Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040

De gemeenteraad van Gemeente Aalten

gelezen de tekstinhoud van ”Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040” d.d. 22 september 2026

Overwegende dat:

gelet op het bepaalde in de artikelen 3.1 lid 1 en 16.26 van de Omgevingswet,

gelet op afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht,

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 juli 2026,

Besluit;

1. De Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040 (versie 28 juli 2026) vast te stellen, met inachtneming van:

A. de volgende wijzigingen in paragraaf 4.2 Kern Aalten (pagina 50):

 

  • a.

    Het toevoegen van de volgende zin: “Om onze doelstelling in deze visietermijn te

    behalen is het aannemelijk en wenselijk ook een (grootschalige)

    woningbouwlocatie te realiseren nabij kern Aalten. Hierbij wordt in eerste instantie

    gekeken naar de randen van de kern.”

  • b.

    Het woord ‘ontwikkeling’ aan te passen naar ‘ontwikkelingen’;

  • c.

    Het woord ‘is’ in de alinea ervan te vervangen voor het woord ‘zijn’

B. de volgende wijzigingen op pagina 2, onder ‘Leefbaarheid, gemeenschappen en wonen’, de zin:

  • “Voldoende passende woningen vormen daarbij een belangrijk middel, maar niet het

    enige doel. Woningbouw wordt nadrukkelijk gekoppeld aan het behouden van

    voorzieningen, sociale samenhang, ontmoeting en kwaliteit van leven.”

    wordt vervangen door:

  • “Voldoende passende woningen zijn van belang om in de woonbehoefte te voorzien.

    Woningbouw is daarnaast – net als andere maatregelen - van invloed zijn op de

    leefbaarheid, sociale samenhang, ontmoeting en kwaliteit van leven”



C. de volgende wijzigingen op pagina 41, in paragraaf 3.2, de passage:

  • “De toevoeging van woningen is noodzakelijk om leefbaarheid, gemeenschappen en voorzieningen in kernen en buurtschappen toekomstbestendig te houden en de bevolkingsopbouw in balans te brengen.”

    wordt vervangen door:

  • “De toevoeging van woningen is een middel om leefbaarheid, gemeenschappen en voorzieningen in kernen en buurtschappen toekomstbestendig te houden en de bevolkingsopbouw in balans te brengen.”

2. De Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040 inclusief de bijbehorende stukken (waaronder de OER) ter inzage te leggen in de periode van 5 oktober tot en met 13 november 2026.

Artikel I

"Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.

Artikel II

Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.

Aldus vastgesteld door Gemeente Aalten, 22 september 2026

De gemeenteraad van Aalten,

De Griffier,

E.M. Geldorp



De Voorzitter,

mr. A.B. Stapelkamp

Bijlage A Bijlage bij artikel I

Ontwerp Omgevingsvisie gemeente Aalten 2040

Bestuurlijke samenvatting

Kern van de Omgevingsvisie

Met deze Omgevingsvisie geeft de gemeente Aalten richting aan de ontwikkeling van de leefomgeving tot 2040. De visie bouwt voort op het in februari 2026 door de gemeenteraad vastgestelde voorontwerp, werkt de daarin gekozen voorkeurslijn verder uit en concretiseert deze per deelgebied.

Centrale opgave is het toekomstbestendig ontwikkelen van de leefomgeving, waarbij niet alleen ruimte wordt geboden aan ontwikkeling, maar vooral wordt gewerkt aan een gezonde, leefbare en sociaal sterke gemeente. Groei en kwaliteit worden daarbij nadrukkelijk met elkaar in balans gebracht. Daarbij staat het versterken van brede welvaart centraal, waarbij economische ontwikkeling, leefbaarheid, gezondheid, landschap, voorzieningen, gemeenschapsvorming en kwaliteit van leven in samenhang worden benaderd. Ontwikkelingen zijn niet vanzelfsprekend, maar moeten aantoonbaar bijdragen aan een betere leefomgeving en passen binnen de identiteit van Aalten.

De gemeente ziet de leefomgeving nadrukkelijk niet alleen als een fysieke ruimte, maar vooral als de omgeving waarin mensen wonen, elkaar ontmoeten, gezond kunnen leven en samen een gemeenschap vormen. Een sterke gemeenschap, sociale samenhang, gezondheid en leefbaarheid zijn daarom even belangrijk als woningbouw, infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling. Ontwikkelingen worden niet alleen beoordeeld op fysieke kwaliteit, maar ook op hun bijdrage aan welzijn, ontmoeting, inclusie en gemeenschapsvorming.

De Omgevingsvisie gaat uit van een integrale benadering. Opgaven op het gebied van wonen, leefbaarheid, landschap, klimaat, mobiliteit, economie en gezondheid worden niet afzonderlijk benaderd, maar in samenhang. Dat betekent dat keuzes noodzakelijk zijn, maar ook dat actief wordt gezocht naar mogelijkheden om opgaven te combineren en elkaar te versterken. De gemeente erkent daarbij dat de ontwikkeling van de leefomgeving niet alleen door beleid wordt bepaald, maar in belangrijke mate door de kracht van inwoners, ondernemers en maatschappelijke initiatieven. Deze visie sluit aan bij bestaande initiatieven en energie in de samenleving en bouwt daarop voort.

 

Belangrijkste keuzes

De Omgevingsvisie maakt expliciete keuzes, omdat niet alles wenselijk en/of mogelijk is.

Leefbaarheid, gemeenschappen en wonen

De gemeente zet in op het versterken van leefbaarheid, gemeenschappen en een evenwichtige bevolkingssamenstelling in zowel de kernen als de buurtschappen. Voldoende passende woningen zijn van belang om in de woonbehoefte te voorzien. Daarnaast kan woningbouw, net als andere maatregelen, bijdragen aan leefbaarheid, sociale samenhang, ontmoeting en kwaliteit van leven. Welke bijdrage woningbouw kan leveren, verschilt per gebied en vraagt om een bredere, gebiedsgerichte aanpak.

Vanuit die benadering wordt ingezet op een gefaseerde woningbouwopgave van circa 1.350 woningen tot 2040. Daarvan worden circa 900 woningen gerealiseerd in de periode tot 2035, grotendeels binnen de bestaande kernen. Deze woningbouwopgave sluit aan op de regionale woondeal en het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Aalten.

Voor de periode 2035–2040 wordt voorlopig uitgegaan van circa 450 aanvullende woningen binnen de gemeente Aalten. De exacte invulling en verdeling van deze aanvullende woningbouwopgave wordt in de komende jaren nader bepaald, mede op basis van de ontwikkeling van de woningbehoefte, de voortgang van de woningbouwproductie en de leefbaarheidsopgaven in de verschillende deelgebieden. Daarbij wordt vooralsnog aangesloten bij het uitgangspunt uit het Volkshuisvestingsprogramma om de aanvullende woningbouwopgave in eerste instantie evenredig naar rato van het aantal inwoners over de verschillende kernen en deelgebieden van de gemeente te verdelen.

Tegelijk blijft in het vervolgproces nadrukkelijk ruimte bestaan voor maatwerk op basis van actuele woningbehoefte, leefbaarheid, voorzieningen, bevolkingssamenstelling, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar een evenwichtige bevolkingssamenstelling binnen de gemeente en naar het behoud van leefbaarheid en voorzieningen in zowel de hoofdkernen als de buurtschappen. De aanvullende woningbouwopgave richting 2040 wordt daarom gebiedsgericht uitgewerkt, waarbij zowel in de grotere kernen als in het buitengebied en de buurtschappen ruimte kan bestaan voor aanvullende woningbouw, passend bij de schaal, draagkracht en kwaliteit van het gebied.

Kwaliteit van de leefomgeving

De Omgevingsvisie richt zich nadrukkelijk ook op het verbeteren van de bestaande leefomgeving. Daarbij gaat het niet alleen om fysieke kwaliteit, maar ook om gezondheid, welzijn, ontmoeting en sociale veiligheid. Een aantrekkelijke openbare ruimte, voldoende groen, toegankelijke voorzieningen en sterke gemeenschappen worden gezien als essentiële voorwaarden voor een gezonde leefomgeving.

Op verschillende plekken is sprake van knelpunten, onder andere op het gebied van geluid, bereikbaarheid, biodiversiteit, waterbeheer, energie en de kwaliteit van de openbare ruimte. Ook staan in sommige gebieden leefbaarheid, voorzieningen en sociale verbondenheid onder druk. Het aanpakken van deze knelpunten is een volwaardige opgave naast nieuwe ontwikkeling.

Water, bodem en het energiesysteem zijn sturend voor ruimtelijke keuzes. Dit betekent dat niet overal ontwikkeling mogelijk is en dat fysieke randvoorwaarden leidend zijn bij de afweging waar, wanneer en in welke volgorde ontwikkeling plaatsvindt. Hieronder valt nadrukkelijk ook de beschikbare infrastructuur, zoals energie, water en riolering, die bepalend is voor de uitvoerbaarheid van ontwikkelingen.

Veiligheid en randvoorwaarden

Veiligheid vormt een randvoorwaarde voor alle ontwikkelingen. Daarbij gaat het zowel om fysieke veiligheid als om sociale veiligheid en de weerbaarheid van de samenleving. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij passen binnen een veilige inrichting van de leefomgeving en geen onaanvaardbare risico’s opleveren. De gemeente maakt daarbij niet alleen keuzes waar ontwikkeling mogelijk is, maar ook waar ontwikkeling niet mogelijk is. Ontwikkelingen die niet passen binnen de draagkracht van het gebied en de sturende systemen worden niet toegestaan.

Landschap en identiteit

Tot slot wordt ingezet op het beschermen, versterken en waar mogelijk actief zichtbaar en beleefbaar maken van landschap, erfgoed en identiteit. De kwaliteit van het landschap en de herkenbaarheid van kernen en buurtschappen worden gezien als belangrijke dragers van de leefomgeving en van het gevoel van verbondenheid van inwoners met hun omgeving. Ontwikkelingen moeten zorgvuldig worden ingepast en mogen niet leiden tot aantasting van de identiteit, het landschap of de kwaliteit van de leefomgeving.

 

Samenhang en koppelkansen

De Omgevingsvisie gaat uit van een integrale benadering van opgaven. Dat betekent dat niet alleen wordt gekeken naar spanningen tussen opgaven, maar juist ook naar mogelijkheden om deze met elkaar te verbinden. Ontwikkelingen worden nadrukkelijk benut om meerdere doelen tegelijk te versterken. Woningbouw kan bijvoorbeeld, in samenhang met maatregelen voor ontmoeting en voorzieningen, bijdragen aan vitale gemeenschappen en een betere kwaliteit van de leefomgeving.

In het buitengebied worden landbouw, natuur, leefbaarheid en recreatie in samenhang ontwikkeld. Daarbij wordt nadrukkelijk ruimte geboden aan gematigde groei van toerisme en recreatie, passend bij de schaal en identiteit van gemeente Aalten. Kleinschalige verblijfsrecreatie, agrotoerisme en nieuwe minicampings kunnen bijdragen aan de vitaliteit van het buitengebied, het behoud van voorzieningen en nieuwe economische perspectieven voor agrarische bedrijven, mits ontwikkelingen zorgvuldig landschappelijk worden ingepast en bijdragen aan versterking van natuur, biodiversiteit en leefkwaliteit.

Maatregelen voor klimaat en water dragen tegelijkertijd bij aan biodiversiteit, gezondheid en verblijfskwaliteit. Ook mobiliteit wordt in samenhang benaderd. Verbeteringen in mobiliteit dragen bij aan leefbaarheid, veiligheid en duurzaamheid. Nieuwe vormen van mobiliteit, zoals zelfrijdende voertuigen, kunnen de bereikbaarheid van voorzieningen verbeteren, met name in het buitengebied.

Door koppelkansen actief te benutten, wordt de beschikbare ruimte efficiënter gebruikt en ontstaat een samenhangende, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving.

 

Gebiedsgerichte uitwerking

De gekozen koers is concreet uitgewerkt per deelgebied. Daarbij wordt zichtbaar wat de opgaven betekenen voor de verschillende kernen, het buitengebied en de buurtschappen.

In de kernen ligt de nadruk op het versterken van leefbaarheid, voorzieningen, ontmoeting en kwaliteit van de openbare ruimte, gecombineerd met inbreiding, herstructurering en woningbouw. In het buitengebied en de buurtschappen wordt ingezet op het behouden van sterke gemeenschappen en het versterken van landschap en leefkwaliteit, met ruimte voor kleinschalige en zorgvuldig ingepaste ontwikkeling.

De gebiedsgerichte uitwerking is gebaseerd op beleidskaders, analyse van de leefomgeving en input van inwoners. In meerdere dorpen en buurtschappen zijn concrete plannen en initiatieven aangedragen, die in deze visie zijn meegenomen.

 

De gebiedsgerichte uitwerking vormt niet het eindpunt, maar het startpunt voor het vervolg. Per deelgebied zijn opgaven, wensen en randvoorwaarden in beeld gebracht. Deze vormen de basis voor het gebiedsgerichte overleg waarin de verdere invulling wordt bepaald.

 

Van visie naar uitvoering

De Omgevingsvisie is het startpunt voor uitvoering. De visie vormt de basis voor uitvoeringsprogramma’s, het omgevingsplan en de beoordeling van initiatieven. Daarbij geldt dat ontwikkelingen alleen mogelijk zijn wanneer zij bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en, waar mogelijk, meerdere opgaven tegelijkertijd versterken.

De uitvoering vraagt om een gebiedsgerichte aanpak waarin gemeente, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties samen werken aan de toekomst van Aalten. Daarbij staat niet alleen ruimtelijke ontwikkeling centraal, maar juist ook het versterken van gemeenschappen, leefbaarheid, gezondheid en welzijn. 

De gemeente sluit daarbij nadrukkelijk aan bij initiatieven en energie uit de samenleving. Inwoners, ondernemers en organisaties worden gezien als mede-ontwikkelaars van de leefomgeving. De gemeente faciliteert, verbindt en ondersteunt waar nodig.

 

Besluit voor de raad

Met het vaststellen van deze Omgevingsvisie:

  • stelt de raad de koers vast voor de ontwikkeling van Aalten tot 2040; 

  • stelt de raad de kernprincipes vast voor ruimtelijke én maatschappelijke afwegingen gericht op een veilige, gezonde en leefbare gemeente; 

  • en geeft de raad richting aan de verdere uitwerking in programma’s en plannen.

Inleiding

Aanleiding en doel

Gemeente Aalten staat de komende jaren voor belangrijke keuzes in de ontwikkeling van haar leefomgeving. Veranderingen in wonen, landbouw, energie, klimaat, gezondheid, economie en voorzieningen hebben direct invloed op hoe mensen wonen, leven, elkaar ontmoeten en hoe de leefomgeving wordt gebruikt en ingericht. Deze ontwikkelingen vragen om richting: wat willen we behouden, wat willen we versterken en waar bieden we ruimte aan nieuwe ontwikkelingen?

De gemeente ziet de leefomgeving daarbij niet alleen als een fysieke ruimte, maar ook als een sociaal systeem waarin mensen samenleven. De inrichting van de leefomgeving beïnvloedt hoe mensen elkaar ontmoeten, gezond kunnen leven, zich veilig voelen, naar elkaar omzien en samen een gemeenschap vormen. Deze Omgevingsvisie richt zich daarom op zowel de ruimtelijke kwaliteit als de sociale kwaliteit van Aalten.

De leefomgeving kent daarmee nadrukkelijk zowel een fysieke als een sociale kant. De fysieke leefomgeving gaat over onderwerpen zoals woningen, landschap, natuur, water, infrastructuur en bedrijvigheid. De sociale leefomgeving gaat over ontmoeting, gezondheid, welzijn, gemeenschapsvorming, sociale samenhang en het gevoel ergens thuis te zijn. Beide kanten van de leefomgeving zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en beïnvloeden elkaar voortdurend. Een aantrekkelijke en groene openbare ruimte kan ontmoeting, gezondheid en welzijn stimuleren, terwijl sterke gemeenschappen bijdragen aan leefbaarheid, veiligheid en sociale verbondenheid. Andersom kunnen ruimtelijke ontwikkelingen ook leiden tot anonimiteit of sociale verschraling wanneer onvoldoende rekening wordt gehouden met de sociale kant van de leefomgeving. De gemeente kiest daarom nadrukkelijk voor een integrale benadering waarin fysieke én sociale kwaliteit gelijkwaardig onderdeel zijn van de ontwikkeling van de leefomgeving richting 2040.

 

afbeelding binnen de regeling

 

Vanuit deze brede benadering brengt deze Omgevingsvisie de verschillende opgaven, belangen en kwaliteiten van gemeente Aalten in samenhang bijeen.

In deze Omgevingsvisie beschrijft de gemeente haar koers richting 2040. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving en maakt duidelijk welke keuzes de gemeente maakt en welke afwegingen daarbij leidend zijn. Daarmee biedt de visie houvast voor toekomstige ontwikkelingen en initiatieven.

De visie is bedoeld voor bestuurders, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Iedereen die betrokken is bij de leefomgeving van Aalten moet kunnen begrijpen welke richting de gemeente kiest en waarom. Daarom is deze visie helder, herkenbaar en zo concreet mogelijk geformuleerd.

 

Status en reikwijdte

De Omgevingsvisie is het belangrijkste richtinggevende document binnen de systematiek van de Omgevingswet. De visie is niet juridisch bindend, maar vormt wel de basis voor de verdere uitwerking in programma’s en voor het omgevingsplan, waarin regels juridisch worden vastgelegd. Daarnaast is de visie een belangrijk toetsingskader bij de beoordeling van initiatieven.

De Omgevingsvisie heeft betrekking op de gehele fysieke leefomgeving. Dat betekent dat onderwerpen als wonen, mobiliteit, economie, recreatie en toerisme, klimaat en water, energievoorziening, natuur en biodiversiteit, voorzieningen, gezondheid en veiligheid, landbouw, circulariteit en afval, bodem en ondergrond, cultureel erfgoed en landschapsidentiteit, milieu en emissies, digitale infrastructuur en ruimtelijke inrichting niet los van elkaar worden beschouwd, maar in samenhang. Juist die samenhang vormt de kern van de Omgevingswet en is leidend voor deze visie.

Het realiseren van een veilige, gezonde en leefbare leefomgeving vormt daarbij het centrale doel. Daarbij gaat het niet alleen om fysieke kwaliteit, maar ook om welzijn, sociale samenhang, toegankelijkheid van voorzieningen en het functioneren van gemeenschappen. Duurzame ontwikkeling vormt daarbij een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet. Onder duurzame ontwikkeling wordt verstaan: “een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.”

De Omgevingswet kent daarbij drie overkoepelende maatschappelijke doelen:

  • het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; 

  • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; 

  • en het waarborgen van duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van de leefomgeving. 

 

Deze Omgevingsvisie laat zien hoe gemeente Aalten deze doelen in samenhang wil realiseren richting 2040.

Bij het opstellen van deze Omgevingsvisie is rekening gehouden met de relevante kaders en beleidsdoelen van Rijk, provincie, waterschap en regio. De gemeente sluit daarbij nadrukkelijk aan op de provinciale Omgevingsvisie Gelderland. Dit betekent dat water en bodem sturend zijn bij ruimtelijke keuzes, natuur en biodiversiteit als kernkwaliteiten worden versterkt, zorgvuldig wordt omgegaan met landbouwgronden en verstedelijking compact, klimaatbestendig en goed bereikbaar wordt ontwikkeld. Daarnaast gelden randvoorwaarden vanuit energie-infrastructuur, drinkwaterbeschikbaarheid en een gezonde en veilige leefomgeving.

De gemeente houdt rekening met het provinciale beleid, waaronder de Omgevingsvisie Gelderland en de Provinciale Omgevingsverordening Gelderland. Daarbij geldt dat de Omgevingsvisie Gelderland richtinggevend beleid bevat, terwijl uitsluitend de juridisch vastgelegde regels uit de Provinciale Omgevingsverordening rechtstreeks bindend zijn voor gemeentelijke besluitvorming.

Vanuit de regio Achterhoek wordt daarnaast gezamenlijk een zienswijze voorbereid op de recent voorgelegde actualisatie van de provinciale Omgevingsvisie. De gemeente sluit daarbij tevens aan op het Ruimtelijk Perspectief Achterhoek, het Toekomstverhaal Achterhoek 2100 en andere regionale samenwerkingsagenda’s binnen de Achterhoek. Deze documenten vormen belangrijke bouwstenen voor de regionale afstemming van opgaven op het gebied van wonen, leefbaarheid, economie, landschap, water, mobiliteit en energie. De gemeente Aalten betrekt de uitkomsten daarvan bij de verdere uitvoering en actualisering van deze Omgevingsvisie.

