Gemeenteblad van Ameland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ameland | Gemeenteblad 2026, 49399 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ameland | Gemeenteblad 2026, 49399 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp gemeente Ameland 2026
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze verordening wordt verstaan onder:
Deskundige: een professional/beroepskracht met (middels diploma of ervaringscertificaat) aantoonbare specifieke kennis en vaardigheden ten aanzien van de opgroei- opvoed- en ontwikkelingsproblematiek van de jeugdige of zijn ouders en/of de benodigde individuele maatwerkvoorziening én die aantoonbaar voldoet aan de in de branche geldende kwaliteitseisen én een gericht op de voorziening passende registratie heeft bij de KvK of in loondienst is bij een formele zorgaanbieder. Een beroepskracht voor jeugdhulp moet daarnaast geregistreerd staan in een relevant beroepsregister, zoals SKJ of BIG.
Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring van de jeugdige en/of ouder(s) (familielid, huisgenoot, echtgenoot, voormalig echtgenoot of mantelzorger) of iemand buiten de huiselijke kring waarmee de jeugdige en/of ouder(s) een sociale relatie heeft. Onder een sociale relatie verstaan we een relatie met een persoon waarmee de jeugdige en/of ouder(s) regelmatig contact onderhoudt.
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:
Jeugd ondersteuner Kindercentra (JOK): onafhankelijke expertise binnen een Integraal Kindercentrum, ten behoeve van het vroegtijdig signaleren van ontwikkelingsvragen, opvoedvragen en ondersteuningsvragen van kinderen, ouders en het IKC team. Met als doel hier preventief, snel en effectief op te acteren en bij te dragen aan het verstrekken van een inclusieve pedagogische omgeving voor kinderen van 0-12 jaar, waarbij aandacht is voor vernieuwde werkwijzen.
Praktijk Ondersteuning Huisarts- Jeugd (POH- Jeugd): hulp en ondersteuning binnen de huisartsenpraktijk aan jeugdigen met psychische en/of psychosociale problemen die, zelf of via hun ouders/begeleiders, een beroep doen op hun huisarts. De POH-GGZ-Jeugd biedt deze ondersteuning snel, zonder wachtlijst en in een vertrouwde omgeving. De POH-GGZ-Jeugd brengt in 5 gesprekken de problemen in kaart en komt tot een goed advies of ondersteuningsplan. De POH-GGZ-Jeugd is de verbindende schakel tussen de huisarts en het Gebiedsteam Ameland.
Cliëntenondersteuning: het onafhankelijk geven van informatie, advies en korte ondersteuning, waarbij het belang van de jeugdige het uitgangspunt is, ten behoeve van het verkrijgen van (integrale) ondersteuning of het uitoefenen van de rechten van de jeugdige en/of ouder(s) hierbij. En cliëntenondersteuner wordt ook wel vertrouwenspersoon genoemd. Deze ondersteuning kan informeel (uit het eigen netwerk van de jeugdige en/of ouder(s)) of formeel (door een professional) geboden worden.
Basisondersteuning: algemene ondersteuning geboden door een professional die bijdraagt aan het veilig en gezond opgroeien van jeugdige en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, onderwijs, welzijn, wonen, schuldhulpverlening, werk en inkomen. Binnen de basisondersteuning wordt vanuit de Jeugdwet ook lichte opvoedondersteuning geboden.
De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
Dyslexiezorg: ondersteuning voor jeugdigen met (een vermoeden van) Ernstige Dyslexie (ED), in de vorm van dyslexie-onderzoek en/of behandeling. Dyslexiezorg wordt geboden aan jeugdige in de leeftijd van 7 tot en met 12 jaar, dan wel aan jeugdigen waarvan de dyslexiezorg vóór de 13e verjaardag van de jeugdige is gestart. Er is sprake van ED als de leerachterstand in lezen en/of spellen erg groot is gezien de leeftijd en het onderwijsniveau, ondanks extra instructie op school. Er is alleen sprake van ED als er volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 2.0 een diagnose is gesteld en er geen andere oorzaken zijn gevonden die de problemen kunnen verklaren.
