Gemeenteblad van Baarn
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Baarn | Gemeenteblad 2026, 47195 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Baarn | Gemeenteblad 2026, 47195 | beleidsregel |
Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 gemeente Baarn
Artikel 2. Aard van de bijzondere bijstand
Bijzondere bijstand wordt verstrekt als bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden
tot noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin het inkomen niet voorziet, die niet gedekt
worden door voorliggende voorzieningen, die niet uit de draagkracht kunnen worden voldaan; en er geen sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Artikel 4. Vaststellen van de draagkracht
De compensatie die slachtoffers van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, wordt niet meegerekend als inkomen of vermogen voor bijzondere bijstand in het jaar van ontvangst. Deze vrijstelling geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2028, zolang de compensatie nog niet is besteed. Aankopen van beleggingen en crypto’s worden als besteding gezien. Alle inkomsten uit de compensatie worden wel als middelen beschouwd bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 3. Bijzondere vergoeding
Artikel 13. Tegemoetkoming Woonkosten
Wanneer een belanghebbende een huurwoning heeft met hoge woonkosten, kan het college op grond van individuele omstandigheden, bijzondere bijstand verlenen. Dit kan als belanghebbende geen of onvoldoende aanspraak kan maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag en de belanghebbende de kosten geheel of gedeeltelijk niet meer zelf kan betalen als gevolg van:
De toekenning van de tegemoetkoming kan worden verlengd wanneer daar aanleiding voor is, gezien de omstandigheden van de aanvrager en als de belanghebbende voldoende en concrete activiteiten heeft verricht ter verkrijging van goedkopere huisvesting en naar vermogen heeft getracht het inkomen te vergroten maar dit nog niet is gelukt. De verlengingstermijn wordt in redelijkheid vastgesteld afhankelijk van de individuele situatie en de situatie op de woningmarkt.
De hoogte van de tegemoetkoming woonkosten voor de kosten voor huren, is gelijk aan de maximale huurtoeslag, die de belanghebbende had kunnen ontvangen als de huurprijs lager dan de huurgrens was geweest, plus de woonlasten boven de huurgrens. Hierbij wordt uitgegaan van een maximaal bedrag aan bijstand dat verantwoord is binnen het oogpunt van bijstandsverlening.
Artikel 14. Reiskosten Inburgeringsplichtigen
In afwijking van lid 3 wordt, indien de reis vanwege gezondheidsredenen van de aanvrager niet met het openbaar vervoer afgelegd kan worden, de vergoeding vastgesteld op basis van het aantal kilometers volgens de kortste route per eigen vervoer. Dit bedrag is gelijk aan de onbelaste reiskostenvergoeding van de Belastingdienst.
Artikel 15 Tegemoetkoming kosten Kinderopvang
Het college verstrekt aan de ouder woonachtig in Baarn, een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvangtoeslag. Alvorens bijstand toe te kennen wordt onderzocht of gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening; te denken valt aan kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie (smi) of VVE.
De ouder die in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvangtoeslag, wordt als volgt aangemerkt:
Een ouder met een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), die een gemeentelijk traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, als bedoeld in artikel 1.6 lid c van de Wet kinderopvang en die kosten voor kinderopvang maakt.
Een ouder met een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), die een verplichte inburgeringscursus op grond van artikel 3 van de Wet inburgering 2021 volgt en die kosten voor kinderopvang maakt.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn overwegen dat het wenselijk is regels vast te
stellen voor verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en
Gelet op artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 15, 35, 48, 49, 50, 51 en
57 van de Participatiewet en de Integrale Visie Sociaal Domein (Baarnvitaal) Gemeente Baarn 2025-2029
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering 20-01- 2026 van het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Baarn.
Burgemeester en wethouder van Baarn
De secretaries,
De burgemeester
Het recht op bijzondere bijstand is vastgelegd in artikel 35 van de Participatiewet in balans. Voor de verstrekking van bijzondere bijstand is het niet noodzakelijk dat de belanghebbende algemene bijstand ontvangt. Bijzondere bijstand is mogelijk als het inkomen niet toereikend is om bepaalde, uit bijzondere
omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te voldoen.
