Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 gemeente Baarn

Hoofdstuk 1. Begrippen

 

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven,

  • 2.

    hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht;

    • a.

      In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    • b.

      Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is;

    • c.

      Bijstandsnorm: de op de leef- en woonsituatie van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5 sub c van de wet inclusief vakantietoeslag, met de uitzondering dat de kostendelersnorm.(artikel 22a van de wet) niet van toepassing is;

    • d.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn;

    • e.

      Draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden om in de bijzondere kosten te voorzien;

    • f.

      Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld;

    • g.

      Inburgeringsplichtige: de belanghebbende die volgens artikel 3 Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig is;

    • h.

      Jong meerderjarige: belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar;

    • i.

      NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

    • j.

      Voorliggende voorziening: voorziening waarop beroep kan worden gedaan ter verwerving van inkomsten of ter bekostiging van bepaalde uitgaven;

    • k.

      Wet: Participatiewet in balans

    • l.

      Woning: een woning als bedoeld in artikel 1 onderdeel j van de Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip als bedoeld in artikel 3, lid 6 van de wet;

    • m.

      WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

    • n.

      Gedupeerde toeslagenaffaire: belanghebbende die door de belastingdienst wordt aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslag affaire of valt onder de zogenaamde Catshuisregeling.

 

Hoofdstuk 2. Basisvoorwaarden

 

 

Artikel 2. Aard van de bijzondere bijstand

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verstrekt als bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden

    tot noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin het inkomen niet voorziet, die niet gedekt

    worden door voorliggende voorzieningen, die niet uit de draagkracht kunnen worden voldaan; en er geen sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

  •  

  • 2.

    Bijzondere bijstand is maatwerk op het gebied van noodzakelijke kosten. Niet de aard van de kosten, maar de individuele omstandigheden van belanghebbenden bepalen de bijzonderheid van de kosten.

 

Artikel 3. Indienen aanvraag

  • 1.

    Bijzondere bijstand dient in beginsel te worden aangevraagd voordat de kosten worden

  • gemaakt;

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt door de gehuwden gezamenlijk aangevraagd, dan wel door één van

  • hen met schriftelijke toestemming van de ander;

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan voor kosten die minder dan € 100,00 per kostensoort bedragen ook achteraf een aanvraag voor bijzondere bijstand worden ingediend;

  • 4.

    De kosten als genoemd in het derde lid moeten worden ingediend:

    • Binnen twaalf maanden nadat de oudste kosten zijn gemaakt, indien het totaal van de rekeningen meer dan € 100,00 bedragen;

    • Binnen één maand na afloop van een periode van twaalf maanden, als het totaal van de rekeningen minder dan € 100,00 bedragen;

  • 5.

    Als een aanvraag te laat wordt ingediend, heeft de belanghebbende in beginsel geen recht

  • meer op bijzondere bijstand.

 

Artikel 4. Vaststellen van de draagkracht

  • 1.

    Als draagkracht wordt in aanmerking genomen 50% van het inkomen voor zover dit inkomen meer is dan 130% van de bijstandsnorm;

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid, wordt de draagkracht bij een belanghebbende die deelneemt aan een minnelijke schuldregeling aansluiting gezocht bij de bepaling van de draagkracht van een belanghebbende in de WSNP;

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt een belanghebbende met een inkomen waarop executoriaal beslag ligt, geacht geen draagkracht te hebben.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid, wordt als draagkracht 100% in aanmerking genomen van het inkomen voor zover dit inkomen meer is dan 100% van de bijstandsnorm als het bijzondere bijstand betreft voor:

    • a.

      De kosten van wonen;

    • b.

      De kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele;

    • c.

      De gemeentelijke belastingen en waterschapsheffingen als men niet voor kwijtschelding belastingen in aanmerking komt;

    • d.

      Tegemoetkoming kosten voor kinderopvang.

  • 5.

    Voor het vaststellen van de draagkracht in het vermogen, zoals bedoeld in artikel 35 van de wet, wordt het vermogen boven het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet in aanmerking genomen;

  • 6.

    Het vermogen in het huis en het bijbehorende erf wordt niet meegerekend. Bij het bepalen van de draagkracht wordt rekening gehouden met eventuele lagere woonlasten, gebaseerd op de basisnorm voor huurlasten.

  • 7.

    De compensatie die slachtoffers van de toeslagenaffaire hebben ontvangen op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, wordt niet meegerekend als inkomen of vermogen voor bijzondere bijstand in het jaar van ontvangst. Deze vrijstelling geldt ook voor de jaren 2022 tot en met 2028, zolang de compensatie nog niet is besteed. Aankopen van beleggingen en crypto’s worden als besteding gezien. Alle inkomsten uit de compensatie worden wel als middelen beschouwd bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.

  • 8.

    Een vermogensvrijlating geldt ook voor schadevergoedingen uitwonendenbeurs die verband houden met de herziening van de door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap genomen besluiten inzake:

    • herziening van het recht op studiefinanciering;

    • terugvordering van studiefinanciering; en

    • boete,

  • die zijn genomen op grond van de controlewerkwijze waarvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft geconstateerd dat sprake was van indirecte discriminatie.

  • 9.

    Voor de in de artikelen 9, 10 en 11 van deze beleidsregels genoemde kostensoort geldt dat er geen aanspraak gemaakt kan worden op een tegemoetkoming als er sprake is van een inkomen hoger dan 130% van de bijstandsnorm.

 

Artikel 5. Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van een jaar, vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag voor bijzondere bijstand wordt ingediend, of waarop de bijstandsverlening betrekking heeft;

  • 2.

