Gemeenteblad van Meierijstad
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Meierijstad | Gemeenteblad 2026, 54930 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Meierijstad | Gemeenteblad 2026, 54930 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Sociaal Domein Meierijstad 2026
1.1 Waar gaat deze verordening over?
Deze Verordening Sociaal Domein Meierijstad geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:
Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
De gemeente hoeft niet te ondersteunen als de inwoner geholpen kan worden op grond van een andere wet dan hierboven benoemd. Bijvoorbeeld als zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig, waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. De gemeente is bevoegd daarvoor nadere regels of beleidsregels vast te stellen. Ook dat is in deze verordening geregeld.
De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels:
In hoofdstuk 9 staat uitgebreid beschreven hoe de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan.
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kerndoelen:
De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14.
Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar ‘hij’ staat kan ook ‘zij’, ‘hen’ of ‘die’ gelezen worden. Als in deze verordening het woord ‘ouders’ staat dan vallen daar onder: pleegouders/ouders en/of hun vertegenwoordigers die in de zin van Algemene wet bestuursrecht (Awb) als belanghebbenden aangemerkt kunnen worden.
Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten.
1.7 Verband tussen verordening en wet
Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd.
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de gemeente ondersteuning kan geven en wat de gemeente van de inwoner verwacht.
Paragraaf 2.1 Melding hulpvraag bij de gemeente (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs)
Artikel 2.1.1 Hulpvraag melden
Inwoners die hulp nodig hebben, kunnen zich melden bij de door de gemeente ingerichte Toegang. Voor jeugd kunnen inwoners zich zowel melden bij Toegang als bij het Centrum voor Jeugd en Gezin.
De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen:
De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek en de beoordeling van de melding. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. In de uitnodiging voor het gesprek staat welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Hiervoor gelden dan dezelfde voorwaarden.
Paragraaf 2.2 Gesprek na de melding (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb)
Artikel 2.2.2 Verslag en/of plan
Als het gaat om Wmo-ondersteuning, jeugdhulp en Participatiewet stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat hij dat niet wil. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit terug naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven. Als de inwoner ondersteuning-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag als een aanvraag.
Als het om jeugdondersteuning en Wmo gaat, kan de medewerker ook tijdens het gesprek een verslag maken en daarin aangeven wat er nodig is voor de inwoner. Als de inwoner en de medewerker tijdens het gesprek samen vaststellen welke ondersteuning er nodig is, dan wordt het door de inwoner ondertekende verslag gezien als een aanvraag.
Paragraaf 2.3 Aanvraag (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)
Niet elke aanvraag gaat op precies dezelfde manier. Verschillen per soort ondersteuning of wet staan hieronder beschreven in artikel 2.3.1.
Na de melding en het gesprek met een medewerker van de gemeentelijke Toegang, kan de inwoner een aanvraag indienen. De aanvraag kan schriftelijk (per brief) of digitaal (via de website of e-mail) worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, in welke vorm.
De aanvragen voor financiële tegemoetkomingen kunnen direct schriftelijk en digitaal worden gedaan. De gemeente kan besluiten dat een onderzoek en een gesprek over de hulpvraag niet nodig zijn. De aanvraag wordt dan direct afgehandeld. Alleen als er aanleiding voor is, of op verzoek van de inwoner, volgt een gesprek.
De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen.
De gemeente kan een externe deskundige vragen om een advies. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of aanvraag.
Paragraaf 2.4 Beslissing (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)
In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura (product of dienst), in de vorm van een Pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. (Zie voor meer uitleg hoofdstuk 8)
Artikel 2.5.1 Jeugdhulp via arts en anderen (Jeugdwet, Awb)
De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. Voor deze ondersteuning gelden dezelfde voorwaarden en kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders die opgenomen zijn in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar.
Als een jeugdige zich bij een jeugdhulpaanbieder meldt met een verwijzing, niet via de gemeentelijke toegang, dan beoordeelt de jeugdhulpaanbieder in lijn met deze verwijzing inhoudelijk welke product(en) de jeugdige precies nodig heeft, met welke frequentie en voor hoe lang (de duur en de omvang). De jeugdhulpaanbieder past bij de genoemde beoordeling en bepaling van de inhoud van het product de werkwijze toe zoals de gemeentelijke toegang deze toepast zoals beschreven in het bovengenoemde productenboek en de bijbehorende werkinstructie.
Artikel 2.5.2 Spoedeisende gevallen (Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs)
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de ondersteuning krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) ondersteuning in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
Hoofdstuk 3 Werk en participatie
De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners die een uitkering hebben en kunnen werken, worden geholpen bij het vinden van een duurzaam en passend werk, bij voorkeur in een reguliere en betaalde baan. Als betaald werk niet haalbaar is, dan wordt gekeken op welke wijze participeren aan de samenleving mogelijk is. De gemeente kan helpen door het inzetten van zogenaamde voorzieningen. Welke ondersteuning dat kan zijn, staat in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert.
Paragraaf 3.1 Algemene bepalingen
Artikel 3.1.1 Doelgroepen (PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk en maatschappellijke participatie:
De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening uitgeeft. Voor wettelijke loonkostensubsidie en beschut werk kan geen budgetplafond worden vastgesteld.
Artikel 3.1.4 Voorzieningen (PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente beoordeelt per persoon welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal zaken, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en of er bij de gemeente voldoende budget beschikbaar is.
Paragraaf 3.2 Voorzieningen algemene bepalingen
Artikel 3.2.1 Beschut werk (PW)
De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als deze behoort tot de doelgroep van beschut werk. Dit gebeurt op basis van een door het UWV afgegeven advies waaruit blijkt dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.
Artikel 3.2.4 Loonkostensubsidie (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De medewerker stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn loonwaarde worden vastgesteld. Dit wordt gedaan door een landelijk erkende methodiek op de werkplek. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd op basis van het wettelijk minimumloon.
Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient , voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de medewerker de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. Dit moet aangevraagd worden binnen 6 maanden na aanvang van de arbeidsovereenkomst.
Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door de medewerker en die bepaald of het middel praktijkroute van toepassing is.
Artikel 3.2.6 Werkstage (PW, IOAW, IOAZ)
De werkstage wordt vastgelegd in een plan van aanpak dat de gemeente in overleg met de inwoner maakt. Met de werkgever wordt in een overeenkomst vastgelegd welk doel de werkstage heeft, wat de werkzaamheden zijn, begin- en einddatum, afspraken over onkostenvergoedingen, verzekeringen en hoe de begeleiding plaatsvindt. Ook wordt vastgelegd waarom er geen sprake is van verdringing /oneerlijke concurrentie.
Paragraaf 3.4 Andere voorzieningen en vergoedingen
Artikel 3.4.1 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap (PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie.
Paragraaf 3.6 Meedoen in de samenleving met een beperking of een psychisch of psychosociaal probleem (Wmo)
Een inwoner die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig heeft om mee te doen in de samenleving (participatie), kan op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen. Hij moet wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 (voorwaarde voor ondersteuning) van deze verordening. De gemeente kijkt altijd of de inwoner mogelijkheden heeft om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. En of het resultaat bereikt kan worden met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemene voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties.
Bij het onderzoeken of sprake is van gebruikelijke hulp door huisgenoten wordt rekening gehouden met de volgende factoren:
Ook moet de ondersteuning-op-maat een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoner, zodat hij in staat is om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hieronder staan de vormen van ondersteuning die de gemeente in ieder geval kan geven:
De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk kunnen meedoen in de samenleving. Inwoners kunnen op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen als ze voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.3.2 in deze verordening. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
Artikel 3.6.2 Groepsbegeleiding
De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die niet in staat is de dag goed in te vullen, ondersteuning-op-maat kan krijgen (geïndiceerde dagbesteding). De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner onder begeleiding één of meer dagdelen per week mee kan doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Meierijstad heeft in haar wijken en dorpen veel algemene voorzieningen voor dagbesteding. De gemeente kijkt daarom altijd eerst of deze algemene voorzieningen voor dagbesteding passend zijn voor de vraag van de inwoner. Groepsbegeleiding is voorliggend aan individuele begeleiding. Bij groepsbegeleiding kan een indicatie voor vervoer gegeven worden. Dat kan alleen als de inwoner niet zelfstandig, of met behulp van het netwerk of met behulp van een algemene voorziening zich van de woning van de inwoner naar de locatie voor groepsbegeleiding kan verplaatsen.
Artikel 3.6.3 Individuele begeleiding
De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die niet in staat is de normale dagelijkse activiteiten te doen, ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner in meerdere of mindere mate individueel begeleid wordt bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent dat de begeleider ondersteunt bij de dagelijkse gang van zaken en dat hij de inwoner ondersteunt om op een goede manier met zijn omgeving en netwerk om te gaan. De begeleider kan ook ondersteunen bij vaak terugkerende activiteiten. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar kan als dat nodig is wel de regie overnemen.
De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking onvoldoende kan verplaatsen ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner geholpen wordt met vervoer dicht bij huis zodat hij zelfstandig kan blijven en mee kan doen met sociale, recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. Bij het vervoer op maat gaat het om:
De gemeente kent de volgende mogelijkheden voor Vervoer op Maat:
Het collectief maatwerkvervoer: het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met het collectief maatwerkvervoer. De inwoner komt alleen in aanmerking voor collectief maatwerkvervoer als men geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, men het openbaar vervoer niet kan bereiken of als lokale andere vervoersmogelijkheden niet mogelijk zijn. Voor collectief maatwerkvervoer geldt het volgende:
Om Vervoer op Maat beschikbaar en betaalbaar te houden, kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met een lokale vervoersvoorziening, daarna naar collectief maatwerkvervoer, daarna naar een individuele (rolstoel)taxi-vergoeding en als laatste naar het geschikt maken van de eigen auto. De goedkoopst mogelijke passende voorziening wordt toegekend.
Hoofdstuk 4 Gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet)
Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de jongeren zelf, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij op aanvraag een beroep doen op ondersteuning van de gemeente. Deze ondersteuning wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde ondersteuning te verminderen.
Daarbij staan het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemop- lossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Voor deze laatste groep van 18 tot 23 jaar is onder bepaalde wettelijke voorwaarden verlengde jeugdhulp mogelijk.
Pleegzorg geldt standaard tot 21 jaar en is verlengd mogelijk tot 23 jaar.
Artikel 4.1 Uitgangspunten bij het bieden van ondersteuning
Als het gewenste resultaat van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met ondersteuning die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om ondersteuning door het Centrum voor Jeugd en Gezin. Kan het gewenste resultaat niet bereikt worden met die ondersteuning, dan wordt ondersteuning-op-maat ingezet.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt de gemeente of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. De gemeente houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. De gemeente beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalender jaar.
De gemeente verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. De gemeente verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. De gemeente verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. De gemeente verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Vanuit het oogpunt van demedicaliseren en normaliseren en benutten van eigen kracht, vinden we dat het vervoer van een jeugdige naar een jeugdhulpvoorziening in de basis de verantwoordelijkheid is van ouders/verzorgers/netwerk als onderdeel van gebruikelijke hulp. Het gaat hierbij nadrukkelijk om vervoer van de jeugdige en niet om vervoer van ouders of verzorgers naar een jeugdhulplocatie zonder de jeugdige. Hierbij wordt twee keer rijden (heen en terug) per week als gebruikelijke hulp beschouwd. Indien uit onderzoek blijkt dat ouders/verzorgers/netwerk niet in staat zijn zelf het vervoer te organiseren, kan men in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening op grond van de jeugdwet. Daar waar vervoer onderdeel uitmaakt van de jeugdhulpvoorziening, is dit opgenomen in het Productenboek Inkoop Gespecialiseerde Jeugdhulp Regio Noordoost Brabant van het betreffende jaar.
Vervoer kan ingezet worden in de vorm van taxivervoer, Pgb of een vergoeding. De vergoeding is gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding die de Belastingdienst hanteert (voor 2025: € 0,23).
