Gemeenteblad van Noardeast-Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noardeast-Fryslân | Gemeenteblad 2026, 468462 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noardeast-Fryslân | Gemeenteblad 2026, 468462 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Door middel van deze publicatie legt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân het ontwerp van het omgevingsprogramma klimaatadaptatie 2027-2031 ter inzage.
Het ontwerp omgevingsprogramma klimaatadaptatie 2027-2031 gemeente Noardeast-Fryslân wordt ter inzage gelegd zoals aangegeven in 'bijlage A'.
Het ontwerp omgevingsprogramma klimaatadaptatie 2027-2031 gemeente Noardeast-Fryslân, zoals opgenomen in Bijlage A, betreft een initiële publicatie.
Het klimaat verandert: het wordt warmer, natter, droger en de zeespiegel stijgt. Dit beïnvloedt onze maatschappij en fysieke leefomgeving op verschillende manieren. Met het omgevingsprogramma klimaatadaptatie geven we uitvoering aan het nationale en gemeentelijke doel dat de gemeente Noardeast-Fryslân in 2050 klimaatbestendig is ingericht en aangepast aan de risico’s die ontstaan door de gevolgen van klimaatverandering.
Een klimaatbestendige gemeente kan de meest ernstige gevolgen van het veranderende klimaat (schade en gezondheidsrisico's) opvangen. Er wordt ingezet op een gezonde, leefbare en toekomstbestendige leefomgeving. Dit doen we onder andere door risico's te verkleinen, denk bijvoorbeeld aan voldoende groen en schaduw in de openbare ruimte. Samenwerking met andere overheden en de hulp van de Mienskip (inwoners, ondernemers, agrariërs) is hiervoor noodzakelijk. Ondanks het nemen van maatregelen, is het niet mogelijk om alle gevolgen van klimaatverandering te voorkomen.
Het omgevingsprogramma beschrijft de maatregelen, die we vanuit onze rol als gemeente willen nemen, om de negatieve gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken. Dit gebeurt aan de hand van 3 pijlers:
Klimaatadaptatie toepassen in de openbare ruimte
Klimaatadaptatie borgen in de gemeentelijke organisatie en beleid
Klimaatadaptatie met en door de Mienskip
De komende 5 jaar willen we ons voornamelijk richten op de kernen en wijken met de grootste opgaven. Hiervoor is per dorp of wijk in kaart gebracht waar de opgaven liggen, als het gaat om wateroverlast, hitte, droogte en biodiversiteit. Ook willen we klimaatadaptatie beter borgen in onze organisatie. Dit omgevingsprogramma geeft middels een beleidskader handvaten voor ontwikkeling, beheer en uitvoering binnen de gemeente. Tot slot beschrijven we hoe we de Mienskip willen bewegen om maatregelen te nemen op eigen terrein.
Het klimaat verandert: het wordt warmer, natter, droger en de zeespiegel stijgt. Het KNMI voorspelt dat we te maken krijgen met extremer weer: hittegolven nemen toe, regen- en hagelbuien zijn heviger, er is vaker storm en er zijn langere perioden van droogte. Hierdoor neemt de kans op schade en gezondheidsrisico’s toe. Daarom is het, naast het tegengaan van klimaatverandering (klimaat-mitigatie), belangrijk dat we onze gemeente tijdig aanpassen aan klimaatverandering (klimaat-adaptatie). Als we de gemeente veilig, gezond, leefbaar en aantrekkelijk willen houden voor toekomstige generaties, moeten we onze leefomgeving zodanig inrichten dat we ons voldoende kunnen weren tegen de weersextremen. De gemeente werkt de ‘klimaat’ sporen uit in verschillende plannen/omgevingsprogramma’s:
Klimaatmitigatie: Door het beperken van de uitstoot van broeikasgassen daalt onze impact op klimaatverandering. Binnen de energietransitie en het gemeentelijke Omgevingsprogramma Warmte worden maatregelen opgenomen die we willen nemen om als gemeente deze uitstoot tegen te gaan en daarmee klimaatverandering af te remmen.
Klimaatadaptatie: Ondanks de mitigerende maatregelen blijft het klimaat de komende jaren veranderen. Het Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie beschrijft welke maatregelen we gaan nemen om onze gemeente aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Deels wordt klimaatadaptatie ook meegenomen binnen het Water en Rioleringsprogramma (WRP), middels het oplossen van de wateroverlastlocaties.
Relatie met de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie vormt het integrale en richtinggevende kader voor de fysieke leefomgeving van de gemeente. Vanuit deze visie worden het gemeentelijk beleid en de uitvoering van projecten gestuurd. De omgevingsvisie kent vier kernopgaven.
Prettig wonen en leven
Een gezonde, veilige leefomgeving
Een gezonde economische structuur en toeristisch-recreatief aantrekkelijk
Een energie neutrale, klimaatbestendige en biodiverse gemeente
Een omgevingsprogramma is een instrument uit de nieuwe Omgevingswet en bevat concrete maatregelen om de doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Dit omgevingsprogramma is een concrete uitwerking van de omgevingsvisie op het gebied van Klimaatadaptatie (kernopgave 4).
Relatie met het Omgevingsplan
In dit omgevingsprogramma wordt het beleid voor klimaatadaptatie uitgewerkt en maatregelen voorgesteld. Het beleid en de maatregelen uit dit programma kunnen, wanneer dit gewenst of mogelijk is, rechtstreeks juridisch worden doorvertaald naar regels in het omgevingsplan (zogenaamde beleidsdoorwerking). In dit omgevingsprogramma geven we aan welke onderdelen dit betreft (zie H5).
Dit omgevingsprogramma sluit aan bij en geeft uitvoering aan beleidskaders op Europees, nationaal en provinciaal niveau. Op nationaal niveau zijn Europese kaders en doelen voor klimaatadaptatie vertaald naar de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) en het Deltaprogramma, waar het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) deel van uit maakt. Op provinciaal niveau is dit verder uitgewerkt in onder andere de BOVI en Fryslân Klimaatbestendig 2050+. Het Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie van de gemeente Noardeast-Fryslân vormt een lokale uitwerking en borging van deze samenhangende beleidskaders, passend bij de specifieke kwetsbaarheden van de gemeente.
Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig ingericht
Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) beschrijft hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk deze transitie kunnen doorlopen. De Nationale Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie stelt dat Nederland in 2050 water robuust en klimaatbestendig is ingericht.
Het DPRA gaat uit van een uitvoeringsperiode van 2020-2050 op basis van een 6-jarige beleidscyclus. Iedere 6 jaar wordt een herijking gedaan van het klimaatadaptatiebeleid op basis van nieuwe KNMI-klimaatscenario’s. De provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en de Friese gemeenten hebben afgesproken om de regionale uitwerking van het DPRA samen op te pakken. Het DPRA beschrijft een cyclus van 3 stappen die herhaaldelijk moeten doorlopen om klimaatbestendig te worden.
Weten - Kwetsbaarheden analyseren via een stresstest: In samenwerking met de andere Friese overheden zijn in 2018 voor de hele provincie klimaatstresstesten uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in de Friese Klimaatatlas;
Willen - Adaptatiestrategie bepalen door middel van risicodialogen: De Friese gemeenten en het Wetterskip Fryslân hebben risicodialogen gevoerd met verschillende partijen. Op basis van de Friese klimaatatlas, risicodialogen en al bestaande strategieën in beleidsplannen is de Friese klimaatadaptatiestrategie samengesteld. De gemeente Noardeast-Fryslân heeft dit belegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2027;
Werken: Aanpak borgen in uitvoeringsagenda’s, programma’s en wet- en regelgeving: Een deel van de aanpak (met name op het gebied van wateroverlast) is al geborgd in het GRP. Met dit Omgevings-programma Klimaatadaptatie werkt de gemeente Noardeast-Fryslân de laatste stap verder uit en borgt ook de overige aspecten van klimaatadaptatie in het beleid.
Natuurherstelwet
Voor de gemeente Noardeast-Fryslân betekent de Europese Natuurherstelwet (2023) dat beleid en projecten in de nabije toekomst sterker moeten bijdragen aan vergroening en natuurherstel, bijvoorbeeld door het verbinden van natuurgebieden, het versterken van landschapselementen, en het vergroenen van dorpen en steden. Er ligt hier een belangrijke koppeling met het nemen van maatregelen voor klimaatadaptatie. De Natuurherstelwet verplicht lidstaten om natuurgebieden te herstellen en biodiversiteit te versterken, met doelen voor onder andere waterkwaliteit, biodiversiteit en vergroening van stedelijke gebieden. Het Rijk werkt de wet de komende jaren verder uit, waardoor de precieze verplichtingen en kansen voor gemeenten nog nader vorm krijgen.
Dit omgevingsprogramma staat niet op zich zelf maar is één van de onderdelen van de fysieke leefomgeving. Maatregelen uit andere omgevingsprogramma kunnen bijdragen aan het halen van doelen uit dit omgevingsprogramma en andersom. Vanuit het Water en Rioleringsprogramma worden de komende jaren de wateroverlastlocaties aangepakt. Verder koppelen we de communicatie en subsidieverstrekking aan maatregelen uit het Warmteprogramma en Energietransitie om informatie en ondersteuning toegankelijker te maken voor inwoners. Onze gemeente heeft nog geen specifiek omgevingsprogramma voor biodiversiteit. Door biodiversiteit mee te nemen in dit programma borgen we deels ook het biodivers inrichten van de gemeente.
Verder zijn er maatregelen die bij dragen aan een klimaatbestendige gemeente (in het buitengebied) opgenomen in het Omgevingsprogramma Landbouw, bijvoorbeeld het vergroten van de zoetwaterbeschikbaarheid door het anders inrichten en beheren van onze bermen. Daarnaast speelt ook het buitendijks gebied langs de Waddenzee een belangrijke rol. De natuurlijke processen en biodiversiteit in dit gebied hebben direct invloed op de klimaatadaptatie en ecologische kwaliteit binnendijks. In een toekomstig gemeentelijk omgevingsprogramma voor het Waddengebied kan de relatie met onze binnendijkse opgaven worden opgenomen.
De doelen en maatregelen worden doorvertaald in de kapitaalgoederennota, Omgevingsprogramma Openbare Ruimte en de gebiedsgerichte programma’s zoals het Omgevingsprogramma Dokkum. Naast de koppeling met omgevingsprogramma's, is het belangrijk om de koppeling te zoeken met het gezondheidsbeleid van de gemeente. In 2026 wordt er nieuw gezondheidsbeleid opgesteld in Noardeast-Fryslân. Het is belangrijk om hierin aandacht te hebben voor de effecten op de gezondheid door klimaatverandering. Ook bij het nog op te stellen Omgevingsprogramma Omgevingskwaliteit wordt de koppeling gelegd.
Bij het opstellen van Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie zijn de afwegings- en samenwerkingsprincipes uit de Omgevingsvisie toegepast. Deze principes zorgen ervoor dat beleid en maatregelen zorgvuldig en toekomstgericht worden vormgegeven. Elk beleid en elk project, intern of extern, leggen we langs deze principes. De volgende alinea’s vatten samen hoe deze principes terugkomen in dit omgevingsprogramma.
Klimaatadaptatie koppelen aan andere toepassingen
Klimaatadaptatiemaatregelen worden bij voorkeur multifunctioneel ingezet, zodat ze meerdere doelen tegelijk dienen, zoals waterberging, natuurontwikkeling, recreatie, het verbeteren van de leefbaarheid en gezondheid van inwoners. Het centrale thema binnen dit omgevingsprogramma is klimaatadaptatie, maar vanwege de grote overlap in het nemen van maatregelen voor biodiversiteit en gezonde leefomgeving besteden we extra aandacht aan deze twee thema’s. Nederland heeft in de komende jaren te maken met grote transities en maatschappelijke opgaven. Met name de binnenstedelijke ontwikkelingen, zoals de woningbouwopgave en de energietransitie en de urgentie daarvan, zorgen voor een grote druk op de hoeveelheid groen in de openbare ruimte.
Belangrijke relatie tussen klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid
Voldoende ruimte voor groen en natuur is niet alleen belangrijk voor de biodiversiteit. Veel oplossingen voor klimaatadaptatie en gezondheid zijn te bereiken door het groen inrichten van onze leefomgeving. Wanneer maatregelen voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid nu niet voldoende meegenomen worden binnen deze opgaven betekent dat problemen in de toekomst kostbaarder en moeilijker oplosbaar worden. Door een groenere en klimaatbestendige inrichting van de omgeving wordt de leefbaarheid versterkt, de gezondheid bevorderd, economische kansen
ondersteund en ontstaat een prettige, toekomstbestendige omgeving.
Een gebiedsgerichte en toekomstbestendige aanpak
Bij de uitvoering van klimaatadaptatiemaatregelen wordt rekening gehouden met de bestaande kenmerken van het gebied, zoals landschap, cultuurhistorische elementen en ecologische waarden. Maatregelen worden afgestemd op deze context, zodat het karakter en de identiteit behouden blijven of versterkt worden. Bij het nemen van klimaatadaptatiemaatregelen wordt nadrukkelijk gekeken naar de gevolgen voor toekomstige generaties. Door nu proactief in te grijpen, zoals het creëren van waterberging of het vergroenen van stedelijke gebieden, worden toekomstige problemen voorkomen en kunnen hoge kosten door achteraf ingrijpen worden beperkt.
Klimaatadaptatie voor en door iedereen
Het omgevingsprogramma draagt bij aan een inclusieve samenleving voor diverse doelgroepen door te zorgen dat maatregelen en informatie iedereen kunnen bereiken. Zo worden inwoners actief betrokken via bijvoorbeeld subsidies, het delen van kennis of door bewustwordingscampagnes. Ook is het nodig om er rekening mee te houden dat klimaatadaptieve maatregelen in de openbare ruimte toegankelijk zijn, bijvoorbeeld rolstoelvriendelijk of geschikt voor blinden. Dit is niet overal nodig, maar er moeten voldoende mogelijkheden zijn voor deze doelgroepen. Daarnaast wordt aandacht besteed aan klimaatarmoede, zodat ook kwetsbare groepen zich beter kunnen weren tegen de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatbestendig worden doen we voor de Mienskip. Inwoners en externe stakeholders zoals Wetterskip Fryslân zijn betrokken middels een participatieproces. Ook intern zijn verschillende vakgebieden en beleidsthema’s betrokken binnen het proces en de werkgroep om te komen tot dit omgevingsprogramma.
Dit Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie is opgesteld door een ambtelijke projectgroep van de gemeente Noardeast-Fryslân. Met een startnotitie is de raad geïnformeerd over de doelen en scope van dit omgevingsprogramma. Vervolgens is er middels een analyse onderzocht hoe klimaatbestendig de grootste kernen en wijken van de gemeente zijn, dit is verwerkt in een storymap. Deze storymap is gebruikt tijdens een campagne om informatie op te halen bij inwoners en te werken aan bewustwording. Ook is er gebruik gemaakt van informatie dat is opgehaald tijdens het opstellen van het WRP (2026) en voormalige GRP (2021). Daarnaast is het onderwerp klimaatadaptatie ook behandeld binnen het participatieproces van de Omgevingsvisie.
In het volgende hoofdstuk wordt beschreven met welke gevolgen klimaatverandering voor onze gemeente heeft en hoe klimaatbestendig onze kernen en wijken nu zijn. Hoofdstuk 3 gaat in op de onze rol binnen het klimaatbestendig inrichten van onze gemeente, en beschrijft hoe we nu al aan klimaatadaptatie werken. Hoofdstuk 4 beschrijft in hoofdlijnen waar we de komende jaren op willen inzetten. In hoofdstuk 5 worden deze hoofdlijnen geconcretiseerd in een overzicht van maatregelen die we de komende jaren gaan nemen om onze gemeente klimaatbestendig in te richten. Als laatste geeft hoofdstuk 6 uitgangspunten (beleidskader klimaatadaptatie) waarmee handvaten geboden worden voor ontwikkeling, beheer en uitvoering binnen de gemeente.
In de afgelopen jaren is er veel onderzoek verricht naar de effecten van klimaatverandering op onze samenleving. Op nationaal niveau brengt het KNMI klimaatrisico's in kaart doet en voorspellingen omtrent klimaatverandering. Binnen het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) werken wereldwijd landen en onderzoekers samen om de beschikbare kennis op het gebied van klimaatverandering en de gevolgen daarvan in kaart te brengen. Zowel het KNMI als het IPCC publiceren klimaatrapporten waarin de meest relevante en actuele informatie uit het wetenschappelijke onderzoek rondom klimaatverandering beschreven staat. Deze informatie wordt op basis van nieuw onderzoek voortdurend bijgesteld en het is belangrijk om dit te blijven volgen.

