Gemeenteblad van Emmen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Emmen | Gemeenteblad 2026, 53943 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Emmen | Gemeenteblad 2026, 53943 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Algemene subsidieverordening gemeente Emmen
HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN
Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor activiteiten op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid van de Awb (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is:
Indien benamingen van deze beleidsterreinen worden gewijzigd, dient in plaats van de genoemde benaming, de nieuwe benaming te worden gelezen.
Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:
als de aanvrager zelf in de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd kan voorzien, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden of een combinatie daarvan. Hiervan is onder andere sprake, wanneer het eigen vermogen van de aanvrager, waaronder begrepen een gevormde algemene reserve (niet zijnde een bestemmingsreserve), naar het oordeel van het college, voldoende is om in de kosten te voorzien;
HOOFDSTUK III. DE SUBSIDIEVERLENING
Bij de verleningsbeschikking wordt vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden. Het voorgaande is eveneens van toepassing wanneer de wijze van verantwoording reeds is bepaald in deze verordening of bij subsidieregeling.
Artikel 12. Verplichtingen van subsidieontvanger
Het college kan aan een beschikking tot subsidieverlening de verplichting verbinden dat een subsidieontvanger aan het college een vergoeding van vermogenswaarden verschuldigd is in gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college. Indien de subsidiabele activiteiten veranderen en/of de kosten van de activiteiten voor meer dan 10% wijzigen, dient de subsidieontvanger een verzoek tot wijziging van de subsidieverlening bij het college in te dienen.
Artikel 13. Verklaring omtrent gedrag
Indien voor de personeelsleden, vrijwilligers en anderen die uit hoofde van hun functie in contact komen met minderjarigen of wilsonbekwame personen reeds op basis van een ander wettelijk voorschrift de verplichting tot het overleggen van een verklaring omtrent het gedrag bestaat, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing.
Wanneer de subsidieontvanger voor het eerst subsidie aanvraagt, overlegt hij bij zijn aanvraag tevens de bewijsstukken, waaruit blijkt dat hij voldoet aan het bepaalde in de voorgaande leden. Wanneer de subsidieontvanger gedurende de subsidierelatie activiteiten gaat ontplooien, waarbij minderjarigen of wilsonbekwame personen zijn betrokken, overlegt hij voornoemde bewijsstukken bij zijn eerstvolgende subsidieaanvraag.
HOOFDSTUK IV. VERANTWOORDING EN VASTSTELLING
Artikel 14. Verantwoording subsidies tot en met € 25.000,-
Voor subsidies tot en met € 25.000,- behoeft de subsidieontvanger geen verantwoording in te dienen. Wel dient de subsidieontvanger vijf jaar lang betalingsbewijzen en andere informatie te bewaren en desgevraagd beschikbaar te stellen aan het college over de activiteiten waarvoor de subsidie verleend is.
Artikel 15. Aanvraag tot vaststelling en verantwoording subsidies hoger dan € 25.000,-
Bij subsidies hoger dan € 25.000,- dient de subsidieontvanger schriftelijk, of digitaal als deze weg is opengesteld, een aanvraag tot vaststelling in bij het college:
Indien het college voor de aanvraag een formulier heeft vastgesteld, dan dient dit formulier door de aanvrager te worden gebruikt.
De in het vorige lid genoemde verklaringen dienen te zijn opgesteld door een registeraccountant, een accountant-administratie consulent, ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep, of door een boekhouder of financieel adviseur die is aangesloten bij een erkende beroepsorganisatie, zoals bijvoorbeeld SRA, mits deze beroepsorganisatie voldoet aan de kwaliteitseisen die vergelijkbaar zijn met die van het accountantsregister.
Het college kan voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststelling bij subsidieregeling of in de beschikking tot subsidieverlening, andere termijnen stellen dan genoemd in lid 1, en/of andere gegevens verlangen dan genoemd in het tweede tot en met het vierde lid om aan te tonen dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht, op welke wijze de subsidie is besteed en dat voldaan is aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Artikel 16. Besluit tot subsidievaststelling
Indien uit de aard van de subsidie of de verantwoording daarover volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het vorige lid genoemde termijn, dan kan deze termijn eenmaal voor ten hoogste 8 weken wordt opgeschort. Wordt de termijn aldus opgeschort, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag.
HOOFDSTUK V. OVERSCHOTTEN EN RESERVEVORMING
Artikel 17. Vorming bestemmingreserve
Er hoeft geen evaluatieverslag als bedoeld in artikel 4:24 Awb te worden gepubliceerd tenzij het college anders bepaald.
In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 januari 2026.
de griffier,
S. Engelen
de voorzitter,
H.F. van Oosterhout
In artikel 423, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb, is bepaald dat subsidie in beginsel slechts verstrekt wordt op grond van een wettelijke voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk en deze worden genoemd in lid 3 van art. 423. Het gaat dan om subsidies die in afwachting van totstandkoming van landelijke wetgeving of op basis van Europese regelgeving worden versterkt. Daarnaast is een wettelijk voorschrift niet nodig als het gaat om incidentele verstrekking van subsidies of subsidies waar de ontvanger en het bedrag aan subsidie op de begroting staat vermeld (begrotingssubsidies).
Voor gemeenten gelden de door de gemeenteraad vastgestelde subsidieverordening en de eventueel daarop gebaseerde door het college vastgestelde nadere subsidieregelingen als dergelijke wettelijke voorschriften.
