U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerp wijziging Omgevingsplan gemeente Brunssum Transitiehoofdstuk 21.1 'Bedrijfsgebouwen op een bedrijventerrein gebruiken voor opslag'

De gemeenteraad van de gemeente Brunssum,

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 augustus 2026, afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en vastgoed;

Besluit:

  • a.

    Kennis te nemen van de ontwerp wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum, inhoudende de toevoeging van het transitiehoofdstuk '21.1 Bedrijfsgebouwen op een bedrijventerrein gebruiken voor opslag';

  • b.

    Kennis te nemen van de ingebrachte zienswijze met betrekking tot de onder 1. van dit besluitgenoemde wijziging van het gemeentelijke omgevingsplan en het ambtelijk standpunt daaromtrent, zoals beschreven in de 'Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen';

  • c.

    De wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum, inhoudende de toevoeging van het transitiehoofdstuk '21.1 Bedrijfsgebouwen op een bedrijventerrein gebruik en voor opslag', gewijzigd vast te stellen, zoals beschreven in de onder 2. van dit besluit genoemde 'Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen';

    Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 september2026

Wijzigartikel I

Het ‘Omgevingsplan gemeente Brunssum’ is gewijzigd ten behoeve van een regeling voor opslagunits en garageboxen en deze wijzigingen zijn opgenomen in Bijlage A van dit besluit. In Bijlage B onder Bijlage 1 is de Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen opgenomen.

Artikel II In werking

Dit wijzigingsbesluit treedt in werking vier weken na bekendmaking ervan.

Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Brunssum, d.d.15 september 2026.

Bijlage A Wijziging Regeling opslagunits en garageboxen

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van Hoofdstuk 21 en hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

B

Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 21 ONTWIKKELINGEN EN WIJZIGINGEN TIJDENS DE TRANSITIEFASE

[Gereserveerd]

Titel 21.1 Bedrijfsgebouwen op een bedrijventerrein gebruiken voor opslag

Afdeling 21.1.1 Algemeen
Artikel 21.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van een gebouw op een bedrijventerrein voor opslag op de locatie beperkende regels opslagunits bedrijventerreinen van toepassing.

Artikel 21.2 Normadressaat

Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van deze regels.

Afdeling 21.1.2 Vergunningplichtige activiteiten
Artikel 21.3 Omgevingsvergunningplicht gebruik gebouw voor opslag
  • 1.

    Voor zover de in lid 2 genoemde artikelen op de locatie beperkende regels opslagunits bedrijventerreinen van toepassing van toepassing zijn als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, is het in afwijking van die artikelen verboden om zonder omgevingsvergunning

    verboden een gebouw te gebruiken voor opslag.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde artikelen zijn:

    • a.

      artikel 4.1 en 5.1 van het bestemmingsplan Haefland Rode Beek;

    • b.

      artikel 3.1 van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Rode Beek;

    • c.

      artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan Oostflank;

    • d.

      artikel 3.1 en art. 4.1 van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Emma; en

    • e.

      artikel 3.1 van de beheersverordening Bedrijventerreinen; en

    • f.

      artikel 3.1 van het bestemmingsplan Ontwikkeling Afvalzorg.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing voor zover die opslag op het moment van in werking treden van dit artikel reeds aanwezig was:

    • a.

      in overeenstemming met het geldende omgevingsplan; of

    • b.

      in overeenstemming met een verleende omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan.

Artikel 21.4 Uitzonderingen vergunningplicht

De vergunningplicht als bedoeld in Artikel 21.3 is niet van toepassing op de volgende activiteiten:

  • a.

    opslag in een pand met een brutovloeroppervlakte van meer dan 250 m2, voor zover die opslag voor het overige ¡s toegestaan op grond van het omgevingsplan of een in afwijking daarvan verleende omgevingsvergunning;

  • b.

    opslag die inherent is aan een andere bedrijfsactiviteit die overeenkomstig het omgevingsplan dan wel een in afwijking daarvan verleende omgevingsvergunning op die locatie wordt uitgeoefend en voor zover die opslag voor het overige is toegestaan op grond van het omgevingsplan of een in afwijking daarvan verleende omgevingsvergunning.

Artikel 21.5 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.3 wordt verleend indien:

    • a.

      de aangevraagde opslag niet op een andere locatie mogelijk en inpasbaar is dan op een bedrijventerrein waarop deze afdeling van toepassing is.

    • b.

      de aangevraagde activiteit op de beoogde locatie niet leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor de leefbaarheid en sociale veiligheid in de omgeving.

    • c.

      ten minste 70% van de netto hectaren op het bedrijventerrein beschikbaar blijft voor bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 3, 4, 5 en 6.

    • d.

      aanwezige bedrijven door de bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 1 en 2 niet onevenredig worden beperkt in hun bestaande bedrijfsvoering.

  • 2.

    Bij de beoordeling van het bepaalde in sub b van voorgaand lid wordt in ieder geval betrokken:

    • a.

      beschikbare informatie over de leefbaarheid en sociale veiligheid in de omgeving zoals beschikbaar via onder meer, maar niet limitatief: de Veiligheidsmonitor (CBS) en Leefbarometer;

    • b.

      de mate van beheer van en toezicht op een bedrijventerrein en de mate van samenwerking tussen bedrijven op een bedrijventerrein;

    • c.

      aspecten en maatregelen die worden getroffen om de leefbaarheid en veiligheid te verhogen, zoals de zichtbaarheid vanaf de openbare weg, de wijze van toegangscontrole en de mate van toezicht.

