Gemeenteblad van Gulpen-Wittem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gulpen-Wittem | Gemeenteblad 2026, 62505 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gulpen-Wittem | Gemeenteblad 2026, 62505 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2026
De gemeenteraad van Gulpen-Wittem,
het voorstel BDO11 van het college van burgemeester en wethouders d.d. dinsdag 16 december 2025;
artikel 149 van de Gemeentewet.
de Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2026 vast te stellen, zoals hierna volgt:
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen
Aan een vergunning, ontheffing of overige (toestemmings)besluiten kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning, ontheffing of overig (toestemmings)besluit is vereist.
De aard van de vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen, ontheffingen of andere (toestemmings)besluiten is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen, ontheffingen of andere (toestemmings)besluiten overtreft.
HOOFDSTUK 2. WEGEN EN OMGEVING
Afdeling 1. BRUIKBAARHEID TEN AANZIEN VAN DE WEG
Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan de weg
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 m strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer, dan wel zo breed mogelijk indien van oudsher een smallere doorgang bestaat.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:1a Maken van foto- en/of filmopnames
Afdeling 2. VEILIGHEID OP DE WEG
Artikel 2:3 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:4 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
HOOFDSTUK 3. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1. VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING
In deze afdeling wordt verstaan onder:
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 3:2 tot en met 3:6 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
Artikel 3:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 (artikel 22.63 tot en met 2.69 Bruidsschat) van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.239 Bruidsschat) gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
Artikel 3:3 Melding incidentele festiviteiten
Het is toegestaan in een horecainrichting om maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 2.69 Bruidsschat), niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voorafgaand aan de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Het is toegestaan in een inrichting, niet zijnde horeca-inrichting, toegestaan om maximaal 2 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 2.69 Bruidsschat) en artikel 3:7, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voorafgaand aan de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.239 Bruidsschat) niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
Artikel 3:5 Voorschriften collectieve en incidentele festiviteiten in inrichtingen
Het is verboden een incidentele of collectieve festiviteit binnen een inrichting te organiseren, toe te laten dan wel feitelijk te leiden indien de houder van de inrichting verzuimt de hiernavolgende voorschriften na te leven:
Ten tijde van een incidentele of collectieve festiviteit dient het ten gehore brengen van extra muziekgeluid/geluid – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 22.69 Bruidsschat) - uiterlijk om 23:00 uur en op vrij-, zaterdagen en erkende feestdagen om 01:00 uur te zijn beëindigd.
De aanwijzing van een collectieve festiviteit als bedoeld in artikel 3:2, dan wel de melding van een incidentele festiviteit, als bedoeld in artikel 3:3 is niet van toepassing op een buitenterrein of terras, behorende bij een inrichting.
Artikel 3:7 Geluidhinder in de openlucht
Het college kan terreinen aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.
Artikel 3:8 (Geluid)hinder door dieren
Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit voor omwonenden of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.
Artikel 3:9 (Geluid)hinder door motorvoertuigen en bromfietsen
Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.
Afdeling 2. HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN
Artikel 3:13 Aanvraag vergunning
De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.
Artikel 3:14 Weigeringsgronden
Artikel 3:16 Herplant-/instandhoudingsplicht
Als wordt gehandeld in strijd met artikel 3:12, eerste lid of de boom dan wel houtopstand op een andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom/houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een gestelde termijn.
Indien houtopstand waarop artikel 3:12, eerste lid van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:
Artikel 3:17 Afstand van de erfgrenslijn
De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.
Artikel 3:18 Bestrijding van boomziekten
Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:
Afdeling 3. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN (STANK)OVERLAST
Artikel 3:20 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:
Afdeling 4. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREIN
In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
HOOFDSTUK 4. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE
Afdeling 1. PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD
Artikel 4.4 Defecte voertuigen
Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 4.6 Kampeermiddelen, aanhangwagens, keetwagens e.a.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben binnen de bebouwde kom op de weg of op een andere door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
Artikel 4:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.
Artikel 4:11 Overlast van fietsen of bromfietsen
Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Artikel 4:12 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving
Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd (hierna: de inzameling) als:
Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.
Artikel 4:17 Toestemming rechthebbende
Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 4:19 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 4:20 Beschadigen van waterstaatswerken
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.
