U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerpwijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Ridderkerk: cultureel erfgoed en milieubelastende activiteiten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk,

gelezen de tekstinhoud van het collegevoorstel van 6 oktober 2026,

BESLUIT:

Artikel I

Akkoord te gaan met het ontwerpwijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Ridderkerk: cultureel erfgoed en milieubelastende activiteiten (Bijlage A).

Artikel III

Vast te stellen dat de wijziging van het omgevingsplan geen omvangrijke negatieve milieueffecten veroorzaakt, zodat het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig is.

Artikel IV

De ontwerpwijziging van het omgevingsplan voor zes weken ter inzage te leggen.

Artikel II

De gemeenteraad op reguliere wijze te informeren over de terinzagelegging van de ontwerpwijziging van het omgevingsplan.

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders Ridderkerk op 6 oktober 2026.

Burgemeester en wethouders van Ridderkerk, 

 

de secretaris, 

mw. M. Kitselar

 

de burgemeester,  

dhr. C.A. Oosterwijk

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

B

Na afdeling 3.3 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 3.4 Cultureel erfgoed

Artikel 3.2 Gebiedsaanwijzingen cultureel erfgoed

In dit omgevingsplan zijn de volgende gebieden aangewezen:

 

C

Het opschrift van afdeling 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 3.4 3.5

D

Afdeling 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 3.5

[Gereserveerd]

[Vervallen]

E

Het opschrift van artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.2 3.3 Gebiedsaanwijzingen geur

F

Het opschrift van artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.3 3.4 Overige gebiedsaanwijzingen

G

Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.2 Oogmerken

De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem;

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • d.

    het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen;

  • e.

    het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater.

  • f.

    behoud van cultureel erfgoed;

  • g.

    het beschermen van de vrije windvang en het zicht op de molen.

H

Na artikel 4.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.5 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over dit hoofdstuk, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld als dat nodig is voor het waarborgen van de oogmerken, zoals beschreven in artikel 4.2.

I

Het opschrift van artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.5 4.6 Toepassingsbereik

J

Het opschrift van artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.6 4.7 Oogmerken

K

Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.7 4.8 Bodem: waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit

  • 1.

    De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid gelden voor lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld, de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.1.

    Tabel 4.1: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor lood per gebruiksfunctie.

    Gebruik

    Waarden lood (in mg/kg droge stof)1

    Wonen met tuin

    370

    Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven

    370

    1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.2. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.

    Tabel 4.2: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor asbest per gebied of gebruiksfunctie.

    Gebied/ Gebruik

    Waarden asbest (in mg/kg droge stof)

    Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur

    50

    Gebied bodemfunctieklasse wonen

    50

    Gebied bodemfunctieklasse industrie

    100

    Gebruik voor wonen met tuin

    10

    Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven

    10

  • 4.

    In aanvulling op het eerste lid gelden voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals  opgenomen in tabel 4.3. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.

    Tabel 4.3: Waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS per gebied of gebruiksfunctie.

    Gebied/ Gebruik

    Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)

    Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)

    Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof)

    Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur

    59

    60

    59

    Gebied bodemfunctieklasse wonen

    59

    60

    59

    Gebied bodemfunctieklasse industrie

    59

    60

    59

    Gebruik voor wonen met tuin

    29

    30

    29

    Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven

    59

    60

    59

  • 5.

    Er is sprake van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met vierde lid.

  • 6.

    Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vijfde lid is niet van toepassing:

    • a.

      bij de aanwezigheid van asbest

    • b.

      bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld.

L

Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.8 4.9 Bodem: maatregelen Maatregelen bij overschrijding van een waarde

Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.74.8, dienen de sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.

M

Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.9 4.10 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen

  • 1.

    Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.74.8 wordt het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden zijn verstrekt over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

N

Artikel 4.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 4.11 Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten

  • 1.

    Het is verboden een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, waarvoor op grond van artikel 4.114.12 tweede lid van dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning is vereist, te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Een melding bevat ten minste:

    • a.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;

    • c.

      het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;

    • d.

      de dagtekening; en

    • e.

      bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.74.8: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  • 3.

    De in het tweede lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

O

Het opschrift van artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 4.12 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

P

Artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 4.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.114.12 eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.74.8: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Q

Artikel 4.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 4.14 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

  • 1.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.114.12 eerste lid, wordt alleen verleend als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 4.74.8, niet wordt overschreden;

  • 2.

    Bij overschrijding van de waarden van de toelaatbare bodemkwaliteit zoals bedoeld in artikel 4.74.8 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan.

  • 3.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd als het bevoegd gezag van oordeel is dat er een verontreiniging van de bodem is, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid, die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw, tenzij aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel.

R

Het opschrift van artikel 4.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.14 4.15 Toepassingsbereik

S

Het opschrift van artikel 4.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.15 4.16 Oogmerken

T

Artikel 4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 4.17 Voorafgaand grondwateronderzoek

  • 1.

    Het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie is alleen toegestaan als uit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.174.18.

  • 2.

    Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:

    • a.

      het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      het overleggen van een beschikking, krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor 1 januari 2024, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

U

Artikel 4.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.17 4.18 Verontreiniging van grondwater

Er is sprake van verontreiniging van het grondwater, bedoeld in artikel 4.164.17, als voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume hoger is dan de waarde, bedoeld in artikel 7.30 ‘verontreiniging van grondwater’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

V

Artikel 4.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.18 4.19 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit

  • 1.

    Bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 4.174.18, is het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen toegestaan als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is uitgevoerd als bedoeld in paragraaf 3.4.2 “Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit” van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: 

    • a.

      zich niet langer bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of uit een beschikking als bedoeld in artikel 4.164.17, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag;

    • b.

      zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.

  • 3.

    Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: 

    • a.

      het gevolg is van natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; 

    • b.

      een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141e van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening of in een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dit artikel luidde voor 1 januari 2024.

W

Artikel 4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.19 4.20 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging

  • 1.

    Wanneer uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in artikel 4.184.19 blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, is het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen toegestaan als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen:

    • a.

      een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

    • b.

      een grondwatersanering, overeenkomstig de regels van paragraaf 3.4.3 ‘grondwatersanering’ van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als de significante grondwaterverontreiniging direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c van de Zuid-Hollande Omgevingsverordening. 

  • 2.

    Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing als sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

X

Artikel 4.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.20 4.21 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen

Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in paragraaf 3.4.2 'module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit' van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening wordt een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop:

  • a.

    de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 4.194.20, zijn getroffen; of,

  • b.

    als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

Y

Artikel 4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.21 4.22 Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten

  • 1.

    Het is verboden een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, waarvoor op grond van artikel 4.224.23 tweede lid van dit omgevingsplan geen omgevingsvergunning is vereist, te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Een melding als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste: 

    • a.

      de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;

    • b.

      het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht;

    • c.

      de dagtekening;

    • d.

      de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.164.17;

    • e.

      als sprake is van een verontreiniging van grondwater bedoeld in artikel 4.174.18, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift van de gegevens en bescheiden verstrekt, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn; 

    • f.

      als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de melding bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak, bedoeld in artikel 4.194.20, eerste lid sub a, wordt verricht; 

    • g.

      als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.

  • 3.

    De in het tweede lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

Z

Het opschrift van artikel 4.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.22 4.23 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

AA

Artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 4.24 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 4.224.23 eerste lid, worden de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.164.17, verstrekt. 

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

  • 3.

    Als sprake is van een verontreiniging van grondwater, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift van de gegevens en bescheiden verstrekt, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn.

  • 4.

    Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging, dan wordt bij de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de melding bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering  van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak, bedoeld in artikel  4.194.20, eerste lid sub a, wordt verricht.

  • 5.

    Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft, dan wordt bij  de aanvraag ook een afschrift verstrekt van de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld in paragraaf 3.4.3. Grondwatersanering  van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering wordt verricht.

BB

Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 4.25 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

  • 1.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.224.23 eerste lid, wordt alleen verleend als geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.174.18; of,

  • 2.

    Bij een verontreiniging van het grondwater als bedoeld in artikel 4.174.18 wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als uit een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit bedoeld in artikel 4.184.19 blijkt dat geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging.

  • 3.

    Het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in het tweede lid is niet nodig als voldaan wordt aan de criteria bedoeld in artikel 4.184.19, tweede en derde lid.

  • 4.

    Bij een significante grondwaterverontreiniging wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een bronaanpak, als bedoeld in artikel 4.194.20, eerste lid sub a, als sanerende maatregel wordt getroffen; of,

  • 5.

    Bij een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig 4.194.20, eerste lid sub b lid wordt getroffen. 

  • 6.

    Het gestelde in lid 4 geldt enkel voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

CC

Het opschrift van artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.25 4.26 Toepassingsbereik

DD

Het opschrift van artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.26 4.27 Oogmerken

EE

Artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.27 4.28 Bodem: waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit

  • 1.

    De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid gelden voor asbest en lood de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.4.

    Tabel 4.4: Waarden voor toelaatbare bodemkwaliteit voor lood en asbest

    Gebruik

    Waarden lood (in mg/kg droge stof)1 

    Waarden asbest (in mg/kg droge stof)

    Speelplaats

    370

    10

    Moestuin/volkstuin

    260

    10

    1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid gelden  voor PFOS, PFOA en overige PFAS de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zoals opgenomen in tabel 4.5.

    Tabel 4.5: Waarden voor toelaatbare bodemkwaliteit voor PFOS, PFOA en overige PFAS

    Gebruik

    Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)

    Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)

    Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof)

    Speelplaats

    59

    60

    59

    Moestuin/volkstuin

    2,4

    2,3

    2,4

  • 4.

    Er is sprake van overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden genoemd in het eerste tot en met derde lid.

  • 5.

    Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het vierde lid is niet van toepassing:

    • a.

      bij de aanwezigheid van asbest

    • b.

      bij de aanwezigheid van lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld

FF

Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.28 4.29 Bodem: maatregelen Maatregelen bij overschrijding van een waarde

Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.274.28, dienen de sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.

GG

Artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.29 4.30 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen

  • 1.

    Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.274.28 wordt de speelplaats, moestuin of volkstuin, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik genomen nadat aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden zijn verstrekt over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan, zijn getroffen.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde gegevens en bescheiden worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

HH

Artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.30 4.31 Meldplicht

  • 1.

    Het is verboden de activiteit bedoeld in artikel 4.254.26 te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Een melding bevat ten minste:

    • a.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

    • b.

      de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

    • c.

      het adres waarop de activiteit wordt verricht;

    • d.

      de dagtekening; en 

    • e.

      bij overschrijding van een waarde als bedoeld in deze paragraaf: de gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

  • 3.

    De in het tweede lid bedoelde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

II

Het opschrift van artikel 4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.31 4.32 Toepassingsbereik

JJ

Het opschrift van artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 4.33 Oogmerken

KK

Het opschrift van artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.33 4.34 Bodem: waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit

LL

Artikel 4.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.34 4.35 Bodem: maatregelen Maatregelen bij overschrijding van een waarde

Bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.334.34, dienen sanerende of andere beschermende maatregelen volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 7.3.5 van dit omgevingsplan te worden getroffen.

MM

Artikel 4.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.35 4.36 Informatieplicht: voorafgaand aan de activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik als bedoeld in artikel 4.314.32 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.334.34: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;

    • c.

      het oorspronkelijke gebruik en het voorgenomen gebruik van de locatie.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde onderzoeken worden zowel in bestandsformaat XML als PDF verstrekt. Het XML-bestand is een gevalideerde SIKB0101-dataset conform de specificaties van BRO-SAD in het IMBRO-formaat, voor zover het gaat om gegevens die zich daarvoor lenen.

NN

Het opschrift van artikel 4.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.36 4.37 Maatwerkvoorschrift

OO

Na afdeling 4.2 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

Afdeling 4.3 Cultureel erfgoed

Paragraaf 4.3.1

[Gereserveerd]

Paragraaf 4.3.2

[Gereserveerd]

Paragraaf 4.3.3 Gemeentelijk monument beschermen

Artikel 4.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen ter plaatse van de aanduiding gemeentelijk monument.

Artikel 4.39 Voorrangsregel

Ter plaatse van de aanduiding gemeentelijk monument zijn de volgende regels uit het tijdelijk deel omgevingsplan niet van toepassing:

  • a.

    artikel 32.2 van het bestemmingsplan Woongebied;

  • b.

    artikelen 8.5, 9.6, 11.4, 12.3 en 16.6 van het bestemmingsplan Centrum;

  • c.

    artikelen 6.4.2 tot en met 6.4.5 van het bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175.

Artikel 4.40 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 4.41 Verbod

Het is verboden:

Artikel 4.42 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument:

  • a.

    te slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen;

  • b.

    te herstellen of gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 4.43 Uitzondering op de vergunningplicht: vergunningvrije gevallen

Het verbod, bedoeld in 4.41, is niet van toepassing op:

  • a.

    noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, mits detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd;

  • b.

    inpandige wijzigingen van een onderdeel van het gemeentelijk monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;

  • c.

    het binnen een gemeentelijk monument dat als begraafplaats in gebruik is, met inachtneming van de monumentale waarden:

    • 1.

      plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

    • 2.

      doen van begravingen of asbijzettingen; of

    • 3.

      ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

Artikel 4.44 Aanvraagvereisten: algemeen

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel4.42, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    voor zover van toepassing, de naam van het gemeentelijk monument;

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

Artikel 4.45 Aanvraagvereisten: slopen van een gemeentelijk monument
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.44 worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 4.46 Aanvraagvereisten: verplaatsen van een gemeentelijk monument
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.44, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten.

    • c.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • d.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 4.47 Aanvraagvereisten: wijzigen van een gemeentelijk monument of gemeentelijk monument herstellen
  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 4.44, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; of

        • IV.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • I.

          plattegronden;

        • II.

          doorsneden;

        • III.

          gevelaanzichten; o

        • IV.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • e.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • f.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 4.48 Aanvraagvereisten: gemeentelijk monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 4.44 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 4.49 Aanvraagvereisten: eisen aan tekeningen
  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 4.45 tot en met 4.47 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 4.50 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg.

  • 2.

    Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen:

    • a.

      het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten;

    • b.

      het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; en

    • c.

      het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden.

  • 3.

    Voor zover het gaat om een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat monument in het geding zijn, beslist het bevoegd gezag alleen in overeenstemming met de eigenaar.

Artikel 4.51 Voorschriften omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op het doel genoemd in artikel 4.40.

Paragraaf 4.3.4

[Gereserveerd]

Paragraaf 4.3.5 Molenbiotoop beschermen

Artikel 4.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het toestaan van activiteiten binnen een molenbiotoop.

Artikel 4.53 Voorrangsregel

Voor zover de volgende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan strijdig zijn met de regels in deze paragraaf, zijn de regels uit het tijdelijk van het omgevingsplan niet van toepassing:

  • a.

    artikel 23 bestemmingsplan Waalbos;

  • b.

    artikel 3a van Bijlage 1 beheersverordening Rijsoord ;

  • c.

    artikel 5 bestemmingsplan Landelijk gebied zuid 1991;

  • d.

    artikel 8 bestemmingsplan Bezoekerscentrum Waalbos;

  • e.

    artikel 8 bestemmingsplan Woningbouw Pruimendijk 19 – 21;

  • f.

    artikel 30.5 bestemmingsplan Buitengebied;

  • g.

    artikel 6.1 bestemmingsplan Herstructurering woningen Rijsoord;

  • h.

    artikel 8.1 bestemmingsplan Waalweg 7.

Artikel 4.54 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het beschermen van de vrije windvang en het zicht op de molen.

Artikel 4.55 Hoogtebeperking bouwen en beplanting
Artikel 4.56 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen binnen molenbiotoop

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een bouwwerk binnen een molenbiotoop worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een situatietekening met maatvoering waaruit de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen blijkt;

  • b.

    een tekening met maatvoering waaruit de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van NAP blijkt.

Artikel 4.57 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 betrekking heeft op het bouwen binnen een molenbiotoop, wordt in aanvulling op de beoordelingsregels genoemd in artikel 22.29, de omgevingsvergunning alleen verleend als:

  • a.

    de hoogtebeperking, als bedoeld in artikel 4.55, niet wordt overschreden; of

  • b.

    de hoogtebeperking, als bedoeld in 4.55 wel wordt overschreden, maar:

    • 1.

      de vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt; of

    • 2.

      zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd.

PP

Artikel 7.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.12 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden of de afstanden voor geur, genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.6, 7.4.10, 7.4.12, 7.4.13, 7.4.14, 7.4.26, 7.4.28 en 7.4.32 niet van toepassing als het gaat om de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw:  

    • a.

      dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar;

    • b.

      waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

QQ

Artikel 7.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.16 Functionele binding

De waarden of de afstanden genoemd in de paragrafen 7.4.4, 7.4.6, 7.4.10, 7.4.12, 7.4.13, 7.4.14, 7.4.26, 7.4.28 en 7.4.32  zijn niet van toepassing als het geurgevoelig gebouw een functionele binding heeft met de activiteit.

RR

Artikel 7.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.54 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak vanwege een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 4.194.20, eerste lid onder a.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

SS

Het opschrift van artikel 7.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.57 Informatieplicht: voor het begin van de bronaanpak (maatwerkregel)

TT

Het opschrift van artikel 7.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.58 Informatieplicht: bij beëindiging van de bronaanpak (maatwerkregel)

UU

Artikel 7.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.68 Bijzondere kwaliteitseisen (maatwerkregel)

  • 1.

    In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor lood in de laag van 0 tot 0,50 meter onder maaiveld voldoen aan de waarden uit tabel 7.4.

    Tabel 7.4: Waarden de toelaatbare bodemkwaliteit voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor lood.

    Gebruik

    Waarden lood (in mg/kg droge stof)1

    Wonen met tuin

    90

    Buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven

    90

    Speelplaats

    90

    Moestuin/ volkstuin

    60

    1 De waarden gelden voor de gemeten concentratie niet gecorrigeerd voor standaard bodem.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor asbest voldoen aan de waarden uit tabel 7.5. Daarbij moet worden voldaan aan de strengste waarden voor het in de tabel opgenomen gebied of gebruik.

    Tabel 7.5: Waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor asbest.

    Gebied/ Gebruik

    Waarden asbest (in mg/kg droge stof)

    Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur

    50

    Gebied bodemfunctieklasse wonen

    50

    Gebied bodemfunctieklasse industrie

    100

    Gebruik voor wonen met tuin

    10

    Gebruik als buitenruimte bij basisscholen en kinderdagverblijven

    10

    Gebruik voor speelplaats

    10

    Gebruik voor moestuin/ volkstuin

    10

  • 3.

    In aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt op een bodemgevoelige locatie grond en baggerspecie alleen toegepast als de waarden voor PFOS, PFOA en overige PFAS voldoen aan de waarden uit tabel 7.6.

    Tabel 7.6: Waarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op een locatie met een gevoelige gebruiksfunctie voor PFOS, PFOA en overige PFAS.

