Gemeenteblad van Opmeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Opmeer | Gemeenteblad 2026, 466458 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Opmeer | Gemeenteblad 2026, 466458 | beleidsregel |
Activanota Gemeente Opmeer 2026
Voor u ligt de activanota 2026. In deze beleidsnota worden de uitgangspunten van het activabeleid in de gemeente Opmeer gepresenteerd. De gemeente is eigenaar van tal van bezittingen, zoals gebouwen, gronden, machines, infrastructuur, etc. Bedrijfsmatig worden bezittingen activa genoemd.
Aan de hand van deze nota kan zowel voor het bestuur als de ambtelijke organisatie een transparant en adequaat activabeleid worden uitgevoerd. Afwijkingen zijn alleen toegestaan indien er expliciete besluitvorming van de gemeenteraad aan ten grondslag ligt.
In artikel 14 van de financiële verordening gemeente Opmeer 2025 is opgenomen dat het College eens in de 6 jaar een (geactualiseerde) activanota aan de raad aanbiedt en dat deze nota door de raad wordt vastgesteld. De huidige activanota 2019 is op bepaalde onderwerpen aan herziening toe.
Voorliggende nota sluit aan bij het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en de financiële verordening gemeente Opmeer 2025.
De activanota is bedoeld als instrument voor de kaderstellende rol van de raad. Deze nota vormt daarvoor het formele kader waarbinnen het college en de ambtelijke organisatie met investeringen en afschrijvingen dienen om te gaan. Het wettelijk kader bestaat uit de Gemeentewet (artikel 212), het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en de notitie ‘Materiele vaste activa 2020’ van de commissie BBV. Een substantieel deel van het investeringsbeleid is vastgelegd in deze wet- en regelgeving. Echter op bepaalde punten is sprake van beleidsvrijheid voor gemeenten. Indien hiervan sprake is dan zijn in deze nota aanvullende spelregels/afspraken opgenomen.
Na deze inleiding worden in de hoofdstukken 2 t/m 4 respectievelijk het activeren,
waarderen en afschrijven van investeringen beschreven. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de kapitaallasten in de begroting en rekening. In hoofdstuk 6 zijn de procedures m.b.t. investeringskredieten vermeld. Hoofdstuk 7 heeft betrekking op de slotbepalingen. In bijlage I is een afschrijvingstabel met afschrijvingstermijnen weergegeven en in bijlage II is een begrippenlijst vermeld.
2.1.1 Immateriële vaste activa
Onder de immateriële vaste activa worden de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio, de kosten van onderzoek en ontwikkeling en bijdragen aan activa in eigendom van derden opgenomen (artikel 34 BBV).
Het BBV staat slechts in zeer beperkte mate de activering van immateriële vaste activa toe. Bovendien is de activering van immateriële vaste activa niet verplicht.
Kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief
Het BBV biedt de mogelijkheid om kosten van onderzoek en ontwikkeling, indien aan de voorwaarden van artikel 60 BBV wordt voldaan, voor een bepaald actief te activeren.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden
Over de bijdragen aan activa in eigendom van derden heeft het BBV nadere voorwaarden opgesteld om deze bijdragen te kunnen activeren (artikel 61 BBV).
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
Onder materiële vaste activa worden investeringen verstaan waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. In artikel 35 van het BBV wordt onderscheid gemaakt in de volgende soorten activa:
In artikel 59 lid 1 BBV is opgenomen dat alle investeringen moeten worden geactiveerd. Een uitzondering hierop vormen, conform artikel 59 lid 2 BBV, de kunstvoorwerpen met een cultuur-historische
waarde. Deze worden niet geactiveerd.