Artikel 4.5 Overgang van 18- naar 18+
De gemeente is ervoor verantwoordelijk dat jongeren, die jeugdhulp krijgen, ondersteund blijven als die ondersteuning nog nodig is als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente samen met de jongere en jeugdhulpaanbieder zorgt voor een toekomstplan voor de jongere op alle belangrijke onderwerpen.
Hoofdstuk 5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving (Wmo)
Inwoners met een beperking en/of met (langdurige) psychosociale problemen hebben soms ondersteuning nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te ondersteunen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de ondersteuning die de gemeente aan deze inwoners kan geven.
De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen als ze voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.3.2 in deze verordening. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
Paragraaf 5.2 Zelfstandig en veilig wonen
Artikel 5.2.1 Geschikte woning: aanpassen of verhuizen
Als na de eerste melding blijkt dat de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, onderzoekt de gemeente of verhuizen naar een geschikte(re) woning een meer passende oplossing is voor de inwoner. Zeer hoge kosten zijn kosten van meer dan € 18.000 in de periode van de komende 5 jaar. In dit onderzoek wordt gekeken naar o.a. de beperkingen van de inwoner en de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen. Daarnaast wordt rekening gehouden met andere relevante feiten en omstandigheden. De gemeente kan nadere regels stellen voor het onderzoek en de belangenafweging die gemaakt moet worden. Als wordt geconcludeerd dat verhuizen naar een geschikte(re) woning de meest passende oplossing is voor de inwoner, dan kan de gemeente de aanvraag om aanpassing van de woning afwijzen.
De inwoner komt bij een afwijzing van een aanvraag om een woningaanpassing zoals genoemd in het tweede lid in aanmerking voor een vergoeding voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. De hoogte van deze vergoeding is vastgelegd in de Nadere regels Wet maatschappelijke ondersteuning Meierijstad en wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de consumentenprijsindex van het CBS.
Artikel 5.2.2 Wanneer geen aanpassing
De gemeente geeft geen ondersteuning-op-maat in de volgende situaties:
De inwoner heeft niet zijn hoofdverblijf in de woning waar de woonvoorziening voor wordt aangevraagd. Uitgezonderd hiervan is het bezoekbaar maken van één woning binnen de gemeente voor een inwoner verblijvende in een Wlz-instelling, indien dit noodzakelijk is om in aanvaardbare mate te kunnen deelnemen aan het sociaal leven.
Artikel 5.2.3 Vervanging eerder verstrekte voorziening
Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als:
Een mantelzorger zorgt langdurig, intensief en onbetaald voor iemand in de thuissituatie of in een instelling, die een beperking, chronische of levensbedreigende ziekte heeft en met wie hij al een persoonlijke band heeft. Mantelzorgers vervullen een belangrijke rol. Daarom investeert de gemeente in de ondersteuning van mantelzorgers om overbelasting te voorkomen. Ook heeft de gemeente aandacht voor erkenning en waardering van deze groep, via een jaarlijkse mantelzorgwaardering.
Artikel 5.7.3 Kortdurend verblijf
Met Kortdurend verblijf bedoelen we het logeren elders (van de inwoner met beperking).
De gemeente kan op aanvraag van de inwoner met een beperking ter ontlasting van de mantelzorger een vergoeding toekennen voor kort verblijf van die inwoner op een ander adres. Kortdurend verblijf is bedoeld ter ontlasting van de mantelzorger en uitdrukkelijk preventief bedoeld. Met kortdurend verblijf wil de gemeente bereiken dat de mantelzorger de zorg thuis vol kan houden zodat opname in een intramurale instelling wordt voorkomen of uitgesteld.
Artikel 5.7.4 Mantelzorgwoning
De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor het plaatsen van een mantelzorgwoning:
Mantelwonen is een woonvorm die te vergelijken is met een mantelzorgwoning. De belangrijkste verschillen zijn:
Het mantelwonen-beleid vervangt het pré-mantelzorgbeleid omdat met een ruimere regeling wordt bereikt dat men elkaar kan ondersteunen zonder dat er direct sprake is van een medische noodzaak.
Aan het realiseren van een mantelwoning zijn voorwaarden verbonden. Deze is terug te vinden op www.meierijstad.nl/mantelwonen.
Hoofdstuk 6 Vervoer naar school (Verordening bekostiging leerlingenvervoer of tegemoetkoming leerlingenvervoer)
Ieder kind heeft recht op onderwijs. Onderwijs dat past bij de mogelijkheden van het kind of aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouder. Soms is de afstand van huis naar school te groot voor het kind of kan het vanwege een beperking niet zelfstandig naar school reizen. In dit hoofdstuk staat hoe wij ouders ondersteunen bij het vervoer van het kind naar school.
Artikel 6.1.1 Algemene voorwaarden
De gemeente kent aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe onder de voorwaarden genoemd in deze verordening.
De gemeente werkt samen met de samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs voor primair en voortgezet onderwijs en de regiogemeenten. Met hen maakt zij afspraken om het onderwijs zo thuisnabij mogelijk te organiseren. Daarbij is leerlingenvervoer ook een thema. Dit wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband, dat na overleg met de regiogemeenten wordt vastgesteld. De gemeente betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan.
Artikel 6.2.1 Basisonderwijs (Wet op het primair onderwijs en Wet op de expertisecentra)
De gemeente kent op aanvraag van de ouders een vervoersvoorziening toe als het kind in de gemeente Meierijstad verblijft, een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs bezoekt en:
Artikel 6.2.2 Voortgezet (speciaal) onderwijs (Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra)
Artikel 6.2.3 Tijdelijke vervoersvoorziening
De gemeente verstrekt op aanvraag van de ouders een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal 6 weken als het kind als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente Meierijstad verblijft. Er moet voldaan zijn aan de volgende punten:
Artikel 6.2.4 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie
De gemeente verstrekt aan een in de gemeente wonende ouder een voorziening voor het vervoer in het weekeinde en de vakantie als het kind, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, in een internaat of pleeggezin verblijft. Het volgende vervoer wordt bekostigd:
Paragraaf 6.3 Aanvraag van het vervoer
Artikel 6.3.2 Beoordeling aanvraag
Op het moment dat de ouder een aanvraag indient, onderzoekt de gemeente of het kind voor een vervoersvoorziening in aanmerking komt, en welke voorziening passend is. Een gesprek met de consulent leerlingenvervoer kan onderdeel zijn van dat onderzoek. Ook kan een externe deskundige gevraagd worden om mee te kijken naar de best passende vervoersvoorziening.
of de dichtstbijzijnde toegankelijke school verder weg ligt dan de afstandsgrens van 6 kilometer. De gemeente berekent de kortste afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en waar plaats is. Voor het bepalen van de kortste, veilige route wordt de actuele routeplanner van de ANWB gebruikt.