    Gebied/ Gebruik

    Waarden PFOS (in μg/kg droge stof)

    Waarden PFOA (in μg/kg droge stof)

    Waarden overige PFAS (in μg/kg droge stof)

     

    afkomstig van binnen bodembeheergebied

    afkomstig van buiten bodembeheergebied

    afkomstig van binnen bodembeheergebied

    afkomstig van buiten bodembeheergebied

    afkomstig van binnen bodembeheergebied

    afkomstig van  buiten bodembeheergebied

    Gebied bodemfunctieklasse landbouw/natuur

    2,4

    1,4

    2,3

    1,9

    2,4

    1,4

    Gebied bodemfunctieklasse wonen

    3

    3

    7

    7

    3

    3

    Gebied bodemfunctieklasse industrie

    3

    3

    7

    7

    3

    3

    Gebruik voor speelplaats

    3

    3

    7

    7

    3

    3

    Gebruik voor moestuin/ volkstuin

    2,4

    1,4

    2,3

    1,9

    2,4

    1,4

VV

Het opschrift van artikel 7.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.70 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor zone Nieuw Reijerwaard (maatwerkregel)

WW

Voor paragraaf 7.4.1 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.1 Antihagelkanon in werking hebben

Artikel 7.76 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel om een schokgolf op te wekken.

Artikel 7.77 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen van geluidhinder.

Artikel 7.78 Verbod

Het is verboden een installatie als bedoeld in artikel 7.76 in werking te hebben.

Paragraaf 7.4.2 Biologische agens gebruiken

Artikel 7.79 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het in werking hebben van een praktijkruimte of laboratorium waar gericht wordt gewerkt met biologische agens.

Artikel 7.80 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het beschermen van de gezondheid.

Artikel 7.81 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.82 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 7.81, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld volgens de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

  • b.

    informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers;

  • c.

    een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 7.83 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.81, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7.4.3 Dieren slachten, dierlijke bijproducten verwerken of vlees, vis of organen uitsnijden

Artikel 7.84 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 7.85 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • b.

    het doelmatig beheer van afvalwater;

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

  • d.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

  • e.

    het voorkomen of beperken van geurhinder;

  • f.

    het beschermen van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 7.86 Water: lozingsroute en zuivering

  • 1.

    Het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten vindt inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 7.84 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput; of

    • b.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    Wanneer een vetafscheider en slibvangput, bedoeld in het vierde lid, zijn geplaatst voor 14 september 2014, hoeft deze alleen te zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 6.

    In afwijking van het vierde lid, mag vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, voor vermenging met ander afvalwater, ook worden geleid door een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 7.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

Artikel 7.87 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen worden de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

Artikel 7.88 Geur

  • 1.

    Bij het slachten van dieren wordt ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen.

  • 2.

    Als afgezogen dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten op de buitenlucht worden geëmitteerd, worden deze:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Artikel 7.89 Bodem: bodembeschermende voorziening

Het pekelen van dierlijke bijproducten en organen vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 7.90 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 7.91 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

Artikel 7.92 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 7.93 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem als bedoeld in artikel 7.95, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; of

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt milieukundig begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 7.94 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.84 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 7.95 Informatieplicht na beëindigen activiteit: eindonderzoek bodem

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem als bedoeld in artikel 7.92, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 7.96 Informatieplicht na beëindigen activiteit: herstelwerkzaamheden

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden als bedoeld in artikel 7.93, geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over:

    • a.

      de einddatum;

    • b.

      de resultaten van de milieukundige begeleiding in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000.

XX

Paragraaf 7.4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.1

[Gereserveerd]

[Vervallen]

YY

Paragraaf 7.4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.2

[Gereserveerd]

[Vervallen]

ZZ

Paragraaf 7.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.3

[Gereserveerd]

[Vervallen]

AAA

Het opschrift van artikel 7.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.76 7.97 Toepassingsbereik

BBB

Het opschrift van artikel 7.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.77 7.98 Oogmerken

CCC

Het opschrift van artikel 7.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.78 7.99 Geur: waarden voor geur: afstand

DDD

Artikel 7.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.79 7.100 Geur: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in één of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3, zoals bedoeld in deze paragraaf, als:

    • a.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht;

    • b.

      de afstand tussen deze activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.787.99;

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.787.99 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.

EEE

Het opschrift van artikel 7.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.80 7.101 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen 

FFF

Artikel 7.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.81 7.102 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.807.101, worden gegevens en bescheiden verstrekt over het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins.

GGG

Artikel 7.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.82 7.103 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.807.101 zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

HHH

Artikel 7.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.83 7.104 Voorschriften omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op het doel genoemd in artikel 7.777.98.

III

Na paragraaf 7.4.4 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.5 Fotografisch materiaal ontwikkelen of afdrukken

Artikel 7.105 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het digitaal afdrukken van fotografisch materiaal.

Artikel 7.106 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • b.

    het doelmatig beheer van afvalwater;

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 7.107 Water: lozingsroute, emissiegrenswaarde

  • 1.

    Afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal kan worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 5.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 7.108 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.105 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

JJJ

Paragraaf 7.4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.5

[Gereserveerd]

[Vervallen]

KKK

Het opschrift van artikel 7.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.84 7.109 Toepassingsbereik

LLL

Het opschrift van artikel 7.85 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.85 7.110 Oogmerken

MMM

Het opschrift van artikel 7.86 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.86 7.111 Geur: waarden voor geur: afstand

NNN

Artikel 7.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.87 7.112 Geur: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong zoals bedoeld in deze paragraaf als:

    • a.

      het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen deze activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.867.111; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.867.111 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.

OOO

Na paragraaf 7.4.6 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.7 Genetisch gemodificeerde organismen ingeperkt gebruiken

Artikel 7.113 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013.

Artikel 7.114 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen van het milieu.

Artikel 7.115 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteit als bedoeld in artikel 7.113 te verrichten.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op: 

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.116 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 7.115, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013, het maximale aantal werkruimten:

    • 1.

      waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;

    • 2.

      waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

  • b.

    een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 7.117 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.115, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7.4.8 Gesloten bodemenergiesysteem installeren

Artikel 7.118 Toepassingsbereik

Artikel 7.119 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het doelmatig gebruik van energie.

Artikel 7.120 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer, aan te leggen of te gebruiken 

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.121 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 7.120, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd

  • b.

    de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

  • c.

    gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

  • d.

    een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

  • e.

    informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

  • f.

    de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

Artikel 7.122 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

  • b.

    er sprake is van een doelmatig gebruik van bodemenergie.

PPP

Paragraaf 7.4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.7

[Gereserveerd]

[Vervallen]

QQQ

Paragraaf 7.4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.8

[Gereserveerd]

[Vervallen]

RRR

Het opschrift van artikel 7.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.88 7.123 Toepassingsbereik

SSS

Het opschrift van artikel 7.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.89 7.124 Oogmerken

TTT

Het opschrift van artikel 7.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.90 7.125 Geur: waarden voor geur: afstand

UUU

Artikel 7.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.91 7.126 Geur: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval, zoals bedoeld in deze paragraaf, als:

    • a.

      het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen deze activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.907.125; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats of composteringshoop redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.907.125 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.

VVV

Na paragraaf 7.4.10 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.11 Hyperscale datacentrum exploiteren

Artikel 7.127 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een hyperscale datacentrum.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat ook over datacentra of rekencentra die in onderlinge samenhang als één hyperscale datacentrum functioneren.

Artikel 7.128 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het doelmatig gebruik van energie.

Artikel 7.129 Verbod

Het is verboden om een hyperscale datacentrum als bedoeld in artikel 7.127 te bouwen of bouwwerken of gronden te gebruiken ten behoeve van een hyperscale datacentrum.

WWW

Paragraaf 7.4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.11

[Gereserveerd]

[Vervallen]

XXX

Het opschrift van artikel 7.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.92 7.130 Toepassingsbereik

YYY

Het opschrift van artikel 7.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.93 7.131 Oogmerken

ZZZ

Het opschrift van artikel 7.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.94 7.132 Geur: waarden voor geur: afstand

AAAA

Artikel 7.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.95 7.133 Geur: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen zoals bedoeld in deze paragraaf als:

    • a.

      het opslaan of composteren al voor 1 januari 2013 plaatsvond;

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.947.132; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.947.132 niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.

BBBB

Het opschrift van artikel 7.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.96 7.134 Bodem: bodembeschermende voorziening

CCCC

Het opschrift van artikel 7.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.97 7.135 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

DDDD

Het opschrift van artikel 7.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.98 7.136 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen  

EEEE

Het opschrift van artikel 7.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.99 7.137 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

FFFF

Het opschrift van artikel 7.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.100 7.138 Informatieplicht bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

GGGG

Het opschrift van artikel 7.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.101 7.139 Toepassingsbereik

HHHH

Het opschrift van artikel 7.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.102 7.140 Oogmerken

IIII

Het opschrift van artikel 7.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.103 7.141 Geur: vanaf waar afstanden gelden

JJJJ

Het opschrift van artikel 7.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.104 7.142 Geur: waarden voor geur

KKKK

Artikel 7.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.105 7.143 Geur: eerbiedigende werking bij waarden

  • 1.

    Als voor 1 januari 2024 de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in artikel 7.1047.142 mag, in afwijking van dat artikel:

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen;

    • b.

      de geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van één of meer diercategorieën met geuremissiefactor wel toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen;

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van:

      • 1.

        de waarde, bedoeld in artikel 7.1047.142;

      • 2.

        de waarde voor geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mag veroorzaken.

LLLL

Artikel 7.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.106 7.144 Geur: bijzondere geurgevoelige gebouwen

De waarden voor geur, genoemd in artikel 7.1047.142, zijn niet van toepassing bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand tot de volgende bijzondere geurgevoelige gebouwen voldoet aan de in tabel 7.13 genoemde afstanden: 

  • a.

    een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig gebouw dat vanaf of na 19 maart 2000 geen functionele binding meer heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd: 

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf;

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of voor functioneel ondersteunende activiteiten;

  • d.

    een geurgevoelig gebouw dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig gebouw met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 7.13: Afstand tot een geurgevoelig gebouw met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig gebouw met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

100 m

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

50 m

MMMM

Artikel 7.107 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.107 7.145 Geur: afstand vanaf gevel dierenverblijf

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 7.1047.142 tot en met 7.1067.144 is bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.14.

    Tabel 7.14: Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig gebouw

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 7.1037.141 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

NNNN

Het opschrift van artikel 7.108 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.108 7.146 Geur: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

OOOO

Het opschrift van artikel 7.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.109 7.147 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

PPPP

Artikel 7.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.110 7.148 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Een activiteit als bedoeld in 7.1017.139 vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de activiteit plaats vindt in de buitenlucht of als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

QQQQ

Het opschrift van artikel 7.111 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.111 7.149 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

RRRR

Artikel 7.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.112 7.150 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.1017.139 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

SSSS

Het opschrift van artikel 7.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.113 7.151 Toepassingsbereik

TTTT

Het opschrift van artikel 7.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.114 7.152 Oogmerken

UUUU

Het opschrift van artikel 7.115 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.115 7.153 Geur: vanaf waar afstanden gelden

VVVV

Artikel 7.116 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.116 7.154 Geur: Afstand tot gevoelige gebouwen

Bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, is de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.15.

Tabel 7.15:  Afstand tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

Geurgevoelig gebouw

Afstand

Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

100 m

Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

50 m

WWWW

Artikel 7.117 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.117 7.155 Geur: Eerbiedigende werking voor afstand tot gevoelige gebouwen

  • 1.

    Artikel 7.1167.154 is niet van toepassing als voor 1 januari 2024 op een locatie rechtmatig niet werd voldaan aan de afstand, bedoeld in tabel 7.15.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afnemen.

XXXX

Artikel 7.118 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.118 7.156 Geur: Afstand vanaf gevel dierenverblijf

  • 1.

    Onverminderd de artikelen 7.1167.154 en 7.1177.155 is bij het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 7.16.

    Tabel 7.16: Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig gebouw bij geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

    Geurgevoelig gebouw

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwingscontour geur

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwingscontour geur

    25 m

  • 2.

    In afwijking van artikel 7.1157.153 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

YYYY

Artikel 7.119 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.119 7.157 Geur: Eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor 1 januari 2024 op een locatie rechtmatig niet werd voldaan aan de afstand, bedoeld in artikel 7.1187.156, eerste lid, mag, in afwijking van dat artikel:

  • a.

    de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet afnemen;

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.

ZZZZ

Het opschrift van artikel 7.120 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.120 7.158 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

AAAAA

Artikel 7.121 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.121 7.159 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Een activiteit als bedoeld in 7.1137.151 vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing wanneer de activiteit plaats vindt in de buitenlucht of als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

BBBBB

Het opschrift van artikel 7.122 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.122 7.160 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

CCCCC

Artikel 7.123 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.123 7.161 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.1137.151 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

DDDDD

Na paragraaf 7.4.15 worden vier paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.16 Maden van vliegende insecten kweken

Artikel 7.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het kweken van maden van vliegende insecten.

Artikel 7.163 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen van geurhinder.

Artikel 7.164 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.165 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in 7.164, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

  • b.

    het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

  • c.

    een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

  • d.

    de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 7.166 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.164, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7.4.17 Motorvoertuigen wassen

Artikel 7.167 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 7.168 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het beschermen van de kwaliteit van de bodem;

  • b.

    het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • c.

    het doelmatig beheer van afvalwater;

  • d.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

  • e.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk.

Artikel 7.169 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Het wassen van motorvoertuigen vindt plaats boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als de motorvoertuigen worden gewassen op een mobiele wasinstallatie:

    • a.

      die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen komen; en

    • b.

      die niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt gewassen.

Artikel 7.170 Water: lozingsroute, emissiegrenswaarde en zuivering

  • 1.

    Afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen kan worden geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, wordt gewassen.

  • 4.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool:

    • a.

      is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster; of

    • b.

      wordt dat afvalwater, voor vermenging met ander afvalwater, geleid door een slibvangput en olieafscheider.

Paragraaf 7.4.18 Natte accu met een acculader opladen

Artikel 7.171 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 7.172 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het beschermen van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 7.173 Bodem: bodembeschermende voorziening

Het laden van een natte accu vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 7.174 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Paragraaf 7.4.19 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 7.175 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      één of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      één of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

  • 3.

    De uitzondering in het tweede lid geldt niet voor van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 7.176 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

  • b.

    het doelmatig beheer van afvalwater;

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

  • d.

    het beschermen van de doelmatige werking van het zuiveringtechnisch werk;

  • e.

    het voorkomen of het beperken van geurhinder.

Artikel 7.177 Water: lozingsroute en zuivering

  • 1.

    Afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen kan worden geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 3.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd als:

    • a.

      het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd; en

    • b.

      de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 4.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd op of in de bodem of in een vuilwaterriool.

  • 5.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een vetafscheider en slibvangput.

  • 6.

    Wanneer een vetafscheider en slibvangput, bedoeld in het vijfde lid, zijn geplaatst voor 14 september 2004, hoeft deze alleen te zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 7.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 7.178 Geur

  • 1.

    Als afgezogen dampen en gassen naar de buitenlucht worden geëmitteerd, worden deze:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door in olie of vet te grillen, te frituren of te bakken, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Dampen en rook die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen door het gebruik van houtskool, hout of een vergelijkbare brandstof worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 4.

    Het vetvangend filter en de nabehandelingsinstallatie worden regelmatig onderhouden, gereinigd en, indien noodzakelijk, vervangen.

  • 5.

    Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot:

      • 1.

        een gezoneerd industrieterrein;

      • 2.

        een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; of

      • 3.

        een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 6.

    Het bepaalde in het eerste lid is tot 1 januari 2031 niet van toepassing op een activiteit als:

    • a.

      voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    • b.

      de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

    • c.

      de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 7.179 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.175 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

EEEEE

Paragraaf 7.4.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.16

[Gereserveerd]

[Vervallen]

FFFFF

Paragraaf 7.4.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.17

[Gereserveerd]

[Vervallen]

GGGGG

Paragraaf 7.4.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.18

[Gereserveerd]

[Vervallen]

HHHHH

Paragraaf 7.4.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.19

[Gereserveerd]

[Vervallen]

IIIII

Na paragraaf 7.4.20 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.21 Parkeergelegenheid in een parkeergarage bieden

Artikel 7.180 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage die voorzien is van mechanische ventilatie.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als de parkeergarage maximaal 20 parkeerplaatsen bevat.

Artikel 7.181 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het beschermen van de kwaliteit van de lucht;

  • b.

    het voorkomen of beperken van geurhinder.

Artikel 7.182 Lucht en Geur: afvoeren emissies

  • 1.

    Aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage worden aangebracht:

    • a.

      in een verkeersluwe omgeving; of

    • b.

      als het genoemde in sub a niet mogelijk is, op ten minste 5 meter boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen.

  • 2.

    De uit de parkeergarage afgezogen lucht wordt:

    • a.

      verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven het straatniveau; of

    • b.

      als binnen 25 meter van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan 5 meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste 1 meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw.

  • 3.

    De snelheid van de uitgeblazen lucht bedraagt, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 4.

    Het bepaalde in dit artikel is tot 1 januari 2031 niet van toepassing op een activiteit als: 

    • a.

      voor die activiteit voor 1 januari 2008 voorschriften golden op grond van een onherroepelijke vergunning of één van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    • b.

      de activiteit destijds voldeed aan deze voorschriften; en

    • c.

      de activiteit sinds 1 januari 2008 niet is gewijzigd zodanig dat de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw toenam.

Artikel 7.183 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van een activiteit als bedoeld in artikel 7.180 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

JJJJJ

Paragraaf 7.4.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.21

[Gereserveerd]

[Vervallen]

KKKKK

Na paragraaf 7.4.22 worden drie paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.23 Recreatieve visvijver exploiteren

Artikel 7.184 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 7.185 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.

Artikel 7.186 Verbod

Het is een verboden een recreatieve visvijver als bedoeld in artikel 7.184 te exploiteren. 

Paragraaf 7.4.24 Sport in de buitenlucht met terreinverlichting bieden

Artikel 7.187 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht met terreinverlichting.

Artikel 7.188 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het beperken van lichthinder.

Artikel 7.189 Licht

De terreinverlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht is uitgeschakeld tussen 23.00 uur en 07.00 uur.

Artikel 7.190 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.187 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de sportactiviteit en de daarbij horende terreinverlichting;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de terreinverlichting is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      maatregelen die genomen worden om lichthinder te voorkomen; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 7.191 Meldplicht afwijkende tijden terreinverlichting

  • 1.

    Op maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar mag worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.189.

  • 2.

    Afwijken van het bepaalde in artikel 7.189 is niet toegestaan zonder dit ten minste twee weken voor het begin ervan te melden.

  • 3.

    Een melding bevat ten minste:

    • a.

      datum en tijdstip van de afwijkende tijden waarop terreinverlichting wordt toegepast;

    • b.

      de aanleiding voor de melding;

    • c.

      het aantal dagen of dagdelen in het betreffende kalenderjaar dat van het bepaalde in artikel 7.189 is afgeweken;

    • d.

      het adres waarop de afwijking betrekking heeft; en

    • e.

      de dagtekening.

  • 4.

    Wanneer van het bepaalde in artikel 7.189 wordt afgeweken en de terreinverlichting wordt gebruikt zowel voor als na 00.00 uur, wordt dit beschouwd als één dag.

  • 5.

    De melding worden geacht te zijn gedaan wanneer het college van burgemeester en wethouders een afwijking op verzoek terstond toestaat vanwege een bijzondere omstandigheid die redelijkerwijs niet te voorzien was.

Paragraaf 7.4.25 Traditioneel schieten

Artikel 7.192 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 7.193 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 7.194 Verbod

Traditioneel schieten als bedoeld in 7.192 is verboden. 

