Gemeenteblad van Amstelveen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amstelveen | Gemeenteblad 2026, 62797 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amstelveen | Gemeenteblad 2026, 62797 | beleidsregel |
Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen tot vaststelling van de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Amstelveen 2026
In deze beleidsregels staat beschreven hoe er in de gemeente Amstelveen invulling wordt gegeven aan de Jeugdwet. Er staat beschreven welke uitgangspunten en richtlijnen van toepassing zijn bij de uitvoering van de Jeugdwet (door de lokale toegang). Binnen het jeugdhulpdomein is er een grote verscheidenheid aan situaties en vragen die zich kunnen voordoen. Dit zorgt ervoor dat deze beleidsregels niet uitputtend zijn. De beleidsregels Jeugdhulp zijn gebaseerd op de volgende doelen uit de Jeugdwet:
De Jeugdwet, de verordening en de nadere regels liggen ten grondslag aan deze beleidsregels. Deze documenten moeten in samenhang gelezen worden.
In tegenstelling tot de Jeugdwet, de verordening en de nadere regels zijn de beleidsregels geen verbindende voorschriften. Het zijn afwegingskaders. Dit houdt in dat besluiten worden genomen op basis van de Jeugdwet, de verordening of de nadere regels. Welke afwegingen gehanteerd worden om al dan niet jeugdhulp toe te kennen staat in deze beleidsregels. Het is aan de verwijzer (jeugdhulpverleners aangewezen door de gemeente of de Gecertificeerde Instelling (GI)) om op basis hiervan ook een afweging te maken tussen verschillende belangen.
De begrippen in deze beleidsregels zijn gelijk aan de definities die worden gehanteerd in de Jeugdwet, verordening en nadere regels.
Hoofdstuk 2 Afwegingskader jeugdhulp
Er bestaat geen algemeen recht op een individuele voorziening; vanuit de jeugdwet dient de gemeente op individueel niveau vast te stellen of en in welke vorm ondersteuning noodzakelijk is. In dit hoofdstuk wordt beschreven welk afwegingskader hiervoor wordt gebruikt.
Het resultaat van de toetsingsprocedure moet zijn dat jeugdigen en gezinnen de hulp krijgen die passend is en die noodzakelijk is. De jeugdige moet in staat worden gesteld om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn om naar vermogen deel te nemen aan de samenleving, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Ouders zijn hiervoor primair verantwoordelijk. Uitgangspunten bij het onderzoek:
Bij iedere hulpvraag moet zorgvuldig onderzoek plaatsvinden om te kunnen bepalen of en welke ondersteuning nodig is. Hierbij wordt het stappenplan, zoals vastgesteld door de Centrale Raad van Beroep, gevolgd. Er wordt altijd bekeken welke eigen mogelijkheden de jeugdige, zijn/haar ouders en hun netwerk hebben om de nodige hulp te krijgen. Hierbij kan de inzet van een Eigen Kracht Conferentie helpend zijn.
Er wordt rekening gehouden met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn/haar ouders. Dit betekent dat de gemeente geen voorziening verstrekt wanneer ouders ervoor kiezen hun eigen mogelijkheden niet in te zetten, tenzij de veiligheid van de jeugdige in het geding is.
Het uitgangspunt is om te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke opgaven en problemen ‘normaal’ zijn en hoe het normale leven versterkt kan worden (ook als sprake is van problemen of stoornissen). Kwetsbaarheid, problemen en tegenslag horen bij het leven. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt.
Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van algemeen beschikbare en voorliggende voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag.
De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen die zich niet volgens deze levensfasen ontwikkelen.
2.2 Eigen verantwoordelijkheid en probleemoplossend vermogen
Uitgangspunt is dat ouders allereerst zelf verantwoordelijk zijn voor de hulp en ondersteuning aan hun kind(eren), ook wanneer door een beperking of stoornis meer nodig is dan gemiddeld.
Van ouders wordt verwacht dat zij in ieder geval zelf de benodigde ondersteuning bieden die horen bij de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’.1
Jeugdhulp is alleen mogelijk wanneer ouders niet alle hulp en ondersteuning kunnen bieden en het netwerk en andere voorzieningen onvoldoende helpen om de hulpvraag te beantwoorden.
Indien ouders niet alle hulp en ondersteuning zelf kunnen bieden, wordt onderzocht in hoeverre zij wel meer zouden kunnen doen wanneer zij nieuwe vaardigheden leren, eigen problematiek aanpakken of werk anders inrichten.
2.2.1 Vergroten eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Wanneer het ouders niet lukt om alle hulp zelf te bieden, wordt eerst gekeken wat hiervan de oorzaak is. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting (niet samenhangend met de zorg aan het kind) door werk, door gebrek aan vaardigheden, door eigen problematiek, etc.