Afdeling 6. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Artikel 4:24 Beperking verkeer in natuurgebieden
Afdeling 8. VERSTROOIING VAN AS
In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
HOOFDSTUK 5 INZAMELING AFVALSTOFFEN
Afdeling 2. HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN
Artikel 5:5 Aanwijzing van inzamelplaats
Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.
Artikel 5:9 Tijdstip van aanbieding
Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.
Afdeling 3. BEDRIJFSAFVALSTOFFEN
Artikel 5:11 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door afvalstoffendienst
Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 5:3, in gevallen waarin de voor deze inzameling verschuldigde reinigingsheffing is voldaan.
Artikel 5:12 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen
Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 5:11 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5:5, achter te laten.
Afdeling 4. ZWERFAFVAL EN OVERIGE
Artikel 5:16 Zwerfafval rondom inrichtingen
Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.
Artikel 5:17 Afval en verontreiniging op de weg
Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.
Artikel 5:18 Geen opslag van afval in de openlucht
Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan wanneer in overeenstemming met afdeling 2 van dit hoofdstuk.
Artikel 5:19 Ontdoen van autowrakken
Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Afdeling 4a. KADAVERS EN GEZELSCHAPSDIEREN
Artikel 5:19a Kadavers van gezelschapsdieren
Het vijfde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.
In dit hoofdstuk en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:
Artikel 6:2 Gemeentelijk erfgoedregister
Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens dit hoofdstuk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.
Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens:
over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;
Afdeling 2. AANWIJZING GEMEENTELIJK BESCHERMD CULTUURGOED OF GEMEENTELIJK BESCHERMDE VERZAMELING
Artikel 6:3 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Het college kan besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.
Het college kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.
Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.
Artikel 6:4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling
Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6:3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6:3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
Afdeling 3. AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT
Artikel 6:11 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument
Afdeling 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 6:10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.
Artikel 6:12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument
Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.
Afdeling 4. BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT
Artikel 6:13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument
Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.
Artikel 6:14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument
Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.
Afdeling 5. AANWIJZING GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT
Artikel 6:16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 6:17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht
De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6:16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.
Afdeling 6. VANGNET ARCHEOLOGIE
Artikel 6:19 Vangnet archeologie
Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:
het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;
HOOFDSTUK 7 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR
Afdeling 1. ALEGEMENE BEPALINGEN
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
kabels en leidingen: kabels en/of leidingen als onderdeel van een net(werk), daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken; voorbeelden van deze kabels en leidingen zijn kabels als bedoelt in de Telecommunicatiewet, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen (transport-, distributie- en dienstleidingen), waterleidingen, rioleringen (buizen) en kabels en leidingen ten behoeve van industriële netwerken;
openbare gronden: openbare ruimte van de gemeente, waaronder openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. Ook wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor iedereen toegankelijk zijn, horen hierbij;
werkzaamheden: handmatige en mechanische (graaf)werkzaamheden in de openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen, en daarnaast alle werkzaamheden die de gemeente uit hoofde van haar functie als beheerder van openbare grond in het kader van kabels en leidingen dient uit te voeren.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de procedures en voorschriften voor het aanleggen, instandhouden en opruimen van kabels en leidingen in of op openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in bezit heeft dan wel daarover coördinatieverplichtingen heeft conform de Telecommunicatiewet en de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Afdeling 2. AANVRAGEN EN MELDEN VAN GRAAFWERKZAAMHEDEN
Artikel 7:4 Instemmingvereiste (aanvragen en melden)
Het is een netbeheerder, of haar gemachtigde hoofdaannemer verboden zonder of in afwijking van een door het college genomen instemmingbesluit of zonder melding als bedoeld in het derde lid, omtrent plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden, medegebruik van voorzieningen en de afstemming van voorgenomen werkzaamheden met overige netbeheerders, kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen.
Behoudens voor zover artikel 5.5 van de Telecommunicatiewet van toepassing is, wordt, wanneer de werkzaamheden mede betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, uiterlijk vier werkweken na ontvangst van de instemmingaanvraag, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n).
Artikel 7:5 Gegevensverstrekking
Als de werkzaamheden betrekking hebben op kabels en leidingen van elektronische communicatienetwerken dient, aanvullend op het tweede lid, bij de instemmingaanvraag tevens, bij een eerste aanvraag een kopie van de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) afgegeven registratie te worden verstrekt.