Deze Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) geeft het kader aan waarbinnen subsidieaanvragen en subsidievaststellingen worden behandeld. In nadere regelingen worden vervolgens de (specifieke) activiteiten die voor subsidieverlening in aanmerking komen en de voorwaarden waaronder, nader beschreven.
Titel 4.2 van de Awb bevat specifieke bepalingen die van toepassing zijn op subsidies. De bepalingen uit de Awb gelden boven en naast de ASV en nadere regelgeving. Sommige bepalingen uit de Awb bieden de mogelijkheid eigen regels te stellen, andere hebben een dwingend karakter. Zo ligt de definitie van een subsidie bijvoorbeeld vast (artikel 4:21 Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Overigens: ook garanties en leningen kunnen onder het subsidiebegrip vallen. Zie CBb 06-10 oktober -2016, (ECLI:NL:CBB:2016:317) en CBb 01-05- mei 2018, (ECLI:NL:CBB:2018:237.)
Iedere financiële relatie tussen de gemeente en een burger of instelling die voldoet aan de kenmerken van de definitie, is een subsidie. Ook wanneer die relatie anders wordt genoemd, bijvoorbeeld opdracht of overeenkomst. Met andere woorden: het gaat om de inhoud, niet om “het etiket” dat erop geplakt wordt.
Ook bevat de Awb een regeling voor de situaties waarin een subsidie lager vastgesteld, ingetrokken, gewijzigd of beëindigd kan worden. Daarom zijn over deze onderwerpen, geen regels in de Asv opgenomen.
De ASV is ingedeeld in een zestal hoofdstukken, waarbij zoveel mogelijk chronologisch het proces van de verstrekking van de subsidie is aangehouden.
Hoofstuk I Algemene bepalingen
In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken.
Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid overgedragen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de ASV van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies op de genoemde beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is. De in dit lid genoemde beleidsterreinen zijn dezelfde zoals opgenomen in de gemeentelijke begroting.
Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijk voorschrift nodig is, (zoals bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de ASV in beginsel niet van toepassing. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat.
Artikel 3. Bevoegdheid college
Het college besluit binnen de daarvoor door de raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en deze verordening.. Met besluiten over het verstrekken van subsidies wordt naast het verlenen van subsidies, de bevoegdheid te besluiten over het gehele subsidieproces bedoeld, dus ook het bevoorschotten, (lager vaststellen, terugvorderen en dergelijke. Verder is bepaald dat het college hierbij de gemeentebegroting of (eventuele) subsidieplafonds in acht neemt.
Hierin is bepaald dat het college naast deze verordening nog nadere regels mag opstellen. Hier is ook gebruik van gemaakt door vaststelling van de diverse subsidieregelingen voor subsidieverstrekkingen. In andere artikelen van de ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond.
Hier is de bevoegdheid van het college geregeld om voorwaarden aan de subsidie te verbinden. Zie hiertoe ook artikel 4:33 Awb en voor het verschil met verplichtingen, artikel 4:37 Awb.
Ook de bevoegdheid om aan een subsidiebeschikking een uitvoeringsovereenkomst op grond van artikel 4:36 Awb te verbinden, berust bij het college.
Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er bij subsidieregeling afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.
Deze leden zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld.
Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader.
Het spreekt vanzelf dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.
Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
De gemeenteraad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting subsidieplafonds vaststellen. Bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de wijze van verdelen vermeld (zie ook artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De wijze van verdelen kan ook worden bekendgemaakt door te verwijzen naar de subsidieregeling waarin dit is vastgelegd. In dat laatste geval zal verwezen moeten worden naar een reeds geldende subsidieregeling. In andere gevallen zal geregeld (moeten) zijn dat óf de subsidieregeling en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden óf dat de subsidieregeling weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt, maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) is geregeld, kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag in hebben gediend voor bekendmaking (artikel 4:27 lid 2 Awb). Daarnaast wordt er, indien van toepassing, gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (derde en vierde lid, zie verder hieronder).
Voor zover de gemeenteraad geen subsidieplafond heeft vastgesteld, kan het college dit ook doen. Het is binnen de financiële kaders van de gemeentelijke begroting, dat het college aanvullende subsidieplafonds kan vaststellen.
De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27 lid 2 Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 Awb is voldaan:
Om te waarborgen dat het college alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt, zijn het tweede en het derde lid opgenomen. Het komt erop neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld, voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moeten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij bekendmaking van het plafond.
Het college, dat via artikel 2 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken.
In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, moet de aanvraag met gebruikmaking van dat formulier gedaan worden. Een aanvraag kan ook digitaal worden gedaan, als de digitale weg openstaat.
In het tweede en derde lid is bepaald welke gegevens bij de aanvraag in elk geval overlegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG).
Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Daarom zijn, in het tweede lid onder d, een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden. Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder een de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden. Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening. Een de-minimisverklaring kan worden opgevraagd middels de volgende webapplicatie op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (www.rvo.nl): https://webapplicaties.agro.nl/formule1/formulier/DR/scVerklMinimissteun.aspx/fIntroVerklMinimissteun.
Bij subsidieregeling kan het college besluiten hiervan af te wijken, bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en informatie te verlangen.
De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies. In beginsel moeten de aanvragen voor subsidie tijdig, in ieder geval ruim voordat met de activiteit wordt begonnen, zijn ingediend.
Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid.