De gemeente vertaalt de landelijke, provinciale, regionale en lokale uitgangspunten gebiedsgericht naar de praktijk van Aalten. Dit gebeurt in samenhang met regionale programma’s en in samenwerking met inwoners, provincie, waterschap en andere partners. Gemeente Aalten maakt daarbij nadrukkelijk onderdeel uit van de Achterhoek als netwerkregio, waarin kernen, dorpen, buurtschappen, voorzieningen, economie, landschap en mobiliteit in regionale samenhang functioneren. De ontwikkeling van Aalten wordt daarom niet uitsluitend lokaal benaderd, maar nadrukkelijk ook in relatie tot de omliggende Achterhoekse gemeenten, de Euregio en de grensoverschrijdende verwevenheid met Duitsland op het gebied van economie, voorzieningen, recreatie, mobiliteit en leefbaarheid. Daarmee wordt geborgd dat lokale keuzes passen binnen de bredere ruimtelijke en maatschappelijke opgaven en dat ontwikkelingen ook op lange termijn uitvoerbaar en toekomstbestendig zijn. Daarbij houdt de gemeente ook rekening met regionale onderzoeken en afwegingen die zijn uitgevoerd in het kader van de Regionale Energiestrategie Achterhoek en de regionale aanvulling op het PlanMER Windbeleid en RES Gelderland.

 

Geen beleidslaag, wel gebiedsgericht maatwerk

De gemeente kiest er bewust voor om in deze Omgevingsvisie geen afzonderlijke beleidskaders per deelgebied op te nemen. Deelgebieden vormen op zichzelf namelijk geen aparte beleidslaag binnen de Omgevingswet. De koers en de ontwikkelrichtingen uit deze visie gelden voor de gehele gemeente.

Tegelijk vraagt de Omgevingswet om gebiedsgericht maatwerk. Dat betekent dat de toepassing van deze visie altijd plaatsvindt in de specifieke context van een specifiek deelgebied. Verschillen in landschap, bodem, water, bebouwing, gemeenschap(pen), functies en gebruik bepalen hoe de algemene koers in de praktijk wordt toegepast. Het gaat daarbij niet om verschillend beleid per gebied, maar om het zorgvuldig afwegen en combineren van opgaven, kwaliteiten en randvoorwaarden op een concrete plek. Het leggen van deze ‘gebiedsgerichte puzzel’ gebeurt in overleg met belanghebbenden en wordt uitgewerkt in uitvoeringsprogramma’s.

De gemeente beschouwt gebiedsgericht werken dus als een manier van kijken en afwegen, niet als een aparte beleidslaag. De ontwikkellijnen, kernprincipes en het afwegingskader vormen samen het instrumentarium om per locatie tot een passende en samenhangende invulling te komen.

 

Leeswijzer

De Omgevingsvisie is opgebouwd van analyse naar keuzes en uitvoering. Eerst wordt beschreven wat Aalten kenmerkt en welke kwaliteiten behouden en versterkt moeten worden. Daarna volgen de belangrijkste ontwikkelingen richting 2040 en de keuzes die nodig zijn om groei, leefbaarheid, landschap, gezondheid en gemeenschapsvorming met elkaar in balans te brengen.

Om tot een goed onderbouwde koers te komen, zijn daarnaast verschillende ontwikkelrichtingen en toekomstscenario’s onderzocht en integraal afgewogen. Uiteindelijk is gekozen voor een koers waarin ontwikkeling, leefbaarheid, landschap en kwaliteit nadrukkelijk met elkaar in balans worden gebracht.

Vervolgens wordt deze koers uitgewerkt in ontwikkellijnen per thema. Deze ontwikkellijnen beschrijven hoe de gemeente richting geeft aan onderwerpen zoals wonen, landbouw, mobiliteit, energie, water, natuur, voorzieningen en leefbaarheid.

Daarna volgt de vertaling naar gebiedsgerichte ontwikkelrichtingen. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe de algemene koers van de Omgevingsvisie uitwerkt in verschillende typen gebieden, zoals centra, woongebieden, bedrijventerreinen, buurtschappen en het buitengebied.

De ontwikkellijnen en gebiedsgerichte ontwikkelrichtingen vormen samen de basis voor het toekomstbeeld van Aalten in 2040.Vervolgens worden de ontwikkellijnen vertaald naar een toetsingskader voor de beoordeling van initiatieven. Tot slot wordt beschreven hoe de visie wordt doorvertaald naar uitvoering.

 

Verantwoording

Aan de totstandkoming van deze Omgevingsvisie Aalten 2040 is een traject van voorbereiding, inventarisatie, participatie en analyse voorafgegaan. Daarbij heeft de gemeente Aalten uitgebreid gesproken met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen via gebiedsgesprekken, enquêtes en dorpsontwikkelplannen. Daarbij ging het nadrukkelijk niet alleen om ruimtelijke vraagstukken, maar ook om leefbaarheid, gezondheid, voorzieningen, gemeenschapsvorming en de kwaliteit van het dagelijks leven in kernen en buurtschappen. De opbrengst van deze gesprekken laat zien dat inwoners sterk betrokken zijn bij hun leefomgeving en veel waarde hechten aan landschap, leefbaarheid, ontmoeting, voorzieningen en sociale samenhang. Deze input vormt een belangrijke basis onder de keuzes die in deze Omgevingsvisie zijn gemaakt.

De belangrijkste onderliggende stukken zijn:

1 Voorkeurscenario gemeente Aalten 2040

1.1 Totstandkoming van het voorkeursscenario

De Omgevingsvisie Aalten 2040 is gebaseerd op een brede analyse van de fysieke leefomgeving en de opgaven waar de gemeente de komende jaren voor staat. Daarbij is gebruikgemaakt van een groot aantal bouwstenen, waaronder de identiteit en kernkwaliteiten van Aalten, de foto van de leefomgeving, trends en ontwikkelingen richting 2040, beleidskaders van andere overheden en de gemeente Aalten zelf, en de wensen, voorkeuren en prioriteiten die inwoners hebben aangegeven.

Deze bouwstenen zijn in samenhang geanalyseerd. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de onderlinge relaties tussen ruimtelijke opgaven, leefbaarheid, gezondheid, gemeenschapsvorming, ambities en beleidskaders. Deze analyse maakt duidelijk dat de ontwikkeling van de leefomgeving geen optelsom is van afzonderlijke beleidsvelden, maar een integrale afweging vraagt waarin keuzes onvermijdelijk zijn.

Om deze keuzes inzichtelijk te maken, zijn verschillende scenario’s ontwikkeld voor de ontwikkeling van Aalten richting 2040. Deze scenario’s vormen geen eindbeelden, maar denkrichtingen die inzicht geven in de gevolgen van verschillende keuzes. Ze maken zichtbaar wat de impact is van meer of minder groei, van verschillende ruimtelijke keuzes en van verschillende prioriteiten.

De scenario’s zijn integraal beoordeeld op hun effecten op de kwaliteit van de leefomgeving, onder meer op het gebied van gezondheid, natuur, landschap, water, mobiliteit en economie. Daarnaast zijn de scenario’s getoetst aan de wensen, voorkeuren en prioriteiten die inwoners hebben benoemd. Daarmee is niet alleen gekeken naar wat ruimtelijk en milieutechnisch wenselijk is, maar ook naar wat maatschappelijk gedragen wordt.

1.2 De afweging van scenario’s

De analyse maakt duidelijk dat gemeente Aalten voor een fundamenteel keuzedilemma staat. Aan de ene kant is er behoefte aan ontwikkeling: het realiseren van voldoende woningen, het versterken van de economie en het behouden van voorzieningen. Aan de andere kant is er de wens om het landschap, de leefkwaliteit en de identiteit van de gemeente te behouden.

Deze spanning komt terug in alle onderzochte scenario’s. Scenario’s met beperkte groei beschermen de bestaande kwaliteiten van landschap en leefomgeving, maar bieden onvoldoende ruimte om de woningbehoefte op te vangen en voorzieningen in stand te houden. Scenario’s met sterke groei bieden juist meer ruimte voor ontwikkeling en vernieuwing, maar leggen tegelijkertijd druk op landschap, leefkwaliteit en de draagkracht van systemen zoals water, bodem en energie.

Uit de effectbeoordeling blijkt dat naarmate de groei toeneemt, ook de risico’s voor de kwaliteit van de leefomgeving toenemen. Scenario 1 (beperkte groei) laat per saldo de minste negatieve effecten zien, maar biedt onvoldoende perspectief voor wonen, leefbaarheid, voorzieningen en vitale gemeenschappen. Scenario 3 en 4 bieden juist veel ontwikkelruimte, maar brengen ook aanzienlijke risico’s met zich mee voor natuur, landschap en leefkwaliteit. Daarnaast blijkt uit de vergelijking met de wensen van inwoners dat er brede steun is voor behoud van landschap, rust en dorps karakter, maar ook een duidelijke behoefte bestaat aan voldoende woningen, behoud van voorzieningen en een vitale gemeenschap.

De conclusie uit deze afweging is dat geen van de uitersten een passende oplossing biedt. Een koers die uitsluitend gericht is op behoud is onvoldoende toekomstbestendig. Een koers die volledig inzet op groei tast juist de kwaliteiten aan die gemeente Aalten kenmerken, zoals landschap, leefbaarheid, sociale samenhang en de menselijke schaal van de gemeente.

1.3 Voorkeur: gematigde groei met behoud en versterking van kwaliteit

Op basis van deze integrale afweging heeft de gemeenteraad van Aalten in haar raadsvergadering van 24 februari 2026 gekozen voor een voorkeursscenario van gematigde groei met behoud en versterking van kwaliteit. Daarbij werd tevens een motie aangenomen met als titel ‘Ruimte voor toerisme’. Met deze motie is het college verzocht om bij het uitwerken van het Voorontwerp Omgevingsvisie tot een ontwerp Omgevingsvisie ruimte te creëren voor gematigde groei voor toeristische en recreatieve ontwikkelingen en hierbij passende ruimte te geven aan agrotoerisme, met passende landschappelijke inpassing en versterking van natuur en biodiversiteit, zoals nieuwe mini-campings.

Het door de gemeenteraad vastgestelde voorkeursscenario voor de ontwikkeling van de leefomgeving in gemeente Aalten richting 2040 vormt een middenweg tussen ontwikkeling en behoud, waarbij niet alleen ruimte wordt geboden aan groei, maar vooral wordt ingezet op een gezonde, leefbare en sociaal sterke gemeente. Het biedt ruimte voor ontwikkeling waar dat nodig is, maar stelt duidelijke grenzen om te voorkomen dat de kwaliteit van de leefomgeving onder druk komt te staan. Groei wordt daarbij niet gezien als doel op zich, maar als middel om de gemeente vitaal en leefbaar te houden.

Binnen deze koers wordt toerisme nadrukkelijk gezien als een ontwikkeling die kan bijdragen aan leefbaarheid, economische vitaliteit en het toekomstbestendig houden van het buitengebied. De gemeente biedt daarom ruimte aan gematigde groei van toeristische en recreatieve ontwikkelingen, passend bij de schaal en identiteit van Aalten. Daarbij wordt nadrukkelijk ook ruimte geboden aan agrotoerisme en kleinschalige verblijfsrecreatie, zoals minicampings, mits sprake is van zorgvuldige landschappelijke inpassing en aantoonbare versterking van natuur, biodiversiteit en leefkwaliteit.

In het voorkeurscenario wordt verder ingezet op een geleidelijke toevoeging van woningen, waarbij wordt aangesloten bij de behoefte van verschillende doelgroepen. Concreet betekent dit dat in de periode tot 2040 circa 1.350 nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de gemeente Aalten. Daarvan zijn circa 900 woningen voorzien in de periode 2026–2035, in lijn met de regionale woondeal en het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Aalten. Voor deze woningen zijn grotendeels al concrete plannen gemaakt.

Voor de periode 2035–2040 wordt voorlopig uitgegaan van circa 450 aanvullende woningen binnen de gemeente Aalten. De exacte invulling en verdeling van deze aanvullende woningbouwopgave wordt in de komende jaren nader uitgewerkt, mede op basis van de ontwikkeling van de woningbehoefte, de voortgang van de woningbouwproductie en de leefbaarheidsopgaven binnen de gemeente.

Daarbij wordt vooralsnog aangesloten bij het uitgangspunt uit het Volkshuisvestingsprogramma om de aanvullende woningbouwopgave in eerste instantie evenredig naar rato van het aantal inwoners over de verschillende kernen en deelgebieden van de gemeente te verdelen. Tegelijk blijft in het vervolgproces nadrukkelijk ruimte bestaan voor maatwerk op basis van actuele woningbehoefte, leefbaarheid, voorzieningen, bevolkingssamenstelling, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur.

Deze aanvullende woningbouwopgave biedt jongeren, starters en ouderen meer mogelijkheden om passend te wonen. Afhankelijk van de situatie per gebied kan zij, in samenhang met andere maatregelen, ook bijdragen aan vitale gemeenschappen en het draagvlak voor voorzieningen en ontmoeting.

De groei vindt plaats op een manier die past bij de schaal en identiteit van de gemeente. Woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd binnen bestaande kernen, via inbreiding, hergebruik en zorgvuldig ingepaste uitbreidingen. Daarbij geldt dat woningbouw niet ten koste mag gaan van andere ruimtevragende functies, zoals verkeers- en energie-infrastructuur, waterberging en groen. Daarbij blijft ook in de grotere kernen ruimte bestaan voor aanvullende woningbouw, herstructurering en transformatie wanneer ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en passen binnen de beschikbare ruimte en infrastructuur. Grootschalige verstedelijking en aantasting van het landschap worden vermeden. Tegelijk wordt met een positieve grondhouding gekeken naar het creëren van extra woonmogelijkheden op bestaande erven, zoals boerderijsplitsing, generatie-erven en mantelzorgwoningen.

Behoud en versterking van kwaliteit vormen het leidende uitgangspunt. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij bijdragen aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en passen binnen de kwaliteiten van landschap, kernen en buurtschappen. Ontwikkelingen die deze kwaliteiten aantasten of leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van de leefomgeving passen niet binnen deze koers.

Het voorkeursscenario sluit daarmee het beste aan bij zowel de uitkomsten van de effectbeoordeling als bij de wensen en prioriteiten van inwoners. Het biedt perspectief voor de toekomst, zonder de identiteit van Aalten uit het oog te verliezen.

Daarnaast sluit deze koers aan bij bredere inzichten over de ontwikkeling van gemeenten, waarin niet alleen economische groei of ruimtelijke ontwikkeling centraal staan, maar juist ook gezondheid, welzijn, gemeenschapsvorming en de kwaliteit van samenleven. Wonen, voorzieningen, mobiliteit en economie worden in deze visie daarom steeds bezien in hun bijdrage aan een vitale, inclusieve en sociaal sterke gemeenschap.

Het voorkeursscenario is daarmee geen abstracte richting, maar een concrete koers die richting geeft aan alle verdere keuzes in deze Omgevingsvisie.

In het volgende deel wordt beschreven welke kwaliteiten, opgaven, wensen en randvoorwaarden bepalend zijn voor het verder vormgeven van een gezonde, leefbare en toekomstbestendige gemeente Aalten.

2 Kaders voor concretisering

2.1 Inleiding

Het voorkeursscenario uit deel 1 geeft richting aan de ontwikkeling van de leefomgeving in Aalten richting 2040. Om deze koers concreet te maken per deelgebied, moet duidelijk zijn met welke kwaliteiten, opgaven, randvoorwaarden en wensen rekening moet worden gehouden. Dit deel 2 brengt deze bouwstenen in samenhang bijeen en vormt daarmee de inhoudelijke basis voor de gebiedsgerichte uitwerking in deel 4.

De onderdelen in dit hoofdstuk moeten niet afzonderlijk worden gelezen, maar juist in samenhang. Het is de optelsom van deze factoren die bepaalt wat per locatie mogelijk is en welke keuzes nodig zijn. Daarbij geldt dat niet één factor op zichzelf bepalend is, maar dat steeds de samenhang tussen kwaliteiten, opgaven en randvoorwaarden de doorslag geeft. Deze integrale benadering vormt de basis voor de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.

2.2 Identiteit en kernkwaliteiten van Aalten

Aalten is een gemeente met een herkenbare en sterke identiteit. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het samenspel van landschap, kernen en gemeenschappen. Deze identiteit vormt het vertrekpunt voor alle keuzes richting 2040.

Het buitengebied wordt gekenmerkt door een waardevol agrarisch cultuurlandschap met een uitgesproken coulissenstructuur. Houtwallen, essen, akkers, weilanden en bosjes vormen samen een kleinschalig en gevarieerd landschap. De historische verkaveling en de ontstaansgeschiedenis zijn op veel plekken nog zichtbaar en bepalen mede de ruimtelijke kwaliteit. Tegelijk zijn er knelpunten ten aanzien van droogte, wateroverlast, biodiversiteit en landschapsidentiteit.

De ligging in het Nationaal Landschap Winterswijk geeft met name het oostelijk deel van de gemeente een bijzondere betekenis. Kleinschaligheid, stilte en donkerte zijn hier bepalend en vormen richtinggevende randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen.

De gemeente bestaat uit de kernen Aalten, Dinxperlo en Bredevoort en uit een aantal buurtschappen. De kern Aalten vervult een centrale rol op het gebied van wonen, voorzieningen en werkgelegenheid. Dinxperlo heeft een eigen identiteit door de grensligging. Bredevoort onderscheidt zich door zijn historische karakter en culturele betekenis.

Naast de kernen vormen de buurtschappen een belangrijk onderdeel van het sociale fundament van de gemeente. Gemeenschapshuizen, Kulturhusen, verenigingen en ontmoetingsplekken vervullen daarbij een belangrijke rol. Zij vormen het sociale hart van veel kernen en buurtschappen en dragen bij aan ontmoeting, participatie, sociale samenhang en leefbaarheid. De gemeente ziet deze voorzieningen als een essentieel onderdeel van een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar gebouwen of voorzieningen op zichzelf, maar juist naar hun maatschappelijke betekenis voor de gemeenschap en het dagelijks leven van inwoners.

Water, bodem en het energiesysteem vormen de basis van de leefomgeving en zijn sturend voor ruimtelijke keuzes. Deze systemen bepalen in belangrijke mate waar ruimte is voor ontwikkeling en waar terughoudendheid nodig is. Ontwikkelingen zijn alleen wenselijk wanneer zij aantoonbaar passen binnen deze systemen en bijdragen aan een robuuste en toekomstbestendige inrichting van de leefomgeving.

De gemeente Aalten houdt rekening met het provinciale beleid, waaronder de Omgevingsvisie Gelderland. Daarbij is Aalten aangewezen als gebied waar natuurinclusieve landbouw en versterking van natuur en landschap een belangrijke rol spelen.

2.3 Belangrijkste ontwikkelingen richting 2040

De ontwikkeling van Aalten richting 2040 vindt plaats in een context van ingrijpende veranderingen die direct doorwerken in de leefomgeving:

  • De samenstelling van de bevolking verandert. De vergrijzing neemt toe en huishoudens worden kleiner. Tegelijk is er behoefte aan instroom van jongeren en gezinnen om dorpen vitaal te houden. Dit leidt tot een veranderende woningvraag.

  • De ontwikkeling van de bevolking en de leefbaarheid van kernen en buurtschappen vragen om een evenwichtige toevoeging van woningen. Tot 2035 worden circa 900 woningen gerealiseerd, in lijn met de regionale woondeal en het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Aalten. Richting 2040 wordt voorlopig uitgegaan van circa 450 aanvullende woningen binnen de gemeente. De exacte invulling en verdeling van deze aanvullende woningbouwopgave wordt in de komende jaren nader bepaald op basis van actuele woningbehoefte, woningbouwproductie en leefbaarheidsopgaven binnen de verschillende deelgebieden van de gemeente.

  • Naast nieuwbouw ligt er een belangrijke opgave in de bestaande woningvoorraad. Veel woningen moeten worden verduurzaamd en aangepast aan veranderende woonwensen. Met name in naoorlogse wijken spelen opgaven rond isolatie, vergroening en leefkwaliteit.

  • De landbouwsector blijft een belangrijke drager van het buitengebied, maar staat voor een transitie naar duurzamere, circulaire en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Niet alles kan overal; de ontwikkelruimte verschilt per gebied en hangt samen met natuur, water, bodem en leefkwaliteit.

  • De bestaande infrastructuur voor water, riolering en energie vormt een belangrijke randvoorwaarde voor ruimtelijke ontwikkeling. In delen van de gemeente is de capaciteit beperkt of ontbreekt infrastructuur geheel. Dit stelt grenzen aan waar, wanneer en in welke omvang nieuwe functies kunnen worden gerealiseerd. De uitvoerbaarheid van ontwikkelingen hangt daarmee nadrukkelijk samen met de beschikbaarheid en tijdige uitbreiding van deze systemen.