LLLLL

Paragraaf 7.4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.23

[Gereserveerd]

[Vervallen]

MMMMM

Paragraaf 7.4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.24

[Gereserveerd]

[Vervallen]

NNNNN

Paragraaf 7.4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.25

[Gereserveerd]

[Vervallen]

OOOOO

Het opschrift van artikel 7.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.124 7.195 Toepassingsbereik

PPPPP

Het opschrift van artikel 7.125 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.125 7.196 Oogmerken

QQQQQ

Het opschrift van artikel 7.126 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.126 7.197 Geur

RRRRR

Artikel 7.127 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.127 7.198 Geur: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op de geur door het opslaan van champost, dikke fractie of vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden, als:

    • a.

      het opslaan al voor 1 januari 2013 plaatsvond; en

    • b.

      de afstand tussen een activiteit en een geurgevoelig gebouw op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in artikel 7.1267.197, eerste lid; en

    • c.

      verplaatsing van de opslagplaats redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid is artikel 7.1267.197, eerste lid, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig gebouw niet af.

SSSSS

Het opschrift van artikel 7.128 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.128 7.199 Bodem: opslag van vaste mest

TTTTT

Artikel 7.129 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.129 7.200 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening bij het opslaan van vaste mest

  • 1.

    Bij een activiteit als bedoeld in artikel  7.1247.195, eerste lid onder a, wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen  gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van vaste mest omvat.

UUUUU

Artikel 7.130 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.130 7.201 Water: lozingsroute bij het opslaan van vaste mest

  • 1.

    Bij een activiteit als bedoeld in artikel 7.1247.195, eerste lid onder a kunnen vrijkomende vloeistoffen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een riool.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving het opslaan van vaste mest omvat.

VVVVV

Artikel 7.131 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.131 7.202 Informatieplicht bij het opslaan van vaste mest

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.1247.195, eerste lid onder a, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het opslaan van vaste mest omvat.

WWWWW

Het opschrift van artikel 7.132 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.132 7.203 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

XXXXX

Artikel 7.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.133 7.204 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste mest

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 7.1327.203, worden gegevens en bescheiden verstrekt over het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

YYYYY

Het opschrift van artikel 7.134 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.134 7.205 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste mest

ZZZZZ

Artikel 7.135 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.135 7.206 Voorschriften omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op een doel genoemd in artikel 7.1257.196.

AAAAAA

Na paragraaf 7.4.26 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.27 Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 7.207 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over milieubelastende activiteiten in de voedingsmiddelenindustrie, die zijn aangewezen in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over milieubelastende activiteiten die als vergunningplichtig zijn aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.208 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het voorkomen of beperken van geurhinder.

Artikel 7.209 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 7.207 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

  • 3.

    Dit artikel geldt niet voor de geur door een activiteit als bedoeld in 7.207 op een geurgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

BBBBBB

Paragraaf 7.4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.27

[Gereserveerd]

[Vervallen]

CCCCCC

Het opschrift van artikel 7.136 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.136 7.210 Toepassingsbereik

DDDDDD

Het opschrift van artikel 7.137 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.137 7.211 Oogmerken

EEEEEE

Het opschrift van artikel 7.138 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.138 7.212 Geur: waarden voor geur: afstand

FFFFFF

Na paragraaf 7.4.30 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 7.4.31 Zoogdieren of vogels fokken, houden of trainen

Artikel 7.213 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat;

    • b.

      op een milieubelastende activiteit die is geregeld in paragraaf 7.4.13 of 7.4.14 van dit omgevingsplan. 

Artikel 7.214 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het beschermen van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 7.215 Bodem: bodembeschermende voorziening

  • 1.

    Het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren vindt plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 7.216 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 7.217 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 7.213 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

GGGGGG

Paragraaf 7.4.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 7.4.31

[Gereserveerd]

[Vervallen]

HHHHHH

Het opschrift van artikel 7.139 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.139 7.218 Toepassingsbereik

IIIIII

Het opschrift van artikel 7.140 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.140 7.219 Oogmerken

JJJJJJ

Het opschrift van artikel 7.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.141 7.220 Geur: waarden voor geur

KKKKKK

Artikel 7.142 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.142 7.221 Geur: geen waarde bij specifieke geurgevoelige gebouwen

De waarden, bedoeld in artikel 7.1417.220, eerste lid, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige gebouwen die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor 1 januari 2024 zijn gebouwd; 

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

LLLLLL

Artikel 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

[Vervallen]

  • 1.

    Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

MMMMMM

Artikel 22.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

[Vervallen]

De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

NNNNNN

Artikel 22.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

  • 1.

    Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

  • 2.

    Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

  • 3.

    Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

    vervallen

  • 4.

    Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of

    • b.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

OOOOOO

Artikel 22.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

  • a.

    in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

  • b.

    op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

PPPPPP

Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV. 

  • 4.

    In  afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

QQQQQQ

Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.60 en het eerste en tweede lid zijn de regels als bedoeld in het vierde tot en met zevende lid van toepassing op een activiteit die wordt verricht op:

    • a.

      een gezoneerd industrieterrein;

    • b.

      op een industrieterrein waarvoor geluidsproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 4.

    Het derde tot en met zevende lid is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    Het derde tot en met zevende lid is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het  eerste en tweede lid of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in het derde lid worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit als bedoeld in het derde lid wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

RRRRRR

Artikel 22.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.217.4.25, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.67 en 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

SSSSSS

Paragraaf 22.3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.7

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem

[Vervallen]

Artikel 22.125 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

[Vervallen]

Artikel 22.127 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

[Vervallen]

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

[Vervallen]

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

[Vervallen]

Artikel 22.131 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.7.4

[Vervallen]

Artikel 22.133

[Vervallen]

Artikel 22.134

[Vervallen]

Artikel 22.135

[Vervallen]

Artikel 22.136

[Vervallen]

TTTTTT

Paragraaf 22.3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers

[Vervallen]

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.185 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

[Vervallen]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

UUUUUU

Paragraaf 22.3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

[Vervallen]

Artikel 22.188 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      digitaal afdrukken; en

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.188 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.190 Water

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

VVVVVV

Paragraaf 22.3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

[Vervallen]

Artikel 22.192 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en

    • b.

      op wassen van motorvoertuigen bij wonen.

Artikel 22.193 Bodem

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 22.194 Water

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

WWWWWW

Paragraaf 22.3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

[Vervallen]

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.196 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.198 Water

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 22.199 Geur

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

XXXXXX

Paragraaf 22.3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

[Vervallen]

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op

    • a.

      een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

[Vervallen]

  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in artikel 22.200 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

YYYYYY

Paragraaf 22.3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.

[Vervallen]

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.202 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 22.202 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

    • a.

      wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

    • b.

      worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

      • 1.

        ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

      • 2.

        geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

[Vervallen]

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

[Vervallen]

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

[Vervallen]

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

[Vervallen]

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

[Vervallen]

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

ZZZZZZ

Paragraaf 22.3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

[Vervallen]

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

AAAAAAA

Paragraaf 22.3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

[Vervallen]

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

BBBBBBB

Paragraaf 22.3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten

[Vervallen]

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

[Vervallen]

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in artikel 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

[Vervallen]

  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

[Vervallen]

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

[Vervallen]

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

[Vervallen]

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

[Vervallen]

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

CCCCCCC

Paragraaf 22.3.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

[Vervallen]

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.239 Licht

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

DDDDDDD

Paragraaf 22.3.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

[Vervallen]

Artikel 22.252 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 22.252 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 22.255 Bodem: logboek

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

EEEEEEE

Artikel 22.259 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

FFFFFFF

Artikel 22.260 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

GGGGGGG

Artikel 22.261 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

    • b.

      het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

    • c.

      een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

    • d.

      de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

HHHHHHH

Artikel 22.264 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

IIIIIII

Artikel 22.265 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

    • b.

      informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en

    • c.

      een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

JJJJJJJ

Artikel 22.266 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

      • 1.

        waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;

      • 2.

        waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

    • b.

      een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

KKKKKKK

Artikel 22.270 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in de artikelen 22.26122.262 tot en met 22.269, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

LLLLLLL

Artikel 22.287 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

[Vervallen]

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

MMMMMMM

Artikel 22.288 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

[Vervallen]

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

NNNNNNN

Artikel 22.289 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

[Vervallen]

Tekeningen als bedoeld in artikel 22.288 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

  • a.

    1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

  • b.

    1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

  • c.

    1:50, als het gaat om een detailtekening.

OOOOOOO

Artikel 22.290 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

[Vervallen]

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

PPPPPPP

Artikel 22.291 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

[Vervallen]

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

QQQQQQQ

Artikel 22.292 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

[Vervallen]

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

RRRRRRR

Artikel 22.293 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

[Vervallen]

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 22.287 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

SSSSSSS

Artikel 22.294 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292

[Vervallen]

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

TTTTTTT

Artikel 22.295 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

[Vervallen]

De artikelen 22.287 tot en met 22.294 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

UUUUUUU

Artikel 22.296 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

[Vervallen]

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

VVVVVVV

Subparagraaf 22.5.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet

[Vervallen]

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

[Vervallen]

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

WWWWWWW

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen hoofdstuk 1 tot en met 21

Voor de toepassing van hoofdstuk 1 tot en met 21 wordt verstaan onder:

aansluitafstand

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

bindmiddelen

niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips.

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

grondstabilisatie

het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

slakken

slakken zoals metaalslak, hoogovenslak, fosforslak, gieterijslak, koperslak of LD-staalslak.

niet-vormgegeven bouwstof

een niet-vormgegeven bouwstof is een bouwstof waarvan de kleinste eenheid een volume heeft van minder dan 50 cm3 of bouwstoffen die onder normale omstandigheden niet duurzaam vormvast zijn.

straatpeil
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

hyperscale datacentrum

het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen.

XXXXXXX

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Overzicht Informatieobjecten

bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm0597/2026/a974cfc5f7a34c5abd74c1f5bef0d75d/nld@2026‑10‑06;13535056

bodembeheergebied

/join/id/regdata/gm0597/2025/229d414668194460961c4f400d36559b/nld@2026‑01‑29;12563933

bodemfunctieklasse industrie

/join/id/regdata/gm0597/2025/dab71b80e10e4ecfacb85bb6a9aa7a83/nld@2026‑01‑29;12563933

bodemfunctieklasse landbouw/natuur

/join/id/regdata/gm0597/2025/db2ff286d509418eb9d3f82f1b73a309/nld@2026‑01‑29;12563933

bodemfunctieklasse wonen

/join/id/regdata/gm0597/2025/0d549629b9dd43cda3d339ecbf390109/nld@2026‑01‑29;12563933

herkomstgebied zone Nieuw Reijerwaard

/join/id/regdata/gm0597/2025/f53900828f6443418cb6db525ff10c57/nld@2026‑01‑29;12563933

plattelandswoning

/join/id/regdata/gm0597/2026/d164206330104c23b7f6d826fd12d438/nld@2026‑10‑06;13535056

toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard

/join/id/regdata/gm0597/2025/7225c29d396d494cb763da0993b737f6/nld@2026‑01‑29;12563933

bebouwingscontour geur

/join/id/regdata/gm0597/2026/a974cfc5f7a34c5abd74c1f5bef0d75d/nld@2026‑10‑06;13535056

bodembeheergebied

/join/id/regdata/gm0597/2025/229d414668194460961c4f400d36559b/nld@2026‑01‑29;12563933

bodemfunctieklasse industrie

/join/id/regdata/gm0597/2025/dab71b80e10e4ecfacb85bb6a9aa7a83/nld@2026‑01‑29;12563933

bodemfunctieklasse landbouw/natuur

/join/id/regdata/gm0597/2025/db2ff286d509418eb9d3f82f1b73a309/nld@2026‑01‑29;12563933

bodemfunctieklasse wonen

/join/id/regdata/gm0597/2025/0d549629b9dd43cda3d339ecbf390109/nld@2026‑01‑29;12563933

buiten een grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/gm0597/2026/ca7009aaf48b488d82f792282b851f08/nld@2026‑10‑15;08494342

gemeentelijk monument

/join/id/regdata/gm0597/2026/6738cf1859aa44f6938cb00ab500e292/nld@2026‑10‑15;08494342

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/gm0597/2026/d20d49ef5abd406c8ee6523e1861ebdf/nld@2026‑10‑15;08494342

herkomstgebied zone Nieuw Reijerwaard

/join/id/regdata/gm0597/2025/f53900828f6443418cb6db525ff10c57/nld@2026‑01‑29;12563933

maximale hoogte voor een bouwwerk of beplanting

/join/id/regdata/gm0597/2026/80b7c6c73f6a42edb35529b52f7c40f1/nld@2026‑10‑15;08494342

molenbiotoop

/join/id/regdata/gm0597/2026/9162725846484881851c454847804a30/nld@2026‑10‑15;08494342

molenbiotoop tot en met 100 meter

/join/id/regdata/gm0597/2026/8a64d702fc084dde860b980cddac4dd6/nld@2026‑10‑15;08494342

molenbiotoop vanaf 100 tot 400 meter – binnen bestaand stads- en dorpsgebied

/join/id/regdata/gm0597/2026/6049fc327a194829aa61f2949497ead6/nld@2026‑10‑15;08494342

molenbiotoop vanaf 100 tot 400 meter – buiten bestaand stads- en dorpsgebied

/join/id/regdata/gm0597/2026/f4ce4654bc744caaa2cf752a8bf887b7/nld@2026‑10‑15;08494342

plattelandswoning

/join/id/regdata/gm0597/2026/d164206330104c23b7f6d826fd12d438/nld@2026‑10‑06;13535056

toepassingsgebied zone Nieuw Reijerwaard

/join/id/regdata/gm0597/2025/7225c29d396d494cb763da0993b737f6/nld@2026‑01‑29;12563933

YYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.1 Gebiedsaanwijzingen bodem

Onder a

Het bodembeheergebied is aangewezen overeenkomstig artikel 5.89o Besluit kwaliteit leefomgeving. Binnen dit gebied zijn maatwerkregels mogelijk ter versoepeling van de kwaliteitseisen als de grond of baggerspecie afkomstig is uit, en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. De regels hiervoor staan in paragraaf 7.3.9. Binnen dit bodembeheergebied wordt het gebiedsspecifieke beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021) uitgewerkt.

Voor grond en baggerspecie van buiten het bodembeheergebied gelden de gelden de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving in combinatie met bodemkwaliteitskaarten en toepassingskaarten. Deze kaarten zijn te raadplegen op: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR714140.

Een bodemkwaliteitskaart geeft de feitelijk bodemkwaliteit van een gebied weer. Het gaat dan om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem die te verwachten is op gebiedsniveau. Een bodemkwaliteitskaart kan gebruikt worden als basis voor een milieuverklaring zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Zo'n milieuverklaring is nodig voor:

  • ontgraven grond of baggerspecie (vaak aangeduid als ontgravingskaart); of

  • de bodem waarop grond of baggerspecie wordt toegepast (vaak aangeduid als een kaart voor de kwaliteit van de ontvangende bodem).

De toepassingskaart geeft aan welke kwaliteit grond en baggerspecie mag worden toegepast. 

Onder b, c en d

Via de instructieregel van artikel 5.89p Besluit kwaliteit leefomgeving is de gemeente verplicht om in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op te nemen. Op deze kaart is de landbodem is ingedeeld in één van de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen of industrie. Een bodemfunctieklasse is een indeling van de bodem op basis van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. De bodemfunctieklasse wordt gebruikt in regels voor het toepassen van grond of baggerspecie (paragraaf 7.3.9) en voor terugsaneerwaarden (paragraaf 7.3.5).

Onder e en f

De gemeente wijst binnen het bodembeheergebied een herkomstgebied en een toepassingsgebied voor Nieuw Reijerwaard aan. De grenzen van deze twee gebieden zijn gelijk. Binnen dit herkomstgebied en toepassingsgebied gelden regels voor drins (bestrijdingsmiddelen) op basis van het gebiedsspecifieke beleid uit de voormalige Nota Bodembeheer (7 juni 2021).

Onder g en h

De provincie is het bevoegd gezag voor grondwaterbeschermingsgebieden. Deze gebieden zijn dan ook aangewezen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en overgenomen in dit omgevingsplan. Omdat het omgevingsplan regels stelt voor het gebied buiten een grondwaterbeschermingsgebied is hiervoor een gebiedsaanwijzing opgenomen. 

ZZZZZZZ

Na sectie '' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 4.5 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften houden altijd rekening met de oogmerken uit artikel 4.2 en mogen daar niet mee in strijd zijn.

AAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 4.2 Bodem

Deze afdeling regelt de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in relatie tot functies.

Paragraaf 4.2.1 gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteiten leefomgeving.

Paragraaf 4.2.2 gaat over het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de instructieregels uit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening.

Paragraaf 4.2.3 gaat over het aanleggen en gebruiken van een speelplaats, moestuin of volkstuin. Ook voor deze locaties, waarop geen bodemgevoelig gebouw staat of wordt gebouwd is het gewenst waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit in relatie tot het gebruik vast te stellen. Deze regels zijn een aanvulling op paragraaf 4.2.1. 

Paragraaf 4.2.4 gaat over zowel het wijzigen van gebruik van een bodemgevoelige locatie als het wijzigen van het gebruik waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat. In beide gevallen is geen sprake van 'bouwen'. Deze regels zijn een aanvulling op paragraaf 4.2.1.  

BBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.54.6 Toepassingsbereik

CCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.64.7 Oogmerken

DDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.74.8 Bodem: waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit

EEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

FFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

GGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

HHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

IIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

JJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

KKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.84.9 Bodem: maatregelen Maatregelen bij overschrijding van een waarde

LLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.94.10 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen

MMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.104.11 Meldplicht: vergunningsvrije bouwactiviteiten

NNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.104.11 lid 1

De meldplicht geldt alleen voor de vergunningvrije bouwactiviteiten als bedoeld in van artikel 22.27 van het omgevingsplan. In alle overige gevallen geldt de vergunningplicht als bedoeld in artikel 4.114.12 eerste lid. 

OOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.104.11 lid 2

De indieningsvereisten voor de melding volgen uit het tweede lid van artikel 5.89l van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Er zijn in dit omgevingsplan geen locaties aangewezen waar een overschrijding van de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 4.74.8 van dit omgevingsplan redelijkerwijs is uit te sluiten. Het derde lid van artikel 5.89l Besluit kwaliteit leefomgeving werkt daarom niet door in dit omgevingsplan.

PPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

QQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.114.12 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bepaalt dat voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. Daarnaast is ook een omgevingsvergunning nodig voor het verrichten van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 22.26. 

Wanneer er sprake is van een vergunningvrije bouwactiviteit als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan, dan geldt de vergunningplicht niet. In dat geval geldt de meldplicht zoals opgenomen in artikel 4.104.11.

RRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.124.13 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de vergunningplicht als bedoeld in artikel 4.114.12. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag. 

SSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.124.13 lid 1

Het vereiste bodemonderzoek is noodzakelijk om te kunnen bepalen of de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen, zoals bedoeld in artikel 4.84.9.

De regel is een voortzetting van de werkwijze op grond van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

TTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.134.14 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

VVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

XXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

YYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.144.15 lid 1

In dit lid wordt de verbinding gelegd met de definitie van een grondwatergevoelig gebouw en een grondwatergevoelige locatie zoals die in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn opgenomen.  

Artikel 7.27 ZHOV regelt wat onder een grondwatergevoelig gebouw moet worden verstaan, namelijk:

  • a.

    een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of

  • b.

    elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.

Op grond van artikel 7.28 ZHOV worden de volgende locaties in ieder geval als grondwatergevoelige locaties beschouwd:

  • a.

    een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • b.

    de locatie waarop een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder b, is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

  • c.

    een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, onder b, grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, voor zover de tuin of het terrein daarmee samenhang heeft.

