Gemeenteblad van Son en Breugel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Son en Breugel | Gemeenteblad 2026, 50097 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Son en Breugel | Gemeenteblad 2026, 50097 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Wmo Son en Breugel 2026
De raad van de gemeente Son en Breugel,
het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en
De volgende verordening vast te stellen:
Verordening maatschappelijke ondersteuning Son en Breugel 2026
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, die naar algemeen aanvaardbare opvattingen gangbaar is onder de bevolking financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau en een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is;
eigen kracht: de mate waarin een aanvrager zelfstandig, al dan niet met hulp van het sociale netwerk, mantelzorg, (boven)gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorziening of algemene voorziening in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of wordt voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang, waarbij in beginsel verwacht wordt dat de aanvrager – mits daartoe in staat - meewerkt aan het verminderen of wegnemen van de beperkingen;
formele aanbieder: een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a, b, c, d of e van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving van het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van zorg en die meerdere werknemers in dienst heeft of die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel;
gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders/verzorgers, inwonende kinderen of andere huisgenoten en waarvoor geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien gebruikelijke hulp daadwerkelijk beschikbaar is en in de gegeven omstandigheden verwacht kan worden;
huisgenoot: partners, ouders en kinderen die met elkaar in een huis wonen zijn huisgenoten. Ook anderen kunnen als huisgenoot worden aangemerkt als zij feitelijk met de cliënt in hetzelfde huis wonen en uit factoren blijkt dat zij in een bepaalde mate (sociaal en/of financieel) een relatie onderhouden met de cliënt waardoor van hen in redelijkheid mag worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden aan de cliënt. Als anderen een commerciële huurrelatie hebben met cliënt, zijn zij geen huisgenoot in de zin van de Wmo;
mantelzorg: kosteloze hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Ook minder intensieve hulp, de hulp aan huisgenoten en de hulp aan bewoners in een Wmo woonvorm zijn meegenomen. Mantelzorg is hulp die verder gaat dan de zogenoemde ‘gebruikelijke hulp';
participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke en of verstandelijke beperking(en) en/ of psychische/psychosociale aandoening(en), op gelijke voet anderen in redelijke mate kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen, zich kan verplaatsen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen;
vervoersvoorziening: ondersteuning die betrekking heeft op het compenseren van een vervoersbeperking, en/of ondersteuning ten behoeve van het maatschappelijk participeren voor een persoon die beperkingen ondervindt in het verplaatsen en voor wie het gebruiken en/of bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is;
Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek, aanvraag en besluit
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning
Het college zorgt ervoor dat de cliënt met een ondersteuningsbehoefte een beroep kan doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om zelf een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende 7 dagen na de melding in de gelegenheid het plan in te dienen (digitaal of fysiek). Wanneer cliënt dit persoonlijk plan heeft ingediend, wordt dit betrokken bij het onderzoek.
de mogelijkheden voor de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met algemene (gebruikelijke) voorzieningen, andere voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten de zelfredzaamheid of de participatie te handhaven of te verbeteren, zodat de cliënt zo min mogelijk een beroep hoeft te doen op een maatwerkvoorziening;
Artikel 2.8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet is een cliënt of diens vertegenwoordiger die een aanvraag heeft ingediend of aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, verplicht zo spoedig mogelijk en schriftelijk aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.
Als het college een beslissing heeft ingetrokken op grond van de opzettelijke verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt, vordert in beginsel het college van de cliënt (en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend), geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening terug.
Artikel 2.9 Voorwaarden voor de eigen bijdrage
In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan. Dit bestaat uit een opstaptarief en een bijdrage per kilometer op het niveau van het in de regio geldende standaardtarief van openbaar vervoer.
Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorzieningen
Artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening
Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het door de gemeente ingestelde onderzoek zoals verwoord in artikel 2.3.2 van de wet, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
indien het een voorziening betreft die de cliënt heeft aangeschaft, gerealiseerd of geaccepteerd voordat een melding als in artikel 2.1 van deze verordening is gedaan, tenzij sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. Het college moet dan wel de noodsituatie, de goedkoopst passende voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kunnen beoordelen;
indien het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
Artikel 3.2 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen
Het college kan het primaat van verhuizen hanteren. Dat betekent dat het college een vergoeding voor verhuiskosten verstrekt als sprake is van beperkingen bij het normale gebruik van de woning en verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is. Het college past het primaat van verhuizen niet toe, als de kosten van een te verstrekken woonvoorziening minder bedragen dan € 16.000,-.
