Gemeenteblad van Horst aan de Maas
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Horst aan de Maas | Gemeenteblad 2026, 467903 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Horst aan de Maas | Gemeenteblad 2026, 467903 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De gemeenteraad van de gemeente Horst aan de Maas,
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;
gelet op artikel 2.4 van de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht;
besluit om de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas (kern Meterik) vast te stellen.
Het Omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas (kern Meterik) is gewijzigd vastgesteld, zoals is opgenomen in bijlage A. Het overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het ontwerp is opgenomen in de Nota zienswijzen in bijlage 2.
De onderbouwing voor de wijziging van het omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas is opgenomen in de motivering, zoals is bijgevoegd in bijlage 1.
Dit wijzigingsbesluit treedt in werking vier weken na bekendmaking ervan.
Aldus besloten door de gemeenteraad van de gemeente Horst aan de Maas, 15 september 2026.
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I bij dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving bevat.
Bijlage II bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan.
In aanvulling op het eerste, tweede lid en derde lid zijn ter plaatse van de locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op deze regels.
In dit omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
De afstand tot de zijdelingse perceelgrens
tussen de zijdelingse grenzen van een perceel en enig punt van het betreffende bouwwerk, waar de afstand het kortste is.
De bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
De diepte van een gebouw
horizontaal tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels gemeten van de voorgevel tot de achtergevel en 1 meter boven peil en waarbij de grootste maat (gemeten evenwijdig aan één van de zijgevels) bepalend is
De goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
De inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
De oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Horst aan de Maas als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
Er is een locatie Plangrens Meterik
Ter plaatse van de locatie ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking blijft het tijdelijk deel omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet van toepassing.
In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet, geldt voor Plangrens Meterik het bepaalde in hoofdstuk 2 t/m 5 en 22.
B
Het opschrift van hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er zijn locaties met een functie Agrarisch.
Ter plaatse van de functie Agrarisch zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Bedrijf.
Ter plaatse van de functie Bedrijf zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Detailhandel.
Ter plaatse van de functie Detailhandel zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Groen.
Ter plaatse van de functie Groen zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Horeca.
Ter plaatse van de functie Horeca zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Maatschappelijk.
Ter plaatse van de functie Maatschappelijk zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Recreatie.
Ter plaatse van de functie Recreatie zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Verkeer.
Ter plaatse van de functie Verkeer zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Er zijn locaties met een functie Wonen.
Ter plaatse van de functie Wonen zijn uitsluitend de ter plaatse aangegeven activiteiten toegestaan, met inachtneming van de genoemde waarden en regels voor waarde- en (milieu)beperkingengebieden en met inachtneming van de in de hoofdstukken 4 t/m 5 voor de afzonderlijke activiteiten gegeven regels.
Artikel 3.19 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van activiteiten in of op een cultureel erfgoed.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoud, herstel en versterken van cultureel erfgoed.
Artikel 3.21 Aanwijzing beschermd cultuurlandschap
Er zijn gebieden met de locatie ‘beschermd cultuurlandschap’, onderverdeeld in gebieden met:
‘beschermd cultuurlandschap 1’: zeer hoge waarden;
‘beschermd cultuurlandschap 2’: hoge waarde;
‘beschermd cultuurlandschap 3’: positieve en basiswaarde.
Artikel 3.22 Aanwijzing vergunningplicht bouwactiviteit - beschermd cultuurlandschap
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in een beschermd cultuurlandschap, zoals bedoeld in Artikel 3.21.
Artikel 3.23 Aanvullende aanvraagvereisten bouwactiviteit – beschermd cultuurlandschap
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een beschermd cultuurlandschap wordt, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 25.5.2 een rapport vereist, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, de bouwactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Artikel 3.24 Beoordelingsregels bouwactiviteit – beschermd cultuurlandschap
Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een beschermd cultuurlandschap wordt alleen verleend indien, aanvullend op het bepaalde in artikel 22.29, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, het bouwwerk in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en de kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
Artikel 3.25 Vergunningvoorschriften bouwactiviteit – beschermd cultuurlandschap
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een beschermd cultuurlandschap in het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap, voorschriften opleggen ter bescherming van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
SubSubParagraaf 3.2.2.2.3 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden in een beschermd cultuurlandschap
Artikel 3.26 Aanwijzing vergunningplicht werken en werkzaamheden - beschermd cultuurlandschap
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te verrichten in een beschermd cultuurlandschap, zoals bedoeld in Artikel 3.21.
Artikel 3.27 Aanvullende aanvraagvereisten werken en werkzaamheden – beschermd cultuurlandschap
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een beschermd cultuurlandschap wordt, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 22.5.2, een rapport vereist, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Artikel 3.28 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden – beschermd cultuurlandschap
Een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een beschermd cultuurlandschap wordt alleen verleend indien, aanvullend op het bepaalde in artikel 22.29, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van beschermd cultuurlandschap.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en de kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
Artikel 3.29 Vergunningvoorschriften werken en werkzaamheden – beschermd cultuurlandschap
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een beschermd cultuurlandschap in het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap, voorschriften opleggen ter bescherming van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Artikel 3.30 Aanwijzing vergunningplicht sloopactiviteit - beschermd cultuurlandschap
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning sloopactiviteiten te verrichten in een beschermd cultuurlandschap, zoals bedoeld in Artikel 3.21.
Artikel 3.31 Aanvullende aanvraagvereisten sloopactiviteit – beschermd cultuurlandschap
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een beschermd cultuurlandschap wordt, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 22.5.2, een rapport vereist, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, de sloopactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Artikel 3.32 Beoordelingsregels sloopactiviteit – beschermd cultuurlandschap
Een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een beschermd cultuurlandschap wordt alleen verleend indien, aanvullend op het bepaalde in 22.279, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, de sloopactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en de kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
Artikel 3.33 Aanwijzing vergunningplicht kappen en vellen - beschermd cultuurlandschap
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bomen of houtopstanden te kappen of te vellen in een beschermd cultuurlandschap, zoals bedoeld in Artikel 3.21.
Artikel 3.34 Uitzondering vergunningplicht kappen en vellen - beschermd cultuurlandschap
In afwijking van Artikel 3.33 geldt geen vergunningplicht voor:
De vergunningplicht geldt ook niet voor:
Artikel 3.35 Aanvullende aanvraagvereisten kappen en vellen – beschermd cultuurlandschap
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen of vellen van bomen of houtopstanden in een beschermd cultuurlandschap worden, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 22.5.2, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de te kappen boom of te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening;
de reden voor het kappen van de boom of vellen van de houtopstand;
de mogelijkheid tot herbeplanten en, als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten; en
een rapport, waarin aannemelijk is gemaakt dat het kappen of vellen in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Artikel 3.36 Beoordelingsregels kappen en vellen – beschermd cultuurlandschap
Een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit in een beschermd cultuurlandschap wordt alleen verleend indien, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 22.5.2, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, het kappen of vellen van bomen of houtopstanden in overeenstemming is met het belang van het behoud van het karakter en kenmerken van het beschermd cultuurlandschap.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van het karakter en kenmerken van beschermde cultuurlandschappen moet worden voorkomen.