Pleegzorg: ondersteuning voor jeugdigen die (tijdelijk of blijvend) niet thuis kunnen wonen. Ondersteuning waarbij pleegouders de jeugdige basiszorg op het gebied van dagelijkse en specifieke verzorging en opvoeding, onderwijs en wonen bieden in combinatie met professionele begeleiding van het pleegkind, de pleegouders en de biologische ouders door een pleegzorgaanbieder. Pleegzorg kan zowel tijdelijk als langdurig en zowel in voltijd, deeltijd als crisis geboden worden. Een pleeggezin kan zowel een gezin uit het pleeggezinnenbestand van een voorziening voor pleegzorg als een gezin uit het eigen netwerk van familie of bekenden zijn.
Specialistische jeugdhulp: ondersteuning voor jeugdigen met ontwikkelings- en gedragsproblemen. Binnen Specialistische Jeugdhulp worden de volgende profielen onderscheiden:
Profiel H: Residentiële Specialistische Jeugdhulp. Verblijf (inclusief begeleiding en verzorging) gedurende meerdere dagen per week op locatie van een aanbieder. Het verblijf is aanvullend op behandeling die gericht is op het oplossen dan wel verminderen van de aanwezige problematiek zodat een stabiele situatie ontstaat.
Open 3 milieus voorziening (O3M): Ondersteuning in de vorm van residentiële jeugdhulp voor jeugdigen met ernstige gedrags- en/of gezinsproblemen, al dan niet met een licht verstandelijke beperking en/of psychiatrische problematiek. De voorziening heeft als doel om binnen de 3 milieus - wonen, onderwijs en vrije tijd - met 24 uurs verblijf en begeleiding een gezonde ontwikkeling van jeugdigen te stimuleren, aanwezige problemen te verminderen, en de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen de jeugdige en zijn sociale netwerk te herstellen.
Landelijk Transitiearrangement (LTA): Ondersteuning voor jeugdigen met een zeer weinig voorkomende ondersteuningsvraag die zeer specialistische inzet vraagt. Deze ondersteuning is namens alle gemeenten landelijk ingekocht door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Een overzicht van het LTA staat op: www.vng.nl/artikelen/functies-en-aanbieders-jeugdhulp
Crisishulp: ondersteuning die directe inzet vraagt om de veiligheid van de jeugdige en/of zijn ouder(s) te garanderen. Dit kan zijn in situaties waarbij gevaar voor een jeugdige dreigt door ernstige verwaarlozing, fysiek geweld of seksueel misbruik, situaties waarin een ouder of jeugdige dreigt met zelfdoding of een psychose heeft. Crisishulp kan zowel ambulant als residentieel zijn.
Jeugdbescherming: ondersteuning in de vorm van jeugdbeschermingsmaatregelen. Een (voorlopige) ondertoezichtstelling en een gezagsbeëindigende maatregel zijn jeugdbeschermingsmaatregelen. Deze maatregelen kan de rechter opleggen als vrijwillige hulp niet toereikend is en de jeugdige ernstige bedreigd wordt in zijn ontwikkeling. Soms woont een kind daarom (tijdelijk) niet meer thuis. Gezinsvoogden van een gecertificeerde instelling begeleiden een gezin bij de opvoeding, tot de ouders dit weer zelfstandig kunnen.
Jeugdreclassering: ondersteuning in de vorm van intensieve begeleiding op controle voor jongeren die veroordeeld zijn of verdacht worden van een strafbaar feit. Dit kan zowel op basis van een proces-verbaal van de politie als van de leerplichtambtenaar zijn. De jeugdreclassering wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling of de volwassenenreclassering.