Het toepassingsbereik van grondwatergevoelige gebouwen omvat naast bodemgevoelige gebouwen ook niet-bodemgevoelige gebouwen. Of een mobiele verontreiniging in de vaste bodem een risico vormt voor het grondwater staat immers los van of er blootstelling plaatsvindt. 

ZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

AAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.154.16 Oogmerken

BBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.164.17 Voorafgaand grondwateronderzoek

CCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

DDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

EEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.174.18 Verontreiniging van grondwater

FFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.184.19 Risicobeoordeling grondwaterkwaliteit

GGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

HHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

IIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

JJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.194.20 Sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging

KKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

LLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

MMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.204.21 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen

NNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.214.22 lid 1

Dit lid geeft invulling aan de instructieregel uit artikel 7.34 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De meldplicht geldt alleen voor de vergunningvrije bouwactiviteiten als bedoeld in van artikel 22.27 van het omgevingsplan. In alle overige gevallen geldt de vergunningplicht als bedoeld in artikel 4.224.23 eerste lid. 

OOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

PPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

QQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.224.23 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bepaalt dat voor het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie een omgevingsvergunning aangevraagd moet worden. Daarnaast is ook een omgevingsvergunning nodig voor het verrichten van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 22.26. 

Wanneer er sprake is van een vergunningvrije bouwactiviteit als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan, dan geldt de vergunningplicht niet. In dat geval geldt de meldplicht zoals opgenomen in artikel 4.214.22.

RRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.234.24 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

SSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

TTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

VVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

WWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

XXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.244.25 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

YYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.254.26 Toepassingsbereik

ZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.264.27 Oogmerken

AAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

BBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

CCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

DDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

EEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

FFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.284.29 Bodem: maatregelen Maatregelen bij overschrijding van een waarde

Het aanleggen of in gebruik nemen van een speelplaats, moestuin of volkstuin is bij overschrijding van een waarde alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.84.9 waarin een vergelijkbare regel staat voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

GGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.294.30 Informatieplicht: ingebruikname na maatregelen

Bij overschrijding van een waarde moet het college van burgemeester en wethouders worden geïnformeerd over de wijze waarop sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. De speelplaats, moestuin of volkstuin, of een gedeelte daarvan, mag pas in gebruik worden genomen nadat aan de informatieplicht is voldaan.

Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.94.10 waarin een vergelijkbare regel staat voor een bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie..

HHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.304.31 lid 1

Voordat een speelplaats, moestuin of volkstuin wordt aangelegd of in gebruik wordt genomen moet een melding worden gedaan.

Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.104.11 waarin een vergelijkbare regel staat voor een bodemgevoelige gebouw op een bodemgevoelige locatie.

IIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

JJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.304.31 lid 3

Dit lid regelt dat de in het tweede lid bedoelde onderzoeken ook in het bestandsformaat XML ingeleverd moeten worden.  De gemeente kan deze dan direct in haar Bodeminformatiesysteem verwerken.

Naar verwachting zal deze plicht op termijn in regels van het Rijk worden opgenomen. De regeling in dit omgevingsplan wordt dan overbodig.

KKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.314.32 Toepassingsbereik

LLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.324.33 Oogmerken

MMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

NNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

OOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

PPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

QQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

RRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

SSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.344.35 Bodem: maatregelen Maatregelen bij overschrijding van een waarde

Het wijzigen van het gebruik van van een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde is alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Dit artikel is opgenomen naar analogie van artikel 4.84.9 waarin een vergelijkbare regel staat voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

TTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

VVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.364.37 Maatwerkvoorschrift

WWWWWWWWWW

Na sectie ' Maatwerkvoorschrift' worden twintig secties ingevoegd, luidende:

Artikel 4.38 Toepassingsbereik

In deze paragraaf staan regels over gemeentelijke monumenten. Een monument is een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. Via de functie-aanduiding gemeentelijke monument is te zien over welke locaties het gaat.

In het erfgoedregister is meer informatie te vinden over het desbetreffende gemeentelijk monument met redengevende beschrijving.

Het begrip monument staat in bijlage 1 bij de Omgevingswet: “monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet”.

Artikel 4.39 Voorrangsregel

De regels in deze paragraaf gaan boven de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het tijdelijk deel zitten alle ruimtelijke regels uit bestemmingsplannen en beheersverordeningen en regels die eerder van het Rijk naar gemeenten zijn overgegaan via de zogenaamde bruidsschat.

Artikel 4.40 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 4.41 Verbod

Om vandalisme en verval door gebrek aan onderhoud te voorkomen, is deze verbodsbepaling opgenomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de instructieregel in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Het verbod onder a. is gericht tot een ieder, dus ook tot anderen dan de eigenaar of gebruiker van het bouwwerk. 

Het verbod onder b. heeft voornamelijk consequenties voor de eigenaar van het gemeentelijk monument, aangezien deze verantwoordelijk is voor het onderhoud.

Artikel 4.42 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het aanvragen van een omgevingsvergunning maakt het mogelijk dat het bevoegd gezag de voorgenomen werkzaamheden kan beoordelen. Daarbij wordt getoetst of de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. 

Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. Het gaat hierbij niet alleen om het slopen van een bouwwerk of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters. 

Artikel 4.43 Uitzondering op de vergunningplicht: vergunningvrije gevallen

Onder a

Normaal onderhoud is in de Erfgoedwet gedefinieerd als noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde. Sober en doelmatig onderhoud en het behoud van de monumentale waarden staan voorop.

Voorbeelden van normaal onderhoud zijn:

  • aanlassen van verrot kozijnhout;

  • schilderen in dezelfde kleur;

  • vervangen van kapot, niet-historisch glas door dezelfde soort glas;

  • herstellen van ijzersmeedwerk;

  • opstoppen van rieten daken en het vervangen van kapotte dakpannen, leien of een gescheurde loodslab.

Voorbeelden van niet-normaal onderhoud zijn:

  • schilderwerk waarbij alle oudere afwerkingslagen worden verwijderd of waarbij de kleurstelling of het verfsysteem wordt gewijzigd

  • vervangen van historisch glas door nieuw (isolatie)glas.

Onder b

Bij vergunningvrije inpandige wijzigingen kun je denken aan:

  • verwijderen van hard- en zachtboard betimmeringen, gipsplaten, niet dragende scheidingswanden en verlaagde plafonds, die zijn aangebracht na de aanwijzing van het monument als gemeentelijke monument;

  • veranderingen in het interieur van een recente uitbreiding van het monument.

In veel gevallen gaat het om onderdelen die ten tijde van de aanwijzing als monument nog niet bestonden. Veranderingen van later toegevoegde onderdelen, die van belang zijn voor het monument als geheel, zijn niet vergunningvrij. Denk aan onderdelen die bij een restauratie zijn hersteld of teruggebracht.

Onder c

De aanwijzing van vergunningvrije gevallen in het eerste lid, onder c, heeft betrekking op reguliere activiteiten met betrekking tot graven en grafmonumenten. Deze activiteiten moeten zoveel mogelijk zonder belemmering kunnen plaatsvinden. 

Artikel 4.44 Aanvraagvereisten: algemeen

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.

Het aanvraagvereiste onder c dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. 

Artikel 4.45 Aanvraagvereisten: slopen van een gemeentelijk monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het slopen van een gemeentelijk monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

Lid 1

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. 

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning een voorschrift kan worden verbonden op grond van artikel 4.51. Bijvoorbeeld om deze onderdelen te hergebruiken, voor hergebruik te bewaren of ze voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Lid 2

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Vaak zijn de actuele monumentale waarden onvoldoende in beeld om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden daarop te kunnen beoordelen.

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel b is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel c).

Artikel 4.46 Aanvraagvereisten: verplaatsen van een gemeentelijk monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een gemeentelijk monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. De gegevens en bescheiden moeten voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Lid 1

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. 

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. 

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. 

Lid 2

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te verplaatsen onderdelen (nader) te bepalen. Vaak zijn de actuele monumentale waarden onvoldoende in beeld om de gevolgen van de voorgenomen verplaatsing daarop te kunnen beoordelen.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel c kunnen nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering of om een beeld te krijgen van het monument op de nieuwe plek. Denk aan impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden.

Artikel 4.47 Aanvraagvereisten: wijzigen van een gemeentelijk monument of gemeentelijk monument herstellen

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het wijzigen van een gemeentelijk monument. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. 

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn:

  • het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem;

  • het met golfplaten repareren van een rieten dak;

  • het ondeskundig reinigen of herstellen van een interieurschildering of gevel.

Lid 1

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2°, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. 

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3°, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4°, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument is weergeven. 

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.45 worden overgelegd.

In de praktijk blijkt dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 4.45 expliciet (en niet met een verwijzing) in lid 1 van dit artikel opgenomen. Voor meer informatie zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.45.

Lid 2

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn bij het herstellen van technische gebreken. 

Een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten kan nodig zijn bij een complexe restauratie (onderdeel c).

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering of om een beeld te krijgen van het monument op de nieuwe plek. Denk aan impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden.

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel f is gebaseerd op:

  • een analyse en een waardering op grond van cultuurhistorisch onderzoek;

  • inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem;

  • wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers).

De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode. 

Artikel 4.48 Aanvraagvereisten: gemeentelijk monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die bestaat uit het gebruiken van een gemeentelijk monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij ontsieren kan worden gedacht aan het aanbrengen van reclames. Bij in gevaar brengen kan worden gedacht aan het gebruiken van een monument op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur. Denk aan een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer. 

Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft.

Artikel 4.49 Aanvraagvereisten: eisen aan tekeningen

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 4.45 tot en met 4.47. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

Artikel 4.50 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Voordat over een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beslist, wordt door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij de adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Zie de ‘Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Ridderkerk 2021’ of diens rechtsopvolger.

Lid 1

De beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijke monumenten-activiteit wordt getoetst, zijn opgenomen in dit artikel. Omdat de door het bevoegd gezag te maken afweging moet zien op de fysieke leefomgeving, is in dit artikel het belang beperkt tot het belang van de monumentenzorg. Hiermee wordt een al te ruime afweging voorkomen. 

Met het belang van de monumentenzorg wordt niet alleen het belang van het desbetreffende gemeentelijk monument bedoeld, maar ook het bredere belang van de monumentenzorg als geheel. Afkomende onderdelen of materialen bij het ene monument kunnen bijvoorbeeld van nut zijn bij het restaureren van een ander monument. Denk aan historische dakpannen, gevelsteen of een monumentale schouw.

Lid 2

In dit lid is aangeven met welke beginselen, die zien op het belang van de monumentenzorg bij de beoordeling van de aanvraag, rekening moet worden gehouden. De beginselen onder a tot en met c zijn ontleend aan de artikelen 4, tweede lid, 5 en 11 van het verdrag van Granada.

Onder b

Gehele of gedeeltelijke verplaatsing van monumenten is in beginsel onwenselijk omdat de binding tussen een monument en zijn historische plaats in de leefomgeving een belangrijke monumentale waarde vormt. In sommige gevallen is verplaatsing noodzakelijk om het monument of een deel daarvan, te kunnen behouden. 

Onder c

Dit lid regelt het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden. De regel is ontleent aan artikel 11 van het verdrag van Granada. Het gebruik van monumenten kan bijdragen aan het behoud daarvan. Leegstand vergroot het risico op verwaarlozing, waardoor het voortbestaan van het monument in gevaar komt.

Ook de belangen van de aanvrager worden in de belangenafweging betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij kan het gaan om het huidige gebruik of, als dat niet kan worden voortgezet, een nieuwe functie. 

Artikel 4.51 Voorschriften omgevingsvergunning

In dit omgevingsplan is in artikel 4.42 een vergunningplicht opgenomen voor diverse activiteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument. Dat betekent dat ook het daaraan verbinden van voorschriften in het omgevingsplan moet worden geregeld. Dit artikel voorziet daarin.

Artikel 4.52 Toepassingsbereik

Een molenbiotoop is een beschermingszone rondom een traditionele windmolen. In Ridderkerk staat één traditionele windmolen aan de Waalweg 11. 

Deze paragraaf geeft invulling aan de instructieregels in paragraaf 7.3.19 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 4.53 Voorrangsregel

De regels in deze paragraaf gaan boven de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het tijdelijk deel zitten alle ruimtelijke regels uit bestemmingsplannen en beheersverordeningen en regels die eerder van het Rijk naar gemeenten zijn overgegaan via de zogenaamde bruidsschat.

Artikel 4.54 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 4.55 Hoogtebeperking bouwen en beplanting

Om te zorgen voor vrije windvang en het zicht op de molen zijn beperkingen gesteld aan de hoogte van bebouwing en beplanting binnen de molenbiotoop. Deze heeft een straal van 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen.

Afdeling Landmeten van de gemeente Ridderkerk heeft op 16 april 2026 de onderste punt van de verticaal staande wieken in ruststand gemeten. De hoogte is gemeten op + 1,49 m ten opzichte van NAP. Deze maat is opgenomen in de regel.

De molenbiotoop is onderverdeeld in twee cirkels. 

  • In de cirkel tot 100 meter zijn de mogelijkheden voor bouwen of beplanting zeer beperkt. Daar mag niet hoger worden gebouwd dan 1,49 meter ten opzichte van NAP.

  • In de cirkel tot 400 meter geldt een ruimere hoogtebeperking. Deze is uitgewerkt in lid twee en drie omdat de maximale hoogte afhangt of de bebouwing of beplanting binnen of buiten bestaand stads- en dorpsgebied plaats vindt. Dit onderscheid is gemaakt, omdat het binnen het bestaand stads- en dorpsgebied moeilijker is om te zorgen voor vrije windvang en het zicht op de molen.

Artikel 4.56 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen binnen molenbiotoop

Dit artikel bevat de aanvullende aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een molenbiotoop. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag.

Artikel 4.57 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat een aanvullende beoordelingsregel waar een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen aan wordt getoetst. 

Onder b is een beoordelingsregel opgenomen die de gemeente de ruimte geeft om in bijzondere gevallen af te wijken van de hoogtebeperking. Dit is onder andere van toepassing als sprake is van een ontwikkeling waarbij in de huidige situatie de vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt en deze beperkingen niet groter worden of elders binnen de molenbiotoop worden gecompenseerd. In dat geval wordt geadviseerd om de beheerder van de molen bij de participatie te betrekken.

XXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.12 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 7.2 vallen. 

Het begrip ‘geurgevoelig gebouw’ is gedefinieerd in artikel 5.91, lid 1, 2 en 3 het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 5.91. (geurgevoelige gebouwen)

1. Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a.

    woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als bedoeld in dat lid als het omgevingsplan in dat gedeelte niet toelaat een:

  • a.

    woonfunctie;

  • b.

    onderwijsfunctie;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied;

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied;

  • e.

    bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een woonfunctie; of

  • f.

    bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van een gezondheidszorgfunctie met bedgebied.

3. Onder een geurgevoelig gebouw wordt ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.

4. Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

5. In het omgevingsplan kan paragraaf 5.1.4.6 overeenkomstig worden toegepast op locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Het tweede lid sluit aan bij artikel 5.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin  vallen geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, ook buiten het toepassingsbereik van de regeling. 

YYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.19 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 7.2 vallen. Deze paragraaf is bijvoorbeeld niet van toepassing op trillingen veroorzaakt door verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen en trillingen veroorzaakt door de activiteit wonen. 

De begrippen ‘trillinggevoelige gebouwen’ en ‘trillinggevoelige ruimten’ zijn gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 5.80. (trillinggevoelige gebouwen)

 1. Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a.

    woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

  • b.

    onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

  • c.

    gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

2.  Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat.

3. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, zijn woonschepen en woonwagens geen trillinggevoelige gebouwen.

Artikel 5.81. (trillinggevoelige ruimten)

Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een:

  • a.

    woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie;

  • b.

    onderwijsfunctie;

  • c.

    gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of

  • d.

    bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.

 

ZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.53 lid 1

De wettelijke normen voor lood die zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn niet in lijn met de inzichten van het RIVM en de GGD over de risico’s van lood voor de gezondheid. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor jonge kinderen.

De voor lood gekozen terugsaneerwaarden van 90 en 60 mg/kg in droge stof sluiten aan bij de gezondheidskundige risicowaarden voor deze gebruiksfuncties bepaald door het RIVM. De waarden voor lood in artikelen 4.74.8, 4.274.28 en 4.334.34 zijn signaleringswaarden. Als er met bodemonderzoek hogere concentraties worden aangetoond dan deze signaleringswaarden, dan zijn maatregelen nodig. Door middel van deze maatregelen moet de concentratie verlaagd worden tot de waarden als aangegeven in dit lid.

De gemeente Ridderkerk volgt het rapport van RIVM en advies van de GGD voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem, zoals een tuin of andere buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school. Voor deze locaties hanteert de gemeente een afwijkende waarde voor lood.

AAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.57 Informatieplicht: voor het begin van de bronaanpak (maatwerkregel)

BBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.58 Informatieplicht: bij beëindiging van de bronaanpak (maatwerkregel)

CCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.69 Grond en baggerspecie in een bodembeheergebied toepassen (maatwerkregel)

Dit artikel bevat maatwerkregels in overeenstemming met het Ridderkerkse beleid ten aanzien van bodem. In het Besluit activiteit leefomgeving zijn kwaliteitseisen opgenomen voor het toepassen van grond of baggerspecie. Met dit artikel worden de kwaliteitseisen uit de voormalige Nota Bodembeheer  (7 juni 2021) van toepassing verklaard. Deze kwaliteitseisen gelden in afwijking van de kwaliteitseisen als genoemd in artikel 4.1272, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Onder a en b

De functie van de zone is leidend voor de kwaliteit van de grond die mag worden toegepast.

Onder c

Hier wordt geregeld dat de kwaliteitseisen voor lood, asbest, PFOS, PFOA en overige PFAS gelden binnen het bodembeheergebied bij grondverplaatsing.

Onder d

Deze maatwerkregel geldt alleen voor grond afkomstig uit het bodembeheergebied. Voor grond afkomstig buiten het bodembeheergebied gelden de landelijke regels. 

DDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.70 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie voor zone Nieuw Reijerwaard (maatwerkregel)

EEEEEEEEEEE

Na sectie '' worden 26 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 7.76 Toepassingsbereik

Antihagelkanonnen zijn systemen die schokgolven de lucht in sturen om de vorming van hagelstenen in onweersbuien te beperken en zo landbouwgewassen (zoals fruit) te beschermen. 

Artikel 7.77 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.78 Verbod

Gelet op het ontbreken van grootschalige fruitteelt in Ridderkerk en de geluidhinder die een antihagelkanon veroorzaakt, is deze activiteit in Ridderkerk verboden. 

Artikel 7.79 Toepassingsbereik

Biologische agentia zijn micro-organismen, bijvoorbeeld virussen, bacteriën, schimmels of parasieten, die een infectie, allergie of toxiciteit kunnen veroorzaken. Deze kunnen genetisch gemodificeerd zijn.