    Van de periode genoemd in het eerste lid kan worden afgeweken als de periode waarop de kosten betrekking hebben daartoe aanleiding geven;

  • 3.

    De belanghebbende die ten tijde van de aanvraag een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de wet, wordt verondersteld in het draagkrachtjaar geen draagkracht te hebben, op grond van inkomen;

  • 4.

    Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de belanghebbende tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening.

  • 5.

    De vastgestelde draagkracht als bedoeld in het eerste lid wordt in geval van incidentele bijzondere bijstand in één keer in mindering gebracht op de verstrekking;

  • 6.

    In geval van periodieke verstrekking van bijzondere bijstand wordt de draagkracht uit inkomen verspreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt verstrekt en naar evenredigheid in mindering gebracht;

  • 7.

    In geval van een samenloop van incidentele en periodieke verstrekking van bijzondere bijstand wordt de draagkracht uit inkomen in eerste instantie naar evenredigheid in mindering gebracht op de periodieke bijzondere bijstand en daarna op de incidentele bijzondere bijstand.

  • 8.

    Bij elke volgende aanvraag voor bijzondere bijstand in het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de toepassing van de draagkracht, zoals bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 6. Hoogte van de bijstand

  • Bij de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de goedkoopst mogelijke adequate voorziening in het individuele geval.

 

Hoofdstuk 3. Bijzondere vergoeding

 

 

Artikel 7. Medische kosten en hulpmiddelen

  • 1.

    De zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn in principe passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor medische kosten en hulpmiddelen;

  • 2.

    Als de voorliggende voorziening als genoemd in lid 1 niet toereikend is, komen de kosten en/of eventuele eigen bijdragen in aanmerking voor bijzondere bijstand als er sprake is van een medische noodzaak;

  • 3.

    Om de medische noodzaak vast te stellen, kan medisch advies nodig zijn. Hierbij wordt de afweging gemaakt of de kosten van het medisch advies opwegen tegen de medische kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd.

 

Artikel 8. Collectieve aanvullende zorgverzekering

  • 1.

    Inwoners kunnen via de gemeente een collectieve aanvullende zorgverzekering afsluiten.

  • 2.

    Belanghebbenden kunnen kiezen uit drie verschillende aanvullende pakketten waarbij pakket 1 het minst uitgebreid is en pakket 3 de meest uitgebreide dekking heeft.

  • 3.

    De gemeente vergoedt maandelijks een deel van de premie van de aanvullende pakketten. Deze vergoeding is verwerkt in de premies van de collectieve zorgverzekering. Jaarlijks worden deze gepubliceerd op gezondverzekerd.nl.

  • 4.

    Belanghebbenden kiezen het pakket dat het beste aansluit bij de zorgbehoeften en kunnen hiervoor gebruik maken van een vergelijkingstool die door de gemeente wordt aangeboden.

 

Artikel 9. Compensatie verplicht eigen risico zorgverzekering

  • 1.

    Zorgkosten die gemaakt zijn binnen het verplicht eigen risico van de zorgverzekering komen voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 2.

    De compensatie kan één keer per kalenderjaar worden aangevraagd.

  • 3.

    Het recht op vergoeding van de onder lid 1 genoemde zorgkosten geldt ook voor personen die geen gebruik maken van de collectieve zorgverzekering, zoals bedoeld in artikel 8.

 

Artikel 10. Participatie kinderen 4 tot 18 jaar

  • 1.

    Voor de bevordering van participatie van kinderen van 4 tot 18 jaar zijn Stichting Leergeld en Jeugdfonds Sport & Cultuur in principe een toereikende voorliggende voorziening.

  • 2.

    In die gevallen waarin Stichting Leergeld en/of Jeugdfonds Sport & Cultuur niet voorziet kan bijzondere bijstand verstrekt worden om de participatie van kinderen van 4 tot 18 jaar te bevorderen.

  • 3.

    De onder lid 2 genoemde noodzakelijke kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen houden verband met: naar school komen; meedoen op school; meedoen aan activiteiten buiten school.

 

Artikel 11. Jong meerderjarigen

  • 1.

    Jongeren van 18, 19 en 20 jaar, die in een inrichting verblijven kunnen aanvullend bijzondere bijstand krijgen wanneer:

    • hun bestaanskosten uitgaan boven de bijstandsnorm en

    • zij redelijkerwijs geen financieel beroep kunnen doen op hun ouders.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor een jong meerjarige in een inrichting bedraagt per maand maximaal de bijstandsnorm als genoemd in artikel 20, eerste lid onder a van de wet.

  • 3.

    Voor jong meerderjarigen die op 31 december 2025 aanvullende bijzondere bijstand ontvangen als aanvulling op de jongerennorm, blijft de bijzondere bijstand voor de resterende periode tot hun 21e jaar doorlopen indien de situatie van de jong meerderjarige niet wijzigt.

 

Artikel 12. Alleenstaande ouder

  • 1.

    De alleenstaande ouder waarvan het jongste kind 18 jaar wordt, kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand bij een terugval in inkomen zolang de ouder onderhoudsplichtig is;

  • 2.

    Van terugval in inkomen is sprake als het kind thuiswonend is en zijn inkomen niet hoger is dan de som van het weggevallen extra kindgebonden budget en de maandelijkse kinderbijslag;

  • 3.

    Voor het inkomen van het thuiswonende kind van 18 jaar dat een MBO of HBO opleiding volgt, wordt het inkomen genomen zoals in artikel 33 genoemd in de wet;

  • 4.