Bij de ontwikkeling van het bijzondere bijstandsbeleid spelen daarom deze uitgangspunten een rol.
Niet in strijd met Rijks inkomensbeleid
Bij het verlenen van bijzondere bijstand blijft het uitgangspunt dat de verstrekking niet strijdig mag zijn
met het Rijks inkomensbeleid. Algemene bijstand zou toereikend moeten zijn voor voedsel en
onderdak. Buitenwettelijk begunstigend beleid is gedoogd.
Geen bijstand voor niet noodzakelijke kosten.
Artikel 14 PW somt een aantal posten op, die in elk geval niet worden gerekend tot de noodzakelijke
kosten van het bestaan. Bijstandsverlening is dan niet mogelijk. Het gaat hier onder meer om
alimentatieverplichtingen, geleden of toegebrachte schade en de betaling van een boete.
Het bijzondere bijstandsbeleid moet betaalbaar, laagdrempelig en efficiënt zijn.
Met ingang van 2004 zijn gemeenten volledig financieel verantwoordelijk voor de bijstand.
Binnen de wettelijke mogelijkheden moet het bijzondere bijstandsbeleid het huidige niveau behouden.
Het indienen van een aanvraag moet eenvoudig en laagdrempelig zijn.
Naast bovengenoemde uitgangspunten geldt uiteraard het individualiseringsprincipe. Dit is geregeld in artikel 18 lid 1 van de Participatiewet in balans. Dit betekent dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen dient af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Voor de komst van de Participatiewet (PW) was zowel individuele bijzondere bijstand mogelijk als categoriale bijzondere bijstand, waarbij er van uit werd gegaan dat een bepaalde groep bijzondere bijstand nodig had. Met de komst van de PW zijn nagenoeg alle categoriale regelingen afgeschaft en waar nodig omgezet in verstrekkingen op basis van individuele bijzondere bijstand.
Categoriaal verstrekken van bijzondere bijstand kan alleen in de vorm van:
een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn;
een individuele inkomenstoeslag aan groepen is ook mogelijk, mits vastgelegd in een verordening;
maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten aan groepen conform artikel 57 van de wet, mits er een individuele toetsing is.
De uitvoering van de bijzondere bijstand is gedelegeerd aan Uitvoeringsorganisatie Eemkracht door de gemeenten Baarn, Bunschoten en Baarn. Zij kunnen, met in achtneming van deze beleidsregels, uitvoeringsregels opstellen. De uitvoeringsregels geven richtlijnen over hoe te handelen in specifieke situaties die niet in de beleidsregels staan beschreven.
De categoriale minimaregelingen zijn niet in deze beleidsregels opgenomen en worden apart door het
college of de gemeenteraad vastgesteld.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Er wordt voor wat betreft het begrippenkader en de achterliggende ideeën zoveel mogelijk aangesloten bij de Participatiewet in balans. Dit vereenvoudigt de uitvoering.
Een uitzondering geldt voor het begrip bijstandsnorm. Bij dit begrip, zoals gebruikt in deze beleidsregel, is ervoor gekozen geen rekening te houden met de kostendelersnorm. De reden hiervoor is dat een belanghebbende de bijzondere kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, niet kan delen. De kostendelersnormen zijn bedoeld om optredende schaalvoordelen met betrekking tot de bestaanskosten te verrekenen, niet tot individuele bijzondere kosten.
Artikel 2. Aard van de bijzondere bijstand
Binnen de wet speelt het individualiseringsbeginsel vastgelegd in artikel 18 een belangrijke rol. Bijzondere bijstand kan toegekend worden als bijzondere omstandigheden in een individueel geval leiden tot extra kosten van het bestaan, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.
De bijzondere bijstand moet in beginsel worden aangevraagd voordat de kosten zijn gemaakt, bijvoorbeeld door het inleveren van een pro-forma nota. In veel gevallen is het anders niet mogelijk om objectief de noodzaak vast te stellen.
