een preventieve last kan slechts opgelegd worden als het een nieuwe, nog niet eerder gepleegde overtreding betreft.
Een last onder dwangsom omvat naast de te nemen herstelmaatregelen ook een termijn, waarbinnen de overtreder de door het bestuursorgaan opgelegde lastgeving moet uitvoeren zonder dat deze het dwangsombedrag verbeurt (artikel 5:32a, tweede lid van de Awb). Dit wordt de begunstigingstermijn genoemd.
Een begunstigingstermijn moet voldoende lang zijn om, afhankelijk van de te nemen maatregelen, aan de lastgeving te kunnen voldoen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De standaard begunstigingstermijn is vastgesteld op twee weken. Deze kan afhankelijk van de feiten en omstandigheden worden aangepast (zowel korter als langer).
Wanneer er echter sprake is van een zodanig spoedeisend acute situatie, dan wordt er geen dwangsom opgelegd, maar wordt (spoedeisende) bestuursdwang toegepast. In dat geval wordt geen of een zeer korte begunstigingstermijn geboden.
Indien een overtreder na het verstrijken van de begunstigingstermijn aan de opgelegde last geen gehoor heeft gegeven, verbeurt de dwangsom van rechtswege (artikel 5:32a, tweede lid jo. 5:33 van de Awb). Krachtens artikel 5:35 van de Awb (en in afwijking van artikel 4:104 van de Awb) verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij van rechtswege is verbeurd.
De invorderingsbeschikking dient zorgvuldig tot stand gekomen te zijn, waarin een belangenafweging heeft plaatsgevonden. De dwangsom(hoogte) dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, waarin geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat het college van invordering van de verbeurde dwangsom had moeten afzien. Derhalve dient het dwangsombedrag op een zorgvuldige wijze vastgesteld te zijn.
Overtredingsschaal en dwangsomhoogten
Het opleggen van een dwangsom heeft tot doel overtredingen ongedaan te maken en eventuele vervolgovertredingen te voorkomen. Bij het opleggen van een last onder dwangsom mag geen onderscheid gemaakt worden tussen een bewuste en een onbewuste overtreder. De dwangsom moet echter hoog genoeg zijn om genoemd doel te bereiken, maar deze moet ook proportioneel zijn voor onbewuste overtreders.
Door een lage dwangsom op te leggen bij de eerste overtreding en deze bij volgende overtredingen flink te verhogen, kan het een groot afschrikeffect hebben op bewuste overtreders. Een bewuste overtreder heeft de neiging om de dwangsom bij de eerste overtreding te onderschatten. Zij zullen dan ook verwachten dat de dwangsom bij volgende overtredingen niet zo hoog zal zijn.
Door deze systematiek worden onbewuste overtreders niet onnodig gestraft en krijgen zij de kans om zich bewust te worden van hun handelen.
Om de hoogte van de dwangsom te bepalen is het van belang een duidelijke overtredingsschaal op te stellen. Bij de hoogte van de dwangsommen is rekening gehouden met de gevolgen van de overtreding:
Onder gevolgen worden ook dreigende gevolgen verstaan, dat wil zeggen als de overtreding (mogelijk) leidt tot nadelige gevolgen van belang (of het risico daarop) voor de openbare ruimte, zoals hinder, schade aan beschermde waarden (zoals milieu, natuur of erfgoed), verontreiniging of ziekten (mens of dier). Ook kunnen daaronder de gevolgen van een overtreding worden verstaan die de mogelijkheden van controle beperken of onmogelijk maken, en de gevolgen of verstorende effecten die de overtreding heeft of kan hebben voor het gezag van de overheid of voor de normering van de betrokken bedrijfstak als zodanig. Er is daarom sprake van een glijdende schaal en het verschilt per type overtreding wat de gevolgen kunnen zijn en hoe ernstig die kunnen zijn. Het onderscheid tussen de gevolgen onderling zit vooral in de ernst en omvang van de hinder en de (dreigende) schade en of deze schade mogelijk onomkeerbaar is.
Deze overtredingsschaal dient als grondslag om de mate van overlast te beoordelen en de bijbehorende dwangsom op te leggen. De overtredingsschaal is verdeeld in vier categorieën, oplopend van licht tot zwaar. Er wordt onderscheid gemaakt tussen natuurlijke personen (levende mensen, vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap) en rechtspersonen (vereniging, coöperatie, naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een stichting). Het bedrag voor een natuurlijk persoon is de helft van het bedrag voor een rechtspersoon.
In tabel A en B worden voor de meest voorkomende overtredingen van THOR Gebieden de dwangsomhoogten genoemd.
Vanwege rechtsgelijkheid en proportionaliteit is ervoor gekozen om vergelijkbare type overtredingen in dezelfde categorie in te delen.
De bedragen van de last onder dwangsom zijn gekoppeld aan de boetecategorieën die gelden op basis van de Verordening Bestuurlijke Boete Overlast in de Openbare Ruimte. Door aan te sluiten bij landelijk vastgestelde bboor-bedragen wordt willekeur voorkomen en liggen de dwangsombedragen in lijn met de bestaande landelijke bboor-bedragen voor vergelijkbare overtredingen. Door de bedragen van de last onder dwangsom te koppelen aan de landelijke bboor-bedragen wordt gewaarborgd dat de sanctie niet onnodig belastend is, maar wel voldoende afschrikkend werkt om naleving van de regels te bevorderen.
Afwijken van de categorie-indeling is mogelijk als de specifieke situatie daarom vraagt. In dat geval wordt maatwerk toegepast. Maatwerk wordt ook toegepast als een bepaalde overtreding niet in een bepaalde categorie is ingedeeld.