Tijdens het onderzoek naar woningaanpassingen en de mogelijkheden voor verhuizen, houdt het college rekening met de wensen en de behoeften van de cliënt, de beschikbaarheid van geschikte woningen en de gevolgen van een verhuizing op het gebied van zorg en ondersteuning (zowel door formele als informele hulpverleners).
Als het verhuisprimaat wordt toegepast en de inwoner niet wenst te verhuizen, biedt het college de inwoner de mogelijkheid een tegemoetkoming te ontvangen tot maximaal € 16.000,- voor realisatie van de noodzakelijke woonvoorziening(en). Hierbij geldt de voorwaarde dat de woonvoorziening wordt uitgevoerd conform het door het college vastgestelde programma van eisen.
Artikel 3.5 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen
Voor cliënten die een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden conform de wettelijke bepalingen, de regels die zijn vastgelegd in de geldende Verordening Sociaal Domein van centrumgemeente Eindhoven.
Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget
Artikel 4.1 Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 4.4 is gewaarborgd dat de ondersteuning die de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
dat het pgb redelijkerwijs toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van een formele hulpverlener te betrekken waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten.
Artikel 4.3. Onderscheid formele en informele hulp
Als de hulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk, ook als deze beschikt over de relevante diploma's die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
Artikel 4.4 Kwaliteitseisen gesteld aan diensten, hulpmiddelen en aanpassingen ingekocht met een persoonsgebonden budget
Artikel 4.5 Hoogte van het pgb
voor individuele begeleiding en huishoudelijke hulp geboden door een informele hulpverlener, niet zijnde vanuit het sociaal netwerk, geldt een tarief van maximaal 75% van het tarief voor de geldende voorziening in zorg in natura. Hierbij gelden de voorwaarden zoals genoemd in het voorgaande artikel, lid 4.
de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2.a.b lid 1 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud.
voor overige vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen: de vergoeding voor instandhoudingskosten (noodzakelijk onderhoud, reparatie en accessoires) wordt gebaseerd op de huurprijs van de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier van de gemeente en is inclusief eventuele kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering.
Artikel 4.7 Opschorting betaling uit het pgb
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
Hoofdstuk 5 Kwaliteit en veiligheid
Artikel 5.1 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s
Artikel 5.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de voorziening stelt het college – voor zover van toepassing- vast:
Hoofdstuk 6. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming zorgkosten
Artikel 6.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Het college verzorgt jaarlijks een compliment voor mantelzorgers, bijvoorbeeld in de vorm van een tegoedbon. Het jaarlijkse compliment wordt gefaciliteerd door het Mantelzorgsteunpunt in het CMD. Als aanvulling hierop organiseert het Mantelzorgsteunpunt activiteiten voor mantelzorgers. Zo nodig legt het college in nadere regels vast waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.
Hoofdstuk 7. Klachten, medezeggenschap en inspraak
Alle aanbieders van algemene en maatwerkvoorzieningen dienen te beschikken over een effectieve en laagdrempelige klachtenregeling voor de afhandeling van klachten van cliënten, conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en zij dienen dit onder de aandacht te brengen van hun cliënten.
Artikel 7.3 Betrekken van inwoners bij het beleid
Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening of bijbehorende documenten tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 29 januari 2026.
De raad voornoemd,
De plaatsvervangend griffier, Hans Verheul
De voorzitter, Suzanne Otters-Bruijnen
Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning 2026
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
Er wordt gekeken naar wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal daar waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.
Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de ondersteuningsvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen. Dit om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Het CMD vormt daarbij de integrale toegangsdeur waar burgers terecht kunnen met hun (ondersteunings)vragen op het gebied van wonen, welzijn en zorg.
