Gemeenteblad van Aalsmeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Aalsmeer | Gemeenteblad 2026, 6422 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Aalsmeer | Gemeenteblad 2026, 6422 | beleidsregel |
Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal gemeente Aalsmeer
Burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer;
gelezen het advies van afdeling Werk & Inkomen van 4 december 2025;
gelet op paragraaf 6.4 en 6.5 van de Participatiewet, paragraaf 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, paragraaf 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3 Brutering van terugvordering
Wanneer een vordering op grond van artikel 58 eerste lid van de wet is verhoogd met de brutering, kan deze ook worden teruggevorderd van degene van wie kosten van bijstand zijn teruggevorderd op grond van artikel 59 tweede en derde lid van de wet. Artikel 26 IOAW/IOAZ is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4 Verplichtingen met betrekking tot de invordering
Zolang belanghebbende een betalingsverplichting aan het college heeft, kan hij een verzoek indienen, zo mogelijk onder bijvoeging van afschriften van bewijsstukken, tot gespreide betaling, tot verlaging van de maandelijks vastgestelde betalingsverplichting of tot tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, indien hij van mening is dat hij niet of niet meer in staat is deze schuld ineens of middels de eerder vastgestelde betalingsverplichting te voldoen.
a. Een ingediend bezwaar tegen het terugvorderingsbedrag of tegen de vastgestelde betalingsverplichting wordt door het college ambtshalve aangemerkt als een verzoek om toepassing van schorsende werking en wordt toegekend tot één week na de dag van verzending van de beslissing op bezwaar.
b. Een ingediend beroep of hoger beroep tegen de in 5a bedoelde beslissing op bezwaar kan door het college ambtshalve worden aangemerkt als en verzoek om toepassing van schorsende werking en wordt toegekend tot één week na de dag van de beslissing van de rechtbank in beroep of de beslissing van de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep.
Artikel 6 Verrekening en beslaglegging
Na ontstaan van een vordering wordt van de mogelijkheid gebruik gemaakt om onmiddellijke verrekening met de uitkering op te starten op grond van artikel 60, derde lid van de wet, artikel 60a, eerste, tweede en derde lid van de wet, artikel 28, tweede lid, van de IOAW en artikel 28, tweede lid, van de IOAZ, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid:
Artikel 6a Verrekening met een vordering van belanghebbende
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid uit artikel 60a van de wet om een vordering die de belanghebbende op de gemeente heeft, te verrekenen met een vordering op grond van artikel 58 en 59 van de wet of artikel 25 IOAW/IOAZ.
Artikel 7 Vaststelling aflosbedrag bij belanghebbenden met een uitkering
Indien belanghebbende een uitkering ontvangt van de gemeente, bedraagt de aflosverplichting 5% van de relevante uitkeringsnorm per maand, inclusief vakantietoeslag.
Artikel 8 Wettelijke rente en kosten
Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering verhoogd worden met de wettelijke rente en de kosten van invordering.
Artikel 9 Volgorde van betaling
Indien de belanghebbende meerdere vorderingen aan het college dient te voldoen, dan rekent het college de betaling in de eerste plaats toe aan de vordering wegens een opgelegde boete en in de tweede plaats aan de vordering die het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht. In de derde plaats worden betalingen toegerekend naar overige vorderingen en leningen, waarbij de oudste schuld als eerste wordt afgelost. Daarbij is de datum van het besluit tot terugvordering respectievelijk tot toekenning van de lening bepalend.
Paragraaf 3 Afzien van (verdere) invordering
Artikel 10 Afzien van invordering in verband met gering bedrag
Ambtshalve kan worden afgezien van terugvordering indien het nog terug te vorderen bedrag, of het restant daarvan, na verrekening van eventueel beschikbare tegoeden, minder bedraagt dan €100,00, gerekend over een periode van 12 aaneensluitende maanden.
Artikel 11 Afzien van (verdere) invordering wegens schuldenproblematiek
Het college kan een besluit, bedoeld in het eerste lid ook nemen indien sprake is van een vordering op grond van artikel 58 eerste lid van de wet, artikel 25 eerste lid van de IOAW/IOAZ en een bestuurlijke boete op grond van artikel 18a van de wet, 20a van de IOAW en 20a van de IOAZ, met inachtneming van het bepaalde in artikel 60c en artikel 18a dertiende lid van de wet, artikel 20a twaalfde lid en artikel 29a van de IOAW en IOAZ.