  • Klimaatverandering en de energietransitie stellen nieuwe eisen aan de inrichting van de leefomgeving. Extremen in neerslag, droogte en hitte nemen toe. Tegelijk vormt de beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet een directe beperking voor ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast vormt natuurbrand een toenemend risico.

  • Voorzieningen staan onder druk door demografische veranderingen. Dit vraagt om clustering, multifunctioneel gebruik en nieuwe vormen van organisatie.

  • Mobiliteit verandert. De rol van de auto blijft belangrijk, maar er wordt meer ingezet op lopen, fietsen en openbaar vervoer. Tegelijk ontwikkelen nieuwe vormen van mobiliteit zich snel, waaronder zelfrijdende voertuigen. Deze kunnen bijdragen aan de bereikbaarheid van voorzieningen, met name in het buitengebied.

  • Digitalisering neemt in hoog tempo toe en heeft grote invloed op wonen, werken en voorzieningen. De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) onderstreept het belang van een betrouwbare en veilige digitale infrastructuur.

  • Daarnaast neemt het belang van gezondheid, leefkwaliteit en sociale samenhang toe. De leefomgeving moet bijdragen aan welzijn, ontmoeting, inclusie en gemeenschapsvorming. Tegelijk veranderen sociale structuren en neemt in sommige gebieden de druk op leefbaarheid, voorzieningen en sociale verbondenheid toe. Dit vraagt om een leefomgeving die niet alleen fysiek goed functioneert, maar ook sociaal sterk en toekomstbestendig is.

 

2.4 Doel: een veilige en gezonde leefomgeving

Het centrale doel van deze Omgevingsvisie is het realiseren van een veilige en gezonde leefomgeving. Dit vormt de basis voor alle keuzes die in deze visie worden gemaakt.

Veiligheid betreft zowel fysieke veiligheid als sociale veiligheid. Het gaat daarbij om bescherming tegen risico’s, zoals verkeer, bedrijven, energievoorzieningen en klimaat, maar ook om een omgeving waarin mensen zich veilig voelen, elkaar kunnen ontmoeten en zich vrij kunnen bewegen. Daarbij wordt nadrukkelijk ook aandacht besteed aan maatschappelijke weerbaarheid en aan het voorkomen van ondermijnende en ontwrichtende effecten op de leefomgeving. Een veilige leefomgeving vraagt niet alleen om technische maatregelen, maar ook om sterke gemeenschappen, sociale samenhang en een openbare ruimte die uitnodigt tot ontmoeting en sociale controle.

Een gezonde leefomgeving betekent dat de omgeving actief bijdraagt aan gezondheid, welzijn, ontmoeting, sociale verbondenheid en het functioneren van gemeenschappen. Daarbij gaat het niet alleen om fysieke factoren zoals luchtkwaliteit, geluid en groen, maar ook om de vraag of mensen zich thuis voelen, elkaar kunnen ontmoeten en volwaardig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven.

Belangrijk uitgangspunt is dat niet alleen afzonderlijke effecten worden beoordeeld, maar ook de cumulatie daarvan. Op plekken waar meerdere vormen van belasting samenkomen, wordt expliciet afgewogen of dit nog aanvaardbaar is.

Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan een veilige en gezonde leefomgeving en mogen deze niet onevenredig verslechteren.

2.5 Huidige kwaliteit van de leefomgeving

De leefomgeving in Aalten is op veel punten van goede kwaliteit, maar kent tegelijkertijd duidelijke knelpunten. Deze knelpunten maken inzichtelijk waar verbetering noodzakelijk is om de kwaliteit van de leefomgeving op peil te houden en richting 2040 te versterken.

De onderstaande knelpunten zijn deels het gevolg van de ontwikkelingen zoals beschreven in paragraaf 2.3 en vormen belangrijke aandachtspunten voor de verdere ontwikkeling van de leefomgeving:

  • Er is een tekort aan betaalbare woningen, met name voor starters en ouderen. De bestaande woningvoorraad vraagt op veel plekken om verduurzaming en aanpassing aan veranderende woonwensen.

  • Op het gebied van mobiliteit zijn er knelpunten in verkeersveiligheid, bereikbaarheid en de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers.

  • Biodiversiteit, waterkwaliteit, klimaatbestendigheid en de samenhang van groen- en waterstructuren staan onder druk door onder meer stikstof, verdroging, versnippering en verlies aan landschapselementen. Droogte, wateroverlast en hittestress nemen toe.

  • Het energiesysteem vormt een concreet knelpunt door beperkte netcapaciteit, wat directe gevolgen heeft voor de mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen.

  • Voorzieningen staan onder druk door vergrijzing, betaalbaarheid, veranderend gebruik en beperkte groei.

  • In delen van kernen is sprake van stagnatie in ruimtelijke ontwikkeling en achteruitgang van bestaande bebouwing op vitale locaties. Dit vormt een specifieke opgave die vraagt om gerichte herstructurering en kwaliteitsverbetering.

  • In Bredevoort vraagt daarnaast de herkenbaarheid en actualiteit van het profiel als vestingstad aandacht, mede door veranderingen in toerisme en het gebruik van de openbare ruimte.

 

Deze knelpunten vormen een belangrijke randvoorwaarde voor toekomstige ontwikkelingen. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan het oplossen van deze knelpunten of mogen deze in ieder geval niet verergeren.

2.6 Wensen van inwoners

Bij het opstellen van deze Omgevingsvisie heeft de gemeente Aalten uitgebreid gesproken met inwoners en hen actief bevraagd via gebiedsgesprekken, enquêtes en dorpsontwikkelplannen. De opbrengst daarvan is omvangrijk en vormt een essentieel onderdeel van de basis onder deze visie.

De input van inwoners laat zien dat er binnen de gemeente een grote mate van betrokkenheid bestaat bij de leefomgeving. Inwoners denken actief mee over de toekomst van hun dorp, buurtschap of wijk en geven daarbij niet alleen aan wat zij belangrijk vinden, maar ook waar volgens hen grenzen liggen aan de ontwikkeling van de leefomgeving.

2.6.1 Sterke gedeelde waarden

Uit de gesprekken en enquêtes komt een opvallend consistent beeld naar voren. Inwoners hechten in sterke mate aan het landelijke, groene en kleinschalige karakter van de gemeente. Rust, ruimte, landschap en het gevoel van gemeenschap worden gezien als kernkwaliteiten die behouden moeten blijven.

Daarbij speelt sociale samenhang – het naoberschap – een centrale rol. In vrijwel alle kernen en buurtschappen wordt dit genoemd als één van de belangrijkste kenmerken van Aalten. Inwoners waarderen het dat mensen elkaar kennen, naar elkaar omzien en samen verantwoordelijkheid nemen voor hun leefomgeving. Dit wordt niet alleen gezien als een kwaliteit op zichzelf, maar ook als een voorwaarde voor leefbaarheid en welzijn.

2.6.2 Wonen als sleutelopgave

Tegelijkertijd maken inwoners duidelijk dat deze kwaliteiten alleen behouden kunnen blijven wanneer de gemeente zich blijft ontwikkelen. Met name op het gebied van wonen wordt een duidelijke opgave gezien.

In vrijwel alle gesprekken komt naar voren dat er een tekort is aan passende woningen, met name voor starters, jonge gezinnen en ouderen. Jongeren trekken weg omdat zij geen woning kunnen vinden, terwijl ouderen onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen hun eigen kern door te stromen.

Inwoners geven aan dat woningbouw noodzakelijk is om de leefbaarheid van kernen en buurtschappen te behouden. Daarbij wordt nadrukkelijk gevraagd om:

  • betaalbare woningen voor starters;

  • levensloopbestendige woningen voor ouderen;

  • en voldoende variatie in het woningaanbod om doorstroming mogelijk te maken.

Tegelijk wordt duidelijk dat woningbouw zorgvuldig moet plaatsvinden. Grootschalige uitbreiding of aantasting van het landschap wordt niet wenselijk gevonden. Inwoners pleiten voor een balans tussen ontwikkeling en behoud van kwaliteit.

2.6.3 Behoud van voorzieningen en leefbaarheid

Een tweede belangrijke prioriteit is het behouden van leefbaarheid en ontmoetingsmogelijkheden in kernen en buurtschappen. Voorzieningen spelen daarin een belangrijke rol, niet alleen vanwege hun praktische functie, maar vooral omdat zij bijdragen aan ontmoeting, gemeenschapsvorming en sociale samenhang. Inwoners geven aan dat voorzieningen zoals scholen, zorg, winkels, sport en ontmoetingsplekken essentieel zijn voor de leefbaarheid.

Er bestaat zorg over het verdwijnen of verschralen van voorzieningen, met name in kleinere kernen en buurtschappen. Tegelijk wordt erkend dat het draagvlak onder druk staat door demografische ontwikkelingen. Inwoners zien oplossingen in:

  • het concentreren van voorzieningen in de grotere kernen;

  • het combineren van functies;

  • en het ontwikkelen van nieuwe, flexibele vormen van dienstverlening.

 

2.6.4 Balans tussen ontwikkeling en landschap

In vrijwel alle gesprekken komt het belang van het landschap en het buitengebied nadrukkelijk naar voren. Inwoners waarderen het coulisselandschap, de rust en de open ruimte en willen deze kwaliteiten behouden.

Tegelijk wordt erkend dat het buitengebied verandert. De landbouwsector staat onder druk, er is behoefte aan nieuwe verdienmodellen en er spelen opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat.

Inwoners geven daarbij duidelijke grenzen aan. Grootschalige ontwikkelingen die het landschap aantasten worden vaak als ongewenst benoemd. Daar tegenover staat dat ruimte wordt gezien voor kleinschalige en zorgvuldig ingepaste ontwikkelingen, zoals:

  • hergebruik van bestaande erven;

  • kleinschalige woningbouw;

  • initiatieven die bijdragen aan landschap en biodiversiteit.

 

2.6.5 Duurzaamheid en energietransitie

Inwoners onderkennen het belang van duurzaamheid en de noodzaak van de energietransitie. Er is breed draagvlak voor energiebesparing, circulair omgaan met grondstoffen en het verduurzamen van woningen.

Tegelijkertijd bestaat er terughoudendheid ten aanzien van grootschalige energieopwekking in het landschap. De voorkeur gaat uit naar oplossingen die passen bij de schaal van de gemeente.

2.6.6 Bereikbaarheid en verkeersveiligheid

Bereikbaarheid en verkeersveiligheid worden veelvuldig genoemd als aandachtspunten. Met name in woonwijken en buurtschappen bestaat behoefte aan lagere snelheden, veilige routes en minder zwaar verkeer. Ook de bereikbaarheid van voorzieningen vanuit het buitengebied wordt als belangrijk ervaren.

2.6.7 Leefkwaliteit en gezondheid

Inwoners hechten veel waarde aan een gezonde en prettige leefomgeving. Daarbij gaat het niet alleen om fysieke aspecten zoals luchtkwaliteit en groen, maar ook om sociale aspecten zoals ontmoeting, veiligheid en welzijn.

2.6.8 Samenvattend

De input van inwoners laat zien dat er breed draagvlak bestaat voor een koers waarin ontwikkeling en behoud van kwaliteit met elkaar in balans worden gebracht.

In de gemeente Aalten zijn veel inwoners, ondernemers en initiatieven actief bezig met het realiseren van deze ambities. Deze initiatieven vormen een belangrijke drager voor de ontwikkeling van de leefomgeving. De gemeente ziet het als haar rol om deze bestaande kracht te herkennen, te benutten en waar mogelijk te versterken.

De wensen en prioriteiten van inwoners vormen daarmee een belangrijke aandachtspunt voor de verdere uitwerking van deze Omgevingsvisie.

 

Op basis van het voorkeursscenario en al het voorgaande in dit hoofdstuk, heeft de gemeente Aalten ontwikkellijnen geformuleerd op twee niveaus:

  • a.

    In de eerste plaats zijn ontwikkellijnen per thema opgesteld. Deze geven richting aan de gewenste ontwikkeling per thema en maken duidelijk onder welke voorwaarden ruimte wordt geboden aan initiatieven.

  • b.

    In de tweede plaats zijn ontwikkellijnen per gebiedstype opgesteld. Deze geven aan hoe de thematische ontwikkellijnen moeten worden toegepast in verschillende typen gebieden binnen de gemeente.

Beide typen ontwikkellijnen vormen samen het kader voor de gebiedsgerichte uitwerking in deze Omgevingsvisie. In het vierde deel wordt deze uitwerking gemaakt per deelgebied, waarbij de optelsom van alle ontwikkellijnen en andere relevante factoren leidt tot concrete keuzes.

2.7 Ontwikkellijnen per thema

De thematische ontwikkellijnen vormen de concrete vertaling van het voorkeursscenario naar de verschillende onderdelen van de leefomgeving. Zij geven richting aan de gewenste ontwikkeling per thema en maken duidelijk onder welke voorwaarden ruimte wordt geboden aan initiatieven.

Deze ontwikkellijnen gelden voor de gehele gemeente en vormen een belangrijk kader voor de gebiedsgerichte uitwerking. In samenhang met de ontwikkellijnen per gebiedstype bepalen zij hoe ontwikkelingen per deelgebied worden beoordeeld.

De ontwikkellijnen moeten altijd in samenhang worden toegepast. Het is de combinatie van thema’s die bepaalt wat mogelijk is en welke keuzes nodig zijn.

2.7.1 Wonen

Uit de gesprekken met inwoners blijkt dat de woningopgave één van de meest urgente thema’s is voor de toekomst van Aalten. In vrijwel alle kernen en buurtschappen wordt een tekort ervaren aan passende woningen voor starters, jongeren en ouderen. Tegelijk geven inwoners duidelijk aan dat woningbouw noodzakelijk is om de leefbaarheid en het voorzieningenniveau op peil te houden, mits deze zorgvuldig wordt ingepast en niet ten koste gaat van het karakter van de leefomgeving.

Wonen wordt in deze Omgevingsvisie nadrukkelijk gezien als een maatschappelijk goed en niet uitsluitend als een marktproduct. Het doel is om voor alle inwoners passende en betaalbare woonruimte beschikbaar te hebben, ook voor groepen die dit niet zelfstandig via de markt kunnen realiseren. Dit vraagt om solidariteit tussen verschillende groepen op de woningmarkt en om een actieve rol van de gemeente in het realiseren van voldoende betaalbare en passende woningen.

Wonen wordt daarbij niet alleen gezien als een ruimtelijke of economische opgave, maar nadrukkelijk ook als een sociale opgave. De woningbouwopgave wordt bovendien nadrukkelijk bezien in relatie tot de Achterhoek als netwerkregio, waarin verschillende kernen, dorpen en buurtschappen gezamenlijk bijdragen aan leefbaarheid, voorzieningen, bereikbaarheid en brede welvaart. Passende woningbouw draagt daarmee niet alleen bij aan de lokale woonbehoefte, maar ook aan het functioneren van de regio als geheel. De beschikbaarheid van passende woningen bepaalt mede of jongeren kunnen blijven wonen, ouderen onderdeel kunnen blijven van hun gemeenschap en voorzieningen en verenigingen voldoende draagvlak behouden.

Binnen de woningmarkt wordt nadrukkelijk gekeken naar de balans tussen generaties. Jongeren en starters staan onder druk en hebben moeite om passende woonruimte te vinden. Tegelijk wordt van andere groepen, waar mogelijk, een bijdrage gevraagd aan doorstroming, bijvoorbeeld door het beschikbaar maken van woningen of het verhuizen naar passende woonvormen.

De gemeente Aalten zet richting 2040 in op een geleidelijke en evenwichtige toevoeging van woningen, waarbij wordt aangesloten bij de behoefte van verschillende doelgroepen en bij de gewenste ontwikkeling van de leefomgeving. Concreet betekent dit dat in de periode tot 2040 circa 1.350 nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de gemeente Aalten. Daarvan zijn circa 900 woningen voorzien in de periode 2026–2035. Daarmee is aangesloten op de regionale woondeal en het Volkshuisvestingsprogramma van de gemeente Aalten. Voor een belangrijk deel van deze woningbouwopgave zijn inmiddels al concrete plannen, locaties en gebiedsontwikkelingen in voorbereiding, uitvoering of verdere planvorming.

Het gaat daarbij onder andere om grotere woningbouwontwikkelingen in Aalten, Dinxperlo en Bredevoort, maar ook om kleinschaliger ontwikkelingen in buurtschappen en het buitengebied. Voorbeelden hiervan zijn onder andere woningbouwlocaties zoals ’t Beggelder in Dinxperlo, de ontwikkeling rond de Slingeplas in Bredevoort, verschillende inbreidingslocaties in Aalten en kleinschalige uitbreidingen in buurtschappen zoals Lintelo, Barlo, IJzerlo en De Haart. Daarnaast bestaan kansen voor woningbouw via functieverandering, herstructurering en de herontwikkeling van maatschappelijk vastgoed.

Daarmee is de woningbouwopgave richting 2035 niet alleen een beleidsmatige ambitie, maar voor een belangrijk deel ook al concreet ruimtelijk vertaald. De exacte uitwerking, fasering en programmering van locaties blijft daarbij afhankelijk van de verdere planvorming, de ontwikkeling van de woningbehoefte, de beschikbare infrastructuur en de integrale afweging van belangen binnen de leefomgeving.

Voor de periode 2035–2040 wordt voorlopig uitgegaan van circa 450 aanvullende woningen binnen de gemeente Aalten. De exacte invulling en verdeling van deze aanvullende woningbouwopgave wordt in de komende jaren nader bepaald, mede op basis van de ontwikkeling van de woningbehoefte, de voortgang van de woningbouwproductie en de leefbaarheidsopgaven binnen de gemeente. Daarbij wordt vooralsnog aangesloten bij het uitgangspunt uit het Volkshuisvestingsprogramma om de aanvullende woningbouwopgave in eerste instantie evenredig naar rato van het aantal inwoners over de verschillende kernen en deelgebieden van de gemeente te verdelen. 

Tegelijk blijft in het vervolgproces nadrukkelijk ruimte bestaan voor maatwerk op basis van actuele woningbehoefte, leefbaarheid, voorzieningen, bevolkingssamenstelling, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur. De gemeente stuurt daarbij nadrukkelijk op een evenwichtige woningvoorraad. Uiterlijk in 2035 is sprake van een betere balans tussen vraag en aanbod, met een duidelijke toename van het aantal woningen voor starters, jongeren en ouderen. Minimaal twee derde van de nieuwbouw bestaat uit betaalbare woningen. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van de doorstroming op de woningmarkt, zodat inwoners in alle levensfasen binnen de gemeente passende woonruimte kunnen vinden.

Daarnaast wordt bij woningbouw nadrukkelijk rekening gehouden met de beschikbaarheid en capaciteit van infrastructuur, waaronder energie, water en riolering. In met name het buitengebied geldt dat niet overal een rioolaansluiting aanwezig is of voldoende capaciteit beschikbaar is. Ook de capaciteit van het elektriciteitsnet vormt een belangrijke randvoorwaarde voor verdere ontwikkeling. Nieuwe woningen zijn alleen mogelijk wanneer de benodigde infrastructuur op een duurzame en toekomstbestendige manier kan worden gerealiseerd of tijdig beschikbaar is. De beschikbaarheid van infrastructuur bepaalt daarmee mede de fasering, prioritering en uitvoerbaarheid van woningbouwontwikkelingen.

De eerste fase van de woningbouwopgave wordt hoofdzakelijk ingevuld binnen de bestaande kernen Aalten, Dinxperlo en Bredevoort, aangevuld met reeds in voorbereiding en uitvoering zijnde uitbreidingslocaties bij kleinere kernen en dorpen. Daarbij hebben inbreiding, hergebruik en transformatie van bestaande locaties voorrang, maar wordt steeds een integrale afweging gemaakt met andere ruimtevragende functies zoals groen, water, energie-infrastructuur en bereikbaarheid. Waar nodig vindt beperkte en zorgvuldig ingepaste uitbreiding plaats.

In sommige kernen, met name Dinxperlo, ligt de opgave niet alleen in het toevoegen van woningen, maar ook in het doorbreken van stagnatie in de ontwikkeling van de gebouwde omgeving. Hier wordt woningbouw nadrukkelijk ingezet als middel om herstructurering en kwaliteitsverbetering op gang te brengen.

Voor de tweede fase van de woningbouwopgave, in de periode 2035–2040, wordt aanvullend gekeken naar mogelijkheden voor woningbouw in zowel de grotere kernen als het buitengebied en de buurtschappen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de ontwikkeling van de woningbehoefte, de voortgang van de woningbouwproductie, de leefbaarheidsopgaven en de aanwezigheid van voorzieningen in de verschillende deelgebieden. Daarbij geldt nadrukkelijk dat de hoofdkernen ook na 2035 een belangrijke rol blijven vervullen in de woningbouwopgave van de gemeente.