De investeringen kunnen ook onderverdeeld worden naar de volgende categorieën:
Het is echter niet praktisch om alle investeringen te activeren. De Commissie BBV doet in haar notitie rondom materiële vaste activa vanuit efficiency oogpunt de aanbeveling om een minimale omvang voor het activeren van vaste activa te hanteren. De uitgaven die voldoen aan alle voorwaarden om als investering te worden behandeld, maar van een relatief geringe omvang zijn, worden direct in het jaar van aanschaf of vervaardiging ten laste van de exploitatie gebracht. Als gelijksoortige activa in één keer aangeschaft worden en hiermee de ondergrens wordt overschreden dan wordt de investering geactiveerd. Een uitzondering op de ondergrens vormen investeringen in gronden en terreinen. Deze worden, conform het BBV, altijd geactiveerd.
Onderhoud is het uitvoeren van preventieve dan wel correctieve maatregelen om een object in goede staat te houden of te brengen (op een vooraf door de raad vastgesteld kwaliteitsniveau). Door de Commissie BBV wordt de volgende uitspraak over onderhoud gedaan: “De kosten van (klein en groot) onderhoud zijn niet levensduurverlengend en mogen niet worden geactiveerd”. Hieronder wordt de indeling in klein onderhoud, groot onderhoud en levensduurverlengende investeringen nader toegelicht:
Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede, werkende en veilige staat te houden tegen een van tevoren vastgesteld kwaliteitsniveau zoals bijvoorbeeld het maaien van bermen. Deze kosten worden gedekt uit de jaarlijkse budgetten die in de begroting zijn opgenomen.
Groot onderhoud is meestal gepland onderhoud dat ontstaat na een lange periode van gebruik van een object als gevolg van slijtage. Groot onderhoud moet één keer in de zoveel jaar gebeuren bijvoorbeeld het (buiten)schilderwerk van een gebouw. Groot onderhoud vindt plaats op basis van een geactualiseerd onderhoudsplan. Deze kosten worden gedekt uit de hiervoor gevormde onderhoudsvoorzieningen.
Voor levensduurverlengende investeringen geldt expliciet dat ze bijdragen aan een verlenging van de levensduur van het betreffende actief zoals het renoveren van een gebouw, een nieuw dak of milieu investeringen. Deze investeringen kunnen worden geactiveerd.
De waardering van activa is van belang omdat het de basis vormt voor het vaststellen van de financiële consequenties van activa, vooral door waardevermindering. Anders geformuleerd: de gekozen systematiek voor de waardering van activa en de waardevermindering in het stelsel van baten en lasten is van invloed op de exploitatie van de gemeente en daarmee op de financiële resultaten die behaald worden.
Hiervoor zijn in het BBV bepalingen opgenomen voor de waardering van activa. Hiermee wordt enerzijds voorkomen dat organisaties met de waardering van activa hun financiële resultaten kunnen beïnvloeden en anderzijds wordt bereikt dat de financiële gegevens van organisaties in de loop van de tijd vergelijkbaar blijven.
In artikel 63 lid 1 van het BBV is bepaald dat in beginsel één waarderingsgrondslag wordt gehanteerd, namelijk de historische kostprijs (verkrijgings- of vervaardigingprijs). In het BBV is expliciet aangegeven dat voorraden en deelnemingen tegen markwaarde gewaardeerd worden indien de markwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Wat onder verkrijgingprijs en vervaardigingprijs wordt verstaan wordt beschreven in artikel 63 lid 2 en 3 van het BBV.
Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen. Een uitzondering wordt gemaakt voor bestemmingswijziging van activa van gronden in erfpacht. Wanneer de bestemming van activa verandert, wordt de activa gewaardeerd tegen de actuele marktwaarde. Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
De BBV schrijft voor dat alleen de bruto-waardering is toegestaan bij activering. Dit geldt voor alle categorieën investeringen (economisch nut, economisch nut met heffingen én maatschappelijk nut). De bruto-waardering geeft een beter inzicht in de financiële positie van de gemeente (integraal inzicht in baten en lasten). Bij de bruto-waardering worden de afzonderlijke vermogensbestanddelen die betrokken kunnen zijn bij een actief op de balans gepresenteerd.