De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
In de Wmo 2015 en de Jeugdwet worden geen eensluidende begrippen gehanteerd. In de Jeugdwet wordt gesproken over een individuele voorziening terwijl dat begrip juist niet meer is opgenomen in de Wmo 2015. Dit hiaat in de wetgeving kan niet met deze verordening worden hersteld, wel vraagt het de nodige aandacht bij de begripshantering.
Het aantal definities van artikel 1 staan ook in de wet (in artikel 1.1.1) en zijn bindend voor deze verordening. Voor de volledigheid zijn deze definities ook opgenomen in de verordening.
- algemeen gebruikelijke voorziening: het criterium 'algemeen gebruikelijk' komt nog uit de tijd van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Het begrip is daarna overgenomen in de Wmo 2007. Later is 'algemeen gebruikelijk' in de Wmo 2015 terechtgekomen. De gedachte achter algemeen gebruikelijke voorzieningen is dat gemeenten geen voorzieningen hoeven te verstrekken die een cliënt zonder beperking ook zou kunnen krijgen (CRvB 03-07-2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AI5993, CRvB 16-04-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0268 en CRvB 14-07-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1265).
Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535):
* niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
* daadwerkelijk beschikbaar is;
* een passende bijdrage levert aan het zorgen voor een situatie waarin de cliënt zelfredzaam kan zijn of kan participeren en;
* met een inkomen op minimumniveau financieel kan worden gedragen
De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten (CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1362 en CRvB 3-7-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1364).
- bijdrage: een door de cliënt te betalen bijdrage voor het gebruik van een algemene voorziening en/of een maatwerkvoorziening als zorg in natura (ZIN) of in de vorm van een persoons gebonden budget (pgb). Ingaande 1 januari 2020 is er sprake van het abonnementstarief. Niet voor elke maatwerkvoorziening of algemene voorziening geldt een eigen bijdrage.
- financiële tegemoetkoming: in die gevallen waarin de cliënt niet adequaat gecompenseerd kan worden door de toekenning van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening in de vorm van ZIN of een pgb, kan het college een financiële tegemoetkoming verstrekken. Het moet hierbij dan wel gaan om situaties zoals beschreven in artikel 2.7 van de verordening.
- het gesprek is het mondelinge contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt de gehele situatie inventariseert. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de zelfredzaamheidsmatrix (ZRM). Dit is een instrument waarmee op een eenvoudige en volledige manier beoordeeld kan worden hoe zelfredzaam de cliënt is. Het instrument is gemaakt door de GGD Amsterdam in samenwerking met Gemeente Rotterdam. De gemeente Son en Breugel maakt hier ook gebruik van.
- inwoner: een inwoner van Nederland kan in aanmerking komen voor een
maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een inwoner van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een inwoner zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend.
Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek, aanvraag en besluit
Artikel 2. Melding van de hulpvraag
Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.
In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.
Dit bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk of digitaal (e-mail of het webformulier), telefonisch en fysiek via het inloopspreekuur bij het college worden gedaan. In de praktijk komt de melding bij het CMD Son en Breugel binnen.
In artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een melding elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger(mantelzorger, partner, familielid, buurman) of andere betrokkene de melding doen.
In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1.1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een ondersteuningsvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw).
Hierin is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan dat ook elektronisch.
Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.
Overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet is een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.
Artikel 2.2 Cliëntondersteuning
Het artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.
Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen.
Dit dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënt niet wordt belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende(n) afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.
Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.
Overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet is de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Het persoonlijk plan is vormvrij. Het CMD heeft een sjabloon voor het persoonlijk plan opgesteld. Deze wordt meegestuurd met de ontvangstbevestiging nadat een inwoner een melding heeft gedaan.
Het vijfde lid is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen.
De onderdelen zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.
Het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Dit vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats (het zogenaamde keukentafelgesprek). Wanneer de cliënt al van 1 of meer maatwerkvoorzieningen gebruik maakt en de situatie dus al (grotendeels) in kaart is gebracht kan dat ook telefonisch. Dat geldt ook voor herindicaties. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.
Als onderwerp van gesprek is ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.
Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het derde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.
Hierin is opgenomen dat het college extern advies kan inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.
Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.
