Aanwijzingsbesluit voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in de vorm van groothandel in het pand Rijswijkstraat 177, 181a, 181b, 183, 185 en 185a, gemeente Amsterdam

De burgemeester van Amsterdam

 

Gelet op:

 

  • -

    artikel 2.16A van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV);

  • -

    regionaal Veiligheidsplan 2023-2026;

  • -

    het WODC rapport ‘Ondergronds Bankieren in relatie tot georganiseerde criminaliteit in Nederland: nieuw fenomeen of oud systeem?’, d.d. mei 2025;

  • -

    raadsinformatiebrief ‘Aanpakken financieel-economische criminaliteit en parallelle economie’ d.d. 11 november 2025, gemeente Amsterdam;

  • -

    integrale RIEC rapportage Amsterdam – Amstelland betreffende (kleding)groothandel, d.d. 7 januari 2026.

Overweegt dat:

 

  • -

    als een van de ambities van de Amsterdamse driehoek in het Regionaal Veiligheidsplan 2023-2026 is benoemd: het duurzaam verstoren en beëindigen van georganiseerde ondermijnende (drugs)criminaliteit, het voorkomen van jonge aanwas en doorbreken van criminele carrières, het tegengaan van de verwevenheid van de onder- en bovenwereld en het voorkomen van verdere innesteling van ondermijnende criminaliteit in wijken en buurten;

     

  • -

    de burgemeester op grond van artikel 2.16A, lid 1 van de APV een gebied, straat of gebouw kan aanwijzen waarin het verboden is zonder vergunning als bedoeld in artikel 3.64 van de APV bepaalde categorieën bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die naar zijn oordeel de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins ondermijning veroorzaken;

     

  • -

    de burgemeester op grond van artikel 2.16A, lid 3 van de APV kan bepalen dat er tijdens openingstijden een leidinggevende aanwezig moet zijn in het aangewezen pand;

     

  • -

    de gemeente Amsterdam de afgelopen jaren signalen heeft ontvangen over betrokkenheid van kledinggroothandels bij verschillende vormen van ondermijnende criminaliteit, zoals ondergronds bankieren, handel in verdovende middelen, arbeidsmarktfraude en fiscale fraude;

     

  • -

    uit het WODC rapport d.d. mei 2025 blijkt dat ondergronds bankieren in verschillende vormen voorkomt en meer omvat dan de ‘klassieke’ handel in contante geldstromen. Met name het gebruik van bedrijfsstructuren en de mogelijkheid om ook in cryptovaluta wereldwijd transacties uit te voeren, verbreden het beeld van het fenomeen ondergronds bankieren met crimineel verkregen geld. Ook blijkt dat de verschillende modi operandi van ondergronds bankieren wereldwijd door elkaar heen lopen en opportunistisch aan elkaar worden gekoppeld om zo criminele geldstromen rond te laten gaan;

     

  • -

    uit het WODC rapport d.d. mei 2025 eveneens blijkt dat bedrijven als dekmantel gebruikt kunnen worden voor het verhullen van de ondergrondse bankiersdiensten. Deze bedrijven genereren soms legitieme inkomsten naast de illegale geldstromen. Het voordeel van het gebruik van dergelijke bedrijfsstructuren is dat hiermee contant geld giraal kan worden gemaakt of kan worden witgewassen;

     

  • -

    in de raadsinformatiebrief d.d. 11 november 2025 wordt aangegeven dat criminele netwerken internationaler en professioneler worden. Om onder de radar te blijven, controles te ontwijken en winsten veilig te stellen, zetten zij eenvoudig schijnbedrijven op, en maken gebruik van ondergrondse financiële infrastructuren. Hierdoor ontstaat een parallelle economie;

     

  • -

    de instroom van crimineel geld leidt tot oneerlijke concurrentie en vermenging van de onder- en bovenwereld. De burgemeester heeft in de raadsinformatiebrief d.d. 11 november 2025 aangegeven een eerlijke economie met gelijke kansen voor ondernemers te willen, waarbij transparantie en integriteit de norm zijn. De geldstromen moeten zichtbaar en controleerbaar zijn, zodat criminaliteit wordt beperkt en zo goed mogelijk wordt voorkomen;

     

  • -

    in het RIEC Amsterdam-Amstelland signalen en bevindingen zijn opgedaan die wijzen op een concentratie van ondernemingen actief in de (kleding)groothandel in het pand Rijswijkstraat 177, 181a, 181b, 183, 185 en 185a (hierna: 177-185) die betrokken zijn bij malafide activiteiten, zoals ondergrondse bankiersdiensten;

     

  • -

    gebleken is dat de aanwezige ondernemingen in dit pand grotendeels onderdeel uitmaken van de merkloze kledinggroothandel en dat deze branche gevoelig is voor ondermijnende criminaliteit;

     

  • -

    de merkloze kledinggroothandel sinds 2011 onder de aandacht staat van handhavende- en opsporingsinstanties vanwege (fiscale) misstanden en verschillende vormen van (ondermijnende) criminaliteit, zoals valsheid in geschrifte, witwassen, arbeidsmarktfraude en het faciliteren van ondergronds bankieren. In de afgelopen jaren zijn bij de deelnemende partners van het RIEC bovendien een disproportioneel groot aantal signalen naar voren gekomen van ondermijnende criminaliteit op de Rijswijkstraat 177 – 185;

     

  • -

    de interventies van de verschillende handhavende- en opsporingsinstanties en de interventies in RIEC verband tot nu toe niet hebben geleid tot een beëindiging van de ondermijnende effecten die van de bedrijven in dit pand uitgaan;

     