Artikel 21.6 Aanvraagvereisten

Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.3 omvat:

  • a.

    de gegevens en bescheiden als bedoeld in Artikel 21.3 van het omgevingsplan;

  • b.

    een motivering dat aan de beoordelingsregels als bedoeld in Artikel 21.5 lid 1 voldaan.

Artikel 21.7 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.3 kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden om maatregelen te treffen ter bescherming van de leefbaarheid en veiligheid.

C

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

Pand:

kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is en waarbij onder 'totstandkoming' mede wordt verstaan totstandkoming door splitsing van een bestaand pand c.q. gebouw in meerdere panden.

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

D

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Geografische Informatieobjecten

Deze regeling bevat geen GIO informatie.

beperkende regels opslagunits bedrijventerreinen van toepassing

/join/id/regdata/gm0899/2026/bd62ce20b521432dbe867717cda84a32/nld@2026‑10‑12;f8b163bb57574fa093adb2dabec2f8a9

E

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • –a.

    bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • –b.

    de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • –a.

    het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • –b.

    het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • –c.

    het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • –d.

    het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • –e.

    het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • –f.

    het winnen van grondstoffen,

  • –g.

    agrarische grondwerkzaamheden, en

  • –h.

    activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

Bijlage B PDF bijlagen bij besluit

260326_Motivering wijziging omgevingsplan garageboxen.pdf

/join/id/pubdata/gm0899/2026/56c2bf121b27490289b543b0f01fb2cb/nld@2026‑10‑12;2

NotavanzienswijzenTransitiehoofdstukOpslagunitsengarageboxen202608034.pdf

/join/id/pubdata/gm0899/2026/fac9ebf837b84e25a6af8af0ea3fcef6/nld@2026‑10‑12;1

MOTIVERING

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

27 mei 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brunssum een voorbereidingsbesluit genomen waarmee voorbeschermingsregels zijn toegevoegd aan het tijdelijk regelingdeel van het Omgevingsplan gemeente Brunssum. Daarmee is voorzien in een verbod om zonder een omgevingsvergunning een gebouw te gebruiken voor opslag, met uitzondering van aangewezen gevallen in artikel 21.4. Op grond van artikel 4.14, vierde lid Omgevingswet (hierna Ow) vervallen de voorbeschermingsregels na één jaar en zes maanden, of als binnen die termijn een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met de voorbeschermingsregels wordt bekendgemaakt en in werking treedt.

Per 1 januari 2024 zijn die ruimtelijke plannen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het zogenoemde 'tijdelijk deel' van het omgevingsplan. Dat geldt voor onder meer bestemmingsplannen (met of zonder verbrede reikwijdte), wijzigingsplannen, uitbreidingsplannen, beheersverordeningen en provinciale inpassingsplannen. Ruimtelijke plannen waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd vóór 1 januari 2024 mochten na die datum nog worden vastgesteld op basis van overgangsrecht en zijn vervolgens alsnog onderdeel geworden van dit tijdelijk deel.

In verband met de genoemde inwerkingtreding van de Omgevingswet is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum nodig om nieuwe gevallen waarin het gebruik van gebouwen als opslagunits en garageboxen op bedrijventerreinen op basis van de geldende ruimtelijke plannen worden voorkomen.

1.2 Doel

Het doel van deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum is het uitsluiten van het gebruik van gebouwen op bedrijventerreinen als opslagunits of garageboxen zonder dat hiervoor voorafgaande toestemming is gegeven. Hierna wordt toegelicht waarom het nodig wordt geacht hier een beperking aan te stellen.

Binnen gemeente Brunssum is meer sturing gewenst op het toestaan van de verhuur van opslagunits en garageboxen op bedrijventerreinen. In de praktijk is namelijk gebleken dat er zonder deze sturing een onevenredige druk op het ruimtebeslag op bedrijventerreinen ontstaat. De ruimte op bedrijventerreinen is beperkt, terwijl verschillende bedrijfsfuncties afhankelijk zijn van een locatie op een bedrijventerrein. Daarentegen kunnen opslagunits en garageboxen ook in andere gebieden worden gerealiseerd.

Ten tweede is meer sturing gewenst op het illegale gebruik van de opslagunits en garageboxen. In de praktijk zijn namelijk opslag van illegale goederen gemeld. Dit crimineel gebruik leidt tot een vermindering van de leefbaarheid en veiligheid in gemeente Brunssum. Opslagunits en garageboxen blijken op bedrijventerreinen gevoelig te zijn voor dergelijk gebruik door de ligging. Een bedrijventerrein heeft een afzonderlijke ligging en hier is in het algemeen minder sociale controle aanwezig.

Nu is geconstateerd dat de geldende ruimtelijke plannen niet aansluiten bij het gewenste gebruik van gebouwen op bedrijventerreinen binnen gemeente Brunssum, wordt dit met deze wijziging hersteld. Er wordt niet voorzien in een totaalverbod op dergelijk gebruik, maar in een omgevingsvergunningplicht. Daarmee worden opslagunits en garageboxen niet geheel uitgesloten, maar wordt een 'toetsmoment' gecreëerd, waarbij kan worden beoordeeld of de activiteit inpasbaar is. Overigens ziet het verbod om zonder omgevingsvergunning opslagunits en garageboxen te realiseren op het gebruik van gebouwen voor opslag en niet op het bouwen of verbouwen van een gebouw. Met een verbod op het gebruik wordt echter voldoende geregeld dat opslagunits en garageboxen niet meer direct gerealiseerd worden. De beoordelingsregels bij een aanvraag voor het verrichten van een bouwactiviteit vereisen namelijk ook een toets aan de gebruiksregels (artikel 22.29 Omgevingsplan gemeente Brunssum).