In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 2.4 Weergave van het onderzoek
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen.
Dit borgt dat altijd een verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.
Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen c.q. weken overheen. Zeker als er extern advies ingewonnen moet gaan worden. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is enige tijd na het gesprek nuttig.
Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is onder lid 4.a de mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.
Onder lid 4.b is de mogelijkheid opgenomen dat tijdens of vlak na het gesprek de contactpersoon van het CMD een aanvraagformulier kan overhandigen. De cliënt of zijn gemachtigde kan dat verkort aanvraagformulier, eventueel ter plekke, invullen. Dit formulier wordt in die gevallen overhandigd wanneer de situatie van de cliënt dermate duidelijk en er geen verder onderzoek nodig is waardoor niet op het verslag hoeft te worden gewacht. De looptijd van de totale procedure kan daarmee worden verkort. Het aanvraagformulier mag alleen voor een aanvraag worden gebruikt wanneer het persoonlijk door de contactpersoon van het CMD wordt verstrekt.
Hierin is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
Artikel 2.6 Inhoud beschikking
In de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit. Juridisch gezien is het overbodig om het in de verordening op te nemen. Omdat de verordening ook beschikbaar is voor cliënten, mantelzorgers, cliëntondersteuners en andere betrokkenen wordt het expliciet benoemd.
Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a
Het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.
Tweede, onder b, en derde lid, onder e
Onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening economisch is afgeschreven.
Dit dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Met opvang wordt hier bedoeld de maatschappelijke opvang welke wordt uitgevoerd door centrumgemeente Eindhoven.
Artikel 2.7 Financiële tegemoetkoming
Aan cliënt wordt een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten verstrekt indien door het college wordt vastgesteld dat er sprake is van plotseling optreden van de noodzaak tot verhuizen. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zelf zorgdraagt voor een bij zijn levenssituatie passende woonruimte. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van een bij zijn (levens)situatie passende woning. Toch kan het voorkomen dat een inwoner niet langer woont in een voor hem geschikt huis. Als eerste wordt beoordeeld of de inwoner heeft geanticipeerd op de ontstane situatie en heeft gezocht naar eigen mogelijkheden. Is dit niet het geval, dan wordt van de inwoner gevraagd dat hij eerst op eigen kracht een oplossing zoekt voor het ontstane probleem in de woning. Verhuizen naar een voor hem meer geschikte woning kan hierbij een oplossing zijn. In die gevallen waarbij er sprake is van onvoldoende financiële draagkracht voor de bekostiging van de verhuizing en cliënt ten behoeve van de verhuizing geen beroep kan doen op enig sociaal netwerk, kan een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten van de verhuizing, waaronder de kosten van het verhuisbedrijf of de huur van een transportmiddel, worden verstrekt.
In die situaties waarbij niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is, kan op grond van dit artikel een tegemoetkoming worden verstrekt om ter overbrugging (tijdelijk) een hulpmiddel te huren.
Artikel 2.8 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’
In het vierde en vijfde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen.
Artikel 2.9 Voorwaarden voor de eigen bijdrage
Alle inwoners die gebruik maken van één of meer Wmo maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van beschermd wonen zorg in natura of maatschappelijke opvang, betalen - ongeacht inkomen en vermogen - met ingang van 1 januari 2020 een periodebijdrage. Hierbij geldt dat voor jeugdigen onder de 18 jaar geen eigen bijdrage hoeft te worden betaald.
Met ingang van 1 januari 2020 bedroeg deze bijdrage € 19,00 per maand. Deze wordt jaarlijks geïndexeerd. De bijdrage is vanaf 1 januari 2025 verhoogd naar €21 per maand.
Inwoners, die gebruik maken van beschermd wonen, zorg in natura met verblijf of maatschappelijke opvang met verblijf, betalen een vaste eigen bijdrage. Dit is wettelijk bepaald.
De wet bepaalt dat het opleggen van een eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening in de verordening moet zijn vastgesteld. De inning van deze eigen bijdrage loopt via het CAK.
Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorzieningen
Artikel 3.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening
In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college vaststelt of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt.
