Besluit van de raad van de gemeente Amstelveen tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Amstelveen

Zaaknummer: Z23-075049

 

De raad van de gemeente Amstelveen;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 oktober 2025;

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;

besluit:

Artikel I

De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Amstelveen wordt als volgt gewijzigd:

 

1. Artikel 2:12 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    • a.

      indien door een uitrit onveiligheid op de weg ontstaat of wordt vergroot;

    • b.

      indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    • d.

      indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

     

2. Artikel 2.49b wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 2:49b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

  • a.

    Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  • b.

    Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

  • c.

    Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2a. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of/en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied (ernstige) overlast dreigt, ondermijnende activiteiten plaatsvinden of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar oordeel van de burgemeester (ernstige) overlast dreigt, de betreffende bedrijfsactiviteit ondermijning veroorzaakt of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsactiviteit onder druk staat.

 

3. Artikel 4.1 lid f en g worden als volgt gewijzigd:

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

f. Geluidgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

g. vervallen

 

4. Artikel 4:10, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 4:10 Begripsomschrijvingen

2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

 

5. Artikel 4.11 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1.

    Het college stelt een Waardevolle bomenlijst vast waarop de beschermingswaardige particuliere bomen in de gemeente worden vermeld.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde Waardevolle bomenlijst.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

    a. de afmetingen van de houtopstand;

    b. de ecologische waarde van de houtopstand;

    c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

    d. de dendrologische waarde van de houtopstand;

    e. de beeldbepalende waarde van de houtopstand of

    f. de verschijningsvorm van de houtopstand.

     

6. Artikel 4:11A wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 4:11A Bestrijding van boomziekten

  • 1.

    Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boom-ziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college verplicht binnen de door haar daarbij te stellen termijn van 10 werkdagen:

    • a.

      de houtopstand te vellen bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

    • b.

      de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

    • c.

      de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen door een erkend recyclingbedrijf of zodanig te behandelen door een erkend recyclingbedrijf, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;

    • d.

      in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen;

    • e.

      alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantgezondheidswet gesteld.

    • f.

      tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen.

  • 2.

    Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ont-bast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    Het gestelde in het eerste lid onder sub c geldt eveneens voor geveld en gezond iepenhout.

     

7. Artikel 4.12 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 4:12 Afstand tot erfgrens

  • 1.

    De afstand tot de erfgrens van bomen is ten minste 0,5 meter.

  • 2.

    De afstand tot de erfgrens van hagen en heesters is nihil.

 

8. Artikel 5.5, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en/of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

 

Artikel II

Dit besluit treedt in werking op de dag na de bekendmaking.

 

Bijlagen:

Bijlage 1 - was wordt lijst APV.

Bijlage 2 - was wordt toelichting APV 2025.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 10 december 2025.

De griffier,

Debby de Heus

De voorzitter,

Tjapko Poppens

Bijlage 1 - was wordt lijst APV.

 

 

Was/ wordt lijst

In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt.

 

 

 

Artikel 2:12 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. indien door een uitrit onveiligheid op de weg ontstaat of wordt vergroot;

b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voldaan aan de voorwaarden voor een melding. De voorwaarden voor een melding komen overeen met de voorwaarden zoals genoemd onder lid 2 van dit artikel.

4 . Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

 

Nieuwe tekst

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. indien door een uitrit onveiligheid op de weg ontstaat of wordt vergroot;

b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

 

Artikel 2.49b wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 2:49b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2a. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of/en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied (ernstige) overlast dreigt of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar oordeel van de burgemeester (ernstige) overlast dreigt of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of

b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

b. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

d. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

e. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan;

f. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren indien:

a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;

b. De het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;

c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;

d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;

e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of;

f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of;

g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of;

h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of;

i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd.

7. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

12. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

 

Nieuwe tekst

Artikel 2:49b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1. In dit artikel wordt verstaan onder:

Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten;

Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2a. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of/en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied (ernstige) overlast dreigt, ondermijnende activiteiten plaatsvinden of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar oordeel van de burgemeester (ernstige) overlast dreigt, de betreffende bedrijfsactiviteit ondermijning veroorzaakt of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsactiviteit onder druk staat.