Het proces zoals vastgelegd in de ASV is er op gericht een efficiënte behandeling van aanvragen te bewerkstelligen. Daarvoor is nodig dat aanvragers zich houden aan de gestelde termijnen. Zo niet, dan kan de aanvraag worden geweigerd. Als een aanvraag te laat is ingediend, zal altijd beoordeeld moeten worden of dit aan de aanvrager te verwijten is en of het redelijk is de subsidie op deze grond te weigeren.
Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andersoortige subsidies.
In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Uitgangspunt is dat op aanvragen voor subsidie per kalenderjaar uiterlijk op 31 december van het lopende jaar wordt beslist. Voor andere aanvragen geldt een termijn van 12 weken. Dit geldt overigens voor aanvragen waarbij alle gevraagde gegevens zijn ingediend. In principe worden aanvragen zo servicegericht, dus zo snel mogelijk, afgehandeld voordat met de te subsidiëren activiteiten wordt begonnen.
Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid.
De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden.
In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld.
Ondanks dat er sprake is van staatssteun, is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond onder a).
Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatssteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).
In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren van de Europese Commissie voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er moet sprake zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.
Hierin zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Deze gelden in aanvulling op artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob).
Een reeds verleende of vastgestelde subsidie kan ook worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Dit volgt rechtstreeks uit artikel 6 Wet Bibob.
Onderdelen a, f, en g spreken voor zichzelf.
Onderdeel b geeft het college de mogelijkheid de subsidie te weigeren, indien het college al enkele gelijksoortige activiteiten heeft gesubsidieerd of wanneer vanuit de samenleving al gelijksoortige initiatieven zijn ontplooid. Deze weigeringsgrond biedt het college de mogelijkheid om de subsidiemiddelen daar in te zetten waar deze naar het oordeel van het college het meest gewenst zijn.
Onderdeel c geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt of deze middelen eenvoudig van derden kan betrekken. De aanvrager kan in een dergelijk geval zelf in de kosten voorzien, zodat een bijdrage vanuit de overheid hier niet gewenst is. Bij de beoordeling of sprake is van voldoende eigen middelen wordt onder andere gekeken naar eigen vermogen van de aanvrager, waaronder begrepen een gevormde algemene reserve. Wanneer sprake is van een bestemmingsreserve, zoals bedoeld in artikel 17 en 18, wordt deze door het college voor de beoordeling of de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt, buiten beschouwing gelaten.
Onderdeel d geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd. Dit kan bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin de activiteiten ook zonder de subsidie doorgang zullen vinden of wanneer uit de bij de aanvraag overlegde begroting (artikel 6 lid 2 onder b) blijkt dat de kosten die met de subsidie gedekt zullen worden, niet noodzakelijkerwijs gemaakt behoeven te worden om de voorgenomen activiteiten te realiseren.
Onder f is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd, kan uiteraard nog wel op een andere grond worden geweigerd.
Onderdeel h: als gediscrimineerd wordt bij het verlenen van toegang tot de voorzieningen of activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, dan is gemeentelijke subsidie niet op haar plaats. Maar een enkele keer is er een goede reden om de toegang tot een gesubsidieerde activiteit te beperken tot sommige groepen (en andere dus uit te sluiten), namelijk wanneer daarmee juist die groepen worden bereikt welke bereikt moeten worden; het zal hier vooral gaan om gevallen van ‘passende positieve discriminatie’. Dan is er geen reden om niet te subsidiëren, het tegendeel zal veeleer het geval zijn.
Onderdeel i ziet op het doel van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en niet op de aanvrager zelf. Beoogd wordt tegen te gaan dat met de verstrekte subsidie winst gemaakt wordt, hetgeen veelal (maar niet uitsluitend) af te leiden zal zijn uit de bij de aanvraag gevoegde begroting. Dat de aanvrager zelf een natuurlijke of rechtspersoon is met een winstoogmerk behoeft in dit kader niet bezwaarlijk te zijn bij de verstrekking van een subsidie.
Onderdeel j ten slotte geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.
Als de Europese Commissie tot het oordeel is gekomen dat een subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU dan moet de verleende subsidie ingetrokken en teruggevorderd worden (inclusief rente). Dit op grond van artikel 3 van de Wet terugvordering staatssteun. Een bepaling daarover in de ASV is daarvoor niet nodig, omdat deze verplichting rechtstreeks uit de Wet terugvordering staatssteun voortvloeit. Opgemerkt moet worden dat de Europese Commissie heeft bepaald dat een gemeente geen verwachtingen kan wekken dat er geen sprake is van staatssteun. Met andere woorden: de subsidieontvanger kan zich er niet op beroepen dat hem was aangegeven dat er geen sprake van staatssteun zou zijn.
Hoofdstuk III De Subsidieverlening
Dit artikel brengt tot uitdrukking dat de wijze van verantwoorden van de verleende subsidie altijd vermeld wordt in de verleningsbeschikking, ook in die gevallen wanneer de wijze van verantwoorden expliciet is opgenomen in de ASV of een subsidieregeling. Voor subsidies tot en met € 25.000,- is het voorgaande de facto niet van toepassing, aangezien deze subsidies, gelet op artikel 16 lid 2, direct worden vastgesteld. In dergelijke gevallen is geen sprake van een voorafgaande verleningsbeschikking, waarin een wijze van verantwoording is opgenomen of opgenomen kan worden.