Bij een melding, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:
naam, adres en woonplaatsgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels en/of leidingen, naam en adres van de aannemer(s) en onderaannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, evenals de naam en telefoonnummer van de uitvoerder, zijnde een Nederlands sprekende contactpersoon voor de werkzaamheden;
Een beslissing op een aanvraag voor een instemmingbesluit wordt genomen uiterlijk twee werkweken na de dag van ontvangst van de instemmingaanvraag. Betreft het een instemmingaanvraag waarbij meerdere gedoogplichtigen zijn betrokken dan beslist het college binnen acht werkweken na de dag van ontvangst van een instemmingaanvraag.
Artikel 7:7 Voorschriften en beperkingen
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7kan college aan het instemmingbesluit nadere voorschriften of beperkingen verbinden in het belang van:
de ondergrondse ordening, waaronder mede wordt verstaan het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor reeds in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken (hieronder valt mede werken ten behoeve van de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit).
Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet, worden voor de uitgifte van instemmingbesluiten marktconforme tarieven in rekening gebracht aan die verzoekers die vallen onder het regiem van de Telecommunicatiewet. Deze marktconforme kosten, ten behoeve van de uitgifte van een instemmingsbesluit, zijn aangegeven in het Handboek.
Indien binnen één jaar na groot onderhoud of herinrichting van openbare gronden een grondroerder werkzaamheden moet uitvoeren, verlangt het college specifiek schadeherstel ten einde de situatie terug te brengen in de “oude staat”. De hiermee gepaard gaande marktconforme kosten zijn voor rekening van de grondroerder.
Artikel 7:8 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg
Een grondroerder dient op verzoek van het college bij de aanleg van kabels en leidingen in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik te maken van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen. Indien dit technisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid.
Het vooroverleg als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dan wel een door het college geïnitieerd overleg naar aanleiding van een instemmingaanvraag als bedoeld in artikel 7:4, eerste lid, is er mede op gericht te bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
Afdeling 3. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 7:9 Verleggingen kabels en leiding van nutsvoorzieningen en telecom
Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen die ten dienste staan van een netwerk ten behoeve van nutsvoorzieningen, niet zijnde de kabels zoals bedoeld in het eerste lid, in of op openbare gronden, waaronder het verplaatsen, gelden de volgende bepalingen, tenzij en voor zover daarover andersluidende afspraken zijn overeengekomen tussen partijen:
de netbeheerder is verplicht op aanwijzing van de gemeente over te gaan tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen ten dienste van zijn netwerk, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente;
Artikel 7:12 Niet-openbare kabels en leidingen
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het college op een aanvraag om een instemmingbesluit verlenen voor de aanleg van een ander netwerk dan een openbaar telecommunicatiewerk of een omroepnetwerk, indien krachtens een door de aanvrager bij de aanvraag over te leggen overeenkomst tussen de aanvrager en aanbieder:
Als de overeenkomst/instemmingsbesluit waarin de ligging van het netwerk is vastgelegd wordt beëindigd, kan het netwerk door of van wegen de gemeente worden verwijderd. Met het oog hierop betaalt de aanvrager bij de instemmingaanvraag een verwijderingsbijdrage aan de gemeente overeenkomstig een marktconform tarief.
HOOFDSTUK 8 SANCTIE- OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Overtreding van enige bepaling van deze verordening en de op grond van artikel 1:3 of overige artikelen daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.
De Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2024, eerste wijziging wordt ingetrokken op het moment dat deze verordening in werking treedt.
Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Gulpen-Witten op donderdag 5 februari 2026 in Gulpen.
de griffier,
dhr. mr. R. Reichrath
de burgemeester,
mw. ing. N.H.C. Ramaekers – Rutjens
In deze verordening komen vier toestemmingsstelsels voor:
Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk.
Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in beginsel geen bezwaar tegen de activiteit. De gemeente wil de regie op de activiteiten houden. Binnen deze verordening zijn er verschillende soorten vergunningen. Namelijk de omgevingsvergunningen en de overige vergunningen. Een voorbeeld van een omgevingsvergunning is de uitwegvergunning (artikel 2:2) en de kapvergunning (artikel 3:12). Een voorbeeld van een overige vergunning is de standplaatsvergunning. Om dit onderscheid goed te kunnen maken wordt in deze verordening gesproken over omgevingsvergunning en vergunningen. Er is dus op grond van deze verordening alleen sprake van een omgevingsvergunning als dit ook zo daadwerkelijk wordt genoemd.
Bij de overige toestemmingen is dezelfde systematiek van toepassing als bij een vergunning.