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er is voldaan aan de voorwaarden voor een Pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente
Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een Pgb, dient hij daartoe een Pgb-plan in als bedoeld in artikel 12. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend Pgb-plan wordt aangemerkt als een aanvraag voor een Pgb.
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 6 weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.
Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende 2 weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger:
Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om onder bepaalde voorwaarden te kiezen voor de verstrekking van een Pgb. De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordigers wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel wettelijke vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.
Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of door de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
Artikel 8. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
Onverminderd dat de jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsproblemen of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 zoals deze luiden op 1 januari 2025 of gaan luiden in de toekomst.
In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
Artikel 9. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:
Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 12. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een Pgb
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een Pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger daartoe een Pgb-plan in. In het Pgb-plan is opgenomen:
Het college verstrekt uitsluitend een Pgb als:
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 15 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het Pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.
Voor informele hulp als bedoeld in artikel 14 wordt alleen een PGB verstrekt voor de profielen genoemd in artikel 2, te weten A: Enkelvoudige Specialistische Jeugdhulp, E: Begeleiding en Ondersteuning, en I: Logeren. Dit in verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexere problematiek in de andere profielen. Tenzij het college anders besluit in belang van het kind.
Artikel 14. Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het Pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
Artikel 15. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een Pgb
Indien uit het ingediende Pgb-plan blijkt dat passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief dan het maximumtarief kan worden ingekocht, stelt het college dit lagere tarief vast. Daarbij houdt het college zo nodig rekening met de aard van de aanbieder en diens kostenstructuur, waaronder die van zelfstandige zorgverleners met beperkte overhead.
HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING
Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke verwoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een Pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger aan het college het verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een Pgb.
Artikel 19. Niet meewerken ouder(s)
Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Artikel 20. Intrekking, herziening of terugvordering
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft herzien of ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten Pgb.
HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 22. Voorliggende voorzieningen
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.
Artikel 23. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.
Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
De afhandeling van klachten van jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening vindt plaats conform de klachtenregeling van de gemeente Ameland.
Artikel 26. Inspraak en medezeggenschap
Het college stelt jeugdigen en hun ouder(s), cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 29. Overgangsrecht, intrekking oude verordening
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp gemeente Ameland 2018 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp gemeente Ameland 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Ameland op 26 januari 2026.
De voorzitter, Tytsy Willemsma
De griffier, Jacqueline Metz
Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.
De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.11 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:
Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, de wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij:
De verordening bevat ook regels ter waarborging van:
Tot slot kan op grond van artikel 8.1.1, derde lid, van de wet bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
Deze verordening kan niet los worden gezien van opgestelde beleidsplan, welke de raad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens heeft vastgesteld. In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Eveneens kan deze verordening niet los worden gezien van de gezamenlijke inkoop door de Friese gemeenten van jeugdhulp en alle andere ontwikkelingen binnen de Jeugdwet. Voor dit laatste geldt dat hierbij ook gekeken is naar de ontwikkelingen binnen de jurisprudentie op grond van de Jeugdwet.
Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.
De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.
Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van een onderzoek dat namens het college in samenspreek met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2), en stuurt mede via de regionale inkoop, op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 2, derde lid). De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (zie artikel 3).
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting
Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
Ten slotte vormt ook Veilig thuis een toegang tot onder andere jeugdhulp. Veilig thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaan aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen.
Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet.
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet gebruikt. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).
Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb).
Andere voorziening: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de wet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 2 (individuele voorzieningen en overige voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 3 en verder.
Pgb: de definitie van ‘Pgb’ is opgenomen omdat de afkorting Pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget.’
