Gemeenteblad van Dongen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Dongen | Gemeenteblad 2026, 519990 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Dongen | Gemeenteblad 2026, 519990 | beleidsregel |
Beleidsregels Afstemming, bestuurlijke boete en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Dongen
Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Dongen
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen;
het wenselijk is regels vast te stellen over wanneer het college een bestuurlijke boete beziet in het kader van schending van de inlichtingenplicht, rekening houdend met het feit dat die schending ook het gevolg kan zijn van onoplettendheid of een kleine vergissing.
besluit vast te stellen de Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Dongen.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004), Boetebesluit socialezekerheidswetten, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2024.
Wanneer, als gevolg van een overtreding van de inlichtingenverplichting, sprake is van een benadelingsbedrag, stelt het college de hoogte van de bestuurlijke boete vast op de ernst van de gedraging en de mate waarin deze aan de overtreder is te verwijten, zoals opgenomen in artikel 10 van deze beleidsregels. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Paragraaf 2.2. Overige bepalingen maatregelen
Artikel 7. Verzoek tot herzien van een maatregel geüniformeerde arbeidsverplichting
Als belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de maatregel vanaf die dag komt te vervallen.
Hoofdstuk 4 Handhaving, bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik
Artikel 14. Vroegtijdig informeren en onderzoeken
Het doel van vroegtijdig informeren is om spontane naleving van de aan de uitkering verbonden verplichtingen te bevorderen. Als klanten volledig zijn geïnformeerd, voorkomt dit onwetendheid.
Het college is bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en kan de aangeleverde documenten of bewijsstukken zowel bij aanvang als tijdens de lopende uitkering valideren bij externe instanties. Het college houdt hierbij altijd rekening met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Artikel 15. Optimalisatie van de dienstverlening
Het doel van het optimaliseren van de dienstverlening is om spontane naleving van de verplichtingen door de klanten te faciliteren en bevorderen.
Personen met (wisselende) inkomsten leveren maandelijks een inkomstenverklaring in. Alle andere personen geven wijzigingen door via het wijzigingsformulier. Het college wijst de klant op de gevolgen van het niet, te laat, onjuist of onvolledig doorgeven van relevante gegevens via de inkomstenverklaring of het wijzigingsformulier. Niet, te late, onjuiste of onvolledig ingevulde inkomstenverklaringen kunnen leiden tot het opschorten van het recht op uitkering of zelfs tot het beëindigen van de uitkering als hierdoor het recht op bijstand niet (langer) meer is vast te stellen.
Artikel 16. Vroegtijdige detectie en afhandeling
Het doel is om fraudesignalen in een vroeg stadium te signaleren, zodat het college hierop direct adequaat kan reageren. Met vroegtijdig ingrijpen blijft de (financiële) schade voor zowel de klant als de gemeente zoveel mogelijk beperkt.
Paragraaf 4.5. Daadwerkelijk sanctioneren
Artikel 20. Daadwerkelijk sanctioneren in geval van geconstateerde fraude
Het sluitstuk van de handhavingsaanpak is de uiteindelijke sanctionering van de overtreder. Het doel hiervan is enerzijds misbruik te straffen en dus het draagvlak voor de sociale zekerheid te handhaven.
Aan de andere kant beoogt het een gedragsverandering bij de overtreder te bewerkstelligen. Wanneer algemeen bekend is dat het college zwaar straft, zal daar bovendien een preventieve werking uitgaan.
Als sprake is van terugvordering van ten onrechte verleende bijstand voor levensonderhoud en er is ook sprake van verstrekking van bijzondere bijstand in dezelfde periode, dan strekt de terugvordering zich ook uit over deze bijzondere bijstand. Het kan gaan om individuele bijzondere bijstand, maar ook om de individuele inkomenstoeslag.
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Afstemming, bestuurlijke boete en handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Dongen’.