Hierin wordt in ieder geval verwacht van ouders dat zij de oorzaak van deze (dreigende) overbelasting aanpakken en waar mogelijk en/of nodig;
Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke handicap, psychosociale problematiek, financiële problematiek of een echtscheiding, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder andere wetgeving of algemene voorzieningen, ook als de jeugdige een beperking of hulpvraag heeft.
Op het moment dat ouders aangeven overbelast te zijn, of wanneer er op basis van het onderzoek twijfel is over de draagkracht en belastbaarheid van ouders, wordt de belastbaarheid gemeten via een gevalideerd instrument, of wordt een deskundige geraadpleegd die in staat is om de belastbaarheid te beoordelen (onafhankelijk medisch advies). Voorbeelden van gevalideerde meetinstrumenten zijn: OBVL (opvoedbelasting vragenlijst), CSI (Caregiver Strain Index), EDIZ (Ervaren Druk Informele Zorg), etc.
Het wordt niet van ouders verwacht dat zij alle zorg en ondersteuning bieden wanneer een jeugdige aangewezen is op 24 uur toezicht en hulp, maar (nog) geen aanspraak kan maken op de Wlz.
Wanneer de ondersteuning van een jeugdige leidt tot aantoonbare overbelasting kan het noodzakelijk zijn om (tijdelijk) hulp in te zetten ter ontlasting van ouders om ervoor te zorgen dat ze de overige zorg volhouden. Hulp bij overbelasting kan worden ingezet door thuis tijdelijk de mantelzorgtaken voor het kind over te nemen of door de jeugdige tijdelijk een logeerplek aan te bieden. Voor de inzet van hulp bij overbelasting wordt in eerste instantie een beroep gedaan op het sociale netwerk waarbij de inzet van een netwerkconferentie een hulpmiddel kan zijn. Er hoeft dus niet altijd een individuele voorziening ingezet te worden.
Voor hulp bij overbelasting geldt dat er een verband moet zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de zorg die de ouder aan de jeugdige biedt. Als er een individuele voorziening nodig is voor hulp bij overbelasting wordt de duur bepaald door de aard, omvang van de benodigde hulp, het perspectief van de jeugdige en de aanwezige mogelijkheden om de eigen kracht te vergroten.
Wanneer een jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen de ouders van de jeugdige in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden van de jeugdige om zelfstandig of onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen of om te fietsen. Het kan voorkomen dat de jeugdige, zijn/haar ouders en hun netwerk hier niet voor kunnen zorgen.
In het geval dat er sprake is van een medische noodzaak of een beperking van de zelfredzaamheid van de jeugdige, zoals beschreven in artikel 3.11 van de verordening, kan een vervoersvoorziening worden toegekend.
In de volgende gevallen is het zelfstandig of begeleid reizen in ieder geval niet mogelijk:
Het is niet mogelijk om een pgb te krijgen voor formeel vervoer. Voor begeleiding door ouders of anderen uit het sociale netwerk tijdens het vervoer kan wel een pgb worden verstrekt, wanneer de ouder de enige mogelijke begeleider is (namelijk als door de hulpvraag van de jeugdige de begeleiding tijdens het vervoer niet door anderen dan de ouders gedaan kan worden) en het vervoer anders niet kan plaatsvinden. In andere situaties, zoals vervoer door ouders (informeel vervoer), wordt geen pgb toegekend.
Op grond van de Jeugdwet wordt ondersteuning geboden aan jeugdigen totdat zij de leeftijd van 18 jaar bereiken. Hierdoor is de overgang van 17 naar 18 jaar een cruciale tijd. Om tijdig te acteren op de overgang naar volwassenheid is een toekomstplan nodig. Hierin wordt opgenomen:
Het toekomstplan wordt opgesteld voor jeugdigen vanaf 16 jaar waarbij de verwachting is dat extra ondersteuning ook na het 18e jaar nog nodig is. Meestal kan deze ondersteuning worden geboden vanuit de Zorgverzekeringswet, de Wmo of de Wlz. Van de betrokken jeugdhulpaanbieder wordt verwacht vanaf 16 jaar het initiatief te nemen voor een toekomstplan. In sommige gevallen is het nodig dat de ondersteuning van de jeugdige vanuit de jeugdwet doorloopt na de 18e verjaardag (verlengde jeugdhulp).