Is een aanvraag voordat de kosten gemaakt zijn, niet mogelijk, dan moet hier echter niet te rigide mee worden omgegaan. In de aard van de bijzondere omstandigheden kan immers besloten liggen dat het niet goed mogelijk is een aanvraag in te dienen voordat de kosten opkomen. In die situaties moet de aanvraag worden ingediend zo kort mogelijk nadat de kosten zijn gemaakt. Dit is om te voorkomen dat kosten van langere tijd geleden nog worden aangevraagd. In deze gevallen zou je je kunnen afvragen of het inkomen echt niet toereikend was en of kosten echt noodzakelijk waren.
Artikel 35, lid 2 van de wet bepaalt dat het college een drempelbedrag kan hanteren. Van deze bevoegdheid maakt het college geen gebruik. Het college vindt dat een minimuminkomen in beginsel geen ruimte geeft om zelf een deel van de bijzondere kosten te betalen.
Om te voorkomen dat de uitvoering daardoor wordt belast met grote aantallen aanvragen voor kleine bedragen, is lid 3 en lid 4 opgesteld. Voor bijzondere kosten die per kostenpost minder dan € 100,00 bedragen maar tezamen meer bedragen dan € 100,00, moet de aanvraag om bijzondere bijstand worden ingediend binnen twaalf maanden nadat de oudste kosten zijn gemaakt en het totaal van de kosten meer dan € 100,00 is gaan bedragen. Voor bijzondere kosten die in een periode van twaalf maanden nog steeds minder dan € 100,00 bedragen, moet de aanvraag worden ingediend één maand na afloop van die twaalf maanden.
Is de aanvraag niet tijdige ingediend, dan kan dit een reden zijn om de kosten niet meer te vergoeden. Zeker als inmiddels in de kosten is voorzien. Opgemerkt zij, dat de mogelijkheid om hierin te individualiseren natuurlijk aanwezig blijft. Te denken valt dan aan het tijdsverloop, de reden voor de te late indiening, de verwijtbaarheid, of toereikend inkomen en de noodzaak nog vast te stellen is en dergelijke vragen.
Artikel 4. Vaststellen van de draagkracht
Op grond van artikel 35 van de wet heeft het college in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid bij de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Bij verlening van bijzondere bijstand moet derhalve gekeken worden naar de financiële positie van de belanghebbende. Hoe ruimer deze positie is, des te meer mogelijkheden zijn er voor de belanghebbende om zelf te voorzien in de noodzakelijke uitgaven voor bijzondere kosten.
Bij de beoordeling van die financiële positie speelt in het algemeen zowel het vermogen als het
inkomen een rol. Voor het vaststellen van het inkomen, wordt aansluiting gezocht bij de van toepassing zijnde bijstandsnorm als beschreven in artikelen 19 tot en met 33, met uitzondering van de kostendelersnorm. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1.
Lid 1. Voor de vaststelling van de hoogte van het deel van het inkomen boven de bijstandsnorm, waarbij geen draagkracht aanwezig wordt geacht, wordt gekozen voor een percentage van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wel 30%. Bedraagt het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm meer dan deze grens, dan wordt 50% van dat inkomen als draagkracht in aanmerking genomen.
Lid 2. Als en zolang er sprake is van een schuldhulptraject (gemeentelijk, bij een NVVK aangesloten organisatie of WSNP) wordt er van uit gegaan dat het besteedbaar inkomen minder bedraagt dan de bijstandsnorm en zodoende de draagkracht uit het inkomen op nihil gesteld. Zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW waarin de CRvB uitspreekt dat bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, het college alleen de draagkracht kan berekenen over middelen waarover de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft. De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295 lid 2 Fw buiten de boedel worden gelaten.
Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 95% van de bijstandsnorm, betekent dit dat er in het algemeen geen draagkracht zal bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van wie een WSNP van toepassing is.
Omdat de gemeentelijke, minnelijke schuldregelingen vergelijkbaar zijn met de WSNP, wordt deze uitspraak ook gehanteerd voor belanghebbenden van wie een minnelijk schuldsaneringsregeling van toepassing is. Dit kan ook gelden voor belanghebbenden die niet een minnelijke schuldsaneringsregeling
hebben bij de gemeente maar bij een andere, bij de NVVK aangesloten, schuldhulporganisatie.