    Bij de hoogte van de bijzondere bijstand genoemd in lid 1 wordt rekening gehouden met de bestaande alimentatieverplichting die in een convenant of door de rechter is vastgesteld.

 

Artikel 13. Tegemoetkoming Woonkosten

  • 1.

    Wanneer een belanghebbende een huurwoning heeft met hoge woonkosten, kan het college op grond van individuele omstandigheden, bijzondere bijstand verlenen. Dit kan als belanghebbende geen of onvoldoende aanspraak kan maken op huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag en de belanghebbende de kosten geheel of gedeeltelijk niet meer zelf kan betalen als gevolg van:

    • een niet verwijtbare verlaging van de inkomsten of;

    • vertrek van een medebewoner of;

    • statushouders jonger dan 21 jaar die vanuit de taakstelling gehuisvest zijn in een woning waarvan de huur in verhouding tot de leeftijd te hoog is om in aanmerking te komen voor huurtoeslag

  • 2.

    De tegemoetkoming woonkosten wordt verleend voor maximaal twaalf maanden, met daarbij de verplichting voor de aanvrager om zo snel mogelijk goedkopere passende woonruimte te vinden of op een andere manier de financiële middelen en de woonkosten meer met elkaar in evenwicht te brengen.

  • 3.

    De toekenning van de tegemoetkoming kan worden verlengd wanneer daar aanleiding voor is, gezien de omstandigheden van de aanvrager en als de belanghebbende voldoende en concrete activiteiten heeft verricht ter verkrijging van goedkopere huisvesting en naar vermogen heeft getracht het inkomen te vergroten maar dit nog niet is gelukt. De verlengingstermijn wordt in redelijkheid vastgesteld afhankelijk van de individuele situatie en de situatie op de woningmarkt.

  • 4.

    De hoogte van de tegemoetkoming woonkosten voor de kosten voor huren, is gelijk aan de maximale huurtoeslag, die de belanghebbende had kunnen ontvangen als de huurprijs lager dan de huurgrens was geweest, plus de woonlasten boven de huurgrens. Hierbij wordt uitgegaan van een maximaal bedrag aan bijstand dat verantwoord is binnen het oogpunt van bijstandsverlening.

  • 5.

    Wanneer iemand jonger dan 23 jaar is, wordt voor de hoogte van de woonkostentoeslag uitgegaan van de situatie als 23-jarige. Dit betekent dat als de huur lager is dan de huurtoeslaggrens 23 jarige, de bijzondere bijstand gelijk is aan de huurtoeslag voor een 23 jarige.

 

Artikel 14. Reiskosten Inburgeringsplichtigen

  • 1.

    Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor reiskosten aan:

    • belanghebbenden zonder bijstandsuitkering met een inkomen tot 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm waarbij rekening wordt gehouden met aanwezige draagkracht én,

    • die een verplichte inburgeringscursus volgen bij een officieel erkende onderwijsinstelling. Waarbij wordt uitgegaan van de dichtstbijzijnde onderwijsinstelling mogelijk in de specifieke situatie van de belanghebbende.

  • 2.

    In uitzondering op het eerste lid komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand voor hun reiskosten:

    • a.

      inburgeringsplichtigen die recht hebben op een voorliggende voorziening, zoals een reisproduct van DUO;

    • b.

      inburgeringsplichtigen die een BBL of BOL-opleiding volgen;

  • 3.

    De reiskosten worden vergoed op basis van de goedkoopste wijze van reizen met het openbaar vervoer, tussen het woonadres en het adres van de onderwijsinstelling.

  • 4.

    In afwijking van lid 3 wordt, indien de reis vanwege gezondheidsredenen van de aanvrager niet met het openbaar vervoer afgelegd kan worden, de vergoeding vastgesteld op basis van het aantal kilometers volgens de kortste route per eigen vervoer. Dit bedrag is gelijk aan de onbelaste reiskostenvergoeding van de Belastingdienst.

  • 5.

    Wanneer de inburgeringsplichtige die in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor reiskosten in deeltijd taalscholing volgt, dan worden de reiskosten vastgesteld op het gemiddeld aantal dagen per week.

 

Artikel 15 Tegemoetkoming kosten Kinderopvang

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouder woonachtig in Baarn, een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvangtoeslag. Alvorens bijstand toe te kennen wordt onderzocht of gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening; te denken valt aan kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie (smi) of VVE.

  • 2.

    De ouder die in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als aanvulling op de kinderopvangtoeslag, wordt als volgt aangemerkt:

    • a.

      Een ouder met een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), die een gemeentelijk traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, als bedoeld in artikel 1.6 lid c van de Wet kinderopvang en die kosten voor kinderopvang maakt.

    • b.

      Een ouder met een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), die een verplichte inburgeringscursus op grond van artikel 3 van de Wet inburgering 2021 volgt en die kosten voor kinderopvang maakt.

  • 3.

    In aanvulling op het tweede lid is vereist dat de ouder gebruikmaakt van een geregistreerde kinderopvang of een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.

  • 4.

    Op de maximale hoogte van de tegemoetkoming aan een ouder, als bedoeld in dit artikel, is artikel 1.13 van de Wet kinderopvang van toepassing.

  • 5.

    Bij de berekening van de tegemoetkoming wordt uitgegaan van de maximale uurprijs, zoals bedoeld in artikel 1.7. lid 2 van de Wet kinderopvang. OF van de uurprijs die wordt gehanteerd door de kinderopvangorganisatie.

  • 6.