Subsidies tot en met € 25.000,- worden ineens uitbetaald. Nu deze subsidies, gelet op artikel 16 lid 2, direct worden vastgesteld, is hierop artikel 4:52 lid 1 Awb van toepassing dat bepaalt dat het subsidiebedrag overeenkomstig de subsidievaststelling wordt betaald. Indien in de verleningsbeschikking niet anders is bepaald, vindt betaling binnen zes weken na verzending van de verleningsbeschikking plaats. Zie artikel 4:87, lid 1, Awb.
In de systematiek van de Awb ontstaat pas een betalingsverplichting op het moment van de subsidievaststelling (zie het vorige lid in relatie met artikel 4:52 Awb). Subsidies hoger dan
€ 25.000,- worden echter pas vastgesteld, nadat de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd reeds zijn verricht. Dit leidt tot praktische problemen wanneer de subsidieontvanger zonder de betaling van de subsidie voorafgaand aan het uitvoeren van de activiteiten over onvoldoende liquide middelen beschikt om de voorgenomen activiteiten te bekostigen. Daarom is het aangewezen, daarbij gebruik makend van artikel 4:95 Awb, in voorkomende gevallen een voorschot te verlenen op de na subsidievaststelling verschuldigde geldsom.
Hoofdregel daarbij is dat subsidies hoger dan € 25.000,- in hun geheel worden bevoorschot en, met gebruikmaking van artikel 4:53 lid 1 Awb, in vier gelijke (kwartaaltermijnen worden uitbetaald. De verleningsbeschikking bevat in deze gevallen de data van betaling. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan artikel 4:87, lid 2 Awb, dat het mogelijk maakt om bij wettelijk voorschrift een andere betalingstermijn vast te stellen dan de algemene betalingstermijn van 6 weken uit artikel 4:87 lid 1 Awb.
Bevoorschotting van een lager percentage dan 100%, waarbij na vaststelling veelal een nabetaling volgt van het resterende percentage, leidt in de praktijk vaak niet de tot gewenste liquiditeit die subsidieontvangers nodig hebben om de voorgenomen activiteiten uit te voeren. Met name wanneer subsidieontvanger voornamelijk afhankelijk zijn van de vertrekt subsidies. Derhalve is in deze ASV als hoofdregel opgenomen dat bevoorschotting in beginsel voor 100% plaatsvindt. Artikel 4:59 Awb is echter alleen van toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen. Daarom is in dit tweede lid van artikel 11 uitdrukkelijk tot uiting gebracht dat deze wijze van betaling ook alleen in die gevallen van toepassing is.
In deze bepaling is de hoofdregel opgenomen voor overige subsidies hoger dan € 25.000,- die dus niet onder het regime van artikel 4:95 Awb vallen. Deze subsidies worden in hun geheel ineens betaald.
Deze bepaling is opgenomen om zoveel mogelijk recht te doen aan de praktijk en maatwerk mogelijk te maken.
Artikel 12. Verplichtingen van subsidieontvanger
In artikel 4:37 Awb staan de standaardverplichtingen vermeld welke het college bij de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger kan opleggen.
Hieronder valt ook de hoofdverplichting voor elke subsidieontvanger: de subsidie wordt aangevraagd met het oog op bepaalde te verrichten activiteiten, zodat het voor de hand ligt dat de subsidieontvanger de subsidie deze activiteiten inzet. Vergelijk ook de toelichting bij artikel 16. Ook de verplichting uit het tweede lid is een verbijzondering van artikel 4:37 (lid 1 onder f) Awb.
De artikelen 4:38 en 4:39 van de Awb maken het verder mogelijk om nog andere verplichtingen aan een subsidie te verbinden, als de verordening daarvoor een grondslag biedt. Het tweede lid biedt deze grondslag en het derde lid is hiervan een bijzonder concretisering.
Het gaat in het geval van artikel 4:38 Awb om doelgebonden verplichtingen. Deze verplichtingen kunnen rechtstreeks betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteit, maar ook een meer afgeleid en ondersteunend karakter hebben. Voorbeeld van het eerste: een verplichting aan een instelling om bepaalde activiteiten ten behoeve van derden (bijv. cursussen) uitsluitend te laten verzorgen door personen die aan bepaalde opleidingseisen voldoen. Voorbeeld van het tweede: verplichting inzake de wijze waarop de administratie moet worden gevoerd of aan het bestuursorgaan moet worden gerapporteerd over de activiteiten.
De verplichtingen van artikel 4:39 Awb betreffen zogenaamde niet-doelgebonden verplichtingen. Dit betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.
In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:
Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening, subsidieregeling of de beschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het derde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven.
Deze leden bevatten verplichtingen voor de subsidieontvanger om het college te informeren over omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte of besteding van de subsidie en (indien nodig) een verzoek te doen tot wijziging van de beschikking tot subsidieverlening.
De toestemming als bedoeld in artikel 4:71 Awb, kan alleen verplicht worden gesteld als hierin is voorzien bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening. Met het dit lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven.
Artikel 13. Verklaring omtrent gedrag
Het kan zijn dat een subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten waarbij minderjarigen of wilsonbekwame personen zijn betrokken. In dat geval dient de subsidieontvanger hun veiligheid te waarborgen. De manier waarop de subsidieontvanger deze waarborgen kan vormgeven, zijn beschreven in dit artikel.
Het verplicht stellen van een vastgesteld beleid voor het verkrijgen van subsidie sluit misbruik niet uit. Ook het bijhouden en gebruiken van een registratielijst en het hanteren van een tuchtprocedure doen dat niet (leden 4 en 5). Het laat wel zien dat subsidieontvanger en de gemeente Emmen bewust bezig zijn met het onderwerp. Ook dat kan potentiële plegers afschrikken.