Artikel 6.3.3 Vorm en hoogte vervoersvoorziening
Als een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening op basis van paragraaf 6.2, stemt de gemeente de tegemoetkoming af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen wordt een fietsvergoeding toegekend. Als fietsen naar school niet lukt (ook niet met begeleiding) is een vergoeding voor het openbaar vervoer de volgende mogelijkheid. Pas als het kind ook niet met openbaar vervoer kan reizen (ook niet met begeleiding) kan aangepast vervoer worden ingezet. Dit uitgangspunt is in de volgende leden nader uitgewerkt.
Bij het toekennen van aangepast vervoer onderzoekt de gemeente met de ouder, het kind, de school en het samenwerkingsverband of zelfstandig leren reizen met het openbaar vervoer of de fiets, al dan niet met begeleiding, in de toekomst mogelijk is. De gemeente biedt leerprojecten voor het gebruik van het openbaar vervoer aan.
Artikel 6.3.4 Vergoeding kosten begeleiding
Als een kind een vervoersvoorziening krijgt en begeleiding nodig heeft bij het reizen naar school dan verstrekt de gemeente een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het organiseren van de begeleiding. Salariskosten worden niet vergoed. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.
Artikel 6.3.6 Ingangsdatum tegemoetkoming / vervoersvoorziening
Een door de gemeente toegekende tegemoetkoming gaat in op de datum die de ouder aanvraagt. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de het vervoer zo snel mogelijk na het besluit ingaat.
Hoofdstuk 7 Inkomen en schulden
De gemeente heeft een financieel vangnet voor inwoners die te weinig inkomen en vermogen hebben om de dagelijkse kosten te betalen: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen, kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Voor een aantal extra’s wordt een inkomensgrens genoemd. Dit is geen harde grens, maar een uitgangspunt (kompas) bij het beoordelen van aanvragen. Inwoners die in een vergelijkbare financiële situatie zitten als inwoners met een bijstandsuitkering, kunnen vaak ook geholpen worden. Dat beoordeelt de gemeente per situatie. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de ondersteuning die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.
Paragraaf 7.1 Uitgangspunten armoedebeleid (PW, Wgs, Gemeentewet)
De gemeente legt vast hoe het armoedebeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen kwetsbare inwoners op welke manier financieel worden ondersteund. De gemeente richt het armoedebeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden.
Paragraaf 7.3 Studietoeslag (PW)
Studenten met een structurele medische beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat de studiefinanciering wordt aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan welk bedrag toegekend wordt en hoe dat wordt uitbetaald.
Paragraaf 7.4 Inkomenstoeslag (PW)
De individuele inkomenstoeslag van artikel 36 van de Participatiewet is bedoeld voor inwoners die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden verstrekt en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven wat de gemeente onder ‘langdurig’, ‘laag inkomen’ verstaat en wat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag is.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. De aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan tevens de individuele inkomenstoeslag ambtshalve verstrekken.
Een inwoner komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als deze onderwijs volgt of in de referteperiode heeft gevolgd en daardoor naar het oordeel van de gemeente perspectief heeft op verbetering van de inkomenssituatie binnen een periode van een jaar. Het gaat dan om onderwijs dat het Rijk bekostigt.
Paragraaf 7.5 Meedoenregeling (Gemeentewet)
Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. En daarmee hun maatschappelijke participatie bevorderen. Hieraan zijn meestal kosten verbonden.
Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Daarom wordt voor inwoners met minderjarige kinderen de Meedoenregeling verhoogd.
Artikel 7.5.1 Doelgroep en aanvraag
Een aanvraag moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken. De aanvraag voor de Meedoenregeling kan worden gedaan gedurende het gehele kalenderjaar, als mede het eerste kwartaal daarop volgend, waarop de aanvraag ziet. De gemeente kan tevens de Meedoenregeling ambtshalve verstrekken.
Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan sociaal-culturele, educatieve en andere maatschappelijke activiteiten voor henzelf en hun kinderen. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed. De bijdrage is € 247 per jaar (bedrag 2025).
Paragraaf 7.8 Schuldhulpverlening (Wgs)
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Hier zijn verschillende mogelijkheden voor, deze staan vermeldt in de nadere regels.
Artikel 7.8.2 Schuldhulpverlening
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner, die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden, die ondersteuning zo snel mogelijk krijgt. Een van de mogelijkheden die de gemeente kan aanbieden, is hulp bij het regelen van inkomsten en uitgaven (budgetbeheer). Budgetbeheer is erop gericht dat de inwoner weer overzicht krijgt in de financiële huishouding.
Hoofdstuk 8 De vorm van ondersteuning
De ondersteuning die de gemeente biedt kan of in ‘natura’ of in geld of in de vorm van een persoonsgebonden budget gegeven worden. In natura betekent dat de ondersteuning ‘kant-en-klaar’ is. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de ondersteuning in de vorm van geld worden gegeven (bijvoorbeeld een inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget (Pgb). In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de ondersteuning geeft en wanneer de gemeente om een eigen bijdrage kan vragen voor Wmo-ondersteuning.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het vervoer naar school (Zie daarvoor hoofdstuk 6).