1.3 Begrenzing werkingsgebied

Het gebied waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft, is het werkingsgebied van de bestemmingsregels uit de bestemmingsplannen en de beheersverordening die gelden voor de bedrijventerreinen in gemeente Brunssum. Binnen de bestemmingen ‘Bedrijventerrein’, ‘Detailhandel – Perifeer’ en ‘Bedrijf’ zijn volgens de bestemmingsregels conform de Staat van Bedrijfsactiviteiten opslaggebouwen rechtstreeks toegestaan. Daarnaast zijn binnen de bestemming ‘Detailhandel – Perifeer’ magazijnen, opslag en uitstalling mogelijk. Door dit planologisch regime is het direct mogelijk om opslagunits en garageboxen te realiseren.

In de navolgende tabel zijn de relevante bestemmingsregels aangegeven die het werkingsgebied vormen van deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum, voor zover die ruimtelijke plannen niet zijn opgevolgd door ruimtelijke plannen die geen ruimte bieden voor opslaggebouwen. Welke (delen van) plangebieden dat exact zijn, volgt uit de begrenzing van het werkingsgebied op de kaart waarmee het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan digitaal wordt vastgelegd (gml-bestand).

bdsvbbv.jpg

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de juridische opzet van deze wijziging van het omgevingsplan en de verhouding tot de overige delen van het Omgevingsplan gemeente Brunssum. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de voor deze wijziging van het omgevingsplan relevante beleidskaders en instructie(regels), om vervolgens in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 kort in te gaan op respectievelijk de relevante sectorale aspecten en de uitvoerbaarheid.

2 Juridische opzet

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de verhouding tussen deze wijziging van het omgevingsplan ten opzichte van de overige delen van het omgevingsplan toegelicht. Daarna wordt een toelichting op de opzet van de regels en de inhoud van die regels gegeven.

2.2 Plaats binnen het omgevingsplan

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 geldt voor de gemeente Brunssum van rechtswege het "Omgevingsplan gemeente Brunssum". Op die datum zijn de binnen de gemeente geldende ruimtelijke plannen onderdeel geworden van het 'tijdelijk deel' van dat omgevingsplan. Dat tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat verder onder meer uit een set regels die door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set regels wordt de 'bruidsschat' genoemd en is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.

Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum nodig om het doel te bereiken dat is beschreven in paragraaf 1.2.

Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in een gehele vervanging van de voor het werkingsgebied van deze wijziging van het omgevingsplan geldende ruimtelijke plannen (die onderdeel zijn van voornoemd tijdelijk deel van het omgevingsplan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 22.1 van de Omgevingswet). Dit volgt uit de voorrangsregels die zijn opgenomen in Artikel 21.3.

2.3 Vormgeving en wijze van bekendmaken

Voor de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum wordt een vaststellingsbesluit genomen. Dit vaststellingsbesluit bevat de aan het omgevingsplan toe te voegen regels met locaties en andere annotaties en de artikelsgewijze toelichting. Het besluit gaat verder vergezeld van voorliggende motivering.

Ten tijde van de vaststelling van deze wijziging heeft het Omgevingsplan gemeente Brunssum nog geen basisstructuur. De regels zullen daarom een tijdelijke plaats krijgen in het Omgevingsplan met het doel om de ontwikkeling van de basisstructuur niet te belemmeren. Gelet hierop zullen de regels worden toegevoegd aan hoofdstuk 21 van het Omgevingsplan gemeente Brunssum. Hoofdstuk 21 kan dienen als ‘verzamelhoofdstuk’ voor ontwikkelingen en andere regels die een plaats moeten krijgen in het Omgevingsplan gemeente Brunssum alvorens de basisstructuur gereed is.

2.4 Artikelsgewijze toelichting op de beoogde wijziging van het omgevingsplan

2.4.1 Toepassingsbereik (artikel 21.1)

Dit artikel regelt dat de regels in deze afdeling alleen van toepassing zijn op het gebruik van een gebouw op een bedrijventerrein voor opslag. Hiermee is de reikwijdte van de regels in deze afdeling beperkt tot opslag van goederen in gebouwen op bedrijventerreinen. Voor overige activiteiten die plaatsvinden in gebouwen op bedrijventerreinen blijft het planologisch regime uit de geldende bestemmingsplannen en de beheersverordening die deel uitmaken van het tijdelijke deel van toepassing.

2.4.2 Normadressaat (artikel 21.2)

Uit dit artikel blijkt dat degene die de activiteit verricht of laat verrichten ook degene is die moet zorgen voor naleving van de daaraan verbonden regels. Gelet op de aard en strekking van de inhoudelijke regels is dit artikel met name van belang voor de handhaving van het verbod zoals opgenomen in artikel 21.3. Mocht sprake zijn van verhuur van gebouwen voor opslag, kan gelet op de strekking van dit artikel zowel de huurder als de eigenaar/verhuurder worden aangesproken op de naleving van het verbod zoals opgenomen in artikel 21.3.

2.4.3 Omgevingsvergunningplicht gebruik gebouw voor opslag (artikel 21.3)

In artikel 21.3 is het verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een gebouw te gebruiken voor opslag. Dit verbod heeft betrekking op ruimtes die hoofdzakelijk worden gebruikt voor goederen neer te leggen c.q. te bergen voor het bewaren ervan of voor later gebruik. Dat gebruik van een gebouw is door dit verbod niet meer mogelijk zonder een voorafgaande beoordeling door het bevoegd gezag. In het derde lid van dit artikel is een uitzondering opgenomen voor feitelijk bestaand en legaal gebruik van gebouwen op bedrijventerreinen voor opslag. Legaal wil zeggen dat dat is toegestaan op basis van het op dat moment geldende, of dat dit is toegestaan op basis van een verleende omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan. Daarbij is van belang dat voorafgaand aan de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan een voorbereidingsbesluit is genomen op 27 mei 2025. In dat voorbereidingsbesluit is ook al een vergunningplicht opgenomen voor het gebruik van gebouwen voor opslag. Daarom zullen de uitzonderingen als genoemd in het derde lid veelal moeten gaan om een gebruik dat vóór 27 mei 2025 is begonnen of dat is toegelaten op basis van een omgevingsvergunning die is verleend op basis van het voorbereidingsbesluit.