Hier wordt vastgelegd dat de subsidieontvanger die personeelsleden, vrijwilligers en anderen inzet die uit hoofde van hun functie in contact komen met minderjarigen of wilsonbekwame personen, dient te beschikken over vastgesteld beleid waarin de veiligheid van deze minderjarigen of wilsonbekwame personen is gewaarborgd. In eerste instantie kan daarbij worden gedacht aan het overleggen van een verklaring omtrent gedrag.
Omdat de situatie voor elke organisatie anders ligt, dient de subsidieontvanger hier zelf beleid voor te maken. De subsidieontvangers kunnen daarbij gebruik maken van het stappenplan 'In veilige handen'. Nu de eigen verantwoordelijkheid van subsidieontvanger vooropstaat, kan de subsidieontvanger in zijn beleid ook op een andere wijze de veiligheid van minderjarigen of wilsonbekwame personen waarborgen, bijvoorbeeld door in plaats van een verklaring omtrent gedrag voor te schrijven dat altijd sprake is van toezicht door een derde (vier ogen-principe).
Het is ook aan de subsidieontvanger om te bepalen waar de scheidslijn ligt tussen diegenen die een verklaring omtrent gedrag moeten overleggen en diegenen waarvoor dit niet geldt. Hierbij speelt de aard van de door de desbetreffende persoon uit te voeren werkzaamheden, alsmede andere waarborgen van de veiligheid van minderjarigen of wilsonbekwame personen een rol. Vanzelfsprekend is de subsidieontvanger zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van het vastgestelde beleid.
Het kan voorkomen dat op grond van een wettelijk voorschrift op de subsidieontvanger reeds de verplichting rust om van alle personeelsleden, vrijwilligers en anderen die de subsidieontvanger inzet, een verklaring omtrent gedrag te vragen. In een dergelijk geval prevaleert deze wettelijke regeling boven de regeling uit deze verordening en is het eerste lid niet van toepassing.
Vanzelfsprekend hoeven (structurele) subsidieontvangers niet bij elke subsidieaanvraag bewijsstukken te overleggen om aan te tonen, dat zij voldoen aan de voorwaarden van de eerste twee leden. Het college hanteert hierbij het uitgangspunt dat een subsidieontvanger slechts bewijsstukken bij zijn aanvraag hoeft te voegen, wanneer hij in de voorgaande 3 jaren geen subsidieaanvraag heeft ingediend. Het kan natuurlijk voorkomen dat de activiteiten van een subsidieontvanger in de loop van de tijd veranderen. Daarom dient een subsidieontvanger bij de eerstvolgende subsidieaanvraag, nadat hij activiteiten heeft ontplooid, waarbij minderjarigen of wilsonbekwame personen betrokken zijn (waar dat eerder niet het geval was), de gevraagde bewijsstukken te overleggen.
Overigens dient de subsidieontvanger op grond van artikel 12 lid 7 onder f het college hier bij aanvang van de activiteiten al over te informeren.
Subsidieontvangers dienen naast het hanteren van een vastgesteld beleid, zoals bedoeld in lid 1, tevens de registratielijst van de “Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk” te hanteren, teneinde te voorkomen dat een kwaadwillende medewerker van de ene organisatie naar de andere kan overstappen. Dit betekent dat de subsidieontvanger bij binnenkomst van een nieuwe vrijwilliger controleert of de desbetreffende vrijwilliger op de registratielijst voorkomt en, indien dit het geval is, de desbetreffende vrijwilliger niet in dienst neemt. Bovendien dient de subsidieontvanger in die gevallen waarin een vrijwilliger na een tuchtprocedure wordt veroordeeld, van deze veroordeling melding te maken, zodat de desbetreffende vrijwilliger op de registratielijst kan worden geplaatst.
Eerder heeft het College Bescherming Persoonsgegevens toestemming verleend voor het beheren van een dergelijke registratielijst. Op deze lijst worden alleen mensen opgenomen die volgens een vastgestelde tuchtprocedure zijn veroordeeld. Op de website van de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) (www.nov.nl) en op de website van de Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk (www.tuchtrechtvrijwilligerswerk.nl) is de meest actuele informatie over dit onderwerp beschikbaar.
Wanneer de subsidieontvanger niet over een eigen tuchtprocedure beschikt, dient de subsidieontvanger de tuchtprocedure van de “stichting tuchtrecht vrijwilligerswerk” te hanteren. Over een eventueel gehanteerde eigen tuchtprocedure dient de subsidieontvanger met Vereniging NOV overeenkomst af te sluiten, zodat de registratielijst van de Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk gehanteerd kan worden om te melden en te raadplegen. In stappenplan 'In veilige handen' is door de Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk een blauwdruk opgenomen met randvoorwaarden, waaraan een tuchtprocedure dient te voldoen.
Hoofdstuk IV Verantwoording en vaststelling
Een bestuursorgaan is verplicht een verstrekte subsidie vast te stellen. Vaststelling vindt in het algemeen plaats na verlening, maar kan ook samenvallen met de verlening (zie hiervoor artikel 16 lid 2).
Wanneer de subsidie eerst is verleend, vindt de vaststelling na afloop van de activiteiten plaats. De beslistermijn van artikel 16 is hierbij van toepassing. Indien de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en de verplichtingen nageleefd, dan wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag dat is verleend.