    De tegemoetkoming wordt toegekend zolang het gemeentelijke traject of de verplichte inburgeringscursus, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Artikel 16 Overige bijzondere vergoedingen

  • In geval van bijzondere vergoedingen, die uitvoering van deze beleidsregels betreffen, waarin de beleidsregels niet voorzien, beslist het college.

 

Hoofdstuk 4. Leenbijstand

 

 

Artikel 17. Aflossing leenbijstand

  • 1.

    Als leenbijstand wordt verstrekt, is hierover geen rentevergoeding verschuldigd, tenzij individuele omstandigheden het vaststellen van een rentepercentage rechtvaardigen;

  • 2.

    De maandelijkse aflossing van verleende leenbijstand wordt bij een inkomen op bijstandsniveau vastgesteld op 5% van de bijstandsnorm of bij een inkomen boven de bijstandsnorm op 5% van de bijstandsnorm plus 25% van het inkomen daarboven;

  • 3.

    De maandelijkse aflossing als bedoeld in het tweede lid wordt maandelijks ingehouden op de verstrekking van algemene bijstand of dient de belanghebbende maandelijks over te maken aan de uitvoeringsorganisatie Eemkracht;

  • 4.

    Aan een belanghebbende die op een leenbijstand 36 maanden naar draagkracht heeft afgelost, wordt kwijtschelding verleend voor het restant van de lening.

 

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

 

 

Artikel 18 Onvoorziene omstandigheden en kennelijke hardheid

  • Het college handelt in overeenstemming met deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens specifieke individuele omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen uitgangspunten en doelen.

 

Artikel 19 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking 1 dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2026 Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze beleidsregels, wordt “Beleidsregels bijzondere bijstand 2018” ingetrokken.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 gemeente Baarn”

 

 

 

Burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn overwegen dat het wenselijk is regels vast te

stellen voor verstrekking van bijzondere bijstand, inkomensondersteunende regelingen en

leenbijstand;

 

Gelet op artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 15, 35, 48, 49, 50, 51 en

57 van de Participatiewet en de Integrale Visie Sociaal Domein (Baarnvitaal) Gemeente Baarn 2025-2029

besluiten vast te stellen de

 

 

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering 20-01- 2026 van het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Baarn.

Burgemeester en wethouder van Baarn

De secretaries,

De burgemeester

ALGEMENE TOELICHTING

 

Het recht op bijzondere bijstand is vastgelegd in artikel 35 van de Participatiewet in balans. Voor de verstrekking van bijzondere bijstand is het niet noodzakelijk dat de belanghebbende algemene bijstand ontvangt. Bijzondere bijstand is mogelijk als het inkomen niet toereikend is om bepaalde, uit bijzondere

omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te voldoen.

 

Bij de ontwikkeling van het bijzondere bijstandsbeleid spelen daarom deze uitgangspunten een rol.

 

Niet in strijd met Rijks inkomensbeleid

Bij het verlenen van bijzondere bijstand blijft het uitgangspunt dat de verstrekking niet strijdig mag zijn

met het Rijks inkomensbeleid. Algemene bijstand zou toereikend moeten zijn voor voedsel en

onderdak. Buitenwettelijk begunstigend beleid is gedoogd.

 

Geen bijstand voor niet noodzakelijke kosten.

Artikel 14 PW somt een aantal posten op, die in elk geval niet worden gerekend tot de noodzakelijke

kosten van het bestaan. Bijstandsverlening is dan niet mogelijk. Het gaat hier onder meer om

alimentatieverplichtingen, geleden of toegebrachte schade en de betaling van een boete.

 

Het bijzondere bijstandsbeleid moet betaalbaar, laagdrempelig en efficiënt zijn.

Met ingang van 2004 zijn gemeenten volledig financieel verantwoordelijk voor de bijstand.

Binnen de wettelijke mogelijkheden moet het bijzondere bijstandsbeleid het huidige niveau behouden.

Het indienen van een aanvraag moet eenvoudig en laagdrempelig zijn.

 

Individualiseringsprincipe

Naast bovengenoemde uitgangspunten geldt uiteraard het individualiseringsprincipe. Dit is geregeld in artikel 18 lid 1 van de Participatiewet in balans. Dit betekent dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen dient af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

 

Voor de komst van de Participatiewet (PW) was zowel individuele bijzondere bijstand mogelijk als categoriale bijzondere bijstand, waarbij er van uit werd gegaan dat een bepaalde groep bijzondere bijstand nodig had. Met de komst van de PW zijn nagenoeg alle categoriale regelingen afgeschaft en waar nodig omgezet in verstrekkingen op basis van individuele bijzondere bijstand.

 

Categoriaal verstrekken van bijzondere bijstand kan alleen in de vorm van:

een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering of die premie ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn;

een individuele inkomenstoeslag aan groepen is ook mogelijk, mits vastgelegd in een verordening;

maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten aan groepen conform artikel 57 van de wet, mits er een individuele toetsing is.

 

Uitvoeringsregels

De uitvoering van de bijzondere bijstand is gedelegeerd aan Uitvoeringsorganisatie Eemkracht door de gemeenten Baarn, Bunschoten en Baarn. Zij kunnen, met in achtneming van deze beleidsregels, uitvoeringsregels opstellen. De uitvoeringsregels geven richtlijnen over hoe te handelen in specifieke situaties die niet in de beleidsregels staan beschreven.

 

De categoriale minimaregelingen zijn niet in deze beleidsregels opgenomen en worden apart door het

college of de gemeenteraad vastgesteld.