Figuur 1: Klimaatrisico's
Klimaatverandering beïnvloedt onze maatschappij en fysieke leefomgeving op verschillende manieren. De effecten van klimaatverandering zullen zich niet uitsluitend voordoen in onze fysieke leefomgeving maar ook doorspelen op onze economie, infrastructuur en samenleving (figuur 1). De Nationale Adaptatie Strategie geeft een overzicht van de belangrijkste klimaatrisico’s. Deze effecten zijn in hoofdlijnen op te delen in 4 punten.
Het wordt natter
We krijgen te maken met meer neerslag in kortere tijd, waardoor het risico op wateroverlast toeneemt. Straten, kelders en tuinen kunnen onderlopen, en het rioolstelsel raakt sneller overbelast. Ook de infrastructuur en landbouw kunnen overlast ervaren door te veel water. De draagkracht van wegconstructies kan verweken en verzwakken wat leidt tot hogere kapitaallasten. Verder neem de kans op de verspreiding van infectieziekten via muggen toe. Bij wateroverlast kunnen ziekteverwekkers zich sneller verspreiden via vervuild oppervlaktewater. Voor de gemeente betekent dit dat er maatregelen nodig zijn om regenwater beter vast te houden, te infiltreren en af te voeren. Bijvoorbeeld wadi’s, klimaatadaptieve groenzones en een gescheiden rioolstelsel worden belangrijker om schade te beperken.
Het wordt warmer
De temperatuur stijgt, met meer hittegolven en warme nachten. In versteende buurten kan hittestress ontstaan, wat gevolgen heeft voor de gezondheid van kwetsbare groepen (zoals ouderen en mensen met een zwakke gezonheid) en de leefbaarheid in woonwijken. Daarnaast beïnvloedt hitte het functioneren van infrastructuur, gebouwen en het energiesysteem: asfalt kan vervormen, elektriciteitsnetten raken zwaarder belast, en de behoefte aan koeling neemt toe. Door de toenemende warmte worden mensen meer blootgesteld aan UV-straling, met alle gezondheidsgevolgen van dien. Groenvoorziening, schaduwplekken en ventilatie worden belangrijker om de openbare ruimte leefbaar te houden.
Het wordt droger
Lange periodes van droogte leiden tot watertekorten, verdroging van natuur en groenvoorzieningen en schade aan landbouwgewassen. Droogte en verzilting kunnen leiden tot sterfte van bomen en beplanting. Ook de infrastructuur kan hier effecten door ondervinden. Niet alle materialen zijn evengoed resistent tegen zout water. Ook kan de bodem inklinken en funderingen kunnen verzakken. Er kunnen scheuren ontstaan in wegconstructies maar ook walbeschoeingen kunnen impact ondervinden. Hierdoor kan de (rest)levensduur afnemen waardoor vervangingen eerder nodig zijn. Dit vraagt om maatregelen om grondwater vast te houden en te reguleren, en de bodem veerkrachtig te houden, bijvoorbeeld via vergroening en duurzaam bodembeheer.
De zeespiegel stijgt
De afgelopen tienduizenden jaren zijn er verschillende temperatuurwisselingen en veranderingen in zeespiegel geweest. Tijdens koudere perioden trok het waterniveau zo sterk terug dat grote delen van de Noordzee droog kwamen te liggen. Gedurende warmere perioden zorgde een verhoogde zeespiegel dat onze huidige leefomgeving veel natter, of zelfs onbewoonbaar was. Het feit is dat we in een laaggelegen kustgemeente leven, dit maakt ons extra kwetsbaar. Door onze eeuwenlange strijd met het water zijn we erg goed geworden in het buiten houden van het water. Eerst met terpen en later met zeedijken en gemalen. Het blijft belangrijk om bij het inrichten van onze leefomgeving ook rekening te houden met mogelijke ingrijpende gevolgen van klimaatverandering in de toekomst.
De biodiversiteit gaat wereldwijd achteruit (figuur 2). De veranderingen in het klimaat hebben ook invloed op de biodiversiteit in onze gemeente. Hogere temperaturen, langere droge periodes en hevige regenval leiden tot veranderingen in leefgebieden van planten en dieren. Sommige soorten verdwijnen, terwijl andere juist oprukken. Verdroging en verzilting tasten de kwaliteit van natuur- en landbouwgronden aan, waardoor voedselbronnen voor insecten, vogels en zoogdieren afnemen. Intensief beheer en inrichting van de openbare ruimte en het beperkte aantal verbindingen tussen natuurgebieden maken dat soorten zich moeilijk kunnen verplaatsen of herstellen na verstoring.
Een afnemende biodiversiteit verzwakt de natuurlijke veerkracht van het landschap: het vermogen van ecosystemen om extreme weersomstandigheden op te vangen neemt af. Een gemeente is biodivers ingericht wanneer de inrichting van de openbare ruimte bijdraagt aan de lokale variatie van leven en rekening houdt met de behoeften van planten en dieren aan voedsel, nestplaatsen en verbindingen tussen gebieden. Daarom is het belangrijk dat de gemeente inzet op een groene en ecologisch samenhangende inrichting, waarin de kernen en het buitengebied beter met elkaar verbonden worden. Zo wordt de gemeente niet alleen klimaatbestendiger, maar ook leefbaarder voor mens én natuur.

Figuur 2: Het verloop van de wereldwijde afname van biodiversiteit bij verschillende inspanningsniveaus.
Onderzoek wijst uit dat de Nederlandse bevolking groeit en blijft groeien. Hierdoor stijgt de vraag naar plekken om te wonen en te werken. De meeste bevolkingsgroei wordt verwacht in stedelijke gebieden. Deze groei gaat gepaard met ‘verstening’. Sinds 2000 scoort Nederland bovengemiddeld in de EU als het gaat om grootschalige toename van verstening. De verwachting is dat deze trend doorzet. De uitbreidingen die hier voor nodig zijn brengen verschillende uitdagingen met zich mee.
Oplossingen die nu goedkoop en betaalbaar lijken kunnen later juist (indirect) tot hoge kosten leiden. Te snel ontwikkelen zonder rekening te houden met toekomstige uitdagingen stelt (hogere) kosten uit. Een voorbeeld zijn wijken zoals de Hoedenmakerspolder die in een te laag gebied zijn gebouwd en waar nu een grote opgave voor wateroverlast is. Daarnaast tonen steeds meer onderzoeken het belang van toegang tot voldoende groen en natuur in de woon en werk omgeving voor de lichamelijke en mentale gezondheid van inwoners. We hebben nu de kans om de inrichting toekomstbestendig en klimaatadaptief uit te voeren om daarmee schade, gezondheidrisico’s en (zorg)kosten in de toekomst te voorkomen.
De gezondheid staat in Nederland onder druk. Het aantal mensen met chronische ziektes zoals hart- en vaatziekten, diabetes en dementie neemt steeds meer toe, o.a. door de vergrijzing. Verder zijn er zijn steeds meer mensen met psychische klachten zoals depressie, angst, eenzaamheid en stress, dit komt veelal ook voor bij jongeren en jongvolwassenen. Dit alles leidt tot een steeds hogere zorgvraag en druk op de zorginfrastructuur.
Onder andere de GGD informeert gemeentes over de gevolgen van klimaatverandering. Deze hebben grote gezondheidsimpacten, denk aan een toename van huidkanker of meer ziekte en sterfte door hitte. Gezondheidsproblemen kunnen ook optreden door temperatuursveranderingen, extreme weersomstandigheden, verminderde luchtkwaliteit en een toename van allergenen en ziekteverwekkers. Daar tegenover staat dat maatregelen omtrent klimaatadaptatie juist de druk op de zorg kunnen tegengaan, bijvoorbeeld door het vergroenen van de woonomgeving wat goed is voor de mentale gezondheid en zorgt voor minder ziekte en sterfte door hittestress.
De GGD adviseert gemeenten om gezondheid nadrukkelijk mee te nemen bij de uitvoering van klimaatadaptatie. Dit kan onder meer door het voorkomen van hittestress via het realiseren van meer schaduw, groene en koele verblijfplekken en waterelementen in woonwijken en bij zorglocaties. Daarnaast is het bevorderen van een goede ventilatie en een gezond binnenklimaat in woningen, scholen en andere publieke gebouwen van groot belang. Ook het versterken van sociale interactie speelt een rol, zodat kwetsbare inwoners tijdens perioden van extreme hitte of andere klimaatoverlast niet geïsoleerd raken. Verder wordt ingezet op het stimuleren van bewustwording en voorbereiding, bijvoorbeeld door voorlichting over verkoeling door groen en het veilig omgaan met water.
Door gezondheid structureel te betrekken bij klimaatmaatregelen ontstaat een dubbel rendement: een omgeving die zowel klimaatbestendig als gezond is. Een groene, koele en veilige leefomgeving bevordert herstel, vermindert stress en draagt bij aan de vitaliteit en het welzijn van inwoners.
In het najaar van 2024 is door Antea Group een analyse uitgevoerd waarbij alle dorpen en wijken van de gemeente Noardeast-Fryslân met meer dan 250 inwoners nader onderzocht zijn op klimaatbestendigheid. Deze analyse is verwerkt in een storymap (Klimaatatlas Noardeast-Fryslan). Per thema (wateroverlast, hitte, droogte en overstroming) is op basis van een aantal indicatoren een score gegeven. Ook biodiversiteit is in deze analyse meegenomen. De onderbouwing en uitleg voor deze analyse is te vinden in de Notitie Klimaatbestendige kernen Noardeast-Fryslân. Een uitgebreide toelichting per dorp en wijk is te vinden in de factsheets (via de storymap). Samengevoegd heeft dit geresulteerd in onderstaande kaart (figuur 3). Op deze manier is zichtbaar geworden waar de grootste opgaven de komende jaren liggen. De tabel in Bijlage_I_Klimaatadaptatie_scores_per_buurt.pdf geeft een overzicht van de scores per thema per buurt.
Rood: op deze plekken zijn we niet goed voorbereid op het veranderende klimaat.
Oranje: op deze plekken zijn nog enkele acties nodig om voorbereid te zijn op het veranderende klimaat.
Groen: op deze plekken zijn we voldoende voorbereid op het veranderende klimaat.

Figuur 3: Scores per kern in de gemeente voor klimaatbestendigheid.
Wateroverlast
Voor de wijken in Dokkum waar wateroverlast wordt gesignaleerd geldt dat dit hoofdzakelijk te maken heeft met de grote hoeveelheid verharding en het ontbreken van watergangen (tabel 1). Daardoor moet de riolering het hemelwater verwerken, die daar niet op berekend is. In een aantal dorpen ontstaat wateroverlast doordat het in de dorpen aanwezige oppervlaktewater onvoldoende capaciteit heeft waardoor het water niet voldoende snel kan worden afgevoerd. Verder zijn er plekken waar het groen hoger ligt dan de bestrating waardoor regenwater van de straat niet via het groen kan weg stromen of infiltreren. Ook zijn er locaties waar de as van de weg is verzakt waardoor op de weg veel water blijft staan dat voor overlast kan zorgen.
Voor een aantal locaties zijn recentelijk maatregelen getroffen vanuit het GRP welke nog niet meegenomen zijn in de analyse. Daar is de kans voor wateroverlast afgenomen, verdwenen, of komt nog zeer sporadisch voor. Voor de duidelijkheid we kunnen het nooit voorkomen. Er kunnen zich altijd buien voordoen die voor overlast kunnen zorgen.
De volgende buurten zijn recentelijk maatregelen getroffen:
Dokkum: Fonteinslanden;
Kollum: Meckama, Maartensplein, Waling Dijkstrastrjitte/Halbersmastrjitte, Oosteinde, Bernardlaan, Julianastraat/Wilhelminastraat en de van Scheltingalaan;
Burdaard: Wânswerterdyk;
Ternaard: Hantumerwei/Seepwei;
Mitselwier: Roptawei, Julianastrjitte.
Tabel 1: Overzicht slechtst scorende buurten voor wateroverlast in het openbaar gebied.
Hitte
In deze wijken (tabel 2) is met name een lage boomkroonbedekking een probleem, de meeste van deze kernen scoren zeer laag, <10% totale boomkroonbedekking (Bijlage_II_Percentages_groen_openbaar_terrein.pdf & Bijlage_III_Percentages_boomkroonbedekking_per_buurt.pdf). Onderzoekers geven aan dat een optimale bijdrage aan gezondheid en biodiversiteit optreedt vanaf >30% totale boomkroonbedekking per buurt. Ook het aandeel verharding is relatief hoog in deze buurten (Bijlage_IV_Percentages_verharding_per_buurt.pdf). Daarnaast zijn er in een aantal dorpen geen of niet voldoende grote groene en koele verblijfplekken (>1 ha) zoals parken dorpsbosjes op loopafstand (300 regel). Dorpsbosjes in andere dorpen worden door inwoners als erg waardevol gezien om bijvoorbeeld te wandelen, verkoeling te zoeken, tot rust te komen en voor kinderen om in de natuur te spelen.
Tabel 2: Overzicht slechts scorende buurten voor hitte in het openbaar gebied.
Droogte
Door droogte zakt het grondwater. Dit kan problemen geven bij oude gebouwen met een houten paalfundering. Als houten paalkoppen langdurig boven het grondwater komen kunnen ze gaan rotten. In klei- en veengebieden leidt een lage grondwaterstand tot bodemdaling. Gebouwen die op staal zijn gefundeerd (dat wil zeggen zonder palen) kunnen schade door verzakkingen oplopen. Ook kunnen ongelijkmatige verzakkingen in wegen leiden tot verzakkingen.

Tabel 3: Overzicht slechts scorende buurten voor droogte in het openbaar gebied.
In een aantal dorpen wordt als gevolg van ernstige droogte verwacht dat de bodem gaat dalen (tabel 3). Voor Dokkum zijn met name de Bolwerken gevoelig voor ernstige droogte. De Bolwerken kunnen daardoor gaan inklinken. Beide kunnen schade geven aan woningen. Droogte is een lastig onderwerp. In de lijst nu gepresenteerd is op basis van algemene gegevens. Om echt een goed inzicht te geven in de werkelijke toestand kan het meetnet voor grondwater uitgebreid worden.
Overstroming
Het risico op overstroming is laag in onze gemeente. De waterschappen en Rijkswaterstaat zijn verantwoordelijk voor de status van de waterkeringen en het beschermen tegen overstroming. De problematiek tijdens een overstroming wordt opgepakt vanuit de Veiligheidsregio. De rol van de gemeente in het nemen van maatregelen is hierin beperkt. Om een compleet overzicht voor alle klimaatitems te hebben, zijn de scores voor dit thema in de tabel opgenomen.
Biodiversiteit
In de slecht scorende wijken is er relatief weinig klimaatadaptief openbaar groen zoals kruidenrijk gras en bosplantsoen, en veel intensief beheerd groen zoals gazon en cultuurbeplanting (tabel 4). Daarnaast is er een lage variatie in (boom)soorten in de openbare ruimte. In een klimaatbestendigere omgeving is gevarieerd groen belangrijk. Voorbeeld: Wanneer er een nieuwe bomenziekte op zou duiken en de bomen in een gebied bestaan grotendeels maar uit 1 soort, dan kan een groot deel van de bomen in een buurt opeens verdwijnen. In Dokkum binnen de Bolwerken bestaat bijvoorbeeld ongeveer de helft van het bomenbestand uit Lindebomen. Dit maakt een dergelijke buurt kwetsbaar.

Tabel 4: Overzicht slechtst scorende buurten voor biodiversiteit in het openbaar gebied.
De afgelopen jaren zijn er in de gemeente Noardeast-Fryslân verschillende initiatieven geweest om de gemeente klimaatbestendiger te maken. We zijn al bezig met het bestendiger maken van ons openbaar groen door middel van nieuwe beheermaatregelen en een verbeterde inrichting. Ook binnen het ruimtelijk planvormingsproces en het rioolbeheer worden er al maatregelen getroffen om wateroverlast tegen te gaan. Daarnaast werken we aan de bewustwording van onze Mienskip door middel van communicatie en subsidies. Ook in het beleid is steeds meer aandacht voor klimaatadaptatie. Onderdelen van klimaatadaptatie zijn al opgenomen in de Omgevingsvisie, het Gemeentelijk Rioleringsplan/Water- en rioleringsprogramma, het Biodiversiteitsplan en het Groenstructuurplan.