Artikel 12 Intrekking besluit tot afzien van (verdere) invordering wegens schuldenproblematiek
Het besluit tot het gedeeltelijk kwijtschelden van een vordering kan worden ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:
Artikel 13 Afzien van (verdere) invordering op aanvraag na het voldoen aan de betalingsverplichting
Het college besluit op aanvraag kwijtschelding te verlenen, indien belanghebbende:
gedurende drie jaar niet volledig, onafgebroken en naar draagkracht aan zijn betalingsverplichtingen ten aanzien van een schuld heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost, mits dit bedrag overeenkomt met ten minste het bedrag dat de belanghebbende naar verwachting naar draagkracht kan aflossen gedurende een periode van drie jaar, gerekend vanaf de datum dat de belanghebbende de aanvraag doet.
Waar in dit artikel een termijn van drie jaar wordt genoemd, geldt voor vorderingen op grond van artikel 58, eerste lid van de wet, en artikel 25, eerste lid van de IOAW/IOAZ en boetes zoals bedoeld in artikel 18a van de wet en 20a van de IOAW/IOAZ, een termijn van tien jaar, zoals bedoeld in artikel 58 zevende lid van de wet en artikel 25, zesde lid IOAW/IOAZ.
Artikel 13a Ambtshalve afzien van (verdere) invordering
Het college kan indien belanghebbende geen kwijtschelding aanvraagt, in afwijking van het bepaalde in artikel 13, ambtshalve kwijtschelding verlenen indien belanghebbende voldoet aan het bepaalde in artikel 13 onder a, b of c en kwijtschelding volgens het college doelmatig of wenselijk is.
Artikel 13b Bijzondere bepalingen bij het afzien van (verdere) invordering
Wanneer aan een belanghebbende een geldlening is verstrekt voor inrichtingskosten, en de belanghebbende voldoet aan het bepaalde in artikel 13, aanhef en onder a of b, wordt ook afgezien van verdere invordering van een aanvullende geldlening voor inrichtingskosten, die na hereniging met zijn gezin, aan de belanghebbende en diens gezinsleden is verstrekt.
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om de kosten van de uitkering te verhalen op grond van artikel 61 tot en met 62i van de wet, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet, tenzij:
Bij verhaal past het college de betalingsverplichting ambtshalve of op aanvraag en naar aanleiding van een periodiek onderzoek, aan op gewijzigde omstandigheden ten aanzien van de draagkracht van de belanghebbende.
Bij verhaal zijn de artikelen 10, tot en met 14 van deze beleidsregels met betrekking tot afzien van (verdere) invordering van vorderingen van overeenkomstige toepassing.
Indien de belanghebbende de verhaalsbijdrage na aanmaning niet heeft betaald en/of niet uit eigen beweging bereid is het te verhalen bedrag aan de gemeente te betalen dan wel niet, of niet tijdig, tot betaling daarvan overgaat, kan het college besluiten tot verhaal in rechte, tenzij het te verhalen bedrag naar verwachting een totaalbedrag van € 600,00 niet te boven gaat.
Artikel 19 Bijstellen aflossingsbedragen
De aflossingsbedragen worden ambtshalve bijgesteld bij een wijziging van de uitkeringsnormen overeenkomstig artikel 38 van de wet en artikel 5 van de IOAZ/IOAW.
Artikel 20 Onvoorziene situaties
In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 16 december 2025.
De secretaris,
drs. Sj. Vellenga
De voorzitter,
mr. G.E. Oude Kotte
Bijlage 1 Toelichting bij de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Aalsmeer
De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. Hierbij houdt de gemeente rekening met de verschillende effecten van het terugvorderen en verhalen van de uitkering. Ook zorgen deze beleidsregels voor duidelijkheid over de uitvoering door de consulenten. Bij het vaststellen van deze beleidsregels zijn ontwikkelingen in wet- en regelgeving en de jurisprudentie meegenomen. In de toelichting per artikel worden alleen artikelen toegelicht die uitleg nodig hebben.
Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner onvoldoende informatie heeft gegeven aan de gemeente (schending inlichtingenplicht).