Verder borgt dit artikel ook de juridische positie van deze wijziging ten opzichte van de rest van de rest van het Omgevingsplan gemeente Brunssum. In het eerste en tweede lid is namelijk een voorrangsbepaling opgenomen. Met deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum is niet beoogd om de overige regels met betrekking tot het gebruik – dat niet ziet op het gebruik van een gebouw voor opslag - en het bouwen van gebouwen en bouwwerken op bedrijventerreinen te wijzigen. Aangezien het gelet op artikel 22.6, eerste lid Omgevingswet niet mogelijk is om een deel van de geldende regels uit het tijdelijke deel op een locatie te laten vervallen, is gewerkt met een voorrangsbepaling. Op deze wijze wordt voorkomen dat de regels uit bestemmingsplannen en de beheersverordening gewijzigd moeten worden en blijven de overige regels die niet zien op het gebruik van een gebouw voor opslag van toepassing. In het tweede lid is voorzien van een specifieke bepaling die verwijst naar de artikelen waarop in afwijking van die regels het verbod, om zonder omgevingsvergunning gebouwen te gebruiken voor opslag, van toepassing is. Deze specifieke verwijzing zorgt ervoor dat er geen onduidelijkheden ontstaan over op welke artikelen uit de bestemmingsplannen en de beheersverordening de omgevingsvergunningplicht vóór gaat.

2.4.4 Uitzonderingen vergunningplicht (artikel 21.4)

In dit artikel is voorzien in een uitzondering op de omgevingsvergunningplicht. De opslagunits en garageboxen die verhuurd en verkocht worden aan verschillende partijen zijn veelal niet groter dan 250 m². In de praktijk worden grotere opslagruimtes dan 250 m² niet gebruikt voor dergelijk verhuur en verkoop, maar voor andere soorten bedrijfsactiviteiten. Om de laatstgenoemde categorie van bedrijfsactiviteiten niet te belemmeren, is bepaald dat gebouwen met een oppervlakte van meer dan 250 m² zonder omgevingsvergunningplicht als opslagruimte mogen worden gebruikt. Verder is de uitzondering opgenomen om opslag die inherent is aan bedrijfsvoering die niet hoofdzakelijk is gericht op het verhuren of verkopen van opslagruimtes, mogelijk te houden. Hierbij is de opslag die inherent is aan de bedrijfsvoering niet gekoppeld aan een oppervlakte, waardoor deze uitzondering ook geldt bij kleinere opslagruimtes. Voorbeelden van opslag die inherent is aan de bedrijfsvoering zijn: opslag van voorraden grondstoffen, halffabricaten of eindproducten bij productiebedrijven of groothandelsbedrijven.

2.4.5 Beoordelingsregels (artikel 21.5)

De in artikel 21.5 opgenomen beoordelingsregels zijn opgenomen om de inpasbaarheid van opslagunits en garageboxen in de omgeving te kunnen beoordelen. De regels voorzien in een beoordelingskader dat beoogt te waarborgen dat het doel van het verminderen van de druk op het ruimtegebruik en het tegengaan van criminaliteit wordt bereikt. Met betrekking tot de druk op het ruimtegebruik is van belang dat bezien moet worden of er ten tijde van de aanvraag om opslagunits en/of garageboxen op een bedrijventerrein te realiseren, geen andere plaatsen in de gemeente beschikbaar zijn gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Voor het aspect criminaliteit geldt dat de activiteit niet mag leiden tot onevenredig nadelige gevolgen voor de leefbaarheid en de sociale veiligheid in de omgeving. In het tweede lid is nader gespecificeerd hoe deze beoordeling dient plaats te vinden. Het zijn beoordelingskaders die ‘in ieder geval’ gebruikt moeten worden bij de beoordeling van de leefbaarheid en sociale veiligheid. Daarbij kan onder meer gebruik worden gemaakt van de Veiligheidsmonitor van het CBS en de Leefbaarometer. Het gebruik van andere beschikbare informatiebronnen is eveneens toegestaan, aangezien de genoemde bronnen niet limitatief zijn. Hierdoor kunnen toekomstige bronnen worden gebruikt. Daarnaast wordt beoordeeld of er aanwezige of voorgenomen maatregelen aanwezig zijn om de leefbaarheid en veiligheid te bevorderen.

Voorts is in de voorbeschermingsregels bepaald dat bij de beoordeling moet worden betrokken wat de mate van beheer en toezicht op een bedrijventerrein is, en wat de mate van samenwerking tussen bedrijven op een bedrijventerrein is. De achterliggende gedachte hierbij is dat een grotere mate van samenwerking op een bedrijventerrein leidt tot meer sociale controle en toezicht op de omgeving. In het verlengde daarvan wordt ook beoordeeld in hoeverre andere aspecten en maatregelen zijn of worden getroffen door de aanvrager om te kunnen onderbouwen dat de aangevraagde activiteit voor het in gebruik van gebouwen als opslagunits, niet leidt tot onevenredige nadelige gevolgen voor de leefbaarheid en veiligheid. Daarbij kan worden gedacht aan maatregelen voor wat betreft de inrichting van het terrein, de wijze waarop toegangscontrole plaatsvindt, of sprake is van (camera)toezicht, of bijvoorbeeld wordt gewerkt met deels doorzichtige rolpoorten of -hekken, etc.

Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze door provincie Limburg wordt aan de beoordelingsregels toegevoegd dat ten minste 70% van de netto hectaren op het bedrijventerrein beschikbaar blijft voor bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 3, 4, 5 en 6 en dat aanwezige bedrijven door de bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 1 en 2 niet onevenredig worden beperkt in hun bestaande bedrijfsvoering.

Op deze wijze worden de beoordelingsregels in lijn gebracht met het provinciale beleid.

2.4.6 Aanvraagvereisten (artikel 21.6)

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning om gebouwen te gebruiken voor opslag moeten dezelfde gegevens en bescheiden worden verstrekt als genoemd in artikel 22.286 van het Omgevingsplan gemeente Brunssum. Verder moet een motivering worden verstrekt waaruit blijkt dat er geen nadelige gevolgen voor de leefbaarheid en sociale veiligheid in de omgeving ontstaan als gevolg van de te realiseren opslagunits en garageboxen. In de motivering kan dan worden ingegaan op de aspecten als genoemd in het tweede lid van artikel 21.5, aangezien het bevoegd gezag aan deze aspecten zal toetsen.

2.4.7 Vergunningvoorschriften (artikel 21.7)

Artikel 21.7 bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden kunnen worden gelet op het belang dat er geen onevenredige nadelige gevolgen voor de leefbaarheid en sociale veiligheid in de omgeving door de aangevraagde activiteit ontstaat. De voorschriften kunnen dus geen betrekking hebben op de ruimtedruk op bedrijventerreinen. In de voorschriften kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de te treffen maatregelen om de leefbaarheid en sociale veiligheid in de omgeving te waarborgen.

3 Beleid en instructies

3.1 Inleiding

Gemeenten zijn in beginsel vrij om hun omgevingsplan vorm en inhoud te geven, zolang de daarin opgenomen regels maar voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met beleid van de Rijksoverheid en de provincie. Indien het Rijk van oordeel is dat gemeenten een nationaal belang alleen niet doelmatig en doeltreffend kunnen behartigen, dan wel wanneer internationaalrechtelijk verplichtingen daarom om vragen, kan het Rijk instructieregels vaststellen om die belangen goed te kunnen laten meewegen dan wel in acht te laten nemen door gemeenten bij een wijziging van het omgevingsplan. Deze instructieregels zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Provinciale Staten hebben een soortgelijke bevoegdheid in relatie tot provinciale belangen en kunnen instructieregels opnemen in de Omgevingsverordening Limburg. Naast de algemene instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Rijk) en Omgevingsverordening Limburg (Provincie), die zijn bedoeld voor herhaalde toepassing, kunnen ook eenmalige instructies worden gegeven aan gemeenten.

Daarnaast is een gemeente gebonden aan haar eigen gemeentelijk beleid en aan regionaal voorbereid beleid dat door de betreffende gemeente is vastgesteld. Hierna wordt kort ingegaan op het relevante beleid en relevante instructieregels en instructies vanuit het Rijk en de Provincie Limburg. Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan kan dat in beknopte vorm.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zaak goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI is vooralsnog vastgesteld als structuurvisie, maar heeft straks de status van omgevingsvisie onder de Omgevingswet.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn:

  • De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit.

  • Het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie

  • Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden.

  • Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen.

Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.

NOVI.jpg

In het NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes:

  • a.

    Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

  • b.

    Duurzaam economisch groeipotentieel

  • c.

    Sterke en gezonde steden en regio's

  • d.

    Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Toepassing en conclusie

Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan en het schaal- en abstractieniveau van de NOVI zijn er geen directe raakvlakken tussen deze wijziging van het omgevingsplan en de NOVI. In algemene zin kan worden opgemerkt dat deze wijziging bijdraagt aan de doelstelling om bij ontwikkelingen slim gebruik te maken van de bestaande eigenschappen in een gebied. De ruimte voor nieuwe ontwikkelingen in Nederland is beperkt. Daarom geldt als uitgangspunt dat eerst wordt bezien of een ontwikkeling kan plaatsvinden op inbreidingslocaties waar de betreffende functie – in dit geval bedrijfsfuncties – reeds dominant aanwezig is. Om ruimte voor inbreiding op de bedrijventerreinen te behouden voor andere vormen van bedrijvigheid die zijn aangewezen op dergelijke terreinen, is opslag in de vorm van garageboxen en opslagunits op bedrijventerreinen in beginsel niet meer wenselijk. Met deze wijziging wordt bereikt dat beter sturing kan worden gegeven op deze vorm van gebruik van bedrijfsgebouwen op bedrijventerreinen.

3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Rijk kan met het oog op nationale belangen en die belangen die niet op een doelmatige en doeltreffende manier door het gemeentebestuur kunnen worden behartigd instructieregels stellen over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeentebesturen. Bij het wijzigen van het gemeentelijk omgevingsplan – zoals hier aan de orde – gelden instructieregels als opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen, waarbij is aangegeven in hoeverre ze relevant zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan, gelet op de aard en strekking van de beoogde wijziging van het omgevingsplan.