Als gemeente kunnen we aan klimaatadaptatie werken vanuit 5 verschillende rollen:
Regisseren: de gemeente neemt zelf maatregelen in de openbare ruimte, past het beheer aan of voert nader onderzoek uit;
Reguleren: de gemeente stelt kaders in bijvoorbeeld het omgevingsplan of dwingt maatregelen af in bijvoorbeeld een verordening;
Stimuleren: via voorlichting werkt de gemeente aan bewustwording;
Faciliteren: de gemeente ondersteunt maatschappelijke initiatieven, bijvoorbeeld met kennis en subsidies;
Samenwerken: de gemeente gaat actief in gesprek en maakt afspraken met andere partijen.
Waar is de gemeente (wel en niet) verantwoordelijk voor?
De gemeente is vaak het eerste aanspreekpunt wanneer het gaat om klimaatadaptatie gerelateerde zaken waarbij de overheid betrokken is. De gemeente is de decentrale bestuurslaag die het dichtst bij de burger staat en is primair verantwoordelijk voor besluitvorming over de ruimtelijke ordening en onderwerpen die raken aan klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit. Zo zorgt de gemeente voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en is de gemeente bevoegd gezag voor de omgevingsvergunningen voor onder meer bouwen en afwijken van het omgevingsplan.
Gemeenten zijn in veel gevallen de integrale beheerder van de fysieke leefomgeving, waaronder gemeentelijke wegen en een groot deel van de openbare ruimte. De gemeente moet zorgen voor de inzameling en verwerking van overtollig regenwater en voor het voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand (zowel te hoog als te laag). Bovendien hebben gemeenten de zorgplicht voor inzameling en verwerking van stedelijk afvalwater.
Maar de gemeente is niet overal verantwoordelijk voor: veel grote opgaven liggen bij het rijk, de provincie of waterschappen. Wetterskip Fryslân is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het versterken van de zeedijken en het regelen van watersysteem en de landbouwtransitie ligt bij de provincie en het rijk. Het grootste deel van de gemeente is particulier terrein. Ondernemers, agrariërs en inwoners zijn verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen op eigen terrein. Afstemming met deze partijen over wie welke zaken oppakt en hoe we kunnen samen werken op het gebied van klimaatadaptatie is daarom van belang.
Binnen de gemeente Noardeast-Fryslân zijn al verschillende maatregelen genomen om de gemeente klimaatbestendiger te maken. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd waarin de gemeente werkt aan klimaatadaptatie:
Gemeentelijk rioleringsplan/Water en Rioleringsprogramma (Rol: regisseren)
Klimaatadaptatie is al deels geborgd in het gemeentelijk beleid binnen het gemeentelijk rioleringsplan (GRP/WRP). In dit plan staat ook hoe we omgaan met de wettelijke zorgplichten voor water. Daar waar mogelijk (en zinvol) koppelen we (schoon) hemelwater van bestaande wegen en daken af van het riool. Op deze manier wordt het riool minder belast en wordt de kans op overstorten en verontreiniging verkleind. Daarnaast wordt er al langere tijd gewerkt aan het voorkomen en oplossen van wateroverlastlocaties. De locaties met wateroverlast zijn inzichtelijk gemaakt op basis van de Friese klimaatatlas. We maken zoveel mogelijk gebruik van op oppervlakkige afstroming. Verder worden drains aangebracht op plaatsen waar hoge grondwaterstanden worden verwacht om de grondwaterstand in de omgeving beter te kunnen beheersen.
Groen beleid en beheer (Rol: regisseren)
In het gemeentelijk groenbeleid (Biodiversiteitsplan en Groenstructuurplan) wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Door het aanpassen van ons groenbeheer versterken we niet alleen de biodiversiteit van de bermen in ons buitengebied, maar vergroten we ook de waterberging in de bodem. Vegetatie hoger laten staan en minder vaak maaien leidt tot minder uitdroging bij hitte. Meer diversiteit in de bermen zorgt voor een gezonder bodemleven en een hoger organisch stofgehalte waardoor regenwater beter kan worden vastgehouden en afgevoerd.
Ook in de kernen nemen we maatregelen. We beschermen en versterken het openbaar groen door het aanplanten van bomen, struiken en gevelbeplanting en creëren daarmee schaduw om onze straten en pleinen te verkoelen tijdens hitte. Bomen en groen leveren niet alleen een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van onze woon- en leefomgeving, maar vergroten ook de biodiversiteit, nemen CO2 op en spelen een belangrijke rol bij klimaatadaptatie (beter vasthouden en afvoeren van regenwater, voorkomen hittestress). Ook heeft de gemeente in 2024 de Bomenverordening vastgesteld. Deze verordening is bedoeld ter bescherming van de bomen in de gemeente.
Samenwerking met andere partijen (Rol: samenwerken)
We participeren bij verschillende projecten die bijdragen aan een klimaatbestendig en natuur inclusief landbouwareaal. We werken binnen gebiedsprocessen en andere samenwerkingsverbanden (o.a. FPLG, Fries Programma Waddenkust, ANNO, Fries Bestuursakkoord Water en Klimaatadaptatie) aan de thema’s water en bodem. De belanghebbende overheden en gebiedspartijen zijn hierin vertegenwoordigd. Daarnaast werkt de gemeente samen met de GGD. De GGD adviseert gemeentes over de link tussen gezondheid en klimaatverandering en klimaatadaptatie. Naast voorlichting en educatie richting inwoners, lopen er ook maatregelen zoals het plaatsen van dispensers met zonnebrandcrème.
De gebiedsprocessen bieden kansen om concreet klimaatmaatregelen uit te voeren. Samen met onder andere de provincie, Wetterskip, landbouw en natuurcollectieven werken we aan het realiseren van groen/blauwe dooradering in het landelijk gebied. Daarnaast biedt samenwerking met natuurcollectieven grote kansen om in het landelijk gebied op particulier terrein grootschalig maatregelen uit te zetten. Het vergroten van de zoetwaterbeschikbaarheid is hier een belangrijk winstpunt, naast het vergroten van de biodiversiteit en bodemgezondheid.
Nieuwbouw en herstructurering (Rol: regisseren, samenwerken)
We nemen klimaatadaptatie al mee in ruimtelijke planvorming. We bouwen niet meer in gebieden die gevoelig zijn voor wateroverlast. Ook bij nieuwbouw en herstructurering is het uitgangspunt dat we (schoon) hemelwater dat op wegen en gebouwen valt afkoppelen van het riool. Daarnaast zorgen we voor de aanleg van voldoende oppervlaktewater als buffer voor piekbuien en voor zoveel mogelijk stevige groenclusters in de wijk. We kijken ook naar alternatieve manieren van bufferen van regenwater in groenstroken, zoals in wadi’s. Het streven is om de toename van verharding voor wegen en parkeren zo laag mogelijk te houden.
Steenbreek, Geveltuin en Subsidie Groene Initiatieven (Rol: stimuleren, faciliteren, samenwerken)
De gemeente had tot eind 2025 verschillende regelingen om de Mienskip te stimuleren en faciliteren. De afgelopen jaren is er elk jaar een actie Steenbreek georganiseerd (figuur 4) waarbij naast bewustwording, in gezet werd op het vergroenen van de leefomgeving, zowel op openbaar als particulier terrein. Ook hadden inwoners de mogelijkheid om samen met de gemeente een geveltuin aan leggen. Verder had de gemeente tot eind 2025 middels een groenfonds jaarlijks 25.000 euro beschikbaar gesteld voor inwoners en initiatiefnemers om tuinen of buurten te vergroenen. Meer groen zorgt ervoor dat er meer regenwater in de bodem kan infiltreren. Dit helpt om het grondwater weer op peil te krijgen en zo stroomt er minder schoon hemelwater in het riool. Groene gevels verkoelen en gaan daarmee hittestress tegen. Deze subsidieregelingen zijn met name waardevol voor inwoners die zelf beperkte middelen hebben maar toch graag maatregelen te willen treffen voor de biodiversiteit of klimaatadaptatie (klimaatarmoede).

Figuur 4: Steenbreekactie in Dokkum
In de Omgevingsvisie staat beschreven dat we in 2050 een klimaatbestendige gemeente willen zijn. Om in 2050 klimaatbestendig te zijn ondernemen we als gemeente actie via dit omgevingsprogramma door de negatieve effecten van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken. Dit leidt tot de volgende overkoepelende ambitie voor dit omgevingsprogramma:
‘’De gemeente Noardeast-Fryslân is in 2050 klimaatbestendig en ingericht en aangepast aan de risico’s die ontstaan door de gevolgen van klimaatverandering.’’
Klimaatbestendig wil zeggen dat de gemeente zodanig is ingericht dat de meest ernstige gevolgen van klimaatverandering (schade en gezondheidsrisico’s) kunnen worden opgevangen. Een klimaatbestendige gemeente beschikt over een weerbaar watersysteem waarin hemelwater lokaal kan worden vastgehouden, geborgen of vertraagd afgevoerd, zodat piekbuien niet leiden tot structurele wateroverlast. De openbare ruimte blijft leefbaar tijdens hitte doordat er voldoende groen, schaduw en verkoelende elementen aanwezig zijn. De bodem is gezond, waardoor droogte beter wordt opgevangen en bomen en andere beplanting duurzaam kunnen groeien. Ook zijn risico’s van overstromingen in beeld en worden ruimtelijke keuzes daarop afgestemd.
Daarnaast draagt een robuuste groenstructuur bij aan biodiversiteit en een sterker ecosysteem, wat de veerkracht vergroot. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden standaard getoetst op klimaatadaptieve principes. Beheer en onderhoud van groen, water, riolering en openbare ruimte zijn zo georganiseerd dat klimaatadaptatie een structureel onderdeel vormt van het dagelijks werk. Bewoners, bedrijven en maatschappelijke partners zijn betrokken bij maatregelen in zowel de publieke als private ruimte. Ook worden klimaatrisico’s actief gemonitord en wordt beleid aangepast wanneer inzichten veranderen. Een klimaatbestendige gemeente verkleint risico’s, vergroot veerkracht en zorgt voor een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving.
We kunnen niet alles oplossen: deels acceptatie
Het is niet mogelijk om alle gevolgen van klimaatverandering te voorkomen. Dit zullen we als gemeente en Mienskip moeten accepteren. Zo kan er bijvoorbeeld wateroverlast ontstaan ten gevolge van extreme clusterbuien terwijl er in het verleden wel maatregelen tegen genomen zijn. Andere voor de hand liggende maatregelen kunnen soms niet worden genomen. Denk aan het vervangen van recentelijk aangelegde riolering. Deze is aangelegd om 80 jaar mee te gaan en zou forse kapitaalvernietiging veroorzaken als deze eerder wordt aangepakt. Ons gemeentelijke GRP gaat er dan ook niet vanuit dat we in 2050 alle waterproblematiek hebben opgelost, maar wel dat we de grootste wateroverlastlocaties hebben opgelost en de risicolocaties in kaart zijn gebracht.
Ook voor de thema’s hitte en droogte is niet alles op te lossen in de openbare ruimte. De hoeveelheid groen in een buurt is grotendeels afhankelijk van hoe inwoners hun tuin of erf inrichten. Wanneer inwoners ervoor kiezen hun terrein minder groen in te richten heeft dit gevolgen voor klimaatadaptatie en de ruimtelijke kwaliteit in een buurt, dit zullen we als Mienskip moeten accepteren. De beschikbare openbare ruimte binnen de historische bolwerken voor extra groen en bomen beperkt. Het bewaren van dit erfgoed gaat moeilijk samen met een boomkroonbedekking van 30%, hier moeten we realistische keuzes maken over wat er wel mogelijk is, bijvoorbeeld door in te zetten op geveltuinen. Juist daarom is het ook belangrijk dat we klimaatadaptatie nu goed meenemen bij (nieuwe) ontwikkelingen, door voldoende ruimte voor groen te reserveren in het openbaar gebied en bijvoorbeeld geen nieuwe woonwijken aan te leggen in laag gelegen gebieden die gevoeliger zijn voor wateroverlast. Op die manier voorkomen we dat volgende generaties problemen moeten oplossen.
In dit omgevingsprogramma ligt de focus voor de komende jaren op het klimaatbestendig inrichten van de kernen met de grootste uitdagingen. Problemen met wateroverlast willen we aanpakken met technische oplossingen zoals het verbeteren van het riool en en anders aanleggen van wegen. Hoe we dat doen beschrijven we in het Omgevingsprogramma Water en Riolering. Daarnaast zijn veel oplossingen te vinden in het vergroenen van onze leefomgeving.
De handreiking ‘Natuurinclusief bouwen voor gezonde bewoners’ (2025) geeft een top 10 van groene maatregelen die gemeenten kunnen toepassen om de leefomgeving klimaatadaptief, biodivers en gezond in te richten:
Groene verbindingroutes met natuurgebieden en voorzieningen in omliggende buurten;
Het toepassen van de 3‑30‑300 regel;
Gevarieerd groen in de wijk met een hoge biodiversiteit;
Groene fiets- en wandelpaden;
Rust- en sociale ontmoetingsplekken in het groen;
Gezamenlijke buurt- volks- en pluktuinen;
Natuurlijke speelplekken en schoolpleinen voor kinderen;
Water opvangplekken;
Groen in de straat vanaf de voordeur;
Groene particuliere tuinen.
Bij het toepassen van maatregelen moeten we rekening houden met onze eigen gemeentelijke context. Veel maatregelen zijn gebaseerd op het stedelijk gebied. Het grootste deel van onze gemeente bestaat uit landelijk gebied waar andere waarden belangrijk zijn. In kernen en wijken willen we meer bomen en in het kleigebied willen we juist het open karakter behouden. Maar we kunnen ook gebruik maken van ons landelijke kustgebied: De zeewind biedt langs de kust extra koelte ten opzichte van het binnenland. Verder is er rond veel kernen natuur te vinden zoals de dorpsbosjes, kwelders of groene wandelpaden, door deze gebieden het hele jaar toegankelijker te maken en te houden voor inwoners neemt de klimaatbestendigheid toe.
Voordelen van een groene leefomgeving
Voldoende ruimte voor groen en natuur is niet alleen belangrijk voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. Onderzoeken tonen aan dat een groene omgeving veel meer voordelen biedt zoals verbeterde gezondheid (minder stress, hart- en vaatziekten, en diabetes), een koelere stad door verkoeling en schaduw, betere luchtkwaliteit door zuivering van fijnstof en CO2, en meer sociale cohesie door ontmoetingsplekken. Ook speelt groen een grote rol bij het bergen en reguleren van regenwater. Daar tegenover staat dat het toevoegen van meer groen en water ervoor kan zorgen dat er meer ruimte ontstaat voor muggen, teken en andere verwekkers van infectieziekten met alle gezondheidseffecten van dien.
Klimaatadaptatie doen we voor de toekomst. De klimaatimpact of schade, bijvoorbeeld door wateroverlast en hittestress, die wordt voorkomen als gevolg van maatregelen is lastig te voorspellen en meten. Dit geldt ook voor de gezondheid, welzijn en verminderde zorgkosten voor inwoners. Toch is het duidelijk dat een groene omgeving korte en op langere termijn veel baten oplevert voor onze mienskip:
Milieu- en klimaatvoordelen Groen
Verkoeling: groen, zoals bomen en planten, zorgt voor verkoeling door schaduw en verdamping. Groene oppervlaktes helpen om het hitte-eilandeffect tegen te gaan;
Betere luchtkwaliteit: bomen en planten filteren fijnstof uit de lucht en nemen CO2 op, wat de luchtkwaliteit verbetert en de uitstoot vermindert;
Waterberging, infiltratie en -zuivering: groen helpt regenwater beter in de bodem te laten zakken en zuivert het water;
Biodiversiteit: groene gebieden creëren leefgebieden voor planten en dieren en bevorderen de biodiversiteit.
Gezondheidsvoordelen Groen
Minder fysieke gezondheidsklachten als gevolg van klimaatverandering. Wonen in een groene omgeving wordt in verband gebracht met een langere levensduur, meer beweging en een lager risico op onder andere obesitas, diabetes, hart- en vaatziekten en sterfte door hitte. Aanpassingen in de fysieke leefomgeving hebben hiermee dus invloed op de gezondheid van inwoners;
Minder stress en betere mentale gezondheid: groen kan helpen bij herstel van stress en depressie. Het zorgt voor ontspanning. Mensen voelen zich over het algemeen gelukkiger en energieker;
Een sociale leefomgeving: groen trekt mensen naar buiten, wat leidt tot meer sociale interactie met buren. Dit versterkt de sociale cohesie en zelfredzaamheid in de buurt, en vermindert eenzaamheid;
Betere concentratie: buiten zijn in een groene omgeving kan de nachtrust, concentratie en productiviteit van inwoners verbeteren.