Deze benadering komt voort uit de constatering dat de leefbaarheid in delen van de gemeente onder druk staat door vergrijzing, het vertrek van jongeren en het afnemen van het draagvlak voor voorzieningen en gemeenschap. Tegelijk vormen zowel de kernen als het buitengebied belangrijke dragers van de identiteit van Aalten.

Door op beperkte en zorgvuldig ingepaste schaal woningen toe te voegen in verschillende deelgebieden van de gemeente, kan beter worden voorzien in de woningbehoefte en kan de bevolkingssamenstelling evenwichtiger worden. Welke bijdrage woningbouw levert aan sociale samenhang, voorzieningen en leefbaarheid, verschilt per gebied. Daarom wordt woningbouw verbonden met maatregelen voor ontmoeting, voorzieningen en de kwaliteit van de leefomgeving

De invulling van deze tweede fase wordt richtinggevend verdeeld over de verschillende deelgebieden van de gemeente. Deze verdeling is gebaseerd op een samenhangende afweging van de lokale woningbehoefte, de demografische opbouw, het belang van het behoud van voorzieningen en gemeenschap, de schaal en draagkracht van het gebied en de mogelijkheden voor inpassing binnen bestaande structuren. Daarnaast is rekening gehouden met de beperkingen die voortkomen uit landschap, water, natuur en energie-infrastructuur. Daarbij wordt vooralsnog aangesloten bij het uitgangspunt uit het Volkshuisvestingsprogramma om de aanvullende woningbouwopgave in eerste instantie evenredig naar rato van het aantal inwoners over de verschillende kernen en deelgebieden van de gemeente te verdelen.

De definitieve invulling en verdeling van deze aanvullende woningbouwopgave wordt in de komende jaren nader bepaald in samenhang met de ontwikkeling van de woningbehoefte, de voortgang van woningbouwplannen en het gebiedsgerichte vervolgproces.

De toevoeging van woningen in het buitengebied en de buurtschappen vindt uitsluitend plaats in de vorm van maatwerk. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande structuren en wordt ingezet op vormen zoals hergebruik van vrijkomende bebouwing, kleinschalige toevoegingen bij erven, generatie-erven en andere passende woonvormen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met milieukundige randvoorwaarden, zoals geurhinder, spuitzones en de aanwezigheid van agrarische functies. Niet iedere locatie in het buitengebied is geschikt voor woningbouw of functieverandering. Per situatie wordt beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare en toekomstbestendige woonomgeving. Waar passend kunnen rood-voor-roodregelingen en functieverandering van erven bijdragen aan de woningbouwopgave en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Grootschalige woningbouw in het buitengebied is uitgesloten.

Alle woonontwikkelingen, zowel in de kernen als in het buitengebied, worden toekomstbestendig ingericht. Dat betekent dat zij klimaatadaptief zijn, bijdragen aan biodiversiteit en rekening houden met de beschikbare energie-infrastructuur, water- en bodemsystemen en bereikbaarheid. Daarbij wordt nadrukkelijk gestuurd op het voorkomen van extra druk op bestaande knelpunten in de leefomgeving, zoals geluidhinder, verkeersveiligheid en de bereikbaarheid van voorzieningen.

De gemeente richt zich daarbij niet alleen op het realiseren van woningen, maar nadrukkelijk ook op het versterken van gemeenschappen. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij bijdragen aan een leefbare, toekomstbestendige en sociaal sterke woonomgeving en passen binnen de identiteit en schaal van de verschillende kernen en buurtschappen.

De woningopgave vraagt ook om het maken van keuzes en het doen van concessies. Niet alle woonwensen kunnen volledig worden gehonoreerd. Dit kan betekenen dat woningen compacter worden, dat ruimte efficiënter wordt gebruikt en dat nieuwe woonvormen ontstaan, zoals woningdelen, hofjes en collectieve woonvormen. De woningbouwopgave vormt daarmee niet alleen een kwantitatieve opgave, maar vooral een kwalitatieve en gebiedsgerichte opgave, waarin wonen, leefbaarheid, landschap en gemeenschap in samenhang worden ontwikkeld.

2.7.2 Voorzieningen, gezondheid en sociale leefomgeving

Inwoners geven aan dat leefbaarheid in belangrijke mate samenhangt met de mogelijkheid om elkaar te ontmoeten, activiteiten te organiseren en onderdeel te blijven van een gemeenschap. Voorzieningen spelen daarin een belangrijke rol, maar leefbaarheid gaat nadrukkelijk over méér dan alleen gebouwen of functies. Juist ontmoeting, sociale verbondenheid, welzijn en gemeenschapsvorming bepalen in hoge mate de kwaliteit van het dagelijks leven in kernen en buurtschappen

De gemeente ziet gemeenschapshuizen, Kulturhusen, verenigingen en andere ontmoetingsplekken nadrukkelijk als sociale infrastructuur van de leefomgeving. Deze voorzieningen vervullen een belangrijke rol in ontmoeting, gemeenschapsvorming, participatie, welzijn en samenredzaamheid. Juist in kleinere kernen en buurtschappen zijn zij vaak het sociale hart van de gemeenschap en dragen zij direct bij aan leefbaarheid en sociale samenhang.

Het behouden en versterken van deze sociale infrastructuur vormt daarom een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van een gezonde en toekomstbestendige gemeente. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om gebouwen of voorzieningen op zichzelf, maar vooral om hun maatschappelijke betekenis voor de gemeenschap en het dagelijks leven van inwoners.

Grotere centrumvoorzieningen, zoals middelbaar onderwijs, grootschalige detailhandel, zorgvoorzieningen en regionale functies, blijven in hoofdzaak geconcentreerd in de grotere kernen Aalten en Dinxperlo. Daarmee blijven deze kernen een belangrijke functie vervullen voor de gemeente en de regio.

Tegelijkertijd zet de gemeente nadrukkelijk in op het behouden en versterken van de sociale basis in kleinere kernen en buurtschappen. Ontmoetingsplekken, gemeenschapshuizen, verenigingen, sportvoorzieningen en andere laagdrempelige voorzieningen spelen daarbij een belangrijke rol voor leefbaarheid, gemeenschapsvorming en welzijn.

In buurtschappen wordt ingezet op maatwerk, waarbij voorzieningen, bereikbaarheid en sociale netwerken gezamenlijk bijdragen aan de leefbaarheid. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij bijdragen aan het functioneren van de gemeenschap en de toegankelijkheid van voorzieningen.

Voor buurtschappen wordt een gerichte voorzieningenstrategie ontwikkeld. Daarbij wordt gekeken hoe voorzieningen zoals scholen, dorpshuizen en ontmoetingsplekken ook bij vergrijzing en beperkte groei behouden kunnen blijven. Dit kan onder andere door multifunctioneel gebruik, ondersteuning van lokale initiatieven en gerichte investeringen in toekomstbestendige voorzieningen.

De ontwikkeling van de leefomgeving vraagt daarnaast om een verschuiving van individuele naar gezamenlijke verantwoordelijkheid. Naast formele voorzieningen wordt steeds meer ingezet op samenredzaamheid en informele netwerken, waarbij inwoners elkaar ondersteunen en bijdragen aan de leefbaarheid van hun omgeving. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op het versterken van gemeenschapsvorming en sociale cohesie. Ontmoeting, verenigingsleven, vrijwilligerswerk en lokale initiatieven vormen een belangrijke basis voor leefbaarheid en welzijn in zowel de kernen als de buurtschappen.

De leefomgeving wordt zodanig ingericht dat deze beweging, ontmoeting en gezondheid stimuleert. Groen, veilige routes en toegankelijke openbare ruimte vormen daarbij een belangrijke basis. Daarnaast streeft de gemeente ernaar dat alle inwoners uiterlijk in 2040 binnen 300 meter toegang hebben tot groen, speelruimte of verkoeling en dat de leefomgeving aantoonbaar bijdraagt aan gezondheid en welzijn.

Bij ontwikkelingen wordt nadrukkelijk gestuurd op een toegankelijke, inclusieve en kwalitatief goede leefomgeving die bijdraagt aan gezondheid, ontmoeting, sociale samenhang en het functioneren van voorzieningen. Ontwikkelingen moeten passen binnen de schaal en draagkracht van het gebied en mogen niet leiden tot een onevenredige verslechtering van de leefbaarheid of het functioneren van voorzieningen.

2.7.3 Mobiliteit

Bereikbaarheid en verkeersveiligheid worden door inwoners veelvuldig genoemd als aandachtspunten. Met name in woongebieden en buurtschappen bestaat behoefte aan lagere snelheden, veilige routes voor fietsers en voetgangers en het beperken van zwaar verkeer door woongebieden.

De gemeente ziet mobiliteit niet alleen als een verkeerskundige opgave, maar ook als een belangrijk onderdeel van leefbaarheid, gezondheid en bereikbaarheid van voorzieningen. Mobiliteit bepaalt mede of inwoners elkaar kunnen ontmoeten, zelfstandig kunnen blijven functioneren en toegang houden tot werk, zorg en voorzieningen.

Bij ruimtelijke keuzes wordt het STOMP-principe gehanteerd, waarbij prioriteit wordt gegeven aan lopen en fietsen. Tegelijk blijft de auto in een landelijke gemeente noodzakelijk.

Uiterlijk in 2030 wordt het merendeel van de wegen binnen de bebouwde kommen ingericht als 30 km/uur-gebied. De gemeente streeft ernaar het aantal verkeersslachtoffers in 2030 met minimaal 50% te reduceren ten opzichte van 2020.

Richting 2040 wordt een samenhangend, veilig en aantrekkelijk fietsnetwerk gerealiseerd tussen alle kernen en buurtschappen, zodat fietsgebruik een volwaardig alternatief vormt voor korte en middellange afstanden.

De gemeente Aalten ziet daarnaast de ontwikkeling van zelfrijdende voertuigen als een belangrijke kans voor de toekomst van mobiliteit in een landelijke gemeente. Zelfrijdende mobiliteit kan bijdragen aan het verbeteren van de bereikbaarheid van voorzieningen, met name voor ouderen en minder mobiele inwoners, en kan een belangrijke rol spelen in het verbinden van buurtschappen met de kernen.

De gemeente wil deze ontwikkeling actief volgen en waar mogelijk benutten, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor pilots en nieuwe mobiliteitsconcepten. De grensligging van gemeente Aalten biedt daarnaast kansen voor grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van mobiliteit, economie, recreatie en voorzieningen. De gemeente werkt daarbij samen met regionale en Euregio-partners aan het versterken van grensoverschrijdende verbindingen en bereikbaarheid.

De ontwikkeling van zelfrijdende voertuigen en slimme mobiliteitssystemen is nauw verbonden met digitalisering en data. In lijn met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt ingezet op een veilige, betrouwbare en toekomstbestendige digitale infrastructuur die deze vormen van mobiliteit mogelijk maakt.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt nadrukkelijk gestuurd op goede bereikbaarheid en een passende aansluiting op het mobiliteitssysteem. Daarbij wordt ook rekening gehouden met toekomstige vormen van mobiliteit, zoals zelfrijdende voertuigen en slimme mobiliteitssystemen.

2.7.4 Economie en werkgelegenheid

Inwoners onderkennen het belang van een sterke lokale economie en voldoende werkgelegenheid voor de vitaliteit van de gemeente. Tegelijk geven zij aan dat economische ontwikkeling niet ten koste mag gaan van leefkwaliteit en landschap.

De gemeente biedt ruimte aan een vitale lokale economie, passend bij de schaal en identiteit van Aalten. Economische ontwikkeling moet bijdragen aan werkgelegenheid, voorzieningen en leefbaarheid, zonder dat dit leidt tot een onaanvaardbare belasting van de leefomgeving.

De bedrijventerreinen, familiebedrijven en ondernemingen binnen gemeente Aalten vormen daarnaast nadrukkelijk onderdeel van de sterke economische structuur van de Achterhoek. De gemeente levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de regionale maakindustrie, innovatiekracht, werkgelegenheid en brede welvaart binnen de regio. Lokale bedrijvigheid draagt niet alleen bij aan economische vitaliteit, maar ook aan leefbaarheid, voorzieningen en de kwaliteit van de leefomgeving.

Gemeente Aalten hanteert voor toerisme en recreatie het principe van “waardevol toerisme”. Dit betekent dat toeristische ontwikkeling niet gericht is op maximale groei, maar op een optimale ontwikkeling die past binnen de draagkracht van landschap, natuur, voorzieningen en leefomgeving. De gemeente ziet toerisme daarbij nadrukkelijk niet alleen als economische sector, maar ook als middel om leefbaarheid, voorzieningen, cultuur, recreatieve kwaliteit en bewonersprofijt te versterken. Ontwikkelingen moeten daarom niet alleen bijdragen aan bezoekersaantallen, maar juist ook aan de kwaliteit van de leefomgeving voor inwoners en aan het functioneren van gemeenschappen.

Ontwikkelingen moeten bijdragen aan deze doelen en passen bij de schaal, identiteit en kwaliteit van Aalten. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met recreatieve druk op landschap, natuur en leefomgeving. In kwetsbare gebieden wordt terughoudend omgegaan met nieuwe recreatieve ontwikkelingen en wordt gestuurd op spreiding, kleinschaligheid en kwaliteit.

De gemeente biedt ruimte voor gematigde groei van kleinschalige verblijfsrecreatie, zoals bed & breakfasts, kleinschalige recreatieverblijven, minicampings en vormen van agrotoerisme. Nieuwe minicampings kunnen daarbij onder voorwaarden bijdragen aan een toekomstbestendig buitengebied, aanvullende inkomsten voor agrarische bedrijven en versterking van recreatieve kwaliteit en beleefbaarheid van het landschap. Daarbij geldt nadrukkelijk dat ontwikkelingen landschappelijk zorgvuldig worden ingepast en bijdragen aan biodiversiteit, groenstructuren en de kwaliteit van de leefomgeving.

Deze ontwikkeling is met name gericht op het buitengebied en sluit aan bij de behoefte aan aanvullende economische dragers voor agrariërs en het versterken van de vitaliteit van het platteland.

Nieuwe initiatieven moeten aantoonbaar bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en passen bij de schaal en identiteit van de gemeente. Daarbij wordt nadrukkelijk gestuurd op kleinschaligheid, zorgvuldige landschappelijke inpassing en versterking van natuur, biodiversiteit en leefkwaliteit.

Bedrijventerreinen worden primair geherstructureerd en intensiever benut, met een koppeling aan investeringen in klimaatadaptieve inrichting, zoals het aanpakken van wateroverlast en hittestress. Uitbreiding is alleen mogelijk wanneer deze noodzakelijk is en zorgvuldig wordt ingepast.

Nieuwe economische ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij passen bij het karakter van de gemeente en geen onaanvaardbare druk leggen op milieu, verkeer en leefkwaliteit.

Bedrijfsactiviteiten zijn alleen mogelijk wanneer zij geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater en het functioneren van het afvalwatersysteem. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt beoordeeld of het afvalwater geschikt is voor verwerking in de bestaande zuiveringsinstallaties.

2.7.5 Land- en tuinbouw

Uit de gesprekken met inwoners blijkt dat het buitengebied en de landbouw een belangrijk onderdeel vormen van de identiteit van Aalten. Tegelijk wordt erkend dat de sector verandert en dat een balans nodig is tussen landbouw, natuur, water en leefkwaliteit.

De landbouwsector is en blijft een belangrijke drager van het buitengebied van de gemeente Aalten. De sector levert een essentiële bijdrage aan de voedselproductie, de lokale economie en met name ook aan het beheer en behoud van het karakteristieke agrarische cultuurlandschap.

Tegelijk staat de landbouw voor een transitie naar duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Deze ontwikkeling moet plaatsvinden in balans met natuur, water, bodem en leefkwaliteit. Niet elke ontwikkeling is overal mogelijk; de ontwikkelruimte verschilt per gebied en hangt samen met de draagkracht van het landschap en de aanwezige functies.

Daarnaast vraagt de keuze om in de periode 2035–2040 een deel van de woningbouwopgave nadrukkelijk te richten op het buitengebied om een zorgvuldige afweging in relatie tot de landbouw.

De gemeente hanteert daarom een gebiedsgerichte benadering. In sommige gebieden blijft ruimte bestaan voor agrarische ontwikkeling en modernisering, mits deze past binnen de milieukaders en bijdraagt aan een toekomstbestendige bedrijfsvoering. In andere gebieden gelden strengere voorwaarden en wordt terughoudend omgegaan met uitbreiding van agrarische activiteiten.

De gemeente stimuleert landbouw die bijdraagt aan vermindering van emissies, verbetering van biodiversiteit en versterking van bodem- en waterkwaliteit. Daarbij wordt ingezet op kringlooplandbouw, natuurinclusieve landbouw en het herstel en beheer van landschapselementen.

Bij de verduurzaming van de landbouw wordt nadrukkelijk gestuurd op het verminderen van emissies en het beperken van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij ligt de nadruk op het terugdringen van middelen met de grootste impact op milieu en gezondheid en op het stimuleren van duurzamere alternatieven en teeltsystemen.

Vrijkomende agrarische bebouwing vormt een belangrijke opgave. Hergebruik van bestaande erven heeft de voorkeur boven nieuw ruimtebeslag. Functieverandering is mogelijk, mits deze past bij de schaal en het karakter van het gebied en geen extra druk legt op landschap, verkeer, milieu en leefkwaliteit.

Kleinschalige verblijfsrecreatie en agrotoerisme vormen een belangrijke aanvullende economische drager voor een toekomstbestendig buitengebied. De gemeente biedt daarom nadrukkelijk ruimte aan passende recreatieve nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder minicampings, recreatieverblijven, streekbeleving en andere vormen van agrotoerisme, mits ontwikkelingen bijdragen aan landschappelijke kwaliteit, biodiversiteit, leefbaarheid en een vitaal platteland.

Ontwikkelingen moeten passen binnen een toekomstbestendige landbouwstructuur en bijdragen aan de kwaliteit en draagkracht van het gebied. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de balans tussen landbouw, natuur, water, landschap en leefomgeving. Ontwikkelingen die leiden tot een onevenredige aantasting van landschap, natuur, water, agrarische functies of de kwaliteit van de leefomgeving passen niet binnen de koers van deze Omgevingsvisie.

2.7.6 Natuur, landschap en biodiversiteit

Inwoners hechten grote waarde aan het landschap, de rust en de groene omgeving. Het behoud van het coulisselandschap en de biodiversiteit wordt breed gezien als een belangrijke randvoorwaarde voor toekomstige ontwikkelingen.

De gemeente zet in op behoud en versterking van natuur, landschap en biodiversiteit als basis voor de kwaliteit van de leefomgeving. Het coulisselandschap, de houtwallen, beekdalen en ecologische verbindingen vormen daarbij de kern. Ontwikkelingen worden beoordeeld op hun bijdrage aan deze kwaliteiten.

Daarbij geldt dat niet alleen wordt gekeken naar het voorkomen van schade, maar nadrukkelijk ook naar mogelijkheden om natuur en landschap te versterken. De gemeente zet in op herstel van landschapselementen en het versterken van de groenblauwe structuur.

Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan deze structuur, bijvoorbeeld door het toevoegen van groen, het herstellen van verbindingen en het verbeteren van leefgebieden voor flora en fauna. De gemeente werkt daarbij toe naar een samenhangende groenblauwe dooradering van het gehele gemeentelijke grondgebied.

De gemeente zet daarnaast in op een aanmerkelijke uitbreiding van het aantal bomen in gemeente Aalten. Meer bomen helpen hittestress en de gevolgen van klimaatverandering te beperken, dragen bij aan een betere luchtkwaliteit en versterken de biodiversiteit. Daarmee sluit de gemeente aan bij de landelijke en provinciale ambities voor uitbreiding van het bomenbestand.

Dit betekent dat groenstructuren, waterlopen, beekdalen, houtwallen, erfbeplanting, bermen, oevers en andere landschapselementen niet los van elkaar worden ontwikkeld, maar stap voor stap met elkaar worden verbonden tot één robuust netwerk. Deze groenblauwe dooradering vervult tegelijk functies voor biodiversiteit, waterberging, klimaatadaptatie, recreatieve kwaliteit, landschappelijke samenhang en de gezondheid van de leefomgeving.

Richting 2040 wordt ingezet op een aantoonbare versterking van deze groenblauwe dooradering, zowel in het buitengebied als in de kernen. Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij de bestaande groenblauwe structuur behouden of versterken/herstellen. Waar bestaande verbindingen ontbreken of verzwakt zijn, wordt bij nieuwe ontwikkelingen nadrukkelijk gezocht naar herstel en versterking.