Kostenverhaal toepassen bestuursdwang
Bij bestuursdwang wordt de overtreder in de gelegenheid gesteld om zelf de geconstateerde overtreding geheel of gedeeltelijk te beëindigen binnen een door het college bepaalde termijn (begunstigingstermijn). Wanneer de overtreding niet binnen de gestelde begunstigingstermijn wordt beëindigd, is het college bevoegd door middel van feitelijk handelen zelf op kosten van de overtreder de overtreding te doen of laten beëindigen. Voor het bepalen van de hoogte van de kosten voor het toepassen van bestuursdwang kunnen de werkzaamheden verricht door de handhaver, het externe bedrijf en de opslagkosten in rekening worden gebracht. Bij het in rekening brengen van kosten voor het toepassen van bestuursdwang wordt geen onderscheid gemaakt in rechtspersonen of natuurlijke personen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 februari 2026.
De burgemeester
Femke Halsema
Waarnemend gemeentesecretaris
Thea de Vries
Bijlage 1 Handhaving op afval bijplaatsingen (ABP)
Last onder dwangsom bij ABP-overtredingen
Bij handhaving op ABP-overtredingen geldt ook het algemene uitgangspunt van bestuursrechtelijke handhaving. Dit betekent dat bij een geconstateerde overtreding eerst een bboor wordt opgelegd. Wordt door dezelfde overtreder een tweede keer dezelfde overtreding begaan dan wordt wederom een bboor opgelegd aan deze overtreder. Gelijktijdig met deze tweede bboor wordt een herstelsanctie opgelegd. Er wordt bij de afvalovertreding gekozen voor een bedrag per overtreding.
Indien regelmatig overtredingen plaatsvinden, die geen continu karakter hebben en tot individuele opzichzelfstaande gedragingen zijn terug te leiden, dan kan er, ter voorkoming van herhaling van die gedragingen, voor gekozen worden een dwangsom per individueel geconstateerde overtreding op te leggen.
Als voor de eerdere overtreding al een last onder dwangsom is opgelegd die niet effectief is gebleken, wordt in beginsel een recidivetoeslag toegepast. Er wordt dan bij een volgende last onder dwangsom een hoger dwangsombedrag gehanteerd om de prikkel tot ongedaan making te versterken. De eerdere prikkel is immers niet voldoende gebleken om herhaling van de overtreding te voorkomen.
De recidivetoeslag bedraagt een verdubbeling van de initiële dwangsombedragen. De betreffende overtreding moet wel binnen 2 jaar nadat de vorige last onder dwangsom is opgelegd, plaatsvinden.
De hoogte van deze nieuwe dwangsom dient door het bestuursorgaan te worden gemotiveerd.
Mogelijkheid afleggen verklaring en bezwaar
Bij het opleggen van een bboor krijgt een burger eerst de mogelijkheid om een verklaring af te leggen. De overtreder ontvangt bericht dat er telefonisch contact opgenomen kan worden met de boa. De burger krijgt de gelegenheid om te verklaren waarom hij/zij zich niet aan de regels heeft gehouden. In een aantal gevallen wordt de boete naar aanleiding van het hoormoment geseponeerd of wordt er een waarschuwing opgelegd in plaats van een bboor. Verder bestaat er een mogelijk tot een betalingsregeling en kan in bezwaar het boetebedrag op nihil gesteld worden als er een schrijnende situatie dreigt te ontstaan. De boete blijft dan wel in stand.
Hoogte dwangsombedrag bij ABP-overtredingen
Omdat er voor gekozen is aansluiting te zoeken bij de boetecategorieën van de bboor zou dit betekenen dat voor de meest voorkomende afvalovertredingen het dwangsombedrag zou moeten worden vastgesteld op € 350,- voor een natuurlijk persoon en € 700,- voor een rechtspersoon.
Juridisch gezien is het mogelijk om af te wijken van de standaard categorie-indeling als de situatie daarom vraagt, bijvoorbeeld bij zwaarwegend geschonden belang. Immers conform artikel 5:32b, derde lid van de Awb staan de dwangsombedragen niet alleen in redelijke verhouding tot de beoogde werking van de dwangsom maar ook tot de zwaarte van het geschonden belang.
De afvalproblematiek in Amsterdam is al jaren een groot probleem, en ook vanuit de politiek is er een sterke wens om dit aan te pakken. Zo is in het coalitieakkoord vastgelegd dat de boetes op afvalovertredingen omhoog moeten, en is er een voorstel aangenomen om de pakkans op deze afvalovertredingen te vergroten. Daarom is ervoor gekozen voor afvalovertredingen af te wijken van de werkwijze waarbij wordt aangesloten bij de landelijke bboor-bedragen.
Dit betekent dat voor afvalovertredingen niet gekozen wordt voor het dwangsombedrag uit de categorie “mild” maar voor het dwangsombedrag uit de categorie “ernstig”. Het dwangsombedrag voor een natuurlijk persoon wordt dan € 500,- (in plaats van € 350,-) en voor een rechtspersoon € 1.000,- (in plaats van € 700,-) etc.
De gemeente Amsterdam hanteert de volgende werkwijze:
De overtredingscategorie verwijst naar de tabel op pagina 7. In die tabel worden de dwangsombedragen per categorie genoemd.
De overtredingscategorie verwijst naar de tabel op pagina 7. In die tabel worden de dwangsombedragen per categorie genoemd.
Voorbeelden van hoogte last onder dwangsom gemeente Den Haag: Uitspraak 202205767/1/R4 - Raad van State; https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@139929/202206422-1-r4/
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-65212.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.