Paragraaf 8.1 Vormen van ondersteuning
Artikel 8.1.1 Ondersteuning in natura (Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs,) bij llv is dat al uitgewerkt in het betreffende hoofdstuk
Artikel 8.1.3 Persoonsgebonden budget (Jeugdwet, Wmo)
In plaats van ondersteuning in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (Pgb) ontvangen. Dit kan alleen als het om Wmo-ondersteuning of jeugdhulp gaat en de inwoner voldoet aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan.
voor het Pgb zoals bedoeld in de Wmo geldt als extra voorwaarde dat het Pgb niet wordt verstrekt als er sprake is van intramuraal beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en/of verslavingszorg. En dat het tarief informeel niet van toepassing is bij vormen van groepsbegeleiding, dagbesteding BW, kortdurend verblijf, kleinschalig thuis en zelfstandig thuis. Tenzij de 1e- of 2e-graads ondersteuner beschikt over relevante diploma’s.
Artikel 8.1.4 Onderscheid formele en informele hulp
De ondersteuning kan geboden worden door inhuur van formele of informele hulp.
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
Artikel 8.1.5 Hoogte en tarief Pgb
De hoogte van het Pgb voor een dienst wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (Pgb-plan). In het plan staat welke ondersteuning de inwoner vanuit het Pgb wil betalen en door wie de ondersteuning wordt gegeven. Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente.
Het Pgb voor een product wordt gebaseerd op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van het product zijn (kostprijs). Hiervoor moet de inwoner veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede ondersteuning kunnen inkopen. De hoogte van het Pgb voor een product is gelijk aan de hoogte van de goedkoopste, passende offerte.
Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte en duur van het Pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met onderhouds- en verzekeringskosten. Als het product na afloop van de periode waarvoor het Pgb werd verstrekt nog adequaat is, wordt dit niet vervangen. In plaats daarvan kan een nieuw Pgb worden verstrekt voor de kosten van onderhoud en verzekering van het product.
De hoogte van het Pgb voor formele hulp bedraagt maximaal 100% van het reguliere tarief voor gecontracteerde hulp in natura. Dit tarief is inclusief reiskosten en bijkomende kosten. In de tarieven wordt een onderscheid gemaakt tussen reguliere en micro ondernemingen. Een micro aanbieder heeft minder dan tien fte in dienst.
De hoogte van het Pgb voor informele hulp vanuit de jeugdwet is bij het bestaan van een overeenkomst van opdracht of dienstbetrekking gelijk aan het minimumuurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek.
Paragraaf 8.2 Bijdrage in de kosten (Wmo)
Een eigen bijdrage in de kosten wordt niet opgelegd, als de verstrekte voorziening (hulpmiddel of aanpassing) bestaat uit een gemeenschappelijke voorziening. Onder een gemeenschappelijke voorziening valt een (woon)voorziening in/aan een gemeenschappelijke ruimte, die niet alleen wordt gebruikt door de persoon tot wie de toekenningsbeschikking gericht is.
De bijdrage voor maatwerkwerkvoorzieningen hoeft niet betaald te worden door inwoners die op basis van de hoogte van hun inkomen deel kunnen nemen aan de collectieve zorgverzekering. Dit geldt niet als gebruik wordt gemaakt van de maatwerk voorzieningen Beschermd Wonen (intramuraal) of opvang. Dan moet wel een eigen bijdrage worden betaald.
Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en gemeente
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
Paragraaf 9.1 Hoe gaan we met elkaar om? (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb, AVG)
Artikel 9.1.1 De rol van de gemeente
De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
Artikel 9.1.2 De rol van de inwoner
De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. Eventueel met hulp van zijn sociale netwerk of algemeen toegankelijke voorzieningen. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
Artikel 9.1.3 Ontoelaatbaar gedrag
De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat ontoelaatbaar is. De gemeente zorgt voor het volgende:
De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
Paragraaf 9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen
Artikel 9.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De gemeente informeert de inwoner per brief over het besluit tot verlaging. De verlaging gaat in vanaf de kalendermaand na de datum van dit besluit. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. De gemeente legt het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als de inwoner binnen één jaar na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, tenzij dit naar het oordeel van de gemeente niet bijdraagt aan de met de maatregel beoogde doelstelling.
Artikel 9.2.4 Berekening verlaging (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.
Artikel 9.2.6. Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door de gemeente in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering.
Artikel 9.2.7 Stoppen verlaging (PW, Awb, IOAW, IOAZ)
De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als overduidelijk blijkt dat de inwoner alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e-mail indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt.
Artikel 9.2.9 Onacceptabel gedrag (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner bij zeer ernstige misdragingen tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.
Artikel 9.2.11 Samenloop van gedragingen (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.
Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17 eerste lid genoemde inlichtingenplicht niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging en een bestuurlijke boete opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.
Artikel 9.2.12 Herhaling (recidive) (PW, IOAW, IOAZ, Awb)
De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen 12 maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0 (nihil).
Paragraaf 9.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening
Artikel 9.4.2 Terugvordering voorziening (Jeugdwet, Wmo, Wgs, Llv, Gemeentewet)
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen of verrekenen met een voorziening die op grond van dezelfde wet wordt toegekend. Een voorziening kan worden teruggevorderd vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meerdere van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.4.1.
Paragraaf 9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
Artikel 9.5.4 Privacy (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, AVG,Llv)
De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De protocollen voldoen aan de regels die daarvoor gelden vanuit de regelgeving op het gebied van privacy, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De gemeente maakt de protocollen bekend.
Artikel 9.5.5 Toezichthouders (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb, Llv)
De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
Artikel 9.5.6 Toezicht Jeugdwet en Wmo (Jeugdwet, Wmo)
Onderzoek naar recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
Artikel 9.5.7 Voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik Jeugdwet en Wmo (Jeugdwet, Wmo)
Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
De gemeente maakt met de gecontracteerde of gesubsidieerde (jeugdhulp)aanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Hoofdstuk 10 Inwonersparticipatie
Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners vanuit hun leefwereld kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een Adviesraad Sociaal Domein is en is de taak van deze raad beschreven.