Artikel 7.80 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.81 lid 2

De genoemde Europese richtlijn van 18 september 2000 beschermt de gezondheid en veiligheid van werknemers die bij de uitvoering van hun werkzaamheden worden blootgesteld aan biologische agentia (PbEG 2000, L54). Deze begripsbepaling staat in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

Biologische agentia worden op grond van het risico op infectie dat zij met zich meebrengen, ingedeeld in vier risicogroepen:

  • groep 1 betreft agentia waarvan het onwaarschijnlijk is dat zij bij de mens een ziekte kunnen veroorzaken;

  • groep 2 betreft agentia die bij de mens een ziekte kunnen veroorzaken, maar waarvan het onwaarschijnlijk is dat zij zich onder de bevolking verspreiden en waarvoor een effectieve behandeling bestaat;

  • groep 3 omvat agentia die bij de mens een ernstige ziekte kunnen veroorzaken en zich onder de bevolking kunnen verspreiden, maar waarvan voorkoming of waarvoor behandeling mogelijk is;

  • groep 4 betreft agentia die bij de mens een ernstige ziekte kunnen veroorzaken. Er is een grote kans dat deze ziekte zich onder de bevolking verspreidt en er bestaat geen effectieve behandeling.

Artikel 7.81 lid 3

In dit lid zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf. In dat geval gelden niet de regels in deze paragraaf, maar de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.82 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de vergunningplicht als bedoeld in artikel 7.81. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag. Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet verstrekt hoeven te worden voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 7.83 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruiken van biologische agens wordt getoetst.

Artikel 7.84 lid 1

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 Voedingsmiddelenindustrie) van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. 

Dierlijke bijproducten na het slachten zijn dierlijke materialen die niet voor menselijke consumptie worden gebruikt, zoals slachtafval, vet, huiden, botten, bloed en mest. Dierlijke bijproducten worden onder andere verwerkt tot diervoeder, meststoffen, compost, biogas of biodiesel.

Artikel 7.84 lid 2

In dit lid wordt een uitzondering gemaakt voor het geval de activiteiten plaatsvinden bij een bedrijf in de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in deze paragraaf, maar de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.85 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.86 lid 1

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Artikel 7.86 lid 4

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. De NEN-normen waaraan een vetafscheider en slibvangput moeten voldoen staan in artikel 6.3g van de Omgevingsregeling.

Artikel 7.86 lid 5

Een vetafscheider en slibvangput, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen zoals opgenomen in artikel 6.3g van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde dat deze zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater. 

Artikel 7.86 lid 6

Een flocculatieafscheider is een waterzuiveringssysteem dat zwevende deeltjes, olie of verfdeeltjes uit (afval)water verwijdert door ze samen te klonteren tot grotere vlokken, die vervolgens bezinken of opdrijven. Een flocculatieafscheider die vóór 1 januari 2013 is geplaatst, hoeft niet te voldoen aan de NEN-EN-normen zoals opgenomen in artikel 6.3g van de Omgevingsregeling. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde dat deze zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater.

Artikel 7.87 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water, worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof.

Artikel 7.88 Geur

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet doelmatig zijn. Dit betekent bijvoorbeeld dat de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg moet zijn en dat de ontgeuringsinstallatie vaak genoeg wordt gereinigd. 

Artikel 7.89 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 7.90 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Artikel 7.91 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit is niet verplicht. Een initiatiefnemer kan er zelf voor kiezen een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beginnen/ de start van de activiteit (nulsituatie). Het voordeel daarvan is dat de initiatiefnemer bij beëindiging van de activiteit alleen verantwoordelijk is voor de door hem veroorzaakte bodemverontreiniging.

Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. De eisen waaraan het bodemonderzoek moet voldoet staan in paragraaf 6.2.5 van de Omgevingsregeling.

Artikel 7.92 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

In dit artikel staat welke informatie het rapport van het eindonderzoek bodem moet bevatten.

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 7.93 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening als bedoeld in artikel 7.89 direct opgeruimd moeten worden. De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan degene die de activiteit verricht uit de volgende opties kiezen:

  • De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de nulsituatie is vastgelegd.

  • De bodemkwaliteit van de locatie zoals vastgelegd op de bodemkwaliteitskaart.

Een ‘erkenning bodemkwaliteit’ is in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. In artikel 6.11c van de Omgevingsregeling is opgenomen welke erkenning een onderneming die het herstel van de bodemkwaliteit verricht moet hebben. 

Artikel 7.94 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.

Artikel 7.95 Informatieplicht na beëindigen activiteit: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 7.96 Informatieplicht na beëindigen activiteit: herstelwerkzaamheden

Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit. De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het evaluatieverslag moet in ieder geval bestaan uit de volgende onderdelen: 

  • processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de herstelwerkzaamheden; en

  • verificatie van het eindresultaat van de saneringsaanpak.

FFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.767.97 Toepassingsbereik

GGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.777.98 Oogmerken

HHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.787.99 Geur: waarden voor geur: afstand

IIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.797.100 Geur: eerbiedigende werking

JJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.807.101 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen 

KKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.817.102 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

LLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.827.103 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 

MMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.837.104 Voorschriften omgevingsvergunning

NNNNNNNNNNN

Na sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning' worden vijf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 7.105 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de ouderwetse, chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film. Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.

Artikel 7.106 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.107 Water: lozingsroute, emissiegrenswaarde

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. In artikel 6.3d van de Omgevingsregeling is opgenomen hoe het afvalwater moet worden bemonsterd.

Artikel 7.107 lid 3

Afkwetsrollen zijn speciale rollen die worden gebruikt om vloeistof van een materiaal af te knijpen of te schrapen. Ze worden gebruikt om zoveel mogelijk te voorkomen dat de gebruikte chemicaliën in het volgende bad terechtkomt. Daarom mogen afkwetsrollen niet vuil, verhard of beschadigd zijn. Het regelmatig schoonmaken en opnieuw afstellen van deze afkwetsrollen vermindert ook de kans op zilver in het af te voeren afvalwater.

Door gebruik te maken van zilverterugwininstallaties is een aanzienlijke vermindering van de gebruikte hoeveelheiden chemicaliën mogelijk. En dat vermindert gelijk de hoeveelheid vloeibaar gevaarlijk afval die bij dit proces vrijkomt. Ook wordt zo hoeveelheid zilver in het uiteindelijk af te voeren afvalwater verminderd.

Artikel 7.108 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.

OOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.847.109 Toepassingsbereik

PPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.857.110 Oogmerken

QQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.877.112 Geur: eerbiedigende werking

RRRRRRRRRRR

Na sectie ' Geur: eerbiedigende werking' worden twaalf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 7.113 Toepassingsbereik

Een genetisch gemodificeerd organisme (GGO) is een organisme waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of natuurlijke recombinatie. Het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen vindt bijvoorbeeld plaats binnen laboratoria, procesinstallaties, bepaalde kassen of dierverblijven. 

Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. De nadelige gevolgen zijn vooral de verspreiding van genetisch gemodificeerde organismen. Zie voor meer informatie over het ingeperkt gebruik en de regels rond genetisch gemodificeerde organismen de website van het Bureau GGO. 

Artikel 7.114 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.115 lid 2

Bij het werken met genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) onder ingeperkt gebruik wordt de veiligheid gewaarborgd door inperkingsniveaus (I t/m IV). Deze niveaus bepalen de fysieke beveiliging van laboratoria en werkmethoden, gebaseerd op het risico dat het GGO vormt voor mens en milieu. Bij inperkingsniveau I wordt gewerkt met GGO's die een verwaarloosbaar of zeer laag risico vormen voor de menselijke gezondheid en het milieu. De hogere inperkingsniveaus bevatten micro-organismen die in toenemende mate ziekteverwekkend zijn, waarbij micro-organismen van inperkingsniveau IV potentieel dodelijk zijn.

In dit lid worden de uitzonderingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013, uitgezonderd van de vergunningplicht in dit omgevingsplan.

Artikel 7.115 lid 3

In dit lid zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf. In dat geval gelden niet de regels in deze paragraaf, maar de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.116 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de vergunningplicht als bedoeld in artikel 7.115. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag. Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet verstrekt hoeven te worden voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 7.117 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het ingeperkt gebruiken van genetisch gemodificeerde organismen wordt getoetst.

Artikel 7.118 Toepassingsbereik

Een gesloten bodemenergiesysteem pompt een vloeistof, vaak met toegevoegde antivriesmiddelen, in buizen door de bodem. De vloeistof komt niet in direct contact met het grondwater. In de winter onttrekt het systeem via de vloeistof warmte aan de bodem. En in de zomer geeft het systeem warmte af aan de bodem. Er is geen sprake van een actieve verplaatsing van grondwater door het systeem.

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is een verbod opgenomen voor het aanleggen en gebruiken van een bodemenergiesysteem binnen het grondwaterbeschermingsgebied. De regels in het omgevingsplan beperken zich dus voor het gebied daarbuiten.

Artikel 7.118 lid 2

De gebiedsaanwijzing voor het grondwaterbeschermingsgebied is gebaseerd op artikel 3.34 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

Artikel 7.119 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.120 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Regels over gesloten bodemenergiesystemen staan in paragraaf 4.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daarin staan algemene regels waaraan een gesloten bodemenergiesysteem moet voldoen. Verder is een meldplicht opgenomen. Om vooraf de effecten van een gesloten bodemenergiesysteem met een vermogen van 70 kW of meer te kunnen beoordelen, volstaat een meldplicht niet. Daarom is voor deze gevallen een vergunningplicht opgenomen. 

In het tweede lid worden de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf. In dat geval gelden niet de regels in deze paragraaf, maar de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.121 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de vergunningplicht als bedoeld in artikel 7.120. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag. Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet verstrekt hoeven te worden voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 7.122 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem wordt getoetst.

Ondoelmatig gebruik van bodemenergie ontstaat wanneer de potentie van de bodem voor warmte- en koudeopslag (WKO) niet optimaal wordt benut of wanneer systemen elkaar negatief beïnvloeden (thermische interferentie). Dit leidt tot lager rendement.

SSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276, 22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

[Vervallen]

TTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat – zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt – die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de artikelen 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Hoewel de achtergrond van de artikelen 22.2 en 22.3 vergelijkbaar is, heeft artikel 22.3 een iets andere opzet dan artikel 22.2. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in artikel 22.3 voor gekozen om de artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.

[Vervallen]

UUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.887.123 Toepassingsbereik

VVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.897.124 Oogmerken

WWWWWWWWWWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.907.125 Geur: waarden voor geur: afstand

XXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.917.126 Geur: eerbiedigende werking

YYYYYYYYYYY

Na sectie ' Geur: eerbiedigende werking' worden drie secties ingevoegd, luidende:

Artikel 7.127 Toepassingsbereik

Een hyperscale datacentrum is een grote computerfaciliteit, ontworpen voor grootschalige cloud-, data-opslag- en verwerkingsbehoeften. Ze bieden enorme rekenkracht en opslagcapaciteit. 

Artikel 7.128 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.129 Verbod

Hyperscale datacentra leggen een onevenredig groot beslag op de beschikbare duurzame energie in verhouding tot de maatschappelijke en/of economische meerwaarde. Daarom is op nationaal niveau geregeld waar de vestiging van hyperscale datacentra door het Rijk is toegestaan. Dit is niet het geval in de gemeente Ridderkerk, zodat hiervoor een verbod is opgenomen.

ZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.927.130 Toepassingsbereik

AAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.937.131 Oogmerken

BBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.947.132 Geur: waarden voor geur: afstand

CCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.957.133 Geur: eerbiedigende werking

DDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.967.134 Bodem: bodembeschermende voorziening

EEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.977.135 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

FFFFFFFFFFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.987.136 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen  

GGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.997.137 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als niet aan de voorwaarden kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 7.987.136.

In het derde lid wordt een uitzondering gemaakt voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. In dat geval gelden niet de regels in dit artikel, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

HHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1007.138 Informatieplicht bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

IIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1017.139 Toepassingsbereik

Het gaat in deze paragraaf om landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, zijnde zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken.

In bijlage I bij dit omgevingsplan is opgenomen wat wordt verstaan onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor.

Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten staan in paragraaf  22.3.257.4.31 van de bruidsschat - zoogdieren of vogels fokken, houden of trainen.

Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

JJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1027.140 Oogmerken

KKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1037.141 Geur: vanaf waar afstanden gelden

De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw.

Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:

a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

In artikel 7.1077.145 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.

LLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1047.142 Geur: waarden voor geur

MMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1057.143 Geur: eerbiedigende werking bij waarden

NNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1067.144 Geur: bijzondere geurgevoelige gebouwen

In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig gebouw dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. 

Het gaat hier om:

- woningen bij omliggende veehouderijen;

- woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt;

- woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000, tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij (ruimte-voor-ruimtewoning). 

De genoemde geurgevoelige gebouwen krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige gebouwen, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden.

Als niet voldaan wordt aan deze minimumafstand, dan moet wel aan artikelen 7.1047.142 en 7.1057.143 voldaan worden.

OOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1077.145 Geur: afstand vanaf gevel dierenverblijf

Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf. 

De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 7.1047.142 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikel 7.1067.144 gelden.

Ondanks het aanhouden van afstanden tussen een activiteit waarbij mest wordt opgeslagen en een geurgevoelig gebouw, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 7.7. Bij het stellen van aanvullende eisen via maatwerkvoorschriften kan ook worden gekeken naar maatregelen met betrekking tot het stalmanagement en mestbeheer. Onder dat laatste valt bijvoorbeeld het afdekken van mest en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer van mest.

PPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1087.146 Geur: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

QQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1097.147 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

RRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1107.148 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. 

In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor  een dierenverblijf in de open lucht. Als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd, is er geen risico voor de bodem.  

SSSSSSSSSSSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1117.149 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

TTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1127.150 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

UUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1137.151 Toepassingsbereik

VVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1147.152 Oogmerken

WWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1157.153 Geur: vanaf waar afstanden gelden

De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige gebouw.

Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:

a. het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

b. bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

In artikel 7.1187.156 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.

XXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1167.154 Geur: Afstand tot gevoelige gebouwen

YYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1177.155 Geur: Eerbiedigende werking voor afstand tot gevoelige gebouwen

ZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1187.156 Geur: Afstand vanaf gevel dierenverblijf

Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig gebouw en een dierenverblijf. 

De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de afstanden die op grond van artikel 7.1167.154 gelden.

Ondanks het aanhouden van afstanden tussen een activiteit waarbij mest wordt opgeslagen en een geurgevoelig gebouw, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 7.7. Bij het stellen van aanvullende eisen via maatwerkvoorschriften kan ook worden gekeken naar maatregelen met betrekking tot het stalmanagement en mestbeheer. Onder dat laatste valt bijvoorbeeld het afdekken van mest en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer van mest.

AAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1197.157 Geur: Eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

BBBBBBBBBBBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1207.158 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

CCCCCCCCCCCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1217.159 Bodem: bodembeschermende voorziening

DDDDDDDDDDDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1227.160 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

EEEEEEEEEEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1237.161 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

FFFFFFFFFFFFF

Na sectie ' Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit' worden 42 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 7.163 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.164 lid 2

In dit lid zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf. In dat geval gelden niet de regels in deze paragraaf, maar de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 7.165 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de vergunningplicht als bedoeld in artikel 7.164. De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag.

Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet verstrekt hoeven te worden voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 7.166 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kweken van maden van vliegende insecten wordt getoetst. Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.

Artikel 7.167 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het uitwendig wassen van motorvoertuigen, bijvoorbeeld in een wasstraat. In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen bij milieubelastende activiteiten. 

Artikel 7.168 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.169 Bodem: bodembeschermende voorziening

Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, moet het wassen van motorvoertuigen in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. 

Er is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. 

Ook geldt een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

Artikel 7.170 Water: lozingsroute, emissiegrenswaarde en zuivering

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen. In artikel 6.3d van de Omgevingsregeling is opgenomen hoe het afvalwater wordt bemonsterd.

Artikel 7.170 lid 3

In dit de lid is een uitzondering opgenomen op basis waarvan het afvalwater geloosd mag worden op of in de bodem. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

Artikel 7.170 lid 4

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT (best beschikbare techniek), ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olieafscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2 (artikel 6.3f Omgevingsregeling). 

Artikel 7.171 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft betrekking op het opladen van natte accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Artikel 7.172 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.173 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 7.174 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Artikel 7.175 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat regels voor (kleinschalige) voedselbereiding bij horeca of bedrijfskantines. Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

De regels in deze paragraaf zijn niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het derde lid regelt dat de regels wel gelden voor de kantines van die bedrijven.

Artikel 7.176 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.177 Water: lozingsroute en zuivering

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van niet-industriële voedselbereiding.

Artikel 7.177 lid 4

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd. In het vierde lid is een verbod opgenomen om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Artikel 7.177 lid 5

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 (artikel 6.3g Omgevingsregeling). 

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. De NEN-normen waaraan een vetafscheider en slibvangput moeten voldoen staan in artikel 6.3g van de Omgevingsregeling.

Artikel 7.177 lid 6

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen zoals opgenomen in de Omgevingsregeling. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde dat deze zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater.

Artikel 7.178 lid 1

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie vaak genoeg worden gereinigd. 

Artikel 7.178 lid 2

Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. 

Artikel 7.178 lid 3

Bij de bereiding van voedingsmiddelen in bijvoorbeeld een een BBQ-restaurant of bij het gebruik van een pizza-oven moeten de hierbij vrijkomende dampen worden afgezogen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. 

Artikel 7.178 lid 4

Voor een doelmatige werking van een vetvangend filter is regelmatig schoonmaken noodzakelijk. 

Artikel 7.178 lid 6

Dit lid komt voort uit overgangsrecht dat voorheen was opgenomen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat een eeuwigdurend overgangsrecht niet gewenst is, is hiervoor in de regels een einddatum toegevoegd. Daarmee wordt beoogd dat op die datum voldaan wordt aan de regels voor geur zoals opgenomen in dit artikel.

Artikel 7.179 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.

Artikel 7.180 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. In zo’n parkeergarage vindt emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder optreden of een te hoge concentratie ontstaan van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Artikel 7.181 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.182 Lucht en Geur: afvoeren emissies

De voorschriften in dit artikel zijn bedoeld om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder ontstaat of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Artikel 7.182 lid 4

Dit lid komt voort uit overgangsrecht dat voorheen was opgenomen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Omdat een eeuwigdurend overgangsrecht niet gewenst is, is hiervoor in de regels een einddatum toegevoegd. Daarmee wordt beoogd dat op die datum voldaan wordt aan de regels voor geur zoals opgenomen in dit artikel.

Artikel 7.183 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.

Artikel 7.184 Toepassingsbereik

Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Het zijn afgesloten vijvers waarin vissen worden uitgezet voor de sportvisserij. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. 

Artikel 7.185 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.186 Verbod

In Ridderkerk zijn geen recreatieve visvijvers aanwezig. Vanwege het ruimtebeslag en de aanwezigheid van grondwaterbeschermingsgebieden is het ook niet gewenst dat deze worden aangelegd. 

Artikel 7.187 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken.

Artikel 7.188 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.189 Licht

Dit artikel regelt de momenten waarop de terreinverlichting uit moet zijn. 

Artikel 7.190 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit.

Artikel 7.191 Meldplicht afwijkende tijden terreinverlichting

In dit artikel is een meldplicht opgenomen voor de gevallen waarbij wordt afgeweken van de regels over het gebruik van terreinverlichting in artikel 7.189.

Artikel 7.192 Toepassingsbereik

Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 7.193 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.194 Verbod

Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Gelet op het ontbreken van deze traditie in Ridderkerk en de gevolgen van traditioneel schieten voor de veiligheid en de bodem, is deze activiteit in Ridderkerk verboden.