In de Participatiewet en de IOAW/IOAZ staat de inlichtingenplicht: de plicht van belanghebbende om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. In de socialezekerheidswetten is een boeteregime opgenomen dat van toepassing is als de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Op het moment dat het college constateert dat iemand de inlichtingenplicht heeft overtreden en daardoor ten onrechte of voor een te hoog bedrag een uitkering heeft ontvangen, dan moet volgens de wet een boete worden opgelegd. Deze boete is gerelateerd aan het bedrag dat ten onrechte is ontvangen, het zogenaamde benadelingsbedrag. Bij de berekening van de hoogte van de boete speelt de mate van verwijtbaarheid een rol. Vervolgens wordt bezien of er omstandigheden zijn die die aanleiding geven het boetebedrag te verlagen, bijvoorbeeld draagkracht of persoonlijke omstandigheden.
Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Wanneer het voornemen bestaat een maatregel of een boete op te leggen, beziet het college of de belanghebbende de opgelegde verplichting verwijtbaar heeft geschonden. In het bestuursrecht bestaat het uitgangspunt dat wanneer iemand de inlichtingenplicht heeft geschonden, dit in beginsel verwijtbaar is. De bewijslast aan te tonen dat de schending niet of verminderd verwijtbaar is, ligt bij betrokkene.
Ontbreekt iedere vorm van verwijtbaarheid, dan legt het college geen maatregel of boete op. Ditzelfde geldt als sprake is van een rechtvaardigingsgrond, zoals overmacht of noodweer.
Soms valt de schending van een verplichting belanghebbende slechts deels te verwijten en is sprake van verminderde verwijtbaarheid. De wet geeft het college de bevoegdheid in deze situaties de maatregel of boete in dat geval voor een lager bedrag op te leggen.
Voordat het college een maatregel oplegt, na overtredingen genoemd in artikel 19, aanhef en onderdeel b, en artikel 20, aanhef en onderdeel b van de Verzamelverordening, legt zij eerst een waarschuwing op.
Er wordt geen waarschuwing opgelegd, ingeval belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan een gedraging uit dezelfde categorie. Of wanneer ondubbelzinnig uit houding en gedrag van belanghebbende blijkt dat hij zich niet aan de verplichting wil houden.
Door eerst een waarschuwing te geven, geeft het college aan belanghebbende een signaal af dat hij fout gehandeld heeft. Het college verlaagt dan niet meteen de uitkering van belanghebbende, maar geeft wel een signaal af.
Voor wat betreft de bestuurlijke boete maakt het college gebruik van haar bevoegdheid (artikel 2aa Boetebesluit Socialezekerheidswetten) om in bepaalde gevallen te volstaan met een waarschuwing bij schending van de inlichtingenplicht. Het college legt dan een schriftelijke waarschuwing op als de overtreding van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, of als het netto benadelingsbedrag lager is dan € 150,00. Daarnaast legt het college een schriftelijke waarschuwing op, als de inlichtingenplicht te laat, maar nog wel binnen 60 dagen uit eigen beweging is nagekomen.
Hierbij is van belang dat het college de overtreding nog niet heeft geconstateerd en dat de informatie niet is verstrekt in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering.
Wanneer twee jaar voorafgaand aan de overtreding al eerder een waarschuwing of boete is opgelegd, kan het college niet (meer) volstaan met een waarschuwing. Bovendien volstaat het college niet met een schriftelijke waarschuwing als de overtreding van de inlichtingenplicht opzettelijk is gedaan. De stelplicht en bewijslast hiervan ligt bij het college. Als de inlichtingenplicht opzettelijks is overtreden, legt het college de minimale boete van € 150,00 op. In alle overige situaties, met uitzondering van verminderde verwijtbaarheid, bedraagt de boete € 40,00. Als sprake is van verminderde verwijtbaarheid, volstaat het college met een schriftelijk waarschuwing.
Als het college een boete oplegt, dient zij de evenredigheid te beoordelen. Het college verlaagt de boete als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is door de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete. Toepassing hiervan zal in de praktijk zelden voorkomen, omdat met dit artikel al voldoende rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de (financiële) omstandigheden van belanghebbende waaronder de overtreding is begaan.