Lid 3. Op grond van een rechterlijke uitspraak CRvB 28-03-2006, nr 04/5465 dient inkomen waarop beslag ligt ook buiten een draagkrachtberekening te blijven. Belanghebbenden kunnen immers redelijkerwijs niet over deze middelen beschikken.
Lid 4. Voor sommige bijzondere kosten geldt dat 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering moet worden gebracht op de bijzondere kosten alvorens er sprake kan zijn van bijzondere bijstand voor die kosten. Deze worden in lid 4 opgesomd.
Voor jong zelfstandigen geldt dat 100% draagkracht van toepassing is op het inkomen van de ouders die onderhoudsplichtig zijn.
Lid. 5 en 6 Voor het vaststellen van vermogen, wordt aansluiting gezocht bij artikel 34 van de wet. Richtlijn daarbij is wel dat de vermogensbestanddelen te gelde gemaakt moeten kunnen worden. Ook als men een koopwoning heeft, is bijzondere bijstand mogelijk. Of de belanghebbende met vermogen gebonden in de eigen woning in aanmerking komt voor bijzondere bijstand is afhankelijk van de draagkrachtbepalingen. Als tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het vermogen gebonden in de woning met bijbehorende erf in redelijkheid niet kan worden verlangd, moet bijzondere bijstand in beginsel om niet worden verstrekt.
Lid 7 geldt uitsluitend voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire die een tegemoetkoming van circa 30.000 euro hebben ontvangen van de Belastingdienst. Deze tegemoetkoming valt niet onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. Zolang dit bedrag, of het restant daarvan, op een rekening courant of spaarrekening staat, telt het niet mee als “vermogen”. Het deel van deze tegemoetkoming dat niet is uitgegeven, wordt ook in de jaren tot en met 2028 niet tot het vermogen gerekend. Eventuele inkomsten die uit deze tegemoetkoming worden ontvangen, vallen wel onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.
De hardheidstegemoetkoming van circa 30.000 euro wordt door de Belastingdienst uitgekeerd op grond van artikelen 49 lid 1; 49a; 49b en 49c Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Door de vrijlating past de gemeente artikel 7 lid 1 sub p uit de regeling Participatiewet, IOAW, IOAZ op dezelfde manier toe bij de uitvoering van de bijzondere bijstand
Lid 8 Het kabinet wenst rekening te houden bij bijstandsverlening met de groep (oud) studenten die een terugbetaling hebben ontvangen in verband met de herziening controle uitwonende beurs. [KetenID WGK028212] De vrijlating van de schadevergoeding is voor het inkomen geregeld in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Met de Regeling van 7 november 2025 nr. 2025-0000198529, is ook een vermogensvrijlating toegevoegd aan artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Met lid 8 sluiten we met de bijzondere bijstand hierbij aan.
Lid 1 en 2 De draagkracht wordt steeds vastgesteld voor een periode van een jaar. De draagkrachtperiode begint in beginsel op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt toegekend. Dit om te voorkomen dat er bij het vaststellen van de draagkracht voor bijzondere bijstand met delen van maanden moet worden gerekend. De draagkrachtperiode kan eerder ingaan voor zover de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend.
Lid 4 Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. Richtlijn hierbij is dat een inkomens- en/of vermogensdaling die ertoe leidt dat de aanvrager recht heeft op meer bijzondere bijstand altijd tot herberekening kan leiden. Een substantiële inkomensstijging kan ertoe leiden dat de aanvrager zijn of haar recht op de bijzondere bijstand verliest. Van een substantiële inkomens- of vermogensstijging is sprake wanneer het inkomen van de aanvrager toeneemt met 20% en/of wanneer het vermogen zodanig toeneemt dat dit boven de vermogensvrijlating zoals genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet in balans uitkomt.