De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is bepaald dat eerst datgene wat behoort tot de eigen kracht van de cliënt en diens omgeving voor gaat op een maatwerkvoorziening als uiteindelijk vangnet. Dit wordt uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2026 gemeente Son en Breugel.
Het begrip goedkoopst compenserend is gebruikelijk in de Wmo. Met de beschikbare middelen wordt getracht de Wmo zo efficiënt mogelijk uit te voeren, ook wat het toekennen van maatwerkvoorzieningen betreft. Dit betekent dat uit alle voorzieningen die als compenserend worden beoordeeld de goedkoopste wordt verstrekt. Daarbij wordt rekening gehouden met de te verwachten gebruiksduur. Zo kan een duurdere voorziening op lange termijn goedkoper zijn indien vooraf duidelijk is dat de voorziening langdurig zal worden gebruikt.
Compenserend betekent echter niet dat in alle gevallen een maatwerkvoorziening toegekend dient te worden die volgens objectieve maatstaven toereikend is. Ook duurzaamheid, gebruiksgemak en eigen het aanspreken van de eigen kracht en mogelijkheden van de cliënt spelen een rol bij de uiteindelijke afweging bij het toekennen van een maatwerkvoorziening.
In jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8‐11‐2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.
Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.
Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.
Wanneer een voorziening wordt aangevraagd nadat deze door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is, wordt deze geweigerd als de gemeente geen mogelijkheid meer heeft de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening te beoordelen, noch invloed heeft op de te verstrekken soort voorziening. Onderzocht kan worden of een tijdig ingediende aanvraag tot toekenning van de ingediende aanvraag had geleid. Als dat het geval is, is er geen reden tot afwijzing. Het artikel is bedoeld om te voorkomen dat een aanvrager in een vroegtijdig stadium uitgaven doet, waarvan de bestemming uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. Een uitzondering is als er sprake was van een acute noodsituatie.
De Centrale Raad van Beroep heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat een gemeente wel (met terugwerkende kracht) moet verstrekken als het echt niet anders kon. Bijvoorbeeld:
Zie bijv. CRvB 3 februari 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL2426) en latere bevestigingen onder de Wmo 2015.
De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. In feite wordt hier gesteld dat een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd wanneer de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het gestelde in artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015.
Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09‐11‐2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28‐09‐2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij op eigen kracht daar een beroep op kan doen. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr. 09/1082 WMO).
Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22‐05‐2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.
Hierin wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.
Artikel 3.2 t/m 3.5 Aanvullende criteria
In deze bepalingen zijn aanvullende criteria opgenomen die specifiek voor een type voorziening gelden. Hiermee worden een aantal zaken concreet gemaakt. Zoals het drempelbedrag voor het primaat voor verhuizen en het maximum aantal kilometers bij gebruik van het collectief vervoer.
In artikel 3.4 tweede lid wordt bepaald dat bij het indiceren van huishoudelijke hulp het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning wordt gehanteerd. De CRvB heeft beoordeeld dat dit kader als uitgangspunt gebruikt mag worden door gemeenten (ECLI:NL:CRVB:2025:476).
Artikel 3.6 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.
Het genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget
Artikel 4.1 Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)
Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).
De belangrijkste eisen zijn dat de cliënt, al dan niet met hulp, de regie over het pgb kan voeren en kan zorgen dat er ondersteuning van voldoende kwaliteit wordt ingekocht met het pgb. De gemeente moet toetsen of aan die eisen is voldaan. Het is daarom van belang dat de gemeente bij de beslissing op de aanvraag al bepaalt welke kwaliteitseisen in het concrete geval moeten worden gesteld. Alleen zo kan worden bepaald of de cliënt daaraan voldoet.
Als de cliënt niet aan deze voorwaarden voldoet, kan keuzevrijheid voor een pgb worden geweigerd, en bestaat alleen recht op een maatwerkvoorziening in natura.
Verder kan keuzevrijheid voor een pgb worden geweigerd als de cliënt eerder niet aan gestelde pgb-voorwaarden onder de Wmo 2015 heeft voldaan en als een pgb voor de gemeente duurder is dan een voorziening in natura.
Indien de betrouwbaarheid van de hulpverlener twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is.
Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb
Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf):
1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);
2. Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);
4. Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;
5. Voeren van een administratie;
6. Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en
7. In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.
Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.
Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.
In het derde lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
1. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.
Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit of onder bewind staat.
Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.
2. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.
3. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.
4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. De kans is groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.
5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.
6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.
7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.
Artikel 4.3 Onderscheid formele en informele hulp
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt een lager tarief. Deze is gebaseerd op het minimumloon.
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Bloedverwantschap ontstaat door:
Artikel 4.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
Om te waarborgen dat maatschappelijke ondersteuning in de vorm van een pgb, evenals maatschappelijke ondersteuning in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de ondersteuning van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt.
Hierin is bepaald wanneer er sprake is van een formele hulpverlener. Hier wordt onder ad. a als voorwaarde gesteld dat de hulpverlener op een gepaste SBI-code is ingeschreven bij de KvK. De SBI-code geeft de branche weer waarin de hulpverlener werkzaam is. Deze branche moet aansluiten bij de ondersteuning die de hulpverlener biedt. Zo wordt gewaarborgd dat de geboden hulp ook aansluit bij de kwaliteit van de hulpverlener. Verder worden er eisen gesteld aan de opleiding en de kennis en ervaring van de hulpverlener.
We spreken van een informele hulpverlener wanneer de hulpverlener niet voldoet aan de gestelde eisen in het tweede lid. De consequentie hiervan is dat de ingezette hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden bij de informele hulpverlener.
Hierin zijn specifiek voor informele hulpverleners voorwaarden gesteld. Alleen niet-voldoen aan de eisen in het tweede lid is namelijk niet voldoende om de kwaliteit te borgen bij informele hulpverleners.
Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Ook indien er sprake is van een situatie waarin het aannemelijk is dat de cliënt niet gedurende de looptijd van de toe te kennen voorziening gebruik kan maken van de voorziening (bijvoorbeeld bij een op handen zijnde verhuizing of wanneer er sprake is van een korte levensverwachting door bijvoorbeeld een progressief ziektebeeld of progressieve aandoening), kan een pgb worden geweigerd. Ook kan er in dergelijke situaties onderzocht worden of het mogelijk is voor belanghebbende om een voorziening te huren en dat vervolgens een pgb wordt verstrekt waarmee belanghebbende periodiek de huurtermijnen kan voldoen.
Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende de in deze situatie goedkoopst compenserende door het college in te verstrekken maatwerkvoorziening in natura.
De regering heeft aangegeven dat onder het sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).
In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. Er wordt onderscheid gemaakt in de type voorziening en het type hulpverlener. Een zzp-er die is aangemerkt als formele hulpverlener ontvangt een lager tarief dan een professionele organisatie. Dit komt doordat zzp-er’s beperktere kosten hebben aan bijv. overhead, dit in vergelijking met professionele organisaties.
De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. De indexering verschilt per inkoop. Dat wil zeggen dat er voor huishoudelijke hulp, hulpmiddelen en begeleiding verschillende indexpercentages gehanteerd kunnen worden. Dit staat uitgewerkt in de overeenkomsten voor zorg in natura.
Het pgb is bedoeld om te besteden aan daadwerkelijk geleverde hulp. Voor de volledigheid is bepaald welke zaken niet uit een pgb mogen worden bepaald. Hier wordt toegevoegd dat er geen verantwoordingsvrij bedrag is binnen het pgb. Dit houdt in dat er geen ruimte binnen het pgb is dat de budgethouder of budgetbeheerder vrij mag besteden. Hiermee wordt geborgd dat alleen daadwerkelijke hulpverlening uit het pgb wordt betaald. Deze regel was al van toepassing in de praktijk, maar is hiermee ook verankerd in de verordening.
Nieuw in dit artikel is dat de gemeente formeel geen maandlonen meer toestaat. Het maandloon is bedoeld voor hulpverlening die structureel op vaste dagen en tijden wordt geboden. In de praktijk komt dit echter zelden voor. Bij uitbetaling van het pgb via een maandloon wordt niet meer de daadwerkelijke hulpverlening uitbetaald, maar wordt er doorbetaald bij ziekte, vakantie, onvoorziene omstandigheden, etc. In die gevallen wordt er dus pgb besteed aan hulp die niet geboden is. Om dit te voorkomen is bepaald dat een maandloon niet is toegestaan. Budgethouders en -beheerder zullen hierop geattendeerd worden.