De Jeugdwet biedt de mogelijkheid om jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. In de volgende situaties is verlengde jeugdhulp mogelijk:
De eerste twee bovenstaande situaties is de wet duidelijk over. De derde situatie behoeft een afwegingskader wat betreft de noodzakelijkheid. Voor de noodzakelijkheid van verlengde jeugdhulp gelden onderstaande uitgangspunten:
De hulp wordt ingezet, of er wordt bepaald dat hulp wordt ingezet, vóór de 18e verjaardag. Echter, één uitzondering is mogelijk: verlengde jeugdhulp kan ingezet worden wanneer er binnen en half jaar na de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd toch nodig blijkt te zijn.
Voor verblijf (behalve pleegzorg en gezinshuis) geldt dat verlengde jeugdhulp alleen ingezet kan worden wanneer er sprake is van een behandelcomponent.
2.5.1 Verzoek tot verlengde jeugdhulp via jeugdhulpaanbieder
De jeugdige of diens ouders doen een verzoek voor verlengde jeugdhulp bij de gemeente en kunnen zich hierbij desgewenst laten ondersteunen door de betrokken jeugdhulpaanbieder of GI. Deze instanties kunnen niet zelf verwijzen of een verlenging bij de gemeente aanvragen. De gemeente beoordeelt de noodzaak tot verlengde jeugdhulp.
De Jeugdprofessional van de gemeentelijke toegang die betrokken is bij een jeugdhulpaanvraag en/of betrokken blijft tijdens het jeugdhulptraject, voert procesregie. Via procesregie houdt de Jeugdprofessional bijvoorbeeld zicht op de Awb termijnen en de rechtmatigheid van de jeugdhulp en organiseert in samenspraak met de betrokkenen wat nodig is voor de besluitvorming en toewijzing van de jeugdhulp.
3.1 Sturen op Jeugdhulp (SOJ) en coördinatie van zorg
Voor goede jeugdhulp is het belangrijk dat betrokken partijen weten wie het aanspreekpunt is en wie er regie heeft. Ook is hiermee de afstemming tussen verschillende domeinen gewaarborgd. Afspraken hierover worden vastgelegd in het perspectiefplan. Na toewijzing van jeugdhulp wordt een onderscheid gemaakt tussen sturen op Jeugdhulp vanuit de gemeente en coördinatie van zorg vanuit de jeugdhulpaanbieder.
De hulpvraag start bij het gezin, en is daarmee regiehouder van deze (vastgestelde) hulpvraag. Nadat via de gemeente is bepaald of en welke jeugdhulp nodig is blijft het gezin eigenaar van de hulpvraag en de gekozen oplossingsrichting. Dit vormt het uitgangspunt van vrijwillige hulpverlening. Vanaf 16 jaar is de jeugdige zelf eigenaar van de hulpvraag. Het gaat hierbij dus ook over de beoogde resultaten van de jeugdhulp zoals opgenomen in het perspectiefplan. Waar nodig wordt het gezin door de Jeugdprofessional van de gemeente ondersteund bij het voeren van deze regie; dit wordt Sturen op Jeugdhulp genoemd (SOJ). In dat geval sluit de Jeugdprofessional na de start van de jeugdhulp niet af, maar blijft procesregie voeren. Procesregie is gericht op het wat. Dus welke jeugdhulp voor wat nodig is.
De Jeugdprofessional bepaalt in afstemming met de betrokkenen actief wanneer en op welk gebied (nog) procesregie nodig is. Dit kan via deelname aan de evaluatie(s), bij onverwachte wendingen tijdens het hulptraject kan tussentijds overleg met betrokkenen nodig zijn. Deze vorm van regie gaat over de hulpvraag en de beoogde resultaten van de jeugdhulp, zoals opgenomen in het perspectief- of gezinsplan. De duur en intensiteit van procesregie hangt af van het regievermogen van het gezin, de complexiteit van de hulpvraag en/of de benodigde jeugdhulp. Veiligheid kan hierbij een belangrijk criterium zijn.
De coördinatie van zorg gaat over de te verlenen jeugdhulp en het behalen van de doelen, zoals opgenomen in het behandelplan, de planning (volgtijdelijkheid van de hulp) en de uitvoering. De coördinatie van zorg is extra belangrijk op het moment dat er meerdere partijen werken aan de beoogde resultaten. Dan moet duidelijk zijn wie er verantwoordelijk is voor de coördinatie van zorg. Deze vorm van regie ligt bij de jeugdhulpaanbieder. Als er meerdere jeugdhulpaanbieders betrokken zijn, stemmen deze onderling af wie de coördinatie van zorg heeft. De coördinatie van zorg gaat over het ‘hoe’, dus de wijze waarop de jeugdhulp wordt uitgevoerd en op elkaar afgestemd.