Soms scheldt de gemeente (een deel) van het terug te betalen bedrag kwijt. In deze regels staat omschreven wanneer de gemeente dit kan doen.
Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Artikel 2 Bevoegdheden algemeen
Artikel 3 eerste lid Brutering van terugvorderingen
Het bruteren van terugvorderingen houdt in dat de vordering wordt opgehoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt in het kader van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is. Het bruteren gebeurt alleen voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. Het bruteren gebeurt jaarlijks op 31 december over de vorderingen van het jaar daarvoor.
Artikel 3 tweede lid Brutering van terugvorderingen
Het komt voor dat de hoogte van de terugvordering pas enige tijd nadat bekend is geworden dat er een feit is waaruit een terugvordering voortkomt, kan worden vastgesteld. Is deze periode 3 maanden of langer wordt in principe geen brutering toegepast, tenzij de inwoner onvoldoende informatie heeft gegeven aan de gemeente.
Artikel 4 eerste lid t/m vierde lid Verplichtingen met betrekking tot de invordering
Als bewust of onbewust te veel uitkering is verstrekt, moet dit worden terugbetaald. In het terugvorderingsbesluit staat beschreven welk bedrag terugbetaald moet worden. De belanghebbende kan het college verzoeken om uitstel van betaling of een betalingsregeling als hij/zij niet in staat is om het bedrag in één keer te voldoen. Het verzoek om een betalingsregeling moet schriftelijk gebeuren en voorzien zijn van bewijsstukken.
Artikel 4 vijfde lid Verplichtingen met betrekking tot de invordering
Als bezwaar wordt gemaakt tegen de terugvordering of tegen de maandelijkse betalingsverplichting wordt dit door het college gezien als een verzoek om uitstel. Dit verzoek wordt in principe toegekend tot één week na de dag van verzending van de beslissing op bezwaar.
Een ingediend beroep of hoger beroep tegen de in 5a bedoelde beslissing op bezwaar kan door het college ambtshalve worden aangemerkt als een verzoek om toepassing van schorsende werking en toegekend tot een week na de dag van de beslissing van de rechtbank in beroep of de beslissing van de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep.
Artikel 4 vijfde lid sub b Verplichtingen met betrekking tot de invordering
In beginsel wordt, wanneer de belanghebbende in beroep of hoger beroep gaat, geen uitstel van aflossing verleend. Het college kan hier echter in voorkomende gevallen van afwijken, indien een inschatting van het resultaat van het (hoger) beroep, of de aard, dan wel hoogte van de openstaande schuld, of de kosten die gepaard gaan met invordering of de persoonlijke situatie van de belanghebbende hiertoe aanleiding geeft.
Het college maakt gebruik van de mogelijkheid om de kosten van bijstand in te vorderen door middel van een dwangbevel. Dit dwangbevel kan per post worden toegezonden aan de belanghebbende.
Artikel 6 Verrekening en beslaglegging
Als degene van wie kosten van de uitkering wordt teruggevorderd een Participatiewet- IOAZ- of IOAW-uitkering van de gemeente ontvangt, mag het college die kosten verrekenen met die uitkering.
Als verrekening niet mogelijk is, kan het college besluiten invorderingsmaatregelen te treffen.
Het college kan middels een deurwaarder betaling van de kosten afdwingen. Het college maakt van deze mogelijkheid gebruik, tenzij het bedrag € 600,00 of lager bedraagt.
Artikel 6a Verrekening met een vordering van de belanghebbende
Als belanghebbende een vordering heeft op het college, bijvoorbeeld vanwege een aan hem toegekende vergoeding vanwege gemaakt proceskosten, kan het college deze kosten verrekenen met de openstaande vordering die het college op belanghebbende heeft.
Artikel 7 Vaststelling aflosbedrag bij belanghebbenden met een uitkering
Sinds 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging van de beslagvrije voet van kracht geworden. Daarin is bepaald dat bij verrekening van een vordering met een (Participatiewet) uitkering, belanghebbende wordt geacht 5% van de voor hem geldende bijstandsnorm te kunnen aflossen aan openstaande vorderingen. Dit is tevens de maximale aflossingscapaciteit.