Paragraaf 10.1 Inspraak algemeen
Artikel 10.1 Inspraak van inwoners (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv, Gemeentewet)
Paragraaf 10.2 Adviesraad Sociaal Domein (Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet)
De Adviesraad heeft tot taak de gemeente en gemeenteraad gevraagd en ongevraagd van advies te dienen over voorstellen tot gemeentelijke regelgeving, beleid, plannen en de uitvoering daarvan op het terrein van het Sociaal Domein, te weten de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Participatiewet, de Jeugdwet, de Woningwet en de Huisvestingswet. De Adviesraad zal actief participeren in de beleidsontwikkeling.
De leden van de Adviesraad dienen (ervarings-)deskundig te zijn op het terrein van het Sociaal Domein en ingezetene te zijn van de gemeente Meierijstad. Leden van de Adviesraad mogen geen (burger)lid zijn van de gemeenteraad, het college of werkzaam zijn bij de gemeente Meierijstad dan wel werknemer, lid of bestuurder zijn van een onderneming of organisatie of zelfstandigen die in Meierijstad (tegen betaling) diensten aanbieden in het Sociaal Domein.
De zittingsduur is vier jaar en kan één maal worden verlengd met vier jaar. Voor leden die twee jaar na oprichting van de Adviesraad herbenoembaar zijn, geldt een maximale verlenging van de zittingsduur met twee maal vier jaar. De zittingsduur van de leden van de Adviesraad is geregeld in een lijst van aftreden waarbij continuïteit in de bezetting en deskundigheid geborgd is.
Artikel 10.2.3 Openbaarheid vergaderingen
De deuren worden gesloten wanneer tenminste vier van de aanwezige leden daarom verzoeken of de voorzitter het nodig oordeelt. De Adviesraad besluit vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd wanneer privacy van betrokkenen dit verreist, met in achtneming van Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Artikel 10.2.4 Samenwerking Adviesraad en gemeentebestuur
De betrokken portefeuillehouder(s) voeren in het kader van de burger- en cliëntparticipatie minimaal vier keer per jaar overleg met de Adviesraad over zaken die betrekking hebben op het Sociaal Domein. Zowel de Adviesraad als de betrokken portefeuillehouder(s) kunnen onderwerpen agenderen. Betrokken (beleids-)medewerkers van de gemeente Meierijstad kunnen bij het overleg aanwezig zijn. Daarnaast zal er per aandachtsgebied ook minimaal vier keer per jaar een overleg met de betrokken portefeuillehouders plaatvinden.
Hoofdstuk 11 Kritiek op de uitvoering
De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een inwoner niet tevreden is, wil de gemeente dit graag horen en kan er altijd contact worden opgenomen om de klacht door te nemen en te bespreken of er een oplossing gevonden kan worden. Als dit niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken.
De gemeente ziet een klacht of bezwaar als:
De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.
In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Dit hoofdstuk sluit aan op de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. In dit hoofdstuk wordt verwezen naar de Beleidsregels intern klachtrecht 2020, en naar de Commissie rechtsbescherming Meierijstad.
Artikel 11.2 Bezwaar en beroep (Awb, Gemeentewet)
De gemeente informeert de inwoner correct over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld tegen een besluit of het uitblijven ervan.
Artikel 11.3 Vertrouwenspersoon
Inwoners die het niet eens zijn met de manier waarop een medewerker van de gemeente met hen omgaat, kunnen contact opnemen met de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon luistert en kan helpen een probleem aan te pakken. De vertrouwenspersoon kan er niet altijd voor zorgen dat het gaat zoals de inwoner het wil, maar zorgt er wel voor dat het proces verloopt zoals het hoort.
Hoofdstuk 12 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding (Jeugdwet, Wmo,Llv, Gemeentewet, Aanbestedingswet 2012)
De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.
Hoofdstuk 13 Van oud naar nieuw (Gemeentewet)
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog volgens de bedoeling werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.
Artikel 13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening (evaluatie)
De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan, verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Artikel 13.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in artikel 1.2 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
Artikel 13.3 Intrekken oude verordeningen
De “Verordening sociaal domein Meierijstad 2025” en “Verordening sociaal domein Meierijstad 2024” wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening in werking treedt.
Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner of werkgever, past de gemeente deze verordening toe.
In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?
Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente.
Aangepast vervoer: vervoer met een besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi.
Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de Expertisecentra
Aanvraag: een officieel verzoek om een besluit te nemen. Een aanvraag wordt gedaan door iemand die direct belang bij dat verzoek heeft.
Gebaseerd op artikel 1:3 lid 3 Awb.
Achtererfgebied: Dit is het deel van het erf (de grond rond een hoofdgebouw) dat achter het hoofdgebouw ligt. Ook de grond aan de zijkant van het hoofdgebouw die niet aan de straat of een openbaar gebied grenst, hoort erbij. Het achtererfgebied begint één meter achter de voorkant van het hoofdgebouw. Daarna volgt het de grens met het openbaar gebied, zoals een weg of openbaar groen.
Afstand: afstand tussen de woning en de school voor de leerling, gemeten langs de kortste en voldoende begaanbare en veilige weg op basis van de ANWB routeplanner.
Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:
Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG): Europese wet die regels geeft voor de manier waarop de gemeente moet omgaan met de privacy van inwoners.
Algemene wet bestuursrecht: wet met algemene regels voor de manier waarop de gemeente onder andere moet omgaan met aanvragen, termijnen, klachten en bezwaarschriften.
Andere voorziening/vrij toegankelijke voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de ondersteuning die hij nodig heeft, anders dan ondersteuning-op-maat.
Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.
AOW-leeftijd: leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat.
Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te krijgen, het accepteren en behouden van werk of het meewerken aan re-integratie (inclusief maatschappelijke participatie).
artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW, artikel 37 van de IOAZ
Basisschool: een school waar basisonderwijs wordt aangeboden. Een basisschool of speciale school voor basisonderwijs.
Begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden.
Beperking: de vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap waardoor een belemmering ontstaat in het sociaal-maatschappelijk functioneren. Of als het om vervoer naar school gaat de leerling die vanwege zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap niet of niet zelfstandig van de fiets of het openbaar vervoer gebruik kan maken.