Bij de activa gaat het om de werkelijke investeringslasten en de bijdragen van derden
(subsidieverstrekkers) en/of onttrekkingen uit de reserves. De bijdragen van derden moeten in mindering gebracht worden op de investering (bijvoorbeeld ontvangen subsidies van derden). De onttrekking uit de bestemmingsreserves moeten bruto verantwoord worden en mogen niet in mindering gebracht worden.
In het derde lid BBV artikel 65 wordt voorgeschreven dat een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd als de restwaarde lager is dan de boekwaarde. Bij een volledige buitengebruikstelling wordt het actief afgewaardeerd tot nul, dan wel tot de restwaarde, als deze redelijkerwijs verwacht kan worden. Wanneer een actief gedeeltelijk buiten gebruik wordt gesteld, dient het actief proportioneel te worden afgewaardeerd. Waardeverminderingen van activa worden op het actief zelf in mindering gebracht. Duurzame waardevermindering van vaste activa is onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
Op het moment dat een desinvestering (verkoop van het actief) plaatsvindt wordt de boekwinst of het boekverlies incidenteel ten gunste of ten laste van het resultaat van het betreffende jaar gebracht. De mogelijke boekwinst mag, conform de notitie verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen van de commissie BBV, niet in mindering gebracht worden op een nieuwe investering. Het verrekenen is niet toegestaan op grond van het BBV.
Als een investering is geactiveerd dient op grond van artikel 64 lid 3 BBV daarop te worden afgeschreven. Het gebruik van vaste activa strekt zich uit over meerdere jaren. Door technische slijtage of economische veroudering daalt de waarde. Het zichtbaar maken van de waardevermindering in de jaarlijkse exploitatie wordt afschrijven genoemd. De hoogte van de afschrijving wordt bepaald door de economische gebruiksduur en de methode van afschrijven.
De meest voorkomende afschrijvingsmethoden bij gemeenten zijn de lineaire afschrijvingsmethode en de annuïtaire afschrijvingsmethode. Het BBV laat de gemeenten vrij in de keuze van afschrijvingsmethodiek. Hieronder worden deze twee afschrijvingsmethoden nader toegelicht:
Hiermee wordt bedoeld dat er wordt afgeschreven op basis van een vast bedrag per jaar.
Bij deze methode blijven de afschrijvingslasten gelijk, terwijl de rentelasten en daardoor ook de totale kapitaallasten in de loop van de gebruiksperiode geleidelijk afnemen. Hierdoor levert de lineaire afschrijvingsmethode op de lange termijn voordelen op. Door jaarlijks aflopende rentelasten, ontstaat er budget om stijgende onderhoudslasten bij ouder wordende activa op te vangen.
Bij deze methode blijft de jaarlijkse last van rente en afschrijving gelijk. Daarbij daalt de rentelast van jaar tot jaar sneller in de loop van de gebruiksperiode, terwijl de afschrijving omgekeerd evenredig toeneemt. De keuze voor deze methode is veelal gelegen in de wenselijkheid de jaarlijkse lasten zoveel mogelijk gelijk te houden.
De afschrijvingstermijnen van vaste activa welke een beperkte levensduur hebben, moeten gebaseerd worden op de verwachte toekomstige gebruiksduur van een activum. Bij het vaststellen van de gebruiksduur speelt zowel de economische als de technische levensduur een rol. De economische levensduur van een activum is verstreken wanneer het financieel voordeliger is om het bestaande activum te vervangen door een nieuwe. De technische levensduur van een activum wordt bepaald door de technische slijtage. Op grond wordt niet afgeschreven. Gronden zijn normaliter niet aan slijtage onderhevig en daarom is er geen sprake van waardevermindering. Derhalve is het niet nodig deze af te schrijven. In bijlage I bij deze nota is de afschrijvingstabel bijgevoegd. Voor de vaste activa worden de afschrijvingstermijnen gehanteerd zoals opgenomen is in deze tabel.
