Gemeenteblad van Heumen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heumen | Gemeenteblad 2026, 54625 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Heumen | Gemeenteblad 2026, 54625 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van de raad van de gemeente Heumen houdende bepalingen inzake de rechtspositie van raads- en commissieleden (Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Heumen 2026)
Artikel 4. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing
Bij het verzoek als bedoeld in het eerste lid worden documenten met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Tevens wordt een kostenspecificatie meegestuurd, waaruit blijkt dat de prijs-kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald.
Artikel 5. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen:
Artikel 7. Betaling en declaratie van onkosten
Aldus besloten door de raad van de gemeente Heumen in zijn openbare vergadering van 29 januari 2026.
drs. M.J.H.N. Collombon
Griffier
mr. J.W.M.S. Minses
Voorzitter
In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raads- en commissieleden moet worden opgeschreven bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit. In de Rechtspositieregeling zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder opgeschreven.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening
In deze verordening staan alleen regels over de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies in het geval zij niet al hiertoe worden verplicht door hogere wet- en regelgeving. Dit volgt uit de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie met betrekking tot de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er opnieuw een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De reden hiervan is het voorkomen van politieke discussies over voorzieningen, zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om door middel van een verordening af te wijken. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.
Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 van de Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissies (in de zin van de artikelen 82, 83 of 84 van de Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie
Raads- en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen, zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking, vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964, maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden persoonlijk worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Daarom hoeft er geen VAR-verklaring of Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) geldt niet voor raads- en commissieleden.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2 Toelage raadslid onderzoekscommissie
Dit artikel gaat over de toelage voor een raadslid die lid is van een zogenaamde ‘zware commissie’. Hiermee wordt in dit geval gedoeld op de onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid van de Gemeentewet. Een voorbeeld van een andere ‘zware commissie’ is de vertrouwenscommissie.
De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke commissie, met de financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende commissies.
In het geval van de onderzoekscommissie bepaalt artikel 3.1.3 van het Rechtspositiebesluit dat aan een raadslid dat lid is van een dergelijke commissie voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage wordt toegekend, waarvan de hoogte bij verordening wordt bepaald, maar die per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit bedraagt. Daarbij stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. Een lid ontvangt derhalve niet voor de duur van het lidmaatschap, maar voor de duur van de activiteiten een toelage.
Artikel 3 Informatie- en communicatievoorzieningen
Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raads- en commissielid, voor de duur van de uitoefening van zijn functie, de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking.
Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.
De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. De gemeente draagt zorg voor het schonen van het ICT-middel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik. Politieke ambtsdragers wordt door de gemeente niet de mogelijkheid geboden om een ICT-middel over te nemen.
Artikel 4 Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing
Voor raads- en commissieleden is duidelijk bepaald dat de kosten voor scholing die niet niet-partijpolitiek is, zoals deelname aan congressen en opleidingen, door de gemeente kunnen worden betaald.
Scholing die wel partijpolitiek is, wordt niet door de gemeente vergoed. Of scholing partijpolitiek is, hangt af van de inhoud van die scholing. Dat betekent dat wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij dit dus niet automatisch partijpolitieke scholing is.
Om scholingskosten vergoed te krijgen, moet duidelijk worden uitgelegd dat het gaat om scholing die nodig is voor het werk. Scholing is nodig voor het werk als het bedoeld is om vakkennis en vaardigheden te leren of bij te houden die je voor je functie nodig hebt. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als het helemaal of voor een deel het doel heeft om diegene op te leiden in de ideeën en standpunten van die partij.
De gemeente kan overigens ook zelf niet-partijpolitiek georiënteerde scholing geven of regelen. De kosten daarvan worden eveneens door de gemeente betaald.
Het beoordelen en fiatteren van scholingsaanvragen wordt gemandateerd aan de griffier.
Artikel 5 Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 van de Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.
Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.
Artikel 6 Betaling vaste vergoedingen commissieleden
Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling regelen wanneer vergoedingen betaald worden aan commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kan dit artikel uitkomst bieden.
Het tweede lid is bedoeld om onduidelijkheid over wat onder het bijwonen van een vergadering moet worden verstaan te voorkomen.
Artikel 7 Betaling en declaratie van onkosten
Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling regelen wanneer onkosten betaald worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kan dit artikel uitkomst bieden.
De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Een factuur moet daarbij wel aan de gemeente geadresseerd zijn. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt, waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.
Artikel 8 Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking oude verordening
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-54625.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.