Artikel 3.37 Vergunningvoorschriften kappen en vellen – beschermd cultuurlandschap
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor een kapactiviteit in een beschermd cultuurlandschap in het belang van het behoud van het karakter en kenmerken van het beschermd cultuurlandschap, een herplantplicht opleggen.
Artikel 3.38 Meldingsplicht snoeien, knotten of kandalaberen van bomen - beschermd cultuurlandschap
Artikel 3.39 Aanwijzing ensembles
Er zijn gebieden met de locatie ‘ensemble’, onderverdeeld in gebieden met:
ensemble 1: zeer hoge waarden;
ensemble 2 :hoge waarde.
Artikel 3.40 Aanwijzing vergunningplicht bouwactiviteit - ensemble
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in een ensemble, zoals bedoeld in Artikel 3.39.
In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid zijn tevens de regels in artikel 22.28 van toepassing voor de rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.
Artikel 3.41 Aanvullende aanvraagvereisten bouwactiviteit – ensemble
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een ensemble wordt, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 22.5.2, een rapport vereist, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, de bouwactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble.
Artikel 3.42 Beoordelingsregels bouwactiviteit – ensemble
Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een ensemble wordt alleen verleend indien, aanvullend op het bepaalde in artikel 22.29, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorisch deskundige namens het bevoegd gezag, het bouwwerk:
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble moet worden voorkomen.
Artikel 3.43 Vergunningvoorschriften bouwactiviteit – ensemble
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een ensemble in het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble, voorschriften opleggen ter bescherming van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble.
Artikel 3.44 Aanwijzing vergunningplicht werken en werkzaamheden - ensemble
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te verrichten in een ensemble, zoals bedoeld in Artikel 3.39.
Artikel 3.45 Aanvullende aanvraagvereisten werken en werkzaamheden – ensemble
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een ensemble wordt, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 22.5.2, een rapport vereist, waarin aannemelijk is gemaakt dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden in overeenstemming zijn met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble.
Artikel 3.46 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden – ensemble
Een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een ensemble wordt alleen verleend indien, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, de werken en werkzaamheden:
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van de kernkwaliteiten en de kenmerken van een ensemble moet worden voorkomen.
Artikel 3.47 Aanwijzing vergunningplicht sloopactiviteit - ensemble
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning sloopactiviteiten te verrichten in een ensemble, zoals bedoeld in Artikel 3.39.
Artikel 3.48 Aanvullende aanvraagvereisten sloopactiviteit – ensemble
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een ensemble wordt, aanvullend op het bepaalde in paragraaf 22.5.2, een rapport vereist, waarin aannemelijk is gemaakt, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, dat de sloopactiviteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van een ensemble, zoals beschreven in de redengevende beschrijving van het betreffende ensemble.
Artikel 3.49 Beoordelingsregels sloopactiviteit – ensemble
Een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een ensemble wordt alleen verleend indien, aanvullend op het bepaalde in artikel 22.29, op basis van een cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat, naar het oordeel van de cultuurhistorische deskundige namens het bevoegd gezag, de sloopactiviteit:
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel dat aantasting van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble moet worden voorkomen.
Artikel 3.50 Vergunningvoorschriften sloopactiviteit – ensemble
Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een ensemble in het belang van het behoud van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het beschermd cultuurlandschap, voorschriften opleggen ter bescherming van de kernkwaliteiten en de kenmerken van het ensemble.
Artikel 3.51 Betrokkenheid adviescommissie cultuurhistorie bij beoordeling aanvraag voor activiteiten met betrekking tot ensembles
Het college van burgemeester en wethouders betrekt de adviescommissie cultuurhistorie bij een beoordeling van een aanvraag in ensemble 2, bedoeld in Artikel 3.39.
Artikel 3.52 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het uitvoeren van activiteiten in of op een archeologisch monument of een gebied met archeologische (verwachtings)waarde.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden.
Artikel 3.54 Aanwijzing gebieden met archeologische (verwachtings)waarde
Er zijn gebieden met archeologische (verwachtings)waarde, onderverdeeld in gebieden met een:
‘archeologie 1’: monument/zeer hoge waarden;
‘archeologie 2’: hoge waarde;
‘archeologie 3’: hoge verwachtingswaarde;
‘archeologie 4’: middelhoge verwachtingswaarde;
‘archeologie 5’: middelhoge verwachtingswaarde met afgedekt landschap;
‘archeologie 6’: middellage verwachtingswaarde.
Artikel 3.55 Aanwijzing vergunningplicht bouwactiviteit - archeologische (verwachtings)waarden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden, zoals bedoeld in Artikel 3.54.
Artikel 3.56 Uitzondering vergunningplicht bouwactiviteit - archeologische (verwachtings)waarden
In afwijking van Artikel 3.55 geldt geen vergunningplicht voor de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte op of onder het maaiveld niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘archeologie 2’ voor:
In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘archeologie 3’ voor:
Artikel 3.57 Aanvullende aanvraagvereisten bouwactiviteit – archeologische (verwachtings)waarden
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de bouwactiviteit;
als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving;
als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
als sprake is van een archeologische (verwachtings)waarde onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 3.58 Beoordelingsregels bouwactiviteit – archeologische (verwachtings)waarden
Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden wordt alleen verleend indien, aanvullend op het bepaalde in artikel 22.29, op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
Artikel 3.59 Vergunningvoorschriften bouwactiviteit – archeologische (verwachtings)waarden
Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
Artikel 3.60 Omgevingsvergunning werken en werkzaamheden – archeologische (verwachtings)waarden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten in of op een archeologisch monument, zoals bedoeld in Artikel 3.54:
het afgraven van gronden;
het uitvoeren van graafwerkzaamheden;
het uitvoeren van andere grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het aanleggen en onderhouden van infrastructurele werken, zoals (spoor)wegen, tunnels, viaducten, rioleringen;
het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
het uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden;
het verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanleggen, (ver)graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
het verlagen of het verhogen van het waterpeil, tenzij dit een maatregel is van het bevoegde waterschap;
het baggeren, waaronder begrepen saneren en onderzuigen;
het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
het aanplanten of verwijderen van diepwortelende bomen, hakhout en andere houtopstanden;
winnen van grondstoffen;
het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
Artikel 3.61 Uitzondering vergunningplichtige werken en werkzaamheden - archeologische (verwachtings)waarden
In afwijking van Artikel 3.60 geldt geen vergunningplicht voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:
die worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud;
die worden uitgevoerd binnen de bestaande diepte en oppervlakte van een bestaand cunet van een weg of leiding; of
die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek volgens een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen of, in geval van een booronderzoek, plan van aanpak.
In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘archeologie 2’ als:
In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘archeologie 3’ als:
Artikel 3.62 Aanvullende aanvraagvereisten werken en werkzaamheden – archeologische (verwachtings)waarden
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werk, geen bouwwerk zijnde, of bouwwerk in een gebied met archeologische waarden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een omschrijving van de aard van het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheid, met vermelding van:
een topografische kaart voorzien van een noordpijl en ten minste twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;
doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;
een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waarin de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op
als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen voor de opgraving; en
als sprake is van een booronderzoek: een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor een booronderzoek; en
als sprake is van een (te verwachten) archeologisch monument onderwater: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een bestek of werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;
als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; of
een rapport waarin de gevolgen van de activiteit voor de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt.