Lid 6 Wanneer belanghebbende periodieke kosten heeft, wordt de bijzondere bijstand per maand toegekend. Het totaalbedrag aan bijzondere bijstand waar de aanvrager recht op heeft, wordt naar rato verdeeld over het aantal maanden dat de periodieke kosten zich voordoen, met een maximum van twaalf maanden.
Artikel 6. Hoogte van de bijstand
Een van de beginselen van de Wet is de zogenaamde sluitpostfunctie. Om aan dit beginsel recht te doen, moet steeds worden uitgegaan van de goedkoopst acceptabele oplossing. Bij artikelen als een wasmachine of koelvriescombinatie, maar ook uitvaartkosten of dieetvoeding, geldt de NIBUD prijzenlijst als een richtlijn om discussie met een belanghebbende te voorkomen.
Voor medische kosten is zo’n richtlijn echter niet mogelijk.
Bij volledige (her)inrichting van een woning wordt een bedrag genomen waarvan het college veronderstelt dat het mogelijk moet zijn om van dat bedrag de woning te (her)inrichten.
Hoofdstuk 3. Bijzondere vergoeding
Artikel 7. Medische kosten en hulpmiddelen
In principe zijn de basis zorgverzekering en de voorzieningen vanuit de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning toereikend voor medische kosten en hulpmiddelen. Buitenwettelijk begunstigend beleid wordt echter gedoogd voor deze kosten. De kosten, zoals eigen bijdragen of kosten die niet vanuit de zorgverzekering worden vergoed, kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Mits er een medische noodzaak is om deze kosten te maken.
Bijzondere bijstand voor medische kosten wordt verstrekt voor standaarduitvoeringen (meest goedkope noodzakelijke oplossing) en in het algemeen om niet.
Lid 3 Voor het vragen van een medisch advies wordt een kosten-baten analyse gemaakt (kosten medisch advies ten opzichte van de gevraagde bijzondere bijstand). Bij deze afweging wordt ook gekeken of het om een incidentele kosten gaat of om structurelere kosten.
Artikel 8. Collectieve aanvullende zorgverzekering
Lid 1 Inwoners met een laag inkomen kunnen via de gemeente een collectieve zorgverzekering afsluiten.
De gemeente betaalt een tegemoetkoming in de premiekosten van de aanvullende pakketten, waardoor een betaalbare en breed dekkende voorziening voor de doelgroep wordt gecreëerd.
LId 2 Er zijn drie aanvullende pakketten beschikbaar, gebaseerd op verschillende zorgbehoeften. De gemeente mag van een belanghebbenden verwachten dat zij het pakket kiezen dat het beste aansluit bij hun zorgbehoeften. De gemeente stelt hiervoor kosteloos een vergelijkingstool beschikbaar en communiceert hier actief over naar inwoners. Dit om enerzijds oververzekering te voorkomen, anderzijds om te voorkomen dat er een te groot beroep wordt gedaan op de bijzondere bijstand voor medische kosten.
Lid 4 We gaan er van uit dat mensen zich minimaal aanvullend verzekeren vergelijkbaar met pakket 1 van de collectieve zorgverzekering. Bij aanvragen om bijzondere bijstand voor medische kosten geldt als uitgangspunt dat de inwoner een zorgverzekering heeft afgesloten die past bij zijn zorgverbruik. Dus van iemand met hoge zorgkosten verwachten we dat deze zich daar optimaal voor verzekerd. Heeft de aanvrager van bijzondere bijstand voor medische kosten een andere (of lagere of géén) aanvullende zorgverzekering afgesloten, dan worden de medisch noodzakelijke kosten de eerste keer volledig vergoed. Belanghebbende wordt erop gewezen, dat als de verwachting is dat deze kosten zich vaker voor doen, hij zich het jaar erop voor deze kosten dient te verzekeren.
Het kan voorkomen dat medische kosten onvoorzien zijn, in dat geval kan daar bijzondere bijstand voor worden aangevraagd zoals vermeld in artikel 7 van deze beleidsregels.