Artikel 4. Arbeidsverplichtingen
De arbeidsverplichting is een belangrijke verplichting uit de PW. Uitgangspunt van de PW is immers werk boven uitkering. Het is daarom van groot belang dat onze klanten, als het kan, zo snel mogelijk (weer) aan het werk gaan. Tegenover de arbeidsverplichting staat de mogelijkheid om een maatregel op te leggen als de klant zich niet aan de arbeidsverplichting houdt. Omdat de arbeidsverplichting zo'n belangrijke plaats heeft binnen de PW, past een scherp maatregelenbeleid bij een eventuele schending van die arbeidsverplichting. De maatregelen die we kunnen opleggen bij schending van de arbeidsverplichtingen zijn vastgelegd in artikel 19 en 20 van de Verzamelverordening.
In het eerste lid is aangegeven wanneer het college in ieder geval van mening is dat de arbeidsverplichtingen zijn geschonden. De opsomming is niet uitputtend bedoeld, maar geeft aan wanneer het college in ieder geval aanleiding ziet om een maatregel op te leggen wegens schending van de arbeidsverplichting. In het eerste lid, onderdeel c, is opgenomen dat sprake is van schending van de arbeidsverplichting als belanghebbende niet naar vermogen solliciteert. Het begrip sollicitatieactiviteiten vatten we ruim op. Hieronder vallen, naast het schrijven van sollicitatiebrieven of het solliciteren via internet, ook het langsgaan bij uitzendbureaus, contacten onderhouden met en reageren op vacatures van uitzendbureaus, bedrijfsbezoeken, gesprekken binnen het eigen netwerk, het bijwerken van een curriculum vitae, het aanmaken en bijwerken van een profiel op een - professioneel - sociaal medium, enzovoort. De consulent kan in overleg met de belanghebbende, afwijkende afspraken maken. Deze afspraken legt de consulent vast in een Plan van aanpak of een beschikking.
In het derde lid is aangegeven wanneer het college afziet van het opleggen van een maatregel. Ook hier geldt dat de opsomming niet limitatief bedoeld. Hetgeen bepaald is ten aanzien van de PW, geldt evenzeer voor de IOAW en IOAZ.
Artikel 5. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op grond van de PW
Ook tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan een reden zijn om een maatregel op te leggen. In het eerste lid is aangegeven in welke gevallen het college vindt dat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De lijst is niet limitatief bedoeld. Wanneer er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het college op twee manieren sanctioneren:
Als het college een maatregel oplegt, neemt zij artikel 23, tweede en vierde lid van de Verzamelverordening in acht.
Artikel 16, tweede lid van de verzamelverordening past het college toe als er sprake is van een benadelingsbedrag. Hiervan is sprake als het college te veel bijstand heeft uitbetaald. Afhankelijk van de grootte van het benadelingsbedrag bedraagt de maatregel 10% of 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Als sprake is van te snel interen op een in aanmerking te nemen vermogen, past het college artikel 23, zevende lid van de Verzamelverordening toe. In dat geval legt het college een maatregel van 100% van de bijstandsnorm op. De duur van de maatregel is in dat geval afhankelijk van het aantal maanden dat de belanghebbende eerder een beroep op bijstand doet, dan wanneer hij zorgvuldig had ingeteerd op het vermogensoverschot.
In het derde lid heeft het college bepaald dat zij de bijstand gaat toekennen in de vorm van een renteloze geldlening als het opleggen van een maatregel van 100% van de bijstandsnorm leidt tot onbillijkheden.
In het vierde lid heeft het college aangegeven wanneer er in ieder geval sprake is van onbillijkheden. Ook hier geldt dat de opsomming niet limitatief is bedoeld. Als een klant te snel heeft ingeteerd op een in aanmerking te nemen vermogen beoordeelt het college dus eerst of we een maatregel van 100% gedurende een aantal maanden gaan opleggen. Pas als dat, vanwege de persoonlijke situatie van de klant, niet mogelijk is, gaat het college over tot het verlenen van leenbijstand.