In kwetsbare gebieden, zoals nabij natuurgebieden en in beekdalen, geldt een terughoudende benadering. Hier worden strengere eisen gesteld aan ontwikkelingen en wordt prioriteit gegeven aan natuur en water. Ook recreatieve ontwikkelingen worden beoordeeld op hun effecten op natuur, rust, donkerte en biodiversiteit. In gebieden waar de draagkracht van natuur en landschap onder druk staat, wordt terughoudend omgegaan met intensivering van recreatief gebruik.

Richting 2030 wordt ingezet op aantoonbaar herstel van biodiversiteit, met als doel bij te dragen aan het herstel van minimaal 20% van de ecosystemen. Richting 2040 en 2050 wordt dit verder uitgebreid. Binnen de gemeente wordt dit vertaald naar een meetbare toename van biodiversiteit, onder andere via uitbreiding van landschapselementen en versterking van ecologische verbindingen.

Op basis van analyses van landschappelijke kwaliteit, biodiversiteit en de samenhang van groen- en waterstructuren onderscheidt de gemeente daarnaast een aantal focusgebieden waar versterking van de groenblauwe dooradering met prioriteit wordt opgepakt:

  • a.

    Het gaat daarbij in de eerste plaats om het noordelijk deel van de gemeente, waar versterking van landschappelijke verbindingen, natuurstructuren en waterlopen nodig is om de samenhang van het landschap en de ecologische kwaliteit te verbeteren. 

  • b.

    Daarnaast ligt een belangrijk focusgebied aan de zuidwestzijde van de gemeente, met name ten noordoosten en westen van Dinxperlo. In dit gebied liggen opgaven op het gebied van biodiversiteit, landschappelijke samenhang, waterbeheer en de verbinding tussen groenstructuren, beekdalen en agrarisch landschap. 

  • c.

    Een derde focusgebied ligt aan de zuidoostzijde van de gemeente, met name in en rond De Haart. Hier vragen de samenhang tussen natuur, water, landschap en ecologische verbindingen nadrukkelijk om versterking. Daarbij speelt ook de relatie met het water- en bodemsysteem een belangrijke rol. 

In deze focusgebieden wordt de komende jaren gericht ingezet op herstel en versterking van landschapselementen, ecologische verbindingen, waterstructuren en biodiversiteit. Daarbij wordt nadrukkelijk gezocht naar koppelkansen met klimaatadaptatie, waterbeheer, recreatie, landbouwtransitie en de kwaliteit van de leefomgeving.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt verder nadrukkelijk rekening gehouden met stikstofdepositie en de nabijheid van Natura 2000-gebieden, met name in de gemeente Winterswijk. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij aantoonbaar passen binnen de geldende regelgeving en geen significant negatieve effecten hebben op beschermde natuurgebieden.

Dit betekent dat woningbouw, agrarische ontwikkeling en economische activiteiten alleen mogelijk zijn wanneer zij uitvoerbaar zijn binnen de stikstofkaders en bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van het gebied.

Bij ontwikkelingen wordt nadrukkelijk gestuurd op het behoud en de versterking van natuur, landschap, biodiversiteit en de groenblauwe dooradering. Ontwikkelingen die leiden tot een onevenredige aantasting van deze kwaliteiten passen niet binnen de koers van deze Omgevingsvisie, tenzij aantoonbaar sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en per saldo een volwaardige en gebiedseigen compensatie of kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd.

2.7.7 Water, bodem en klimaat

Klimaatverandering en de gevolgen daarvan, zoals droogte en wateroverlast, worden door inwoners herkend als groeiende opgaven. Tegelijk wordt het belang van een robuust water- en bodemsysteem steeds nadrukkelijker benoemd.

Water en bodem vormen de basis van de leefomgeving en zijn sturend voor ruimtelijke keuzes. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij passen binnen de natuurlijke kenmerken van het gebied en geen negatieve effecten hebben op het water- en bodemsysteem.

Naast bekende bodemverontreinigingen wordt rekening gehouden met nieuwe en opkomende stoffen, zoals PFAS en andere zeer zorgwekkende stoffen. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer deze geen risico vormen voor gezondheid en leefomgeving en wanneer de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Ook de rioleringsinfrastructuur vormt een belangrijk onderdeel van het water- en bodemsysteem. In gebieden waar geen riolering aanwezig is of waar de capaciteit beperkt is, moeten bij nieuwe ontwikkelingen passende oplossingen worden gerealiseerd, zoals uitbreiding van het rioolstelsel of toepassing van individuele of kleinschalige systemen voor afvalwaterbehandeling. Ontwikkelingen zijn alleen uitvoerbaar wanneer de afvoer en verwerking van afvalwater duurzaam en verantwoord kan worden geregeld en wanneer de benodigde infrastructuur tijdig beschikbaar is.

De gemeente werkt toe naar het behalen van de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit betekent dat de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt verbeterd en beschermd. Uiterlijk in 2027 voldoen oppervlaktewateren aan de normen van de Kaderrichtlijn Water. Richting 2050 wordt toegewerkt naar een volledig klimaatbestendig watersysteem, waarin wateroverlast, droogte en hittestress beheersbaar zijn. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij geen verslechtering veroorzaken van de waterkwaliteit en waar mogelijk bijdragen aan verbetering.

De gemeente zet in op een klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving. Dit betekent dat water wordt vastgehouden, geborgen en vertraagd afgevoerd en dat functies worden afgestemd op de draagkracht van de bodem. Daarbij wordt de samenhang tussen water, bodem, natuur en groen nadrukkelijk benut.

Wateropgaven worden waar mogelijk gekoppeld aan de versterking van natuur, landschap en de groenblauwe dooradering. Beekdalen, sloten, oevers, wadi’s, groenstroken en andere laagten in het systeem worden niet alleen gezien als technische waterstructuren, maar als onderdelen van een samenhangend raamwerk voor klimaatadaptatie en leefomgevingskwaliteit.

De gemeente streeft ernaar om uiterlijk in 2050 minimaal 70% van het verhard oppervlak af te koppelen van het riool en lokaal te infiltreren of te bergen. Daarbij wordt nadrukkelijk gestuurd op een goede balans tussen het vasthouden van water in droge perioden en het voorkomen van wateroverlast bij piekbuien. Maatregelen worden zodanig ontworpen dat zij bijdragen aan beide opgaven.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met droogte, wateroverlast en hittestress. In zowel bestaande als nieuwe situaties wordt ingezet op vergroening, waterberging en het verminderen van verhard oppervlak.

Daarnaast wordt rekening gehouden met regionale wateroverlast, waarbij water afkomstig uit hogere of omliggende gebieden invloed kan hebben op de gemeente Aalten. Dit vraagt om afstemming met het waterschap en omliggende gemeenten.

Beekdalen en lage gebieden krijgen meer ruimte voor water. In deze gebieden worden functies afgestemd op het watersysteem en wordt terughoudend omgegaan met nieuwe ontwikkelingen.

De inzameling en verwerking van stedelijk afvalwater vormt een essentiële randvoorwaarde voor een gezonde leefomgeving. De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling van afvalwater en werkt hierin nauw samen met het waterschap, dat verantwoordelijk is voor de zuivering. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer de afvoer en verwerking van afvalwater op een duurzame en toekomstbestendige manier kan worden geregeld en wanneer deze passen binnen de capaciteit van het bestaande systeem.

De kwaliteit van het oppervlaktewater (KRW) en de werking van het afvalwatersysteem zijn direct met elkaar verbonden. Het beperken van vervuiling bij de bron en het zorgvuldig omgaan met afvalwater dragen bij aan het behalen van de doelen voor waterkwaliteit.

Bij ontwikkelingen wordt gestuurd op een robuust en klimaatbestendig water- en bodemsysteem. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan een duurzame inrichting van de leefomgeving en mogen niet leiden tot een onevenredige verslechtering van water-, bodem- en klimaatsystemen.

2.7.8 Energie en klimaat

Inwoners erkennen het belang van de energietransitie en zijn bereid hieraan bij te dragen. Er is breed draagvlak voor energiebesparing, het verduurzamen van woningen en kleinschalige vormen van duurzame energieopwekking. Tegelijk bestaat terughoudendheid ten aanzien van grootschalige energieopwekking die leidt tot aantasting van landschap, natuur, leefkwaliteit of de identiteit van de gemeente. De voorkeur gaat uit naar oplossingen die passen bij de schaal en het karakter van Aalten.

De gemeente Aalten werkt toe naar een klimaatneutrale en energie-efficiënte leefomgeving. Uiterlijk in 2050 is Aalten energieneutraal en aardgasvrij en wordt alle energie duurzaam opgewekt. Richting 2030 wordt ingezet op een reductie van de CO₂-uitstoot met minimaal 55% ten opzichte van 1990.

Energiebesparing vormt de eerste stap in de energietransitie. De bestaande woningvoorraad wordt stapsgewijs verduurzaamd en nieuwe ontwikkelingen worden aardgasvrij gerealiseerd. Daarbij wordt ingezet op energie-efficiënte oplossingen, isolatie, duurzame warmtevoorzieningen en het beperken van energieverbruik.

De warmtetransitie wordt gebiedsgericht en gefaseerd uitgevoerd. De manier waarop woningen en gebouwen aardgasvrij worden gemaakt verschilt per kern, buurtschap en type bebouwing. De gemeente kiest daarbij voor oplossingen die passen bij de schaal van Aalten, de beschikbare infrastructuur, de betaalbaarheid voor inwoners en de kwaliteit van de leefomgeving.

Uiterlijk in 2050 zijn alle woningen en gebouwen in de gemeente aardgasvrij. In de periode tot 2030 ligt de nadruk op energiebesparing en de toepassing van hybride en individuele duurzame oplossingen, zodat de overstap naar aardgasvrij gefaseerd en uitvoerbaar kan plaatsvinden.

Duurzame energie wordt gerealiseerd op een manier die past bij het karakter en de schaal van de gemeente. De gemeente geeft prioriteit aan energiebesparing, zon op daken, kleinschalige opwekking, energieopslag, slimme energiesystemen en lokale energiegemeenschappen.

De gemeente erkent dat windenergie onderdeel uitmaakt van het bestaande energiesysteem binnen de gemeente Aalten. Bestaande voorzieningen, zoals windpark Hagenwind, leveren daarbij een bijdrage aan de duurzame energievoorziening binnen de gemeente.

Voor nieuwe grootschalige energieopwekking in het landschap geldt een terughoudende en zorgvuldig afwegende benadering. De gemeente houdt rekening met de Regionale Energiestrategie (RES) Achterhoek en de regionale aanvulling op het PlanMER Windbeleid en RES Gelderland, waarin zoekgebieden voor windenergie zijn onderzocht. De daarin opgenomen zoekgebieden vormen nadrukkelijk géén automatische ontwikkellocaties voor windenergie.

Per locatie moet steeds opnieuw een integrale gebiedsgerichte afweging plaatsvinden, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met:

  • landschap en landschappelijke samenhang;

  • natuur en biodiversiteit;

  • vogelgevoeligheid;

  • cultuurhistorie;

  • gezondheid;

  • leefbaarheid;

  • veiligheid;

  • water en bodem;

  • agrarische functies;

  • maatschappelijke meerwaarde;

  • lokaal eigenaarschap en participatie;

  • en beschikbare netcapaciteit.

 

Juist in grote delen van het buitengebied van gemeente Aalten komen kwetsbare landschappen, natuurstructuren, cultuurhistorische waarden, water- en bodemsystemen en leefbaarheidsopgaven samen. Deze kwaliteiten vormen belangrijke randvoorwaarden voor eventuele nieuwe ontwikkelingen op het gebied van energieopwekking.

De gemeente erkent daarnaast dat de energietransitie ruimtelijke impact heeft. Ontwikkelingen worden daarom niet beoordeeld op het volledig voorkomen van ruimtelijke effecten, maar op de vraag of deze effecten zorgvuldig, aanvaardbaar en gebiedsgericht worden ingepast in relatie tot landschap, natuur, gezondheid, leefomgeving en maatschappelijke meerwaarde.

Ook de beschikbare energie-infrastructuur vormt een belangrijke randvoorwaarde voor ruimtelijke ontwikkeling. De capaciteit van het elektriciteitsnet is beperkt en bepaalt mede waar en wanneer ontwikkelingen mogelijk zijn.

Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de beschikbare netcapaciteit of binnen een realistisch en uitvoerbaar perspectief op uitbreiding daarvan. Hiermee wordt voorkomen dat ontwikkelingen leiden tot onuitvoerbare situaties of extra druk op het energiesysteem. De beschikbaarheid van energie-infrastructuur bepaalt daarmee mede de fasering, prioritering en uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente.

De gemeente zet daarnaast in op slimme energiesystemen, flexibiliteit in vraag en aanbod, congestiemanagement en lokale afstemming tussen opwek, opslag en verbruik. Waar mogelijk worden ontwikkelingen gekoppeld aan energiegemeenschappen en lokale energiesystemen, zodat beschikbare netcapaciteit efficiënter wordt benut en het energiesysteem robuuster en toekomstbestendiger wordt ingericht.

Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij passen binnen de draagkracht van het energiesysteem en zorgvuldig worden ingepast in landschap en leefomgeving. Daarbij vormen natuur, landschap, cultuurhistorie, gezondheid, leefbaarheid, veiligheid, water, bodem en beschikbare infrastructuur richtinggevende randvoorwaarden voor de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen.

2.7.9 Circulariteit

Inwoners geven aan duurzaamheid belangrijk te vinden en dragen zelf actief bij, bijvoorbeeld door afval te scheiden en energie te besparen. Er is breed draagvlak voor verdere stappen richting een circulaire economie.

De gemeente zet in op een circulaire leefomgeving waarin grondstoffen zo lang mogelijk worden hergebruikt en afval tot een minimum wordt beperkt.

De gemeente streeft ernaar om het gebruik van primaire grondstoffen in 2030 met 50% te verminderen ten opzichte van 2018 en om uiterlijk in 2050 volledig circulair te zijn.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt circulair bouwen gestimuleerd. Dit betekent dat gebruik wordt gemaakt van herbruikbare en biobased materialen en dat gebouwen worden ontworpen met het oog op toekomstig hergebruik.

De gemeente zet er daarbij op in om circulair bouwen richting 2030 zoveel mogelijk als uitgangspunt toe te passen bij gemeentelijke projecten en nieuwe gebiedsontwikkelingen. Daarbij wordt gestreefd naar een toenemend gebruik van herbruikbare, losmaakbare en biobased materialen en naar het stimuleren van hergebruik van bestaande gebouwen en bouwmaterialen. Bij particuliere ontwikkelingen en projecten van marktpartijen wordt circulair bouwen actief gestimuleerd en waar mogelijk meegenomen in aanbesteding, samenwerking en planvorming.

Ook in de landbouw en bedrijvigheid wordt ingezet op het sluiten van kringlopen en het hergebruik van reststromen. Dit draagt bij aan een efficiënter gebruik van grondstoffen en een vermindering van milieubelasting.

Daarnaast wordt ingezet op een substantiële vermindering van de hoeveelheid restafval per inwoner richting 2030 en verdere minimalisatie richting 2050.

Bij ontwikkelingen wordt gestuurd op zorgvuldig gebruik van grondstoffen, hergebruik van materialen en het versterken van een circulaire economie. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving.

2.7.10 Milieu en emissies

Inwoners ervaren op onderdelen hinder van geluid, geur en luchtkwaliteit en geven aan dat verbetering van de milieukwaliteit belangrijk is voor de leefomgeving.

De gemeente zet in op verbetering van de milieukwaliteit, met nadruk op luchtkwaliteit, geluid en geur, onder andere door bronmaatregelen en het beperken van emissies.

Geurhinder vormt een belangrijk onderdeel van de leefkwaliteit en wordt betrokken bij de beoordeling van ontwikkelingen. Met name in het buitengebied, waar landbouw en wonen samenkomen, is het van belang om een goede balans te vinden tussen agrarische activiteiten en een gezonde leefomgeving.

Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij geen onaanvaardbare geurhinder veroorzaken en passen binnen de geldende normen en de gewenste leefkwaliteit.

De gemeente streeft naar een leefomgeving waarin de luchtkwaliteit en geluidsbelasting voldoen aan de geldende normen en waar mogelijk aansluiten bij de strengere advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Ontwikkelingen moeten aantoonbaar passen binnen de gewenste milieukwaliteit en bijdragen aan een gezonde leefomgeving.

Gemeente Aalten is aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord en zet zich in voor verdere verbetering van de luchtkwaliteit. Dit betekent onder andere aandacht voor emissies vanuit verkeer, landbouw en houtstook.

Ontwikkelingen zijn daarnaast alleen mogelijk wanneer zij voldoen aan de geldende normen en geen onaanvaardbare hinder veroorzaken. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar afzonderlijke effecten, maar ook naar de optelsom van milieubelasting.

Op locaties waar meerdere vormen van belasting samenkomen, wordt terughoudend omgegaan met nieuwe ontwikkelingen. Ontwikkelingen moeten passen binnen de gewenste 

milieukwaliteit en mogen niet leiden tot een onevenredige verslechtering van luchtkwaliteit, geluidssituatie, geurbelasting of leefkwaliteit.

2.7.11 Veiligheid

De gemeente Aalten zet in op een veilige leefomgeving, waarin inwoners beschermd zijn tegen risico’s en waarin zij zich ook daadwerkelijk veilig voelen. Veiligheid wordt daarbij breed benaderd als omgevingsveiligheid en omvat zowel fysieke veiligheid, sociale veiligheid als de weerbaarheid van de samenleving. Veiligheid wordt daarbij niet alleen benaderd vanuit risico’s en regelgeving, maar ook vanuit leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte. Een veilige leefomgeving vraagt om overzichtelijke, toegankelijke en sociaal veilige gebieden waarin ontmoeting en sociale controle worden gestimuleerd.

Onder omgevingsveiligheid wordt verstaan het geheel van risico’s dat samenhangt met de fysieke leefomgeving, zoals risico’s van bedrijven, transport van gevaarlijke stoffen, energie-infrastructuur, klimaatrisico’s en brand. De gemeente werkt daarbij vanuit de kernwaarden van de veiligheidsregio’s, waarbij wordt ingezet op:

  • het voorkomen van risico’s (preventie);

  • het beperken van effecten (mitigatie);

  • en het vergroten van de zelfredzaamheid van inwoners.

 

De gemeente stelt als ambitie dat nieuwe zeer kwetsbare functies, zoals zorginstellingen, scholen en woningen voor minder zelfredzame groepen, niet worden gerealiseerd in aandachtsgebieden waar sprake is van verhoogde risico’s.

De gemeente werkt toe naar een structurele verbetering van de omgevingsveiligheid, onder andere door het verminderen van verkeersslachtoffers, het beperken van risico’s in de leefomgeving en het voldoen aan nationale normen voor waterveiligheid richting 2050.

Bij fysieke veiligheid gaat het om risico’s zoals verkeer, bedrijven en transport van gevaarlijke stoffen. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij passen binnen de geldende veiligheidsnormen en geen onaanvaardbare risico’s opleveren.Onder risicovolle activiteiten worden in ieder geval activiteiten verstaan zoals bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waaronder opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen en bepaalde industriële activiteiten. Ook wordt rekening gehouden met nieuwe risico’s, zoals energieopslagsystemen en andere vormen van energie-infrastructuur.

Onder veiligheid wordt nadrukkelijk ook waterveiligheid verstaan. Dit betreft zowel bescherming tegen overstromingen als het beperken van risico’s bij extreme neerslag en wateroverlast. De gemeente houdt bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening met overstromingsrisico’s en zet in op het vergroten van de zelfredzaamheid van inwoners bij watercalamiteiten.

Daarnaast wordt ingezet op sociale veiligheid. De inrichting van de openbare ruimte draagt bij aan overzichtelijkheid, ontmoeting en sociale controle.

Nieuwe ontwikkelingen worden integraal beoordeeld op veiligheid, waarbij ook aandacht is voor nieuwe risico’s zoals klimaatverandering en digitale kwetsbaarheid. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan maatschappelijke ontwrichting en ondermijnende effecten die de veiligheid en leefbaarheid van gebieden kunnen aantasten. De gemeente werkt samen met partners aan een weerbare en veilige leefomgeving waarin risico’s tijdig worden gesignaleerd en beperkt.

Bij ontwikkelingen wordt gestuurd op een veilige en weerbare leefomgeving. Ontwikkelingen moeten passen binnen de veiligheidsdoelen van deze Omgevingsvisie en mogen niet leiden tot onaanvaardbare risico’s of een verslechtering van de veiligheid en leefbaarheid van het gebied.

2.7.12 Cultureel erfgoed en identiteit

Inwoners zijn trots op de historie en identiteit van hun omgeving en hechten waarde aan het behoud van cultureel erfgoed en karakteristieke structuren.

De gemeente zet in op het behoud en de versterking van cultureel erfgoed en identiteit als dragers van ruimtelijke kwaliteit. Historische structuren, monumenten en karakteristieke landschappen worden beschermd en waar mogelijk versterkt. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen bij de schaal, structuur en geschiedenis van het gebied.

