Regeling Recht op Voorschutting door de Mijndense sluis 2023

Het college besluit:

  • 1.

    De “Regeling Recht op Voorschutting door de Mijndense sluis 2023’ vast te stellen

  • 2.

    De gemeentesecretaris aan te wijzen als bevoegde autoriteit voor het verlenen van het recht op voorschutting door de Mijndense sluis conform art. 6.28b lid 1b BPR.

  • 1.

    De gemeentesecretaris, aangewezen als bevoegde autoriteit door het college van B en W van de gemeente Wijdemeren, kan op grond van de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart het recht op voorschutting door de Mijndense Sluis toekennen aan:

    • a.

      schepen met een lengte van 20m of meer, die tevens

    • b.

      een economische functie vervullen.

  • 2.

    De gemeentesecretaris kan op grond van historische rechten aan andere schepen het recht op voorschutting door de Mijndense Sluis verlenen.

  • 3.

    Het recht op voorschutting geldt alleen gedurende de periode van 1 mei tot en met 15 september.

  • 4.

    Het recht op voorschutting dient jaarlijks te worden aangevraagd bij de afdeling ontheffingverlening van de gemeente Wijdemeren.

  • 5.

    Schepen die van het toegekende recht op voorschutting gebruik willen maken dienen bij nadering van de sluis de rode wimpel te voeren op een zodanige hoogte dat deze goed zichtbaar is (conform. art. 3.17 van het BPR).

Deze regeling treedt in werking op 1 juni 2023.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van B&W van 30-05-2023.

TOELICHTING BIJ DE REGELING RECHT OP VOORSCHUTTING DOOR DE MIJNDENSE SLUIS

Motivering

De Mijndense Sluis vormt een belangrijkste verbinding tussen de Loosdrechtse Plassen en de Vecht. Jaarlijks passeren vele duizenden schepen — voornamelijk pleziervaartuigen — deze sluis. Ook de beroepsvaart maakt geregeld van de sluis gebruik; vooral partyschepen, rondvaartboten en schepen van aannemers.

 

Om de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart in en rond de sluis te garanderen heeft het college van B&W besloten een regeling recht op voorschutting in te stellen voor het schutten van een beperkt aantal grote schepen door de Mijndense sluis. De specifieke situatie bij de sluis, aan de ene kant gelegen tegen de Vecht — een zeer druk bevaren, vooral recreatieve, vaarweg en aan de andere kant aansluitend op de veel smallere Drecht, geeft daartoe aanleiding.

Uit art. 3 van de Scheepvaartverkeerswet blijkt dat het instellen van een voorrangsregeling alleen mag geschieden in het belang van het scheepvaartverkeer of de scheepvaartwegen, waarbij met name de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart centraal staan.

 

Art. 6.28 lid b van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) geeft een limitatieve opsomming van de schepen die het recht op voorschutting hebben, nl:

  • a.

    schepen van ambtenaren belast met toezicht of opsporing en brandweerboten die in verband met spoedeisende redenen van dienstvervulling onderweg zijn;

  • b.

    schepen waaraan de bevoegde autoriteit dit recht heeft verleend.

Ten aanzien van de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart (aspecten die zeer nauw met elkaar samenhangen) is het college van mening dat, wanneer grote schepen zoals partyschepen geregeld voor de sluis moeten wachten, zij de doorgaande scheepvaart op de Vecht in ernstige mate hinderen wanneer er niet in een goede wachtgelegenheid is voorzien. Zo'n wachtgelegenheid op de Vecht is er niet. De bestaande wachtgelegenheid is in drukke tijden niet eens groot genoeg voor de 'kleine' pleziervaart, laat staan dat daaraan ook nog grote schepen kunnen worden afgemeerd. Het voor anker gaan op de Vecht wordt door de vaarwegbeheerder (Waternet) ongewenst geacht, evenals het blijven manoeuvreren voor de sluis. Voor het realiseren van een adequate wachtgelegenheid is nauwelijks ruimte. Het ontbreken van een wachtplaats leidt, behalve tot onveiligheid, ook onvermijdelijk tot schade aan de vaarweg en tot milieuoverlast.