Artikel 6. Ernstige misdragingen
In artikel 4:6 geeft het college aan wat zij verstaat onder ernstige gedragingen. De verschillende gedragingen, die zijn beschreven in het eerste lid, zijn van belang voor de duur van de maatregel. Dit komt tot uitdrukking in het derde lid. De opdracht om beleidsregels vast te stellen op het punt van ernstige gedragingen volgt uit artikel 24 van de Verzamelverordening. Belangrijk is dat het agressieprotocol in werking treedt, wanneer een klant zich schuldig maakt aan ernstige - agressieve - gedragingen. Op grond van het agressieprotocol registreert het college het incident en spreekt zij de klant aan op zijn gedrag. Er volgt een 'ordegesprek'. Ook doet het college aangifte bij de politie in het geval van agressie. In extreme gevallen kan de klant een gebouwverbod opgelegd krijgen. Met het in werking stellen van het agressieprotocol geeft het college aan de klant een signaal af dat zij agressief gedrag jegens de medewerkers niet tolereert.
Paragraaf 2.2. Overige bepalingen maatregelen
Artikel 7. Verzoek tot herzien van een maatregel geüniformeerde arbeidsverplichting
Met de Wet Maatregelen WWB 2015 - welke zijn opgenomen in de PW - zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid, van de PW). Een belanghebbende kan, als er een maatregel is opgelegd voor schending van één van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18, elfde lid, PW, een verzoek indienen om de maatregel te herzien. Het college kan dit doen, als uit de houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen weer nakomt. De belanghebbende zal concrete feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen en deze moeten aantonen.
Artikel 8: Spreiding verlaging naar drie maanden (inkeerbepaling)
Omdat het doel van het opleggen van een verlaging is om een gedragsverandering teweeg te brengen, krijgt een belanghebbende door de inkeerbepaling de kans zijn gedrag te veranderen waarna de opgelegde verlaging ongedaan gemaakt kan worden
Het moet dus altijd gaan om een gedraging die nog hersteld kan worden (met andere woorden: waar inkeer nog van mogelijk is). Dit artikel geeft aan op welke wijze de maatregel wordt gespreid.
Gemeenten krijgen ruimte om bij het niet nakomen van de opgelegde verplichtingen een maatregel op maat op te leggen. Deze hoogte kan dan meer passend op de zwaarte van de niet nagekomen verplichting worden afgestemd. Daarbij kunnen alle omstandigheden van de bijstandsgerechtigde meegewogen worden. De gemeente kan ook afzien van verlaging van de bijstand en bijvoorbeeld volstaan met een waarschuwing.
Artikel 9. Spreiding maatregel 100% naar twee maanden 50%
Het opleggen van een maatregel van 100% gedurende één maand is de zwaarste sanctie die het college kan opleggen aan een belanghebbende. Bij het opleggen van de maatregel houdt het college rekening met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van persoon en gezin.
Ondanks het feit dat het college tot de conclusie kan komen dat het opleggen van een zware sanctie (maatregel van 100%) op zijn plaats is, kan dit leiden tot ongewenste situaties. Dit artikel biedt daarom de mogelijkheid om de maatregel van 100% in één maand, te spreiden naar een maatregel van 50% gedurende twee maanden. In het eerste lid zijn gevallen genoemd waarin het college voor deze spreiding kiest. De lijst in het eerste lid is niet limitatief. Ook in andere bijzondere situaties kan het college kiezen voor spreiding van de maatregel van 100% in één maand naar 50% gedurende twee maanden.