Herbestemming van erfgoed wordt gestimuleerd, zodat gebouwen behouden blijven en een nieuwe functie krijgen.

De gemeente zet daarnaast in op het actief zichtbaar en beleefbaar maken van erfgoed. Dit betekent dat niet alleen wordt beschermd, maar ook wordt gewerkt aan herstel, accentuering en herinterpretatie van historische structuren, zoals oude waterlopen, vestingwerken en landschapselementen.

Onder cultureel erfgoed wordt nadrukkelijk ook archeologie verstaan. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem (het bodemarchief). Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer archeologische waarden worden behouden, onderzocht of – indien noodzakelijk – zorgvuldig worden veiliggesteld.

Daarnaast wordt nadrukkelijk gekeken naar kansen om archeologische waarden zichtbaar en beleefbaar te maken als onderdeel van de identiteit van Aalten.

Erfgoed wordt daarbij nadrukkelijk ingezet als middel om de identiteit te versterken, de leefbaarheid te vergroten en bij te dragen aan toerisme, klimaatadaptatie en sociale samenhang.

Ontwikkelingen moeten zorgvuldig omgaan met cultuurhistorische waarden, archeologie en karakteristieke structuren en bijdragen aan het behoud en de versterking van de identiteit van Aalten.

2.7.13 Digitale infrastructuur

Digitalisering speelt een steeds grotere rol in het dagelijks leven van inwoners. Werk, zorg, onderwijs, mobiliteit en dienstverlening zijn in toenemende mate afhankelijk van goede digitale verbindingen. In een landelijke gemeente als Aalten draagt digitale bereikbaarheid daarmee direct bij aan leefbaarheid, zelfstandigheid en het functioneren van gemeenschappen.

De digitale infrastructuur vormt, in lijn met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), een essentiële basisvoorziening voor de leefomgeving. Toegang tot snel, betrouwbaar en veilig internet is noodzakelijk voor wonen, werken, zorg, onderwijs en mobiliteit.

In een landelijke gemeente als Aalten is dit van extra belang, omdat fysieke afstanden groter zijn en digitale oplossingen een belangrijke rol spelen in het bereikbaar houden van voorzieningen.

De gemeente zet in op volledige dekking van snel en betrouwbaar internet in zowel de kernen als het buitengebied. Digitale bereikbaarheid wordt daarbij gezien als een basisvoorziening. Uiterlijk in 2030 beschikken alle huishoudens en bedrijven binnen de gemeente over toegang tot snel en betrouwbaar internet op minimaal gigabitniveau.

Daarnaast wordt digitalisering ingezet om de leefomgeving te verbeteren, bijvoorbeeld op het gebied van mobiliteit, energie en dienstverlening.

Tegelijkertijd vraagt de toenemende digitalisering om aandacht voor digitale veiligheid, weerbaarheid en autonomie. De gemeente houdt rekening met risico’s zoals storingen, cyberaanvallen en afhankelijkheid van digitale systemen.

Dit betekent dat bij nieuwe ontwikkelingen ook wordt gekeken naar de robuustheid van systemen, de beschikbaarheid van noodvoorzieningen en – waar nodig – het behoud van analoge alternatieven.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met een toekomstbestendige, veilige en betrouwbare digitale infrastructuur. 

2.7.14 Ruimtelijke inrichting

Uit de gesprekken met inwoners blijkt dat er breed besef is dat de ruimte schaars is en dat niet alles overal kan. Tegelijk verwachten inwoners dat keuzes zorgvuldig worden gemaakt en dat kwaliteit voorop staat.

De gemeente gaat zorgvuldig om met de beschikbare ruimte. In Aalten is de ruimte schaars en er liggen veel opgaven die om dezelfde ruimte vragen.

Ontwikkelingen worden daarom integraal afgewogen en zijn alleen mogelijk wanneer zij passen binnen de beschikbare ruimte en bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de samenhang tussen functies en naar de effecten op de omgeving als geheel.

Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot versnippering van functies, verrommeling van het landschap of afwenteling van problemen op andere gebieden of toekomstige generaties.

Water en bodem zijn sturend bij ruimtelijke keuzes. Dit betekent dat functies worden afgestemd op de natuurlijke omstandigheden en dat ontwikkelingen alleen plaatsvinden op locaties die daarvoor geschikt zijn. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de energietransitie. Nieuwe energievoorzieningen en eventuele locaties voor duurzame energieopwekking worden integraal afgewogen in relatie tot landschap, natuur, cultuurhistorie, leefbaarheid, gezondheid, water, bodem en beschikbare energie-infrastructuur.

Daarnaast geldt dat de groenblauwe structuur richtinggevend is voor de ruimtelijke inrichting. Nieuwe ontwikkelingen worden zodanig vormgegeven dat zij aansluiten op bestaande groen- en waterstructuren en bijdragen aan de versterking daarvan. Daarmee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot versnippering van groen, verlies aan samenhang of extra druk op kwetsbare systemen.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de kwaliteit van afstromend water. Regenwater dat afstroomt van verhard oppervlak wordt waar mogelijk eerst lokaal geïnfiltreerd of gezuiverd, bijvoorbeeld via bodempassages of andere voorzieningen, voordat het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater.

Voor kleinschalige verblijfsrecreatie gelden aanvullende ruimtelijke voorwaarden. Ontwikkelingen moeten aantoonbaar bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit en passen binnen de bestaande erfstructuur.

Uitbreiding van bebouwing is alleen mogelijk wanneer deze wordt gecompenseerd door kwaliteitsverbetering van het landschap en wanneer het totale ruimtebeslag beperkt blijft. De gemeente hanteert hierbij het uitgangspunt dat nieuwe functies zoveel mogelijk worden gerealiseerd binnen bestaande bebouwing of bestaande erven.

Bij ontwikkelingen wordt gestuurd op zorgvuldig ruimtegebruik, versterking van de kwaliteit van de leefomgeving en het behouden van samenhang tussen functies. Ontwikkelingen moeten passen binnen de beschikbare ruimte en bijdragen aan een evenwichtige en toekomstbestendige inrichting van de leefomgeving.

 

De ontwikkellijnen per thema vormen, samen met de ontwikkellijnen per gebiedstype, het inhoudelijke kader voor de ontwikkeling van de leefomgeving. Zij moeten in alle deelgebieden van gemeente Aalten in samenhang worden toegepast.

In de gebiedsgerichte uitwerking in deel 4 wordt per deelgebied expliciet de optelsom gemaakt van deze ontwikkellijnen, de gebiedskenmerken, de knelpunten en de wensen van inwoners. Op dat niveau wordt concreet gemaakt welke ontwikkelingen mogelijk zijn, waar beperkingen gelden en welke keuzes worden gemaakt.

Daarmee vormen deze ontwikkellijnen de directe basis voor het toetsingskader en de beoordeling van initiatieven.

2.8 Ontwikkellijnen per gebiedstype

Naast de thematische ontwikkellijnen wordt de ontwikkeling van de leefomgeving bepaald door het type gebied. Verschillen in functies, schaal, karakter en gebruik maken dat niet elke ontwikkeling overal op dezelfde manier passend is. Dit betekent concreet dat eenzelfde initiatief in verschillende typen gebieden tot een andere afweging kan leiden.

De gebiedstype-georiënteerde ontwikkellijnen geven hiervoor het kader en zorgen ervoor dat keuzes niet willekeurig zijn, maar voortkomen uit een consistente toepassing van de thematische ontwikkellijnen. De gebiedstype-georiënteerde ontwikkellijnen geven aan hoe de thematische ontwikkellijnen in verschillende typen gebieden moeten worden toegepast. Zij vormen daarmee een schakel tussen de algemene beleidsrichting en de concrete uitwerking per deelgebied.

Door deze benadering wordt geborgd dat vergelijkbare gebieden op een consistente manier worden beoordeeld, terwijl tegelijkertijd ruimte blijft voor maatwerk bij de uitwerking per deelgebied.

2.8.1 Centra van Aalten, Dinxperlo en Bredevoort

De centra vormen het hart van het dagelijks leven. Hier komen wonen, voorzieningen, ontmoeten en economie samen. De ontwikkeling van centra is gericht op functiemenging, levendigheid en verblijfskwaliteit. De openbare ruimte wordt aantrekkelijker ingericht, met meer ruimte voor voetgangers, fietsers en ontmoeting.

Voorzieningen worden hier geconcentreerd en waar mogelijk versterkt. Leegstand wordt tegengegaan door hergebruik, gecombineerd gebruik en eventueel functieverandering. Bij (her)bestemming van ruimten boven winkels e.d. tot ‘wonen’ worden strenge parkeereisen gesteld; parkeren in voorkomende gevallen buiten het (winkel)centrum.

Ontwikkelingen moeten bijdragen aan een levendig centrum, het behoud van voorzieningen en een aantrekkelijke openbare ruimte.

2.8.2 Woongebieden

Woongebieden zijn primair gericht op leefbaarheid, veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving. De openbare ruimte wordt ingericht als verblijfsgebied, met ruimte voor groen, spelen en ontmoeting. Verkeer is ondergeschikt aan leefkwaliteit en wordt afgestemd op lage snelheden. Ontwikkelingen richten zich op verbetering en verduurzaming van bestaande wijken, onder andere door vergroening, klimaatadaptatie en woningaanpassing. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke woonomgeving.

2.8.3 Woningbouwlocaties

Nieuwe woningbouw vindt plaats binnen en aansluitend aan de bestaande kernen. Inbreiding en hergebruik hebben voorrang, met dien verstande dat in kernen ook rekening moet worden gehouden met andere functies die (vaak) ook om ruimte vragen, zoals infrastructuur, groen en waterberging(en). Uitbreiding is alleen mogelijk wanneer ‘binnenstedelijke’ mogelijkheden onvoldoende zijn en wanneer zorgvuldig wordt ingepast.

Nieuwe woongebieden worden groen en klimaatadaptief ingericht en sluiten aan op het bestaande dorp en het landschap. Ook bij een grotere woningbouwlocatie wordt in de opzet en inrichting aangesloten bij de dorpse schaal en de kwaliteiten van de omgeving.

Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij bijdragen aan de woningbouwopgave en passen binnen de randvoorwaarden van water, bodem, energie, infrastructuur en hittestress in de directe omgeving.

2.8.4 Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen zijn de belangrijkste locaties voor economische ontwikkeling en werkgelegenheid. De ontwikkeling richt zich op herstructurering, intensiever gebruik en verduurzaming van bestaande terreinen. Uitbreiding is alleen mogelijk wanneer deze noodzakelijk is en zorgvuldig wordt ingepast. De ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen wordt verbeterd, onder andere door vergroening en betere inpassing.

Ontwikkelingen moeten bijdragen aan een toekomstbestendige economie en mogen geen onevenredige druk leggen op de leefomgeving.

2.8.5 Buitengebied

Het buitengebied blijft overwegend groen en agrarisch. De ontwikkelruimte wordt bepaald door een gebiedsgerichte benadering. In sommige gebieden is ruimte voor agrarische ontwikkeling, terwijl in andere delen meer nadruk ligt op natuur, water en leefkwaliteit.

Nieuwe ontwikkelingen, waaronder woningbouw, moeten passen binnen de agrarische structuur en bijdragen aan de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving.

De ontwikkelruimte voor verblijfsrecreatie verschilt per gebied en wordt gebiedsgericht bepaald. In gebieden met hoge landschappelijke of ecologische waarde geldt een terughoudende benadering. In andere delen van het buitengebied kan onder voorwaarden ruimte worden geboden voor kleinschalige recreatieve ontwikkeling. De gemeente ziet kleinschalige recreatie en agrotoerisme daarbij nadrukkelijk als kans om de vitaliteit van het buitengebied te versterken en aanvullende economische perspectieven te bieden aan agrarische bedrijven en erven. Ontwikkelingen zoals minicampings, recreatieve nevenfuncties en kleinschalige verblijfsrecreatie kunnen bijdragen aan bewonersprofijt, leefbaarheid, recreatieve kwaliteit en behoud van landschap, mits zij zorgvuldig landschappelijk worden ingepast en passen binnen de draagkracht van het gebied.

Hiermee wordt gestuurd op een evenwichtige spreiding en wordt voorkomen dat de draagkracht van gebieden wordt overschreden. Versnippering van functies en verrommeling van het landschap worden voorkomen.

2.8.6 Overgangsgebieden tussen kern en buitengebied

Overgangsgebieden vormen de schakel tussen kernen en het buitengebied en zijn ruimtelijk gevoelig. Ontwikkelingen in deze gebieden moeten zorgen voor een geleidelijke en kwalitatieve overgang tussen dorp en landschap. Nieuwe ontwikkelingen worden zorgvuldig ingepast en dragen bij aan versterking van landschap, biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit.

Ontwikkelingen moeten bijdragen aan een kwalitatieve overgang tussen kern en landschap en aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

2.8.7 Buurtschappen

Buurtschappen zijn kleinschalige en hechte gemeenschappen met een sterke sociale samenhang. De ontwikkeling is gericht op het behouden en versterken van leefbaarheid en gemeenschap. Grootschalige ontwikkelingen zijn niet passend. Wel is ruimte voor kleinschalige toevoegingen, hergebruik van bestaande bebouwing en maatwerkoplossingen.

Ontwikkelingen moeten bijdragen aan de gemeenschap en passen bij de schaal en het karakter van het gebied.

 

In het volgende deel van deze Omgevingsvisie wordt per deelgebied de optelsom gemaakt van alle ontwikkellijnen, opgaven, kwaliteiten en randvoorwaarden. Op dat niveau wordt concreet gemaakt wat deze betekenen voor de ontwikkeling van de leefomgeving en welke keuzes daarbij worden gemaakt.

 

Daarbij geldt dat niet alles overal mogelijk is en dat per deelgebied expliciet wordt aangegeven welke ontwikkelingen wel en niet passend zijn.

 

3 Keuzes en principes

3.1 Inleiding

In deel 2 is inzichtelijk gemaakt met welke kwaliteiten, opgaven, wensen en randvoorwaarden rekening moet worden gehouden bij de verdere ontwikkeling van de leefomgeving in Aalten. Deze factoren hangen met elkaar samen en versterken elkaar op onderdelen, maar kunnen ook met elkaar botsen.

De optelsom van deze factoren maakt duidelijk dat niet alles overal en tegelijkertijd mogelijk is. De beschikbare ruimte is beperkt en verschillende opgaven vragen om dezelfde ruimte. Daarnaast stellen water, bodem en het energiesysteem duidelijke grenzen aan wat waar mogelijk is. Ook de wensen van inwoners laten zien dat ontwikkeling gewenst is, maar dat deze niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de leefomgeving.

Dit betekent dat keuzes noodzakelijk zijn. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste spanningen benoemd die voortkomen uit de opgaven in deel 2. Deze spanningen leiden niet automatisch tot één oplossing, maar vragen om een consistente manier van afwegen.

Tegelijkertijd blijkt dat waar opgaven elkaar raken, ook kansen ontstaan om deze met elkaar te verbinden. Door deze koppelkansen bewust te benutten, kunnen meerdere doelen tegelijkertijd worden gerealiseerd en kan de beschikbare ruimte efficiënter worden gebruikt.

Daarom worden in dit hoofdstuk niet alleen de spanningen benoemd, maar ook de koppelkansen zichtbaar gemaakt en de principes vastgesteld die de gemeente hanteert bij het maken van keuzes. Deze principes vormen het vaste en leidende afwegingskader bij alle ruimtelijke keuzes en bij de beoordeling van initiatieven. Dit betekent dat ontwikkelingen alleen mogelijk zijn wanneer zij passen binnen deze principes, bijdragen aan de doelen en opgaven zoals beschreven in deel 2 van deze Omgevingsvisie en – waar mogelijk – gebruikmaken van koppelkansen om meerdere opgaven in samenhang te versterken.

3.2 Spanningen in de ontwikkeling van de leefomgeving

De belangrijkste opgaven voor gemeente Aalten hangen nauw met elkaar samen en raken niet alleen de fysieke inrichting van de leefomgeving, maar ook de leefbaarheid, gezondheid en sociale samenhang binnen de gemeente. Juist in de samenhang ontstaan spanningen die richting geven aan de keuzes die gemaakt moeten worden.

  • Een eerste en fundamentele spanning ligt tussen de behoefte aan woningbouw en het behoud van landschap en ruimtelijke kwaliteit. De toevoeging van woningen is een middel om leefbaarheid, gemeenschappen en voorzieningen in kernen en buurtschappen toekomstbestendig te houden en de bevolkingsopbouw in balans te brengen. Tegelijkertijd kan woningbouw leiden tot druk op het landschap, de open ruimte en de identiteit van de gemeente. Deze spanning is nadrukkelijk zichtbaar in de afweging tussen bouwen binnen de kernen en het toevoegen van woningen in het buitengebied.

  • Een tweede belangrijke spanning bestaat tussen economische ontwikkeling en leefkwaliteit. Bedrijven en economische activiteiten zijn belangrijk voor werkgelegenheid, voorzieningen en het functioneren van gemeenschappen, maar kunnen ook leiden tot hinder, verkeersdruk en aantasting van de leefomgeving. Het vinden van een balans tussen ruimte voor ondernemerschap en bescherming van leefkwaliteit is daarbij essentieel.

  • Daarnaast kan uitbreiding van woningbouw en bedrijventerreinen leiden tot een toename van het risico op wateroverlast, met name op locaties waar het watersysteem al onder druk staat. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging tussen ontwikkeling en de capaciteit van het watersysteem.

  • Veiligheid kan onder druk komen te staan door ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Nieuwe activiteiten, zoals uitbreiding van bedrijventerreinen, energievoorzieningen of woningbouw nabij risicobronnen, kunnen leiden tot een toename van risico’s. Daarnaast kunnen veranderingen in gebruik en leefomgeving invloed hebben op sociale veiligheid en leefbaarheid. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging tussen ontwikkeling, veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving.

  • Ook de energietransitie leidt tot spanningen. Het verduurzamen van de energievoorziening vraagt om ruimte voor energieopwekking en infrastructuur, terwijl tegelijkertijd grote waarde wordt gehecht aan landschap, natuur, leefkwaliteit, cultuurhistorie en de identiteit van de gemeente. Uit regionale onderzoeken naar zoekgebieden voor windenergie blijkt bovendien dat veel potentiële locaties samenvallen met kwetsbare landschappen, natuurstructuren, vogelgevoelige gebieden en cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Dit vraagt om een zeer zorgvuldige en gebiedsgerichte afweging.

  • Daarnaast is er een spanning tussen landbouw, natuur en water. De landbouw is een belangrijke drager van het buitengebied, maar staat voor een transitie die gevolgen heeft voor het gebruik van grond, de kwaliteit van bodem en water en de biodiversiteit. In sommige gebieden is meer ruimte voor landbouwontwikkeling, terwijl in andere gebieden natuur en water leidend zijn.

  • Ook op het gebied van mobiliteit is sprake van spanning. Een goede bereikbaarheid vraagt om ruimte voor infrastructuur en verkeer, terwijl tegelijkertijd wordt ingezet op verkeersveiligheid, leefkwaliteit en een aantrekkelijke openbare ruimte. Met name in woongebieden en buurtschappen vraagt dit om zorgvuldige keuzes.

  • Tot slot is er een meer algemene spanning tussen groei en behoud. De gemeente kiest voor gematigde groei om de vitaliteit van kernen en buurtschappen te behouden, maar deze groei mag niet leiden tot aantasting van de kwaliteiten die Aalten kenmerken. Dit vraagt om een voortdurende afweging tussen ontwikkeling en bescherming van kwaliteit.

 

Deze spanningen worden versterkt doordat verschillende belangen en perspectieven tegenover elkaar kunnen staan, zowel tussen sectoren als tussen groepen inwoners. Dit vraagt om het erkennen van deze belangen en het zoeken naar oplossingen waarin recht wordt gedaan aan de verschillende posities.

Deze spanningen worden niet alleen gezien als probleem, maar ook als vertrekpunt voor samenwerking. Door partijen samen te brengen en gezamenlijk te zoeken naar oplossingen, kunnen tegenstellingen worden overbrugd en kan worden gewerkt aan gedragen keuzes.

3.3 Niet alles kan overal

De beschreven spanningen maken duidelijk dat niet alles overal mogelijk is. Dit is een belangrijk uitgangspunt van deze Omgevingsvisie. De verschillen tussen gebieden binnen de gemeente zijn groot. Wat in de ene kern of buurtschap passend is, kan in een ander gebied onwenselijk zijn. Ook de draagkracht van systemen zoals water, bodem en energie verschilt per locatie. Daarom kiest de gemeente nadrukkelijk voor een gebiedsgerichte benadering. Ontwikkelingen worden altijd beoordeeld in samenhang met de specifieke kenmerken van het gebied, de aanwezige kwaliteiten en de opgaven die daar spelen.