Artikel 3.63 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden – archeologische (verwachtings)waarden
Een omgevingsvergunning voor een werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden wordt alleen verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
Artikel 3.64 Vergunningvoorschriften werken en werkzaamheden – archeologische (verwachtings)waarden
Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een programma van eisen.
Artikel 3.65 Aanwijzing vergunningplicht sloopactiviteit – archeologische (verwachtings)waarden
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden, zoals bedoeld in Artikel 3.54
Artikel 3.66 Uitzondering vergunningplichtige sloopactiviteit - archeologische (verwachtings)waarden
In afwijking van Artikel 3.65 geldt geen vergunningplicht voor sloopactiviteiten waarbij de oppervlakte onder maaiveld niet wordt verstoord.
In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘archeologie 2’ als:
In aanvulling op het eerste lid geldt ook geen vergunningplicht op de locatie ‘archeologie 3’ als:
Artikel 3.67 Aanvullende aanvraagvereisten sloopactiviteit - archeologische (verwachtings)waarden
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en beoordelingsrichtlijn, waaruit de archeologische waarde van de locatie, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, in voldoende mate blijkt; en
voor zover deze beschikbaar zijn: bestaande funderingstekeningen, waaruit de omvang en de diepte van de samenhangende bodemverstoringen blijken als gevolg van de sloopactiviteit.
Artikel 3.68 Aanvullende beoordelingsregels sloopactiviteit - archeologische (verwachtings)waarden
Een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden wordt alleen verleend indien op basis van een archeologisch onderzoek, naar het oordeel van de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag, is aangetoond dat:
er op de locatie van het te slopen bouwwerk geen archeologische waarden aanwezig of te verwachten zijn;
de archeologische (verwachtings)waarde niet of niet onevenredig wordt geschaad; of
de archeologische (verwachtings)waarde kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische waarden, bij voorkeur in situ.
Artikel 3.69 Vergunningvoorschriften sloopactiviteiten - archeologische (verwachtings)waarden
Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van sloopactiviteiten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden in het belang van de archeologische monumentenzorg, die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties;
het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met de Erfgoedwet;
het binnen een bepaalde termijn starten van werkzaamheden;
het vooraf melden van de start van de werkzaamheden;
het zo spoedig mogelijk schriftelijk melden van feiten of omstandigheden die van invloed zijn op de uitvoering van werkzaamheden in overeenstemming met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften;
het tijdig voor aanvang van werkzaamheden bekend maken van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften aan de opdrachtnemer van de werkzaamheden, onder wie mede begrepen een onderaannemer; en
het uitvoeren van de werkzaamheden in overeenstemming met de in de omgevingsvergunning genoemde versie van tekeningen of van een door de archeologisch deskundige, namens het bevoegd gezag, goedgekeurd programma van eisen.
De voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onder a, kunnen worden gesteld over de wijze van slopen.
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in een gebied met een molenbiotoop die mogelijk nadelige gevolgen kunnen hebben voor de molen.
Het betreft in ieder geval de volgende activiteiten voor zover deze activiteiten worden verricht in een gebied met een molenbiotoop:
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de molen, waar de molenbiotoop omheen ligt, als werktuig en van de waarde van de molen als beeldbepalend element.
In een gebied met een molenbiotoop gelden aanvullende regels voor bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden.
Er zijn gebieden met de locatie molenbiotoop.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in een gebied met een molenbiotoop bouwactiviteiten uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren.
In afwijking van Artikel 3.73 geldt geen vergunningplicht voor het uitvoeren van bouwactiviteiten, die:
worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en toegestane activiteiten;
op het moment van inwerkingtreding van Artikel 3.73 in uitvoering waren; of
konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
De omgevingsvergunning voor het bouwen in een gebied met een molenbiotoop wordt alleen verleend als:
wordt aangetoond dat dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarde niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet onevenredig wordt of kan worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen;
de bouwhoogte van een bouwwerk binnen een afstand van 100 meter van de molen niet meer bedraagt dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek van die molen; en
de bouwhoogte van een bouwwerk binnen een afstand van 100 tot 400 meter van de molen niet meer bedraagt dan 1/100 keer de afstand tussen het bouwwerk en de molen, gerekend vanaf hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met molenbiotoop levert de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden aan:
een onderbouwing dat de bouwactiviteiten de werking van de molen en waarde van de molen als beeldbepalend element niet onevenredig schaadt; dan wel de mogelijkheden voor herstel van die warde niet onevenredig wordt verkleind; en
een schriftelijk advies van een deskundige over de effecten van het bouwwerk op de molen.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in een gebied met een molenbiotoop werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren voor het aanplanten van bomen, hakhout en andere houtopstanden hoger dan 1,50 m.
In afwijking van Artikel 3.78 geldt geen vergunningplicht voor het uitvoeren van de volgende werkzaamheden die:
worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en toegestane activiteiten;
ten tijde van de inwerkingtreding van Artikel 3.78 in uitvoering waren: of
konden worden uitgevoerd op grond van een vóór dat tijdstip verleende of aangevraagde vergunning.
De omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten in een gebied met een molenbiotoop wordt alleen verleend als wordt aangetoond dat dan wel door de gevolgen daarvan, hetzij direct, hetzij indirect de waarde niet blijvend onevenredige of niet onevenredig kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarde niet onevenredig wordt of kan worden verkleind, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een werken of werkzaamheden in een gebied met molenbiotoop levert de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden aan:
een onderbouwing dat de werken of werkzaamheden de werking van de molen en waarde van de molen als beeldbepalend element niet onevenredig schaadt; dan wel de mogelijkheden voor herstel van die warde niet onevenredig wordt verkleind; en
een schriftelijk advies van een deskundige over de effecten van de werken of werkzaamheden op de molen.
Artikel 3.82 Toepassingsbereik regels voor activiteiten in grondwatergebied venloschol
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in een gebied met grondwatergebied venloschol.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de waterwinning en de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater.
Voor de gronden in een gebied met grondwatergebied Venloschol gelden aanvullende regels voor bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden.
Artikel 3.84 Aanwijzing venloschol
Er zijn locaties met de locatie grondwatergebied venloschol.
Artikel 3.85 Aanwijzing vergunningplicht bouwen en uitvoeren werkzaamheden binnen grondwatergebied venloschol
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in een gebied met grondwatergebied venloschol te bouwen en/of werken en werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren.