Bij een meldingsstelsel bestaat er al dan niet een verbod, maar bestaat er geen bezwaar tegen de activiteit als zodanig. Om grip en regie te houden, stelt de gemeente een melding verplicht.
Artikel 1:2, eerste lid (Beslistermijn)
In sommige gevallen gelden andere termijnen. Bijvoorbeeld bij het instemmingsbesluit op grond van artikel 7:4.
Artikel 1:3 (Voorschriften en beperkingen)
In dat geval gelden de termijnen zoals opgenomen in de Omgevingswet. Bij een Omgevingsvergunning is o.a. de termijn voor verlengen 6 weken in plaats van acht weken.
Artikel 2:1 (Voorwerpen op of aan de weg)
In de nadere regels wordt uitgelegd aan welke voorschriften moet worden voldaan, zodat het verbod niet van toepassing is. Dus als aan de nadere regels wordt voldaan mogen de voorwerpen worden geplaatst.
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld onder oud artikel 2.2, eerste lid, onder j en k Wabo (opslaan roerende zaken). Het gaat dan om het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente of provincie. Opslaan van roerende zaken verwijst naar het stallen of bewaren van verplaatsbare voorwerpen die niet vastzitten aan een gebouw of grond. Afhankelijk van de situatie en de locatie kan een omgevingsvergunning nodig zijn voor het opslaan van roerende zaken, vooral als dit op de openbare weg of in de open lucht gebeurt.
Door deze bepaling is het verbod niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk als daarover al regels gelden op grond van de Omgevingswet, Provinciale Omgevingsverordening of de Waterschapsverordening. Op deze manier wordt voorkomen dat zaken dubbel worden geregeld.
Artikel 2:1a Maken van foto- en/of filmopnames
Kortdurende foto- en/of filmopnames door de pers vallen overigens buiten dit artikel. Persvrijheid is namelijk een grondrecht. De pers wordt op overlast in algemene zin gecontroleerd.
Deze brief bevat informatie over waarvoor de opnames plaatsvinden en de data en begin- en eindtijd (inclusief op- en afbouw). De brief heeft een ruim verspreidingsgebied, namelijk: de straat van de filmlocatie, inclusief de omliggende straten, onder andere waar wordt geparkeerd.
Als toestemming wordt verkregen is de melder zelf verantwoordelijk voor het organiseren, plaatsen en verwijderen van de bebording.
Het is de verantwoordelijkheid van de melder om dergelijke vergunningen/ontheffingen en overige toestemmingen aan te vragen. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan een:
Artikel 2:2 (maken of veranderen van een uitweg)
In artikel 22.297 van de bruidsschat zijn de indieningsvereisten hiervoor opgenomen. Deze luiden als volgt:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De rechtspraak van de Afdeling laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt.
Met deze bepaling wordt o.a. gerealiseerd dat parkeren in voortuinen wordt verboden. In dat geval wordt een uitweg dus niet toegestaan.
Artikel 3:5 Voorschriften collectieve en incidentele festiviteiten
De Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals en de Vereniging van Evenementenmakers hebben met de Nationale Hoorstichting afgesproken om maatregelen te nemen op muzieklocaties. Hierbij is de grens gesteld op maximaal 103 decibel. Het is daarom ook een afspraak die de concertzalen en festivals zelf maken, en dus geen wettelijke bepaling is. Hoewel het geluidsniveau niet wettelijk gereguleerd is en slechts een afspraak betreft, is het als overheid wenselijk om deze afspraken te hanteren als richtlijn. Daarom is dan ook de norm van 102 dB(A) opgenomen. Opmerking verdient wel dat dit de norm is bij de front of house (mengtafels muziek midden in de zaal of tent).
De meet- en rekenmethode voor industrieel geluid is gespecificeerd in de Omgevingsregeling, Bijlage IVh. Er is voor deze meetmethode gekozen, omdat dit de nieuwste wetgeving betreft en aansluit op de beleving van geluid in zijn algemeenheid.
HOOFDSTUK 7 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR
Afdeling 1. Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk zijn bepalingen over het breekverbod opgenomen die het college de bevoegdheid geven een verbod op te leggen tot uitvoering van breekwerkzaamheden bij extreme weersomstandigheden. Dit ter voorkoming van schade door deze werkzaamheden.