 

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

Hoofdstuk 1. Begrippen

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Er wordt voor wat betreft het begrippenkader en de achterliggende ideeën zoveel mogelijk aangesloten bij de Participatiewet in balans. Dit vereenvoudigt de uitvoering.

Een uitzondering geldt voor het begrip bijstandsnorm. Bij dit begrip, zoals gebruikt in deze beleidsregel, is ervoor gekozen geen rekening te houden met de kostendelersnorm. De reden hiervoor is dat een belanghebbende de bijzondere kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, niet kan delen. De kostendelersnormen zijn bedoeld om optredende schaalvoordelen met betrekking tot de bestaanskosten te verrekenen, niet tot individuele bijzondere kosten.

 

Hoofdstuk 2. Basisvoorwaarden

 

Artikel 2. Aard van de bijzondere bijstand

Binnen de wet speelt het individualiseringsbeginsel vastgelegd in artikel 18 een belangrijke rol. Bijzondere bijstand kan toegekend worden als bijzondere omstandigheden in een individueel geval leiden tot extra kosten van het bestaan, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

 

Artikel 3. Indienen aanvraag

De bijzondere bijstand moet in beginsel worden aangevraagd voordat de kosten zijn gemaakt, bijvoorbeeld door het inleveren van een pro-forma nota. In veel gevallen is het anders niet mogelijk om objectief de noodzaak vast te stellen.

Is een aanvraag voordat de kosten gemaakt zijn, niet mogelijk, dan moet hier echter niet te rigide mee worden omgegaan. In de aard van de bijzondere omstandigheden kan immers besloten liggen dat het niet goed mogelijk is een aanvraag in te dienen voordat de kosten opkomen. In die situaties moet de aanvraag worden ingediend zo kort mogelijk nadat de kosten zijn gemaakt. Dit is om te voorkomen dat kosten van langere tijd geleden nog worden aangevraagd. In deze gevallen zou je je kunnen afvragen of het inkomen echt niet toereikend was en of kosten echt noodzakelijk waren.

Artikel 35, lid 2 van de wet bepaalt dat het college een drempelbedrag kan hanteren. Van deze bevoegdheid maakt het college geen gebruik. Het college vindt dat een minimuminkomen in beginsel geen ruimte geeft om zelf een deel van de bijzondere kosten te betalen.

Om te voorkomen dat de uitvoering daardoor wordt belast met grote aantallen aanvragen voor kleine bedragen, is lid 3 en lid 4 opgesteld. Voor bijzondere kosten die per kostenpost minder dan € 100,00 bedragen maar tezamen meer bedragen dan € 100,00, moet de aanvraag om bijzondere bijstand worden ingediend binnen twaalf maanden nadat de oudste kosten zijn gemaakt en het totaal van de kosten meer dan € 100,00 is gaan bedragen. Voor bijzondere kosten die in een periode van twaalf maanden nog steeds minder dan € 100,00 bedragen, moet de aanvraag worden ingediend één maand na afloop van die twaalf maanden.

Is de aanvraag niet tijdige ingediend, dan kan dit een reden zijn om de kosten niet meer te vergoeden. Zeker als inmiddels in de kosten is voorzien. Opgemerkt zij, dat de mogelijkheid om hierin te individualiseren natuurlijk aanwezig blijft. Te denken valt dan aan het tijdsverloop, de reden voor de te late indiening, de verwijtbaarheid, of toereikend inkomen en de noodzaak nog vast te stellen is en dergelijke vragen.

 

Artikel 4. Vaststellen van de draagkracht

Op grond van artikel 35 van de wet heeft het college in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid bij de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende. Bij verlening van bijzondere bijstand moet derhalve gekeken worden naar de financiële positie van de belanghebbende. Hoe ruimer deze positie is, des te meer mogelijkheden zijn er voor de belanghebbende om zelf te voorzien in de noodzakelijke uitgaven voor bijzondere kosten.

Bij de beoordeling van die financiële positie speelt in het algemeen zowel het vermogen als het

inkomen een rol. Voor het vaststellen van het inkomen, wordt aansluiting gezocht bij de van toepassing zijnde bijstandsnorm als beschreven in artikelen 19 tot en met 33, met uitzondering van de kostendelersnorm. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 1.

Lid 1. Voor de vaststelling van de hoogte van het deel van het inkomen boven de bijstandsnorm, waarbij geen draagkracht aanwezig wordt geacht, wordt gekozen voor een percentage van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wel 30%. Bedraagt het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm meer dan deze grens, dan wordt 50% van dat inkomen als draagkracht in aanmerking genomen.

Lid 2. Als en zolang er sprake is van een schuldhulptraject (gemeentelijk, bij een NVVK aangesloten organisatie of WSNP) wordt er van uit gegaan dat het besteedbaar inkomen minder bedraagt dan de bijstandsnorm en zodoende de draagkracht uit het inkomen op nihil gesteld. Zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW waarin de CRvB uitspreekt dat bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, het college alleen de draagkracht kan berekenen over middelen waarover de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft. De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295 lid 2 Fw buiten de boedel worden gelaten.

Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 95% van de bijstandsnorm, betekent dit dat er in het algemeen geen draagkracht zal bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van wie een WSNP van toepassing is.

Omdat de gemeentelijke, minnelijke schuldregelingen vergelijkbaar zijn met de WSNP, wordt deze uitspraak ook gehanteerd voor belanghebbenden van wie een minnelijk schuldsaneringsregeling van toepassing is. Dit kan ook gelden voor belanghebbenden die niet een minnelijke schuldsaneringsregeling

hebben bij de gemeente maar bij een andere, bij de NVVK aangesloten, schuldhulporganisatie.