Artikel 3.86 Uitzonderingen vergunningplicht bouwen en uitvoeren werkzaamheden binnen grondwatergebied venloschol
In afwijking van Artikel 3.85 geldt geen vergunningplicht voor het uitvoeren van de volgende bouwactiviteiten en/of het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:
werken en werkzaamheden die niet dieper gaan dan 5 meter + N.A.P;
bouwactiviteiten waarbij grondwerkzaamheden niet dieper gaan dan 5 meter + N.A.P;
bouwactiviteiten en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en toegestane activiteiten; en
bouwactiviteiten en werkzaamheden die op het moment van inwerkingtreding van Artikel 3.85 in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
Artikel 3.87 Beoordelingsregels bouwen en uitvoeren werkzaamheden binnen grondwatergebied venloschol
De omgevingsvergunning voor het bouwen en/of uitvoeren van werken en werkzaamheden in een gebied met grondwatergebied venloschol wordt alleen verleend als kan worden voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg.
Artikel 3.88 Toepassingsbereik regels voor activiteiten in Waterstaat - Profiel van vrije ruimte
Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in een gebied met Waterstaat - Profiel van vrije ruimte
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beheer en onderhoud van de binnen het gebied gelegen waterloop, alsmede voor de ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarden van de waterloop.
Voor de gronden in een gebied met Waterstaat - Profiel van vrije ruimte gelden aanvullende regels voor bouwactiviteiten.
Artikel 3.90 Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen Waterstaat - Profiel van vrije ruimte
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in een gebied met Waterstaat - Profiel van vrije ruimte bouwactiviteiten uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren.
Artikel 3.91 Uitzonderingen vergunningplicht bouwen binnen Waterstaat - Profiel van vrije ruimte
In afwijking van Artikel 3.90 geldt geen vergunningplicht voor het uitvoeren van de volgende bouwactiviteiten:
bouwactiviteiten ten behoeve van de van de doelen/oogmerken van gebieden met Waterstaat - Profiel van vrije ruimte;
gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud van de betreffende watergang mits:
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 meter;
bouwactiviteiten die worden uitgevoerd in het kader van het normale onderhoud en beheer van de gronden en toegestane activiteiten; en
bouwactiviteiten die op het moment van inwerkingtreding van artikel 3.90 in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.
Artikel 3.92 Beoordelingsregels bouwen binnen Waterstaat - Profiel van vrije ruimte
De omgevingsvergunning voor het bouwen in een gebied metWaterstaat - Profiel van vrije ruimte wordt alleen verleend als:
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de watergang;
voldaan wordt aan regels behorende bij de ter plaatse geldende andere activiteiten;
vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap en de Waterschapsverordening van het waterschap in acht wordt genomen.
D
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en,
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Er kunnen met het oog op de oogmerken zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Alleen de gebruiksactiviteiten die rechtstreeks zijn toegestaan, mogen ter plaatse zonder voorafgaande toestemming of andere verplichting worden verricht. De relevante regels moeten daarbij in acht genomen worden.
De gebruiksactiviteiten waarvoor een verbod behoudens melding, verbod behoudens omgevingsvergunning of een voorwaardelijke verplichting geldt, mogen niet eerder worden verricht dan nadat de melding is gedaan, de omgevingsvergunning in werking is getreden of aan de voorwaardelijke verplichting is voldaan.
Andere gebruiksactiviteiten dan bedoeld in het eerste en tweede lid zijn verboden.
Indien omgevingsnormen of maatvoeringen zijn opgenomen, zijn de gebruiksactiviteiten uitsluitend toegestaan met inachtneming van deze normen.
Ter plaatse van de locatie binnen kern zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan als activiteit en voorziening die hoort bij de gebruiksactiviteit die hoofdzakelijk wordt uitgeoefend:
Parkeervoorzieningen zijn toegestaan als activiteit die hoort bij de gebruiksactiviteit die hoofdzakelijk wordt uitgeoefend.
Het aantal parkeerplaatsen zoals elders in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning is bepaald, wordt in stand gehouden.
Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit omgevingsplan geen verbod behoudens omgevingsvergunning geldt, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen volgens de beleidsregeling Nota parkeernormen of de rechtsopvolger daarvan, zoals die geldt ten tijde van de wijziging van het bouwwerk of de wijziging van het gebruik.
Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en van bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit omgevingsplan een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen volgens de beleidsregeling Nota parkeernormen of de rechtsopvolger daarvan, zoals die geldt ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning.
In aanvulling op paragraaf 22.5.2 levert de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ruimtelijke bouwactiviteit en voor het wijzigen van gebruik of de omvang van gebruik worden gegevens en bescheiden verstrekt over de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van agrarische activiteiten.
Ter plaatse van de locatie agrarisch bedrijfsmatig zijn agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan.
Ter plaatse van de locatie agrarisch hobbymatig zijn agrarisch hobbymatige activiteiten toegestaan.
Ter plaatse van de locatie extensief dagrecreatief medegebruik is extensief dagrecreatief medegebruik toegestaan.
Ter plaatse van de locatie kwekerij is een kwekerij toegestaan.
De volgende gebruiksactiviteiten zijn ter plaatse van locatie agrarisch bedrijfsmatig en agrarisch hobbymatig, extensief dagrecreatief medegebruik verboden, tenzij ter plaatse een specifieke uitzondering is gemaakt:
het gebruik van gronden buiten het bouwvlak voor buitenopslag;
het gebruik van de gronden voor inpandige statische opslag in kassen;
het gebruik van de gronden voor verblijfsrecreatie;
het gebruik van verlichting ten behoeve van bestaande dan wel middels omgevingsvergunning toegestane paardenbakken buiten het bouwvlak, met uitzondering van verlichting:
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van bedrijfsactiviteiten.
Ter plaatse van de locatie bedrijf zijn bedrijfsmatige activiteiten in de categorie 1 en 2 zoals vermeld op de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan.
Ter plaatse van de locatie nutsvoorziening is een nutsvoorziening toegestaan.
Ter plaatse van de locatie autoherstelbedrijf is een autoherstelbedrijf toegestaan.
Ter plaatse van de locatie stallingsruimte is een stalling voor motorvoertuigen toegestaan.
Artikel 4.25 Aanwijzing vergunningplicht toestaan bedrijf in een hogere milieucategorie
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie uit te voeren te doen of laten uitvoeren dan toegestaan in Artikel 4.21 Bedrijfsactiviteiten.
Artikel 4.26 Beoordelingsregels vergunningplichtige bedrijfsactiviteiten
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als aangetoond wordt dat:
de bedrijfsactiviteiten wat betreft de aard en de omvang van de milieueffect vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijfsactiviteiten.
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
de bedrijfsactiviteiten niet leiden tot verkeershinder.
Artikel 4.27 Aanvraagvereisten vergunningplichtige bedrijfsactiviteiten
In aanvulling op paragraaf 22.5.2 levert de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een vergunningplichtige bedrijfsactiviteit de volgende gegevens en bescheiden aan:
onderbouwing dat de bedrijfsactiviteiten wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijfsactiviteiten;
onderbouwing dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
onderbouwing dat de bedrijfsactiviteit niet leidt tot verkeershinder.
De volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden, tenzij ter plaatse een specifieke uitzondering is gemaakt:
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van detailhandelsactiviteiten.
Ter plaatse van de locatie detailhandel zijn detailhandelsactiviteiten toegestaan met uitzondering van supermarkt, tenzij ter plaatse een specifieke uitzondering is gemaakt.