4.4 Startmoment van afschrijven
Het is van belang om vast te leggen vanaf welk moment wordt begonnen met het afschrijven op een actief. Het is ongewenst om daarmee te beginnen vanaf het moment dat een krediet is gevoteerd door de gemeenteraad. Het kan immers nog enige tijd duren voordat de desbetreffende investering is gerealiseerd. Daarom start de afschrijving in het jaar na realisering of aanschaf van het actief.
In praktijk kan de situatie zich voordoen dat een investering technisch gezien in gebruik is genomen, maar waarvan de werkelijke (financiële) afwikkeling afhangt van een juridisch of procedureel geschil. Ook kan sprake zijn van het in gebruik nemen van een actief (bv. gebouw) waarvan de eindafrekening nog wordt opgesteld. In die gevallen vindt de eerste afschrijving plaats in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname. Gebruik is dan bepalend. Een argument hiervoor is dat anders de balans en de waardevermindering van het actief geen betrouwbaar beeld geven.
Aan het einde van de afschrijfperiode kan een boekwaarde overblijven ter grootte van de geschatte restwaarde. Aangezien activa worden gebruikt en gedurende de afschrijfperiode technisch en economisch verouderen en slijten zal de praktijk meestal zijn dat naar een boekwaarde van nul moet worden afgeschreven. Dit veronderstelt dat het voornemen bestaat om het actief tot het einde van de mogelijke gebruiksduur dus conform de verwachte economische levensduur te benutten. Activa worden afgeschreven in de periode van de economische levensduur, hetgeen betekent dat er wordt afgeschreven naar een boekwaarde nul.
De componentenbenadering is een afschrijvingsmethode voor vaste activa die uit meerdere eenheden zijn samengesteld. De samenstellende delen gaan niet allemaal even lang mee. Daarom staat het BBV toe een actief onder te verdelen in componenten, waarbij elke component een andere afschrijvingstermijn krijgt. Bij componenten die apart geactiveerd worden is van belang dat elke component een afschrijvingstermijn krijgt die overeenkomt met zijn economische levensduur.
De toepassing van de componentenbenadering kan worden geïllustreerd aan de hand van het verkrijgen van een gebouw:
In het BBV is onderscheid gemaakt tussen materiële vaste activa met een economisch, materiële vaste activa met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven én materiële vaste activa met een maatschappelijk nut. Alle drie soorten investeringen moeten conform het BBV geactiveerd worden. Investeringen mogen niet resultaatafhankelijk worden afgeschreven (artikel 64 BBV).
4.8 Het beginsel van toerekening
Op basis van het toerekeningbeginsel worden afschrijvingen ten laste van de exploitatie gebracht. Het toerekeningbeginsel houdt in dat gezocht wordt naar het juiste moment om kosten te verantwoorden in de exploitatie. In het verlengde van het baten- en lastenstelsel betekent dit dat kosten worden toegerekend aan de periode waar ze betrekking op hebben. Voor activa betekent dit dat niet de gehele investeringslast in één jaar tot uitdrukking wordt gebracht, maar dat gedurende de hele periode dat de activa haar nut afgeven, de lasten tot uitdrukking komen in de exploitatie. Door activa af te schrijven over de jaren waaraan zij haar nut afstaat, wordt aan dit beginsel invulling gegeven.
Onder de duurzame productiemiddelen wordt in de bedrijfseconomie aan grond een bijzondere plaats toegekend. Grond is normaliter niet aan slijtage onderhevig en ondergaat daarom geen waardevermindering. Er bestaat geen noodzaak tot afschrijving. Uitzondering zijn gronden waaruit delfstoffen e.d. worden gewonnen of indien grond vervuild is. Op grond wordt conform BBV in beginsel dan ook niet afgeschreven.