Als er op meerdere levensgebieden een ondersteuningsvraag is, kan voor regievoering het Sociaal Team betrokken worden. Dit is een multidisciplinair team waarvan de professional regie kunnen voeren bij complexe meervoudige problematiek waarbij het huishouden (tijdelijk) geen regie kan voeren op hun leven/situatie. Het betrekken van het Sociaal Team gebeurt na toestemming van de ouders en jeugdige. Een professional kan hiervoor een aanmelding doen. Regievoering door het Sociaal Team noemen we casusregie.
Hoofdstuk 4 Algemene en voorliggende voorzieningen
Een algemene of voorliggende voorziening is een voorziening waar een jeugdige/ouder een beroep op kan doen, zodat er geen of in mindere mate een beroep hoeft te worden gedaan op ondersteuning vanuit de Jeugdwet. Ook de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, de Wet Passend Onderwijs, de Participatiewet en de Wmo zijn voorliggend op de Jeugdwet.
Preventief Jeugdaanbod is aanbod waarvan scholen, kinderopvangorganisaties, ouders/verzorgers en leerlingen zonder verwijzing gebruik kunnen maken. Het aanbod is vrij toegankelijk en gratis. Een overzicht van het aanbod voor jeugd en gezin is te vinden op de website van de gemeente. Deze organisaties kunnen hulp bieden en vragen beantwoorden over financiën, gezondheid, opvoeden, relaties, sporten of taalontwikkeling.
4.2 Vrijetijdsbesteding en sportactiviteiten
Activiteiten die gericht zijn op hobby’s, sport en recreatie vallen niet onder de Jeugdwet. Zo is bijvoorbeeld het volgen van (aangepaste) zwemles, ook wanneer het kind een beperking heeft, geen vorm van jeugdhulp. Indien ouders deze activiteiten niet kunnen betalen, kunnen zij terecht bij bijvoorbeeld de minimaregeling voor kinderen (‘kindregeling’). Voor de eventuele aanvullende ondersteuning die nodig is in verband met de opvoed- of opgroeiproblematiek van jeugdige, geldt, op basis van artikel 3.2 uit de Verordening Jeugdhulp 2025, dat van ouders wordt verwacht dat zij deze zelf bieden, of dat zij hiervoor hun netwerk gebruiken.
Jeugdhulp voor de aanvullende ondersteuning kan pas worden ingezet wanneer de noodzaak is vastgesteld van de aanvullende begeleiding en er geen andere voorliggende oplossing beschikbaar is.
4.3 Participatiewet (Minimabeleid)
Er zijn verschillende regelingen die mensen met weinig geld op weg kunnen helpen. Deze regelingen zijn uitgewerkt in de Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimaregeling. Als inkomen een probleem is om mee te kunnen doen in de samenleving zijn deze regelingen voorliggend op de Jeugdwet.
De Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) regelt langdurige zorg voor mensen met een intensieve en blijvende zorgbehoefte en is voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent dat wanneer iemand toegang heeft tot deze wet, de benodigde zorg en ondersteuning ook vanuit deze wet betaald wordt.
Er wordt geen voorziening vanuit de Jeugdwet ingezet:
Soms wordt tegelijkertijd vanuit de Wlz en Jeugdwet zorg ingezet. Dit is het geval bij GGZ-behandeling of pleegzorg.
Waar nodig wordt in afwachting van het besluit vanuit de Wlz, jeugdhulp geboden tot het moment dat er een indicatie WLZ is afgegeven.
Zie meer informatie in Bijlage 1 onder REF _Ref211496115 \h Jeugdwet en WLZ.
Net als de Wlz is de Zorgverzekeringswet voorliggend op de Jeugdwet. De Zorgverzekeringswet wordt uitgevoerd door zorgverzekeraars en regelt medische zorg die gericht is op genezing en behandeling, thuisverpleging/wijkverpleging en kortdurende GGZ.
Voor de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) geldt dat:
Zie voor meer informatie Bijlage 1 Jeugdwet en zorgverzekering.
De Wet passend onderwijs is in Nederland ingevoerd om ervoor te zorgen dat alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen, ook als zij extra ondersteuning nodig hebben. Deze wet geldt voor het primair en voortgezet onderwijs. De zorgplicht van scholen houdt in dat scholen verantwoordelijk zijn voor het bieden van een passende onderwijsplek aan elke leerling, ook als die extra ondersteuning nodig heeft. Deze verplichting geldt zowel voor leerlingen die al op school zitten als voor nieuw aangemelde leerlingen.