Voor zover aangegeven, is de bruto verkoopoppervlakte dan wel de verkoopvloeroppervlakte niet meer dan de aangegeven maximum verkoopvloeroppervlakte en maximum bruto vloeroppervlakte.
Ter plaatse van de locatie kringloopwinkel is een kringloopwinkel toegestaan.
Voor zover aangegeven, is de bruto verkoopoppervlakte dan wel de verkoopvloeroppervlakte niet meer dan de aangegeven maximum verkoopvloeroppervlakte en maximum bruto vloeroppervlakte.
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van groenactiviteiten en het realiseren van voorzieningen behorende bij groenactiviteiten.
Ter plaatse van de locatie groen zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van horeca activiteiten.
Ter plaatse van de locatie horeca categorie 1 zijn horeca-activiteiten van categorie 1 toegestaan.
Ter plaatse van de locatie horeca categorie 2 zijn horeca-activiteiten van categorie 2 toegestaan
Ter plaatse van de locatie horeca categorie 3 zijn horeca-activiteiten van categorie 3 toegestaan
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van maatschappelijke activiteiten.
Artikel 4.43 Openbare dienstverleningsactiviteiten
Ter plaatse van de locatie openbare dienstverlening zijn openbare dienstverleningsactiviteiten toegestaan.
Ter plaatse van de locatie begraafplaats is een begraafplaats toegestaan.
Artikel 4.45 Zorg, welzijn en (sociaal) medische activiteiten
Ter plaatse van de locatie zorg, welzijn en (sociaal) medische activiteiten zijn zorg, welzijn en (sociaal) medische activiteiten toegestaan.
Artikel 4.46 Educatieve en informatieve activiteiten
Ter plaatse van de locatie educatieve en informatieve activiteiten zijn educatieve en informatieve activiteiten toegestaan
Artikel 4.47 Levensbeschouwelijke activiteiten
Ter plaatse van de locatie levensbeschouwelijke activiteiten zijn levensbeschouwelijke activiteiten toegestaan.
Ter plaatse van de locatie kerk is een kerk toegestaan.
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van recreatie activiteiten.
Ter plaatse van de locatie volkstuinen zijn volkstuinen toegestaan.
Ter plaatse van de locatie jeu de boules baan is een jeu de boules baan toegestaan.
Deze afdeling is van toepassing op het starten en voortzetten van verkeersactiviteiten en het realiseren van voorzieningen behorende bij verkeersactiviteiten.
Ter plaatse van de locatie verkeer zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:
Ter plaatse van de locatie wandel- en fietspaden zijn uitsluitend wandel- en fietspaden toegestaan.
Regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het starten en voortzetten van woonactiviteiten.
Ter plaatse van de locatie wonen is wonen in een woning door één huishouden toegestaan.
Per bouwperceel is maximaal 1 woning toegestaan, tenzij anders aangegeven met de omgevingsnorm maximum aantal woningen.
Ter plaatse van de locatie wonen en bedrijfswoning is een beroep aan huis toegestaan onder de volgende voorwaarden:
de totale oppervlakte ten behoeve van een aan huis verbonden beroep mag niet meer dan 30% van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedragen tot een maximale oppervlakte van 100 m2;
het gebruik moet vallen onder dan wel gelijk te stellen zijn aan de in bijlage V opgenomen activiteiten voor aan huis gebonden beroepen;
degene die het aan huis gebonden beroep uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de beroepsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
de activiteit mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als wordt voldaan aan artikel 4.9;
detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdend met de activiteiten.
Ter plaatse van de locatie bedrijfswoning is wonen in een bedrijfswoning door één huishouden toegestaan.
De bewoners dienen functioneel gebonden te zijn aan het op het perceel aanwezige bedrijf.
Ter plaatse van de locatie woningsplitsing is splitsing van de bestaande woning toegestaan onder de volgende voorwaarden:
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning ter plaatse van de locatie wonen en de locatie bedrijfswoning een bedrijf aan huis uit te voeren te doen of laten uitvoeren.
De omgevingsvergunning voor een bedrijf aan huis wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende regels:
er mag geen onevenredige hinder worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu;
het gebruik moet vallen onder dan wel gelijk te stellen zijn met milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage IV;
door de uitoefening van de activiteit mag het uiterlijk aanzien van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen niet zodanig veranderen, dat de woning inclusief bijgebouwen het karakter van een (bedrijfs)woning geheel of gedeeltelijk verliest;
reclame-uitingen zijn niet toegestaan behoudens beperkte naamsaanduidingen aan of bij de bedrijfswoning;
de oppervlakte van de (bedrijfs)woning inclusief bijgebouwen welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt mag 30% van het totale vloeroppervlak van de (bedrijfs)woning en de bijgebouwen bedragen;
de totale oppervlakte van de activiteit mag niet meer bedragen dan 100 m2;
degene die het bedrijf aan huis uitoefent, is tevens één van de bewoners van de woning, met dien verstande dat de bedrijfsactiviteiten naast de bewoner door maximaal twee medewerkers mogen worden uitgeoefend;
er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat in de (bedrijfs)woning;
de activiteit mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing;
in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien, zoals bedoeld in artikel 4.10;
parkeren vindt op eigen terrein plaats, dan wel kan de parkeerbehoefte in de directe omgeving worden opgevangen;
buitenopslag ten behoeve van het bedrijf op het perceel is niet toegestaan. Stalling van maximaal twee bedrijfsvoertuigen met een maximale lengte van 5 meter is toegestaan, tenzij dit leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving;
er mag geen sprake zijn van een seksinrichting;
detailhandel is niet toegestaan, behoudens ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
In aanvulling op paragraaf 22.5.2 levert de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijf aan huis de volgende gegevens en bescheiden aan:
het te gebruiken oppervlak dient op een tekening te worden aangegeven die bij het besluit wordt gevoegd;
de inrichting van parkeervoorzieningen op eigen terrein;
een onderbouwing dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat;
een onderbouwing dat de activiteiten niet leidt tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.
Ter plaatse van de locatie wonen zijn de volgende gebruiksactiviteiten verboden:
E
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het bouwen, verbouwen en het in stand houden van bouwwerken in de gemeente Horst aan de Maas.
Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in het betreffende hoofdstuk zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en,
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
De specifieke zorgplicht, bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:
beschadiging van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen;
belemmering van het gebruik van bestaande werken zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt; en,
bij werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere roerende of onroerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, alle maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
De regels in afdeling 5.3, afdeling 5.4 en afdeling 5.5 zijn als beoordelingsregels van toepassing op de vergunningplichtige bouwactiviteiten.
Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in deze regels.
Indien op de verbeelding ter plaatse van een locatie maatvoeringsaanduidingen of omgevingsnormen zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse van deze locatie gegeven maximum-, minimum-, verplichte dan wel andere maten.
Voor een locatie waar geen maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de eventueel in de regels opgenomen maten of omgevingsnormen, die van toepassing zijn op de betreffende locatie.
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. locaties niet meer dan 1 meter bedraagt.
Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, een goede hydrologische inpassing en een goede landschappelijke inpassing.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
De omgevingsvergunning voor het bouwen wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van strijd met de goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van hoofdgebouwen ter plaatse van een bouwvlak.
Een hoofdgebouw wordt binnen een bouwvlak gebouwd.
De bouwhoogte van (hoofd)gebouwen is maximaal de aangegeven hoogte met de omgevingsnorm maximum bouwhoogte.
De goothoogte van (hoofd)gebouwen is maximaal de aangegeven hoogte met de omgevingsnorm maximum goothoogte.
Het bebouwingspercentage is maximaal het aangegeven bebouwingspercentage met de omgevingsnorm maximum bebouwingspercentage, voor zover geen bebouwingspercentage is opgenomen, geldt geen maximum bebouwingspercentage.
De inhoud van het hoofdgebouw is maximaal de aangegeven maximum inhoud met de omgevingsnorm maximum inhoud hoofdgebouw, voor zover geen maximum inhoud is opgenomen geldt er geen maximum inhoud.
Het bouwen van hoofdgebouwen is uitsluitend toegestaan in overeenstemming met het aangegeven bebouwingstype zoals bedoeld in Artikel 5.19, geldt dat:
Er is een bebouwingstype vrijstaand.
Er is een bebouwingstype twee- aaneen.
Er is een bebouwingstype aaneengebouwd.
Er is een bebouwingstype patio.
Er is een bebouwingstype gestapeld.
Een erker voor de voorgevel van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak is toegestaan, onder de volgende voorwaarden:
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing in Meteriks Veld.
De minimale afstand van hoofdgebouwen bedraagt minimaal 3 meter achter de voorste grens van het bouwvlak binnen de locatie Meteriks Veld.
De diepte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 20 meter voor locaties met de bebouwingstype patio.
De diepte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 meter voor locaties met de bebouwingstype vrijstaand.
De diepte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 12 meter voor locaties met de bebouwingstype aaneengebouwd en twee- aaneen.
De afstand van een hoofdgebouw tot beide zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2,5 meter voor locaties met de bebouwingstype vrijstaand.
De afstand van een hoofdgebouw tot één zijde van de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2,5 meter voor locaties met de bebouwingstype twee- aaneen.
De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt 0 meter voor locaties met de bebouwingstype aaneengebouwd.
De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt 0 meter voor locaties met de bebouwingstype patio.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en/of verbouwen en in stand houden van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de locaties bijbehorend bouwwerk bouwen.
Voor het bouwen en verbouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van dit omgevingsplan:
de gezamenlijke oppervlakte bedraagt maximaal 150 m², met dien verstande dat het bouwperceel voor maximaal 50% mag worden bebouwd, tenzij middels de omgevingsnorm maximum oppervlakte bijbehorende bouwwerken een andere maximum oppervlakte is toegestaan;
de maximale goothoogte van bijgebouwen bedraagt 3,5 meter;
de maximale bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt 6 meter;
de bijbehorende bouwwerken worden gebouwd op een afstand van minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw en/of het verlengde daarvan.
F
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onderDe begripsbepalingen voor dit omgevingsplan zijn:
het hoofdzakelijk door de gebruik(st)er van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten of uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid (geheel of overwegend door handwerk) in een woning en de daarbij behorende aan-, uit- en bijgebouwen, waarbij de woonfunctie en de ruimtelijke uitwerking en uitstraling daarvan behouden blijven.Hieronder worden niet verstaan detailhandel (behalve de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten), horeca en prostitutie.
een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied en tevens een kapsalon, dat/die in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er van de woning, waarbij de woonfunctie en de ruimtelijke uitwerking en uitstraling daarvan behouden blijven.Hieronder worden niet verstaan detailhandel (behalve de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten), horeca en prostitutie
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.
een overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in een woonhuis of daarbij behorend bijgebouw, ondergeschikt aan de woonfunctie en wordt gerund door de bewoner van de betreffende woning.
Een onderneming welke gevestigd is of kan zijn in een woning en die toebehoort aan een natuurlijk persoon, welke in de betreffende woning woont en die maximaal 2 medewerkers in dienst heeft, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de onderneming de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie niet aantast. De hoofdactiviteit hoeft niet in of bij de woning te worden uitgevoerd.
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, evenals verhuur, opslag en distributie van goederen en eventueel ondergeschikte detailhandel.
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.
de natuurlijke oppervlakte van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging, alsmede dat gedeelte van een gebouw dat met die oppervlakte gelijk is. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aangrenzend maaiveld.
een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, therapeutisch, juridisch, (para)medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied en tevens een kapsalon/schoonheidssalon, of hiermee gelijk te stellen beroep dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, door één van de bewoners van de woning kan worden uitgeoefend, waarbij de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van de woning inclusief bijgebouwen behouden blijft. In bijlage V is een niet-limitatieve lijst opgenomen wat onder andere als aan huis gebonden beroep wordt aangemerkt.
beroeps- of bedrijfsactiviteiten waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend.
uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
de grens van een bouwvlak.
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.
de grens van een bouwperceel.
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteiten, niet zijnde supermarkten.
het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, met of zonder rechtstreeks contact met het publiek, zoals reis- en uitzendbureaus, stomerijen, wasserettes, makelaars, kappers en pedicures.
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
de afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of perceel, of van de openbare ruimte.
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor het beperken van geluid van een weg of een spoorweg.
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken.
een bedrijf waar dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven.
een horecabedrijf dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt.
een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd. Daaronder worden begrepen: cafetaria / snackbar, fastfood en broodjeszaak, lunchroom, ijssalon / ijswinkel, koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant.
een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen. Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, pubs, juice- en healthbar.
een aantal aan elkaar door familie- of daarmee gelijk te stellen -band gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde voorzieningen in één woning, zoals een gezin, een gezin met inwonende ouders of een woongroep.
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is voor het gebruik industrie;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
kabel of leiding, bedoeld voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen of van energie, met inbegrip van mantelbuizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
een woning welke geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, dus welke ook rolstoeltoegankelijk is voor mensen met een lichamelijke beperking, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet) zich op de begane grond moeten bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.
de bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het “aangrenzende maaiveld” wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw.
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals een transformatorhuisje, gasreduceerstation, schakelhuisje, duiker, bemalingsinstallatie, gemaalgebouwtje, voorziening ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen .
woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen.
openbare weg als bedoeld in de Wegenwet.
parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
eengezinswoning waarbij de (bepalende) buitenruimte geheel is ingesloten door de bouwmassa van de woning, de aangrenzende woning(en) en/of muren.
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol, versie juni 2019;
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
perceel of deel van een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt;
huurwoning, waarbij de aanvangshuurprijs ligt onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag.
inrichting die bestemd is voor vermaak of ontspanning, waarbij uitsluitend van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt en toestellen die speciaal zijn ontworpen en geproduceerd mensen te laten bewegen. Deze inrichting bevindt zich op een onverharde ondergrond.
het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Hieronder wordt niet verstaan: een vaste standplaats op een jaarmarkt of markt of op een evenement.