Gebruikelijke hulp: de termen ‘gebruikelijke hulp’ en ‘gebruikelijke zorg’ worden in de praktijk nogal eens door elkaar gebruikt, beide termen komen niet voor in de Jeugdwet. Deze termen worden daarentegen wel genoemd in andere zorgwetten. Zo spreekt de Wmo 2015 van ‘gebruikelijke hulp’ en hebben de Wlz en de AWBZ het over ‘gebruikelijke zorg’. Omdat we in de Jeugdwet spreken over jeugdhulp (en niet over jeugdzorg, zoals dat onder de Wet op de jeugdzorg het geval was) wordt in deze verordening de term ‘gebruikelijke hulp’ gebruikt.
De term gebruikelijke hulp is afgeleid van gebruikelijke zorg uit het (voormalige) Besluit zorgaanspraken Awbz. Het begrip is van belang voor de oude Awbz-functies begeleiding, persoonlijke verzorging en verblijf die per 1 januari 2015 overgekomen zijn naar de Jeugdwet. Uitgangspunt is dat deze jeugdhulp niet hoeft te worden ingezet voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten elkaar deze hulp bieden. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in artikel 9 van deze verordening.
Bovengebruikelijke hulp: wat onder (boven)gebruikelijke hulp moet worden verstaan moet worden uitgewerkt in nadere regels. Bij de beoordeling of sprake is van bovengebruikelijke hulp moet altijd een zorgvuldige individuele afweging worden gemaakt. Wat in het ene gezin als gebruikelijke hulp kan worden gekwalificeerd, kan voor het andere gezin (gelet op de omstandigheden binnen dat gezin) immers leiden tot de conclusie van bovengebruikelijke hulp.
HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2. Vormen van jeugdhulp
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 4) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’).
Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (artikel 4) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’).
Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg.
In lid 1 worden de algemene vrij toegankelijke voorzieningen benoemd. De opsomming in het tweede lid betreft de niet vrij toegankelijke voorzieningen. Bij deze voorzieningen zal de gemeente of de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 3) eerst moeten beoordelen of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.
HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp in het vrijwillig kader (nader) geregeld. Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven wordt de toegang in het gedwongen kader, via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting hier niet geregeld.
Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een Pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een Pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).
Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouders geen gebruik kunnen maken van een Pgb.
In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.
De verordening legt een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute.
Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het vierde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 5 (Het Onderzoek) is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2 zijn opgesomd.
Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente, melding hulpvraag
Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 5 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen (Gebiedsteam Ameland, de POH).
Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 5). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).
Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Zoals in de algemene toelichting al is aangegeven hebben jeugdigen en ouders onder de wet geen wettelijk recht op of individuele aanspraken op jeugdzorg. De wet kent gemeenten echter wél een resultaatsverplichting toe in de vorm van een algemene voorzieningenplicht. Daaruit vloeit voort dat jeugdigen en ouders recht hebben op een zorgvuldige behandeling van hun hulpvraag. Deze verordening bevat verschillende procedurele bepalingen die dit zorgvuldige verloop van het proces moeten waarborgen.
Als de jeugdige of zijn ouders een Pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een Pgb-plan in moeten dienen.
Het uitgangspunt is dat wordt gedaan wat nodig is: niet elk onderzoek hoeft uitgebreid te zijn en onnodige belasting van jeugdigen of ouders wordt voorkomen. Tegelijkertijd wordt, als de situatie daarom vraagt, wel voldoende diepgang en zorgvuldigheid gewaarborgd door gesprekken, verslaglegging en dossiervorming.
Op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb geldt een beslistermijn van acht weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een andere termijn is bepaald. De in deze verordening opgenomen termijn van tien weken geldt als zodanig wettelijk voorschrift. De Jeugdwet verplicht gemeenten in artikel 2.9 tot het vaststellen van een verordening jeugdhulp, waarmee de gemeenteraad bevoegd is deze termijn te regelen. In dit geval wordt een beslistermijn van tien weken redelijk geacht:
Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb.
Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.
HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een en ander wordt besproken. Of dit gesprek op een gemeentelocatie plaatsvindt, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.
Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.
Op grond van artikel 2.5 van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 stelt het college onafhankelijke cliëntenondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntenondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de Jeugdwet .Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.
Ouders hebben het recht een zelf opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college.
Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college.
De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouder(s) er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouder(s) te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, r.o. 4.3.1.) een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:
Stap 1 – inventariseer de vraag
Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s)? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1 van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.
Stap 2 – breng de onderliggende problematiek in kaart en leg deze vast
Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.
Stap 3 – stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast
De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.
Stap 4 – kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is
Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.
Stap 5 – stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost
Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 6 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 22 e.v.).
Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.
Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor een deskundige beoordeling van de hulpvraag en het nemen van een zorgvuldig besluit over jeugdhulp. Daarbij moet het college zorgen dat voldoende vakkennis wordt ingezet, passend bij de situatie van de jeugdige (artikel 2.1 Besluit Jeugdwet).
Als het nodig is om goed te kunnen beoordelen welke hulp passend is, vraagt het college advies aan een deskundige. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de beoordeling van medische of psychologische informatie. De jeugdige of ouders moeten hieraan meewerken als dat nodig is voor het onderzoek.
De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). De deskundige die het advies geeft, moet geregistreerd zijn in één van de erkende beroepsregisters: het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), het register Kinder- en Jeugdpsychologen (NIP) of het BIG-register. Zo is geborgd dat het advies afkomstig is van een gekwalificeerde professional, die onder tuchtrecht valt.
Het college zorgt er verder voor dat organisaties die jeugdhulp bieden niet óók zelf adviseren of besluiten over de toekenning ervan. (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarmee wordt belangenverstrengeling voorkomen. Ook moet het college altijd nagaan of het advies logisch is opgebouwd, actueel is en voldoende onderbouwd is met passend onderzoek.
In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouder(s) krijgen daarbij de mogelijkheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.
In het eerste lid is een termijn van 10 werkdagen opgenomen omdat het college ná afronding van het onderzoek het verslag moet opstellen en verstrekken. Om voldoende tijd over te houden voor de besluitvorming en eventueel herziening op basis van het verslag of opmerkingen van ouders, is snelheid vereist. Een termijn van 10 werkdagen geeft het college ruimte voor zorgvuldige verslaglegging, laat voldoende tijd over voor eventuele aanvullingen of correcties door ouders en sluit aan bij de resterende 4 weken in het besluitvormingstraject, waarmee wordt voldaan aan de beslistermijn van tien weken. Tegelijkertijd blijft het streven van de gemeente om, in het belang van de jeugdige en diens ouders, het verslag zo spoedig mogelijk te verstrekken. De genoemde termijn is dan ook een maximumtermijn, geen standaard.
De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid onder c Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.
Het vijfde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociale netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen.
Artikel 8. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
In artikel 2.9 onder a van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.
Het tweede lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Deze criteria worden in de volgende leden verder uitgewerkt.
Jeugdhulp is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijke verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van de jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de Jeugdwet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025 zoals deze luidden op 1 januari 2025 en zullen luiden in de toekomst.
Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.
Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.
Het zesde lid sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet.
In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet alleen aan zet is als er een hulpvraag is als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.
Artikel 9. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Artikel 2.3 van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 9 geconcretiseerd.
De Jeugdwet gaat ervan uit dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van kinderen allereerst bij de ouders en jeugdige zelf ligt. Dat betekent dat van ouders een actieve rol mag worden verwacht in het oplossen van problemen en het organiseren van de benodigde hulp, ook als dat vraagt om aanpassingen in werk, zorgtaken of dagindeling.