GGGGGGGGGGGGG

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1247.195 Toepassingsbereik

HHHHHHHHHHHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1257.196 Oogmerken

IIIIIIIIIIIII

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

JJJJJJJJJJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1277.198 Geur: eerbiedigende werking

KKKKKKKKKKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1287.199 Bodem: opslag van vaste mest

LLLLLLLLLLLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1297.200 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening bij het opslaan van vaste mest

MMMMMMMMMMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1307.201 Water: lozingsroute bij het opslaan van vaste mest

NNNNNNNNNNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1317.202 Informatieplicht bij het opslaan van vaste mest

OOOOOOOOOOOOO

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1327.203 Vergunningplicht: aanwijzing vergunningplichtige gevallen

PPPPPPPPPPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1337.204 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste mest

QQQQQQQQQQQQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1347.205 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het opslaan van vaste mest

RRRRRRRRRRRRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1357.206 Voorschriften omgevingsvergunning

SSSSSSSSSSSSS

Na sectie ' Voorschriften omgevingsvergunning' worden drie secties ingevoegd, luidende:

Artikel 7.207 Toepassingsbereik

De activiteiten die zijn benoemd in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving gaan onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van de specifieke zorgplicht die staat in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt het aspect geur meegenomen bij de vergunningaanvraag. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.

Artikel 7.208 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.209 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toeneemt. Die of andere maatregelen kunnen met een maatwerkvoorschrift worden opgelegd.

TTTTTTTTTTTTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1367.210 Toepassingsbereik

UUUUUUUUUUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1377.211 Oogmerken

VVVVVVVVVVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1387.212 Geur: waarden voor geur: afstand

WWWWWWWWWWWWW

Na sectie ' Geur: waarden voor geur: afstand' worden zes secties ingevoegd, luidende:

Artikel 7.213 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van zoogdieren of vogels. Hieronder vallen bijvoorbeeld het houden van dieren bij kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels of dierenasiels. 

Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s staan in de paragrafen 7.4.13 en 7.4.14 van dit omgevingsplan.

Artikel 7.214 Oogmerken

Dit artikel geeft aan, aan welke doelen de regels moeten bijdragen.

Artikel 7.215 lid 1

Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. 

Artikel 7.215 lid 2

In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor een dierenverblijf in de open lucht. Als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd, is er geen risico voor de bodem.

Artikel 7.216 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Artikel 7.217 Informatieplicht voorafgaand of bij wijziging van een activiteit

Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag geïnformeerd wordt. Op basis van de aangeleverde informatie en gegevens kan het bevoegd gezag toezicht houden op de activiteit. Daarnaast kan het college van burgemeester en wethouders besluiten een maatwerkvoorschrift op te leggen. Te denken valt aan een maatwerkvoorschrift waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of een maatwerkvoorschrift over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.

XXXXXXXXXXXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1397.218 Toepassingsbereik

YYYYYYYYYYYYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1407.219 Oogmerken

ZZZZZZZZZZZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1417.220 Geur: waarden voor geur

AAAAAAAAAAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1427.221 Geur: geen waarde bij specifieke geurgevoelige gebouwen

BBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.1 lid 1

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

  • – a.

    voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

  • – b.

    de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als paragraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

CCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.1 lid 2

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

paragraaf 22.3.4 Geluid

paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

DDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Bbl zijn geregeld.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • –.

    als sprake is van geluidhinder;

  • –.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • –.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • –.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • –.

    als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • –.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

  • als sprake is van geluidhinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

EEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit.

Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • –.

    als sprake is van lawaaihinder;

  • –.

    als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • –.

    als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • –.

    als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • –.

    op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • –.

    als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

  • als sprake is van lawaaihinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

FFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze – afhankelijk van de vraag – uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

[Vervallen]

GGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

  • –.

    de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • –.

    de precieze plek en indeling van de activiteit; en

  • –.

    wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van artikel 22.48 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd artikel 22.46 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en artikel 22.47 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.

[Vervallen]

HHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.

[Vervallen]

IIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de «ouderwetse», chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.

Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.

[Vervallen]

JJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

KKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.190 Water

In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.

[Vervallen]

LLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

MMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.192 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.

[Vervallen]

NNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.193 Bodem

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.194, tweede lid, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

[Vervallen]

OOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.194 Water

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

[Vervallen]

PPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

QQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.

Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.

[Vervallen]

RRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

SSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.198 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

[Vervallen]

TTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.199 lid 1

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.45 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.

[Vervallen]

UUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.199 lid 2

Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.

[Vervallen]

VVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.199 lid 3

onderdeel a

Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.

[Vervallen]

WWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.199 lid 4

Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

[Vervallen]

XXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.

Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.

Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:

Artikelen 2.3b, 2.4b, 2.4c, 2.4d, 2.4e en 2.4g, eerste lid, aanhef en onder a, aanvullingen en correcties op de bruidsschat

Op grond van het Besluit omgevingsrecht konden mantelzorgwoningen tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Onder ‘gebouwd’ wordt daarbij ook bedoeld op verbouw van het hoofdgebouw met een aan- of uitbouw, in lijn met het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken werd niet getoetst aan regels voor geluid, trillingen en geur door milieubelastende activiteiten of slagschaduw door windturbines. Onder het Bkl, zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024, zijn mantelzorgwoningen echter wel onderworpen aan de regels voor die vormen van milieuhinder. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet is ervoor gekozen om het al dan niet vergunningplichtig zijn van bijbehorende bouwwerken onderdeel te laten zijn van de lokale bestuurlijke afweging over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de milieubescherming van woningen. Ook de rechten van nabijgelegen functies zoals bedrijven, maatschappelijke activiteiten en infrastructuur zijn daarbij te betrekken aspecten. Die afweging zou haar beslag moeten krijgen op het moment dat de gemeente de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzet naar het nieuwe deel.

In de bruidsschat zijn als overgangsrecht regels opgenomen die ervoor zorgen dat de mantelzorgwoningen die op grond van het voormalige Besluit omgevingsrecht vergunningvrij gebouwd of gebruikt konden worden, van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. De bruidsschat was bedoeld om te voorzien in gelijkwaardige regels zonder wezenlijke wijzigingen ten opzichte van het oude recht. De tijdelijke regels in de bruidsschat zijn slechts bedoeld als overgangsrecht tot het moment dat de gemeente een nieuw regelpakket biedt in het omgevingsplan dat voldoet aan de nieuwe systematiek. Er is echter onbedoeld ook een direct rechtsgevolg veroorzaakt. Omdat in de bruidsschat is aangesloten bij de begripsbepalingen in het Bkl, zonder te voorzien in een tijdelijke uitzondering voor mantelzorgwoningen, zijn deze al per 1 januari 2024 beschermd tegen de milieuhinder van naburige milieubelastende activiteiten. Met deze wijziging van de Vangnetregeling wordt deze omissie in het overgangsrecht hersteld.

Van belang is dat de eerdere omissie – en daarmee ook de reparatie via deze regeling – niet de mogelijkheden betreft voor het bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen. De mogelijkheden daarvoor zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat en zijn beleidsneutraal gecontinueerd uit het voormalige Besluit omgevingsrecht. Er is echter sprake van mogelijke gevolgen voor de milieuruimte van naburige bedrijven of windturbines, waarvoor de regels zijn opgenomen in afdeling 22.3 van de bruidsschat omgevingsplan. Die bedrijven kunnen onbedoeld beperkt worden in hun bedrijfsvoering als de immissie van geluid, trillingen, geur of slagschaduw op of in een daarvoor gevoelig gebouw hoger is dan de immissie die op grond van de bruidsschat toegelaten is. De omissie kan ook onbedoeld consequenties hebben voor de (voorgenomen) aanleg of de wijziging van infrastructuur in beheer bij gemeenten of waterschappen. Het gaat om de aanleg of de wijziging van deze infrastructuur binnen de bestaande planologische mogelijkheden, waarvoor regels zijn opgenomen in afdeling 22.4 van de bruidsschat.

In paragraaf 12.1.5 van het Bkl is al overgangsrecht opgenomen voor op 1 januari 2024 bestaande of toegelaten mantelzorgwoningen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein, maar dat ziet op besluitvorming onder nieuw recht over geluid door die bronnen op de gevels van die woningen. Deze aanvulling van de Vangnetregeling ziet op gevallen, waar juist (nog) geen besluitvorming aan de orde is omdat bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen op grond van paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Aan dit overgangsrecht in het Bkl is wel de formulering ‘waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten’ ontleend. De term ‘alleen’ is hier van belang. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een bestaand gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg plaatsvindt niet alleen op grond van de bruidsschat is toegelaten, maar ook op grond van bijvoorbeeld het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als een deel van een bestaande woning gedeeltelijk in gebruik wordt genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst op het moment dat het gebouw planologisch is toegelaten en is de uitzondering niet van toepassing.

Ook als het gaat om een mantelzorgwoning die wordt gebouwd of geplaatst binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld als aan- of uitbouw), zorgen de nieuwe overgangsrechtelijke regels ervoor dat die mantelzorgwoning niet beschermd wordt. Een dergelijke aan- of uitbouw zou behalve als mantelzorgwoning ook gebouwd kunnen worden als onderdeel van het bestaande hoofdgebouw. Als dat een gevoelig gebouw is, komt dat enkele meters dichter bij de immissiebron te liggen en is ook de aan- of uitbouw gevoelig voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw. Een nieuwe mantelzorgwoning op dezelfde locatie is echter een aparte gebruiksfunctie en daarmee een apart gevoelig gebouw, en wordt door deze vangnetbepalingen uitgesloten van bescherming. Anders dan andere regels in hoofdstuk 2 van de Vangnetregeling kunnen de onderhavige nieuwe regels niet worden meegenomen als een gemeente een (al dan niet beleidsneutrale) omzetting van de met de bruidsschat overgedragen milieuregels naar het nieuwe deel van het omgevingsplan wil doorvoeren. Het Bkl vereist op dit moment dat alle (potentiële) mantelzorgwoningen worden getoetst aan de milieuregels. Hoewel niet verwacht wordt dat die milieuregels objectief in de weg zullen staan aan het toelaten van mantelzorgwoningen op daarvoor geschikte achtererven of in bestaande gebouwen, moet de aanvaardbaarheid van geluid, trillingen, geur en slagschaduw volgens de huidige regels van het Bkl worden beoordeeld als deze mantelzorgwoningen worden toegelaten in het omgevingsplan, mede in relatie tot omliggende functies zoals bedrijven en infrastructuur. Dit is bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De regels in deze wijzigingsregeling zijn daarom geformuleerd als aanvulling op bepalingen over ‘eerbiedigende werking’ in de bruidsschat die ook in andere gevallen slechts van toepassing zijn totdat de bruidsschatregels worden omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het kabinet is overigens voornemens om in het Besluit versterking regie volkshuisvesting te regelen dat mantelzorgwoningen vergunningvrij blijven. Het wijzigingsbesluit hiervoor is in consultatie geweest van 17 april tot 1 mei 2025.

[Vervallen]

YYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.

Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.

[Vervallen]

ZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in artikel 22.202, eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

[Vervallen]

AAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

BBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

[Vervallen]

CCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.

Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

[Vervallen]

DDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

[Vervallen]

EEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 22.202, eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

FFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

[Vervallen]

GGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 lid 1

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast.

Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit.

Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

[Vervallen]

HHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 lid 2

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • –.

    op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • –.

    op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

[Vervallen]

IIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 lid 3

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

JJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

[Vervallen]

KKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

[Vervallen]

LLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

[Vervallen]

MMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 lid 1

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • –.

    De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.

  • –.

    De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

  • –.

    De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

[Vervallen]

NNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 lid 2

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

OOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

[Vervallen]

PPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

[Vervallen]

QQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.41 lid 2

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a).

    activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b).

    activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

  • activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel a

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel b

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 22.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 22.18). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel c

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel d

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel e

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel f

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel g

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

RRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 lid 4

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • –.

    elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • –.

    stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

  • elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.

Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

SSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van «natte» accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.

[Vervallen]

TTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

[Vervallen]

UUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

VVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.

[Vervallen]

WWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

[Vervallen]

XXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.226 lid 1

De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

[Vervallen]

YYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.226 lid 2

Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

[Vervallen]

ZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:

Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten.

Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten.

Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.

[Vervallen]

AAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

[Vervallen]

BBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico’s van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel – waarop geschoten wordt – terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de «onveilige zone».

Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.

In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.

[Vervallen]

CCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.230 lid 1

Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.

[Vervallen]

DDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.230 lid 2

De kogelvanger, bedoeld in artikel 22.229, moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen).

Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen.

Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

[Vervallen]

EEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

FFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

[Vervallen]

GGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 lid 1

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast.

Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit.

Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

[Vervallen]

HHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 lid 2

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • –.

    op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • –.

    op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.

[Vervallen]

IIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 lid 3

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

JJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het bodemonderzoek moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen en van welke bronnen deze afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het bodemrapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden. Als er geen bestaande informatie over bestaat, moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

[Vervallen]

KKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal.

De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

[Vervallen]

LLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

[Vervallen]

MMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 lid 1

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • –.

    de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

  • –.

    de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

  • –.

    de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

[Vervallen]

NNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 lid 2

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

OOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

[Vervallen]

PPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.

[Vervallen]

QQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

RRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.239 Licht

Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.

[Vervallen]

SSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.252 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.

Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit paragraaf 7.4.13 (Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor houden in een dierenverblijf) en 7.4.14 (Landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony's voor het berijden houden in een dierenverblijf).

Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.

Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer «Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd» is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.

[Vervallen]

TTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

UUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.

[Vervallen]

VVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.255 Bodem: logboek

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

WWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden.

Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.

[Vervallen]

XXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

YYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.

Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.

Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1, de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.

Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:

  • –.

    Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.

  • –.

    In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.

  • –.

    Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.

  • Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.

  • In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.

  • Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.

In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld

ZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.259 lid 1

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het «loslaten» uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.

Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.

[Vervallen]

AAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.259 lid 2

De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

[Vervallen]

BBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.259 lid 3

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het «loslaten» uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.

Op grond van artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.

[Vervallen]

CCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.260 lid 1

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.

[Vervallen]

DDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.260 lid 2

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

[Vervallen]

EEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.

[Vervallen]

FFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen

De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.

[Vervallen]

GGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.265 lid 1

Een vergunningplicht geldt voor laboratoria die werken met biologische agentia vanaf categorie 3 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

[Vervallen]

HHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.265 lid 2

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

[Vervallen]

IIIIIIIIIIIIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.266 lid 1

Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal.

[Vervallen]

JJJJJJJJJJJJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.266 lid 2

Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal.

[Vervallen]

KKKKKKKKKKKKKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.266 lid 3

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

[Vervallen]

LLLLLLLLLLLLLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Onderdeel a

Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.

Onderdeel b

Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.

Onderdeel c

Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.

[Vervallen]

MMMMMMMMMMMMMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • –.

    bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • –.

    de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • –.

    het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • –.

    het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • –.

    het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • –.

    het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • –.

    het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • –.

    het winnen van grondstoffen,

  • –.

    agrarische grondwerkzaamheden, en

  • –.

    activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

[Vervallen]

NNNNNNNNNNNNNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 lid 1

In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.

Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

[Vervallen]

OOOOOOOOOOOOOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 lid 2

Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

onderdeel a

Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

onderdeel b

Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

onderdeel e

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

onderdeel f

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

[Vervallen]

PPPPPPPPPPPPPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288.

[Vervallen]

QQQQQQQQQQQQQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

[Vervallen]

RRRRRRRRRRRRRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.290 lid 1

onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto’s moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.

onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

[Vervallen]

SSSSSSSSSSSSSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.290 lid 2

onderdeel a

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

onderdeel c

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

[Vervallen]

TTTTTTTTTTTTTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

[Vervallen]

UUUUUUUUUUUUUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 lid 1

De foto’s in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).

[Vervallen]

VVVVVVVVVVVVVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 lid 2

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

[Vervallen]

WWWWWWWWWWWWWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

[Vervallen]

XXXXXXXXXXXXXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.292 lid 1

onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

onderdeel b

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 22.290 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit artikel 22.290 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

[Vervallen]

YYYYYYYYYYYYYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.292 lid 2

onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

[Vervallen]

ZZZZZZZZZZZZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer.

Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

[Vervallen]

AAAAAAAAAAAAAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290, 22.291 en 22.292. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

[Vervallen]

BBBBBBBBBBBBBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van de artikelen 22.287 tot en met 22.294 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.

[Vervallen]

CCCCCCCCCCCCCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.296 lid 1

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van het eerste lid moet aannemelijk worden gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dit aanvraagvereiste is opgenomen ter voorkoming van braakliggende terreinen in de beschermde historische structuur. Hiermee wordt het daadwerkelijk indienen van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht, bevorderd. Dergelijke plannen kunnen dan worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregels voor de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als een dergelijke beleidsregel. Dit volgt uit artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. De welstandsnota bevat criteria om te beoordelen of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als bij het vaststellen van het omgevingsplan de regels over het uiterlijk van bouwwerken wijzigen ten opzichte van de daarover in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan gestelde regels, kunnen gemeenten uiteraard ook de daarop betrekking hebbende beleidsregels wijzigen.

[Vervallen]

DDDDDDDDDDDDDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.296 lid 2

Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

[Vervallen]

EEEEEEEEEEEEEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Zoals hiervoor al toegelicht bij artikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.296. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.

[Vervallen]

FFFFFFFFFFFFFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 lid 1

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • – a.

    het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

  • – b.

    het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

GGGGGGGGGGGGGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Eerste lid

Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder.

In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Tweede lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling «reconstructie van een weg» in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Derde lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling «wijziging van een spoorweg» in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.

Vierde lid

Vangnetregeling 1‑10‑2025, Stcrt. 2025, 32257:

Artikelen 2.3b, 2.4b, 2.4c, 2.4d, 2.4e en 2.4g, eerste lid, aanhef en onder a, aanvullingen en correcties op de bruidsschat

Op grond van het Besluit omgevingsrecht konden mantelzorgwoningen tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet onder voorwaarden vergunningvrij worden gebouwd op het achtererf van een woning en konden bestaande gebouwen zonder vergunning worden gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg. Onder ‘gebouwd’ wordt daarbij ook bedoeld op verbouw van het hoofdgebouw met een aan- of uitbouw, in lijn met het begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Bij het vergunningvrij bouwen of gebruiken werd niet getoetst aan regels voor geluid, trillingen en geur door milieubelastende activiteiten of slagschaduw door windturbines. Onder het Bkl, zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2024, zijn mantelzorgwoningen echter wel onderworpen aan de regels voor die vormen van milieuhinder. In het Invoeringsbesluit Omgevingswet is ervoor gekozen om het al dan niet vergunningplichtig zijn van bijbehorende bouwwerken onderdeel te laten zijn van de lokale bestuurlijke afweging over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de milieubescherming van woningen. Ook de rechten van nabijgelegen functies zoals bedrijven, maatschappelijke activiteiten en infrastructuur zijn daarbij te betrekken aspecten. Die afweging zou haar beslag moeten krijgen op het moment dat de gemeente de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzet naar het nieuwe deel.

In de bruidsschat zijn als overgangsrecht regels opgenomen die ervoor zorgen dat de mantelzorgwoningen die op grond van het voormalige Besluit omgevingsrecht vergunningvrij gebouwd of gebruikt konden worden, van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. De bruidsschat was bedoeld om te voorzien in gelijkwaardige regels zonder wezenlijke wijzigingen ten opzichte van het oude recht. De tijdelijke regels in de bruidsschat zijn slechts bedoeld als overgangsrecht tot het moment dat de gemeente een nieuw regelpakket biedt in het omgevingsplan dat voldoet aan de nieuwe systematiek. Er is echter onbedoeld ook een direct rechtsgevolg veroorzaakt. Omdat in de bruidsschat is aangesloten bij de begripsbepalingen in het Bkl, zonder te voorzien in een tijdelijke uitzondering voor mantelzorgwoningen, zijn deze al per 1 januari 2024 beschermd tegen de milieuhinder van naburige milieubelastende activiteiten. Met deze wijziging van de Vangnetregeling wordt deze omissie in het overgangsrecht hersteld.