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die gezien de ligging als de meest logische voorgevel kan worden aangemerkt.
denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
een voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer wooneenheden ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.
besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip.
woonruimte die een eigen toegang heeft en die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte.
restproduct van de thermische zinkertsverwerkende bedrijven of voormalige thermische zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen;
gebied waarbij zinkassen in de bodem aanwezig zijn of waarbij de bodem verontreinigd is geraakt door de aanwezigheid van zinkassen in het verleden, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage III.
G
Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
H
Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Bijlage IV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Na bijlage IV worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
accountant (register)/administratiekantoor
advocaat
apotheker
assurantiebemiddelaar
belastingconsulent
bouwkundig architect
dierenarts
fysiotherapeut/alternatief genezer/huidtherapeut
gerechtsdeurwaarder
huisarts
interieurarchitect
logopedist
makelaar onroerende zaken
medisch specialist
notaris/ juridisch adviseur
oefentherapeut Caesar mensendieck
organisatieadviseur
orthopedagoog
psycholoog
raadgevend ingenieur
redacteur
stedenbouwkundige
tandarts/specialist
tolk/vertaler
tuin- en landschapsarchitect
verloskundige
yoga lessen (persoonlijke dienstverlening)
K
Het opschrift van toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Voor artikelgewijzetoelichting wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het is dan ook niet langer mogelijk om nieuwe ruimtelijke initiatieven planologisch mogelijk te maken op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De gemeente en daarmee ook initiatiefnemers krijgen te maken met het nieuwe instrumentarium van de Omgevingswet bij het mogelijk maken van initiatieven die niet passen in het (tijdelijke) omgevingsplan. Na het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle voormalige bestemmingsplannen en beheersverordeningen van de gemeente Horst aan de Maas opgegaan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Het omgevingsplan toont gelijkenissen met de oude bestemmingsplannen. Een omgevingsplan wijkt echter ook op meerdere onderdelen af van deze voorheen geldende (postzegel)bestemmingsplannen. In plaats van meerdere bestemmingsplannen heeft iedere gemeente onder de Omgevingswet één omgevingsplan voor het hele grondgebied, zo ook de gemeente Horst aan de Maas: ‘Omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas’. Ook alle regels voor goedgekeurde initiatiefplannen landen uiteindelijk in dit omgevingsplan. Een ander verschil is de reikwijdte van het omgevingsplan. De reikwijdte is namelijk breder dan van een bestemmingsplan. Een omgevingsplan gaat over de fysieke leefomgeving en beperkt zich – anders dan een bestemmingsplan – niet tot ruimtelijke regels en een goede ruimtelijke ordening. Zo kunnen in een omgevingsplan ook regels worden gesteld m.b.t. duurzaamheid en gezondheid en moeten ook regels ten aanzien van milieu worden gesteld. De algemene toelichting betreft een toelichting op de hele regeling van het Omgevingsplan Horst aan de Maas. De artikelsgewijze toelichting geeft een toelichting op de gewijzigde regels van het omgevingsplan die worden toegevoegd aan het volwaardige Omgevingsplan Horst aan de Maas. Het algemene deel licht allerlei algemene uitgangspunten, doelen en principes met betrekking tot de regels en structuur toe.
De verplichte onderdelen van het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn:
juridische regels;
werkingsgebieden per artikel(lid) met geometrie;
motivering dat het initiatiefplan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en
toepasbare regels voor de indieningsvereisten van binnenplanse vergunningaanvragen.
De juridische regels zijn de planregels en eventuele bijlagen die tot de planregels behoren. De koppeling met werkingsgebieden zorgt voor het ontstaan van een digitale plankaart. De juridische regels en de werkingsgebieden zijn na vaststelling te raadplegen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (‘DSO’). De motivering bevat de onderbouwing en juridische verantwoording van het initiatiefplan, inclusief bijlagen zoals onderzoeksrapporten. De motivering wordt gepubliceerd in het elektronisch Gemeenteblad en niet in het DSO.
Elke gemeente is verplicht om toepasbare regels te maken voor de indieningsvereisten voor het onderdeel ‘aanvragen’. Dit volgt uit artikel 14.2, derde lid, van het Omgevingsbesluit. Dit betreft vergunningplichten voor onder andere bouw- en gebruiksactiviteiten. Naast de verplichte onderdelen van het omgevingsplan dient een gemeente een keuze te maken over de volgende onderdelen van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het gaat om:
artikelsgewijze toelichting bij de juridische regels;
annoteren van de juridische regels; en
toepasbare regels voor de onderdelen Vergunningencheck en Maatregelen op Maat.
Hoewel deze wettelijk gezien facultatief is, kiest de gemeente Horst aan de Maas ervoor om de (artikelsgewijze) toelichting onderdeel te laten zijn van het omgevingsplan. Dit in het kader van een goede dienstverlening naar burgers en bedrijven. Uitgangspunt daarbij is dat er alleen een artikelsgewijze toelichting wordt opgenomen indien deze een nadere uitleg van de regeling geeft, waar dat van belang is voor een beter begrip en voor de toepassing
De vigerende bestemmingsplannen in Horst aan de Maas zijn op een eenvoudige manier gebiedsgericht in te delen. Dit maakt het mogelijk om in de tijdelijke situatie uit te gaan van de bestemmingsplannen zoals ze gelden, waarbij vervolgens per gebied een integraal deelplan wordt opgesteld. Horst aan de Maas kiest waar mogelijk niet voor gedetailleerde regels op perceel niveau, maar regelt algemeen wat kan. Waar noodzakelijk worden regels gespecificeerd voor een specifieke locatie of een gebiedstype. Deze benadering past bij de sturingsfilosofie voor het Omgevingsplan Horst aan de Maas, omdat:
dit voor inwoners en bedrijven “gebruiksvriendelijk” is;
dit voor de gemeente “behapbaar” is;
dit aansluit bij de bestaande plannen, die goed ingebed zijn en in de praktijk functioneren;
hiermee bestaande rechten kunnen worden beschermd;
hiermee ongewenste situaties gemakkelijk kunnen transformeren naar gewenste situaties.
Deze activiteitgerichte benadering draagt bij aan het doel van het omgevingsplan om de fysieke kwaliteiten en waarden van de verschillende gebieden in de gemeente te bewaren en te versterken. Naast de activiteitgerichte aanpak zijn er ook thematische lagen die onderdeel uitmaken van het omgevingsplan. Voorbeelden van thematische lagen die een gemeente als een deelplan aan het omgevingsplan kan toevoegen zijn:
integratie van de verordeningen in het Omgevingsplan;
overheveling van de regels uit de bruidsschat uit het tijdelijke deel (waar nodig laten vervallen of aanpassen);
thema’s gebaseerd op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet, zoals veiligheid, gezondheid, duurzaamheid (ook energietransitie en klimaatadaptatie).
Hoewel het omgevingsplan een activiteitgerichte benadering heeft, is het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas opgedeeld in functies. Deze functies bepalen echter niet de toegestane activiteiten. Activiteiten kunnen zijn toegestaan binnen meerdere functies. Een functie is: een gebruiksdoel dat, of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. Het gaat dus om een (meer) continu gebruik (het ‘zijn’). Kenmerkend voor deze functies is dat deze locatiegebonden zijn en daarmee de activiteitgerichte benadering nader inkleuren. Voor deze functie zijn in de hoofdstuk 3 algemene bepalingen opgenomen.