Hoofdstuk 3. Bestuurlijke Boete
Artikel 10. Vaststellen hoogte bestuurlijke boete
Het college moet de hoogte van de bestuurlijke boete afstemmen op de mate van verwijtbaarheid, beoordeeld naar de omstandigheden waarin belanghebbende verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen. Hierbij moet het college toetsen of sprake is van opzettelijk handelen of het opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht, grove nalatigheid van het nakomen van de inlichtingenplicht dan wel of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Onder opzet is te verstaan het willens en wetens handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenplicht, met het doel om zichzelf te bevoordelen en de gemeente te benadelen. Er is niet alleen sprake van opzet als het motief is om doelbewust de inlichtingenplicht te overtreden. Onder opzet is ook te verstaan 'voorwaardelijk opzet': het doelbewust handelen (willens) en op de koop toenemen (wetens) dat het handelen of nalaten tot gevolg heeft dat men een beboetbare overtreding begaat. Opzet onderscheidt zich ten aanzien van grove schuld in het 'willens' omdat het mogelijk is vast te stellen dat er sprake is van doelbewust handelen. Hiervan kan sprake zijn als gedurende een langere periode meerdere malen is gevraagd naar inkomsten (inkomstenverklaringen, heronderzoeken) en belanghebbende consequent heeft aangegeven dat hiervan geen sprake is.
De stelplicht en bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van opzet ligt bij het college.
Bij grove schuld is sprake van ernstige, aan opzet grenzende nalatigheid of verregaande slordigheid. De verwijtbaarheid ligt hoger dan de normale 'gemiddelde' verwijtbaarheid. Belanghebbende is zich bewust (het 'wetens') dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat het college een te hoog bedrag aan uitkering zou kunnen toekennen. Grove schuld onderscheidt zich van (voorwaardelijk) opzet in de bedoeling van de belanghebbende en diens houding. In het geval van grove schuld is dit namelijk een optimistische: de belanghebbende is zich weliswaar bewust dat hij de inlichtingenplicht overtreedt maar gaat lichtzinnig om met de mogelijke gevolgen of overziet deze niet. Belanghebbende zou de overtreding niet voltooien als hij had geweten dat de gevolgen zich daadwerkelijk zouden manifesteren. Het verwijt dat belanghebbende is te maken, is dat hij te veel risico heeft genomen met zijn gedrag. De stelplicht en bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van grove schuld, ligt bij het college.
Er is sprake van normale verwijtbaarheid als geen sprake is van het opzettelijk handelen of het opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht of grove nalatigheid van het nakomen van de inlichtingenplicht. Normale verwijtbaarheid onderscheidt zich van grove schuld dat belanghebbende redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag van invloed kan zijn voor de uitkering, maar zich hier niet van bewust is geweest, waar hij dat wel had moeten zijn. Belanghebbende kent de reikwijdte van de inlichtingenplicht (kenbaarheidsvereiste) maar er is niet gebleken dat de inlichtingenplicht 'willens' en/of 'wetens' is overtreden. Als het voor belanghebbende onduidelijk is of hij informatie moet doorgeven, ligt het op zijn weg daaromtrent direct contact op te nemen met de medewerker van de WIZ. Het is niet aan belanghebbende te beoordelen welke inlichtingen al dan niet als relevant zijn aan te merken.
Uit artikel 2a Boetebesluit Socialezekerheidswetten volgt dat in ieder geval de volgende criteria leiden
tot verminderde verwijtbaarheid:
belanghebbende geeft een wijziging van omstandigheden niet onverwijld door, maar heeft, later dan 60 dagen nadat de wijziging doorgegeven had moeten zijn, alsnog de juiste inlichtingen verstrekt. Hierbij is van belang dat het college de overtreding nog niet heeft geconstateerd en dat de informatie niet is verstrekt in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering;
In de volgende gevallen is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid:
de belanghebbende beheerst de Nederlandse taal niet of onvoldoende. Dat belanghebbende de inhoud van de correspondentie niet begrijpt omdat hij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, is op zichzelf onvoldoende reden om vast te stellen dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Van belanghebbende mag het college verwachten dat hij zich laat informeren over de inhoud en de betekenis ervan;
de belanghebbende is langere tijd niet in staat zijn belangen te behartigen. Het college mag van belanghebbende vergen dat hij ervoor zorgt dat een ander zijn zaken regelt. Laat hij dat na, dan is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast is het niet mogelijk in het algemeen te stellen dat er sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid als de belanghebbende onder bewind staat. Dit moet het college in iedere situatie individueel vaststellen.