Sociaal-economische voordelen Groen
Aantrekkelijker voor bewoners: Groene wijken zijn aantrekkelijker om in te wonen en kunnen leiden tot een betere sociale cohesie, minder burenoverlast en minder criminaliteit en woningen met een hogere marktwaarde;
Met groen kan de cultuurhistorische kwaliteit en identiteit van een wijk/dorp versterkt worden;
Groenere kernen of winkelgebieden zijn aantrekkelijker en hebben een hogere waarde voor recreatie en toerisme met hogere bezoekersaantallen als gevolg;
Groene omgevingen stimuleren de fysieke en cognitieve ontwikkeling van kinderen, zoals leerprestaties, creativiteit en concentratie;
Groen dempt geluid waarmee geluidsoverlast wordt tegengegaan.
We hebben inzichtelijk gemaakt in welke dorpen en wijken de grootse opgaves liggen. We streven er naar om deze opgaven voor 2050 aangepakt te hebben. De rood gekleurde dorpen uit figuur 3 hebben de komende 5 jaar prioriteit.
Het meekoppelen van klimaatadaptatie binnen reguliere werkzaamheden en vervangingen is hier niet voldoende om de openbare ruimte in 2050 klimaatbestendig ingericht te hebben, daarom willen we onderstaande dorpen en wijken extra maatregelen nemen.
Binnen de Bolwerken (Dokkum);
Marrum;
Blije;
Eanjum;
Burdaard;
Kollum;
Dokkum Hoedemakers- polder;
Dokkum Hogedijken;
Hallum + industrie;
Dokkum Noord;
Kollumersweach;
Sweachersbosk;
In Bijlage_V_Extra_maatregelen_in_de_openbare_ruimte.pdf worden de maatregelen per kern verder toegelicht.
De overige opgaven in andere dorpen en wijken worden voor de looptijd van dit omgevingsprogramma meegenomen in reguliere werkzaamheden en lopende projecten in de komende jaren. In de uitvoeringsparagraaf wordt dit verder toegelicht.
Het omgevingsprogramma klimaatadaptatie Noardeast-Fryslân is niet een afvinklijst die eenmalig doorlopen moet worden, maar biedt ruimte voor herijking en aanpassing. We zetten een eerste stap in het ontdekken hoe we klimaatadaptatie willen organiseren, zowel intern als extern. Dit doen we door met elkaar af te spreken hoe we klimaatadaptatie toepassen en meenemen binnen de verschillende werkvelden. Hoe we bijvoorbeeld afwegingen maken tussen klimaatadaptieve maatregelen en landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Of door klimaatadaptatie een vaste plaats te geven binnen nieuwe projecten en op te nemen in het gemeentelijk handboek inrichting openbare ruimte.
We hebben een aantal nieuwe maatregelen opgesteld die we als gemeente in de komende jaren willen uitvoeren om toe te werken naar het klimaatbestendig worden in 2050. Deze maatregelen zijn in 3 pijlers geclusterd:
Klimaatadaptatie toepassen in de openbare ruimte: We brengen klimaatadaptatie in de praktijk door zelf concrete fysieke maatregelen te nemen en samen te werken met andere partijen doormiddel van projecten, beheer en pilots;
Klimaatadaptatie borgen in de gemeentelijke organisatie en beleid: We organiseren en verankeren klimaatadaptatie als vast onderdeel in ons eigen gemeentelijke organisatie, beleid en projecten;
Klimaatadaptatie met en door de Mienskip: We bevorderen de bewustwording bij onze inwoners en faciliteren het nemen van klimaat adaptieve maatregelen op eigen terrein.
Om onze gemeente klimaatbestendig te maken richten we ons eerst op ons eigen terrein, de openbare ruimte. Naast de maatregelen die in dit omgevingsprogramma zijn opgesteld, worden er ook maatregelen genomen binnen andere gemeentelijke programma’s die bijdragen aan het klimaatbestendig worden van onze gemeente. Onderstaande tabel geeft het overzicht weer van de nieuwe en bestaande maatregelen die we als gemeente in de praktijk gaan uitvoeren in de openbare ruimte.

Tabel 5: Maatregelen Pijler 1 - Klimaatadaptatie toepassen in de openbare ruimte
Naast de maatregelen in de praktijk moeten we klimaatadaptatie ook beter borgen in onze organisatie en beleid. Op die manier zorgen we er voor dat klimaatadaptatie niet afhankelijk is van individuele acties maar structureel onderdeel wordt van de processen binnen onze organisatie. Onderstaande tabel geeft het overzicht weer van de nieuwe en bestaande maatregelen die we gaan uitvoeren om klimaatadaptatie te borgen.

Tabel 6: Maatregelen Pijler 2 - Klimaatadaptatie borgen in de gemeentelijke organisatie en beleid
Onze Mienskip is een belangrijke schakel in het klimaatbestendig worden van de gemeente. Ongeveer 70% van de gemeente is particulier terrein waarvan de inrichting grote invloed heeft op de hevigheid van de effecten van klimaatverandering. Als bijvoorbeeld alle inwoners van een bepaalde straat er voor kozen om al hun tuinen volledig te verharden zou dit leiden tot ernstige toename van hittestress en wateroverlast. Het omgekeerde scenario is juist wenselijk: zo weinig mogelijk verharding en zoveel mogelijk groen in combinatie met een gezonde bodem. Onderstaande tabel geeft het overzicht weer van de maatregelen die we als gemeente willen uitvoeren om de bewustwording bij onze inwoners te bevorderen en gedragsverandering ten aanzien van klimaatadaptatie te stimuleren en faciliteren.
Tabel 7: Maatregelen Pijler 3 - Klimaatadaptatie met en door de Mienskip
De budgetraming van de maatregelen uit dit omgevingsprogramma zijn in beeld gebracht en gepresenteerd in deze paragaaf en bijlage VI. De financiële paragraaf (Bijlage_VI_Financiële_Paragraaf.pdf) wordt ter vaststelling aan de raad voorgelegd.
Vanuit het vigerend Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2026 (hierna te noemen GRP) zijn in de voorgaande jaren klimaatadaptieve maatregelen genomen, met name gericht op het tegengaan van wateroverlast én water langer lokaal vast te houden. Ook zijn vanuit het GRP maatregelen genomen in het kader van bewustwording (o.a. Steenbreek en regentonacties). Om maatregelen versneld te kunnen uitvoeren is er binnen het GRP subsidie aangevraagd en toegekend gekregen vanuit het Rijk (DPRA-subsidie). Deze subsidieregeling is inmiddels afgelopen. De resterende én toekomstige maatregelen voor het tegen gaan van wateroverlast én het langer vasthouden van water komen terug in het nieuwe Water en Rioleringsprogramma 2027-2031 (hierna te noemen Wrp).
In dit programma is budget opgenomen om aanvullend op de maatregelen uit het Wrp een (extra) bijdrage te leveren aan het klimaatbestendig, leefbaar en gezond maken van de openbare buitenruimte (pijler 1.2). Het budget voor pijler 1.2 zetten wij flexibel in; dat wil zeggen dat het niet alleen gekoppeld wordt aan Wrp-maatregelen. Wanneer er bijvoorbeeld een koppelkans voordoet met een wegreconstructie (geen Wrp-maatregel) dan gaan we die ook benutten en bekostigen vanuit pijler 1.2.
Voor een aantal maatregelen wordt gepoogd subsidies aan te vragen en daarmee de uitvoering van klimaatadaptieve maatregelen te versnellen. Voor het klimaatbestendig en leefbaar inrichten van de kustdorpen (o.a. Hallum, Marrum, Blije) kan mogelijk aanspraak worden gemaakt op een bijdrage door dit op te nemen in de brede IKW-aanvraag van Fries Programma Waddenkust. Het realiseren van groene verblijfplaatsen en het versterken van bepaalde groenstructuren maken mogelijk aanspraak op subsidies vanuit de Friese bomen- en bossenstrategie. Onderzoek vanuit maatregel 1.1 moet duidelijkheid geven voor behoeften en mogelijkheden voor groene verblijfplekken in een aantal dorpen.
Te weinig financiële middelen voor het thema klimaatadaptatie betekent dat de in dit programma voorgestelde maatregelen niet of maar beperkt uitgevoerd kunnen worden én dat we de koppelkansen met andere maatregelen in de openbare ruimte (o.a. de Wrp-maatregelen) niet waar kunnen maken. Dit vertraagt het waarmaken van de gestelde ambities uit de omgevingsvisie.
Gefaseerd ingroeimodel
Ten aanzien van de uitvoeringsstrategie stellen wij een gefaseerd ingroeimodel voor bestaande uit 4 fases. Geleidelijk (in stappen van 2 jaar) voeren wij de verschillende maatregelen in. Vanaf 2033 geven we volledig invulling aan alle maatregelen uit de drie pijlers.
Het opstellen van het Groenblauwstructuurplan (maatregel 1.1) krijgt prioriteit. Hierin komt een uitvoeringsparagraaf met raming en concrete acties/maatregelen;
Zodra het Groenblauwstructuurplan gereed is zullen de kaarten van dit plan periodiek bijgehouden moeten worden én daar waar nodig bijgesteld moeten worden (maatregel 1.3);
Voor de uitvoering van het Groenblauwstructuurplan is investeringsbudget opgenomen (maatregel 1.2). Hierin is voorzien in een gefaseerde stijging (fase 1 jaarlijks € 75.000 naar jaarlijks € 450.000 bij fase 3 tot uiteindelijk jaarlijks € 1.150.000 bij fase 4);
Vooruitlopend op dit Groenblauwstructuurplan zijn er nu al kansen voor het klimaatbestendig, leefbaar en gezond maken van de openbare buitenruimte. Dit zijn o.a. Wrp-maatregelen in Hallum, Anjum en Munnekezijl. Dit maakt dat er voor 2027 al investeringsbudget is opgenomen zodat we deze koppelkansen kunnen realiseren;
In fase 2 (vanaf 2029) komt de focus te liggen op het borgen van klimaatadaptatie in de gemeentelijke organisatie en beleid (o.a. maatregelen 2.1 en 2.2);
In de voorlaatste fase 3 (vanaf 2030) richten wij ons de Mienskip door o.a. het vergroten van bewustwording en kennis over klimaatadaptatie en biodiversiteit en het faciliteren bij de uitvoering van maatregelen op particulier en maatschappelijk terrein;
In de laatste fase 4 is voorzien in het verwerven van gronden voor uitbreidingen van het areaal openbaar groen in bebouwd gebied (stad en dorpen). Hiermee creeren we meer ruimte voor bomen, schaduw, waterberging en koele verblijfsplekken.
De gedachte achter dit gefaseerd ingroeimodel is als volgt:
Figuur 5: Ingroeimodel uitvoeringsstrategie.
Extra personele capaciteit
Op termijn is structurele extra personele capaciteit nodig om de maatregelen uit dit omgevingsprogramma uit te kunnen voeren en te monitoren. Het gefaseerde ingroeimodel van de uitvoeringsstrategie leidt ertoe dat in de eerste jaren de extra personele capaciteit nog beperkt is (circa 0,3 fte benodigd in 2027 en 2028). Vanaf 2029 is er geleidelijk extra personele capaciteit nodig. Wanneer in 2033 volledig invulling wordt gegeven aan de maatregelen uit de drie pijlers is jaarlijks structureel circa 1,8 fte extra personele capaciteit nodig. In bijlage VI is dit verder in detail gepresenteerd.
De verwachting is dat we de eerste jaren de benodigde capaciteit (circa 0,3 fte) binnen de huidige formatie op kunnen vangen (al dan niet met deels ondersteuning via tijdelijke inhuur). Een aantal grote(re) planvormingstrajecten (o.a. het opstellen van de Nota Kapitaalgoederen en dit Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie) zijn in afronding waardoor er in 2027 capaciteit beschikbaar komt. Maar uiteindelijk (vanaf 2030) is het wel noodzakelijk structureel capaciteit vrij te maken. Dit wordt t.z.t. meegenomen binnen de capaciteitsplanning van het cluster O&E.
In de financiële paragraaf is budget voor structurele uitbreiding van de eigen formatie meegenomen. Dit budget kan in de overgangsfase ook aangewend worden om de extra personele capaciteit tijdelijk via inhuur op te vangen.
Onvoldoende personele capaciteit voor het thema klimaatadaptatie betekent dat bepaalde maatregelen niet of maar beperkt uitgevoerd kunnen worden. Dit vertraagt het waarmaken van de gestelde ambities uit de omgevingsvisie.
Verschuiving en mogelijke toename beheerkosten
Een verschuiving van verharding en intensief beheerd groen naar ecologisch ingericht groen kan leiden tot lagere structurele beheerkosten, minder vervangingsinvesteringen en hogere ecologische en klimaatadaptieve waarde. Het uitbreiden van het te beheren areaal groen kan ook een verhoging betekenen van de totale beheerkosten. Om hoeveel dit gaat wordt pas duidelijk wanneer er inzichtelijk wat er per kern in de praktijk haalbaar en wenselijk is.
Een uitwerking en raming van de verwachte (toename van beheer) kosten wordt voor een aantal kernen gemaakt tijdens het uitvoeren van maatregel 1.1. Beheerkosten nemen bij uitbreiding van openbaar terrein toe. Aan de ander kant is ecologisch groen is in de meeste gevallen goedkoper te beheren dan intensief groen, en groen is vrijwel altijd goedkoper dan verharding als gekeken wordt naar structurele beheer- en vervangingskosten.
Binnen dit omgevingsprogramma wordt een structureel budget (maatregel 1.2) opgenomen voor het nemen van klimaatadaptieve maatregelen bij reguliere werkzaamheden en vervangingsopgaven, en voor het kunnen uitvoeren van de maatregelen uit Bijlage_V_Extra_maatregelen_in_de_openbare_ruimte.pdf. De financiering van omvangrijkere maatregelen, zoals het verwerven van gronden voor uitbreidingen van het areaal openbaar groen, wordt per ontwikkeling uitgewerkt en afgewogen en binnen betreffende ruimtelijke ontwikkeling meegenomen en ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd.
Dit omgevingsprogramma is de eerste stap naar het klimaatbestendig inrichten van onze gemeente in 2050. Het klimaat blijft de komende jaren veranderen. Deze maatregelen zijn geen eenmalige afvinklijst maar een doorlopende opgave omdat er nog veel onzekerheid is over de snelheid en hevigheid waarop klimaatverandering optreedt. Op basis van nieuwe data, signalen en ervaringen kunnen we tussentijds maatregelen aanpassen, aanscherpen of prioriteren. Deze jaarlijkse cyclus zorgt ervoor dat het programma wendbaar blijft en tijdig kan inspelen op nieuwe inzichten, gebeurtenissen of nieuwe landelijke richtlijnen.
De maatregelen uit de uitvoeringsparagraaf worden doorvertaald naar doelen die worden opgenomen in de raadsprogramma’s. Op deze manier wordt de monitoring geborgd. Na vijf jaar wordt het omgevingsprogramma geactualiseerd, conform de systematiek van de Omgevingswet (figuur 6). Daarbij wordt getoetst in hoeverre de geformuleerde doelen en omgevingswaarden – zoals vermindering van wateroverlast, versterking van biodiversiteit, bescherming tegen hitte haalbaar zijn, en of de ingezette maatregelen voldoende bijdragen aan het bereiken daarvan. Ook kan hier gekeken worden naar de impact op beheer en onderhoud. Deze actualisatie leidt tot herijkte doelen en maatregelen. Door deze cyclische aanpak groeit het omgevingsprogramma mee met veranderende omstandigheden en blijft het een effectief richtinggevend instrument voor de gemeente.

Figuur 6: Beleidscyclus Omgevingsprogramma's.
Voorafgaand aan dit omgevingsprogramma is er al op verschillende momenten participatie toegepast. Bij het opstellen van de Omgevingsvisie was klimaatadaptatie één van de onderwerpen die centraal stond op de inloopavonden tijdens de ter inzagelegging van de visie. Ook voor het opstellen van het GRP 2021 zijn op het gebied van klimaatadaptatie een enquête uitgezet en risicodialogen met de inwoners gevoerd. Daarnaast zijn er binnen het kader van het DPRA in samenwerking met de andere Friese overheden risicodialogen gevoerd met verschillende partijen in de provincie.