Van belang is dat de eerdere omissie – en daarmee ook de reparatie via deze regeling – niet de mogelijkheden betreft voor het bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen. De mogelijkheden daarvoor zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat en zijn beleidsneutraal gecontinueerd uit het voormalige Besluit omgevingsrecht. Er is echter sprake van mogelijke gevolgen voor de milieuruimte van naburige bedrijven of windturbines, waarvoor de regels zijn opgenomen in afdeling 22.3 van de bruidsschat omgevingsplan. Die bedrijven kunnen onbedoeld beperkt worden in hun bedrijfsvoering als de immissie van geluid, trillingen, geur of slagschaduw op of in een daarvoor gevoelig gebouw hoger is dan de immissie die op grond van de bruidsschat toegelaten is. De omissie kan ook onbedoeld consequenties hebben voor de (voorgenomen) aanleg of de wijziging van infrastructuur in beheer bij gemeenten of waterschappen. Het gaat om de aanleg of de wijziging van deze infrastructuur binnen de bestaande planologische mogelijkheden, waarvoor regels zijn opgenomen in afdeling 22.4 van de bruidsschat.

In paragraaf 12.1.5 van het Bkl is al overgangsrecht opgenomen voor op 1 januari 2024 bestaande of toegelaten mantelzorgwoningen in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein, maar dat ziet op besluitvorming onder nieuw recht over geluid door die bronnen op de gevels van die woningen. Deze aanvulling van de Vangnetregeling ziet op gevallen, waar juist (nog) geen besluitvorming aan de orde is omdat bouwen of gebruiken van mantelzorgwoningen op grond van paragraaf 22.2.7 van de bruidsschat van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Aan dit overgangsrecht in het Bkl is wel de formulering ‘waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten’ ontleend. De term ‘alleen’ is hier van belang. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een bestaand gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg plaatsvindt niet alleen op grond van de bruidsschat is toegelaten, maar ook op grond van bijvoorbeeld het voormalige bestemmingsplan (nu tijdelijk deel van het omgevingsplan) of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is bijvoorbeeld aan de orde als een deel van een bestaande woning gedeeltelijk in gebruik wordt genomen voor huisvesting in verband met mantelzorg. In dat geval is de aanvaardbaarheid van de milieuhinder getoetst op het moment dat het gebouw planologisch is toegelaten en is de uitzondering niet van toepassing.

Ook als het gaat om een mantelzorgwoning die wordt gebouwd of geplaatst binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld als aan- of uitbouw), zorgen de nieuwe overgangsrechtelijke regels ervoor dat die mantelzorgwoning niet beschermd wordt. Een dergelijke aan- of uitbouw zou behalve als mantelzorgwoning ook gebouwd kunnen worden als onderdeel van het bestaande hoofdgebouw. Als dat een gevoelig gebouw is, komt dat enkele meters dichter bij de immissiebron te liggen en is ook de aan- of uitbouw gevoelig voor geluid, geur, trillingen en slagschaduw. Een nieuwe mantelzorgwoning op dezelfde locatie is echter een aparte gebruiksfunctie en daarmee een apart gevoelig gebouw, en wordt door deze vangnetbepalingen uitgesloten van bescherming. Anders dan andere regels in hoofdstuk 2 van de Vangnetregeling kunnen de onderhavige nieuwe regels niet worden meegenomen als een gemeente een (al dan niet beleidsneutrale) omzetting van de met de bruidsschat overgedragen milieuregels naar het nieuwe deel van het omgevingsplan wil doorvoeren. Het Bkl vereist op dit moment dat alle (potentiële) mantelzorgwoningen worden getoetst aan de milieuregels. Hoewel niet verwacht wordt dat die milieuregels objectief in de weg zullen staan aan het toelaten van mantelzorgwoningen op daarvoor geschikte achtererven of in bestaande gebouwen, moet de aanvaardbaarheid van geluid, trillingen, geur en slagschaduw volgens de huidige regels van het Bkl worden beoordeeld als deze mantelzorgwoningen worden toegelaten in het omgevingsplan, mede in relatie tot omliggende functies zoals bedrijven en infrastructuur. Dit is bevestigd in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De regels in deze wijzigingsregeling zijn daarom geformuleerd als aanvulling op bepalingen over ‘eerbiedigende werking’ in de bruidsschat die ook in andere gevallen slechts van toepassing zijn totdat de bruidsschatregels worden omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het kabinet is overigens voornemens om in het Besluit versterking regie volkshuisvesting te regelen dat mantelzorgwoningen vergunningvrij blijven. Het wijzigingsbesluit hiervoor is in consultatie geweest van 17 april tot 1 mei 2025.

Artikel 2.4g, eerste lid, aanhef en onder b, afwijking van artikel  22.272 bruidsschat

Dit lid corrigeert een inconsistentie tussen de afdelingen 22.3 en 22.4 van de bruidsschat. In afdeling 22.3 (artikelen 22.54, tweede lid, onder b, en 22.55, eerste lid) is een uitzondering gemaakt voor geluidgevoelige gebouwen die onder nieuw recht zijn toegelaten voor een periode van niet meer dan tien jaar. Die uitzondering ontbrak nog in afdeling 22.4 en wordt met onderdeel b alsnog van toepassing verklaard. Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen voor een duur van niet meer dan tien jaar wordt, zoals bepaald in artikel 5.78, tweede lid, van het Bkl, niet getoetst aan de standaard- en grenswaarden voor geluid. Omdat deze uitzondering voor gemeentewegen, waterschapswegen en lokale spoorwegen pas is ingevoerd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is deze net als de bestaande uitzonderingen in afdeling 22.3 niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten met toepassing van oud recht, zijnde de Wet geluidhinder. De formulering is gebaseerd op artikel 22.55, eerste lid, zij het dat hier de gevallen genoemd worden waarvoor de uitzondering geldt: geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan, behoudens het tijdelijke deel dat bestaat uit de voormalige bestemmingsplannen en beheersverordeningen, of op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 2.4g, tweede, derde en vierde lid, afwijking van artikel  22.272  bruidsschat

In artikel 22.272, tweede lid, van de bruidsschat zijn als het gaat om het aanleggen of wijzigen van een weg voorwaarden opgenomen waaronder een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid van dat artikel voor die aanleg of wijziging niet is vereist. Daarbij is beoogd om bepalingen uit de Wet geluidhinder neutraal om te zetten. Daarbij zijn echter in onderdeel f van genoemd artikellid enige omissies opgetreden die in artikel 2.4g, tweede, derde en vierde lid, van de Vangnetregeling worden hersteld. Deze artikelleden worden hierna in onderlinge samenhang toegelicht.

De achtergrond van artikel 2.4g, derde lid, dat betrekking heeft op de in artikel  22.272, tweede lid, onder 2° en 3°, genoemde waarde van 2 dB, is de volgende. In de Wet geluidhinder was in een begripsbepaling vastgelegd dat er sprake is van ‘reconstructie van een weg’ als de berekende geluidsbelasting vanwege een weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen met 2 dB of meer wordt verhoogd ten opzichte van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. In dat geval diende akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar maatregelen waarmee het geluid dat die de weg zal veroorzaken, de ten hoogste toelaatbare waarden niet te boven zou gaan. Bij een overschrijding van die ten hoogste toelaatbare waarden die (afgerond) gelijk is aan 2 dB was dus ook sprake van een ‘reconstructie van een weg’. Met de oorspronkelijke formulering van artikel 22.272, tweede lid, onder 2° en onder 3°, van de bruidsschat is het vergunningenvereiste uit het eerste lid van dat artikel bij een overschrijding die (afgerond) gelijk is aan 2 dB echter niet van toepassing. Dit verschil met de werking van de Wet geluidhinder was niet beoogd bij het opstellen van het artikel. Met de wijziging die volgt uit artikel 2.4g, derde lid, blijft het vergunningenvereiste van toepassing bij toename van de geluidbelasting met (afgerond) meer dan 1 dB, in welk kader op grond van artikel 22.274 van de bruidsschat een akoestisch onderzoek naar maatregelen om de geluidtoename weg te nemen verplicht is. Hiermee wordt deze regel in de bruidsschat gelijkgetrokken met de bepalingen zoals die golden onder de Wet geluidhinder.

De achtergrond van artikel 2.4g, tweede lid, dat betrekking heeft op artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 1°, van de bruidsschat, is de volgende. Op grond van dat onderdeel is het vergunningenvereiste uit het eerste lid van dat artikel niet van toepassing op het wijzigen van een weg als dit, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw, waarbij deze waarde moet worden gelezen als 2 dB meer dan de onder de Wet geluidhinder geldende voorkeurswaarde van 48 dB. Zoals hiervoor in de toelichting op artikel 2.4g, derde lid, al is gebleken, is het hanteren van de maatstaf ‘2 dB meer’ echter een onbedoelde verruiming ten opzichte van het toetsingskader dat onder de Wet geluidhinder gold. Een tweede element dat een rol speelt bij het omzetten van de bepalingen uit de Wet geluidhinder is het feit dat bij het bepalen van de heersende waarde van het geluid en van het geluid in de situatie na het wijzigen van de weg een andere rekenmethode moet worden gebruikt dan onder de Wet geluidhinder. Deze verandering van het rekenvoorschrift betekent dat het geluid van de wegen waarop afdeling 22.4 van de bruidsschat van toepassing is bij benadering 2 dB lager is dan met het oude rekenvoorschrift. Ten derde was met de oorspronkelijke formulering van artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 1°, van de bruidsschat geen rekening gehouden met het gegeven dat bij het toetsen aan de voorkeurswaarde op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder een aftrek werd toegepast vanwege het in de toekomst naar verwachting stiller worden van wegverkeer. Voor het overgrote deel van de wegen waarop afdeling 22.4 van de bruidsschat van toepassing is bedroeg die aftrek 5 dB. Analoog aan de correctie op hogere waarden die onder de Wet geluidhinder zijn vastgesteld, en die in artikel 2.4f, vierde lid, onder a, van deze Vangnetregeling wordt geregeld, geldt ook bij toetsing aan een waarde die zoals hiervoor is toegelicht aan de voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder is ontleend rekening moet worden gehouden met het gegeven dat deze aftrek onder de Omgevingswet niet meer bestaat. Rekening houdend met deze aftrek, met het verschil tussen de rekenmethoden en met het begrip ‘reconstructie van een weg’, is daarom sprake van een neutrale omzetting van de bepalingen uit de Wet geluidhinder naar de bruidsschat wanneer het wordt toegestaan om een weg zonder omgevingsvergunning aan te leggen of te wijzigen als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw niet meer bedraagt dan 52 dB. Met de wijziging die volgt uit artikel 2.4g, tweede lid, wordt dit hersteld.

Artikel 2.4g, vierde lid, betreft een afwijking van artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 3°, van de bruidsschat voor gebouwen die op 1 januari 2007 waren toegelaten, en waarvoor niet eerder een hogere waarde is vastgesteld. Net als in artikel 22.272, tweede lid, onder f, onder 1°, van de bruidsschat wordt hiermee voor de wegen waarop afdeling 22.4 van de bruidsschat van toepassing is een neutrale voortzetting van een vergelijkbare bepaling onder de Wet geluidhinder beoogd. Met inachtneming van het verschil tussen de oude en de huidige rekenmethode zoals uiteengezet bij de toelichting op artikel 2.4g, tweede lid, wordt dit bereikt door de toetsing van de toename ten opzichte van de heersende waarde te beperken tot waardes die 3 dB hoger zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB die onder de Wet geluidhinder gold.

HHHHHHHHHHHHHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 22.280 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.

In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

De artikelen 22.287 tot en met 22.295 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 22.295 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelen 22.287 tot en met 22.295 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 22.2 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In artikel 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

  • –.

    activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

  • –.

    het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

  • –.

    het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

  • –.

    het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

  • –.

    het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

  • b.

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

  • c.

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

  • d.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevatte was het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Deze aanvraagvereisten zijn vervallen.

Motivering

1 Aanleiding voor dit wijzigingsbesluit

Sinds 1 januari 2024 heeft Ridderkerk een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal rijksregels voor bouwen, milieu en overige activiteiten (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel via wijzigingsbesluiten, om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan. Alle regels voor de fysieke leefomgeving moeten een plek krijgen in dit omgevingsplan. De gemeenteraad heeft het omgevingsplan inmiddels al gewijzigd voor activiteiten binnen de thema’s bodem (januari 2026) en geur en trillingen (september 2026).

Deze wijziging van het omgevingsplan Ridderkerk is wederom een thematische wijziging. In deze wijziging worden regels gewijzigd en toegevoegd in het omgevingsplan voor twee thema’s, namelijk regels voor de bescherming van cultureel erfgoed en regels voor milieubelastende activiteiten.

Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan.

Thematische wijziging cultureel erfgoed

Deze wijziging van het omgevingsplan Ridderkerk bevat regels over:

  • a.

    activiteiten die gemeentelijke monumenten betreffen;

  • b.

    activiteiten binnen de molenbiotoop.

Deze regels zorgen voor behoud van cultuurhistorische waarden. Het betreft een omzetting van regels uit de bruidsschat, de gemeentelijke monumentenverordening Ridderkerk 2013 en bestemmingsplannen. Dit met inachtneming van de instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland.

In de Omgevingsvisie Ridderkerk is in paragraaf 7.3 de ambitie voor cultuurhistorie opgenomen. De gemeente heeft als ambitie geformuleerd: Beleefbaar maken en doorgeven van het verhaal van Ridderkerk. De regels in deze wijziging van het omgevingsplan dragen hieraan bij.

Wat hoort niet bij deze wijziging?

Binnen het thema cultureel erfgoed kunnen deel-thema’s worden onderscheiden. Met deze wijziging worden niet voor alle deelthema’s binnen het thema cultureel erfgoed regels toegevoegd aan het omgevingsplan. De onderdelen archeologie, omgeving van het monument en kasteel- en landgoedbiotoop kunnen nu niet beleidsarm worden overgenomen. Op deze deelthema’s vindt eerst een nadere beleidsuitwerking in de vorm van een omgevingsprogramma plaats, voordat regels hiervoor in het omgevingsplan worden opgenomen.

Thematische wijziging milieubelastende activiteiten

Eén van de grote veranderingen die de Omgevingswet introduceert is de vervanging van het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer door het begrip ‘milieubelastende activiteit’. Dit begrip is ruimer en anders samengesteld dan het begrip inrichting. Onder de Omgevingswet wordt de activiteit die op een locatie wordt verricht nog bepalender. De focus is verlegd van de fysieke locatie naar de specifieke activiteit die het milieu beïnvloedt. Waar vroeger verschillende activiteiten van één bedrijf samen als één inrichting werden beschouwd, kunnen deze onder de Omgevingswet uit elkaar worden getrokken in verschillende milieubelastende activiteiten. Dit maakt het mogelijk om activiteiten die op dezelfde locatie plaatsvinden, maar door verschillende partijen, individueel te reguleren. Deze wijziging van het omgevingsplan bevat regels voor een groot aantal milieubelastende activiteiten.

De bruidsschat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Deze regels komen vooral uit het voormalige Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. De gemeente heeft tot 2032 de tijd om de regels van de bruidsschat te laten vervallen of ze om te zetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De gemeente mag bij het omzetten die regels wijzigen. De regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moeten voldoen aan de eisen van de Omgevingswet. Zo moeten ze in ieder geval voldoen aan de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Deze regels dragen onder andere bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Van belang hierbij is het vinden van een balans tussen enerzijds het beschermen van de fysieke leefomgeving en anderzijds het benutten daarvan. Het betreft een voornamelijk beleidsarme omzetting van regels uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels van het Rijk en het lokale beleid (met name de Algemene Plaatselijke Verordening). 

In paragraaf 6.3.3 van de Omgevingsvisie is de ambitie opgenomen om te zorgen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De regels voor milieubelastende activiteiten in deze wijziging van het omgevingsplan dragen hieraan bij.

Wat hoort niet bij deze wijziging?

Met deze wijziging wordt opnieuw een deel van de milieubelastende activiteiten uit de bruidsschat overgezet. Binnen het thema milieubelastende activiteiten worden de regels voor afvalwaterbeheer en geluid in overeenstemming met de planning later gedurende de transitieperiode opgenomen in het nieuwe deel omgevingsplan.

2 Doel en oogmerken van deze omgevingsplanwijziging

Het doel van deze omgevingsplanwijziging voor cultureel erfgoed en milieubelastende activiteiten is met name het behoud van cultureel erfgoed en het zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beschermen van het milieu. De regels moeten zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau.

In het omgevingsplan zijn oogmerken opgenomen. De oogmerken vormen het kader voor de regels en sluiten aan bij de doelen van de Omgevingswet.

3 Aanwijzing in de fysieke leefomgeving

In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen met een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Aan een gebied kunnen ook bepaalde regels worden gekoppeld. Een gebiedsaanwijzing is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'.

In afdeling 3.5 zijn gebiedsaanwijzingen opgenomen voor cultureel erfgoed. Het gaat om de molenbiotoop, bestaande uit drie deelgebieden en de gemeentelijk monumenten. De regels in hoofdstuk 4 zijn gekoppeld aan deze gebieden.

De meeste regels voor milieubelastende activiteiten in deze wijziging gelden voor het hele ambtsgebied. Met uitzondering van de regels in paragraaf 7.4.8 ‘Gesloten bodemenergiesystemen installeren’. Voor deze activiteit gelden verschillende regels voor de installatie van deze systemen. Welke regels gelden hangt af van de vraag of de locatie is gelegen binnen of buiten het grondwaterbeschermingsgebied van de provincie Zuid-Holland. De provincie verbiedt in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening de aanleg van bodemenergiesystemen binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Met onder meer deze maatregel wordt de kwaliteit van het grondwater beschermd, omdat hier drinkwater van gemaakt wordt. Buiten het grondwaterbeschermingsgebied is de installatie van een bodemenergiesysteem wel toegestaan. Hoewel niet verplicht is hier bij het maken van de regels in het omgevingsplan bij deze activiteit wel rekening gehouden met de regels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Daarom worden in hoofdstuk 3 twee nieuwe gebieden aangewezen: het grondwaterbeschermingsgebied én het gedeelte van Ridderkerk dat buiten het grondwaterbeschermingsgebied valt.

4 Cultureel erfgoed

Hoofdstuk 4 van het omgevingsplan gaat over het beschermen van de fysieke leefomgeving. Met dit wijzigingsbesluit zijn regels over cultureel erfgoed toegevoegd aan afdeling 4.3. Aan deze afdeling zijn twee paragrafen toegevoegd:

  • a.

    Paragraaf 4.3.3 Gemeentelijk monument beschermen;

  • b.

    Paragraaf 4.3.5 Molenbiotoop beschermen.

De paragrafen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.4 zijn gereserveerd voor toekomstige wijzigingen betreffende cultureel erfgoed.