4.10 Handhaving afgeschreven eigendommen
Van belang voor het administratieve beheer van activa is dat alle activa geregistreerd worden. Activa die afgeschreven zijn en niet worden verkocht, dienen op de activastaat gehandhaafd te blijven. De redenen zijn inzicht in de bezittingen en het kunnen bepalen van aanwezigheid van stille reserves. Daarnaast spelen er aspecten als verzekering en aansprakelijkheid. Dit beleid zal worden voortgezet.
De gemeente Opmeer heeft weinig leningen en betaald daarom relatief weinig rente. De leningen die de gemeente nog heeft zijn direct toe te schrijven aan het Woningbedrijf waarna zo goed als geen rentelasten resteren om in de vorm van een renteomslag toe te rekenen aan de andere taakvelden. De renteomslag bedraagt daardoor feitelijk 0% en daarom bestaan de kapitaallasten bij de gemeente Opmeer alleen uit afschrijvingslasten en niet uit rente (omslag).
Gemeenten hebben de vrijheid om te kiezen voor projectfinanciering. Hierbij worden externe financieringsmiddelen specifiek aangetrokken voor een bepaald project/investering. In het geval van projectfinanciering wordt de voor die aangetrokken lening geldende rente toegerekend aan het betreffende project. Dit kan een ander percentage zijn dan aan andere projecten wordt toegerekend op basis van de omslagrente.
6. Kapitaallasten in de begroting en rekening
6.1 Begroten van kapitaallasten
Op begrotingsbasis wordt een raming gemaakt van de verwachte kapitaallasten in het begrotingsjaar.
Aangezien bij de gemeente Opmeer sinds de begroting 2017 een renteomslag van 0% geldt, leidt de afschrijving tot een raming van de kapitaallasten.
Voor het bepalen van het moment waarop in de begroting rekening wordt gehouden met de kapitaallasten zijn er drie keuzes mogelijk als het gaat om het moment van starten met afschrijvingen:
De BBV laat de gemeente vrij in haar keuze, maar de gekozen methode van het moment van beginnen met afschrijven moet wel worden toegepast op alle (sub)categorieën van de kapitaalgoederen.
|
De kapitaallasten worden begroot vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed naar verwachting gereed komt/verworven wordt. |
Het voordeel van deze werkwijze is dat de beheersbaarheid en de voorspellende waarde van de kapitaallasten beter tot uiting komen.
7. PROCEDURES INVESTERINGSKREDIETEN
7.1 Aanvragen en autorisatie van investeringen
De bevoegdheid tot het toekennen van investeringskredieten ligt bij de raad. Bij de begrotingsbehandeling stelt de raad tevens het investeringsprogramma vast.
Voor categorie A (vervangingsinvesteringen) autoriseert de raad het college tot het doen van uitgaven. Voor categorie B (nieuwe en/of uitbreidingsinvesteringen) legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.
Investeringen die niet in de begroting zijn opgenomen dienen gedurende het jaar via een separaat raadsvoorstel te worden voorgelegd aan de raad. Zodra besluitvorming heeft plaatsgevonden kan worden gestart met uitvoering van de investering.
7.3 Termijn beschikbaarheid investeringskredieten
Uitgangspunt bij het uitvoeren van investeringskredieten is dat deze binnen 2 jaar na autorisatie gestart moeten zijn. Indien een beschikbaar gesteld investeringskrediet na maximaal 2 jaar niet is gestart, wordt beoordeeld of het (restant) investeringskrediet bij de jaarrekening afgesloten kan worden. Een investeringskrediet kan telkens, indien nut en noodzaak via een collegebesluit daartoe is beargumenteerd, met 1 jaar extra bovenop de termijn van 2 jaar open blijven staan.
*Nieuwe categorie of gewijzigde afschrijvingstermijn t.o.v. de activanota 2019.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-466458.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.