Een subsidie vaststellen op een hoger bedrag dan is verleend, is niet mogelijk. De Awb biedt hiervoor geen grondslag. Lager vaststellen kan wel (artikel 4:46, tweede lid, Awb):
Artikel 14. Verantwoording subsidies tot en met € 25.000,-
Kenmerkend voor subsidies tot en met € 25.000,- is dat deze op basis van vertrouwen worden verstrekt. Er wordt niet meer standaard om een aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) gevraagd, nu subsidies tot en met € 25.000,- direct worden vastgesteld (zie artikel 16 lid 2) en er dus voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening genomen wordt. De noodzakelijke bewijsstukken worden direct met de aanvraag meegestuurd. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.
In plaats van verantwoording geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de verplichtingen (zie artikel 12). Ook indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan directe vaststelling worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard van de subsidie en risicoafweging van de subsidieverstrekker.
Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle (vandaar de verplichting om gedurende 5 jaren betalingsbewijzen en andere informatie te bewaren) plaatsvinden bij de subsidieontvanger, welke in bijzondere gevallen kan leiden tot terugvordering.
Artikel 15. Aanvraag tot vaststelling en verantwoording subsidies hoger dan € 25.000,-
In artikel 10 is bepaald dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend wordt gemaakt.
In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie hoger dan € 25.000,- aan het college dienen te verantwoorden; er dient, vóór de uiterlijke aanleverdatum, een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden.
De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Daarom dienen bij de aanvraag tot vaststelling enkele documenten te worden overlegd:
Allereerst een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt.
Verder dient ook een financieel verslag of jaarrekening te worden ingediend.
In voorkomende gevallen kan het college bepalen dat een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop toegevoegd moeten worden. Of hierin door het college verzocht wordt, zal afhangen van de aard van de subsidie(ontvanger). Wanneer een subsidieontvanger standaard een jaarrekening en balans opstelt en deze naar het oordeel van het college dienstig kunnen zijn bij de verantwoording van de subsidie, zal het college deze in beginsel opvragen.
Bij subsidies hoger dan €25.000,- is de hoofdregel dat de subsidieverantwoording in beginsel is voorzien van een verklaring van een onafhankelijke externe accountant, of een NBA geregistreerde financieel adviseur. Al naar gelang de hoogte van het verleende bedrag aan subsidie, wordt een beoordelingsverklaring, een samenstellingsverklaring of een controleverklaring gevraagd. Vanaf een bedrag van € 200.000,- wordt een controleverklaring gevraagd. Een dergelijke verklaring geeft de meeste zekerheid over de rechtmatige besteding van de subsidie. Aan deze verklaring zijn ook de hoogste kosten verbonden, maar bij subsidies van een dergelijke omvang, verhouden de kosten voor de accountant tot de omvang van de subsidie.
Voor subsidies hoger dan € 25.000,- tot en met € 200.000,- kan worden volstaan met een beoordelingsverklaring of een samenstellingsverklaring. Dergelijke verklaring bieden minder zekerheid, echter gelet op de hoogte van het subsidiebedrag en de hierbij te lopen financiële risico’s, kan hiermee worden volstaan. Wel zal in deze gevallen dor de gemeente goed worden gekeken naar de financiële onderbouwing van de besteding van de subsidie.
Om te voorkomen dat over meerdere ontvangen jaar subsidies apart verantwoording moet worden afgelegd, met de daarbij komende kosten, voor de aanvrager, is onder c de mogelijkheid opgenomen dat deze subsidies bij elkaar opgeteld kunnen worden en dat dan kan worden volstaan met 1 (totale) verklaring.
De accountant moet onderzoeken of het financiële verslag of de jaarrekening voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij (de accountant) dat verslag kan beoordelen, met de verantwoording verenigbaar is.
Wanneer een subsidieontvanger standaard een jaarrekening opstelt en deze vergezeld gaat van een controleverklaring van een onafhankelijke extern accountant, volstaat deze verklaring slechts als de accountant in deze verklaring uitdrukkelijk verklaart dat hij ook de verleende subsidie gecontroleerd heeft.
In dit lid is vastgelegd aan welke eisen degene die de verklaring opstelt, moet voldoen.
Dit lid biedt de basis om in een subsidieregeling of in de beschikking tot subsidieverlening te bepalen dat er ook andere, waaronder minder of meer, gegevens gevraagd worden. Dit biedt de mogelijkheid om maar maatwerk te leveren.
Dit artikel lid biedt de mogelijkheid om categorieën van subsidieontvangers aan te wijzen, waarbij de subsidie direct kan worden vastgesteld ook al is het verstrekte bedrag aan subsidie hoger dan € 25.000,-. Dit zal vooral om aanvragers gaan waarbij van te voren vaststaat dat het vragen van een verklaring over de verstrekte subsidie geen meerwaarde heeft, maar bijvoorbeeld door ingeleverde en betaalde facturen vaststaat dat de subsidie rechtmatig is verstrekt.
Artikel 16. Subsidievaststelling
In dit lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de beschikking tot subsidieverlening reeds de maximale subsidie bepaalt (vergelijk ook artikel 4:31 Awb). Bij de vaststelling wordt slechts bepaald welk gedeelte van de verleende subsidie besteed is, dit op basis van de ingediende verantwoording, Doorgaans zal dit het volledige verleende subsidiebedrag zijn, maar het vastgestelde bedrag kan ook lager zijn dan de verleende subsidie (zie onder andere artikel 4:46 Awb). Van deze situatie moet worden onderscheiden de situatie dat het college voorafgaand aan de subsidievaststelling de beschikking tot subsidieverlening wijzigt.