Tijdens het opstellen van dit omgevingsprogramma zijn er verschillende momenten geweest waarom participatie is toegepast. Allereerst is er een campagne geweest waarbij de resultaten van de analyse gedeeld is met inwoners in de vorm van een Storymap, ook wel de klimaatatlas. In deze klimaatatlas is er gevraagd om input te geven middels de ‘wijkprikker’. Inwoners konden kansen of knelpunten aangegeven omtrent klimaatadaptatie. Bijvoorbeeld waar blijft warmte hangen of waar is er sprake van wateroverlast? Ook de raad is hierin meegenomen. De resultaten van deze wijkprikker zijn na afloop opgenomen en verwerkt in de kansen en knelpunten kaart van de Storymap.
Naast verschillende posts via social media en nieuwsberichten in de lokale media en krant was ook het vergroten van bewustwording een doel binnen deze campagne. Ook is er voor dorpsbelangen en wijkraden de mogelijkheid geweest om vragen te stellen en in gesprek te gaan met de gemeente over klimaatadaptatie en biodiversiteit op de netwerkbijeenkomst Dorpen en Wijken op 3 november 2025. Als laatste staat nog een inloopbijeenkomst gepland tijdens de terinzagelegging van dit omgevingsprogramma, waarbij ook de raad wordt uitgenodigd.
Verder is er gebruik gemaakt van de participatie en raadsvergadering die plaats hebben gevonden vanuit het WRP en voormalige GRP. Ook bij de uitvoering van de maatregelen zal participatie worden toegepast. Hier wordt vorm aan gegeven zoals omschreven in het participatiebeleid van de gemeente. Inwoners van de gemeente kunnen bijvoorbeeld worden betrokken bij de inrichting van nieuwbouw of herstructurering in dorpen of wijken.
Campagne en Storymap "Veranderend Klimaat"
De campagne over de klimaatatlas is gestart op 18 maart. Kort hierna zit er een piek in het aantal weergaven. Op 20 maart zijn er 80 weergaves geweest. Er zijn een aantal communicatiemomenten te herkennen daar waar er een piek in de weergaves te zien is. Het grootste aantal is op 31 maart geweest met 93 weergaven op één dag. Ook tussen de piekmomenten wordt de storymap regelmatig bekeken. In totaal zijn er 1634 weergaven tussen de periode van 1 maart tot 1 juli (figuur 7). Ondanks dat de storymap relatief vaak bekeken is, is er maar weinig respons op binnengekomen. Er zijn in totaal 7 prikkers geplaatst waarbij inwoners kansen of knelpunten aanwijzen, deze zijn verwerkt in de klimaatatlas. Een kanttekening hierbij is dat klimaatadaptatie een onderwerp is waarbij mensen vooral reageren als ze op dat moment overlast ervaren.
Figuur 7: Aantal weergaven storymap tijdens de campagne.
Op de volgende pagina’s wordt aangegeven welke zaken we als gemeente belangrijk vinden en waar we naar toe willen werken bij het klimaatbestendig inrichten van onze kernen, het bûtengebiet en onze Mienskip. Dit kader is een uitwerking van onze gemeentelijke Omgevingsvisie en sluit aan op de visie Fryslân klimaatbestendig 2050+ van de provincie Fryslân en het Wetterskip Fryslân.
Doel van dit kader
Dit hoofdstuk is een aanvulling op bestaande gemeentelijke 'groene en blauwe' beleidskaders. De kaders en uitgangspunten in deze bijlage zijn bedoeld als praktisch handvat voor het klimaatbestendig inrichten van de gemeente, en zijn leidend bij uitvoeren van beheer en het opstellen van plannen. Op deze manier wordt er sturing gegeven binnen de organisatie waarmee klimaatadaptatie geborgd wordt. Dit kader is opgedeeld aan de hand van de 3 pijlers
Het kader is in onderstaande hoofdstukken verder uitgewerkt en deze uitgangspunten zijn leidend bij het maken van plannen, beheren en ontwikkelen van de openbare ruimte van onze gemeente. In de praktijk kan het mogelijk zijn dat de uitgangspunten uit dit kader niet haalbaar zijn of gerealiseerd kunnen worden. Bijvoorbeeld wegens een beperkte ruimte, beperkingen voor beheer, (verkeers)veiligheid, financiële redenen of een totale belangenafweging. Er kan dan gemotiveerd afgeweken worden.
Overige ‘groene en blauwe’ gemeentelijke beleidskaders
Het Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie is een nieuw losstaand beleidsthema binnen de gemeente en vervangt geen bestaand beleidsplannen.
De gemeenteraad heeft diverse bestuurlijke kaders vastgesteld in relatie tot klimaatadaptatie:
Omgevingsvisie 2024
Biodiversiteitsplan 2021
Groenstructuurplan 2021
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (2022-2026), Water- en rioleringsprogramma (2027-2031)
In het Biodiversiteitsplan van de gemeente staan kaders en maatregelen beschreven voor een ecologische verantwoorde inrichting en beheer van het openbaar groen. Het Groenstructuurplan beschrijft per kern wat cultuurhistorisch en landschappelijk de gewenste groenstructuren zijn die we willen behouden en versterken. Deze beleidsdocumenten bevatten al een belangrijke basis voor het klimaatadaptief en ecologisch beheer en de ontwikkeling van het gemeentelijk groen, en zijn gebruikt als basis voor de totstandkoming van dit document. Onderstaande uitgangspunten moeten daarom als aanvulling worden gezien vanuit klimaatadaptief oogpunt op deze bestaande beleidsdocumenten. Op termijn zullen deze bestaande documenten herzien en geborgd moeten worden in nog op te stellen omgevingsprogramma’s voor biodiversiteit of omgevingskwaliteit.
Totstandkoming
De uitgangspunten in dit document zijn opgesteld door de projectgroep van het Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie op basis van de opgehaalde informatie bij de interne werksessies, het participatieproces en de uitgevoerde onderzoeken. Daarnaast is er rekening gehouden met de huidige Europese, landelijke, provinciale en onze eigen gemeentelijke beleidskaders.
Doel: Bodemgezondheid vormt de basis voor het klimaatadaptief beheer en inrichten van openbaar groen
Concrete uitgangspunten
We versterken en behouden het bodemleven en ondergrondse gangen en structuren door de bodem zo weinig mogelijk te verstoren en verdichten;
Er is geen blijvende onbedekte bodem meer zichtbaar in het openbaar groen, en er wordt alleen nog volledig bedekkende en gevarieerde beplanting aangeplant;
Jaarrond blad en organisch materiaal laten liggen in het openbaar groen en bodembewerking minimaliseren;
Tijdens onderhoud en bij de aanleg van nieuw groen bodemverdichting met zware machines waar mogelijk vermijden. Dit geld ook voor de opslag van bijvoorbeeld bouwmaterialen;
Bij klimaatbestendig in te richten groen grond en beplanting gebruiken dat aansluit op het landschappelijk bodemtype. Bijvoorbeeld geen kleigrond vervangen door zwarte tuinaarde maar inzetten op de regeneratieve capaciteiten van het lokale bodemleven;
Liever niet inzaaien maar inzetten op de zadenbank in de bodem. Bij inzaaien of planten inheemse soorten gebruiken die aansluiten op de lokale grondsoort. Ecologisch beheer toepassen om de gewenste vegetatie en bodemgezondheid te bereiken (zie ook het Biodiversiteitsplan);
Het openbaar groen waar mogelijk klimaatbestendig inrichten voor de afvoer en tijdelijke berging van regenwater. Klimaatbestendig beheerd bodemoppervlakte wordt idealiter uitgebreid, het areaal monocultuurbeplanting en kort gemaaid gazon verkleind;
We voorkomen dat er te kort gemaaid wordt voor (voorspelde) lange warme/droge periodes om uitdroging en daling van de grondwaterstand te voorkomen;
O ptioneel : Zoeken naar locaties waar begrazing door dieren toegepast kan worden op openbaar groen/bermen. Wanneer juist uitgevoerd is regeneratieve begrazing de meest duurzame manier om de bodem te optimaliseren. Hiervoor kan samenwerking met lokale boeren worden gezocht of een pilot met een ‘stadsherder’ uitgevoerd worden.
Figuur 8: Verschil in klimaatadaptieve eigenschappen door arm en rijk bodemleven.
Waarom is bodemgezondheid belangrijk voor klimaatadaptatie?
Een goede bodemgezondheid is de sleutel tot het vergroten van de klimaatadaptieve capaciteiten van ons openbaar groen. In een gezonde bodem is veel leven (organische stof) en meer wormengangen aanwezig (figuur 8). Hierdoor kan de bodem meer regenwater vasthouden en ook beter infiltreren naar het grondwater. Een goede bodemgezondheid zorgt ook voor een betere nutriëntuitwisseling tussen planten en bodemleven wat resulteert in een gezondere vegetatie bovengronds. Wanneer met rust gelaten heeft de natuur de capaciteit om zelf bodems en ecosystemen te herstellen. Bomen en planten zijn via schimmelnetwerken in de bodem in staat om nutriënten uit te wisselen en doormiddel van signalen onderling de groei van bepaalde soorten te bevorderen of te beperken.
Figuur 9: Door het gras te kort te maaien tijdens warme dagen neemt de kans op uitdroging toe.
Intensief en onnatuurlijk beheer leiden tot slechte klimaatadaptieve eigenschappen van groen.
Kort gemaaid gras of weinig vegetatie bovengronds betekent ook weinig wortels en bodemleven ondergronds. Een kale bodem warmt veel meer op en droogt sneller uit (figuur 9). Door het onbedekt houden en verstoren van de bodem doormiddel van schoffelen kan het bodemleven zich niet ontwikkelen. Ook ‘onkruiden’ spelen een belangrijke rol voor een gezond bodemleven. Het zijn indicatorsoorten die laten zien wat de bodem nodig heeft. Zo breken sommige soorten met penwortels verdichte bodems open, terwijl vlinderbloemigen stikstof uit de lucht halen en beschikbaar maken voor andere planten. Door deze natuurlijke processen te benutten en de natuur haar werk te laten doen, versterken we het bodemleven en ook de klimaatadaptieve eigenschappen van ons openbaar groen.
Regenwormen zijn onmisbaar voor waterberging en infiltratie in openbaar groen.
In één vierkante meter gezonde bodem kunnen tot wel 900 meter aan regenwormengangen worden gevonden. Van de verschillende soorten regenwormen speelt de grootste (Lumbricus terrestris), een sleutelrol bij waterinfiltratie. Deze Pendelaars kunnen permanente verticale gangen graven van wel 3 tot 4 meter diep. Met name de brede stabiele gangen van de Pendelaars verbeteren de regenwaterinfiltratie, opslag en drainage van de bodem. Dit vermindert wateroverlast bij piekbuien en verhoogt de vochtbeschikbaarheid tijdens droogte. Pendelaars kunnen tot 8 jaar oud worden en bouwen daarmee langdurig aan een goed doorwortelbare en stabiele bodemstructuur. Bij ernstige verstoring van de bodem duurt het jaren voor de ondergrondse gangenstructuur (en dus de klimaatadaptieve eigenschappen) zich goed heeft hersteld (figuur 10).
Figuur 10: Verstoring van bodemleven door intensief beheer en aanleg van groen heeft invloed op waterinfiltratie via gangen van diepgravende regenwormen.
Oorspronkelijke bodemtype behouden en het lokale bodemleven ondersteunen.
Bij het beheren van groen is het van groot belang om jaarrond blad en organisch materiaal te laten liggen en bodembewerking te minimaliseren. Ook bij de aanleg of vervanging van openbaar groen moet bodemverdichting met zware machines waar mogelijk worden vermeden en gezonde gebiedseigen grond niet vervangen worden. Geen kleigrond meer vervangen door zwarte tuinaarde maar inzetten op de regeneratieve capaciteiten van het lokale bodemtype en -leven. Op die manier worden bodemleven en gangenstructuren behouden waardoor klimaatadaptieve eigenschappen optimaal blijven.
Doel: Onnodige verharding wordt tegengegaan en vervangen door groen of andere klimaatadaptieve materialen.
Concrete uitgangspunten:
Bij het aanleggen van wegen en verharding bij ontwikkelingen (nieuwbouw/herinrichting) in het bebouwd gebied streven we naar het halen van de minimale percentages onverhard oppervlakte per buurt (zie ook tabel 10);
Vanuit klimaatadaptief oogpunt is het wenselijk om de bestaande ruimte voor groen en water te behouden en waar mogelijk te vergroten. Bij vervanging of herinrichting van wegen streven we naar een goede balans tussen toegankelijkheid, verkeersveiligheid en klimaatadaptatie. Bijvoorbeeld door bij wegverbredingen in het buitengebied grasbetonstenen te gebruiken om verharding te beperken;
Onnodige en niet gebruikte verharding vervangen we door groen. Hierbij kan ook gedacht worden aan het omvormen van harde oevers naar natuurvriendelijk. Vaak is een stoep niet aan beide zijden van de weg nodig en soms is een weg onnodig breed. (Groene) wegversmallingen kunnen aangelegd worden om verkeer te remmen. Verharde of te kleine boomspiegels remmen de groei en ontwikkeling van bomen;
Wegen en groen op dusdanige hoogte aanleggen dat regenwater wanneer gewenst weg kan lopen naar en infiltreren in klimaatadaptief ingericht groen. Afhankelijk van de situatie geen banden langs de weg en de stoep en de aanleg van ovale drempels zodat hemelwater zijn weg kan vinden naar de groenstroken of watergangen;
Grote verharde oppervlaktes met weinig of geen bomen en groen (wegen, parkeergebieden, pleinen) klimaatadaptief en schaduwrijk inrichten om hittestress tegen te gaan;
Bij het aanleggen/verplaatsen van ondergrondse infrastructuur (riool, kabels en leidingen) ruimte reserveren voor groen en bomen;
Bij herinrichtingen en herstructurering wegen en ondergrondse infrastructuur in smalle straten wanneer mogelijk herpositioneren/opschuiven om ruimte te creëren voor bomen (brede groenstrook aan 1 kant i.p.v. 2 smalle strookjes zonder ruimte voor bomen);
Parkeerplaatsen (voor invaliden) idealiter in schaduw plaatsen. Bij het inpassen van bomen rekeninghouden met schaduwval door de dag heen;
Bij voorkeur verkoelende (licht gekleurde) verharding toepassen om vasthouden van warmte tegen te gaan;
In erg versteende wijken, industrie- en winkel gebieden, zoeken we naar mogelijkheden om half verharding toe te passen om de openbare ruimte te vergroenen, bijvoorbeeld in parkeerplaatsen. Toegankelijkheid en verkeersveiligheid zijn hierbij leidend, half verharding is bijvoorbeeld niet gewenst op loop- of fietsroutes.
Figuur 11: Voorbeeld onnodige verharding rond bomen.
Waarom verharding tegengaan?
Verstening leidt tot meer wateroverlast en hittestress. In bestaand bebouwd gebied willen we daarom het verhard oppervlak waar mogelijk verminderen en anders aanleggen zodat regenwater beter kan wegstromen of infiltreren. Hierdoor neemt de kans op schade af en dit voorkomt dat schoon water de rioolwaterzuiveringsinstallatie belast. Door te veel verharding en te weinig groen kan hittestress ontstaan. Bestrating neemt warmte op en houdt dit vast. In stedelijk gebied kan hierdoor het hitte eiland effect ontstaan. In versteende gebieden blijft de warmte op hete dagen langer hangen dan in het buitengebied. In het buitengebied zijn bermen belangrijke verbindingsroutes tussen ecologische hotspots. Minder verharding draagt naast klimaatadaptatie en biodiversiteit ook bij aan recreatieve en landschappelijke waarden.
Regenwater kan beter wegstromen en infiltreren in ‘klimaatadaptief’ groen
Op veel plekken in de gemeente ligt het groen hoger dan de weg. Hierdoor kan het regenwater niet naar het groen stromen. Ook zijn er veel boomspiegels onnodig verhard, waardoor bomen zich niet optimaal kunnen ontwikkelen (figuur 10). Wanneer de weg hierop aangepast wordt moet er ook rekening gehouden worden met een klimaatadaptieve inrichting van het groen, waar infiltratie en buffering mogelijk is. Cultuurbeplanting of gazon hebben niet dezelfde infiltratie en bufferende capaciteit als kruidenrijkgras of bosplantsoen (zie ook figuur 7).