Voor het bepalen van de hoogte van de boete gaat het college uit van het benadelingsbedrag dat is ontstaan als gevolg van de overtreding van de inlichtingenplicht. Uitgangspunt is dat de maximale boete die het college kan opleggen gelijk is aan het benadelingsbedrag dat is ontstaan als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
Als bij de beoordeling van de boete blijkt dat meerdere verlagingen van toepassing zijn, dan geldt het (voor de belanghebbende) meest gunstige percentage.
De boete kan in ieder geval niet hoger zijn dat dat iedere belanghebbende, ongeacht zijn eventuele draagkracht in inkomen of vermogen, in bijstandsbehoeftige omstandigheden binnen een redelijke termijn kan voldoen. Daarbij gaat het college er van uit dat belanghebbende in ieder geval de beschikking kan hebben over een inkomen, gelijk aan een bijstandsuitkering. Het gedeelte van het inkomen dat belanghebbende in ieder geval zou kunnen aanwenden voor het betalen van de boete, stelt het college fictief vast op 25% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Daarbij gaat het college eraan voorbij of deze (theoretische) ruimte in de praktijk op andere wijze is beperkt of ingenomen. Dit zou anders betekenen dat vanwege het ontbreken van inkomsten of ruimte voor beslag er geen boete mogelijk is.
Het uitgangspunt van een redelijke termijn is 24 maanden bij opzet, 18 maanden bij grove schuld, 12 maanden bij 'normale verwijtbaarheid' en 6 maanden bij verminderde verwijtbaarheid. Met inachtneming van de mate van verwijtbaarheid is de boete in ieder geval niet hoger dan het aantal maanden vermenigvuldigd met 25% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Als het hieruit voortvloeiende boetebedrag niet leidt tot een evenredige bestuurlijke boete, is het mogelijk de boete verder te matigen als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is. Toepassing hiervan zal in de praktijk zelden voorkomen omdat met toepassing van dit artikel al voldoende rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en de financiële omstandigheden van de belanghebbende.
In overeenstemming met artikel 2 Boetebesluit Socialezekerheidswetten rondt het college de bestuurlijke boete af op een veelvoud van € 10,00. Omdat de boete nooit hoger is vast te stellen dan het ontstane benadelingsbedrag, rondt het college de boete af op een veelvoud van € 10,00 naar beneden als er sprake is van opzettelijk handelen of opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenplicht.
Als de inlichtingenplicht is geschonden vóór 1 januari 2013 en de schending na 1 januari 2013 voortduurde, betekent dat de schending van de inlichtingplicht derhalve plaatsvond gedeeltelijk voor
de invoering van de 'Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving' en gedeeltelijk erna. Het gedeelte van de overtreding die zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 2013 beoordeelt het college aan de hand van het recht dat voor die datum gold. Het gedeelte van de overtreding dat na 1 januari 2013 is begaan, beoordeelt het college aan de hand van het recht zoals dat per die datum is gaan gelden. Hieruit volgt dat het college de hoogte van de boete in twee stappen moet vaststellen.
Eerst beoordeelt het college wat de hoogte zou zijn van de maatregel voor het gedeelte van de overtreding dat plaatsvond vóór 1 januari 2013. Het exacte bedrag van de maatregel dat toen opgelegd zou zijn, niet afgerond op een veelvoud van € 10,00 legt het college nu als boete op. Bij dit bedrag telt het college de boete op over de periode vanaf 1 januari 2013.
Artikel 11. Procedure en zienswijze
Een zorgvuldige voorbereiding met oog voor het te behalen effect en de belangen van de gemeente en de inwoner, draagt bij aan een passend besluit, het vroegtijdig signaleren van problemen (o.a. schulden) en daarmee ook aan een integrale dienstverlening en een betere acceptatie van besluiten door inwoners. Op deze wijze draagt een zorgvuldig voorbereid besluit ook bij aan een herstel van vertrouwen in de overheid. Wanneer een uitkeringsgerechtigde een beroep doet op dringende redenen om af te zien van de boete of terugvordering, is de toets aan het evenredigheidsbeginsel eenvoudiger als dit besluit tot het opleggen van een boete of terugvordering zorgvuldig is voorbereid en de persoonlijke situatie van betrokkene goed in kaart is gebracht.