Dit betekent dat de gemeente niet alleen kijkt naar het initiatief op zichzelf, maar ook naar de plek waar het plaatsvindt en naar de optelsom van effecten. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij aantoonbaar passen binnen de draagkracht van het gebied, de sturende systemen (water, bodem en energie) en de samenhang van functies, en wanneer zij bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving op de lange termijn.

Dit betekent concreet dat de gemeente duidelijke keuzes maakt over waar ontwikkeling wenselijk en passend is, maar ook waar grenzen liggen om landschap, leefbaarheid, gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Deze duidelijkheid helpt om verwachtingen inzichtelijk te maken en om ontwikkelingen op een consistente manier te beoordelen.

Daarbij geldt dat ontwikkelingen steeds gebiedsgericht en in samenhang worden afgewogen. Wanneer initiatieven onvoldoende aansluiten bij de draagkracht van het gebied, de sturende systemen of de kernprincipes uit deze visie, ligt medewerking minder voor de hand en wordt samen gekeken of aanpassing, maatwerk of een andere invulling mogelijk is.

3.4 Koppelkansen

De beschreven spanningen maken duidelijk dat de ontwikkeling van de leefomgeving geen optelsom is van afzonderlijke opgaven, maar een integrale puzzel waarin keuzes noodzakelijk zijn. Tegelijkertijd laten deze spanningen zien dat waar opgaven elkaar raken, ook kansen ontstaan om deze met elkaar te verbinden.

Door koppelkansen bewust te benutten, kan de gemeente Aalten meerdere doelen tegelijkertijd realiseren en wordt de beschikbare ruimte efficiënter gebruikt. Dit is essentieel in een gemeente waar veel opgaven concurreren om dezelfde (schaarse) ruimte.

  • Een belangrijke koppelkans ligt in de combinatie van woningbouw en verbetering van de leefomgeving. Nieuwe woonontwikkelingen kunnen niet alleen voorzien in de woningbehoefte, maar ook worden benut om bestaande knelpunten aan te pakken, zoals het vergroenen van wijken, het verbeteren van waterberging, het versterken van biodiversiteit en het creëren van ontmoetingsplekken. Woningbouw wordt daarmee niet alleen een kwantitatieve opgave, maar ook een middel om de kwaliteit van de leefomgeving te versterken.

  • Ook tussen wonen, leefbaarheid en gemeenschapsvorming liggen duidelijke kansen. Door bij nieuwe ontwikkelingen bewust te sturen op ontmoeting, voorzieningen en gemeenschapsvorming, kan woningbouw bijdragen aan het versterken van het naoberschap en de leefbaarheid in kernen en buurtschappen. Dit is met name van belang in het licht van vergrijzing en veranderende bevolkingssamenstelling.

  • In het buitengebied liggen koppelkansen tussen landbouw, natuur en recreatie. De transitie van de landbouw kan worden benut om tegelijkertijd biodiversiteit te versterken, wateropgaven aan te pakken en nieuwe economische dragers te ontwikkelen, zoals recreatie en multifunctioneel landgebruik. Hiermee ontstaat een toekomstbestendig buitengebied waarin verschillende functies elkaar versterken in plaats van verdringen.

  • Daarnaast zijn er duidelijke koppelkansen tussen klimaatadaptatie en biodiversiteit. Maatregelen om water vast te houden, droogte te beperken en wateroverlast bij piekbuien te voorkomen, dragen tegelijkertijd bij aan het versterken van natuur en landschap. Door water en groen als samenhangend systeem te benaderen, kan de gemeente meerdere opgaven in één keer aanpakken. Hierbij wordt nadrukkelijk gestuurd op een balans tussen het vasthouden van water in droge perioden en het voorkomen van wateroverlast bij extreme neerslag. Dit vraagt om een integrale benadering waarin waterbeheer, ruimtelijke inrichting en klimaatadaptatie met elkaar worden verbonden.

  • Ook op het gebied van voorzieningen en leefbaarheid zijn koppelkansen aanwezig. Door voorzieningen te combineren en multifunctioneel te maken, kunnen zij bijdragen aan ontmoeting, zorg, cultuur en dienstverlening tegelijkertijd. Dit versterkt niet alleen de leefbaarheid, maar maakt voorzieningen ook toekomstbestendiger in een context van beperkte groei en vergrijzing.

  • Tot slot liggen er koppelkansen tussen mobiliteit, duurzaamheid en gezondheid. Investeringen in fiets- en wandelnetwerken, openbaar vervoer en deelmobiliteit dragen niet alleen bij aan bereikbaarheid, maar ook aan vermindering van uitstoot, verbetering van luchtkwaliteit en bevordering van beweging en gezondheid.

 

Deze koppelkansen laten zien dat de ontwikkeling van de leefomgeving niet alleen vraagt om het maken van keuzes tussen opgaven, maar ook om het bewust combineren ervan. In de verdere uitwerking van deze Omgevingsvisie wordt daarom nadrukkelijk gezocht naar oplossingen waarin meerdere opgaven samenkomen en elkaar versterken.

Dit betekent dat bij iedere ontwikkeling – ruimtelijk én maatschappelijk – niet alleen wordt gekeken naar mogelijke spanningen, maar ook actief naar kansen om verschillende doelen tegelijkertijd te realiseren. Door deze benadering wordt de beschikbare ruimte optimaal benut en wordt gewerkt aan een leefomgeving die niet alleen functioneel is, maar ook toekomstbestendig, samenhangend, gezond en bevorderend voor welzijn en gemeenschapsvorming.

3.5 Keuzes in de ontwikkeling van gemeente Aalten richting 2040

De beschreven spanningen en koppelkansen maken duidelijk dat het maken van keuzes onvermijdelijk is. Deze keuzes worden niet per situatie opnieuw bedacht, maar volgen uit de koers van deze Omgevingsvisie en uit de ambitie om te werken aan een gezonde, veilige, leefbare en sociaal sterke gemeente.

De gemeente maakt keuzes door ontwikkelingen integraal te beoordelen en daarbij steeds dezelfde uitgangspunten toe te passen. Deze uitgangspunten zorgen ervoor dat keuzes consistent, transparant en navolgbaar zijn en dat vergelijkbare situaties op een vergelijkbare manier worden beoordeeld. Daarbij geldt dat niet één belang op zichzelf doorslaggevend is, maar dat altijd een afweging plaatsvindt tussen verschillende belangen, waarbij de kwaliteit van de leefomgeving en de lange termijn centraal staan.

Om deze afwegingen op een consistente, transparante en navolgbare manier te maken, hanteert de gemeente een aantal kernprincipes. Deze kernprincipes vormen het richtinggevende afwegingskader voor het maken van keuzes en helpen om ontwikkelingen in samenhang te beoordelen in relatie tot de koers, opgaven en ambities van deze Omgevingsvisie.

3.6 Kernprincipes voor de ontwikkeling van de leefomgeving

Onderstaande kernprincipes vormen het richtinggevende afwegingskader bij ruimtelijke keuzes en bij de beoordeling van initiatieven. De kernprincipes zijn direct gekoppeld aan de opgaven, doelen en ontwikkellijnen uit deel 2 en geven richting aan de manier waarop deze in de praktijk worden toegepast. De kernprincipes gelden voor de gehele gemeente en worden altijd in samenhang beschouwd. Zij vormen daarmee de gezamenlijke basis voor integrale afwegingen en zorgen ervoor dat vergelijkbare situaties op een consistente en transparante manier worden beoordeeld, met ruimte voor gebiedsgericht maatwerk en bestuurlijke afweging.

3.6.1 Kwaliteit van de leefomgeving staat centraal

Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij aantoonbaar bijdragen aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Als een ontwikkeling leidt tot negatieve effecten op de leefomgeving, dan moet worden aangetoond dat deze effecten worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd.

Wanneer een ontwikkeling per saldo leidt tot een verslechtering van de leefkwaliteit, wordt deze niet toegestaan, tenzij sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en de negatieve effecten aantoonbaar worden beperkt of gecompenseerd. Hierbij wordt expliciet rekening gehouden met de cumulatie van effecten en met de bijdrage van een ontwikkeling aan de lange termijn doelen voor gezondheid, klimaat, biodiversiteit en leefkwaliteit.

3.6.2 Groei is mogelijk, maar altijd in balans

Groei is mogelijk wanneer deze bijdraagt aan de vitaliteit van de gemeente en in balans is met de kwaliteit van de leefomgeving. Ontwikkelingen worden beoordeeld op hun effecten op landschap, leefkwaliteit, voorzieningen en de draagkracht van het gebied. Ontwikkelingen die leiden tot een onevenredige aantasting van deze kwaliteiten passen niet binnen de koers van deze Omgevingsvisie. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de schaal, identiteit en kenmerken van het gebied.

3.6.3 Zorgvuldig omgaan met ruimte

Nieuwe ontwikkelingen vinden bij voorkeur plaats binnen bestaande kernen, door middel van inbreiding, hergebruik en transformatie. Als binnenstedelijke mogelijkheden onvoldoende zijn, kan uitbreiding plaatsvinden, maar alleen wanneer deze noodzakelijk is en zorgvuldig wordt ingepast. Ontwikkelingen die leiden tot onnodig ruimtebeslag, versnippering of verrommeling van het landschap worden niet toegestaan. Dit betekent ook dat bestaande structuren en ruimte eerst optimaal worden benut voordat nieuwe ruimte wordt aangesproken.

3.6.4 Water, bodem en energiesysteem zijn sturend

De geschiktheid van een locatie wordt in de eerste plaats bepaald door water, bodem en het energiesysteem, en de bijbehorende infrastructuur. Hieronder valt nadrukkelijk ook de rioleringsinfrastructuur en de mogelijkheden voor een duurzame afvoer en verwerking van afvalwater. Als een ontwikkeling niet past binnen de draagkracht van deze systemen, of leidt tot overbelasting (zoals wateroverlast, droogte, bodemdegradatie, onvoldoende rioleringscapaciteit of netcongestie), dan ligt medewerking niet voor de hand, tenzij aantoonbaar sprake is van een zorgvuldige integrale afweging waarbij negatieve effecten voldoende worden voorkomen, beperkt of gecompenseerd. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij aantoonbaar passen binnen deze systemen én bijdragen aan de doelen voor klimaatadaptatie, waterbeheer en energievoorziening zoals geformuleerd in deel 2.

3.6.5 Landschap en identiteit zijn richtinggevend

Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij passen bij de schaal, structuur en karakteristiek van het gebied en deze waar mogelijk versterken. Als een ontwikkeling leidt tot aantasting van kernkwaliteiten zoals kleinschaligheid, openheid, rust, stilte, donkerte of de samenhang van de groenblauwe structuur, dan wordt zeer terughoudend omgegaan met medewerking aan dergelijke ontwikkelingen. Hierbij wordt expliciet rekening gehouden met de samenhang van de groenblauwe dooradering en de versterking van landschappelijke structuren.

Ontwikkelingen moeten zorgvuldig omgaan met landschappelijke kwaliteiten en waar mogelijk bijdragen aan versterking van landschap, natuur en waterstructuren. Wanneer ontwikkelingen leiden tot aantasting van bestaande kwaliteiten, wordt nadrukkelijk gestuurd op landschappelijke inpassing, mitigatie en – waar nodig – kwaliteitsverbetering of compensatie passend bij het gebied.

Dit geldt nadrukkelijk ook voor eventuele ontwikkelingen op het gebied van duurzame energieopwekking. Per locatie moet steeds een integrale gebiedsgerichte afweging plaatsvinden, waarbij landschap, natuur, cultuurhistorie, gezondheid, leefbaarheid, water, bodem, energie-infrastructuur en ruimtelijke kwaliteit in samenhang worden beoordeeld.

3.6.6 Ontwikkelingen moeten maatschappelijke en sociale meerwaarde hebben

Ontwikkelingen moeten aantoonbaar bijdragen aan één of meerdere maatschappelijke opgaven uit deze Omgevingsvisie, zoals wonen, gezondheid, klimaatadaptatie, biodiversiteit, economie, bereikbaarheid of leefbaarheid. Ontwikkelingen die meerdere doelen tegelijk versterken hebben nadrukkelijk de voorkeur.

3.6.7 Gemeenschappen en leefbaarheid tellen mee

De gemeente beschouwt sterke gemeenschappen als een essentiële voorwaarde voor een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Ontwikkelingen worden daarom niet alleen beoordeeld op ruimtelijke kwaliteit, maar ook op hun bijdrage aan ontmoeting, betrokkenheid, welzijn en het functioneren van kernen en buurtschappen.

De gemeente ziet sterke gemeenschappen als een essentiële randvoorwaarde voor een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Ontwikkelingen moeten daarom niet alleen ruimtelijk en economisch bijdragen, maar ook bijdragen aan ontmoeting, betrokkenheid, samenredzaamheid en sociale verbondenheid. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de betekenis van gemeenschapshuizen, verenigingen, informele netwerken en ontmoetingsplekken als sociale infrastructuur van de gemeente. Ontwikkelingen die aantoonbaar bijdragen aan ontmoeting, verbondenheid en een sterke gemeenschap hebben nadrukkelijk de voorkeur.

3.6.8 Ontwikkelingen zijn gebiedsgericht

Een ontwikkeling wordt altijd beoordeeld in relatie tot het gebied waarin deze plaatsvindt. Wat in het ene gebied passend is, kan in een ander gebied minder passend zijn vanwege verschillen in schaal, functies, landschap, leefomgeving of ruimtelijke kwaliteit. Wanneer een ontwikkeling onvoldoende aansluit bij de kenmerken en draagkracht van het gebied, ligt medewerking aan dergelijke ontwikkelingen niet voor de hand. Daarbij wordt steeds een integrale gebiedsgerichte afweging gemaakt.

3.6.9 Integrale afweging is leidend

Bij iedere ontwikkeling worden relevante belangen, opgaven en effecten in samenhang beoordeeld. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met gezondheid, veiligheid, landschap, leefkwaliteit, leefbaarheid, water, bodem en de kwaliteit van de fysieke en sociale leefomgeving. Ontwikkelingen worden integraal afgewogen in relatie tot de doelen, opgaven en ontwikkellijnen uit deel 2 van deze Omgevingsvisie. Daarbij wordt actief gezocht naar mogelijkheden om opgaven te combineren en koppelkansen te benutten, zodat meerdere doelen tegelijkertijd kunnen worden versterkt.

3.6.10 Koppelkansen worden actief benut

Gemeente Aalten zet in op het combineren van opgaven, zodat meerdere doelen tegelijkertijd kunnen worden gerealiseerd. Ontwikkelingen worden niet alleen beoordeeld op het oplossen van één opgave, maar juist op hun bijdrage aan meerdere opgaven in samenhang.

Initiatieven die bijdragen aan het gelijktijdig versterken van bijvoorbeeld wonen, leefbaarheid, biodiversiteit, klimaatadaptatie, economie en sociale samenhang hebben nadrukkelijk de voorkeur. Ontwikkelingen die slechts één doel dienen, zonder bij te dragen aan bredere opgaven, worden kritisch beoordeeld. Door opgaven bewust met elkaar te verbinden ontstaat een leefomgeving die niet alleen efficiënter wordt ingericht, maar ook gezonder, socialer en toekomstbestendiger is.

 

Deze kernprincipes vormen samen het besliskader voor de beoordeling van initiatieven.

In deel 4 worden deze principes toegepast op de verschillende deelgebieden en wordt concreet gemaakt wat dit betekent voor de ontwikkeling van de leefomgeving per gebied.

In deel 5 worden deze principes verder vertaald naar het toetsingskader.

 

4 Uitwerking per deelgebied

4.1 Inleiding

In dit deel wordt de koers uit deze Omgevingsvisie concreet gemaakt per deelgebied. Waar in de voorgaande delen de opgaven, ontwikkellijnen en principes zijn beschreven, wordt hier zichtbaar wat deze betekenen op de verschillende plekken binnen de gemeente.

 

Zo werkt “gebiedsgericht puzzelen”

De Omgevingsvisie geeft richting aan de ontwikkeling van Aalten, maar bepaalt niet alles tot in detail. De uitwerking per deelgebied in dit hoofdstuk brengt de belangrijkste opgaven, wensen en randvoorwaarden in beeld. Daarmee is wel alvast de basis gelegd, maar de “puzzel” nog niet. In de volgende fase gaat de gemeente samen met inwoners, ondernemers en andere betrokkenen per deelgebied in gesprek om deze puzzel concreet te maken. 

Daarbij staan de volgende vragen centraal:

  • a.

    Welke ontwikkelingen zijn op welke plek(ken) wenselijk en mogelijk?

  • b.

    Hoe kunnen verschillende opgaven met elkaar worden gecombineerd?

  • c.

    Welke keuzes zijn nodig om de kwaliteit van de leefomgeving te versterken?

Daarbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar de uitvoerbaarheid van ontwikkelingen en naar de beschikbaarheid van infrastructuur, zoals energie, water en riolering. Deze systemen bepalen mede welke ontwikkelingen op welke plekken en in welke volgorde mogelijk zijn.

De Omgevingsvisie biedt het kader en de richting. De concrete invulling ontstaat in het gebiedsgerichte overleg. Zo wordt de ontwikkeling van de leefomgeving een gezamenlijke opgave van gemeente en samenleving.

Het gebiedsgerichte puzzelen vraagt niet alleen om inhoudelijke keuzes, maar ook om een andere manier van samenwerken. De gemeente zet daarom in op een aanpak waarin betrokkenen elkaar beter leren kennen, gezamenlijk opgaven verkennen en samen tot uitvoerbare oplossingen komen. Daarbij wordt nadrukkelijk uitgegaan van wat er al in de samenleving aanwezig is. In veel gebieden zijn inwoners en initiatiefnemers al actief bezig met het verbeteren van hun leefomgeving. Deze initiatieven vormen het vertrekpunt voor het gebiedsgerichte proces. De gemeente sluit hierop aan en ondersteunt waar nodig, in plaats van uitsluitend zelf richting te geven.

 

In het navolgende wordt per deelgebied beschreven wat er speelt, wat inwoners belangrijk vinden en welke opgaven en randvoorwaarden bepalend zijn voor de verdere ontwikkeling van de leefomgeving. Daarbij zijn de uitkomsten van de gebiedsgesprekken, enquêtes en dorpsplannen nadrukkelijk betrokken.

Tegelijk laat de analyse van de huidige situatie zien dat de kwaliteit van de leefomgeving op onderdelen onder druk staat. Geluidhinder, bereikbaarheid van voorzieningen, water- en bodemopgaven, biodiversiteit en de capaciteit van het energiesysteem vormen concrete verbeterpunten die in alle deelgebieden een rol spelen. Deze verbeterpunten maken integraal onderdeel uit van de opgaven per gebied.

De grote opgaven – zoals woningbouw, klimaatadaptatie, energietransitie en biodiversiteit – komen in elk gebied samen. Deze opgaven vormen de puzzel die per gebied gelegd moet worden. Daarbij geldt dat niet alles overal kan en dat per deelgebied keuzes moeten worden gemaakt, in lijn met de in deel 3 vastgelegde principes. 

In de gebiedsgerichte uitwerking wordt daarom niet alleen gekeken naar afzonderlijke opgaven, maar nadrukkelijk ook naar de mogelijkheden om deze met elkaar te verbinden. Door koppelkansen te benutten, kunnen meerdere doelen tegelijkertijd worden gerealiseerd en wordt de beschikbare ruimte efficiënter gebruikt.

In de uitwerking per deelgebied zijn niet alleen algemene beleidsopgaven meegenomen, maar ook de concrete aandachtspunten en wensen die inwoners zelf hebben benoemd. Deze variëren van woningbouw en voorzieningen tot verkeersveiligheid, bereikbaarheid en behoud van identiteit, en vormen een belangrijk uitgangspunt voor de keuzes in dit hoofdstuk.

Daarnaast is in de gebiedsuitwerking rekening gehouden met de actuele stand van zaken van de woningbouwprogrammering binnen de gemeente. Voor een belangrijk deel van de woningbouwopgave richting 2035 bestaan reeds concrete locaties, plannen en gebiedsontwikkelingen. Deze locaties vormen een belangrijk vertrekpunt voor de verdere gebiedsgerichte uitwerking en laten zien dat de woningbouwopgave in verschillende kernen en buurtschappen al nadrukkelijk in voorbereiding of uitvoering is.

 

NB 1: Bij het gebiedsgerichte vervolgproces worden per deelgebied niet alleen de ontwikkelrichtingen uit deze Omgevingsvisie betrokken, maar ook de concrete verbeterpunten uit de foto van de leefomgeving en de aandachtspunten die inwoners, ondernemers en belangenverenigingen hebben benoemd. Het gaat daarbij onder meer om verkeersveiligheid, bereikbaarheid van voorzieningen, wateroverlast, droogte, hittestress, biodiversiteit, geluid, gezondheid, sociale samenhang, energie-infrastructuur en de kwaliteit van landschap en openbare ruimte. Deze punten vormen samen de agenda voor het gebiedsgerichte puzzelen.