Rijk.jpg

Toepassing en conclusie

Gezien het voorgaande zijn de in het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregels niet van invloed op de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan en vormen de instructieregels geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan. Ook is geen sprake van instructies van het Rijk aan de gemeente Brunssum die van invloed zijn op deze wijziging van het omgevingsplan.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de instructieregel ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ uit artikel 5.129g Bkl niet van toepassing is voor deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Brunssum, omdat deze wijziging niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Wel draagt deze wijziging bij aan het doel van art. 5.129g Bkl om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De Ladder voor duurzame verstedelijking is bedoeld om gemeentelijke bestuursorganen bij ontwikkelingen bewust keuzes te laten maken op basis van de maatschappelijke behoefte. Met deze wijziging wordt gekozen om ruimte te geven aan de behoefte van bedrijven aan voldoende ontwikkelmogelijkheden op bedrijventerreinen. Met het oog op zorgvuldige ruimtegebruik is het van belang dat het bevoegd gezag meer ‘grip’ kan uitoefenen op het toelaten van opslagunits en garageboxen op bedrijventerreinen. In de praktijk is gebleken dat er een groei is ontstaan van dergelijk gebruik op bedrijventerreinen terwijl deze ruimte hard nodig is voor bedrijven die afhankelijk zijn van een plaats op een bedrijventerrein. Op bedrijventerreinen is namelijk een hogere milieubelasting van bedrijven op de omgeving toelaatbaar die elders niet mogelijk is.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Limburg

In de op 1 oktober 2021 vastgestelde Omgevingsvisie geeft de provincie Limburg haar lange termijnvisie (2030-2050). De visie heeft betrekking op onderwerpen waarvoor de Provincie wettelijk verantwoordelijk is, maar ook onderwerpen die van groot (provinciaal) belang zijn voor onze provincie. Overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap staat daarbij voorop, net als waarden als kwaliteit en geluk en met aandacht voor alle stakeholders en de samenleving als geheel. De visie bestaat uit een thematisch deel, met thema's als Wonen & Leefomgeving, Economie, Mobiliteit, Land- en tuinbouw en Veiligheid en gezondheid, maar ook uit een gebiedsgericht deel, met een eigen visie voor Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

De provincie onderscheidt in haar visie drie hoofdopgaven:

  • a.

    een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als landelijk gebied;

  • b.

    een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);

  • c.

    klimaatadaptatie en energietransitie.

De provincie ziet Limburg in 2050 stevig ingebed in euregionaal verband, via goed verknoopte infrastructuren, door sociale en economische banden en door bestuurlijke samenwerking. Het is er goed leven, leren, wonen en werken, vanwege een goed vestigingsklimaat, de sterke sociale cohesie en de uitstekende omgevingskwaliteiten. Dit met welvaart, welzijn en een gezonde, leefbare en veilige leefomgeving voor alle inwoners. Om dat te bereiken is niet alleen de provincie zelf aan zet, maar ook andere overheden, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven én inwoners. Samen en ieder vanuit zijn eigen kracht.

Het maken van afwegingen omtrent het benutten van ruimte gebeurt aan de hand van de zogenoemde Limburgse principes. Daarbij gaat het om:

  • Het nastreven van een inclusieve, gezonde en veilige samenleving, waarbij de inrichting en ontsluiting van gebieden uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijke betrokkenheid.

  • Het centraal stellen van de kenmerken en identiteit van gebieden. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers. Er is dus ruimte voor maatwerk.

  • Meer stad, meer land. We koesteren de variatie in gebieden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en dorpen. Landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden ontwikkeld.

  • Zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. We zetten in op een sociaaleconomische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar de volgende generaties. In onze afwegingen betrekken we naast de impact op mens, economie en welvaart ook de impact op de omgeving en het milieu. We streven naar functiecombinaties en benutten bestaande functies optimaal.

  • Procesmatige uitgangspunten voor de beoogde uitvoering en samenwerking met betrokken partners:

    • 1.

      maatschappelijke opgaven en kansen centraal stellen;

    • 2.

      (grensoverschrijdende) samenwerking, participatie en eigenaarschap;

    • 3.

      gebiedsgericht werken;

    • 4.

      adaptief werken;

    • 5.

      als één overheid werken.

Thema werklocaties

De Provincie Limburg heeft de ambitie om voldoende ruimte en kwalitatieve huisvesting voor bedrijven beschikbaar te stellen. Daarbij is het van belang dat de kwaliteit van bedrijventerreinen gewaarborgd blijft. Een aantal bedrijventerreinen in Limburg is namelijk verouderd en heeft last van leegstaande gebouwen. Dit soort plekken zijn ook gevoelig voor criminele activiteiten. Er zijn niet altijd voldoende middelen beschikbaar om de kwaliteit van bedrijventerreinen op peil te houden. Ook zijn er verbeteringen nodig tussen de samenwerking van bedrijven en overheid om bedrijventerreinen te onderhouden.

Bovenstaande ambitie vraagt om een zo efficiënt mogelijk ruimtegebruik op bedrijventerreinen. Als eerste moet voor de ruimtevraag op bedrijventerreinen worden aangetoond dat er behoefte is aan een ontwikkeling. Vervolgens is de eerst aangewezen plek voor ontwikkelingen van bedrijven de bestaande ruimte op bedrijventerreinen. De werklocaties dienen zo compact mogelijk te worden ingericht. Pas als dit niet mogelijk is, kunnen mogelijkheden worden verkend voor uitbreidingslocaties. Deze voorkeursvolgorde is in lijn met de bovengenoemde Limburgse principes ‘meer stad, meer land’ en ‘zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden’.

Regiovisie Zuid-Limburg

In Zuid-Limburg wordt voor de opgave en ambities met betrekking tot de ruimtelijke economie aangesloten bij bovenstaande thema ‘werklocaties’. Hier wordt nogmaals benadrukt dat zo efficiënt mogelijk gebruik moet worden gemaakt van bestaande locaties. Dit kan onder andere worden bereikt door herbestemming van het gebruik op bestaande locaties en het terugdringen van ongewenste planvoorraad.