Bij een gebleken opzettelijke schending van de inlichtingenplicht vindt er altijd een ‘boete-onderzoek’ plaats, voordat de boete daadwerkelijk wordt opgelegd. Dit onderzoek is maatwerk, waarbij de individuele situatie van de belanghebbende en vooral diens opzettelijke gedrag en mogelijkheid tot nakoming van de inlichtingenplicht centraal staan.
In het boete-onderzoek moet ook een zorgvuldige evenredigheidstoets plaatsvinden. Dit betekent dat een belangenafweging moet plaatsvinden, waarin wordt afgewogen of de gevolgen van het opleggen van de boete niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel van het opleggen van de boete.
Als het college het voornemen heeft om een boete op te leggen, waarbij de boete hoger is dan het bedrag vermeld in artikel 5.53 Awb, dan wordt de belanghebbende altijd in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Dit is de zogenoemde zware procedure. De belanghebbende wordt per brief (dit is het rapport of proces verbaal) geïnformeerd over het voornemen van het college om een boete op te leggen. Bijeen benadelingsbedrag tussen de € 340,- en de € 2.500, - ontvangt belanghebbende een brief waarin belanghebbende wordt uitgenodigd om voor een bepaalde termijn te reageren op het voornemen. Bij een benadelingsbedrag boven de € 2.500, - ontvangt belanghebbende een brief waarin een datum is vermeld waarop de klant zijn zienswijze kenbaar kan maken. In beide gevallen is het mogelijk om zijn zienswijze zowel schriftelijk (brief, email) als mondeling (telefonisch, persoonlijk gesprek) kenbaar maken. Wanneer belanghebbende niet reageert, wordt ervan uitgegaan dat de belanghebbende geen gebruik wil maken van de gelegenheid om zijn zienswijze in te brengen.
Als er sprake is van mondeling horen, dan geldt het zwijgrecht. Niemand kan verplicht worden om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Voorafgaand aan het verhoor/geven van zienswijze wordt de belanghebbende er nogmaals op gewezen dat hij dit zwijgrecht heeft. Dit is de zogenaamde cautie.
Vanuit het beleid ‘bellen geen bezwaar’ is er altijd contact met de belanghebbende voordat een negatief besluit wordt genomen. Bij een schending van de inlichtingenplicht mét benadelingsbedrag zal er altijd een terugvordering volgen, waardoor er een negatief besluit is en belanghebbende dus gesproken moet worden. Als dit goed wordt gerapporteerd, dan is dit ook een mogelijkheid voor de belanghebbende om diens zienswijze te geven. Met let wel: bij een benadelingsbedrag van € 340 of hoger geldt de hierboven beschreven ‘zware’ procedure.
Artikel 12. Strafrechtelijke afdoening
Als de klant de inlichtingenplicht schendt en hierdoor het college € 50.000,00 of meer ten onrechte aan uitkering heeft verstrekt, doet het college aangifte van uitkeringsfraude bij het Openbaar Ministerie. Daarnaast kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie als het benadelingsbedrag gelijk aan of lager is dan € 50.000,00. In welke gevallen er aangifte wordt gedaan bij een benadelingsbedrag van € 50.000,00 of minder, is opgenomen in artikel 4:13, tweede lid. De bepalingen spreken voor zich.
Hoofdstuk 4. Handhaving, bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik
Artikel 13. Hoogwaardige handhaving
In artikel 13 leggen we nogmaals uit dat het beleid ten aanzien van het voorkomen en bestrijden van uitkeringsfraude en oneigenlijk gebruik van uitkeringen is ingericht naar het landelijk model van hoogwaardig handhaven.