Alleen als uit het onderzoek blijkt dat het gezin de problemen niet op eigen kracht of met hulp van het sociale netwerk kan oplossen, is de gemeente verplicht om jeugdhulp te bieden. Daarbij hoort ook dat bovengebruikelijke zorg soms wel van ouders verwacht mag worden, bijvoorbeeld bij een kind met een beperking, als zij daartoe in staat zijn (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
Het college mag bij deze beoordeling niet kijken naar de financiële draagkracht van het gezin, maar wel naar wat redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden op basis van hun persoonlijke situatie (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326).
Bij gescheiden ouders zijn beide ouders verantwoordelijk, zolang zij gezag hebben. Ook stiefouders kunnen een rol hebben in de ondersteuning van het kind als onderdeel van het gezin.
Deze benadering sluit aan bij de bedoeling van de wetgever: de eigen kracht van ouders en jeugdigen staat voorop, pas daarna is de gemeente aan zet.
Het eerste lid geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.
Dit lid geeft een nadere invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.
Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.
De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.
Dit lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In dit lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.
Op de in artikel 5, zesde lid van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.
Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het vijfde lid.
Artikel 11. Inhoud beschikking
De beschikking is gebaseerd op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en op de ingediende aanvraag. Het is belangrijk dat deze beschikking duidelijk en goed onderbouwd is, zodat voor de jeugdige en zijn ouders begrijpelijk is waarom wel of geen voorziening wordt toegekend. De verordening stelt hiervoor een aantal basiseisen aan de inhoud van de beschikking. De daarin genoemde elementen zijn niet uitputtend: het college kan aanvullende informatie opnemen als dat nodig is voor een zorgvuldige motivering. Sommige onderdelen kunnen ook zijn opgenomen in een afzonderlijk ondersteuningsplan. In dat geval maakt dat plan onderdeel uit van de beschikking.
De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Nu het verslag van het onderzoek een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit vormt, wordt dit verslag aan de beschikking toegevoegd.
HOODSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 12. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een Pgb
Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een Pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het Pgb-plan dient te zijn opgenomen.
Uit de motivering in het Pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een Pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een Pgb met zich meebrengt. Het Pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van Pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 13 van de verordening. Verder moet uit het Pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.
De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid van de wet.
In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een Pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de Pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen Pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.
Een Pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een Pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.
Om in aanmerking te komen voor een Pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).
Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een Pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een Pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het Pgb.
Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een Pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het Pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.
In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een Pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het Pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een Pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
Artikel 14. Onderscheid formele hulp en informele hulp
Voor de bepaling van het Pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere Pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd.
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende Pgb-tarief.
Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een Pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een Pgb.
Een voorwaarde voor toekennen van een Pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een Pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg).
In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet). Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd.
Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad ((adoptie) ouders, (adoptie) kinderen grootouders, kleinkinderen, broers en zussen) of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.
Artikel 15. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een Pgb
Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een Pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Een Pgb voor informele jeugdhulp wordt niet verstrekt als op basis van het afwegingskader uit het Kwaliteitskader Jeugd inzet van formele, geregistreerde hulpverleners noodzakelijk is. Dit kader helpt bepalen welke professional passend is bij de complexiteit van de situatie.
In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet).Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen en het moet een reële vergoeding zijn. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. In de eerste plaats wordt gekeken naar een adequate jeugdhulpvoorziening en in tweede instantie zijn de kosten leidend in de keuze die gemaakt wordt. Op die manier wordt gestreefd naar passende zorg voor alle kinderen, die dat nodig hebben.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp, gelden hogere Pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen.
De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Dit is in lijn met art. 8.1.1 lid 5 Jeugdwet en art. 8ab Regeling Jeugdwet. Gemeenten mogen een maximum hanteren dat gelijk is aan het laagste adequate natura-tarief. Uit jurisprudentie volgt dat daar sprake van is als de jeugdhulp met het vastgestelde tarief bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.
Bij informele hulp gaat het vrijwel altijd om hulp uit het sociale netwerk (zoals ouders of familie), waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie. Voor hulp uit het sociaal netwerk bepaalt art. 8ab Regeling Jeugdwet dat het college een tarief moet vaststellen, waarbij rekening wordt gehouden met arbeidsrechtelijke verplichtingen.