Specialistische jeugdhulp tijdens het onderwijs is in sommige gevallen noodzakelijk om te zorgen dat jeugdigen onderwijs kunnen volgen. Doel is om te zorgen dat kinderen en jongeren een ononderbroken schoolloopbaan te bieden.
De Wet Passend Onderwijs en de Jeugdwet zijn complementair. Dit betekent dat ze elkaar aanvullen en versterken. Problematiek bij jeugdigen raakt vaak beide domeinen, waardoor er sprake is van samenwerking tussen de twee domeinen. Als in deze beleidsregels en bijlage 1 gesproken wordt over passend onderwijs dan worden hier zowel de samenwerkingsverbanden, als de scholen zelf mee bedoeld. In het onderwijs worden verschillende vormen van ondersteuning geboden, variërend van ondersteuning waar alle leerlingen behoefte aan hebben tot extra ondersteuning voor specifieke leerlingen.
Het onderwijs biedt de noodzakelijke ondersteuning die een jeugdige nodig heeft om het onderwijsprogramma te doorlopen. Het gaat dan om ondersteuning die gericht is op het volgen van het onderwijs en op het verder helpen van de leerling in zijn/haar onderwijsontwikkeling.
Zie voor meer informatie Bijlage 1 Jeugdwet en passend onderwijs.
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is in principe geen voorliggende voorziening voor de Jeugdwet, tenzij er sprake is van een aanvraag voor verlengde jeugdhulp. Er zijn wel een aantal voorzieningen die vanuit de Wmo toegekend kunnen worden aan jeugdigen zoals (mobiliteits-)hulpmiddelen of woonaanpassingen. Daarnaast zijn er enkele Wmo voorzieningen die niet expliciet voor jeugdigen zijn bedoeld maar wel raakvlakken hebben met de Jeugdwet. Bijvoorbeeld, ondersteuning in het huishouden wanneer ouders een ondersteuningsvraag hebben op het gebied van opvoeden. Deze ondersteuning kan dan ingezet worden in het kader van respijtzorg.
Hoofdstuk 5 Het persoonsgebonden budget
Op basis van de Jeugdwet kan een individuele voorziening worden ingezet in de vorm van door de gemeente gecontracteerd aanbod (zorg in natura) of een persoonsgebonden budget (Pgb). Een besluit voor een Pgb wordt genomen met behulp van het pgb-plan. De aanvrager die een Pgb wilt, wordt gevraagd dit in te vullen als is vastgesteld dat jeugdhulp nodig is. Het pgb-plan is hiermee een aanvulling op het perspectiefplan. Om voor een Pgb in aanmerking te komen, moet worden voldaan het motiveringsvereiste en de gestelde kwaliteitscriteria. Zie hiervoor onder andere artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 3.12 t/m 3.14 van de verordening.
De formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening ‘in natura’ krijgen. Ouders en jeugdigen die een Pgb wensen te ontvangen moeten dit motiveren. De motivering is samen met de bekwaamheid en kwaliteit onderdeel van het budgetplan. Voor de motivering geldt dat:
De keuze voor een Pgb brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. Het gaat dan onder meer om het aansturen van de hulp (regievoering) en het beheer van het budget. De budgetbeheerder moet voldoen aan een aantal kwaliteitscriteria om in aanmerking te komen voor een Pgb.
5.2.1 Bekwaamheid budgetbeheerder
De jeugdige en/of ouders moeten in staat zijn het Pgb te beheren. Het beheer kenmerkt zich door het voeren van regie. Dit houdt in dat de beheerder beschikt over de volgende vaardigheden:
Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. De beheerder moet zelfstandig en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Als er iets verandert, moet de beheerder dat zelf aangeven. Uit de verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat de budgetbeheerder verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van verlengingen, wijzigingen of de overgang naar andere wetgeving. De budgetbeheerder is bijvoorbeeld verantwoordelijk om tijdig actie te ondernemen op het moment dat de hulp nog nodig is na het 18e levensjaar.
Als de jeugdige en/of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het Pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een Pgb worden verstrekt, zie artikel 6 van de nadere regels. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang:
Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het Pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het Pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel Pgb voor de inzet van ouders, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden.
Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn:
Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het Pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de Jeugdwet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.
Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een Pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als budgetbeheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg.
De derde eis uit de Jeugdwet om voor een pgb in aanmerking te komen is dat naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.
Voor de kwaliteitscriteria van aanbieders wordt een onderscheid gemaakt in formele en informele aanbieders.
Formele aanbieders worden naast hetgeen bepaald in de verordening, getoetst op de criteria zoals opgenomen in de aanbesteding jeugdhulp. Hier is ook altijd de norm van verantwoorde werktoedeling van toepassing zoals opgenomen in het Kwaliteitskader Jeugd.