Lid 3. Op grond van een rechterlijke uitspraak CRvB 28-03-2006, nr 04/5465 dient inkomen waarop beslag ligt ook buiten een draagkrachtberekening te blijven. Belanghebbenden kunnen immers redelijkerwijs niet over deze middelen beschikken.

Lid 4. Voor sommige bijzondere kosten geldt dat 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering moet worden gebracht op de bijzondere kosten alvorens er sprake kan zijn van bijzondere bijstand voor die kosten. Deze worden in lid 4 opgesomd.

Voor jong zelfstandigen geldt dat 100% draagkracht van toepassing is op het inkomen van de ouders die onderhoudsplichtig zijn.

Lid. 5 en 6 Voor het vaststellen van vermogen, wordt aansluiting gezocht bij artikel 34 van de wet. Richtlijn daarbij is wel dat de vermogensbestanddelen te gelde gemaakt moeten kunnen worden. Ook als men een koopwoning heeft, is bijzondere bijstand mogelijk. Of de belanghebbende met vermogen gebonden in de eigen woning in aanmerking komt voor bijzondere bijstand is afhankelijk van de draagkrachtbepalingen. Als tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het vermogen gebonden in de woning met bijbehorende erf in redelijkheid niet kan worden verlangd, moet bijzondere bijstand in beginsel om niet worden verstrekt.

Lid 7 geldt uitsluitend voor de gedupeerden van de toeslagenaffaire die een tegemoetkoming van circa 30.000 euro hebben ontvangen van de Belastingdienst. Deze tegemoetkoming valt niet onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand. Zolang dit bedrag, of het restant daarvan, op een rekening courant of spaarrekening staat, telt het niet mee als “vermogen”. Het deel van deze tegemoetkoming dat niet is uitgegeven, wordt ook in de jaren tot en met 2028 niet tot het vermogen gerekend. Eventuele inkomsten die uit deze tegemoetkoming worden ontvangen, vallen wel onder het begrip “inkomen” en “vermogen” bij de uitvoering van de bijzondere bijstand.

De hardheidstegemoetkoming van circa 30.000 euro wordt door de Belastingdienst uitgekeerd op grond van artikelen 49 lid 1; 49a; 49b en 49c Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Door de vrijlating past de gemeente artikel 7 lid 1 sub p uit de regeling Participatiewet, IOAW, IOAZ op dezelfde manier toe bij de uitvoering van de bijzondere bijstand

Lid 8 Het kabinet wenst rekening te houden bij bijstandsverlening met de groep (oud) studenten die een terugbetaling hebben ontvangen in verband met de herziening controle uitwonende beurs. [KetenID WGK028212] De vrijlating van de schadevergoeding is voor het inkomen geregeld in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Met de Regeling van 7 november 2025 nr. 2025-0000198529, is ook een vermogensvrijlating toegevoegd aan artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Met lid 8 sluiten we met de bijzondere bijstand hierbij aan.

 

Artikel 5. Draagkrachtperiode

Lid 1 en 2 De draagkracht wordt steeds vastgesteld voor een periode van een jaar. De draagkrachtperiode begint in beginsel op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt toegekend. Dit om te voorkomen dat er bij het vaststellen van de draagkracht voor bijzondere bijstand met delen van maanden moet worden gerekend. De draagkrachtperiode kan eerder ingaan voor zover de bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend.

Lid 4 Wijzigingen in het inkomen en het vermogen van de aanvrager tijdens het lopende draagkrachtjaar kunnen leiden tot een herberekening. Richtlijn hierbij is dat een inkomens- en/of vermogensdaling die ertoe leidt dat de aanvrager recht heeft op meer bijzondere bijstand altijd tot herberekening kan leiden. Een substantiële inkomensstijging kan ertoe leiden dat de aanvrager zijn of haar recht op de bijzondere bijstand verliest. Van een substantiële inkomens- of vermogensstijging is sprake wanneer het inkomen van de aanvrager toeneemt met 20% en/of wanneer het vermogen zodanig toeneemt dat dit boven de vermogensvrijlating zoals genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet in balans uitkomt.

Lid 6 Wanneer belanghebbende periodieke kosten heeft, wordt de bijzondere bijstand per maand toegekend. Het totaalbedrag aan bijzondere bijstand waar de aanvrager recht op heeft, wordt naar rato verdeeld over het aantal maanden dat de periodieke kosten zich voordoen, met een maximum van twaalf maanden.

 

 

Artikel 6. Hoogte van de bijstand

Een van de beginselen van de Wet is de zogenaamde sluitpostfunctie. Om aan dit beginsel recht te doen, moet steeds worden uitgegaan van de goedkoopst acceptabele oplossing. Bij artikelen als een wasmachine of koelvriescombinatie, maar ook uitvaartkosten of dieetvoeding, geldt de NIBUD prijzenlijst als een richtlijn om discussie met een belanghebbende te voorkomen.

Voor medische kosten is zo’n richtlijn echter niet mogelijk.

Bij volledige (her)inrichting van een woning wordt een bedrag genomen waarvan het college veronderstelt dat het mogelijk moet zijn om van dat bedrag de woning te (her)inrichten.

 

Hoofdstuk 3. Bijzondere vergoeding

 

Artikel 7. Medische kosten en hulpmiddelen

In principe zijn de basis zorgverzekering en de voorzieningen vanuit de Wet langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning toereikend voor medische kosten en hulpmiddelen. Buitenwettelijk begunstigend beleid wordt echter gedoogd voor deze kosten. De kosten, zoals eigen bijdragen of kosten die niet vanuit de zorgverzekering worden vergoed, kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Mits er een medische noodzaak is om deze kosten te maken.