Artikel 9. Compensatie verplicht eigen risico zorgverzekering
De gemeente Baarn verstrekt bijzondere bijstand ter compensatie van zorgkosten die een belanghebbende gemaakt heeft binnen het wettelijk verplicht eigen risico. Voorwaarde is dat de totale zorgkosten die gemaakt zijn binnen het eigen risico meer bedragen dan € 100 per kalenderjaar. De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag van het volledige verplicht eigen risico (in 2026 is dat maximaal € 385). Bij kosten lager dan € 100 vindt er geen compensatie vanuit de bijzondere bijstand plaats. Compensatie van het verplicht eigen risico is ook van toepassing op personen die geen collectieve zorgverzekering via de gemeente hebben afgesloten.
Artikel 10. Participatie kinderen 4 tot 18 jaar
Om de participatie van kinderen te bevorderen kunnen gezinnen met een laag inkomen een beroep doen op Stichting Leergeld. Stichting Leergeld voert per 1 juli 2017 de participatieregelingen voor kinderen uit voor de gemeente Baarn. Naast Leergeld hebben we ook Jeugdfonds Sport & Cultuur. Deze helpt kinderen mee te doen aan sport en culturele activiteiten.
Gezinnen kunnen een beroep doen op Stichting Leergeld voor voorzieningen die samen hangen met
1. Naar school kunnen komen (bijv. verstrekking van een fiets voor middelbare scholieren);
2. Mee kunnen doen op school (bijv. vergoeding een computer, schoolreisjes);
3. Mee kunnen doen aan activiteiten buiten school (bijv. sport en cultuur).
Stichting Leergeld is een voorliggende voorziening. Dat wil zeggen dat een aanvraag bijzondere bijstand pas ingediend kan worden als een (noodzakelijke) voorziening niet verstrekt kan worden door Stichting Leergeld. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor die kosten die verband houden met de hiervoor genoemde 3 pijlers.
In 2019 is het wetsvoorstel aangenomen dat regelt dat kinderen in het primair en voortgezet onderwijs niet uitgesloten mogen worden van activiteiten als de ouders de vrijwillige ouderbijdragen niet kunnen betalen. Hierdoor komt deze bijdrage niet meer aanmerking voor vergoeding van st. Leergeld of de bijzondere bijstand.
Artikel 11. Jong meerderjarigen
Vanaf 1 januari 2026 kan het college de jongerennorm voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar verhogen via de algemene bijstand. (artikel 20 lid 3 en 4 Participatiwet in balans). Jongeren die in aanmerking komen voor verhoging krijgen een vast bedrag. Voor jongeren die op 31 december 2025 periodieke bijzondere bijstand ontvangen als aanvulling op de jongerennorm geldt een overgangsrecht. Het vaste bedrag is namelijk lager dan de aanvullende bijzondere bijstand en dat zou deze jongeren in de problemen kunnen brengen. Voor deze jongeren hanteren wij nog wel de aanvulling via de bijzondere bijstand tot hun 21e jaar.
Jongeren van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijven hebben geen recht op algemene bijstand (art. 13 lid 2 onder a Pw). Zij kunnen nog wel een aanvulling ontvangen vanuit de bijzondere bijstand als ouders niet kunnen bijdragen in de kosten.
Artikel 12. Alleenstaande ouder
Op het moment dat het jongste kind van een alleenstaande ouder 18 jaar wordt, ontvangt de alleenstaande geen kinderbijslag en kindgebonden budget meer voor het kind en krijgt deze een terugval in inkomen. Dit kan gecompenseerd worden door inkomen van het thuiswonende kind of ander bijzonder inkomen als beschreven in artikel 33 van de Wet. Als de terugval niet gecompenseerd wordt, kan periodieke bijzondere bijstand verleend worden voor het verschil. Hierdoor kan de alleenstaande ouder in onderhoud van het kind voorzien. Zodra de onderhoudsplicht voor de ouder vervalt, namelijk als het kind 21 jaar wordt, kan de alleenstaande ouder niet meer in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming.