Het college int met deze 5% een bedrag ter hoogte van de maximale aflossingscapaciteit, waarmee wordt voorkomen dat andere schuldeisers nog een deel van de aflossingscapaciteit kunnen claimen.
In bijzondere situaties kan de aflossing op een lager bedrag worden vastgesteld. Hiervoor hoeft aan artikel 7 geen aparte bepaling te worden toegevoegd. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken op grond van de artikelen 20 en/of 21 van deze beleidsregels.
Artikel 8 Wettelijke rente en kosten
Als niet op tijd betaald wordt, kan de vordering verhoogd worden met rente en (incasso-)kosten. Deze kosten komen voor rekening van de belanghebbende.
Artikel 9 Volgorde van betaling
In het geval de belanghebbende meerdere vorderingen aan het college verschuldigd is, dan regelt dit artikel de volgorde van betaling. Het college bepaalt de volgorde van betaling. In de eerste plaats zal een betaling in mindering strekken op een vordering wegens opgelegde boete en in de tweede plaats op een vordering wegens ten onrechte ontvangen uitkering vanwege het schenden van de inlichtingenplicht. Een vordering wegens een geldlening wordt gelijkgesteld met andere vorderingen wegens te veel of ten onrechte ontvangen bijstand of uitkering. In de laatste gevallen wordt de oudste vordering als eerste afgelost.
Het kan voorkomen dat de belanghebbende zelf aangeeft dat hij een bepaalde vordering (eerst) aflost. In dat geval moet de aflossing worden geboekt op de door hem benoemde schuld. Dit kan ook blijken uit de hoogte van de betaling, zonder nadere toelichting van belanghebbende. Er kunnen bijvoorbeeld oude vorderingen openstaan, en daar komt een nieuwe vordering van €123,45 bij. Wanneer belanghebbende dan €123,45 overmaakt, moet het college er in alle redelijkheid van uitgaan dat deze betaling bedoeld is voor de nieuwste vordering
Artikel 10 Afzien van invordering met gering bedrag
Uit het oogpunt van efficiënt debiteurenbeheer kan het college besluiten om af te zien van invordering als de vordering €100 of lager is, gerekend over 12 maanden.
Het is uit het oogpunt van efficiënt debiteurenbeheer niet wenselijk dat een dergelijk bedrag, ook bij zogenaamde fraudeschuld, tot in de lengte van jaren in de administratie blijft staan. Wanneer duidelijk is dat invordering niet meer mogelijk of wenselijk is, kan onder toepassing van artikel 20 van deze beleidsregels, toch buiteninvorderingstelling plaatsvinden.
Artikel 11 Afzien van (verdere) invordering wegens schuldenproblematiek
Als in het kader van schuldhulpverlening een voorstel tot schuldbemiddeling wordt gedaan, stemt de gemeente hier onder voorwaarden mee in. De voorwaarden staan vermeld in het artikel. De gemeente scheldt de schuld nog niet kwijt, maar kan op verzoek besluiten om (voorlopig) de invordering op te schorten. Bij de vraag of voorlopig van invordering moet worden afgezien, wordt een individuele afweging gemaakt, waarbij bijvoorbeeld kan worden meegewogen of sprake is van een recente en/of een ernstig verwijtbare schuld, of de opschorting ertoe leidt dat andere schuldeisers de ontstane aflossingsruimte zullen opeisen, maar ook omstandigheden van de persoon zelf en het gezin kunnen van invloed zijn.
Het college kan ook meewerken aan een schuldenregeling, indien sprake is van een vordering, die het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht. Dat geldt ook voor de opgelegde boete. De wetgever heeft echter uitgesloten dat wordt meegewerkt aan een schuldenregeling als de vordering het gevolg is van opzet of grove schuld. Dat laatste moet blijken uit de toelichting op de hoogte van de opgelegde boete, of de strafrechtelijke sanctie.
Artikel 12 Intrekking besluit tot afzien van (verdere) invordering wegens schuldenproblematiek
Als het niet lukt om een minnelijke schuldenregeling te treffen, kan het college besluiten om de schuld weer in te vorderen. In dit artikel staat beschreven in welke gevallen het college dit kan doen. Dit is echter een ingrijpende beslissing. Daarom moet worden meegewogen of belanghebbende er zelf alles aan heeft gedaan om de regeling tot stand te laten komen.