Doel: Door meer variatie in soorten en elementen wordt openbaar groen toekomstbestendig ingericht
Concrete uitgangspunten:
Meer variatie en in groenelementen binnen kernen en wijken. Kale gazonveldjes met enkel solitaire bomen verrijken met strookjes/hoekjes kruidenrijke gras, losse heesters of bosplantsoen. Uitgangspunt is het creëren van gevarieerd en gebalanceerd aanbod van groen elementen in een buurt of kern. Hierbij wordt rekening gehouden met ander factoren, zoals (verkeer)veiligheid en of het past in de cultuurhistorische en landschappelijke context. Onderhoudsniveau zodanig dat mensen er graag verblijven (natuurlijk, veilig, verzorgd).
Een betere balans tussen 'strak en netjes’ en ‘natuurlijk en functioneel’. Vaak is een tussenoplossing ook mogelijk door een combinatie van elementen. Bijvoorbeeld een (gevarieerde) haag of een strook gazon (met bollen) als afscheiding van natuurlijk groen;
Meer structuurvariatie en dynamiek aanbrengen in het openbaar groen. Niet alleen maar strak, recht en netjes, maar juist ook ruimte voor verschil in hoogtes en laagtes, dicht en open. Juist in het buitengebied en de dorpen een minder stedelijk/strak/modern en een meer landelijk/dynamisch/natuurlijke uitstraling (figuur 12);
Meer variatie in soorten planten, struiken en bomen. Let op de bijdrage aan het voedselaanbod jaarrond in een buurt (en omliggende buurten) en de aanwezigheid van waardplanten voor insecten en vlinders;
We passen de regel van Santamour toe om de diversiteit in bomen per buurt of ontwikkeling te waarborgen. Niet meer dan 10% van één soort, 20% van één geslacht en 30% van één familie in een boompopulatie om risico’s op massale uitval door ziekten of plagen die specifieke soorten treffen te beperken;
(Boom)soorten moeten aansluiten op het lokale gebiedstype en klimaatadaptieve waarden (bijvoorbeeld lokale kans op droogte). Bomen moeten bestand zijn tegen het klimaat van de toekomst;
Bij het vervangen van zieke of omgewaaide bomen er gezocht naar het inpassen van andere boomsoorten om diversiteit en structuurvariatie te realiseren. We streven naar een toekomstbestendige inrichting met meer dynamiek en variatie mits dit cultuurhistorisch, ruimtelijk of stedenbouwkundige passend is;
Wanneer we nieuwe groenstroken aanleggen heeft een natuurlijke en klimaatadaptieve inrichting de voorkeur boven cultuurbeplanting, tenzij dit niet past binnen de ruimtelijke/cultuurhistorische/stedenbouwkundige context (bijvoorbeeld cultuurbeplanting in o.a. binnenstad en historische kernen of bijvoorbeeld specifieke delen van parken);
B ij het vervangen van cultuurbeplantingsvakken door natuurlijke of klimaatadaptieve beplanting de bodem herstellen passen bij het landschappelijk bodemtype.
Liever geen gebruik van plantenbakken (zonder directe verbinding met de bodem) , tenzij passend in de landschappelijk of cultuurhistorische context. Dit is niet duurzaam, kost veel water en onderhoud;
We houden rekening met weidevogels in het buitengebied: we willen de kernen vergroenen maar ook de openheid van het landelijk gebied behouden (groene eilanden). Belangrijke groen/blauwe verbindingen kunnen binnen belangrijke weidevogelgebieden versterkt worden met ecologisch maaibeheer en het laten staan van klein blijvend opschot (kleine bomen <4m of struiken) mits het beheer dat toelaat.
Figuur 12: Voorbeeld gevarieerde en dynamische beplanting in een kern passend bij het landelijke karakter. Niet om gelijke afstand dezelfde boom maar verschil in hoogtes, soorten en dichtheid.
Waarom is variatie in groen belangrijk?
Het aanplanten van één soort plant of boom (monocultuur) niet natuurlijk. In de natuur ontstaan ziektes en plagen niet zomaar: ze vervullen een functie door te voorkomen dat één soort te dominant wordt. Binnen een ecosysteem staat de samenwerking en interactie tussen organismen centraal. Vanuit evolutionair perspectief streeft de natuur naar toenemende variatie en diversiteit, wat bijdraagt aan de veerkracht en aanpassingsvermogen van het openbaar groen. Ook voor de biodiversiteit is het belangrijk dat er veel variatie aan elementen is. In een monotoon landschap met weinig soorten en verschillende groen elementen zijn ook minder soorten (figuur 12).
Figuur 13: Een gevarieerd landschap met verschillende elementen is veerkrachtiger en biedt meer ruimte voor biodiversiteit
Betere balans tussen intensief en toekomstbestendig
Niet overal kunnen natuurlijk oplossingen leidend te zijn. Er zijn verschillende historische plekken in de gemeente waar een intensievere en strakkere aanpak wenselijk is voor behoud van cultuurhistorie. Maar er is wel een betere balans mogelijk tussen intensief en toekomstbestendig. Het gaat er omdat er binnen een wijk of dorp voldoende ruimte is voor variatie en natuur. We zijn op een gegeven moment gewend geraakt aan een niet klimaatadaptieve en niet biodiverse inrichting van het groen. Schoffelen en monocultuur is voor veel mensen normaal of mooi terwijl dit eigenlijk niet toekomstbestendig is. Klimaatadaptief en biodivers handelen vergt een andere manier van denken, we kunnen niet meer alles strak en netjes beheren: kort gemaaid gras en een onbedekte bodem in borders leiden tot een verdichte bodem met een beperkte waterbuffer en infiltratie.
Doel: Bomen hebben voldoende onder- en bovengrondse ruimte voor een gezonde groei en ontwikkeling
Concrete uitgangspunten:
De gemeente hanteert als leidraad het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen en vertaalt deze door in de beheerplannen;
Inzetten op een zo lang mogelijke omlooptijd van bomen. Na 30 jaar levert een boom pas ecosysteemdiensten optimaal (figuur 13). Bij de aanplant van de bomen aandacht moet worden besteed aan een duurzame groeiplaats, waarin een goede wortelontwikkeling mogelijk is. Ondergrondse groeiruimte hier op aanpassen;
Boomsoorten afstemmen op beschikbare ruimte en bodemtype. Gebruik van droogte- en zouttolerante soorten in krappe stedelijke situaties. Toekomstgericht planten: rekening houden met klimaatrobuustheid, levensduur en ecologische waarde. Het minimaal wortelvolume wordt bepaald aan de hand van grondslag, grondwater en functie;
Waar mogelijk verbinden we bomen ondergronds met elkaar. Om een duurzaam bestaan van bodem en grond te realiseren, is het van belang dat bomen via een gezonde bodem met elkaar in verbinding staan om elkaar te ondersteunen;
Goede infiltratie en drainage (geen water- of zuurstoftekort). Koppeling met klimaatadaptatie: wadi’s, infiltratiezones en waterbergende bodems combineren met boomgroei. Voorkomen van verdichting door zwaar verkeer of verharding;
Voldoende kroonruimte: geen belemmering door kabels, verlichting, gevels of verkeer. Plantafstand afgestemd op uiteindelijke kroonbreedte en onderhoudsruimte. Waar het niet nodig is kronen we bomen niet op;
Vrije groeizone rond de stam. Vermijden van snoeibeperkingen door verkeerde standplaats;
Boomspiegels in gazon maaien we minder vaak om verdroging tegen te gaan en een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit;
Een natuurlijke beplanting in boomspiegels die bijdraagt aan de ontwikkeling van de boom heeft de voorkeur. Monocultuurbeplanting en verharding in boomspiegels worden waar mogelijk op termijn vervangen (figuur 14).
Concrete uitgangspunten:
Figuur 14: Een grote oudere boom draagt veel meer bij dan meerdere kleine bomen opgeteld.
Waarom meer (ondergrondse) ruimte voor bomen?
de keuze en positionering van bomen wordt uitgegaan van de volgroeide vorm en kroonbreedte, zodat bomen op termijn optimale schaduwwerking en verkoeling kunnen bieden. Deze gerichte inzet van schaduw helpt hittestress te verminderen, zowel in de publieke ruimte als rondom bebouwing. Daarnaast leggen bomen tijdens hun groei CO₂ vast in hun bladeren, takken en in de bodem. Bomen en bosplantsoen creëren door hun invloed op licht en luchtcirculatie een microklimaat en verminderen daarmee lokaal extremen in warmte, koude, vochtigheid en droogte. Bomen en groen leveren niet alleen een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van onze woon- en leefomgeving, maar vergroten ook de biodiversiteit en spelen een belangrijke rol bij klimaatadaptatie. Bomen en groene oppervlakten vergroten de waterinfiltratie en waterbergingscapaciteit van een gebied, waardoor de kans op wateroverlast lager wordt. Door rekening te houden met een grotere diversiteit aan boomsoorten en beplanting vermindert de ziekte- en plaagdruk, wat leidt tot een gezonder ecosysteem met een gezondere bodem.
Figuur 15: Voorbeeld monocultuur rond bomen, niet divers en niet klimaatbestendig.
Doel: Bomen worden benut om belangrijke routes, verblijfplekken, verharding en woningen te koelen
Concrete uitgangspunten:
Ontwikkelingen in het bebouwd en hittegevoelig gebied dragen bij aan het halen van de streefpercentages boomkroonbedekking per buurt (tabel 9);
Bij vervangingen in hittegevoelige verharde gebieden streven we naar een groter boomkroonvolume en zinvolle schaduwwerking;
Locaties van slecht presterende (lei)bomen in de openbare ruimte worden herzien bij herinrichting, vrijgekomen bomen worden geplaatst naar cultuurhistorische en klimaatadaptief zinvolle plaatsen of particulier terrein om ruimte te creëren voor (meer) bomen met een groter boomkroonpotentie, tenzij monumentaal of cultuurhistorisch waardevol;
(Lei)bomen worden waar nodig hoger, breder en voller gesnoeid om de schaduwwerkende functie beter uit te voeren;
Belangrijke (school)fietsroutes kleden we groener aan met meer schaduw en beschutting voor wind, mits passen in het landschap.
Staan bomen in de openbare ruimte overal op de juiste plek?
Het is belangrijk om bomen strategisch te plaatsen op plekken waar veel verharding voorkomt en waar de temperatuur op warme dagen sterk oploopt. Denk hierbij aan parkeerplaatsen en winkelgebieden, waar schaduw bijdraagt aan een prettiger verblijfsklimaat en vermindering van hittestress. Het vergroten van de boomkroonbedekking boven verharding zorgt ervoor dat asfalt en tegels minder opwarmen, waardoor de omgevingstemperatuur daalt en de levensduur van de verharding wordt verlengd. Ook ontstaat hiermee een aantrekkelijkere uitstraling.
De schaduwwerking van (lei)bomen werd van oudsher gebruikt om gevels van huizen te verkoelen. Door specifieke snoei en de plaatsing van de boom dicht tegen de gevels aan de zonzijde ontstaat optimale schaduw voor verkoeling. Deze snoeivorm is intensief en daarmee relatief kostbaar ten opzichte van het beheer van vrij uitgroeiende bomen. De oudere leibomen in de openbare ruimte staan vrijwel altijd op plekken waar zij wél een functionele schaduwwerking op woningen hebben. Bij de aanplant van leibomen in de afgelopen decennia is echter niet altijd rekening gehouden met deze functie. Hierdoor staan in de gemeente op verschillende locaties leibomen die hun schaduwtaak onvoldoende vervullen.
Strategisch (her)plaatsen van bomen voor een optimale klimaatadaptieve inrichting
Bij herinrichtingen worden bovengenoemde leibomen waar nodig en passend vervangen door grotere bomen, zodat meer boomkroonvolume en een robuustere schaduwwerking kan ontstaan. De vrijkomende leibomen kunnen vervolgens worden verplaatst naar cultuurhistorisch en klimaatadaptief zinvolle plekken in de openbare ruimte of particulier terrein. Hiermee ontstaat meer ruimte voor een volwassen boomkroon in de kernen, wat bijdraagt aan verkoeling van woningen en het beperken van hittestress. Ook binnen het beheer zijn optimalisaties mogelijk. Door bomen waar passend op te kronen kan de doorloopruimte worden vergroot zonder verlies van kroonvolume. Daarnaast kunnen leibomen hoger, breder en voller worden gesnoeid, zodat zij meer schaduw genereren en tegelijkertijd betere nestgelegenheid voor vogels bieden in het voorjaar.
Doel: Binnen de dagelijkse werkzaamheden in de gemeente wordt klimaatadaptatie standaard meegewogen.
Concrete uitgangspunten
Klimaatadaptatie en biodiversiteit worden standaard als thema meegewogen binnen ruimtelijke processen, nieuwe beleidsplannen, projectplannen, reconstructies en herinrichtingen;
De uitgangspunten uit dit omgevingsprogramma worden geborgd in het gemeentelijk Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR);
De uitgangspunten uit dit omgevingsprogramma worden geborgd in de beheerplannen;
De uitgangspunten uit dit omgevingsprogramma worden vertaald richting de uitvoering;
De gemeente stelt een groennorm vast en neemt deze op in het Omgevingsplan. Ook ruimte voor boomplaatsen worden beter beschermd binnen het omgevingsplan;
Het Groenstructuurplan wordt vernieuwd en geborgd in het omgevingsplan waarbij het invoeren van een groenstructuur-aanduiding met specifieke regels meegenomen wordt;
Klimaatadaptatie en biodiversiteit worden standaard als thema meegewogen bij het verkopen van groenstroken;
Inzetten op het creëren en behouden van voldoende kennis en opleiding op het gebied van bodemgezondheid binnen onze buitendienst en beheer. Klimaatadaptief beheren van openbaar groen houdt in dat we ons richten op het herstel, behoud en verbetering van de bodemgezondheid; zo bevorderen we het water regulerende vermogen en dragen we bij aan de biodiversiteit.
Waarom klimaatadaptatie borgen?
Het borgen van klimaatadaptatie binnen ruimtelijke processen en beheer zorgt voor structurele en blijvende aandacht voor een klimaatbestendige leefomgeving. Wanneer uitgangspunten niet worden vastgelegd in beleid, beheerplannen, de LIOR of het omgevingsplan, blijven ze vaak vrijblijvende ambities die in de praktijk onder druk komen te staan. Door klimaatadaptatie en biodiversiteit te verankeren in deze instrumenten, worden ze een vast onderdeel van planvorming, uitvoering en beheer. Dit zorgt voor samenhang en continuïteit in beleid, duidelijke richtlijnen voor ontwerpers, beheerders en ontwikkelaars, en voorkomt dat maatregelen achteraf en tegen hogere kosten moeten worden toegevoegd. Een kanttekening hierbij is dat er voldoende middelen en personele capaciteit binnen de organisatie moet zijn om de maatregelen uit dit omgevingsprogramma te borgen en uit te voeren. Zo wordt klimaatadaptatie geen losse opgave, maar een vanzelfsprekend en integraal onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling, waarmee de gemeente toewerkt naar een toekomstbestendige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Doel: Bij nieuwbouw, uitbreidingen en herinrichtingen worden klimaatadaptieve uitgangspunten toegepast.
Concrete uitgangspunten
Bouwen en ontwikkelen doen we klimaatbestendig, conform de uitgangspunten uit dit beleidskader en de regels waterrobuust bouwen uit de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân. Ontwikkelingen in de gemeente voldoen aan de leidende principes van water en bodem sturend. Op bepaalde locaties zal kritisch moeten worden beoordeeld of woningbouw daar wenselijk is. De handreiking decentrale regelgeving ‘klimaatadaptief en natuur inclusief bouwen, inrichten en beheren’ (2022) geeft hiervoor een bruikbaar afwegingskader;
We onderzoeken de mogelijkheid om een score-puntensysteem te implementeren om in de toekomst meer richting te geven aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving bij ontwikkelingen;
We streven naar voldoende groen binnen ruimtelijke ontwikkelingen om de kans op schade en gezondheidsrisico's in de toekomst te beperken. Het groen in de openbare ruimte is waar mogelijk klimaatbestendig ingericht volgens de uitgangspunten in dit beleidskader;
Risico’s van overstromingen, wateroverlast en bodemdaling zijn sturend bij de locatiekeuze en inrichting van nieuwbouwlocaties en infrastructuur, maar ook bedrijvigheid, schakelstations, e.d.;
Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar. Bij hevige neerslag blijven buurten bereikbaar voor hulpdiensten en zijn de hoofdroutes begaanbaar. De waterdiepte op de rijbaan van de hoofdroutes is < 25cm. Woningen, scholen en publieke gebouwen worden gebouwd met goede ventilatie en binnenklimaat om hittestress tegen te gaan;
Hevige neerslag (bui 09) leidt in 2050 niet tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Belangrijke watergangen worden behouden om overtollig water uit de kernen te kunnen afvoeren bij hevige regenval;
Nieuwe bebouwing mag niet ten koste gaan van het waterbergend vermogen van een gebied en levert een bijdrage aan het vergroten van het waterbergende vermogen en infiltratie van regenwater. Vanuit de gemeentelijke watertaken is een bijdrage geleverd aan het verdrogingsvraagstuk in het stedelijk gebied door vergroting infiltratie en minimalisatie verharding in de openbare ruimte;
De gemeten en beoogde (gemiddeld hoogste en laagste) grondwaterstanden in het gebied sluiten op elkaar en op de peilbesluiten aan. De (rest)zetting in het gebied leidt niet tot schade aan vitale voorzieningen en woningen.