In deze verordening is het Pgb-tarief voor informele hulp gebaseerd op minimaal 100 procent van het wettelijk minimumloon (incl. vakantiegeld). De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen.
Door de koppeling aan het wettelijk minimumloon (informele hulp) en het laagste adequate gecontracteerde tarief (formele hulp) bewegen de pgb-tarieven automatisch mee met externe normen.
Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.
Artikel 17. Niet vergoedbare kosten en uitgesloten van Pgb
Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een Pgb komen voor vergoeding vanuit het Pgb in aanmerking. Deze kosten worden in dit artikel opgesomd.
Een Pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het Pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het Pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het Pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.
De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het Pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.
HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING
Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een Pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van Pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van Pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een Pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
Artikel 19. Niet meewerken ouders
Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een Pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp.
Artikel 20. Intrekking, herziening of terugvordering
Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een Pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen.
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte Pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken.
In de wet is geregeld dat het college een Pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.
Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een Pgb, het Pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.
In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het Pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college moet het verzoek om opschorting zorgvuldig motiveren en de SVB voorzien van voldoende informatie voor een goed besluit. Opschorting is mogelijk voor maximaal dertien weken, in lijn met de termijn uit artikel 4:56 Awb en de Wlz.
Artikel 21. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van Pgb’s
Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een Pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de wet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd.
Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een Pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 21, tweede en derde lid toegevoegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een Pgb.
Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte Pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een Pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.
HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen zoals de Wlz, Zvw, Wmo 2015 en het onderwijsrecht geregeld.
In principe geldt: als een jeugdige op grond van een andere wet recht heeft op zorg, dan is de Jeugdwet niet van toepassing (artikel 1.2 van de wet). Alleen in uitzonderlijke situaties, zoals bij meerdere oorzaken van problemen of wanneer een specifieke voorziening onder artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b van de wet valt, moet het college alsnog jeugdhulp verlenen.
Voor wat betreft onderwijs geldt dat hulp gericht op het leerproces of onderwijsontwikkeling geen jeugdhulp is. Onderwijsondersteuning die hoort bij de onderwijswetgeving gaat vóór op jeugdhulp.
Ook geldt: als bij ernstige dyslexie geen behandelindicatie wordt afgegeven, blijft de school verantwoordelijk voor passende ondersteuning. Het diagnostisch onderzoek naar dyslexie is wél jeugdhulp, de begeleiding op school is dat in principe niet. Andere vormen van begeleiding zoals huiswerkbegeleiding, remedial teaching of hulp bij leerstoornissen vallen eveneens buiten de Jeugdwet.
Artikel 22. Voorliggende voorzieningen
Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of
een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing.
Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127).
Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.
Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen.
Artikel 23. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 23 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.
Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.
Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.
Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.
Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen.
HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 24. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 24 voorziet hierin. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.
Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt. .
HOOFDSTUK 9. KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Eén en ander is vastgelegd in de klachtenregeling gemeente Ameland.
Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.
In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.
Artikel 26. Inspraak en medezeggenschap
Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.
De bepaling in het vierde lid laat het aan het college over om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de Jeugdwet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders.
Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
Dit artikel bepaalt dat de verordening eenmaal in de vier jaar wordt geëvalueerd. Dit biedt transparantie en een stok achter de deur voor college en raad. Ook sluit het aan bij het belang van leren en verbeteren, en het maatschappelijk belang van goede jeugdhulp. Als laatste geeft het ruimte voor beleidsmatige en politieke sturing op basis van onderbouwde ervaringen.
Artikel 29. Overgangsrecht, intrekken oude verordening
Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening in een aantal situaties van toepassing is op het moment dat de nieuw verordening in werking treedt. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen of bezwaarprocedures waarop nog geen besluit is genomen, blijven de bepalingen van kracht die golden op het tijdstip van indiening.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-49399.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.