De gemeentelijke betrokkenheid is vooral gericht op haar rol als beheerder van de openbare gronden. Hiertoe worden conform wettelijke omschrijving gerekend de openbare wegen inclusief trottoirs/voetpaden, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, duikers, tunnels, beschoeiingen en andere werken, alsmede wateren inclusief bruggen, plantsoenen en pleinen, die voor ieder toegankelijk zijn. In deze hoedanigheid is de gemeente voor wat betreft de elektronische openbare communicatienetwerken gedoogplichtige althans voor zover van toepassing conform de Telecommunicatiewet. Het begrip gedoogplichtige slaat tevens op andere partijen die krachtens de Telecommunicatiewet gedoogplichtig zijn en op partijen en rechtspersonen die krachtens de Belemmeringenwet Privaatrecht gedoogplichtig zijn. Gedoogplichtigen moeten de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen toestaan in en op hun gronden.
De grondroerder is de partij die daadwerkelijk de graafwerkzaamheden verricht of laat verrichten. Dit zal veelal een aannemer of installateur zijn, maar kan ook een interne afdeling van een netbeheerder betreffen als die dergelijke werkzaamheden zelf uitvoeren. Indien een grondroerder namens een netbeheerder optreedt, wordt nu expliciet naar een machtiging gevraagd, dit ter wille van rechtszekerheid en rechtsgeldigheid. Ook kan de grondroerder een partij zijn die voor eigen naam en rekening netwerken aanlegt, maar niet zelf exploiteert en het netwerk of netwerkcapaciteit daarna verhuurt of verkoopt. De grondroerder is verplicht om over een instemmingsbesluit te beschikken voor aanvang van de werkzaamheden.
De grondroerder is gehouden een melding van de voorgenomen graafwerkzaamheden te verzorgen richting het college en eventuele overige betrokken partijen.
Onderdeel f, Instemmingsbesluit:
Werkzaamheden als bedoeld in dit hoofdstuk dienen steeds (in principe) vooraf kenbaar te worden gemaakt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen reguliere (graaf)werkzaamheden, werkzaamheden van minder ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing. Voor de reguliere (graaf)werkzaamheden en werkzaamheden van minder ingrijpende aard geldt dat pas gestart mag worden met die werkzaamheden als op basis van een aanvraag een instemmingsbesluit is verleend of daarvoor een melding is ingediend.
Onderdeel g: Kabels en leidingen
De regels over ondergrondse infrastructuur ziet enerzijds op netwerken bestaande uit fysieke kabels en/of leidingen inclusief ondergrondse ondersteuningswerken (zoals mantelbuizen, kabelgoten, handholes, lasdozen, duikers), beschermingswerken, signaalinrichtingen (zoals optische en elektrische versterkers en kasten) en dergelijke en anderzijds op componenten voor het verbinden van kabels en leidingen in de openbare grond met die in de gebouwen. Inhoudelijk en procedureel is geen onderscheid gemaakt in de begrippen kabels en leidingen.
De definitie is afgeleid van de omschrijving zoals die gehanteerd wordt in de Wet Informatie- uitwisseling Boven en Ondergrondse Netten. De omschrijving maakt met name duidelijk dat het om ondergrondse netten gaat, en dan zowel de distributie- en transportnetten voor energie (gas, water, elektriciteit, riool) als de elektronische communicatienetwerken (zoals specifiek geregeld in en krachtens de Telecommunicatiewet).
In de tekst wordt geen inhoudelijk onderscheid gemaakt tussen de termen net en netwerk.
Het begrip netbeheerder wordt gehanteerd als uniforme term voor enerzijds de beheerders van de netten voor de levering van energie en anderzijds de aanbieders van (niet-)openbare elektronische communicatienetwerken. Veelal zal de netbeheerder in het geval van voorgenomen graafwerkzaamheden de rol van opdrachtgever op zich nemen. In aansluiting bij de recente wet- en regelgeving op het gebied van graafrechten wordt de opdrachtgever meer dan voorheen medeverantwoordelijk gehouden voor een juiste uitvoering en naleving van de rechten en verplichtingen met betrekking tot graafwerkzaamheden.
Hoewel gezien de consequenties ervan de regels van de ondergrondse infrastructuur met name betrekking hebben op mechanische werkzaamheden, vallen handmatige werkzaamheden er ook onder. Voor zover die beperkt van karakter zijn, zullen ze overigens veelal betrekking hebben op de separaat onderscheiden categorieën spoedeisende werkzaamheden of minder ingrijpende werkzaamheden. Tot de werkzaamheden die de regels over ondergrondse infrastructuur betreffen behoren eveneens de werkzaamheden in verband met het medegebruik van voorzieningen, zoals dat van kabelgoten of geleidingen. Vanuit de te behartigen belangen kan het nastreven of voorschrijven van medegebruik door het college gestimuleerd worden.