Waarom is klimaatbestendig bouwen belangrijk?
Het toepassen en borgen van klimaatadaptieve uitgangspunten bij (nieuwe) ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om onze leefomgeving toekomstbestendig te maken. De gemeente krijgt te maken met toenemende neerslag, droogte, hittestress en bodemdaling. Door hier vanaf de planfase rekening mee te houden, kunnen schade, overlast en gezondheidsrisico’s worden voorkomen. Investeren in klimaatadaptatie betekent investeren in de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving, waarbij water, bodem en groen sturend zijn bij keuzes voor inrichting en gebruik.
Tegelijkertijd biedt deze aanpak grote maatschappelijke meerwaarde. Door nu te investeren in ruimte voor groen en klimaatadaptatie, wordt niet alleen geanticipeerd op toekomstige kosten door schade of herstel, maar ook geïnvesteerd in gezondheid, welzijn en biodiversiteit. Groen – zowel openbaar als particulier – draagt bij aan verkoeling, waterberging en een prettige leefomgeving. Groene daken, gevels en tuinen zorgen voor minder hittestress, schonere lucht en meer leefruimte voor planten en dieren. Daarmee versterken ze de fysieke én mentale gezondheid van inwoners.
Functioneel groen, oftewel het juiste groen op de juiste plek, levert baten op voor de korte én lange termijn: lagere maatschappelijke kosten, een aantrekkelijker woon- en vestigingsklimaat, meer biodiversiteit en een robuuster watersysteem. Door klimaatadaptatie structureel toe te passen binnen ruimtelijke ontwikkelingen, ontstaat een gemeente die bestand is tegen klimaatverandering én waarin leefkwaliteit, natuur en economie elkaar versterken.
Een puntensysteem voor klimaatadaptatie kan richting geven bij ontwikkelingen
Om klimaatadaptatie structureel te verankeren in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de gemeente Noardeast-Fryslân werken met een puntensysteem voor klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Bij ruimtelijke plannen wordt klimaatadaptatie een vast onderdeel van gemeentelijke randvoorwaarden en plantoetsen. De bestaande watertoets wordt daarmee verbreed tot een ‘klimaattoets’, waarin naast wateroverlast ook hitte, droogte en waterveiligheid worden meegenomen. Hiermee geven we richting aan ontwikkelaars en bevorderen we dat nieuwe bouwprojecten bijdragen aan een gezonde, groene en toekomstbestendige leefomgeving.
Nationaal zijn hiervoor kaders ontwikkeld in de Nationale Maatlat Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving. Noardeast-Fryslân wil aansluiten bij deze richtlijnen en hieraan een eigen, praktisch toepasbare invulling geven via een puntensysteem. Dit systeem maakt inzichtelijk wat onder klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen wordt verstaan en biedt initiatiefnemers duidelijkheid over de maatregelen die zij kunnen treffen. Het bevordert creativiteit en keuzevrijheid doordat initiatiefnemers zelf kunnen bepalen welke maatregelen zij inzetten om het vereiste puntenaantal te behalen.
Het puntensysteem zal gelden voor alle ontwikkelingen waarbij minimaal één nieuw gebouw van 50 m² of groter wordt gerealiseerd. Elke uitbreiding, inbreiding of herstructurering kan immers leiden tot versterking van hittestress, wateroverlast of droogte. Binnen het systeem worden vier thema’s beoordeeld: natuurinclusiviteit, droogte, hitte en wateroverlast. Hiermee sluiten we aan op vier van de zes thema’s van de nationale maatlat; de thema’s bodemdaling en gevolgbeperking bij overstroming worden hierbij niet meegenomen.
De financiële effecten voor initiatiefnemers zijn beperkt. Afhankelijk van de gekozen maatregelen wordt een gemiddelde minimale meer investering van circa €1.000 per woning verwacht, wat slechts beperkte invloed zal hebben op grondprijzen en woningprijzen. Daarentegen zijn de baten groot: klimaatadaptieve maatregelen bij nieuwbouw zijn aanzienlijk goedkoper dan achteraf herstel of aanpassing in de bestaande situatie. Tijdige integratie voorkomt bijvoorbeeld hoge kosten voor ondergrondse boom-groeiruimte, waterberging of zonwering. Ook worden maatschappelijke kosten en gezondheidsrisico’s door hittestress, watertekorten of verlies van ecosysteemdiensten beperkt.
Het puntensysteem wordt in samenwerking met ontwikkelaars en de woningcorporatie getoetst op haalbaarheid en duidelijkheid. Een eerste versie dient als basis en kan in de toekomst verder worden doorontwikkeld op basis van ervaringen en nieuwe inzichten, en uiteindelijk verankerd worden in het omgevingsplan. Daarmee vormt het puntensysteem een robuust instrument om de ambities voor klimaatadaptieve en natuurinclusieve nieuwbouw daadwerkelijk te realiseren
Doel: Buurten worden klimaatadaptief en biodivers ingericht volgens een streefpercentage groen en boomkroonbedekking
Concrete uitgangspunten en doelen:
Ontwikkelingen (nieuwbouw/herinrichting) in het bebouwd gebied dragen bij aan het halen van de streefpercentages onverhard terrein per buurt (tabel 9). Deze tabel is een richtlijn, verdere uitwerking volgt in het Omgevingsprogramma Openbare ruimte en de Kapitaalgoederennota;
Ontwikkelingen in het bebouwd gebied werken toe naar het halen van de streefpercentages boomkroonbedekking per buurt (tabel 9);
Het gemeentelijk bomenbestand wordt versterkt en vergroot om te voldoen aan de streefpercentages boomkroonbedekking (tabel 9);
Een minimaal percentage (tabel 9) van het openbaar groen wordt klimaatadaptief en ecologisch ingericht en beheerd. Klimaatadaptief houdt in dat bodemgezondheid centraal staat;
Om onze kernen en wijken klimaatbestendig en biodivers in te richten passen we de 3‑30‑300 regel toe. De waarden zijn per buurttype aangepast aan de context van onze gemeente: Voor boomkroonpercentages per buurtype zie tabel 10. Woningen binnen de grotere kernen (>250 inwoners) hebben op loopafstand (300 meter) toegang tot een openbare koele groene verblijf of wandelmogelijkheid in de schaduw (zie ook 5.2.4);
Groen wat verdwijnt (door bijvoorbeeld de aanleg van transformatorhuisjes) in wijken die onder het streefpercentage scoren worden elders in de buurt gecompenseerd;
Geen openbaar groen (reststukjes) meer verkopen in buurten die onder de streefpercentages scoren.
Wanneer is er voldoende (klimaatadaptief) groen in een buurt?
Op dit moment zijn er nog geen nationaal vastgestelde groennormen voor de inrichting van het openbaar gebied. Het is lastig om voor onze gemeente een algemeen geldende groennorm vast te stellen vanwege de variërende kenmerken van de individuele dorpen en wijken. Ook is er per buurt een grote variatie aan toegankelijk groen in aangrenzende wijken of buitengebied. Hoe groen een kern is voor het grootste deel afhankelijk van de inrichting van het particulier terrein.
Er zijn vanuit verschillende handreikingen en onderzoeken normen beschikbaar om te gebruiken bij het klimaatadaptief, biodivers en gezond inrichten van een gebied. De Nota ruimte (2004) geeft bijvoorbeeld als richtlijn een minimum van 75 m² openbaar groen per woning. Een recentere norm is de 3‑30‑300 regel (3 bomen zichtbaar uit een woning, 30% boomkroonbedekking, op 300 meter een groene verblijfplek). Verder is te denken aan een groenpercentage voor een totale buurt, of enkel voor het openbaar terrein. Ook kan er gekeken worden naar de kwaliteit en variatie van het groen. Naast het percentage boomkroonbedekking kan er ook uitgegaan worden van het boomkroonvolume.
Een groennorm voor het openbaar terrein in de gemeente
De gemeente wil, net als bij parkeernormen, een vaste norm voor hoeveelheid en kwaliteit van groen opnemen in het omgevingsplan. Deze groennorm wordt een hulpmiddel bij (her)inrichting van wijken en openbare ruimte en draagt bij aan klimaatdoelen en leefbaarheid (figuur 15). In dit omgevingsprogramma willen we basis leggen voor een gemeentelijke groennorm die later eventueel verder doorontwikkeld kan worden en opgenomen in ons Omgevingsplan. Deze groennorm is gericht op ons eigen openbaar terrein. Tabel 8 geeft een overzicht van de streefwaarden om het aandeel (klimaatadadaptief) openbaar groen in de kernen en wijken te vergoten. Cursief gedrukt staat de huidige range (2024) aangegeven en een tabel met de waarden per buurt is de vinden in Bijlage_II_Percentages_groen_openbaar_terrein.pdf. Deze streefpercentages zijn niet verplicht maar een richtlijn voor ontwikkelingen in de gemeente. Het gaat er om dat de huidige stand van zaken inzichtelijk is waarmee een betere afweging kan worden gemaakt bij het ontwikkelen van een buurt.

Tabel 8: Streefpercentages openbaar groen in bebouwd gebied per buurttype. Cursief de huidige range op basis van de scope en data uit de groenanalyse van Antea Group. Openbaar terrein is inclusief dorpsbosjes en openbare locaties.
De streefwaarden uit tabel 9 zijn afgeleid van de advieswaarden uit de handreiking groen in en om de stad (2024) en voor bebouwde gebieden in het zeekleigebied, klei op veen en zand uit het rapport: Basiskwaliteit natuur in de bebouwde omgeving (2025). Dit laatste rapport maakt onderscheid tussen laag en middelhoog groen. Bij klimaatadaptief en ecologisch groen is een gezond bodemleven, en daarmee de klimaatadaptieve eigenschappen (zoals waterberging en infiltratie), het uitgangspunt.
Figuur 16: Voorbeeld niet klimaatadaptief groen, niet divers (monocultuur), niet bodem bedekkend.
Figuur 17: Voorbeeld divers en klimaatadaptief groen. Dit soort bosjes zijn ook erg belangrijk voor de biodiversiteit in een versteende omgeving.
Kruidenrijk gras en bosplantsoen (figuur 15) zijn voorbeelden van klimaatadaptief en ecologisch groen omdat hier het bodemleven zich optimaal kan ontwikkelen. In gras met veel verschillende bloemen en kruiden en bosplantsoen met een grote diversiteit aan beplanting en een kruiden laag kan het bodemleven zich beter ontwikkelen wat leidt tot een hogere infiltrerende en watervasthoudende capaciteit. Cultuurbeplanting en gazon worden intensiever beheerd, onbedekte grond kan sneller uitdrogen of dichtslaan bij regen (verslemping) wat leidt tot slechtere klimaatadaptieve eigenschappen (figuur 16). Boomkroonbedekking is overlappend met de andere categorieën.
Hoe kunnen we aan deze streefwaarden voldoen?
Veel kernen scoren al goed op de aanwezigheid van groen en bomen (figuur 17). Voor een aantal buurten betekent dit dat het areaal openbaar groen uitgebreid moet worden om aan deze norm te voldoen, bijvoorbeeld door het weghalen van verharding of het aanleggen van nieuwe groen (bijvoorbeeld als groene verblijfplek, park of wijkgroen). Ook zal er op bepaalde plaatsen op termijn gazon en cultuurbeplanting (niet klimaat adaptief groen) vervangen moeten worden door bloemrijk gras en bosplantsoen/struiken. Daarnaast zijn er per buurttype grotere percentages boomkroonbedekking haalbaar door het vergroten van de groeiruimte van bomen waardoor deze groter en ouder kunnen worden. Slecht presterende of niet passende bomen moeten vervangen worden door bomen met een groter groeipotentie. Afwijken van deze groennormen betekent dat er gekozen wordt om een deel van de bewoners een minder gezonde leefomgeving te bieden. Het kunnen toepassen van deze richtlijnen kan verschillen per dorp of wijk.
Figuur 18: Streefbeeld van een klimaatbestendige kern met voldoende groen die bij draagt aan gezonde leefomgeving.
Doel: Kernen en wijken hebben voldoende groene en koele verblijfplekken en wandelmogelijkheden
Concrete uitgangspunten
Alle wijken en kernen in de gemeente met meer dan 250 inwoners hebben toegang tot een groene en koele verblijfplek of wandelmogelijkheid op loopafstand. De nadruk ligt op de toegankelijkheid voor kwetsbare groepen en ouderen.
Groene verblijfplekken zijn het hele jaar openbaar toegankelijk (geen afgesloten terrein of privégrond). Binnen 300 meter (hemelsbreed) van woningen in de kernen en wijken. Bij voorkeur minder dan 5 minuten lopen.
De minimale omvang van een groene verblijfplek: minimaal 1 hectare ecologisch ingericht groen. Kleinere oppervlaktes kunnen ook meetellen als ze onderdeel zijn van een groter aaneengesloten groen netwerk.
Verblijfswaarde: De groene verblijfplek moet uitnodigen tot recreatie, ontmoeting, rust en ontspanning. Aanwezigheid van zitplekken, paden, speel- of beweegvoorzieningen. Beplanting zorgt voor schaduw (minimaal 30% boomkroonbedekking), variatie en biodiversiteit. Rustige sfeer met natuurlijke elementen (water, bomen, struiken, bloemen). Onderhoudsniveau zodanig dat mensen er graag verblijven (Natuurlijk, veilig, verzorgd). Geschikt voor verschillende doelgroepen (kinderen, ouderen, mensen met beperking). Draagt bij aan sociale cohesie en buurtbetrokkenheid.
De groene verblijfplaats is natuurlijk ingericht: Diverse beplanting met inheemse soorten, geschikt voor vogels, insecten en kleine zoogdieren. Natuurinclusieve inrichting: nestgelegenheid, bloemrijke randen, boomkroonbedekking verschillende groen elementen. Idealiter ecologische verbindingen met andere groenelementen in de wijk.
Leg wanneer mogelijk een koppeling met het realiseren van voldoende nestgelegenheden voor vleermuizen in verband met natuurvriendelijk isoleren. Zoek naar een goede balans tussen het plaatsen van verlichting t.b.v. veiligheid en het creëren van voldoende donkerte voor vleermuizen in nieuwe groene verblijfplaatsen.
Waarom op 300 meter een groene en koele verblijfplek?
De 3‑30‑300-regel biedt een praktische richtlijn om steden en dorpen groener, gezonder en klimaatbestendiger te maken. De regel houdt in dat iedereen drie bomen moet kunnen zien vanuit huis, dat wijken streven naar minimaal 30% boomkroonbedekking, en dat er binnen 300 meter van iedere woning een groene, koele en toegankelijke verblijfplek moet liggen. Vooral die laatste component is belangrijk voor bewoners die geen eigen tuin hebben of wonen in dichtbebouwde buurten. Een groene plek op loopafstand vermindert hittestress, biedt schaduw op warme dagen en geeft bewoners dagelijkse kansen om te ontspannen, te sporten of sociale contacten op te doen. Onderzoek laat zien dat de nabijheid van kwalitatief groen direct samenhangt met betere gezondheid, minder stress, hogere levensverwachting en een grotere ervaren leefbaarheid.
Groene verblijfplekken zijn belangrijk voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en leefbaarheid
Een groene verblijfplek volgens de 300-regel is meer dan een stukje gras of een smalle berm. Het gaat om een aantrekkelijke, toegankelijke en functionele groene ruimte die bijdraagt aan welzijn, biodiversiteit en klimaatadaptatie in de buurt. Voor veel inwoners – met name mensen zonder eigen tuin, ouderen en andere kwetsbare groepen – zijn deze plekken essentieel omdat zij afhankelijk zijn van verkoeling en natuur in de openbare ruimte. Groene verblijfplekken hebben een klimaatadaptieve en luchtzuiverende functie voor het omliggend gebied. Ook kan er ruimte zijn voor waterberging of vertraagde afvoer (wadi’s, vijvers), voedselbossen of moestuinen en de plek kan bijdragen aan de zoetwaterbeschikbaarheid voor de landbouw (voorbeeld zoetwatererven).