Artikel 13. Tegemoetkoming Woonkosten
Kosten voor huren van een woning kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Per 1 januari 2026 komen ook huurders met een huur boven de maximale huurgrens in aanmerking voor huurtoeslag. De huurtoeslag wordt echter maar berekend over de kosten tot de maximale huurgrens.Iedereen met een laag inkomen kan vanaf 2026 huurtoeslag aanvragen, ongeacht hoe hoog de huur is. De grens blijft wel bestaan als rekenplafond: de toeslag wordt alleen berekend over de huur tot aan dat bedrag (wet op de huurtoeslag). De meerkosten bestaan dan uit het deel van de huur boven de rekenhuurgrens. In beginsel vergoeden we het deel boven de maximale rekenhuurgrens voor 100%. Overigens kunnen woonlasten in een individueel geval zo hoog zijn dat deze woonlasten vanuit het oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord zijn. In die situatie wordt er geen bijzondere bijstand verleend. Hierbij geldt de kanttekening dat het om maatwerk gaat. Het is daarbij van belang rekening te houden met de gezinssituatie. Voor een groot gezin is het lastiger om goedkopere woonruimte te vinden die geschikt is.
Artikel 14. Reiskosten Inburgeringsplichtigen
Inwoners met een bijstandsuitkering die deelnemen aan een verplicht inburgeringstraject kunnen voor reiskostenvergoeding in aanmerking komen via het Participatiebudget. Voor niet-uitkeringsgerechtigden is deze mogelijkheid er niet. Voor inburgeringsplichtigen zonder bijstandsuitkering maar met een laag inkomen is het mogelijk reiskosten via de bijzondere bijstand vergoed te krijgen als zij deelnemen aan een verplicht inburgeringstraject onder de Wet inburgering 2021. Draagkrachtregels zijn hierop van toepassing.
Als voorwaarde geldt dat de enkele reisafstand meer is dan de gebruikelijke fietsafstand en er geen andere mogelijkheid is om het inburgeringstraject te volgen bij een onderwijsinstelling binnen een straal van 10 kilometer. Onder gebruikelijke fietsafstand (zonder ondersteuning) wordt verstaan iedere fietsafstand tot 10 kilometer vanaf het woonadres.
De hoogte van de bijzondere bijstand wordt berekend op basis van de goedkoopste manier van reizen met het openbaar vervoer. Als iemand gebruik maakt van de auto, wordt maximaal 23 cent per kilometer (conform Belastingdienst) vergoed, wanneer dit goedkoper is dan de kosten van het openbaar vervoer. Als belanghebbende medisch aantoonbaar niet kan fietsen en de reisafstand bedraagt minder dan 10 kilometer kan een reiskostenvergoeding worden verstrekt mits er geen alternatieve oplossingen binnen het netwerk van belanghebbende en de gemeente te vinden zijn en afhankelijk van de medische beperking. Afhankelijk van de medische beperking en noodzaak wordt de bijzondere bijstand voor maximaal 1 jaar toegekend.
Artikel 16. Overige bijzondere vergoedingen
Er zijn meer veelvoorkomende vergoedingen die nog niet genoemd zijn in dit hoofdstuk, zoals vergoedingen voor bewindvoering en uitvaartkosten. In hoeverre deze kosten vergoed worden, beoordeelt het college in principe volgens het maatwerkprincipe van de bijzondere bijstand. Het mocht echter handig zijn om als uitvoering afspraken te maken over deze veelvoorkomende vergoedingen om willekeur te voorkomen en deze afspraken vast te leggen. Dit artikel voorziet hierin.
Artikel 17. Aflossing leenbijstand
In artikel 48 lid 2 van de Wet is bepaald wanneer het college de bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand mag verlenen. De leenbijstand wordt renteloos maandelijks afgelost door inhouding op de bijstandsuitkering of automatische overschrijving.
Om de hoogte van de aflossing te bepalen, is per 1 januari 2021 nieuwe wetgeving van kracht voor berekening van de beslagvrije voet. De oude norm van 6% is gewijzigd in 5%. Als de belanghebbende 36 maanden opeenvolgend heeft afgelost, wordt de rest kwijtgescholden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-47195.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.