Dit hoofdstuk geeft invulling aan de wettelijke verplichting voor de gemeente om bij verordening op te stellen over de werkzaamheden.
Vooralsnog is niet voorzien in een algemene wettelijke grondslag voor een vergelijkbare regeling voor de energienetten. Daarom wordt vooruitlopend op mogelijke toekomstige nationale basisregelgeving hiermee voorzien in uniforme, lokale afspraken met daarbij een zo gelijk mogelijke behandeling van beheerders/aanbieders van deze infrastructuren. Dit vereist wel afstemming met de (al dan niet) contractuele afspraken tussen de gemeente en de beheerders van de energienetten.
De feitelijke situatie is dat de fysieke ondergrond vol raakt met een veelheid aan kabels en leidingen en dit noodzaakt tot betere afstemming van werkzaamheden en belangen.
De gemeente heeft contractuele afspraken met de netwerkbedrijven Enexis en WML. Deze contractuele afspraken zijn vastgelegd in de OGN 2021.
Voor Enexis en WML staat de inhoud van de van toepassing zijnde OGN2021 in rangorde boven de inhoud van deze verordening. Dit hoofdstuk heeft dus een aanvullende werking op de OGN2021 voor Enexis en WML.
Artikel 7:3 Nadere regels en nadere uitwerking
Het college krijgt de mogelijkheid toegekend door de raad om in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk vast te stellen. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen, het medegebruik van voorzieningen en het opstellen van voorschriften op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven.
Het college heeft de bepalingen in dit hoofdstuk nader uitgewerkt in het “Handboek Kabels en Leidingen 2019 gemeente Gulpen-Wittem”. Verwijzingen naar het handboek worden ook geacht betrekking te hebben op door het college vastgestelde toekomstige versies.
Afdeling 2. Aanvragen en melden van graafwerkzaamheden
Artikel 7:4 Instemmingsvereiste (aanvragen en melden)
Het in de Telecommunicatiewet wettelijk vastgelegde principe van graafrechten in relatie tot de vereiste instemming van het college is vertaald in dit artikel en wordt toegepast op alle werkzaamheden. Conform het wettelijk bepaalde geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden.
Het reguleringsonderscheid tussen reguliere werkzaamheden en werkzaamheden van minder ingrijpende aard wordt duidelijk als dit artikel wordt gelezen in samenhang met het “Handboek Kabels en Leidingen 2019 gemeente Gulpen-Wittem”. Tot de minder ingrijpende werkzaamheden behoren werkzaamheden waarvoor slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht, en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een lengte van de kabels en leidingen korter of gelijk aan 25 meter gehanteerd.
De voorgenomen werkzaamheden moeten via een aanvraag aan het college worden kenbaar gemaakt. Voor spoedeisende werkzaamheden en storingen wordt een uitzondering gemaakt. Deze dienen voor aanvang van de werkzaamheden gemeld te worden. De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt echter niet als werkzaamheden dienen te worden verricht in door het college aan te wijzen gebieden.
In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen (graaf)werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op gronden van andere gedoogplichtigen. Dit kunnen andere instanties of rechtspersonen zijn. Ook kan de situatie aan de orde zijn dat er naast het instemmingsbesluit ook nog andere vergunningen aangevraagd moeten worden voor aanvang van de werkzaamheden. De grondroerder is allereerst zelf verantwoordelijk voor afstemming en overeenstemming tussen al deze partijen. Echter als de grondroerder dat verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven. De grondroerder blijft zelf verantwoordelijk voor de afstemming met private partijen. De grondroerder doet een terugkoppeling aan het college over de uitkomst van het overleg dat is gevoerd met alle betrokken gedoogplichtigen.
Artikel 7:5 Gegevensverstrekking
In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag dient te worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Duidelijk is ook gemaakt dat instemming steeds op aanvraag van de verzoekende partij zal plaatsvinden en niet op eigen initiatief van de gemeente.