Voor informele aanbieders geldt dat, naast hetgeen bepaald in de verordening, het volgende:
werkt conform de Arbeidstijdenwet. Het leveren van de zorg mag er niet toe leiden dat de zorgverlener overbelast raakt, omdat dit negatieve gevolgen heeft voor de kwaliteit van de hulp. Er wordt getoetst aan het criterium van overbelasting, waarbij het uitgangspunt is dat het pgb niet wordt toegekend boven de Arbeidstijdenwet.
Daarnaast mag de relatie tussen de informele aanbieder en jeugdige de kwaliteit van de geboden hulp niet in de weg staan. Informeel netwerk kan een jeugdige geen activerende begeleiding bieden. Dit laatste is immers onderdeel van de reguliere opvoeding door ouders. Het gaat dan om het aanleren van gedrag, sociale vaardigheden van algemene dagelijkse levensverrichtingen. Als hierin ondersteuning nodig is, door een opvoed- of opgroei-problematiek wordt dit geboden door een professional en niet door het informele netwerk. Een informeel pgb wordt niet ingezet om de (opvoed)vaardigheden van ouders te compenseren.
Een pgb wordt toegekend aan de budgethouder. Die is daarmee ook verantwoordelijk en aansprakelijk hiervoor. Bij jeugdhulp is de jeugdige, en dus niet de budgetbeheerder, vaak de budgethouder.
In een aantal gevallen kan het pgb worden teruggevorderd, zoals opgenomen in de verordening. Om een pgb terug te kunnen vorderen moet deze eerst zijn beëindigd omdat er onjuiste en/of onvolledige gegevens zijn verstrekt (Jeugdwet 8.1.4 lid 1).
Gelet op de verantwoordelijkheid van de budgethouder wordt eerst gekeken of er sprake is van verwijtbaar handelen door de budgethouder. Van verwijtbaar handelen is in ieder geval sprake bij opzet of nalatigheid. In deze gevallen kan het pgb worden teruggevorderd.
Het kan ook aan de zorgverlener (inclusief ouder(s)) te wijten zijn dat het pgb niet juist wordt ingezet.
Budgethouders kunnen hiervoor niet altijd verantwoordelijk gehouden worden. Om toch op te kunnen treden in deze gevallen geldt het zogenaamde derdenbeding. De gemeente kan dan de zorgverlener rechtstreeks aansprakelijk stellen (vorderen) om het pgb terug te betalen. Dit derdenbeding moet opgenomen zijn in de zorgovereenkomst tussen de budgethouder en zorgverlener. Het handelen van de zorgverlener kan hem niet worden toegerekend als sprake is van overmacht. Er is sprake van overmacht als het handelen niet zijn schuld is.
Om het derdenbeding te waarborgen wordt een zorgovereenkomst niet goedgekeurd als dit beding niet is opgenomen.
6.1 Inwerkingtreding en intrekkingsbesluit
De regeling ‘Beleidsregels Jeugdhulp Gemeente Amstelveen 2022’ wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van deze regeling.
Bijlage 1 Afbakening met andere wetten
In deze bijlage staat meer informatie over de afbakening tussen de Jeugdwet en andere wetten.
De Jeugdwet en de Wlz verschillen op de volgende punten:
De toegangscriteria voor Wlz zijn opgenomen in de Wlz en beleidsregels indicatiestelling Wlz. Kort gezegd komen de toegangscriteria voor de Wlz op het onderstaande neer:
Wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie heeft, blijft de behandeling van een psychische stoornis onder de Jeugdwet vallen. Uitzondering is wanneer de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde instelling ontvangt en de behandeling van de psychische stoornis niet los is te zien van de Wlz behandeling. Alleen in dat geval valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Wlz.
Bij verblijf zonder behandeling, volledig pakket thuis, modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Jeugdwet.
Onderstaand is opgenomen in welke gevallen de zorg onder de Wlz valt en in welke gevallen zorg onder de Jeugdwet valt.
Het kan voorkomen dat er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan bepaalde problematiek, zonder dat precies duidelijk is welke oorzaak de hoofdoorzaak is. Dit kan het geval zijn bij bijvoorbeeld een eetstoornis. Wanneer de hoofdoorzaak somatisch (lichamelijk) is, valt de benodigde zorg onder de Zvw. Als de hoofdoorzaak psychisch is, dan valt de benodigde zorg onder de Jeugdwet en is de gemeente verantwoordelijk.
Wanneer niet bepaald kan worden wat de hoofdoorzaak van de problematiek is, is de gemeente verantwoordelijk voor het treffen van de benodigde voorziening. Om een totaalbeeld te krijgen van de zorgbehoefte van het gezin, wordt een integraal zorgplan opgesteld.
In de volgende tabellen wordt schematisch weergegeven wanneer bepaalde problematiek onder de zorgverzekeringswet of jeugdwet valt:
Binnen het wettelijk kader, blijven er grijze gebieden tussen de Jeugdwet en de Wet Passend Onderwijs, waarin maatwerk moet worden geboden. Onderstaande uitgangspunten zijn hierbij helpend.
Bij een aanvraag voor jeugdhulp voor een jeugdige die (tijdelijk) niet naar school gaat, moet er sprake zijn van vrijstelling of de aanvraag hiervoor loopt. Zonder vrijstelling, of zonder dat deze in aanvraag is, is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Het is dan in de eerste plaats belangrijk dat leerplicht betrokken is/wordt om met ouders in gesprek te gaan over het weer volgen van onderwijs en wat daarvoor nodig is. Indien nodig of gewenst kan de jeugdprofessional van de gemeente, met toestemming van ouders, hierbij aansluiten om mee te denken. De jeugdprofessional van de gemeente beoordeelt in hoeverre de jeugdige jeugdhulp nodig heeft omdat de oorzaak van het niet (volledig) kunnen volgen van onderwijs komt door specifieke problematiek die onder de jeugdwet valt. Voor dat deel wordt jeugdhulp ingezet.
Wanneer een jeugdige nog wel voor een deel naar school kan, maar niet het hele onderwijsprogramma kan meedoen, kan school bij de inspectie vragen om instemming voor afwijking van de onderwijstijd.
Wanneer de inspectie hier toestemming voor geeft, kan school de jeugdige een aangepast onderwijsprogramma aanbieden en is het geoorloofd dat de jeugdige minder uren onderwijs per week krijgt aangeboden.
Als sprake is van een vrijstelling van geregeld schoolbezoek (tijdelijke vrijstelling) dan blijft de leerling ingeschreven op school. De school waar de leerling staat ingeschreven, is verantwoordelijk om hem, waar en zodra mogelijk, een zo goed mogelijke plek in het onderwijs aan te bieden (maatwerkonderwijs op grond van de zorgplicht). De school stelt, in overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectiefplan voor de leerling op. Het is dan ook mogelijk om bijvoorbeeld dagbesteding in te zetten als tijdelijke vervanging van het onderwijs. School kan gepast onderwijs aanbieden op de locatie van de dagbesteding. Hiermee werkt de leerling aan het behalen van leerdoelen. Bij een tijdelijke vrijstelling in verband met problematiek die onder de Jeugdwet valt, is het van belang om te onderzoeken of er ook jeugdhulp nodig is om deze problematiek te verminderen en terugkeer naar onderwijs mogelijk te maken.
Als er een vrijstelling van inschrijving is (reguliere vrijstelling), heeft de school geen zorgplicht meer. Het is dan aan de gemeente om zorg te dragen voor een passende daginvulling voor de jeugdige als dit nodig is om aan de doelen van de Jeugdwet te voldoen (artikel 2.3 Jeugdwet). Daarvoor doet de gemeente eerst zelf nog onderzoek naar de problematiek van de jeugdige en de passende hulp hierbij.
Zoals bovenstaand is genoemd, moeten scholen zorgen voor begeleiding bij leerproblemen.
Huiswerkbegeleiding is dan ook geen vorm van jeugdhulp, omdat huiswerkbegeleiding primair is gericht op het leerproces.
In de Jeugdwet wordt jeugdhulp omschreven als ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen (en hun ouders) bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen.
Huiswerkbegeleiding valt niet onder deze omschrijving, omdat huiswerkbegeleiding gericht is op het doorlopen van het onderwijsprogramma.
Als de hulpvraag is gericht op het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven kan deze wel onder de Jeugdwet vallen, alleen kan huiswerkbegeleiding nog steeds geen onderdeel zijn van die bredere begeleiding. Voor dat deel is school verantwoordelijk en wanneer ouders meer willen bieden aan hun kind dan wat school redelijkerwijs biedt, zijn ouders hier zelf voor verantwoordelijk om te organiseren of te betalen (o.a. zelf bieden, huiswerkbegeleiding in een buurthuis, vrijwilliger, etc.)
Het bieden van passend onderwijs voor iedere leerling is een wettelijke taak van scholen en samenwerkingsverbanden. Particuliere scholen vallen niet onder de Wet Passend Onderwijs en zijn zelf verantwoordelijk voor het bieden van de juiste ondersteuning aan hun leerlingen. De gemeente speelt hier geen rol in. De gemeente is wel verantwoordelijk voor het bieden van jeugdhulp aan leerlingen die op een particuliere school zitten. De ondersteuning is dan niet gericht om deelname aan het onderwijs mogelijk te maken, maar is gericht op ondersteuning die samenhangt met opvoed- en opgroeiproblematiek.