Artikel 13 Afzien van (verdere) invordering op aanvraag na voldoen aan de betalingsverplichting
Hoewel het uitgangspunt dat een vordering wegens ten onrechte verleende bijstand of uitkering volledig dient te worde terugbetaald onverkort van kracht blijft, kan het in voorkomende gevallen onwenselijk zijn om de belanghebbende gedurende lange tijd te belasten met een (hoge) betalingsverplichting. Het college kan derhalve besluiten tot kwijting van een restvordering over te gaan, onder de voorwaarden zoals genoemd in dit artikel. Voorwaarde is dat belanghebbende zelf een verzoek indient.
In dit artikel is ook de mogelijkheid geboden om de openstaande vordering af te kopen met een eenmalig bedrag van tenminste 50% van de restsom. Voordat het college hiermee instemt, moet worden overwogen of een voorstel daartoe redelijk is. Een richtlijn die hiervoor kan worden gehanteerd is de vraag of belanghebbende naar verwachting in een periode van de volgende drie jaar een hoger bedrag, dan de aangeboden afkoopsom, zou kunnen aflossen op basis van dienst aflossingscapaciteit. Op grond van artikel 58 zevende lid sub d van de wet en artikel 25 zesde lid IOAW/IOAZ kan de afkoopsom ook worden gebruikt om een vordering af te kopen die het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht.
Voor vorderingen die voortvloeien uit een schending van de inlichtingenplicht wordt een betalingstermijn van tien jaar gehanteerd.
In artikel 13 is nu de mogelijkheid opgenomen, dat na tien jaar aflossen ook kwijtschelding kan worden verleend van een vordering die veroorzaakt is door het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Hierbij wordt in de afweging niet meegenomen of in dat geval sprake is van opzet of grove schuld. Daarom is die afweging uit artikel 14 van deze beleidsregels verwijderd.
Artikel 13a Ambtshalve afzien van (verdere) invordering
Kwijtschelding van schulden vindt in beginsel plaats op aanvraag. Er zijn echter ook situaties denkbaar waarin van kwijtschelding sprake zou kunnen zijn, terwijl belanghebbende geen aanvraag heeft ingediend. Voorbeelden van deze situaties zijn dat belanghebbende hierover niet is ingelicht, de taal niet begrijpt en/of door individuele omstandigheden niet in staat is om een aanvraag te doen. Hierdoor kan rechtsongelijkheid ontstaan. Zo kan het college in voorkomende gevallen ook ambtshalve overgaan tot kwijtschelding.
Artikel 13b Bijzondere bepalingen bij het afzien van (verdere) invordering
Het recht op kwijtschelding wordt per individuele vordering beoordeeld. Wanneer belanghebbende meerdere vorderingen heeft, kan belanghebbende bijvoorbeeld recht hebben op kwijtschelding van een geldlening waarop gedurende 36 maanden is afgelost. Daarna zal belanghebbende eerst 36 maanden moeten aflossen op een andere vordering voordat belanghebbende recht op kwijtschelding voor deze vordering heeft.
Een uitzondering hierop is de situatie waarbij aan belanghebbende een geldlening is verstrekt voor de kosten van woninginrichting en na enige tijd een tweede geldlening wordt verstrekt, eveneens voor woninginrichting, omdat belanghebbende is herenigd met zijn gezinsleden. Voor wat het recht op kwijtschelding betreft, wordt de tweede lening voor woninginrichting tezamen met de eerste lening voor woninginrichting als één vordering beschouwd. Deze situatie komt met name voor bij zogenaamde nieuwkomers.
Bij de toekenning van de leenbijstand voor inrichtingskosten wordt op basis van de maandelijkse afloscapaciteit het leendeel bepaald en tegelijk wordt bepaald welk deel van de lening niet wordt ingevorderd. Na betaling van 36 aflostermijnen is de totale lening die gebaseerd was op 36 keer de maandelijkse aflostermijn helemaal afbetaald.