  • -

    andere bestuurlijke maatregelen, zoals een sluiting van het pand, repressieve middelen zijn om de openbare orde te herstellen en derhalve niet toereikend in kader van een (preventieve) aanpak van ondermijning;

     

  • -

    gelet op bovenstaande, risico’s (blijven) bestaan in de bedrijfsmatige activiteiten ten aanzien van de openbare orde, veiligheid, leefbaarheid en ondermijnende activiteiten;

     

  • -

    strafrechtelijk vervolgen eveneens niet toereikend is om ondermijnende activiteiten in een onderneming te weren, omdat ook bij een stafrechtelijke vervolging van personen betrokken bij een onderneming, de ondermijnende activiteiten in/via een onderneming doorgang kunnen vinden, bijv. door het inzetten van personen uit het (mogelijk criminele) netwerk of stromanconstructies;

     

  • -

    gezien het vorenstaande en de beperkte bestuurlijke instrumenten in het kader van de ondermijningsaanpak, het instellen van een vergunningplicht, die een voorafgaande integrale toets van de bedrijfsvoering inclusief financiering mogelijk maakt, derhalve noodzakelijk en doelmatig is;

     

  • -

    een in te stellen vergunningplicht voor het pand geldt voor gevestigde en toekomstige ondernemingen actief in de (kleding)groothandel en derhalve ook een preventief middel is tegen vestiging van mogelijk (toekomstige) malafide ondernemers actief in de (kleding)groothandel;

     

  • -

    de invoering van een pandgerichte vergunningplicht niet discriminatoir is, omdat ook op andere panden waar dergelijke risico’s voorkomen in de bedrijfsmatige activiteiten een vergunningplicht kan worden ingesteld, mits voldoende signalen bekend zijn;

     

  • -

    de invoering van een pandgerichte vergunningplicht voor deze branche in dit pand evenmin discriminatoir is, omdat de aanwijzing gerechtvaardigd is door het afwijkende patroon van signalen over ernstige misstanden die over bedrijven op deze locatie al jarenlang worden ontvangen;

     

  • -

    door het instellen van een vergunningplicht op het pand Rijswijkstraat 177 - 185 toezicht en handhaving op de bedrijfsmatige activiteiten mogelijk wordt en de burgemeester op grond van artikel 1.6 van de APV voorschriften kan verbinden aan een vergunning;

     

  • -

    gezien de signalen die tevens verband houden met de bedrijfsvoering het noodzakelijk wordt geacht dat er tijdens openingstijden een leidinggevende aanwezig is in het pand;

     

  • -

    door de invoering van een aanwezigheidsverplichting van een leidinggevende screening, toezicht en handhaving mogelijk is op wie er daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding in de winkel gedurende de openingstijden;

     

  • -

    het instrument gerechtvaardigd is gezien de ondermijnende activiteiten die zich vermoedelijk in dit pand voordoen en de noodzaak om geen criminele activiteiten te faciliteren.

Brengt ter algemene kennis dat zij op 19 januari 2026 heeft besloten:

 

  • A)

    Het pand Rijswijkstraat 177, 181a, 181b, 183, 185 en 185a (kadastraal bekend als STN02 E 09765 A 0001, en in de van dit besluit deel uitmakende kaart rood omlijnd weergegeven) aan te wijzen als pand waarin het exploiteren van een groothandel niet is toegestaan zonder te beschikken over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.64 van de APV.

     

  • B)

    Groothandel te definiëren als: De bedrijfsuitoefening waarbij de onderneming voor eigen rekening en risico goederen betrekt, in voorraad houdt en verkoopt aan andere ondernemingen dan wel groot- of kleinhandelaren, maar niet aan particulieren of eindgebruikers.

     

  • C)

    De Wet Bibob van toepassing is op de vergunningsaanvraag.

     

  • D)

    Dat er tijdens openingstijden van een bedrijf als bedoeld onder A een leidinggevende aanwezig is in het bedrijf.

     

  • E)

    De termijn als bedoeld in artikel 3.69 van de APV, waarop de vergunningplicht in werking treedt, vast te stellen op direct, met dien verstande dat indien een aanvraag voor een vergunning is ingediend binnen de termijn gesteld onder G, de bedrijfsmatige activiteiten in principe kunnen worden voortgezet totdat op de aanvraag een besluit is genomen.

     

  • F)

    Gelet op bovenstaande de termijn op direct is vastgesteld vanwege het risico op doorverkoop en stromanconstructies.

     

  • G)

    De termijn waarbinnen de vergunning aangevraagd moet worden en waarna handhavend opgetreden kan worden vast te stellen op vier weken na inwerkingtreding van dit besluit.

     

  • H)

    Dit besluit in werking te laten treden op de dag na die van bekendmaking in het Gemeenteblad en te laten voortduren tot vijf jaar nadien, tenzij de openbare orde, veiligheid en/of ondermijning eerdere intrekking ervan toestaat of verlenging ervan vergt. Het besluit kan worden aangehaald als “Aanwijzingsbesluit Rijswijkstraat 171, 181a, 181b, 183, 185 en 185a”

Burgemeester van Amsterdam voornoemd,

Femke Halsema

 

Niet eens met dit besluit?

Bent u het niet eens met dit besluit? Dan kunt u binnen zes weken na de datum op deze brief bezwaar maken. In uw bezwaarschrift moet staan: uw naam, adres, woonplaats, telefoonnummer, de datum waarop u het bezwaarschrift schrijft en uw handtekening, het kenmerknummer van dit besluit en de reden waarom u bezwaar maakt. Stuur ook een kopie van deze brief mee. Stuur uw bezwaarschrift naar: De burgemeester van Amsterdam, Directie Juridische Zaken, Postbus 202, 1000 AE Amsterdam.

 

Naar boven