Paragraaf 4.3.3 gemeentelijk monument beschermen

In deze paragraaf is de bescherming van gemeentelijke monumenten geregeld. Er is een verbod opgenomen voor het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument. Dit was voorheen verboden op grond van de gemeentelijke monumentenverordening. Nieuw is het verbod op het onthouden van onderhoud dat voor de instandhouding van het gemeentelijk monument noodzakelijk is. Dit verbod op onthouden van onderhoud is gelijk aan het verbod zoals dat voor rijksmonumenten is geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Verder is er een vergunningplicht opgenomen voor het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van het gemeentelijk monument en voor het herstellen of gebruiken op een dusdanige wijze, dat het gemeentelijk monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Deze vergunningplicht was eerder opgenomen in de gemeentelijke monumentenverordening.

Paragraaf 4.3.5 Molenbiotoop beschermen

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met als doel het beschermen van de vrije windvang en het zicht op de molen aan de Waalweg 11. Er zijn regels ter bescherming van de molenbiotoop opgenomen in verschillende bestemmingsplannen. In deze wijziging van het omgevingsplan is een voorrangsregel opgenomen, omdat alle regels in bestemmingsplannen voor een gebied alleen in één keer mogen vervallen. De vrije windvang en het zicht op de molen worden beschermd door een hoogtebeperking voor bouwwerken en beplanting.

De regels over de molenbiotoop geven invulling aan de instructieregels uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

5 Milieubelastende activiteiten

Hoofdstuk 7 van het omgevingsplan gaat over milieubelastende activiteiten. Met dit wijzigingsbesluit zijn regels over milieubelastende activiteiten aangepast en toegevoegd aan de afdelingen 7.1 en 7.4.

Afdeling 7.1

In afdeling 7.1 is een paragraaf gewijzigd met regels die gelden voor alle milieubelastende activiteiten (7.1.1). Hierbij zijn artikelen over het toepassingsbereik en de oogmerken aangepast.

Afdeling 7.4

In deze afdeling zijn zeventien paragrafen toegevoegd met inhoudelijke regels:

  • 7.4.1 Antihagelkanon in werking hebben

  • 7.4.2 Biologische agens gebruiken

  • 7.4.3 Dieren slachten, dierlijke bijproducten verwerken of vlees, vis of organen uitsnijden

  • 7.4.5 Fotografisch materiaal ontwikkelen of afdrukken

  • 7.4.7 Genetisch gemodificeerde organismen ingeperkt gebruiken

  • 7.4.8 Gesloten bodemenergiesysteem installeren

  • 7.4.11 Hyperscale datacentrum exploiteren

  • 7.4.16 Maden van vliegende insecten kweken

  • 7.4.17 Motorvoertuigen wassen

  • 7.4.18 Natte accu met een acculader opladen

  • 7.4.19 Niet-industriële voedselbereiding

  • 7.4.21 Parkeergelegenheid in een parkeergarage bieden

  • 7.4.23 Recreatieve visvijver exploiteren

  • 7.4.24 Sport in de buitenlucht met terreinverlichting bieden

  • 7.4.25 Traditioneel schieten

  • 7.4.27 Voedingsmiddelenindustrie

  • 7.4.31 Zoogdieren of vogels fokken, houden of trainen

Paragraaf 7.4.1 Antihagelkanon in werking hebben

Deze paragraaf gaat over het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel om een schokgolf op te wekken, een antihagelkanon. De schokgolven worden de lucht in gestuurd om de vorming van hagelstenen in onweersbuien te beperken en zo landbouwgewassen (zoals fruit) te beschermen.

De bruidsschat bevat een vergunningplicht voor het gebruik van deze installatie. Gelet op het ontbreken van grootschalige fruitteelt in Ridderkerk en de geluidhinder die een antihagelkanon bij toepassing veroorzaakt, is voor deze activiteit gekozen voor een verbod in heel Ridderkerk.

Paragraaf 7.4.2 Biologische agens gebruiken

Deze paragraaf gaat over het in werking hebben van een praktijkruimte of laboratorium waar gericht wordt gewerkt met biologische agens. Biologische agentia zijn micro-organismen, bijvoorbeeld virussen, bacteriën, schimmels of parasieten, die een infectie, allergie of toxiciteit kunnen veroorzaken. Deze kunnen genetisch gemodificeerd zijn.

De bruidsschat bevat een vergunningplicht voor deze activiteit. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.3 Dieren slachten, dierlijke bijproducten verwerken of vlees, vis of organen uitsnijden

Deze paragraaf gaat over:

  • a.

    het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

  • b.

    het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

  • c.

    het uitsnijden van vis; of

  • d.

    het uitsnijden en pekelen van organen.

Er geldt een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van één van deze activiteiten. Daarnaast geldt een informatieplicht bij beëindiging van deze activiteiten. Verder bevat de paragraaf algemene regels over het lozen van afvalwater, geur en bodembescherming. Wanneer maatregelen nodig zijn om de bodem te herstellen na de activiteit dan geldt ook een informatieplicht. Artikel 22.205, lid 2 van de bruidsschat bevat een eerbiedigende werking voor geur. In overleg met DCMR is geconstateerd dat dit lid niet relevant is voor Ridderkerk omdat er geen bedrijven zijn met een vergunning van voor 1 januari 2008. Dit lid is geschrapt. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.5 Fotografisch materiaal ontwikkelen of afdrukken

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de ouderwetse, chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film. Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.

Er geldt een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van deze activiteit. Verder bevat de paragraaf algemene regels over het lozen van afvalwater. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.7 Genetisch gemodificeerde organismen ingeperkt gebruiken

Deze paragraaf gaat over het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Een genetisch gemodificeerd organisme is een organisme waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of natuurlijke recombinatie. 

Het ingeperkt gebruik van ggo's vindt bijvoorbeeld plaats binnen laboratoria, procesinstallaties, bepaalde kassen of dierverblijven.

De bruidsschat bevat een vergunningplicht voor deze activiteit. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.8 Gesloten bodemenergiesysteem installeren

Deze paragraaf gaat over het aanleggen of gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem buiten een grondwaterbeschermingsgebied. Een gesloten bodemenergiesysteem pompt een vloeistof, vaak met toegevoegde antivriesmiddelen, in buizen door de bodem. De vloeistof komt niet in direct contact met het grondwater. In de winter onttrekt het systeem via de vloeistof warmte aan de bodem. En in de zomer geeft het systeem warmte af aan de bodem. Er is geen sprake van een actieve verplaatsing van grondwater door het systeem.

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is een verbod opgenomen voor het aanleggen en gebruiken van een bodemenergiesysteem binnen het grondwaterbeschermingsgebied. De regels in het omgevingsplan beperken zich dus tot het gebied daarbuiten. Voor het gebied buiten het grondwaterbeschermingsgebied is in deze paragraaf een vergunningplicht opgenomen voor de aanleg of het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

De vergunningplicht is niet nieuw, maar een voortzetting van de regels van voor inwerkingtreding Omgevingswet. Voor deze activiteit uit het voormalig Activiteitenbesluit was een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets nodig (OBM). De OBM was verankerd in de Wabo. Deze OBM is in de bruidsschat overgezet naar een vergunningplicht. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.11 Hyperscale datacentrum exploiteren

Deze paragraaf gaat over hyperscale datacentra en ook over afzonderlijke datacentra of rekencentra die in onderlinge samenhang als één hyperscale datacentrum functioneren.

Een hyperscale datacenter is een grote computerfaciliteit, ontworpen voor grootschalige cloud-, dataopslag- en verwerkingsbehoeften. Ze bieden enorme rekenkracht en opslagcapaciteit.

Hyperscale datacentra leggen een onevenredig groot beslag op de beschikbare duurzame energie in verhouding tot de maatschappelijke en/of economische meerwaarde. Daarom is op nationaal niveau geregeld waar de vestiging van hyperscale datacentra door het Rijk is toegestaan. Dit is niet het geval in de gemeente Ridderkerk, zodat hiervoor een verbod is opgenomen. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de voorbeschermingsregels die het Rijk heeft gesteld voor deze activiteit.

Paragraaf 7.4.16 Maden van vliegende insecten kweken

Deze paragraaf gaat over het kweken van maden van vliegende insecten. Het uitvoeren van deze activiteit kan geurhinder met zich meebrengen.

De bruidsschat bevat een vergunningplicht voor deze activiteit. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.17 Motorvoertuigen wassen

Deze paragraaf gaat over het uitwendig wassen van motorvoertuigen, bijvoorbeeld in een wasstraat. De paragraaf bevat algemene regels over het lozen van afvalwater en bodembescherming. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, moet het wassen van motorvoertuigen in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Er is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen in een mobiele wasinstallatie. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Ook geldt een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

Artikel 22.194, lid 3 sub b van de bruidsschat bevat een eerbiedigende werking voor slibvangputten en olieafscheiders die zijn geplaatst voor 2 november 2010. Aan DCMR is gevraagd of deze regel noodzakelijk is. Dat is niet het geval. Dit betekent dat alle slibvangputten en olieafscheiders moeten voldoen aan de NEN-normen die in de Omgevingsregeling staan. Deze regels zijn verder beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. 

Paragraaf 7.4.18 Natte accu met een acculader opladen

Deze paragraaf heeft betrekking op het opladen van natte accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

De paragraaf bevat algemene regels over bodembescherming. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.19 Niet-industriële voedselbereiding

Deze paragraaf bevat regels voor (kleinschalige) voedselbereiding bij horeca of bedrijfskantines. Deze activiteit kan geurhinder veroorzaken.

Er geldt een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van deze activiteit. Verder bevat de paragraaf algemene regels over het lozen van afvalwater en het voorkomen van geurhinder. Er zijn regels toegevoegd die zien op geuroverlast door bedrijven die voedingsmiddelen bereiden met houtskool, hout of een vergelijkbare brandstof. Op basis van ervaringen van geuroverlast in Rotterdam bij dergelijke bedrijven is het gewenst daar een regel voor op te nemen in het omgevingsplan. 

De paragraaf bevat een regel met een eerbiedigende werking voor geur, die al geldt sinds 1 januari 2008 (artikel 22.199, lid 4). In overleg met DCMR is ervoor gekozen deze eerbiedigende werking op termijn te beëindigen. Dit ter bescherming van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen en beperken van geurhinder. Om ondernemers voldoende tijd te geven om de vereiste maatregelen te treffen, is deze einddatum bepaald op 1 januari 2031. 

De regels zijn verder beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.21 Parkeergelegenheid in een parkeergarage bieden

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. In zo’n parkeergarage vinden emissies uit een puntbron plaats van uitlaatgassen van auto’s. Hierdoor kan er lokaal geurhinder optreden of een te hoge concentratie ontstaan van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Er geldt een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van deze activiteit. Verder bevat de paragraaf algemene regels over het voorkomen van geurhinder of verslechtering van de luchtkwaliteit bij de emissiepunten van de mechanische ventilatie. 

De paragraaf bevat een regel met een eerbiedigende werking voor geur, die al geldt sinds 1 januari 2008 (artikel 22.199, lid 4). In overleg met DCMR is ervoor gekozen deze eerbiedigende werking op termijn te beëindigen. Dit ter bescherming van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen en beperken van geurhinder. Om ondernemers voldoende tijd te geven om de vereiste maatregelen te treffen, is deze einddatum bepaald op 1 januari 2031. 

Deze regels zijn verder beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.23 Recreatieve visvijver exploiteren

Deze paragraaf gaat over het exploiteren van een recreatieve visvijver. Het zijn afgesloten vijvers waarin vissen worden uitgezet voor de sportvisserij. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of kwekerijen voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt.

In Ridderkerk zijn geen recreatieve visvijvers aanwezig. Vanwege het ruimtebeslag en de aanwezigheid van grondwaterbeschermingsgebieden is het ook niet gewenst dat deze worden aangelegd. Daarom is voor deze activiteit gekozen voor een verbod in heel Ridderkerk.

Paragraaf 7.4.24 Sport in de buitenlucht met terreinverlichting bieden

Deze paragraaf gaat over het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken.

Er geldt een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van deze activiteit. Verder bevat de paragraaf algemene regels ter voorkoming van lichthinder. Als een initiatiefnemer op afwijkende tijden gebruik wil maken van de terreinverlichting geldt een meldplicht. Op maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar mag worden afgeweken van de tijden waarop de terreinverlichting mag aanstaan. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ook de regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening over dit onderwerp zijn bij het opstellen van deze paragraaf betrokken.

Paragraaf 7.4.25 Traditioneel schieten

Deze paragraaf gaat over het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht. Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. 

Gelet op het ontbreken van deze traditie in Ridderkerk en de gevolgen van traditioneel schieten voor de veiligheid en de bodem, is deze activiteit in Ridderkerk verboden.

Paragraaf 7.4.27 Voedingsmiddelenindustrie

Deze paragraaf gaat over milieubelastende activiteiten in de voedingsmiddelenindustrie, die zijn aangewezen in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit betreft onder meer het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is wel wenselijk hiervoor geurregels op te nemen in het omgevingsplan. Daarom zijn ter uitwerking van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving in deze paragraaf maatwerkregels opgenomen voor het voorkomen van geurhinder bij het starten of bij wijziging van deze activiteiten.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toeneemt. Die of andere maatregelen kunnen met een maatwerkvoorschrift worden opgelegd. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 7.4.31 Zoogdieren of vogels fokken, houden of trainen

Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van zoogdieren of vogels. Hieronder vallen bijvoorbeeld het houden van dieren bij kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s staan in de paragrafen 7.4.13 en 7.4.14 van het omgevingsplan.

Er geldt een informatieplicht bij het starten of bij wijziging van deze activiteit. Verder bevat de paragraaf algemene regels over bodembescherming. Deze regels zijn beleidsarm overgenomen uit de bruidsschat, met inachtneming van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

6 Relatie met bruidsschatregels

Met deze omgevingsplanwijziging zijn regels over milieubelastende activiteiten uit hoofdstuk 22 (de bruidsschat) overgezet naar andere hoofdstukken in het omgevingsplan, gewijzigd of ingetrokken.

Regels die zijn overgezet naar andere hoofdstukken in het omgevingsplan

Afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten

  • Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers

  • Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

  • Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

  • Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

  • Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

  • Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

  • Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

  • Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

  • Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten

  • Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

  • Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren en vogels

  • Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

Afdeling 22.5 Overige activiteiten

  • Artikelen 22.287, 22.290 tot en met 22.294 aanvraagvereisten bij vergunningplicht voor een gemeentelijk monument

Regels in hoofdstuk 22 die zijn gewijzigd

  • Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

  • Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Deze artikelen worden gekoppeld aan het gebied gemeentelijk monument. De woorden “voorbeschermd gemeentelijk monument” worden geschrapt uit het artikel. Lid 3 met betrekking tot een rijksbeschermd stads- en dorpgezicht wordt ingetrokken, omdat Ridderkerk deze niet heeft.

Regels die zijn ingetrokken

  • Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

  • Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

    Ridderkerk heeft geen rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.

  • Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars

    In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn in paragraaf 4.27 al regels opgenomen voor precies dezelfde activiteit. Deze paragraaf bevat een meldplicht en direct werkende regels, waardoor we de bruidsschatregels kunnen intrekken. Deze voegen niets toe.

  • Artikelen 22.288 en 22.289 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument en de eisen aan tekeningen.

    In Ridderkerk zijn geen gemeentelijke archeologische monumenten aangewezen, zodat deze artikelen geen werking hebben. Als een gemeentelijk archeologisch monument eventueel in de toekomst zou worden opgenomen in het omgevingsplan kunnen de regels dan worden toegevoegd.

  • Artikel 22.295 overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

    Er zijn geen voorbeschermde gemeentelijk monumenten

  • Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

    Er is geen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht in Ridderkerk.

  • Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

    Er is geen rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht in Ridderkerk.

7 Milieubeoordeling

Kader

De Omgevingswet verplicht de gemeente om na te gaan of de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan tot nadelige milieueffecten kan leiden. Is dat het geval, dan is een milieueffectrapportage (plan-mer) verplicht. Artikel 16.36 van de Omgevingswet wijst gevallen aan waarin het bevoegd gezag bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan verplicht is een plan-mer te doorlopen. Het artikel geeft ook aan in welke gevallen het bevoegd gezag kan volstaan met een plan-merbeoordeling. Of sprake is van een kaderstellend plan voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Beslisschema

Voor deze beoordeling is het ‘beslisschema plan-milieueffectrapportage’ op de IPLO-website doorlopen.

Stap 1

De voorliggende wijziging wordt aangemerkt als een wettelijk voorgeschreven plan.

Stap 2

De regels in deze wijziging zijn niet kaderstellend voor projecten die project-mer-plichtig of project-mer-beoordelingsplichtig zijn.

Stap 5

Een passende beoordeling voor natuur is niet noodzakelijk, omdat de wijziging alleen ziet op regels over cultureel erfgoed en milieubelastende activiteiten. Deze zorgen niet voor achteruitgang van natuurwaarden.

Conclusie

Uitkomst van deze toetsing is dat er geen mer verplichtingen zijn.

Conclusie

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan betreft een beleidsarme omzetting van de regels. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime ook geen (significante) aanvullende bouw- of gebruiksmogelijkheden geboden. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het opstellen van een plan-mer of plan-merbeoordeling is daarom niet nodig.

8 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Op het gebied van erfgoed gaat het om reguliere taken waarvoor de gemeente al verantwoordelijk was.

DCMR voert in mandaat taken uit voor de gemeente ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving bij bedrijven. Ook voor de milieubelastende activiteiten die vallen onder voorliggende wijziging van het omgevingsplan. Door het vaststellen van deze wijziging wordt geen effect verwacht op de kosten voor DCMR. DCMR is bij de totstandkoming van de regels betrokken.

9 Participatie

Bij besluitvorming over de vaststelling van deze wijziging moet de gemeenteraad laten weten hoe inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken. Ook moet vermeld worden wat we met de resultaten van participatie hebben gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit en wordt de motiveringsplicht genoemd. Bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging wordt een uitgebreid participatieverslag gevoegd dat daar invulling aan geeft. Hieronder een korte toelichting daarop.

Voorbereiding van het ontwerpwijzigingsbesluit

Per thema zijn verschillende partijen betrokken bij de voorbereiding van deze wijziging van het omgevingsplan. De betrokken partijen hebben een direct belang of zijn (mede)verantwoordelijk voor een goede leefomgevingskwaliteit. Dit sluit aan bij artikel 2.2 van de Omgevingswet waarin is geregeld dat overheden hun taken en bevoegdheden zo moeten uitoefenen dat er goede onderlinge afstemming is.

Voor het thema Cultureel erfgoed zijn de volgende partijen betrokken:

  • Provincie Zuid-Holland

  • Stichting de Rijsoordse Molen 

  • Stichting Oud Ridderkerk

  • Erfgoedhuis Zuid-Holland

  • Eigenaren van gemeentelijke monumenten

  • Gemeentelijke adviescommissie Commissie Ruimtelijke Kwaliteit

  • Comité Open Monumentendag Ridderkerk

Voor het thema Milieubelastende activiteiten zijn de volgende partijen betrokken:

  • Rijksoverheid, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

  • Provincie Zuid-Holland (PZH)

  • Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR)

  • Waterschap Hollandse Delta (WSHD)

  • Gemeentelijke Gezondheidsdienst Rotterdam-Rijnmond (GGD)

  • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR)

  • Beleidsplatform Natuur, Milieu en Duurzaamheid (BP NM&D)

De resultaten van de participatie zijn verwerkt in een participatieverslag. Dit participatieverslag is als bijlage opgenomen bij het raadsvoorstel over de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan voor geur en trillingen.

Een samenvatting van de ontvangen reacties en de wijze waarop deze zijn verwerkt in het omgevingsplan, zijn te vinden in het participatieverslag.

Zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpwijzigingsbesluit

P.M.

Naar boven