Beslissing of besluit: In het besluit geeft de gemeente aan of de inwoner wel of geen ondersteuning krijgt.
Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.
artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet
Bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud.
artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet
Collectief Maatwerkvervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep (en met een deeltaxi).
Collectieve zorgverzekering: de collectieve zorgverzekering als bedoeld in artikel 35 lid 3 van de Participatiewet. Deze verzekering wordt ook wel Gemeentepolis genoemd.
Deskundige: onafhankelijk (medisch of pedagogisch) deskundige die door de gemeente kan worden gevraagd advies uit te brengen.
Dichtstbijzijnde toegankelijke school: de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting, dan wel de openbare school die het dichtst bij de woning van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Hieronder wordt niet verstaan een onderwijsmethode zoals bijvoorbeeld jenaplan en Montessori onderwijs.
Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra
Duurzaam: op de toekomst gericht (bijvoorbeeld: duurzaam, passend werk, duurzame bijdrage).
Eigen bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet Wmo.
Financiële buffer: een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens. Vermogen is het totaal aan bezit in geld en goederen.
artikel 34, lid 3 van de Participatiewet
Formele zorg: zorg en ondersteuning die geleverd wordt door beroepskrachten. In tegenstelling tot informele zorg die en ondersteuning door mantelzorgers (zoals familie, buren en vrienden) en door vrijwilligers.
Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van inwonende huisgenoten, waaronder partner, ouders en kinderen. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld.
Gemeente: College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Meierijstad.
Gemeentewet: wet die de gemeente bevoegdheden geeft om taken te kunnen uitvoeren en eigen beleid te kunnen maken.
Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het resultaat dat hij wil bereiken bespreekt.
Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding aangeeft.
Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de inwoner zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de inwoner in de gemeentelijke basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres.
Informele zorg: zorg en ondersteuning die geleverd wordt door mantelzorgers (zoals familie, buren en vrienden) en door vrijwilligers. In tegenstelling tot formele zorg en ondersteuning door beroepskrachten.
Inkomen: alles wat iemand als opbrengst van werk, een eigen onderneming of vermogen krijgt, bijvoorbeeld loon, winst, dividend of rente. Bij inkomen wordt vaak over geld gesproken, maar goederen of diensten kunnen ook tot het inkomen behoren. In verschillende wetten worden hier verschillende definities voor gegeven.
Inspraak: het betrekken van inwoners of belanghebbenden om invloed uit te oefenen en over iets mee te praten of beslissen, bijvoorbeeld over een plan of beleid van de gemeente.
Inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 10.1 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen.
Interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek.
Intramuraal: zorg die wordt geboden in een zorginstelling.
Inwoner: de persoon die zijn woonplaats heeft binnen de gemeente en die daar rechtmatig verblijft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor ondersteuning door de gemeente. In de verschillende wetten worden hier verschillende definities voor gegeven.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Jeugdhulp: ondersteuning of een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd.
Jeugdwet: wet met regels over de verantwoordelijkheid van de gemeente voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jongeren en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.
Jobcoaching:: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk.
Jongere: in de Jeugdwet: personen tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 21 jaar (pleegzorg 23 jaar) die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze ondersteuning vanaf hun 18e jaar nog nodig hebben. In de Participatiewet: personen tot 27 jaar.
Participatiewet, artikel 1.1 van de Jeugdwet
Jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel hebben.
Leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voorgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra.
Leerlingenvervoer (Llv): de wetten die regelen dat de gemeente vervoer van leerlingen aanbiedt, die zelf niet in staat zijn om van en naar school gaan te organiseren.
Het gaat om de Wet op de primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra.
Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor eten en drinken, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.
Maatschappelijke opvang: opvang die is bedoeld voor de inwoner die niet meer thuis kan wonen en zich niet kan handhaven in de samenleving door psychische, psychosociale of financiële problemen of de dreiging van huiselijk geweld . Hieronder vallen de voorzieningen dag- en nachtopvang, opvang met intensieve zelfstandigheidstraining, jongerenopvang en kleinschalige opvang.
Maatwerk: Een op de persoonlijke situatie van de inwoner toegesneden product, activiteit, geldbedrag of Pgb.
Mantelzorg: hulp die wordt verleend door een directe naaste vanuit een sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt, zoals de klantmanager die het gesprek met de inwoner voert.
Melding: het eerste contact waarin de inwoner zijn hulpvraag aan de gemeente stelt. In verschillende wetten wordt hier een verschillende definitie voor gegeven.
Nadere regels: regels die het college van burgemeester en wethouders vaststellen ter uitvoering van deze verordening binnen de kaders die de raad in deze verordening daarvoor stelt.
Ondersteuning: hulp bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, schuldhulpverlening of een vervoersvoorziening.
artikel 7 van de Participatiewet, artikel 1.1.1 van de Wmo, artikel 1.1 van de Jeugdwet, artikel 1 van de Wgs, Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra
Ondersteuning-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening. Dit kan ook zijn een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in de Wmo.
Ondersteuningsplan: een plan van aanpak dat de gemeente samen met de inwoner opstelt. Hierin staan de knelpunten die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, de gewenste ondersteuning en mogelijke oplossingen die de gemeente voorstelt.
OF in het geval van vervoer naar school is een ondersteuningsplan een plan van het samenwerkingsverband dat na overleg met de regiogemeenten wordt vastgesteld.
Oneigenlijk gebruik: een voorziening gebruiken waar het niet voor bedoeld is.
Openbaar vervoer (ov): openbaar toegankelijk personenvervoer dat met een vaste route en een vaste dienstregeling rijdt (of vaart).
Ontwikkelingsarbeidsmatige dagbesteding (OAD): OAD is gericht op het ontwikkelen van deelnemers richting (betaalde) arbeid. De combinatie van werk, zorg en begeleiding op maat, is een middel om tot ontwikkeling te komen.
Ontwikkelingsperspectiefplan (Opp): een voor de leerling vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a in de Wpo, artikel 41a als bedoeld in de Wec of artikel 26 als bedoeld in de Wvo dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld.