De regels betreffende de activiteiten zijn geregeld in hoofdstuk 4 en 5 van het omgevingsplan. De activiteiten die in het omgevingsplan zijn geregeld zijn activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving conform artikel 4.1 van de Omgevingswet. Een activiteit is: ieder menselijk handelen waarbij, of ieder menselijk nalaten waardoor een verandering of gevolg in de fysieke leefomgeving wordt of kan worden bewerkstelligd. Het gaat dus om een menselijke actie of nalaten daarvan met gevolgen voor de fysieke leefomgeving (het ‘doen’). Daarbij is een onderverdeling gemaakt in paragrafen met de type activiteiten:
Per type activiteit is in paragrafen bepaald hoe de activiteiten meer in detail zijn geregeld:
of ze rechtstreeks zijn toegestaan en welke algemene regels daarvoor gelden;
of ze meldingsplichtig zijn, onder welke algemene regels en welke indieningsvereisten daarvoor gelden;
of ze vergunningplichtig zijn, welke aanvraagvereisten daarvoor gelden en welke beoordelingsregels; en
of ze verboden zijn.
De systematiek is daarmee activiteitgericht en ook van algemeen naar maatwerk. Dit houdt in dat de toegestane activiteiten per functie niet gekoppeld zijn aan de aangewezen functies. Dit houdt dat een activiteit 'wonen' ook toegestaan is binnen de gronden die de functie 'detailhandel' of 'horeca' kunnen hebben. Immers de Omgevingswet spreekt niet meer van bestemmingen maar van functies met activiteiten. Hiermee wordt geborgd dat er sprake is van een activiteitgericht omgevingsplan, waarbij de functies ervoor zorgen dat de gebiedsgerichte structuur van het grondgebied in tact blijft.
De regels zijn ook in eerste instantie zo algemeen mogelijk geformuleerd. Per activiteit staan de meeste regels in de paragraaf 'algemeen'. Dit houdt in dat deze regels gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas, voor zover die van toepassing is op de betreffende locatie. Dit zorgt voor uniformiteit, rechtszekerheid en structuur. Ongeacht welke locatie zijn de regels hetzelfde voor dat specifiek onderdeel. Op sommige plekken in het omgevingsplan moet er maatwerk worden geleverd om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de functies zijn in dergelijke gevallen aparte gebieden in paragrafen opgenomen, waarbij er specifieke maatwerkregels zijn opgenomen die gelden voor dat gebied.
Hieronder wordt per hoofdstuk een korte toelichting op de structuur van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Dit hoofdstuk bevat een verwijzing naar de begripsbepalingen die gelden voor het omgevingsplan. Daarnaast zijn de meet- en rekenbepalingen en de doelstelling(en) / oogmerken.
Hoofdstuk 2 Programma en omgevingswaarden
In dit hoofdstuk zijn de doelen van het omgevingsplan gemeente Ermelo opgenomen. Daarnaast is hier ook ruimte gereserveerd om de doorvertaling van programma's en omgevingswaarden in het omgevingsplan hierin te verwerken.
Hoofdstuk 3 Functies en waarden
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gebiedsoverstijgend zijn. Dit betekent dat een juridische regel niet geboden is aan een bepaald gebied, maar als het ware een extra laag vormt in het omgevingsplan. Denk hierbij aan thematische thema's als cultureel erfgoed, milieu, waardegebieden e.d.. Daarnaast zijn er functies aangewezen in dit hoofdstuk.
Hoofdstuk 4 Gebruiksregels
De gebruiksactiviteiten zijn geregeld in hoofdstuk 4 van het omgevingsplan. De gebruiksregels zijn onder de hoofdstukken verdeeld waar er raakvlak was. Zo zijn bijvoorbeeld regels over woonactiviteiten en het gebruik als bedrijfswoning onder het hoofdstuk ‘Wonen’ geplaatst. Elk hoofdstuk heeft een eigen afdeling met daarin een onderscheid tussen toegestane, meldingsplichtige en vergunningplichtige activiteiten. Meer hierover is te lezen in paragraaf 2.2 van deze algemene toelichting.
Hoofdstuk 5 Bouwen
In dit hoofdstuk zijn de bouwregels. Dit hoofdstuk is onderverdeeld in algemene regels, bouwtechnische regels, bouwregels voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. De bouwregels zijn waar mogelijk algemeen geregeld. Elke afdeling is opgedeeld in algemene regels voor bouwactiviteiten, vergunningplichtige bouwactiviteiten, meldingsplichtige bouwactiviteiten en verboden bouwactiviteiten.
Hoofdstuk 6 t/m 21
Deze hoofdstukken zijn gereserveerd voor verdere invulling.
Hoofdstuk 22 Activiteiten
Dit hoofdstuk betreft de bruidsschat. Dit zijn (rijks)regels waarover de gemeente kan beslissen om ze al dan niet op te nemen in het omgevingsplan.
Hoofdstuk 23 Slotbepalingen
Door inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt er voor het omgevingsplan geen standaard overgangsrecht meer. In dit hoofdstuk is aangegeven in welke gevallen er sprake is van overgangsrecht.
M
Het opschrift van artikelgewijzetoelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Na sectie 1 worden twee secties ingevoegd, luidende:
P
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikelArtikel 22.45.
Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema’s, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.
Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.
Q
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.
Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.
Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij artikelArtikel 22.56 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.
Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.
Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.
R
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.
Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52a, tweede lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het artikel, artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.
Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.
Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikelArtikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.
S
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41, tweedeDivisie Tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.
Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.
Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.
Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.
T
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.
De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij artikel 22.44, derdeDivisietekst Derde lid.
Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.
U
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1I bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
V
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlageBijlage I.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
X
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
BB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.
CC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.
Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.
DD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 22.27422.274 Aanvraagvereiste binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg is ingegaan op de achtergrond hiervan.
II
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.281 moet worden gelezen in samenhang met artikel 22.280 en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelicht bij artikelArtikel 22.280 vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met artikel 22.281 beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
JJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.282 biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 22.280 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 22.32 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikelArtikel 22.32.
KK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.303).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
Ook kan het gaan om:
het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
het wijzigen van het grondwaterpeil,
het winnen van grondstoffen,
agrarische grondwerkzaamheden, en
activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
LL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.288.
MM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.288.
Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.
Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.
NN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.288.
OO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zoals hiervoor al toegelicht bij artikelArtikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.296. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.
/join/id/pubdata/gm1507/2026/817f3b9f6023420cbcb4d3120cdd16e2/nld@2026‑10‑05;3
/join/id/pubdata/gm1507/2026/3dadb5ab4e5248bab3337aebe79c725e/nld@2026‑10‑05;2
/join/id/pubdata/gm1507/2026/dedf3306f3bf44ee9481867de86eb113/nld@2026‑10‑05;4
De motivering van de wijziging van het omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas voor de kern Meterik is bijgevoegd in bijlage 1.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-467903.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.