Voor subsidies tot en met € 25.000,- geldt dat zij ineens worden vastgesteld, zonder dat daar een afzonderlijk besluit tot subsidieverlening aan vooraf gaat. Voor een dergelijke subsidievaststelling behoeft derhalve geen aanvraag tot vaststelling met bijbehorende verantwoording ingediend te worden. Zie ook de artikelen 11 en 14.
Het derde lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking tot subsidievaststelling gegeven dient te worden, wanneer een aanvraag tot vaststelling met bijbehorende verantwoording is ingediend.
Het merendeel van de aanvragen zal binnen de in het vorige lid genoemde beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. In lid 4 is daarom de mogelijkheid opgenomen de beslistermijn te verdagen. Een besluit tot verdaging is niet appellabel.
Wanneer het college gebruikmaakt van deze verdagingsmogelijkheid, informeert het college de subsidieontvanger daarover zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.
Dit lid biedt de mogelijkheid om ook voor subsidies hoger dan €25.000,- aan te sluiten bij de directe vaststelling van het eerste lid. Dit is echter alleen mogelijk, indien dit bij subsidieregeling gebeurt en betrekking heeft op bepaalde categorieën subsidieontvangers.
Hoofdstuk V Overschotten en reservevorming
Artikel 17. Vorming van een reserve
Het kan voorkomen dat voor het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is aangevraagd, niet het volledige bedrag van de verleende subsidie nodig is geweest. Normaal gesproken leidt dit tot een lagere vaststelling van de subsidie, nu niet de gehele subsidie is besteed voor de activiteiten met het oog waarop deze is verstrekt. In bepaalde gevallen kan dit echter leiden tot ongewenste situaties. Daarom heeft het college een aantal voorwaarden gesteld waaronder ‘subsidie-overschotten’ behouden kunnen worden. Dit gaat dan om subsidieontvangers waarmee een langjarige subsidierelatie bestaat en die de subsidie ontvangen voor activiteiten die gedurende het hele jaar plaatsvinden (op grond waarvan zij een subsidie per kalenderjaar/boekjaar ontvangen).
Met deze ‘subsidie-overschotten’ dienen zij vervolgens een reserve te vormen. Deze reserve (als zodanig ook opgenomen in het financiële overzicht c.q. de balans) dient als een buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar. Dat de overschotten niet onbeperkt ‘gehouden’ kunnen worden, blijkt uit de omstandigheid dat het college hier een grens van 20% stelt. Bedraagt het overschot meer dan 20% van de verleende subsidie, dan wordt de subsidie voor het meerdere boven die 20% alsnog lager vastgesteld en eventueel teruggevorderd. Deze regeling is bedoeld om een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden te waarborgen. Daarnaast dient het als stimulans voor de subsidieontvanger om efficiënt met het subsidiegeld om te gaan.
Op de 20%-regeling uit het eerste lid bestaat een uitzondering. Het kan zijn dat een subsidieontvanger, met het oog op de continuïteit van de gesubsidieerde activiteiten in de toekomst, investeringen moet doen in roerende of onroerende zaken, voor welke bestemming hij een reserve wil vormen (bestemmingsreserve). Hierbij kan het voorkomen dat een reservering van 20% van het per jaar verleende subsidiebedrag onvoldoende is om de verwachte kosten van de investeringen te dekken. Het college wil hiertoe de mogelijkheid bieden, maar stelt daaraan wel een aantal voorwaarden. Zo moet van tevoren worden aangegeven voor welke bestemming de reserve zal worden gebruikt en moet de reserve ook boekhoudkundig correct worden verantwoord en benoemd binnen het subsidieproces.
Een van de voorwaarden uit het vorige lid is de uitdrukkelijke toestemming van het college voor het vormen van een bestemmingsreserve (zie ook artikel 12 lid 8 van deze verordening). Deze kan zowel vóór als na de verlening van de subsidie verkregen worden door daartoe een verzoek bij het college in te dienen. Bij het voorgaande dient te worden aangetekend dat toestemming van het college slechts noodzakelijk is voor zover de reserve gevormd wordt uit subsidiemiddelen of er subsidiemiddelen worden toegevoegd aan een reeds bestaande reserve. Subsidieontvangers zijn immers te allen tijde vrij om vanuit zelfstandig verkregen middelen reserves te vormen. De verhouding tussen deze reserves en de verstrekte subsidiegelden dient in een dergelijk geval duidelijk te blijken uit de tijdens het subsidieproces ingediende financiële documenten. Hierbij kan gedacht worden aan de begroting bij de subsidieaanvraag of de financiële stukken behorende bij de verantwoording.
Het kan niet de bedoeling zijn dat deze reserve oneindig groot wordt. Het college kan dan ook in subsidieregelingen uitwerken wat de totale maximale omvang van de reserve mag bedragen of binnen welke tijd deze moet worden ingezet.
De reservevorming dient telkens duidelijk te blijken uit de door de subsidieontvanger ingediende verantwoording, zodat het college hierbij met de vaststelling van de subsidie rekening kan houden.