Artikel 14. Vroegtijdig informeren en onderzoeken
Uitgangspunt bij het hoogwaardig handhaven is de belanghebbende vroegtijdig en juist te informeren. Dit bevordert het spontaan nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen. In artikel 14 is opgenomen hoe het college de belanghebbende informeert. Dit betreft zowel de aanvraagfase, als de uitkeringsfase. De inhoud van het artikel spreekt voor zich.
Artikel 15. Optimalisatie van de dienstverlening
In artikel 15 is opgenomen hoe het college de dienstverlening aan de klant heeft georganiseerd.
Uitgangspunt hierbij is dat de dienstverlening efficiënt is, zonder onnodige bureaucratie. Belangrijk in dit artikel is de beschrijving van de procedure rondom de inkomstenverklaring. Dit is een belangrijk formulier, omdat dit formulier een belangrijke schakel is binnen de inlichtingenverplichting.
Artikel 16. Vroegtijdige detectie en afhandeling
Het doel van het college is fraude in een vroeg stadium te signaleren en hierop direct actie te ondernemen. Hiermee creëert het college een 'lik-op-stuk-beleid'. Daarnaast blijft eventuele financiële schade beperkt zowel voor de belanghebbende als voor de gemeente.
In artikel 16 staan de verschillende instrumenten benoemd waarvan het college gebruik kan maken bij het opsporen van fraude. Uitgangspunt is hierbij dat steeds dat instrument wordt gebruikt waarmee het minste inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de cliënt. Zwaardere instrumenten zet het college alleen in als dit strikt noodzakelijk is. Een huisbezoek wordt bijvoorbeeld alleen ingezet als andere mogelijkheden niet bruikbaar zijn.
Paragraaf 4.4: Controleren op maat
Het college heeft voor alle uitkeringsgerechtigden een risicoprofiel vastgesteld. Op basis van dit
risicoprofiel voert het college heronderzoeken uit. De frequentie van de heronderzoeken bedraagt 12
maanden, dan wel 60 maanden, afhankelijk van het risicoprofiel. Dit is overeenkomstig het bepaalde
Het college kan besluiten om themacontroles te houden. Hierbij kan het college samenwerken met andere gemeenten en instanties.
Artikel 19. Informatiegestuurd handhaven
In het beleidsplan is vastgelegd dat het college signaalgestuurd handhaaft. Dit gebeurt op basis van signalen van het Inlichtingenbureau (IB). Het IB gaat na of de burgerservicenummers, die de gemeente ook voorkomen in de gegevensbestanden van het UWV, de SVB, de RDW, de belastingdienst, DUO of het kadaster. Komt een burgerservicenummer van een uitkeringsgerechtigde in een andere database voor, dan krijgt de gemeente hiervan een signaal. Dit signaal vormt de aanleiding om een onderzoek in te stellen. Dit met inachtneming van de regels rondom de privacy van de belanghebbende.
Paragraaf 4.5. Daadwerkelijk sanctioneren
Artikel 20. Daadwerkelijk sanctioneren in geval van geconstateerde fraude
Als de belanghebbende, ondanks het vroegtijdig informeren en de controles, toch de regels overtreedt, zal het college overgaan tot sanctioneren. Dat doet het college aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 3 van de Verzamelverordening. Ook de bepalingen van hoofdstuk 3 van deze beleidsregels neemt het college daarbij in acht. Als het overtreden van de regels betekent dat het college teveel bijstand heeft verstrekt, zal zij overgaan tot terugvordering en invordering. Daarbij neemt het college de bepalingen uit hoofdstuk 6 van deze beleidsregels in acht.
In het kader van bieden van maatwerk kan worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels ingevallen waarin toepassing van de beleidsregels onbillijk uitpakt voor de belanghebbende.
Met de vaststelling van deze beleidsregels komen de voorheen geldende artikelen 4.1 tot en met 4.11 uit de Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ behorend bij Verzamelverordening 2017, versie maart 2018. Teneinde rechtsonzekerheid voor lopende procedures te voorkomen, is een overgangsbepaling opgenomen die bepaalt welk kader van toepassing is op reeds ingediende aanvragen en genomen besluiten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-519990.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.