3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of

b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

b. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn;

d. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

e. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan;

f. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren indien:

a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of;

b. De het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of;

c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of;

d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of;

e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of;

f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of;

g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of;

h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of;

i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd.

7. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de

vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.

11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.

12. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

 

 

Artikel 4.1 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel. 4.1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting.

 

Nieuwe tekst

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

f. Geluidgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

g. vervallen

 

Artikel 4:10 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 4:10 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

c. iepziekte: een ziekte onder iepen, veroorzaakt door de schimmels Ophiostoma ulmi (synoniem Ceratocystis ulmi) en Ophiostoma novo-ulmi.

2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Nieuwe tekst

Artikel 4:10 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

c. iepziekte: een ziekte onder iepen, veroorzaakt door de schimmels Ophiostoma ulmi (synoniem Ceratocystis ulmi) en Ophiostoma novo-ulmi.

2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

 

 

Artikel 4.11 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1.Het college stelt een Bomenlijst vast waarop de monumentale en andere beschermingswaardige bomen in de gemeente worden vermeld.

2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst vermeld op de in het eerste lid genoemde Bomenlijst.

3.In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

4. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

5. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Nieuwe tekst

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

1.Het college stelt een Waardevolle bomenlijst vast waarop de beschermingswaardige particuliere bomen in de gemeente worden vermeld.

2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde Waardevolle bomenlijst.

3.In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van:

a. de afmetingen van de houtopstand;

b.de ecologische waarde van de houtopstand;

c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

d.de dendrologische waarde van de houtopstand;

e. de beeldbepalende waarde van de houtopstand of

f. de verschijningsvorm van de houtopstand.

4. Het eerste lid is niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

5. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

 

 

Artikel 4:11A wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 4:11A Bestrijding iepziekte

1.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving gestelde termijn van 10 werkdagen:

indien de iepen in de grond staan, deze te vellen bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen door een erkend recyclingsbedrijf of zodanig te laten behandelen door een erkend recyclingsbedrijf dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan vier centimeter, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.

3.Het gestelde in het eerste lid onder sub c geldt eveneens voor geveld en gezond iepenhout.

 

 

Nieuwe tekst

Artikel 4:11A Bestrijding van boomziekten

1.Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college verplicht binnen de door haar daarbij te stellen termijn van 10 werkdagen:

a.de houtopstand te vellen bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

b.de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen bij voorkeur door een erkend boomverzorgingsbedrijf;

c.de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen door een erkend recyclingsbedrijf of zodanig te behandelen door een erkend recyclingsbedrijf , dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;

d.in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen;

e.alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantgezondheidswet gesteld.

f.tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen.

2.Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

4.Het gestelde in het eerste lid onder sub c geldt eveneens voor geveld en gezond iepenhout.

 

 

Artikel 4:12 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 4:12

[vervallen]

 

Nieuwe tekst

Artikel 4:12 Afstand tot erfgrens

De afstand tot de erfgrens van bomen is ten minste 0,5 meter.

De afstand tot de erfgrens van hagen en heesters is nihil.

 

Artikel 5.5 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Art. 5:5 Voertuigwrakken:

1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Nieuwe tekst

Art. 5:5 Voertuigwrakken:

1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en/of in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

 

 

 

 

Bijlage 2 - was wordt toelichting APV 2025.

 

Wijziging toelichting bij artikelen in de APV

 

Artikel 4:10 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 4:10 begripsbepalingen.

 

Nieuwe tekst

Artikel 4:10 begripsbepalingen.

Iedere gemeente kan binnen de bebouwingscontour houtkap eigen regels stellen rondom het kappen van bomen. Buiten de grens van de bebouwingscontour houtkap gelden de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. De bebouwingscontour houtkap is onderdeel van het Bomenplan. Beiden zijn vastgesteld door de raad op 29 januari 2025.

 

 

 

 

 

Artikel 4:11 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

In deze bepaling wordt het element geïntroduceerd: de bomenlijst.