Doel: Groenblauwe verbindingen tussen kernen en andere ecologische hotspots worden versterkt en knelpunten opgelost.
Concrete uitgangspunten en doelen:
Opstellen van een gemeentelijk Groen/blauwstructuurplan waarin naast de landschappelijke groenstructuren (Groenstructuurplan 2021) ook de groen/blauwe structuren voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving in kaart worden gebracht voor zowel de kernen als het buitengebied en deze vast te stellen in het Omgevingsplan;
Inzichtelijk maken belangrijkste ecologische hotspots en verbindingen en knelpunten (groen/blauw) binnen de gemeente;
Opstellen van een ambitiekaart met naast de gewenste landschappelijke groenstructuren ook de gewenste groen/blauwe (hoofd)structuren voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving, voor zowel de kernen als het buitengebied;
Opstellen uitvoeringsparagraaf met concrete acties per te versterken groenstructuur/op te lossen knelpunt en blijvend monitoren up-to-date houden van GIS-kaarten;
Tot het nieuwe groen/blauwstructuurplan van kracht is zijn de uitgangspunten uit dit beleidskader samen het biodiversiteitsplan en groenstructuurplan 2021 leidend voor het versterken van groenstructuren;
De kwaliteit van het oppervlaktewater van het overig stedelijk water voldoet aan de samen met Wetterskip Fryslân gestelde doelen hiervoor;
Elke kern heeft de gewenste groenstructuur. De groenblauwe structuren en gebiedseigen biodiversiteit in de openbare ruimte zijn versterkt;
Het versterken van de groen/blauwe structuren draagt bij aan een grotere zoetwaterbeschikbaarheid voor de landbouw;
Figuur 19: Stukjes (laagblijvend) opgaand groen, verspreid langs groene wegen in het landbouwgebied, leveren een belangrijke bijdrage aan de ecologische verbinding tussen kernen.
Waarom een nieuw Groen/blauwstructuurplan?
De groenstructuur in onze gemeente bepaalt mede de kwaliteit van onze omgeving. Maar er zijn veel ontwikkelingen die deze groenstructuur aantasten. In het Groenstructuurplan 2021 is daarom een groenambitie opgenomen die nog steeds actueel is:
“We willen de groenstructuur behouden en versterken door meer gevarieerd en toekomstbestendig groen, wat aansluit op het omringende landschap en waarmee de biodiversiteit wordt vergroot”.
Het groenstructuurplan 2021 is inmiddels 5 jaar oud. Sommige ‘te versterken groenstructuren’ zijn inmiddels aangepakt en daadwerkelijk versterkt. Maar, ondanks de bovengenoemde ambitie en inzet, ook op een aantal plekken groenstructuren er op achteruit gegaan of nog niet helemaal toekomstbestendig en gevarieerd ingericht. Onder de maatschappelijke druk voor woningbouw en energietransitie hebben locaties hier en daar een nieuwe bestemming gekregen of verkocht om plaats te maken voor nieuwe transformatorhuisjes of woningbouw. Netto zijn een aantal buurten daarom juist meer versteend en op achteruit gegaan als het gaat om het totale oppervlakte groen. Om een goede balans te behouden zullen we het bestaand openbaar groen beter moeten beschermen, bijvoorbeeld door een groen/blauwe-structuurkaart met regels vast te stellen in het omgevingsplan.
Landschappelijk groen koppelen met klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid
Naast de eerder al in kaart gebrachte structuren voor landschap, moet dit plan zich ook nadrukkelijk richten op het bevorderen van een klimaatbestendige en gezonde leefomgeving en op het vergroten van de natuurkwaliteit binnen de kernen. Een nieuw groen/blauwstructuurplan zorgt ervoor dat landschap, klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid op een samenhangende manier worden versterkt. Binnen de kernen vervullen bloemrijke elementen en opgaand groen, maar ook natuurvriendelijke oevers een belangrijke rol voor alle genoemde thema’s. Wanneer verbonden kunnen deze structuren een netwerk vormen waar insecten, vogels en andere soorten zich langs kunnen verplaatsen, binnen de kernen maar ook gekoppeld aan het omliggende platteland.
Groenblauwe dooradering in het buitengebied
In het buitengebied moet een balans gevonden worden om de belangrijkste groen/blauwe verbindingen door de gemeente te versterken zonder het karakter van het open landschap te verliezen. Er moet daarbij rekening gehouden worden met het beperken van de predatiedruk in weidevogelgebieden. Door groenclusters via geschikte routes met elkaar te verbinden, kunnen vogels, insecten en andere dieren zich beter verplaatsen en ontstaat een veerkrachtiger ecosysteem.
Boerenerven vervullen hierbij een belangrijke rol: ze functioneren als groene oases in het agrarisch gebied en vormen belangrijke leefgebieden voor talloze soorten. Het behoud en versterken van deze erven is een essentieel onderdeel van het netwerk. Dit geld ook voor andere groenstructuren zoals dorpsbosjes of opgaand groen rond bietenopslagplaatsen. Ook de blauwe structuren in onze gemeente, zoals sloten, vaarten en watergangen, zijn van grote landschappelijke waarde en leveren een belangrijke bijdrage aan de biodiversiteit én klimaatadaptatie. Het plan kan het behoud en versterken van dit netwerk van grote en kleine waterwegen borgen.
Groenblauwe verbindingen naar buiten toe
Het gemeentelijke groenblauwstructuurplan moet ook aansluiten op de grote natuur- en watergebieden in en rond onze gemeente zoals de Waddenzee en het Lauwersmeergebied. Door de groenblauwe dooradering binnen onze gemeente te verbinden met de Waddenzee en andere natuurgebieden ontstaat een robuust netwerk dat bijdraagt aan zowel klimaatadaptatie als biodiversiteit. Hierbij willen we inzetten op het versterken van de bestaande verbindingen. Bijvoorbeeld door samen te werken aan het versterken van vismigratieroutes of de aanleg van nieuwe kwelders als natuurlijke klimaatbuffer tegen zeespiegelstijging.
Doel: Het bewustzijn van de Mienskip op de thema’s klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezonde leefomgeving wordt vergroot.
Concrete uitgangspunten en doelen
We vergroten het bewustzijn over klimaatadaptatie op eigen terrein bij de Mienskip, en de rol die inwoners zelf spelen voor het inrichten van een klimaatbestendige leefomgeving;
We stellen een communicatieplan (incl. jaarlijkse communicatieagenda) op en voeren deze uit om de bewustwording en kennis van het thema klimaatadaptatie en biodiversiteit onder inwoners te vergroten, steenbreekacties en middelen kenbaar te maken, en om te kunnen informeren over clusterbuien en hitte op momenten wanneer dit zich voordoet;
We maken de beschikbaar gestelde kennis en middelen toegankelijker door het verbeteren informatievoorziening klimaatadaptatie en biodiversiteit op de gemeentesite en dit te koppelen aan ander duurzaamheidsthema’s;
We vergroten de bewustwording voor klimaatadaptatie onder basisschoolleerlingen (via de Klyster) middels het aanbieden van lespakketten over klimaatadaptatie en biodiversiteit aan basisscholen in de gemeente;
We behouden de Boomplantdag binnen de samenwerking met de Klyster om jaarlijks leerlingen bomen te laten planten (nu 1 school per jaar in onze gemeente). Idealiter zou elke leerling in de gemeente 1 keer een boom of heester moeten planten. De mogelijkheden voor uitbreiding van de boomplantdag willen we onderzoeken in het volgende omgevingsprogramma na 2031;
We willen samenwerken met dorpsbelangen, wijkraden, woningcorporaties, welzijnsorganisaties, Noardeast Ferbûn, Yfke, de Bieb of Dokwurk om kennis en middelen te delen met inwoners;
Het gebruik van bodem verstorende onkruidbestrijdingsmiddelen in tuinen en de openbare ruimte worden afgeraden. Deze middelen zijn schadelijk voor nuttige dieren en insecten in de bodem (het gebruik van middelen met glyfosaat is al sinds 2016 in Nederland verboden voor particulieren);
We geven als gemeente het goede voorbeeld door het klimaatbestendig en biodivers inrichten van ons eigen terrein.

Waarom is communicatie over klimaatadaptatie nodig?
De Mienskip krijgt meer inzicht in welke rol zij kunnen spelen binnen klimaatadaptatie en biodiversiteit. Waar het thema klimaatverandering tot discussie kan leiden, is het voor iedereen duidelijk dat we te maken hebben met veranderende weersomstandigheden. Lange periodes van hitte en droogte en clusterbuien zijn voorbeelden waar we in de afgelopen jaren mee te maken hebben. Welke invloed de overheid en Mienskip hierop kunnen uitoefenen, is vaak nog onbekend. Als er geen maatregelen worden genomen, leidt dit tot schade en hoge kosten. Vaak zijn deze kosten hoger dan die van het nemen van klimaatadaptieve maatregelen om deze schades te voorkomen.
Het is belangrijk om inwoners te informeren over welke maatregelen wij als gemeente nemen en waarom we dit doen. Net als het informeren over welke maatregelen zij zelf kunnen nemen en wat de voordelen van deze maatregelen zijn. Pas wanneer er maatregelen zowel op openbaar als particulier terrein worden getroffen, is het effect groter. Tot slot is er communicatie nodig over bijvoorbeeld clusterbuien of hittegolven op het moment dat deze zich voordoen. Hierdoor geven we inwoners handvatten wat zij kunnen doen tijdens extreme weersomstandigheden
Doel: We stimuleren en faciliteren de Mienskip om maatregelen te nemen op eigen terrein, en daarmee bij te dragen aan een klimaatbestendige, biodiverse en gezonde leefomgeving.
Concrete uitgangspunten en doelen:
We voeren jaarlijks een actie Steenbreek uit, elk jaar in een ander wijk of dorp. Ook blijven we als gemeente lid van Stichting Steenbreek. Vergroeningsacties dragen bij en worden afgestemd op doelen voor klimaatadaptatie en biodiversiteit in een wijk of dorp;
Bij vergroeningsacties stimuleren we, naast het verminderen van het verhard oppervlakte, het vergroten van variatie in soorten en boomkroonvolume op particulier terrein. Grotere elementen met een groter vegetatievolume zoals hagen, heesters en bomen dragen meer bij dan kleine vaste planten;
We stellen een Subsidie Groene Tuinen beschikbaar om inwoners te faciliteren bij het klimaatbestendig en biodivers inrichten van hun tuin en erf;
We stellen een Tegeltaxi beschikbaar om gratis tegels op te halen bij inwoners en te ondersteunen bij het aanleggen van geveltuinen;
We stellen gratis tuinadvies doormiddel van deelname aan Tuinrangers (IVN). We zorgen voor een goede informatievoorziening en ondersteuning voor inwoners die aan de slag willen met hun tuin om deze meer klimaatadaptief in te richten;
We werken samen met MeerBomenNu om zaailingen (bomen en struiken) bij ontwikkelingen te kunnen oogsten op en beschikbaar te stellen aan inwoners;
We willen klimaatarmoede tegen te gaan door inwoners op verschillende manieren te faciliteren.
De Mienskip aanzetten tot actie op eigen terrein
We willen onze inwoners en ondernemers stimuleren en faciliteren om klimaatadaptie toe te passen op eigen terrein. Een groter oppervlakte particulier groen betekend maatschappelijk voordeel door de positieve bijdrage aan klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid. We willen de middelen die we hier al voor aanbieden, verlengen en uitbreiden. We maken actie Steenbreek en geveltuin duidelijker zichtbaar en makkelijker toegankelijk. Door de Klimaatatlas kunnen we gericht aan de slag in dorpen of wijken. Bijvoorbeeld door de hittestresslocaties beter inzichtelijk te hebben, kunnen we doelgerichter samenwerking zoeken met omwonenden om gezamenlijk geveltuinen aan te leggen en bestrating te vervangen voor groen.
Figuur 20: Voorbeeld van de relatie tussen de inrichting van een tuin voor de biodiversiteit
Subsidies voor het vergroenen van tuinen gaan we beter inzetten. Door aanvragen laagdrempeliger te maken en duidelijke handleidingen bij verstrekking toe te voegen. We geven meer handvatten hoe specifieke locaties, zoals tuinen of boerenerven, meer biodivers en klimaatadaptief ingericht kunnen worden. Daarnaast willen we onderzoeken aan welke kennis en middelen behoefte is. Zo kunnen we onze inwoners gerichter faciliteren. Hierbij willen we ook gebruikmaken van Tuinrangers. Deze gaan het gesprek aan en kijken mee wat de mogelijkheden in een tuin zijn. Inwoners hebben een laagdrempelig contactpersoon die hen begeleidt en informeert over verschillende inrichtingen en soorten. Ook kunnen tuinambassadeurs een rol spelen richting woningcorporaties of kwetsbare locaties, zoals schoolpleinen of verzorgingstehuizen.
Klimaatadaptief en biodivers handelen vergt een andere manier van denken. Naast dat er in strakke en nette tuinen minder biodiversiteit is (figuur 20) kunnen deze tuinen ook minder water vasthouden of hitte tegengaan. Zo leiden kort gemaaide grasvelden en een onbedekte bodem in borders tot grotere kans op uitdroging met een beperkte waterbuffer en infiltratie. Hoger gras met verschillende kruiden en een border beschermd met bodembedekkers of houtsnippers zorgen juist voor een gezonder bodemleven met een veel hogere infiltrerende en watervasthoudende capaciteit. Om klimaatbestendig te kunnen worden zullen bodemgezondheid en biodiversiteit het uitgangspunt moeten worden bij het inrichten en onderhouden van tuinen.
.
Doel: We werken samen met sociale organisaties om meer terrein in de gemeente klimaatadaptief in te richten. Dit kan eigen grond van de organisatie zijn, of dat van inwoners.
Concrete uitgangspunten en doelen:
We betrekken woningcorporaties, wijkraden en dorpsbelangen bij de organisatie van steenbreekacties in wijken of dorpen.
We werken samen met woningcorporaties aan klimaatadaptatie en biodiversiteit door hier op in te zetten binnen de gezamenlijke prestatieafspraken;
We stimuleren het natuurlijker inrichten en vergroenen van schoolpleinen, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van een vergroeningspakket met bomen en struiken per school;
We willen voldoende groen en schaduw bieden in de openbare ruimte rondom locaties waar kwetsbare inwoners wonen, zoals verpleeghuizen;
We zoeken, indien mogelijk, aansluiting bij landelijke organisaties met relevante initiatieven met betrekking tot klimaatadaptatie.
Waarom samenwerken met sociale organisaties?
De gemeente Noardeast-Fryslân werkt actief samen met woningcorporaties, wijkraden en dorpsbelangen om de leefomgeving klimaatadaptieve en groener te maken. Zo worden steenbreekacties lokaal georganiseerd om verharding te verminderen en ruimte te creëren voor water, schaduw en biodiversiteit. Ook binnen de gezamenlijke prestatieafspraken met corporaties krijgt klimaatadaptatie en biodiversiteit structureel aandacht. Daarnaast zet de gemeente in op het vergroenen van schoolpleinen en de directe omgeving van kwetsbare voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, zodat deze plekken veiliger en koeler worden tijdens hete dagen en bij hevige neerslag. Waar mogelijk sluit de gemeente aan bij landelijke organisaties en initiatieven die relevante kennis, middelen of ondersteuning bieden, om zo lokale acties te versterken en te versnellen.
/join/id/regdata/gm1970/2026/Bijlage_I_Klimaatadaptatie_scores_per_buurt/nld@2026‑10‑06;1
/join/id/regdata/gm1970/2026/Bijlage_II_Percentages_groen_openbaar_terrein/nld@2026‑10‑06;1
/join/id/regdata/gm1970/2026/Bijlage_III_Percentages_boomkroonbedekking_per_buurt/nld@2026‑10‑06;1
/join/id/regdata/gm1970/2026/Bijlage_IV_Percentages_verharding_per_buurt/nld@2026‑10‑06;1
/join/id/regdata/gm1970/2026/Bijlage_V_Extra_maatregelen_in_de_openbare_ruimte/nld@2026‑10‑06;1
/join/id/regdata/gm1970/2026/Bijlage_VI_Financiele_Paragraaf/nld@2026‑10‑06;1
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-468462.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.