Artikel 4.6 Weigeringsgronden pgb
Aanvullend op de weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening in artikel 3.1 in deze verordening, zijn er specifieke weigeringsgronden vastgelegd voor een pgb. Hiermee wordt geborgd dat het gebruik van het pgb rechtmatig en doelmatig gebeurt. Indien op basis van dit artikel blijkt dat er sprake is van een weigeringsgrond, kan een pgb ofwel geweigerd worden ofwel ingetrokken in het geval het pgb al verstrekt is. Als een pgb geweigerd wordt, kan worden onderzocht of de cliënt wel in aanmerking komt voor een voorziening in natura.
Artikel 4.7 Opschorting betaling uit het pgb
Enkel wanneer er sprake is van een ernstig vermoeden zoals opgenomen in artikel 2.3.10 lid 1 van de wet onder:
- a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
- d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden,
- e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.
De mogelijkheid bestaat dat het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoekt tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB.
Hoofdstuk 5. Kwaliteit en veiligheid
Artikel 5.1 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening en dus ook pgb’s, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college controles kan uitvoeren naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.
Artikel 5.2 Calamiteiten en geweld
In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthouder bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de levering van een voorziening/dienst. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 5.2 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Overeenkomstig het zesde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld.
Artikel 5.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2026 niet bedoeld.
De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) reële prijs Wmo 2015 regelt de verhouding tussen prijs en kwaliteit van Wmo-voorzieningen. De AMvB schrijft voor dat gemeenten bij de inkoop van Wmo-voorzieningen rekening moeten houden met een reële kostprijs, die minimaal de volgende elementen omvat: kosten van beroepskrachten, redelijke overheadkosten, kosten bij ziekte en indexatie De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).
Er wordt gerefereerd aan het begrip voorziening dat op grond van artikel 1.1.1 van de wet zowel een algemene voorziening als maatwerkvoorziening kan betekenen. Daarnaast ziet dit artikel enkel op diensten als onderdeel van een voorziening. Dat betekent een beperking van de reikwijdte. De eis voor de continuïteit, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ziet enkel op diensten die in het kader van een maatwerkvoorziening wordt geleverd. Dit volgt uit artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet. Voor de volledigheid wordt vermeld dat het artikel alleen toeziet op overeenkomsten die het college sluit met derden over opdrachten in het kader van de uitvoering van deze wet. Het toekennen van een subsidiebeschikking is niet het sluiten van een overeenkomst voor een opdracht voor een dienst. Denk hierbij aan veelal kleine welzijnssubsidies die een gemeente verstrekt aan bewoners of vrijwilligersorganisaties. Vanzelfsprekend kan het college bij de bepaling van het toe te kennen subsidiebedrag wel gebruik maken van de genoemde kostprijselementen.
Op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2020 dient het college voor het vaststellen van de vaste prijs of reële prijs rekening te houden met de vastgestelde kwaliteit van de dienst en de continuïteit in de relatie tussen cliënt en hulpverlener. Er wordt een vaste prijs of reële prijs nader gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs. De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren staan hierin vermeld en zijn opgenomen in het derde lid dit artikel. Het betreft de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen.
Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht, derde lid, onderdeel a, - een beroepskracht is een natuurlijk persoon die de ondersteuning uitvoert; dit kan zowel een zelfstandige zonder personeel zijn als een werknemer), waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst. Het gaat hierbij onder meer om wettelijke verplichtingen als werkgeverspremies, wettelijke sociale verzekeringen en pensioenpremies, wettelijk verlof, wettelijke verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en overige wettelijke verplichtingen die het leveren van de dienst met zich meebrengt.
Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden (de eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, zie artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet). Het college zal zich dus een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing en daarmee gelden de bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector. Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer (immers de gemeente is al gebonden aan één kwaliteitsniveau) en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Bij een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst kan bij een Europese aanbesteding hetzelfde niveau aan arbeidsvoorwaarden worden geëist. Immers via de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga) waarmee de Europese Detacheringsrichtijn is omgezet in Nederlandse wetgeving, zijn de kernbepalingen van deze algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten ook van toepassing op gedetacheerde werknemers van dienstverleners uit andere EU-lidstaten die hier (tijdelijk) werken. Indien er geen sprake is van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst en de werkgever geen partij is bij een afgesloten bedrijfstak-cao gelden de wettelijke minimumnormen zoals opgenomen in de Wet minimumloon en vakantiebijslag.
Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten (derde lid, onderdeel b), een voor de sector reële mate van niet- productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg (derde lid, onderdeel c), reis- en opleidingskosten (derde lid, onderdeel d), en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen (derde lid, onderdeel f). Indexatie van loon en prijs is onderdeel van de een overeenkomst. Vanuit het oogpunt van kostenbeheersing kunnen colleges en derden afspraken maken om bepaalde kostenverhogende activiteiten die niet aan de directe dienstverlening zijn gerelateerd zoals gemeentelijke rapportageverplichtingen niet meer te doen of de administratieve lasten terug te brengen. Dergelijke afspraken tussen het college en derden kunnen een reële prijs verlagen.
Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2.:129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2.:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van de artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 van de Aanbestedingswet 2012 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.
In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.
Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.
Hoofdstuk 6. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming zorgkosten
Artikel 6.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers
Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Voor mantelzorgers woonachtig in Son en Breugel die mantelzorg verlenen aan een zorgbehoevende die buiten de gemeente woont, geldt dat zij ook voor eenzelfde waardering in aanmerking komen.
Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een ondersteuningsvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. In Son en Breugel komen mantelzorgers in aanmerking voor het compliment via het Mantelzorgsteunpunt in het CMD.
Het begrip cliënten wordt ruim geïnterpreteerd, dat wil zeggen dat het gaat om cliënten binnen de Wmo, Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet.
Artikel 6.2 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking.
Hoofdstuk 7. Klachten, medezeggenschap en inspraak
De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
Hierin is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).
Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Deze voorwaarden voor dek klachtenregeling is opgenomen in aanbestedings- en inkoopprocedures.
Hierin zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 7.2 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.
In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).
In het tweede lid zijn is als mogelijk instrument aangegeven dat er periodiek overleg plaatsvindt om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 7.3 Betrekken van inwoners bij het beleid
Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.
Het college heeft ter uitvoering van het eerste en tweede een convenant afgesloten met de Adviesraad Sociaal Domein Son en Breugel. Een groot deel van onze inwoners behorende tot de doelgroep(en) wordt bij de ontwikkeling en totstandkoming van (de hoofdlijnen) van het beleid betrokken via de Adviesraad Sociaal Domein. Dit in de vorm van een afgeleide vertegenwoordiging via de algemene ledenvergadering van de Adviesraad Sociaal Domein. Aangezien de algemene ledenvergadering van de Adviesraad Sociaal Domein openbaar is, kan ieder inwoner of belanghebbende deze bijwonen. Tussen het college en de Adviesraad is een convenant afgesloten waarin wederzijds de verantwoordelijkheden en procesafspraken zijn opgenomen.
In beginsel is voor privacy de AVG van toepassing. Voor de verwerking van persoonsgegevens binnen het sociaal domein (jeugd, zorg, welzijn, wonen, werk en inkomen is het “Privacy protocol Sociaal Domein 2018” vastgesteld. In het privacyprotocol is onder meer vastgelegd hoe de privacy van cliënten inclusief hun persoonsgegevens worden beschermd.
Hoofdstuk 8. Overige bepalingen
Hoewel de wet expliciet voorziet in het toepassen van maatwerk kunnen zich situaties voordoen die buiten het maatwerk om vragen om het afwijken van bepalingen in de verordening; zo vraagt het CAK bij het stoppen van een eigen bijdrage op ons verzoek om de beschikking waarin e.e.a. via de hardheidsclausule wordt geregeld. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken cliënt. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule betreft een uitzondering en geen regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
Artikel 8.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Hierin is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening.
Hierin is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening.
Hierin is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-50097.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.