Scholen zijn verantwoordelijk voor het bieden van lees- en spellingonderwijs. Ook de ondersteuning die hierbij nodig kan zijn maakt onderdeel uit van de basisondersteuning die iedere school moet geven. Hierbij wordt gewerkt met de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie voor het basisonderwijs.
De gemeente is verantwoordelijk voor de diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie (ED). Het gaat hierbij om jeugdigen in het basisonderwijs. De behandeling kan in het voortgezet onderwijs doorlopen op voorwaarde dat de behandeling is gestart in het basisonderwijs.
Bij ED is er geen sprake van verdere problematiek die het dyslexie-onderzoek of de behandeling kan belemmeren. Voordat een jeugdige kan starten met een onderzoek of behandeling van ED, moet een bijkomende stoornis niet langer belemmerend zijn. Dit wordt bepaald door de behandelend arts of behandelaar.
Onderstaand is het onderscheid tussen de verantwoordelijkheden van scholen en de gemeente m.b.t. dyslexie weergegeven:
Het beleid dat gericht is op passend onderwijs is bedoeld voor leerlingen met specifieke leerbehoeften. Hieronder vallen ook leerlingen met dyslexie, dyscalculie, faalangst, autisme, ADHD of hoogbegaafdheid. Het bieden van passend onderwijs aan deze leerlingen is een taak van de school en het samenwerkingsverband.
Naast de specifieke leerbehoeften kan er sprake zijn van andere ondersteuningsbehoeften waarvoor wel jeugdhulp kan worden ingezet. Samenwerking tussen gemeente en samenwerkingsverbanden is hierbij het uitgangspunt.
In het ontwikkelperspectiefplan (OPP) wordt beschreven welke concrete doelen er gerealiseerd moeten worden met de jeugdige om het onderwijs voort te zetten. De school stelt het OPP op, samen met de ouders van de leerling.
Voor de bepaling van stage lopen is het uitstroomprofiel van de leerling van belang. Dit is opgenomen in het OPP.
Van een school mag niet verwacht worden dat deze structureel individuele begeleiding biedt aan een jeugdige.
Als het gedrag van een jeugdige de omgang met andere leerlingen bemoeilijkt, kan individuele begeleiding vanuit de Jeugdwet worden ingezet. Dit kan aan de orde zijn bij bijvoorbeeld een jeugdige met een beperking die meer dan gebruikelijk toezicht en/of aansturing nodig heeft in ‘vrije situaties’, zoals buitenspelen of gymles.
Bij dit soort lessen/activiteiten is er een minder strakke structuur en is er sprake van een ander soort (leer)omgeving. Dit kan van invloed zijn op het gedrag van jeugdigen met een hulpvraag.
Uitgangspunt is dat het leren voor iedereen doorgang kan vinden. Onderstaand is dit verder toegelicht:
De middelen die beschikbaar zijn voor extra ondersteuning in het (speciaal) onderwijs zijn in eerste instantie bedoeld voor onderwijsondersteuning, niet voor zorg. Om het bieden van zorg vanuit een onderwijsinstelling mogelijk te maken, moet deze gekoppeld zijn aan onderwijsactiviteiten.
Deze zorg wordt dan (deels) gefinancierd vanuit de Wet Passend Onderwijs, zoals in onderstaande tabel verder is uitgewerkt. Voor dit deel van de persoonlijke verzorging is de Wet Passend Onderwijs voorliggend op de Jeugdwet.
Wanneer een leerling naast de bovengenoemde zorg meer verpleging of persoonlijke verzorging nodig heeft, kan deze geboden worden door de zorgverzekeraar of gemeente. Verpleging is altijd de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar.
Tabel: aftrek aantal minuten zorg per week, per grondslag, voor de functie PV
* Het onderwijs is verantwoordelijk voor het aantal minuten dat in deze tabel genoemd staat.
Voor buitenschoolse opvang gelden de volgende uitgangspunten:
Wanneer de jeugdige tijdens de naschoolse opvang extra begeleiding nodig heeft, buiten wat BSO+ kan bieden, kan deze begeleiding onder de Jeugdwet vallen. De begeleiding wordt noodzakelijk geacht wanneer deze verband houdt met opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen en hierdoor niet past binnen de doelgroep van de reguliere naschoolse opvang. De BSO+ voorzieningen in de regio zijn hieraan voorliggend.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-62797.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.