Toepassing en conclusie

Uit de geldende provinciale omgevingsvisie volgt dat de druk op de ruimte in bedrijventerreinen gereguleerd dient te worden. Dat vraagt om 'regie' over de invulling en herbestemming van gebouwen op bedrijventerreinen. Dit dient plaats te vinden met het oog op het optimaliseren van de kwaliteit van bedrijventerreinen. Deze wijziging levert een belangrijke bijdrage aan de genoemde ambities van Provincie Limburg. Het zorgt ervoor dat de ruimte op bedrijventerreinen efficiënt benut kan worden, zodat er ruimte ontstaat voor andere ontwikkelingen op bedrijventerreinen. Deze ontwikkelingen zijn niet alleen afhankelijk van de ruimte op bedrijventerreinen vanwege de milieubelasting, maar dienen ook rekening te houden met de voorkeursvolgorde en het uitgangspunt dat werklocaties zo compact mogelijk moeten worden ingericht. Al deze factoren maken dat het beperken van de mogelijkheden om gebouwen op bedrijventerreinen alleen te gebruiken voor opslag, nodig zijn. Dit gebruik levert immers een belemmering op om de benodigde ruimte te bieden aan ontwikkelmogelijkheden van bedrijven die met bovenstaande aspecten rekening moeten houden. Daarnaast is het voeren van meer regie op opslagunits en garageboxen nodig met het oog op het optimaliseren van de kwaliteit van bedrijventerreinen. Zoals aangegeven is in de praktijk gebleken dat illegaal gebruik van opslagunits en garageboxen een probleem is geworden. Dit heeft uiteraard een negatief effect op de kwaliteit en leidt tot verloedering van de omgeving.

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg

De Provincie Limburg heeft met het oog op provinciale belangen instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Die instructieregels zijn deels gericht aan het Waterschap Limburg en deels aan gemeenten. Hierna is een overzicht opgenomen van de instructieregels die voor gemeenten zijn opgenomen en daarbij is aangegeven of ze relevant (kunnen) zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan.

Provincie1.jpg
Provincie2.jpg

Toepassing en conclusie

Gezien het voorgaande zijn de in de Omgevingsverordening Limburg opgenomen instructieregels niet van invloed op de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan en vormen de instructieregels geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan. Er worden namelijk geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, er worden juist activiteiten die vooralsnog 'bij recht' zijn toegelaten slechts nog toegestaan wanneer daarvoor vergunning is gevraagd en verkregen.

Er is overigens geen sprake van instructies van de Provincie Limburg aan de gemeente Brunssum die van invloed zijn op deze wijziging van het omgevingsplan.

Inmiddels is de ontwerp omgevingsverordening Limburg in procedure gebracht en is door Gedeputeerde Staten een voorstel aan Provinciale Staten voorbereid tot vaststelling van de nieuwe omgevingsverordening. In de nieuwe omgevingsverordening is het beleid om op bedrijventerreinen bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 zoveel mogelijk te beperken. Dit is relevant om bedrijven in zwaardere milieucategorieën, die niet passen in de woonomgeving, ruimte te bieden. Daarom zijn in de regels twee extra beoordelingsregels toegevoegd (nader beschreven in paragraaf 2.4.5 van deze motivering).

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg

Op 13 december 2017 heeft gemeente Brunssum de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg vastgesteld. Deze visie is gezamenlijk opgesteld met 18 andere gemeenten in Zuid-Limburg. De structuurvisie is heeft als doel ruimte te creëren voor nieuwe initiatieven die van toegevoegde waarde zijn en het behoud van de leefbaarheid en vestigingsklimaat op bedrijventerreinen. Een ontwikkeling is alleen toelaatbaar als hier behoefte aan is. Bij het toelaten van nieuwe initiatieven ligt de focus op de bestaande voorraad en het zoveel mogelijk clusteren van ontwikkelingen. Daarnaast ligt de focus op het toevoegen van kwalitatieve verbeteringen. Net zoals dat is vastgelegd in de huidige Omgevingsvisie Limburg wordt ingezet op het ‘door middel van herbestemming bijdragen aan verbetering van het gebruik en de functionaliteit van de bestaande locatie (kavel, pand, gebied).’

De structuurvisie geeft een specifieke visie op de bedrijventerreinenmarkt weer. Er wordt ingezet op een optimale benutting van de bedrijventerreinen, zonder toename van het areaal en de plancapaciteit. Hiervoor is kwaliteitsverbetering van de bedrijventerreinen benodigd. Kwaliteitsverbetering valt uiteen in duurzaam beheer, optimale inpassing in de omgeving, efficiënt ruimtegebruik en een goede bereikbaarheid.

Met betrekking tot de inrichting en beheer van bedrijventerrein is van belang dat terughoudend moet worden omgegaan met functies die bij voorkeur in het stedelijk gebied of centrum thuishoren en dat de ruimte zorgvuldig en duurzaam gebruikt moet worden.

Toepassing en conclusie

Deze wijziging van het omgevingsplan wordt vastgesteld om dezelfde redenen als de doelstelling die de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg heeft. Zoals aangegeven is deze wijziging bedoeld om de druk op de ruimte door ongewenst gebruik van opslagunits en garageboxen te reguleren. Hierdoor blijft ruimte behouden voor initiatieven die van grotere toegevoegde waarde zijn. Daarnaast zijn beoordelingsregels opgenomen met het oog op de leefbaarheid en veiligheid gelet op het mogelijke illegale gebruik van opslagunits en garageboxen. Door het mogelijk maken van een voorafgaande beoordeling op initiatieven voor het gebruik van gebouwen voor opslag, kan het bevoegd gezag beoordelen of het initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor het efficiënt ruimtegebruik. Zoals in de structuurvisie ook is bepaald, wordt daarbij beoordeeld of de opslagunits of garageboxen niet in het stedelijk gebied of centrum mogelijk zijn.