 

De situatie op de Drecht is nog moeilijker dan op de Vecht, omdat de ruimte daar aanzienlijk kleiner is dan aan de Vechtkant. Een goede wachtgelegenheid is hier — gelet op de ruimte - evenmin te realiseren. Niet voor niets is er een verbod om af te meren aan de noordkant van de huidige wachtplaats, die ook maar nauwelijks groot genoeg is voor de normale pleziervaart.

Voor anker gaan of blijven manoeuvreren op de Drecht wordt door het Plassenschap (de vaarwegbeheerder) zeker ongewenst geacht.

 

Op grond van bovenstaande is er naar het oordeel van het college van B&W voldoende aanleiding een voorrangsregeling in te stellen. De specifieke situatie bij de Mijndense Sluis rechtvaardigt dat.

 

Bepaling voorrangsgerechtigden

 

In art. 6.28 lid b van het BPR worden geen nadere bepalingen gesteld ten aanzien van het verlenen van het recht op voorschutting door de bevoegde autoriteit. Het staat de bevoegde autoriteit vrij om dat recht toe te kennen of niet, uiteraard met inachtneming van de vraag of de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart daarmee gediend is.

 

Omdat grote schepen de veiligheid en het vlotte verloop van de scheepvaart het meest in gevaar brengen, is besloten het recht van voorrang toe te kennen aan schepen van 20m en langer. Deze maat sluit aan bij de definiëring uit het BPR, waarin een schip van 20m of langer wordt aangemerkt als 'groot schip'. Daarbij is besloten dat ook het economische belang in het geding moet zijn om voor het recht op voorrang in aanmerking te kunnen komen. Daarmee wordt voorkomen dat ieder groot pleziervaartuig een beroep kan doen op het voorrangsrecht. Hoewel ook deze schepen vanwege hun formaat op de vaarwegen voor problemen kunnen zorgen, is de frequentie waarmee deze schepen zich bij de sluis melden niet van dien aard dat zij geregeld voor overlast op de vaarwegen zorgen; incidenteel is enige overlast aanvaardbaar.

 

Voorts is het bestuur van mening dat schepen die al jaren het recht van voorrang bij de sluis verkregen, erop mochten vertrouwen dat zij dit recht bij een nieuwe regeling opnieuw zouden verkrijgen. Derhalve kent het bestuur aan 3 partyschepen ook het recht van voorrang toe.

 

Aangezien bovengenoemde criteria niet exclusief gelden voor partyschepen, maar ook voor andere vaartuigen die bedrijfsmatig gebruikt worden, behoeft voor schepen van aannemers geen aparte voorrangsregeling te worden getroffen.

 

Het verlenen van het voorrangsrecht aan een ongelimiteerd aantal bedrijfsvaartuigen brengt het vlotte verloop van de recreatievaart door de sluis teveel in het gedrang. Met een beperking op basis van bovengenoemde criteria doen zich voor de recreatievaart noch bij de sluis, noch op de Vecht en de Drecht onoverkomelijke problemen voor.

 

Bevoegde autoriteit

 

Art. 6.28b lid 2 van het BPR bepaalt dat de bevoegde autoriteit het recht van voorrang kan toekennen.

 

De de gemeentesecretaris is benoemd tot bevoegde autoriteit. Hij is dan degene die het recht op voorrang kan toekennen.

 

Beperking van de voorrangsperiode.

 

De geconstateerde problemen met grote schepen rond de Mijndense Sluis doen zich feitelijk alleen voor in het drukke vaarseizoen. Het recht op voorschutting kan daarom alleen worden toegekend gedurende de periode van 1 mei tot 15 september.

Naar boven