Wanneer een subsidieontvanger reeds een reserve heeft gevormd en hieraan subsidiegelden wil toevoegen, dan is dit mogelijk. De vorming van deze reserve dient vanzelfsprekend wel in overeenstemming zijn met de voorwaarden uit artikel 17 en 18 die anders op de reservevorming van toepassing zouden zijn geweest. Deze regeling is niet bedoeld om reeds gevormde reserves achteraf maar onbeperkt te legitimeren. Derhalve kan dit lid ook slechts beperkt worden opgevat als een afwijkingsmogelijkheid van lid 3 van dit artikel. Voorop staat dat een subsidieontvanger slechts een bestemmingsreserve kan vormen, wanneer het college hier vooraf toestemming voor gegeven heeft. De regeling in lid 5 kan dan ook slechts worden gebruikt voor zover de subsidieontvanger reeds een reserve in het leven geroepen heeft vóór de inwerkingtreding van deze verordening (zie artikel 22) of wanneer de subsidieontvanger voor het eerst subsidie ontvangt en in het verleden reeds een reserve gevormd heeft.
Artikel 18. Vereisten toestemming vorming bestemmingsreserve
Het verzoek wordt getoetst aan de voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 17 en 18, en afhankelijk van de uitkomst van deze toetsing, gehonoreerd dan wel afgewezen.
Omdat het bij de vorming van bestemmingsreserve kan gaan om aanzienlijke bedragen (er wordt immers vaak een maatregel getroffen voor aanzienlijke kosten), dient aan een aantal waarborgen te zijn voldaan, wil het college toestemming geven voor de vorming van een bestemmingsreserve. Deze waarborgen zijn als voorwaarden voor de toestemming van het college in het onderhavige lid opgenomen.
Om te voorkomen dat de subsidiemiddelen in enig privévermogen vloeien, dient de subsidieontvanger die een bestemmingsreserve wil vormen, rechtspersoonlijkheid te bezitten. Daarnaast dient duidelijk te zijn dat de subsidieontvanger redelijkerwijs niet anders dan door reservevorming in de te verwachten kosten kan voorzien. Tot slot dient er een relatie te zijn tussen het doel en de activiteiten van de subsidieontvanger en de bestemming waarvoor de reserve gevormd wordt.
Voor een illustratie van het onderscheid tussen het doel en de activiteiten van de subsidieontvanger is hieronder een voorbeeld opgenomen:
Een organisatie die welzijnsactiviteiten op allerlei terreinen verricht, ontvangt een subsidie voor activiteiten ten behoeve van de bevordering van zelfredzaamheid van ouderen. Deze organisatie verzorgt echter ook buitenschoolse opvang en wil een reserve vormen om onderhoud te kunnen plegen aan de accommodaties waarin deze buitenschoolse opvang plaatsvindt. Hoewel deze activiteiten naar alle waarschijnlijkheid wel conform de statutaire doelstellingen van deze organisatie zijn, zal het college in dit geval toch haar toestemming voor het vormen van een bestemmingsreserve uit de verstrekte subsidiemiddelen weigeren. De bestemming (onderhoud buitenschoolse opvanglocaties) wijkt immers af van de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt (bevorderen zelfredzaamheid ouderen).
Artikel 19. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen
Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling vastgelegd dienen te worden. De aanvrager zal daarmee dan bij zijn aanvraag rekening moeten houden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
Een veel gebruikte methode voor de bepaling van de omvang van het subsidiebedrag is de berekening van de (gedeeltelijke) bijdrage aan de werkelijke kosten van subsidiabele activiteiten. Hierbij is een belangrijke basis voor de financiering/subsidie (kostengrondslag) de inzet van personeel. De subsidieontvanger moet zich verantwoorden over het aantal subsidiabele uren en de totstandkoming van de uurtarieven. Bij het bepalen van de standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kan het college aansluiten bij de berekeningswijzen, zoals die in het Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd:
Ter verduidelijking is opgenomen dat voor BTW die compensabel of verrekenbaar is, geen subsidie wordt verleend. Ook kan in een enkel geval blijken dat na afloop van de activiteiten de subsidieontvanger BTW verschuldigd is over diverse kosten. Met die BTW-kosten is dan bij de subsidieverlening geen rekening gehouden. Verzoeken om de BTW-kosten alsnog te compenseren met een subsidie, worden afgewezen.
Subsidiebedragen zijn inclusief eventueel verschuldigde BTW (lid2).
In artikel 4:24 Awb, is bepaald dat om de 5 jaar een evaluatieverslag moet worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Hier kan van afgeweken worden als dit bij wettelijk voorschrift (verordening) is bepaald. Met dit artikel wordt het aan het college overgelaten of, en hoe vaak een dergelijk verslag wordt gepubliceerd. Overigens wordt door het college jaarlijks een overzicht van de verstrekte subsidies opgemaakt.
Daarnaast wordt aan de subsidieontvanger al de verplichting opgelegd om bij de aanvraag tot subsidievaststelling een inhoudelijk verslag met betrekking tot de verleende subsidie in te leveren zodat ook beoordeeld kan worden in hoeverre de verleende subsidie effectief is besteed.
Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan bepalingen in de ASV (eerste lid) of de toepasselijke subsidieregeling (tweede lid) wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. Het college kan dan van deze bepalingen afwijken.
Een te treffen voorziening, die niet in de verordening of subsidieregeling is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen.
Artikel 23. Inwerkingtreding en overgangsbepaling
In het tweede lid is het overgangsrecht geregeld. Aanvragen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreden van de nieuwe verordening, worden beoordeeld op grond van de Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2017. Indien voor deze aanvragen ook een aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden ingediend, dan worden deze aanvragen ook beoordeeld op grond van de Asv Emmen 2017.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-53943.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.