4 Sectorale aspecten

4.1 Inleiding

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is van belang de gevolgen van de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving te beoordelen. Die aspecten komen hierna aan de orde. Gelet op de aard en de strekking van deze beoogde wijziging van het omgevingsplan, die geen ruimte biedt voor nieuwe activiteiten maar juist bepaalde activiteiten beperkt in de gebruiksmogelijkheden, kan op voorhand worden gesteld dat die gevolgen beperkt zijn en daarom slechts kort worden beschreven.

4.2 Milieuaspecten

Voor een belangrijk deel van de in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor de relevante milieuaspecten geldt dat instructieregels vanuit het Rijk en/of provincie aan de orde zijn aan de hand waarvan die beoordeling dient plaats te vinden. Zoals reeds blijkt uit Hoofdstuk 3 van deze motivering zijn die instructieregels niet relevant voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan. Er wordt immers niet voorzien in het toelaten van nieuwe milieuhinderlijke of milieugevoelige activiteiten, maar in het in beginsel uitsluiten van bepaalde activiteiten door ze slechts na het verkrijgen van een vergunning toe te staan. In algemene zin kan wel worden opgemerkt dat als gevolg van deze wijziging van het omgevingsplan een bijdrage wordt geleverd aan het bieden van ruimte voor bedrijven met een zwaardere milieucategorie op bedrijventerreinen. Dit draagt bij aan het behoudt van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor deze bedrijven is namelijk beperkte ruimte beschikbaar vanwege de negatieve impact op de natuur en woongebieden. Bedrijventerrein zijn al zodanig ingericht dat rekening is gehouden met die negatieve impact. Daarom is het belangrijk om zorgvuldig om te gaan met de ruimte op bedrijventerreinen.

4.3 Water

Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan zijn er geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten. Er worden immers geen nieuwe activiteiten toegelaten die daarop van invloed kunnen zijn.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie

Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan zijn er geen gevolgen voor archeologische of cultuurhistorische waarden te verwachten. Er worden immers geen nieuwe activiteiten toegelaten die daarop van invloed kunnen zijn. Bovendien blijven de regels die zien op de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden en cultuurhistorische als opgenomen in de vooralsnog geldende ruimtelijke plannen gewoon van kracht, gelet op de voorrangsregel als opgenomen in Artikel 21.3.

4.5 Natuurwaarden

Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan zijn er geen gevolgen voor natuurwaarden te verwachten. Er worden immers geen nieuwe activiteiten toegelaten die daarop van invloed kunnen zijn. Bovendien blijven de regels die zien op de bescherming van natuurwaarden als opgenomen in de vooralsnog geldende ruimtelijke plannen gewoon van kracht, gelet op de voorrangsregel als opgenomen in Artikel 21.3.

5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Het verhaal van de gemaakte plankosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Op 27 mei 2025 hebben burgemeester en wethouders van Brunssum een voorbereidingsbesluit genomen, als gevolg waarvan de mogelijkheden om gebouwen op bedrijventerreinen voor opslag te gebruiken worden ingeperkt. Als gevolg van de voorbeschermingsregels die met het voorbereidingsbesluit zijn toegevoegd aan het tijdelijk regelingdeel van het omgevingsplan, is een dergelijk gebruik verboden zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verkregen (omgevingsplanactiviteit). Er is dus geen sprake van een algeheel verbod, maar van een vergunningplicht. Die vergunningplicht wordt met deze wijziging van het omgevingsplan toegevoegd aan het omgevingsplan. Totdat deze wijziging van het omgevingsplan in werking treedt blijft het dus mogelijk een vergunning te vragen en te verkrijgen op basis van het vergunningstelsel dat is opgenomen in het voorbereidingsbesluit. Na inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan is het nog steeds mogelijk vergunning te vragen en te verkrijgen. Gezien het voorgaande en gelet op de beperkte gevolgen voor de totale planologische mogelijkheden voor de locaties waarop deze wijziging ziet, bestaat ook geen aanleiding te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het planvoornemen vanwege eventuele nadeelcompensatie.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de aard en strekking van deze wijziging van het omgevingsplan wordt geen uitgebreid participatietraject gevolgd. Het doel en de aanleiding voor deze wijziging van het omgevingsplan is eerder in deze motivering reeds beschreven en wordt mede ingegeven door de huidige beleidskaders. Het bestaand gebruik van gebouwen voor opslag kan worden voortgezet. Voor nieuwe initiatieven geldt dat geen algeheel verbod zal gelden, maar dat dit gebruik mogelijk blijft met een voorafgaande beoordeling. Hierdoor blijven de effecten van deze wijziging beperkt en zijn er geen merkbare nadelige gevolgen voor de omgeving. Gezien het voorgaande vindt ook geen onevenredige inperking plaats van de gebruiksmogelijkheden van bedrijfskavels op bedrijventerreinen.

Het ontwerpbesluit heeft vanaf 28 mei 2026 t/m 8 juli 2026 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen ten aanzien van de beoogde wijziging van het omgevingsplan. Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend. De inhoud van de zienswijze en het gemeentelijke standpunt daaromtrent is weergegeven in de Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen die onderdeel uitmaakt van het vastgestelde wijzigingsbesluit. De zienswijze heeft geleid tot enkele aanpassingen in de beoordelingsregels. Tegen de vaststelling van het wijzigingsbesluit staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Naar boven