Bijzondere bijstand voor medische kosten wordt verstrekt voor standaarduitvoeringen (meest goedkope noodzakelijke oplossing) en in het algemeen om niet.

Lid 3 Voor het vragen van een medisch advies wordt een kosten-baten analyse gemaakt (kosten medisch advies ten opzichte van de gevraagde bijzondere bijstand). Bij deze afweging wordt ook gekeken of het om een incidentele kosten gaat of om structurelere kosten.

 

Artikel 8. Collectieve aanvullende zorgverzekering

Lid 1 Inwoners met een laag inkomen kunnen via de gemeente een collectieve zorgverzekering afsluiten.

De gemeente betaalt een tegemoetkoming in de premiekosten van de aanvullende pakketten, waardoor een betaalbare en breed dekkende voorziening voor de doelgroep wordt gecreëerd.

LId 2 Er zijn drie aanvullende pakketten beschikbaar, gebaseerd op verschillende zorgbehoeften. De gemeente mag van een belanghebbenden verwachten dat zij het pakket kiezen dat het beste aansluit bij hun zorgbehoeften. De gemeente stelt hiervoor kosteloos een vergelijkingstool beschikbaar en communiceert hier actief over naar inwoners. Dit om enerzijds oververzekering te voorkomen, anderzijds om te voorkomen dat er een te groot beroep wordt gedaan op de bijzondere bijstand voor medische kosten.

Lid 4 We gaan er van uit dat mensen zich minimaal aanvullend verzekeren vergelijkbaar met pakket 1 van de collectieve zorgverzekering. Bij aanvragen om bijzondere bijstand voor medische kosten geldt als uitgangspunt dat de inwoner een zorgverzekering heeft afgesloten die past bij zijn zorgverbruik. Dus van iemand met hoge zorgkosten verwachten we dat deze zich daar optimaal voor verzekerd. Heeft de aanvrager van bijzondere bijstand voor medische kosten een andere (of lagere of géén) aanvullende zorgverzekering afgesloten, dan worden de medisch noodzakelijke kosten de eerste keer volledig vergoed. Belanghebbende wordt erop gewezen, dat als de verwachting is dat deze kosten zich vaker voor doen, hij zich het jaar erop voor deze kosten dient te verzekeren.

Het kan voorkomen dat medische kosten onvoorzien zijn, in dat geval kan daar bijzondere bijstand voor worden aangevraagd zoals vermeld in artikel 7 van deze beleidsregels.

 

Artikel 9. Compensatie verplicht eigen risico zorgverzekering

De gemeente Baarn verstrekt bijzondere bijstand ter compensatie van zorgkosten die een belanghebbende gemaakt heeft binnen het wettelijk verplicht eigen risico. Voorwaarde is dat de totale zorgkosten die gemaakt zijn binnen het eigen risico meer bedragen dan € 100 per kalenderjaar. De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag van het volledige verplicht eigen risico (in 2026 is dat maximaal € 385). Bij kosten lager dan € 100 vindt er geen compensatie vanuit de bijzondere bijstand plaats. Compensatie van het verplicht eigen risico is ook van toepassing op personen die geen collectieve zorgverzekering via de gemeente hebben afgesloten.

 

Artikel 10. Participatie kinderen 4 tot 18 jaar

Om de participatie van kinderen te bevorderen kunnen gezinnen met een laag inkomen een beroep doen op Stichting Leergeld. Stichting Leergeld voert per 1 juli 2017 de participatieregelingen voor kinderen uit voor de gemeente Baarn. Naast Leergeld hebben we ook Jeugdfonds Sport & Cultuur. Deze helpt kinderen mee te doen aan sport en culturele activiteiten.

Gezinnen kunnen een beroep doen op Stichting Leergeld voor voorzieningen die samen hangen met

de volgende drie pijlers:

1. Naar school kunnen komen (bijv. verstrekking van een fiets voor middelbare scholieren);

2. Mee kunnen doen op school (bijv. vergoeding een computer, schoolreisjes);

3. Mee kunnen doen aan activiteiten buiten school (bijv. sport en cultuur).

Stichting Leergeld is een voorliggende voorziening. Dat wil zeggen dat een aanvraag bijzondere bijstand pas ingediend kan worden als een (noodzakelijke) voorziening niet verstrekt kan worden door Stichting Leergeld. Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor die kosten die verband houden met de hiervoor genoemde 3 pijlers.

In 2019 is het wetsvoorstel aangenomen dat regelt dat kinderen in het primair en voortgezet onderwijs niet uitgesloten mogen worden van activiteiten als de ouders de vrijwillige ouderbijdragen niet kunnen betalen. Hierdoor komt deze bijdrage niet meer aanmerking voor vergoeding van st. Leergeld of de bijzondere bijstand.

 

Artikel 11. Jong meerderjarigen

Vanaf 1 januari 2026 kan het college de jongerennorm voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar verhogen via de algemene bijstand. (artikel 20 lid 3 en 4 Participatiwet in balans). Jongeren die in aanmerking komen voor verhoging krijgen een vast bedrag. Voor jongeren die op 31 december 2025 periodieke bijzondere bijstand ontvangen als aanvulling op de jongerennorm geldt een overgangsrecht. Het vaste bedrag is namelijk lager dan de aanvullende bijzondere bijstand en dat zou deze jongeren in de problemen kunnen brengen. Voor deze jongeren hanteren wij nog wel de aanvulling via de bijzondere bijstand tot hun 21e jaar.