De aanvraag dient te worden gedaan via een door het college aangewezen digitaal platform. Voor aanvragen voor minder ingrijpende werkzaamheden hoeven slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen moeten meer gegevens verstrekt worden. Het vereiste dat een aanvraag aangetekend verstuurd moet worden is niet als uniforme eis opgenomen. De verzending is voor risico van de grondroerder. Het kan in het belang van de verzoekende partij zijn om via aangetekende verzending duidelijkheid te hebben over datum en tijd van de verzending.
De beslistermijn van het college is maximaal acht weken en is afgeleid uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Op grond van de Awb is een gemeente verplicht binnen een redelijke termijn een besluit te nemen, waarbij die redelijke termijn geacht te zijn verstreken na verloop van acht weken. In navolging van de Wet Dwangsom en Beroep moet een gemeente zich bewust zijn van het belang van de voortgang van de activiteiten en zich inspannen om de termijn tot besluitvorming zo kort mogelijk te houden. Dit geldt met name voor aanvragen voor minder ingrijpende werkzaamheden. Het college kan onder bepaalde voorwaarden de termijn tot besluitvorming verlengen of opschorten.
Artikel 7:7 Voorschriften en beperkingen
Grondroerders moeten aan een aantal verplichtingen voldoen indien zij werkzaamheden gaan verrichten als bedoeld in dit hoofdstuk. Daarnaast kan het college aan het instemmingsbesluit aanvullende voorschriften of beperkingen verbinden. Omwille van de uniformiteit is in dit artikel geregeld onder welke voorwaarden dit kan en welke soort voorschriften en beperkingen dit zijn. De voorschriften hebben vooral te maken met de wijze van uitvoering en zijn gericht op de (deels wettelijk vastgelegde) belangen die de gemeente geacht wordt te behartigen.
Artikel 7:8 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg
Dit artikel beschrijft dat een grondroerder op verzoek van een gedoogplichtige verplicht is gebruik te maken van reeds aanwezige voorzieningen indien deze tegen een marktconforme prijs worden aangeboden. Het doel hiervan is te voorkomen dat onnodig gegraven wordt in gemeentegrond. De verplichting tot medegebruik wordt opgenomen in het instemmingsbesluit.
Afdeling 3. Overige bepalingen
Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, waaronder het verplaatsen, op verzoek van de gemeente zijn de wettelijke regels van de Telecommunicatiewet van toepassing.
Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen die ten dienste staan van een netwerk ten behoeve van nutsvoorzieningen in of op openbare gronden, waaronder het verplaatsen, gelden de in het tweede lid geformuleerde bepalingen, tenzij en voor zover daarover andersluidende afspraken zijn overeengekomen tussen partijen.
Het college is bevoegd een breekverbod in te stellen als er sprake is van extreme weersomstandigheden. Een afweging die gemaakt wordt is de kans op de omvang van schade aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat het breekverbod geldt gecommuniceerd naar de betrokken grondroerders. In ieder geval één dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit medegedeeld aan de betrokken grondroerders. Ten tijde van het breekverbod mogen er op geen enkele wijze breek- en/of graafwerkzaamheden plaatsvinden in de grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het breekverbod niet van toepassing. Overtreding van het breekverbod leidt tot stillegging van het werk.
Het zakelijk karakter van de verkregen instemming is gewenst zodat ook een nieuwe netbeheerder, die gebruik maakt van de kabel en/of leiding de betreffende graafrechten heeft, maar ook gehouden is aan de geldende voorschriften. Het college moet op de hoogte gesteld worden van het feit dat het eigendom wordt overgedragen. De wettelijke bepalingen zijn van toepassing op het eigendom van kabelnetwerken in grond van anderen.
Artikel 7:12 Niet-openbare kabels en leidingen
Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in dit hoofdstuk in beginsel van overeenkomstige toepassing zoals beschreven in dit artikel.
Afdeling 4. Handhavings- en toezichtbepalingen
Artikel 7:13 Toezicht en handhaving door ambtenaren
In dit artikel wordt verwezen naar artikel 8:2. Dat betekent dat het college ambtenaren kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens dit hoofdstuk in deze verordening.
Artikel 7:15 Handhaving en sancties
Afgezien van voornoemde preventieve en vooral correctieve of repressieve acties kan het college in voorkomende gevallen ook ingrijpen in het lopende proces en werkzaamheden (onder bepaalde voorwaarden) ook tijdelijk stil leggen. In dit artikel staat beschreven in welke gevallen dit kan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-62505.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.