Opstapplaats: door de gemeente aangewezen plaats vanaf waar de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer.
Ouders: ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de jongere.
Participatiewet (PW): iedereen die kan werken maar daarbij ondersteuning nodig heeft, valt onder de Participatiewet. De wet is er om zoveel mogelijk mensen met of zonder arbeidsbeperking werk te laten vinden. Daarnaast geeft de Participatiewet inwoners die niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen voorzien een inkomensgarantie. Tenslotte geeft de Participatiewet gemeenten de opdracht om inwoners te ondersteunen bij hun maatschappelijke participatie.
Persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de ondersteuning die hij wenst. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan.
Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, (on)mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn.
Pgb: persoonsgebonden budget, een budget dat een inwoner toegekend kan krijgen om zelf een hulpverlener of aanbieder in te huren voor de uitvoering van de ondersteuning-op-maat of het kopen van een product.
Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) opstelt over de ondersteuning die hij nodig heeft en die hij met het Pgb wil financieren. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener of aanbieder op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke ondersteuning gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die ondersteuning gewaarborgd worden.
Preferente proces loonkostensubsidie: Een preferent proces voor de administratieve uitvoering van loonkostensubsidie maakt het voor werkgevers makkelijker en aantrekkelijker om mensen via dit instrument aan het werk te helpen.
Meedoenregeling: een vergoeding voor huishoudens met een laag inkomen. Het doel van de regeling is te voorkomen dat mensen in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. Als er kinderen zijn is de vergoeding hoger.
Regiegesprekken: gesprekken die de klantmanager met inwoner en zorgaanbieder voert tijdens de uitvoering van de ondersteuning.
Reistijd: de tijd tussen het moment van het verlaten van de woning en de starttijd van de school volgens de schoolgids. Van deze reistijd mag maximaal 15 minuten worden afgetrokken als het kind gewoonlijk iets voor de start van de school aankomt op school. Voor de terugreis geldt de tijd tussen de eindtijd van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning van het kind. Hierbij kan maximaal 15 minuten worden opgeteld voor een eventuele wachttijd voor ov of aangepast vervoer.
Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra.
Respijtzorg: tijdelijke overname van zorg om de mantelzorger te ontlasten.
Resultaat: het effect of het doel dat de inwoner wil behalen of hoeverre het gewenste doel of effect is behaald.
Samenwerkingsverband: er zijn twee samenwerkingsverbanden passend onderwijs: één voor basisonderwijs en één voor voortgezet onderwijs. Alle scholen zijn verplicht aangesloten, behalve cluster 1 en 2 scholen. In het basisonderwijs bestaat het samenwerkingsverband uit de reguliere basisscholen, scholen voor speciaal basisonderwijs (sbo) en de scholen voor speciaal onderwijs (so) van de clusters 3 en 4. In het voortgezet onderwijs bestaat het samenwerkingsverband uit het regulier onderwijs: vmbo, havo en vwo, het praktijkonderwijs en de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs (vso). Samen zorgen ze ervoor dat alle kinderen een passende plek op school krijgen.
artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
Samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren.
artikel 3 van de Participatiewet
Schending van de inlichtingenplicht: het geven van onjuiste en/of onvolledige informatie of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om informatie of gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Door schending van de inlichtingenplicht wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk onterecht verstrekt.
School: basisschool, speciale school voor basisonderwijs of school waar speciaal of voortgezet (speciaal) onderwijs wordt gegeven.
Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra
Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers).
Speciaal onderwijs: onderwijs aan kinderen die vanwege leer- of gedragsproblemen, vanwege lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicaps of door gedragsstoornissen extra zorg op school nodig hebben.
SVB: Sociale Verzekeringsbank, een organisatie die onder andere de Pgb’s beheert en uitvoert.
Technische afschrijving: de datum waarop door de fabrikant wordt aangegeven dat gebreken aan het product, ontstaan door gewoon gebruik, niet meer hersteld kunnen worden.
Toegang: het gemeentelijke loket waar een inwoner zich kan melden bij vragen. In de gemeente Meierijstad zijn dat de gebiedsteams in Veghel, Sint-Oedenrode en Schijndel. In deze toegang zitten medewerkers van de gemeente (klantmanagers) en medewerkers van maatschappelijke organisaties uit Meierijstad. Voor jeugd kunnen inwoners zich met hun vraag melden bij het Centrum voor Jeugd en Gezin.
Toekenningsbesluit: een schriftelijke verklaring waarin de toegekende ondersteuning-op-maat staat (indicatie).
Uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering.
artikel 5 onderdeel b en artikel 12 Participatiewet en artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ
Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering in de situatie van de inwoner.
Dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ.
UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Dit is een Nederlandse overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van verschillende werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet, de Ziektewet, en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Vergoeding van reiskosten: een geldbedrag dat de inwoner krijgt om (een deel van) de noodzakelijke reiskosten van de leerling en eventueel begeleider te betalen.
artikel 4 Wet op het primair onderwijs, artikel 4 Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra
Voortgezet onderwijs: het onderwijsniveau dat volgt na de basisschool en dat doorgaans gevolgd wordt vanaf de leeftijd van 12 jaar.
Wet op het Voortgezet Onderwijs
Voorliggende voorziening: Voorzieningen die vanuit andere regelingen worden gefinancierd, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet Langdurige Zorg (Wlz) die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de inwoner toereikend en passend te zijn.
Voorziening: ondersteuning in de vorm van een dienst, activiteit, product, Pgb of geldbedrag.
Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet op de expertisecentra.
Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, een wet die regelt dat mensen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en blijven meedoen in de samenleving.
Wmo-ondersteuning: de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang.
de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo
Woning: de woonruimte waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Gaat het om vervoer naar school, dan is de woning de plaats waar het kind over een langere periode met een zekere regelmaat verblijft.
Zorg in natura: bij Zorg in Natura krijgt de inwoner de ondersteuning of voorziening die nodig is via een aanbieder die een contract heeft met de gemeente.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-54930.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.