Jongeren van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijven hebben geen recht op algemene bijstand (art. 13 lid 2 onder a Pw). Zij kunnen nog wel een aanvulling ontvangen vanuit de bijzondere bijstand als ouders niet kunnen bijdragen in de kosten.

 

Artikel 12. Alleenstaande ouder

Op het moment dat het jongste kind van een alleenstaande ouder 18 jaar wordt, ontvangt de alleenstaande geen kinderbijslag en kindgebonden budget meer voor het kind en krijgt deze een terugval in inkomen. Dit kan gecompenseerd worden door inkomen van het thuiswonende kind of ander bijzonder inkomen als beschreven in artikel 33 van de Wet. Als de terugval niet gecompenseerd wordt, kan periodieke bijzondere bijstand verleend worden voor het verschil. Hierdoor kan de alleenstaande ouder in onderhoud van het kind voorzien. Zodra de onderhoudsplicht voor de ouder vervalt, namelijk als het kind 21 jaar wordt, kan de alleenstaande ouder niet meer in aanmerking komen voor deze tegemoetkoming.

 

Artikel 13. Tegemoetkoming Woonkosten

Kosten voor huren van een woning kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Per 1 januari 2026 komen ook huurders met een huur boven de maximale huurgrens in aanmerking voor huurtoeslag. De huurtoeslag wordt echter maar berekend over de kosten tot de maximale huurgrens.Iedereen met een laag inkomen kan vanaf 2026 huurtoeslag aanvragen, ongeacht hoe hoog de huur is. De grens blijft wel bestaan als rekenplafond: de toeslag wordt alleen berekend over de huur tot aan dat bedrag (wet op de huurtoeslag). De meerkosten bestaan dan uit het deel van de huur boven de rekenhuurgrens. In beginsel vergoeden we het deel boven de maximale rekenhuurgrens voor 100%. Overigens kunnen woonlasten in een individueel geval zo hoog zijn dat deze woonlasten vanuit het oogpunt van bijstandsverlening niet verantwoord zijn. In die situatie wordt er geen bijzondere bijstand verleend. Hierbij geldt de kanttekening dat het om maatwerk gaat. Het is daarbij van belang rekening te houden met de gezinssituatie. Voor een groot gezin is het lastiger om goedkopere woonruimte te vinden die geschikt is.

 

Artikel 14. Reiskosten Inburgeringsplichtigen

Inwoners met een bijstandsuitkering die deelnemen aan een verplicht inburgeringstraject kunnen voor reiskostenvergoeding in aanmerking komen via het Participatiebudget. Voor niet-uitkeringsgerechtigden is deze mogelijkheid er niet. Voor inburgeringsplichtigen zonder bijstandsuitkering maar met een laag inkomen is het mogelijk reiskosten via de bijzondere bijstand vergoed te krijgen als zij deelnemen aan een verplicht inburgeringstraject onder de Wet inburgering 2021. Draagkrachtregels zijn hierop van toepassing.

Als voorwaarde geldt dat de enkele reisafstand meer is dan de gebruikelijke fietsafstand en er geen andere mogelijkheid is om het inburgeringstraject te volgen bij een onderwijsinstelling binnen een straal van 10 kilometer. Onder gebruikelijke fietsafstand (zonder ondersteuning) wordt verstaan iedere fietsafstand tot 10 kilometer vanaf het woonadres.

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt berekend op basis van de goedkoopste manier van reizen met het openbaar vervoer. Als iemand gebruik maakt van de auto, wordt maximaal 23 cent per kilometer (conform Belastingdienst) vergoed, wanneer dit goedkoper is dan de kosten van het openbaar vervoer. Als belanghebbende medisch aantoonbaar niet kan fietsen en de reisafstand bedraagt minder dan 10 kilometer kan een reiskostenvergoeding worden verstrekt mits er geen alternatieve oplossingen binnen het netwerk van belanghebbende en de gemeente te vinden zijn en afhankelijk van de medische beperking. Afhankelijk van de medische beperking en noodzaak wordt de bijzondere bijstand voor maximaal 1 jaar toegekend.

 

Artikel 16. Overige bijzondere vergoedingen

Er zijn meer veelvoorkomende vergoedingen die nog niet genoemd zijn in dit hoofdstuk, zoals vergoedingen voor bewindvoering en uitvaartkosten. In hoeverre deze kosten vergoed worden, beoordeelt het college in principe volgens het maatwerkprincipe van de bijzondere bijstand. Het mocht echter handig zijn om als uitvoering afspraken te maken over deze veelvoorkomende vergoedingen om willekeur te voorkomen en deze afspraken vast te leggen. Dit artikel voorziet hierin.

 

Hoofdstuk 4. Leenbijstand

 

Artikel 17. Aflossing leenbijstand

In artikel 48 lid 2 van de Wet is bepaald wanneer het college de bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand mag verlenen. De leenbijstand wordt renteloos maandelijks afgelost door inhouding op de bijstandsuitkering of automatische overschrijving.

Om de hoogte van de aflossing te bepalen, is per 1 januari 2021 nieuwe wetgeving van kracht voor berekening van de beslagvrije voet. De oude norm van 6% is gewijzigd in 5%. Als de belanghebbende 36 maanden opeenvolgend heeft afgelost, wordt de rest kwijtgescholden.

 

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

De artikelen in dit hoofdstuk spreken voor zich.

 

Naar boven