In de praktijk wordt vaak, tegelijk met een lening voor woninginrichting, een lening verstrekt voor een waarborgsom. Ook de lening voor een waarborgsom is een aparte schuld. Wanneer de belanghebbende gaat aflossen op de leningen, wordt allereerst de lening voor de waarborgsom afgelost. Aansluitend wordt de lening voor woninginrichting afgelost. Het aantal termijnen dat bepalend is voor de vraag of de lening voor woninginrichting kan worden kwijtgescholden, wordt berekend vanaf het moment dat de eerste aflossing op de lening voor woninginrichting plaatsvindt.
Artikel 14 Aparte bepalingen betreffende het afzien van (verdere) invordering
In de Participatiewet is al de mogelijkheid geboden om schulden kwijt te schelden na tien jaar aflossing. Het is wenselijk om ook bij fraudezaken aan belanghebbende enig perspectief te bieden. Verder dient er een onderscheid te worden gemaakt tussen gevallen waarin met opzet of vanwege grove schuld is gefraudeerd en andere gevallen. Ook moet worden overwogen dat rechtbanken al enkele jaren bereid zijn om in voorkomende gevallen fraudevorderingen te betrekken bij een schuldenregeling.
In ieder geval kan niet worden afgezien van terugvordering als de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek.
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om de kosten van de uitkering te verhalen op degene die bijvoorbeeld bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt, tenzij sprake is van de uitzonderingen genoemd in artikel 15. Uitdrukkelijk wordt hier vermeld dat er geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om bijzondere bijstand te verhalen, zoals onder meer bedoeld in artikel 62c van de wet. Het college acht dit niet doelmatig.
Als het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan €100,00 per maand, wegen de baten niet op tegen de te maken uitvoeringskosten bij verhaal.
Daar waar de rechter een alimentatieverplichting ten behoeve van kinderen heeft vastgesteld, kan de gemeente deze zelf bij de onderhoudsplichtige innen. De onderhoudsgerechtigde ouder, die bijstand ontvangt, mag de alimentatie dan niet meer zelf ontvangen.
De invordering van achterstallige alimentatie kan ook worden overgedragen aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO). In dat geval wordt aanbevolen om de onderhoudsgerechtigde te verzoeken de (achterstallige) alimentatie die het LBIO int, aan de gemeente te laten doorbetalen ter verrekening met de uitkering.
De verhaalsbijdrage of alimentatie is maandelijks verschuldigd. Wanneer een onderhoudsplichtige deze niet betaalt, neemt zijn betalingsachterstand dus maandelijks toe. Uit oogpunt van doelmatigheid kan worden besloten om deze achterstand in de administratie te bevriezen, wanneer duidelijk is dat op de langere termijn niet of nauwelijks meer zal worden betaald.
Wanneer de onderhoudsplichtige niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voldoet, dan besluit het college tot verhaal in rechte over te gaan, tenzij het te verhalen bedrag € 600,00 of minder bedraagt. Dat de onderhoudsplichtige niet wil betalen moet blijken uit het feit dat hij ook na een tweede aanmaning niet of niet behoorlijk betaalt. De grens van € 600,00 die wordt genoemd, is bedoeld voor gevallen waarin de periode waarover wordt verhaald is afgesloten of naar verwachting zal worden afgesloten. Het verdient aanbeveling om niet te wachten tot de openstaande vordering deze grens overschrijdt, maar dit te doen zodra duidelijk is dat belanghebbende niet betaalt. De rechtbank hanteert een termijn bij het toekennen van een verzoek van de gemeente om de verhaalsbijdrage vast te stellen. De rechtbank zal de verhaalsbijdrage, voor zover die eerder is opgelegd dan zes maanden voor het ingediende verzoekschrift, niet toewijzen.
Met een beschikking van de rechter kan executoriaal beslag worden gelegd.
Artikel 19 Bijstellen aflossingsbedragen
De aflossingsbedragen worden ambtshalve bijgesteld bij een wijziging van de uitkeringsnormen. Met ingang van de dag waarop het netto minimumloon wijzigt, worden de normen herzien met het percentage van deze wijziging.
Artikel 20 Onvoorziene situaties
Dit artikel bepaalt dat in gevallen waarin strikte toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van zwaarwegende aard voor de belanghebbende leiden, het college in afwijking van deze beleidsregels kunnen besluiten. Hieronder worden in ieder geval niet verstaan financiële omstandigheden, aangezien de belanghebbende te allen tijde de bescherming van de beslagvrije voet geniet.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-6422.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.