Het vaststellen van een bomenlijst gebeurt door het college i.p.v. door de raad in een bijlage bij de APV. Aanpassingen en wijzigingen kunnen daarmee veel minder omslachtig worden doorgevoerd.

 

Uitgangspunten van deze lijst zijn:

de verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf: d.w.z. voor het inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht;

1.1 duidelijk en inzichtelijk voor de burgers;

1.1 zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in een bestemmingsplan, op het renvooi van de plankaart of in een landschapsbeleidsplan of bomenplan;

1.1 de bomenlijst als bijlage opnemen bij de bepalingen.

 

 

Wabo

De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wabo . Vaak zal naast de vergunning nog een vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet of de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij de Wabo . Er wordt

dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. De Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo . Indien die van toepassing is, blijft dus een aparte vergunning vereist.

In de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen. Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de toelichting bij artikel 1:2 van de APV) zijn er in artikel 7.5 van de Mor nog een aantal speciale

indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen.

Vierde lid, noodkap

De gemeente Amstelveen heeft behoefte aan een duidelijke bevoegdheid om bij onmiddellijk gevaar het kapverbod buiten werking te stellen.

Het zesde lid vermeldt als extra aandachtspunt dat de Boswet van toepassing kan zijn. Ingevolge artikel 15,

derde lid, van de Boswet jo. artikel 121 Gemeentewet of 118 Provinciewet zijn de gemeenteraad en provinciale staten sinds 1 januari 2015 niet meer bevoegd regels te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden die buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Hierop gelden een aantal uitzonderingen. Verwezen wordt naar dit artikel van de Boswet.

Zevende lid, lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)

In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid is dat hier nogmaals opgemerkt. NB! De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van de APV dus niet de vrijheid om te bepalen dat er geen lex silencio van toepassing is!

 

Nieuwe tekst

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

In deze bepaling wordt een element geïntroduceerd: de Waardevolle bomenlijst

Het vaststellen van een Waardevolle bomenlijst gebeurt door het college i.p.v. door de raad in een bijlage bij de APV. Aanpassingen en wijzigingen kunnen daarmee veel minder omslachtig worden doorgevoerd.

 

Uitgangspunten van deze lijst zijn:

De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf voor het inventariseren en actualiseren van het particuliere bomenbestand.

Duidelijk en overzichtelijk voor de inwoners.

Zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in een bestemmingsplan, op het renvooi van de plankaart of in een landschapsbeleidsplan of bomenplan.

De Waardevolle bomenlijst als bijlage op te nemen bij de bepalingen.

 

De regels over het vellen van houtopstanden en herbeplanting en de regels voor de bescherming van vogels en hun nesten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Omgevingsplan.

 

 

 

Artikel 4:11 lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

 

Nieuwe tekst

Artikel 4:11 lid 3

Voor een nadere onderbouwing en specificatie van de weigeringsgronden wordt verwezen naar het door de raad vastgestelde Bomenplan op 29 januari 2025.

Een particuliere boom kan op de Waardevolle bomenlijst komen als deze minimaal voldoet aan de onderstaande drempelcriteria:

Toekomstverwachting: De boom heeft, eventueel na het uitvoeren van beheermaatregelen, een toekomstverwachting van minimaal 10 jaar.

Ontwikkelingsperspectief: De boom kan zich zowel boven als onder de grond goed ontwikkelen. Er zijn geen belemmerende factoren aanwezig.

Leeftijd: De boom heeft een minimale leeftijd van 50 jaar.

Vervolgens wordt de boom getoetst aan de weigeringsgronden voor het vellen van houtopstanden als vermeld in artikel 4:11 lid 3.

 

 

 

Artikel 4:12 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Artikel 4.12 Vergunning van rechtswege

 

[vervallen]

Nieuwe tekst

Artikel 4:12 Afstand tot erfgrens

De afstand tot de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0.5 meter voor bomen en op nihil voor hagen en heesters. Dit maakt het mogelijk om in smalle straten toch te vergroenen .

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven