Gemeenteblad van Purmerend
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2026, 49418 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Purmerend | Gemeenteblad 2026, 49418 | beleidsregel |
Beleidsregels urgentie en toewijzing rolstoelwoningen Purmerend
1. Inleiding en algemene bepalingen
Deze beleidsregels beschrijven hoe het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) de in hoofdstuk 2, paragraaf 9 van de Huisvestingsverordening Purmerend 2025 (hierna ook: de verordening) opgenomen regels over het verlenen en intrekken van urgentieverklaringen uitvoert.
2.2 Uitwerking algemene weigeringsgronden
Hieronder wordt eerst cursief de in de verordening opgenomen algemene weigeringsgrond geciteerd. Daarna wordt de uitwerking weergegeven.
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden:
a. het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 van de verordening genoemde eisen;
Het huishouden van aanvrager moet voldoen aan de voorwaarden voor wat betreft leeftijd en verblijfsstatus. Inkomen en vermogen moet worden aangetoond door middel van de meest recent te verkrijgen inkomensverklaring van de Belastingdienst (het IBRI-formulier).
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
Er is sprake van een urgent huisvestingsprobleem als het huishouden van aanvrager dakloos is of zeer binnenkort dakloos zal worden. Met dakloosheid wordt gelijkgesteld de situatie waarin het huishouden van aanvrager als gevolg van een probleem met de huisvesting redelijkerwijs geacht wordt geen gebruik meer te kunnen maken van de tot dan toe bewoonde woning. In de volgende gevallen is in ieder geval géén sprake van een urgent huisvestingsprobleem:
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
Hiervan is in ieder geval sprake als:
de aanvrager er niet alles wat redelijkerwijs tot zijn mogelijkheden behoort aan heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen. Dit betekent dat verwacht wordt dat de aanvrager door heel Nederland naar woningen zoekt; met name in gemeenten en regio’s waar de woningmarkt minder onder druk staat, tenzij zeer bijzondere omstandigheden maken dat van de aanvrager niet verwacht kan worden om buiten Purmerend te zoeken;
de aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen niet tenminste tweemaal per week gereageerd heeft op het reguliere aanbod van voor hem passende woonruimte van corporaties, een en ander voor zover er tenminste twee keer per week voor hem passende woonruimte werd aangeboden;
d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening;
Een voorliggende voorziening is een voorziening die, gelet op haar aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn, bijvoorbeeld vanwege een indicatie voor beschermd wonen of plaatsing in een instelling.
e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden;
Hiervan is in ieder geval sprake:
f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;
Voor sommige woningzoekenden, bijvoorbeeld mensen met (complexe) fysieke of mentale problematiek, zal verhuizing naar (andere) zelfstandige woonruimte geen adequate oplossing bieden voor het huisvestingsprobleem. In een dergelijk geval zal geen urgentie verleend worden. In deze gevallen is er meestal een relatie met de onder d. genoemde weigeringsgrond: vaak zal in dergelijke gevallen een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld op grond van de Wmo of de Wlz, een meer adequate oplossing kunnen bieden.
g. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 2.9.10, eerste lid, van de verordening.
h. de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;
Een woningzoekende die niet tenminste in zijn bestaan kan voorzien lost zijn huisvestingsprobleem niet op door verhuizing naar een zelfstandige woonruimte. Zie voor een verdere invulling de paragrafen 3.3.3.2 en 3.3.3.3 van deze beleidsregels.
i. de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was.
De woonplaats zoals vermeld in de Basisregistratie Personen (BRP) is hierbij in beginsel leidend. Aanvrager wordt geacht verantwoordelijk te zijn voor de juistheid van zijn inschrijving in de BRP.
j. het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.
2. Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.9.8, eerste lid, van de verordening kunnen burgemeester en wethouders het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Omgevingswet voor permanente bewoning bestemde woonruimte.
Woont een aanvrager van een urgentieverklaring gedurende de periode van twee jaar direct voorafgaand aan de aanvraag niet in een zelfstandige en volgens het omgevingsplan of bestemmingsplan voor permanente bewoning geschikte woning, dan kan de urgentieverklaring geweigerd worden.
Van deze weigeringsgrond is in ieder geval sprake als:
Deze weigeringsgrond heeft tot doel te voorkomen dat woningzoekenden kiezen voor bewoning van daarvoor niet geschikte objecten, daardoor een huisvestingsprobleem krijgen en vervolgens via een urgentie voorrang op de woningmarkt kunnen krijgen. Daarmee is deze weigeringsgrond verwant aan de onder e. genoemde weigeringsgrond (verwijtbaarheid).
3.1 De wettelijk verplichte urgentiegronden en vergunninghouders
Als een gemeente regels over urgentie in de huisvestingsverordening opneemt, dan moet daarin in ieder geval iets geregeld zijn voor de zogenoemde "wettelijke urgentiecategorieën". Dit zijn:
In het verleden behoorden uitstromers uit COA-voorzieningen – vergunninghouders – ook tot de wettelijke urgentiecategorieën. Sinds 2017 is dit niet langer het geval. De raad heeft besloten deze groep in artikel 2.9.6 van de verordening als urgentiecategorie te handhaven.
3.1.1 Slachtoffers van huiselijk geweld
Dit betreft mensen die als gevolg van aangetoond huiselijk geweld rechtstreeks vanuit de woonsituatie waar het geweld plaatsvond zijn gevlucht en in één van de erkende instellingen voor mishandelde mannen of vrouwen verblijven (zoals de Blijf Groep). Het college zal hierbij een maatwerkbeoordeling maken. Zo zal aan een persoon zonder kinderen niet snel urgentie worden verleend. Die heeft immers meer mogelijkheden het woonprobleem zelf op te lossen, bijvoorbeeld via woningdelen of kamerbewoning, tenzij de persoon niet in staat is deze mogelijkheden te benutten. Wel kan urgentie worden verleend wanneer een ouder is gevlucht zonder kinderen en het verblijf van de kinderen bij de andere ouder onveilig is. Dit moet wel worden aangetoond, bijvoorbeeld met een proces-verbaal van de politie of deskundigenrapport(en).
De in artikel 2.9.5 lid 1 aanhef en onder a tot en met h en j en artikel 2.9.5 lid 2 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond.
3.1.2 Ontvangers en verleners van mantelzorg
Het verlenen of ontvangen van mantelzorg kan tot gevolg hebben dat er een urgent huisvestingsprobleem ontstaat. Het college zal hierbij vrijwel altijd een maatwerkbeoordeling maken.
De in artikel 2.9.5 lid 1 aanhef en onder a tot en met h en j en artikel 2.9.5 lid 2 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond.
Het college beslist over een aanvraag voor urgentie van ontvangers of verleners van mantelzorg nadat advies is ingewonnen bij het Loket Wmo van de gemeente Purmerend. Het Loket Wmo zal dit advies opstellen aan de hand van één of meerdere gesprekken met de aanvrager(s) van de urgentie.
Het Loket Wmo weegt in ieder geval onderstaande punten mee bij het opstellen van haar advies:
Op grond van artikel 2.9.6 lid 2 van de verordening komen vergunninghouders die gehuisvest moeten worden in het kader van de taakstelling van de gemeente in aanmerking voor een urgentieverklaring als zij:
Aan al deze voorwaarden dient voldaan te zijn. De in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn niet van toepassing op deze urgentiegrond.
Artikel 2.9.7 bevat een urgentiegrond voor situaties waarin een woningzoekende als gevolg van zijn aanstaande uitstroom uit een instelling bedoeld voor maatschappelijke opvang, uit een psychiatrische instelling of uit een jeugdinstelling gehuisvest moet worden in zelfstandige woonruimte. Om als gevolg van deze situaties in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring dient aanvrager in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:
de aanvrager keert terug naar de regiogemeente waar hij direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling tenminste twee jaar onafgebroken woonde. Die gemeente wordt dus in het zoekprofiel opgenomen. Indien het, gelet op de problematiek van aanvrager, onwenselijk is dat hij naar die regiogemeente terugkeert, wordt een andere regiogemeente als zoekgebied in de urgentieverklaring opgenomen. Het college overlegt dat wel eerst met de desbetreffende regiogemeente. Het woningtype wordt vervolgens door het college van de “ontvangende” gemeente vastgesteld. Zie daarvoor verder artikel 2.9.7 van de verordening.
Het college kan worden geadviseerd door deskundigen, bijvoorbeeld betrokken hulpverleners of een medisch adviseur, over a) de vraag of aanvrager kan uitstromen, b) of uitstroom naar de oorspronkelijke woongemeente wenselijk is, en c) of en zo ja welke begeleiding gedurende welke periode noodzakelijk is.
De algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.9.5, lid 1, aanhef en onder a, c, d, f, h, j en artikel 2.9.5 lid 2 van de verordening zijn van toepassing.
3.3 De regionale urgentiegronden
In artikel 2.9.8 van de verordening zijn de overige regionaal geldende urgentiegronden opgenomen. Het betreft de volgende urgentiegronden:
Het huishouden waarvan de zelfstandige woonruimte door een calamiteit (brand, ernstige waterschade, explosie of acuut ernstige funderingsgebreken) ongeschikt is voor bewoning, kan gelet op artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder a van de verordening in aanmerking voor een urgentie als in ieder geval aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de woning is onherstelbaar beschadigd en zal moeten worden gesloopt. De ongeschiktheid voor bewoning wordt vastgesteld door, of in opdracht van, een daarvoor bevoegd gemeentelijk toezichthouder (dit betreft de toezichthouder die bevoegd is toe te zien op de naleving van de ingevolge de Omgevingswet en de in de Woningwet vastgestelde bouwregelgeving).
De in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing, met uitzondering van de in artikel 2.9.5 lid 1 aanhef en onder j van de verordening genoemde inkomensnorm: voor deze urgentiegrond geldt geen inkomenseis.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring om medische en/of sociale redenen zoals bedoeld in artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder b van de verordening, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
er is op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake van een levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting. Van levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een (andere) zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing;
Voor het overige zijn ook de in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.
3.3.2.2. Ernstige medische redenen
Hieronder wordt verstaan een woonsituatie die om medische redenen levensontwrichtend is voor één of meer leden van het huishouden. Het huishouden is niet in staat het dringende woonprobleem als gevolg van ernstige medische redenen zelf op te lossen.
In ieder geval wordt geen urgentieverklaring verleend:
Er kan wel urgentie worden verleend:
als blijkt dat de woonsituatie de behandeling van de klachten sterk negatief beïnvloed. Dit moet dan blijken uit een brief van een medisch of psychologisch/psychiatrisch deskundige, waarin staat welke lichamelijke of psychische aandoening de aanvrager heeft en hoe die samenhangt met het woonprobleem.
Om op grond van artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder b van de verordening in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
Indien wordt overwogen om vanwege een (chronische) psychische stoornis een urgentie af te geven kan aan de belanghebbende de voorwaarde worden opgelegd dat hij individuele begeleiding gericht op de psychische problematiek (Wmo-indicatie) of behandeling van een GGZ-instelling aanvaardt en daarmee voorafgaand aan het afgeven van de urgentie schriftelijk akkoord gaat. Indien de belanghebbende weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met de voorgestelde begeleiding, wordt geen urgentie verleend.
Voor het overige zijn ook de in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.
3.3.3 Dakloosheid of dreigende dakloosheid met zorg voor minderjarige kinderen
Er wordt geen urgentieverklaring verleend vanwege het enkele feit dat het huwelijk of de
samenwoningsrelatie wordt ontbonden.
Het college vindt het onwenselijk als niet voorzien is in woonruimte voor minderjarige kinderen.
Hieronder wordt beschreven in welke gevallen wel en in welke gevallen geen urgentie op grond van artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder b verleend kan worden.
Voor alle gevallen geldt dat de in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing zijn.
3.3.3.1. Verbroken samenwoning, echtscheiding en ontbinding van geregistreerd partnerschap
Het college gaat er vanuit dat de woning waar men direct voorafgaand aan de verbroken samenwoning, echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap woonde, primair beschikbaar blijft voor de kinderen. Er is dan geen urgentie nodig. Alleen in uitzonderlijke situaties kan, met inachtneming van het hieronder beschrevene, ten behoeve van de kinderen urgentie worden verstrekt.
Geen urgentieverklaring wordt verleend:
Ook de aanvrager die zich als medehuurder heeft kunnen laten erkennen, maar dit heeft nagelaten, wordt in dezen beschouwd als medehuurder en komt niet in aanmerking voor urgentie.
Een uitzonderlijke situatie waarin tot verlening van een urgentieverklaring kan worden overgegaan zoals bedoeld in de eerste alinea van deze paragraaf is de situatie waarin een ouder is gevlucht voor huiselijk geweld en het verblijf van de kinderen bij de andere ouder onveilig is. Dit moet wel worden aangetoond, bijvoorbeeld met een proces-verbaal van de politie en/of deskundigenrapport(en);
3.3.3.2. Hoge woonlasten en schulden door een te hoge huur of hypotheek in verhouding tot het inkomen
Huishoudens kunnen in aanmerking komen voor een urgentie als een gezin met kind(eren) door overmacht niet meer in staat is om aan de hoge woonlasten te voldoen. Achtergrond is meestal daling van het huishoudinkomen door vertrek van de partner of verlies van inkomen uit arbeid. Aan de volgende voorwaarden moet in ieder geval worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring:
Als de aanvrager schulden heeft, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring:
Voorafgaand aan het afgeven van een urgentie kan aan de belanghebbende de voorwaarde worden opgelegd dat hij schriftelijk verklaart akkoord te gaan met financiële begeleiding. Indien de aanvrager weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met de voorgestelde begeleiding, wordt geen urgentieverklaring verleend;
Als de aanvrager mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheek van een gemeenschappelijke woning, ziet de gemeente dit als een problematische schuld, ook als de ex-partner de woning krijgt. Als de ex-partner de hypotheeklasten niet betaalt, claimt de hypotheekverstrekker het bedrag bij de aanvrager. Er moet daarom worden aangetoond dat de hypotheek niet meer op naam staat van de aanvrager;
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-49418.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.