 

NB 2: De uitwerking per deelgebied is nadrukkelijk bedoeld om zichtbaar te maken wat de Omgevingsvisie concreet betekent voor inwoners. Daarbij is het uitgangspunt dat de inbreng van inwoners uit de gebiedsgesprekken herkenbaar terugkomt in de beschrijving van opgaven, wensen en ontwikkelrichtingen per gebied. De gemeente realiseert zich dat deze uitwerking nog niet alle vragen beantwoordt. Daarom wordt in het gebiedsgerichte vervolg per deelgebied verder geconcretiseerd wat de keuzes uit deze visie betekenen voor specifieke locaties en ontwikkelingen.

 

4.2 Kern Aalten

De kern Aalten vormt het bestuurlijke hart van de gemeente en vervult een centrale rol als woonkern, voorzieningencentrum en ontmoetingsplek voor inwoners uit de hele gemeente. Hier komen wonen, werken, onderwijs, cultuur, zorg, sport en maatschappelijke voorzieningen samen. Inwoners waarderen de combinatie van voorzieningen, verenigingsleven, werkgelegenheid en de relatief groene woonomgeving.

Tegelijkertijd komen in de kern Aalten veel opgaven samen op het gebied van wonen, leefbaarheid, mobiliteit, klimaat, energie, gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving.

De kwaliteit van het dagelijks leven speelt daarin een steeds grotere rol. Inwoners hechten niet alleen waarde aan voldoende woningen en goede voorzieningen, maar ook aan ontmoeting, sociale veiligheid, gemeenschapsvorming en een aantrekkelijke openbare ruimte. Er bestaat nadrukkelijk behoefte aan plekken waar verschillende groepen elkaar kunnen ontmoeten, activiteiten kunnen organiseren en onderdeel kunnen blijven van het sociale leven van het dorp.

Voorzieningen, maatschappelijke functies, cultuur en verenigingsleven vormen daarom een belangrijke drager van de leefbaarheid van Aalten. Het centrum vervult daarbij niet alleen een economische functie, maar ook een belangrijke sociale rol als ontmoetingsplek voor inwoners uit de hele gemeente. Het behoud van een aantrekkelijk, levendig en toegankelijk centrum vormt daarmee een belangrijke opgave richting 2040.

Voor het centrum van Aalten ligt nadrukkelijk een opgave in het versterken van verblijfskwaliteit, bereikbaarheid en levendigheid. Leegstand, parkeerdruk en de kwaliteit van delen van de openbare ruimte vragen aandacht. Tegelijkertijd liggen hier kansen om ontmoeting, vergroening en klimaatadaptatie beter met elkaar te verbinden. Ook de ontwikkeling rond het Onderduikmuseum en andere culturele en maatschappelijke functies speelt hierin een belangrijke rol. Het centrum moet niet alleen economisch aantrekkelijk blijven, maar nadrukkelijk ook functioneren als sociaal hart van de gemeente.

Naast deze opgaven ligt in de kern Aalten ook een belangrijke woningbouwopgave. Voor de periode tot 2035 ligt het zwaartepunt van de gemeentelijke woningbouw nadrukkelijk in de kern Aalten. In deze fase wordt een belangrijk deel van de gemeentelijke woningbouwopgave gerealiseerd via inbreiding, herstructurering, transformatie en – waar passend – uitbreiding aan de randen van het dorp. Om de woningbouwdoelstelling binnen de looptijd van deze visie te behalen, is het aannemelijk en wenselijk ook een (grootschalige) woningbouwlocatie nabij de kern Aalten te realiseren. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar de randen van de kern. Deze ontwikkelingen zijn nodig om te voorzien in de vraag naar woningen voor starters, jonge gezinnen en senioren en om doorstroming op gang te brengen. In samenhang met andere maatregelen kunnen zij ook bijdragen aan het draagvlak voor voorzieningen en gemeenschappen

Ook na 2035 blijft in Aalten ruimte bestaan voor aanvullende woningbouw, herstructurering en transformatie, wanneer ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en passen binnen de beschikbare ruimte en infrastructuur. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar de samenhang tussen woningbouw, bereikbaarheid, leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte. 

Aan de oostzijde van de kern Aalten wordt daarnaast op langere termijn ruimte gezien voor een zorgvuldige afronding van de dorpsrand in het gebied langs de Hamelandroute. Daarbij wordt nadrukkelijk niet ingezet op grootschalige uitbreiding van de kern, maar op een gebiedsgerichte ontwikkeling waarin wonen, landschap, recreatie, natuur, sport, water en cultuurhistorie in samenhang worden ontwikkeld. De overgang tussen dorp en landschap staat hierbij centraal. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan een kwalitatieve dorpsrand met ruimte voor groen, recreatieve verbindingen, landschappelijke versterking en een aantrekkelijke leefomgeving. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de landschappelijke structuur, de cultuurhistorische waarden van het gebied en de samenhang met bestaande sport- en recreatieve functies. De Hamelandroute vormt daarbij een duidelijke ruimtelijke grens voor de ontwikkeling van de kern Aalten. Ontwikkelingen aan de oostzijde zijn uitsluitend mogelijk binnen deze begrenzing. Een uitbreiding van de kern voorbij de Hamelandroute past niet binnen de koers van deze Omgevingsvisie.

De woningbouwopgave is nadrukkelijk kwalitatief van aard. Er is behoefte aan betaalbare woningen voor starters en jongeren, levensloopbestendige woningen voor ouderen en voldoende variatie in het woningaanbod om doorstroming mogelijk te maken. Minimaal twee derde van de nieuwbouw moet bestaan uit betaalbare woningen. Woningbouw moet bijdragen aan het behouden van jongeren, het versterken van de bevolkingsopbouw en het in stand houden van voorzieningen, maar mag niet leiden tot een verslechtering van de leefomgeving.

Inwoners hebben nadrukkelijk aangegeven dat groei zorgvuldig moet plaatsvinden. Het behoud van het dorpse karakter, het groen en de woonkwaliteit staat voorop. Tegelijk is er draagvlak voor woningbouw binnen de kern, mits deze goed wordt ingepast en bijdraagt aan de leefbaarheid. Daarom wordt woningbouw nadrukkelijk gekoppeld aan verbetering van de leefomgeving, vergroening, verblijfskwaliteit en versterking van sociale samenhang.

De analyse van de leefomgeving laat zien dat er concrete verbeterpunten liggen op het gebied van klimaat, gezondheid en milieu. In delen van de kern, met name in de noord- en noordoostelijke wijken, is sprake van hittestress door een relatief versteende inrichting. Daarnaast kan bij hevige neerslag wateroverlast ontstaan doordat regenwater onvoldoende wordt vastgehouden of geïnfiltreerd. De ambitie is om richting 2050 ten minste 70% van het verhard oppervlak af te koppelen en regenwater zoveel mogelijk lokaal te infiltreren en vast te houden. Daarnaast wordt ingezet op het realiseren van voldoende koelteplekken, met als doel dat iedere inwoner binnen 300 meter toegang heeft tot een groene of koele plek.

Ook geluidbelasting langs drukke wegen en het spoor, luchtkwaliteit en de kwaliteit van groen en openbare ruimte vragen aandacht. Deze opgaven moeten integraal worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen en herstructurering, zodat de leefomgeving gezonder en aantrekkelijker wordt.

Water en bodem zijn sturend voor verdere ontwikkeling. De Keizersbeek en Slingebeek vormen belangrijke structuren binnen de kern en bieden kansen om waterberging, biodiversiteit, recreatie en gezondheid met elkaar te verbinden. Tegelijk moet rekening worden gehouden met laaggelegen en watergevoelige gebieden, waar bouwen minder geschikt is of alleen onder voorwaarden mogelijk is.

De energietransitie vormt een belangrijke en ruimtevragende opgave in de kern Aalten. Nieuwe woningen worden standaard aardgasvrij en bijna energieneutraal gerealiseerd. Voor de bestaande bouw ligt er een grote opgave om woningen te isoleren en stapsgewijs aardgasvrij te maken, onder andere door toepassing van warmtepompen en andere duurzame warmteoplossingen. De ambitie is om uiterlijk in 2050 een volledig aardgasvrije en klimaatneutrale gebouwde omgeving te realiseren. Dit vraagt ook om ruimte voor energie-infrastructuur, zoals transformatorstations, kabels, laadvoorzieningen en lokale energieopwekking. De beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheden voor lokale energiesystemen vormen daarbij een belangrijke randvoorwaarde voor verdere ontwikkeling.

Mobiliteit en bereikbaarheid blijven een belangrijk aandachtspunt. De kern Aalten moet goed bereikbaar blijven voor inwoners uit de hele gemeente, maar tegelijkertijd moet de verkeersdruk in woongebieden en het centrum worden beperkt. Er wordt ingezet op veilige en aantrekkelijke routes voor voetgangers en fietsers, verbetering van openbaar vervoer en het voorkomen van extra verkeersdruk op de N318 en N313. Nieuwe vormen van mobiliteit, zoals deelmobiliteit en op termijn zelfrijdende voertuigen, kunnen bijdragen aan de bereikbaarheid van voorzieningen, met name voor ouderen en minder mobiele inwoners.

Digitalisering speelt hierbij een steeds grotere rol, bijvoorbeeld in de bereikbaarheid van zorg, dienstverlening en mobiliteit. Een betrouwbare digitale infrastructuur is daarmee een belangrijke randvoorwaarde voor de leefbaarheid van de kern.

 

In de kern Aalten komen vrijwel alle grote opgaven van de gemeente samen. Juist daarom ligt hier de uitdaging om groei, leefbaarheid, bereikbaarheid, klimaatadaptatie en gemeenschapsvorming niet afzonderlijk te benaderen, maar als één samenhangende ontwikkelopgave. Door kwaliteit centraal te stellen kan Aalten zich verder ontwikkelen zonder het dorpse karakter, de landschappelijke overgang en de kwaliteit van de leefomgeving uit het oog te verliezen.

 

 

4.3 Dinxperlo

De kern Dinxperlo heeft een eigen, herkenbare identiteit die sterk verbonden is met de ligging aan de grens en de verwevenheid met Suderwick. Inwoners waarderen de gemoedelijke sfeer, de nabijheid van voorzieningen en de sterke sociale verbondenheid binnen het dorp. De grensligging zorgt voor een bijzondere dynamiek, waarbij wonen, voorzieningen, economie en ontmoeting zich niet beperken tot de gemeentegrens. Tegelijkertijd komen ook in Dinxperlo meerdere opgaven samen op het gebied van leefbaarheid, wonen, voorzieningen, mobiliteit, klimaat, energie en de kwaliteit van de leefomgeving.

De grensligging vormt daarbij niet alleen een ruimtelijke kwaliteit, maar ook een sociale en economische kans. De verwevenheid met Suderwick biedt mogelijkheden op het gebied van voorzieningen, economie, recreatie en mobiliteit. Die grenssituatie vraagt echter ook om goede afstemming in infrastructuur, verkeersveiligheid en ruimtelijke ontwikkeling. Het benutten van deze positie vraagt om samenwerking en om een integrale benadering van opgaven over de grens heen.

Binnen Dinxperlo speelt de kwaliteit van het centrum een belangrijke rol voor de leefbaarheid van het dorp. Inwoners geven aan dat juist voorzieningen, ontmoetingsplekken en verenigingsleven bepalend zijn voor het functioneren van de gemeenschap. Tegelijkertijd maken zij zich zorgen over leegstand, achteruitgang van delen van het centrum en de kwaliteit van de openbare ruimte. De opgave voor Dinxperlo ligt daarom niet alleen in ruimtelijke ontwikkeling, maar nadrukkelijk ook in het versterken van leefbaarheid, ontmoeting en gemeenschapsvorming. Het centrum moet aantrekkelijker, levendiger en toekomstbestendiger worden, met ruimte voor winkels, voorzieningen, wonen, ontmoeting en verblijfskwaliteit.

Voor delen van het centrum en de directe omgeving geldt daarnaast een duidelijke herstructureringsopgave. Op specifieke locaties is sprake van verouderde bebouwing, functieverlies en achteruitgang van de ruimtelijke kwaliteit. Het verbeteren van deze gebieden vraagt niet alleen om particuliere initiatieven, maar ook om een actieve rol van de gemeente in het stimuleren van herontwikkeling en kwaliteitsverbetering. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar ruimtelijke kwaliteit, maar ook naar leefbaarheid, sociale veiligheid en de kwaliteit van de openbare ruimte.

Een aantrekkelijke en veilige leefomgeving draagt bij aan het functioneren van het centrum en aan de sociale samenhang binnen Dinxperlo. Ook wordt nadrukkelijk gekeken naar mogelijkheden voor functieverandering, sloop-nieuwbouw en het realiseren van kwalitatief hoogwaardige bebouwing die past bij de schaal en identiteit van het dorp.

Naast deze centrumopgave speelt woningbouw een belangrijke rol in de toekomst van Dinxperlo. Voor de periode tot 2035 wordt een belangrijk deel van de woningbouwopgave gerealiseerd binnen de kern, via inbreiding, herstructurering, transformatie en – waar passend – uitbreiding aan de randen van het dorp. Deze ontwikkeling voorziet in de vraag naar woningen voor starters, jonge gezinnen en senioren en kan de doorstroming bevorderen. In samenhang met andere maatregelen kan woningbouw ook bijdragen aan het draagvlak voor voorzieningen en het functioneren van gemeenschappen.

Ook voor de periode 2035–2040 blijft Dinxperlo een belangrijke woonkern binnen de gemeente. Daarbij wordt aanvullend gekeken naar mogelijkheden voor woningbouw in zowel de grotere kernen als het buitengebied en de buurtschappen. Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en passen binnen de beschikbare ruimte en infrastructuur.

De woningbouwopgave is nadrukkelijk kwalitatief van aard. Er is behoefte aan betaalbare woningen voor starters en jongeren, levensloopbestendige woningen voor ouderen en voldoende variatie om doorstroming mogelijk te maken. Minimaal twee derde van de nieuwbouw moet bestaan uit betaalbare woningen.

Een specifiek aandachtspunt in Dinxperlo is het tekort aan geschikte woningen voor kleine huishoudens, waaronder alleenstaanden en ouderen. Uit signalen uit de samenleving blijkt dat er de afgelopen jaren relatief weinig appartementen en kleinere woonvormen zijn gerealiseerd, terwijl juist deze doelgroep sterk groeit. Daarom richt de woningbouwopgave zich nadrukkelijk ook op appartementen en compacte woonvormen in en rond het centrum.

De analyse van de leefomgeving laat zien dat er daarnaast concrete verbeterpunten liggen op het gebied van water, klimaat en leefkwaliteit. In delen van Dinxperlo is sprake van wateroverlast, onder andere rond de Aaldersbeeklaan en Heelweg. Ook speelt de rondweg een rol in de waterhuishouding. Het beter vasthouden en afvoeren van water vormt daarom een belangrijke opgave. Daarnaast vragen hittestress, luchtkwaliteit, geluidbelasting en de kwaliteit van de openbare ruimte nadrukkelijk aandacht. Richting 2050 wordt ingezet op vergroening van de openbare ruimte, het lokaal vasthouden van regenwater en het realiseren van voldoende koelteplekken.

Water en bodem zijn sturend voor verdere ontwikkeling. Ontwikkelingen moeten rekening houden met watergevoelige gebieden en bestaande waterstructuren. Tegelijk bieden deze structuren kansen om water, natuur en recreatie beter met elkaar te verbinden en zo de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren.

Ook de energietransitie vormt een belangrijke opgave. Nieuwe woningen worden standaard aardgasvrij en bijna energieneutraal gerealiseerd. Voor de bestaande bouw ligt een grote opgave om woningen te isoleren en stapsgewijs aardgasvrij te maken. De ambitie is om uiterlijk in 2050 een volledig aardgasvrije en klimaatneutrale gebouwde omgeving te realiseren. Dit vraagt om ruimte voor energie-infrastructuur, zoals transformatorstations, kabels en laadvoorzieningen. De beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheden voor lokale energiesystemen vormen daarbij een belangrijke randvoorwaarde voor verdere ontwikkeling.

Mobiliteit en bereikbaarheid blijven eveneens belangrijke aandachtspunten. Inwoners vragen om verbetering van verkeersveiligheid, met name in en rond het centrum en op belangrijke ontsluitingswegen. Ook bestaat behoefte aan betere verbindingen voor fietsers en voetgangers en aan verbetering van het openbaar vervoer. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar fysieke verkeersveiligheid, maar ook naar sociale veiligheid, overzichtelijkheid en de kwaliteit van de openbare ruimte. Nieuwe vormen van mobiliteit, zoals deelmobiliteit en op termijn zelfrijdende voertuigen, kunnen bijdragen aan de bereikbaarheid van voorzieningen, zowel binnen Dinxperlo als richting andere kernen.

De grensligging en de verwevenheid met voorzieningen binnen én buiten de gemeente maken goede digitale verbindingen steeds belangrijker voor Dinxperlo. Onderwijs, zorg, mobiliteit en dienstverlening functioneren steeds meer digitaal en vragen om een betrouwbare digitale infrastructuur.

 

Voor Dinxperlo ligt de komende jaren vooral de opgave om het dorp opnieuw sterker met zichzelf én met de grensregio te verbinden. Het versterken van het centrum, het verbeteren van de leefomgeving en het toevoegen van passende woningen moeten daarbij bijdragen aan een vitaal en toekomstbestendig grensdorp met een eigen identiteit.

 

 

4.4 Bredevoort

De kern Bredevoort onderscheidt zich binnen de gemeente Aalten door de sterke verwevenheid van erfgoed, cultuur, gemeenschap en leefomgeving. Het historische vestingstadje heeft een eigen identiteit waarin wonen, cultuur, toerisme en ontmoeting nauw met elkaar samenhangen. De compacte structuur, de monumentale bebouwing en de ligging in het landschap maken Bredevoort tot een bijzondere kern binnen de gemeente. Inwoners zijn trots op deze identiteit en hechten grote waarde aan het behoud van het historische karakter, de menselijke schaal en de kwaliteit van de leefomgeving.

De leefbaarheid van Bredevoort wordt in belangrijke mate gedragen door de sterke gemeenschap, het verenigingsleven, culturele activiteiten en ontmoetingsplekken binnen het stadje. Voorzieningen zoals de Koppelkerk, lokale evenementen en de boekenmarkten vervullen niet alleen een toeristische functie, maar spelen ook een belangrijke rol in ontmoeting, sociale samenhang en gemeenschapsvorming.

Het voorzieningenniveau staat echter onder druk. Ook leegstand, verblijfskwaliteit en de kwaliteit van de openbare ruimte vragen aandacht. De opgave voor Bredevoort ligt daarom niet alleen in het behouden van erfgoed, maar juist ook in het levend houden van het stadje als gemeenschap. Het versterken van leefbaarheid, voorzieningen, ontmoeting en woonkwaliteit vormt een belangrijke voorwaarde om het historische karakter ook op langere termijn betekenisvol en toekomstbestendig te houden.

De Toekomstvisie Bredevoort 2025–2035 vormt een belangrijk uitgangspunt voor de verdere ontwikkeling van de kern. In deze visie zijn concrete wensen en ambities benoemd door inwoners en betrokken partijen. Deze richten zich onder andere op het realiseren van voldoende woningen voor jongeren en starters, het toevoegen van levensloopbestendige woningen voor ouderen, het behouden en versterken van voorzieningen en het versterken van de sociale samenhang en het verenigingsleven. Ook het beter benutten van bestaande voorzieningen, zoals het Kulturhus en culturele functies, maakt onderdeel uit van deze visie.

Woningbouw speelt ook in Bredevoort een belangrijke rol in het behouden van leefbaarheid en voorzieningen. Voor de periode tot 2035 wordt ingezet op zorgvuldig ingepaste woningbouw die bijdraagt aan een evenwichtige bevolkingssamenstelling en aan het behoud van voorzieningen en gemeenschapsleven. Daarbij ligt de nadruk op woningen voor starters, jongeren en ouderen, zodat verschillende generaties in Bredevoort kunnen blijven wonen.

Voor de periode 2035–2040 wordt aanvullend gekeken naar mogelijkheden voor woningbouw in zowel de grotere kernen als het buitengebied en de buurtschappen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de ontwikkeling van de woningbehoefte, de voortgang van de woningbouwproductie en de leefbaarheidsopgaven in de verschillende deelgebieden van de gemeente. In Bredevoort blijft in deze periode ruimte bestaan voor aanvullende woningbouw, herstructurering en transformatie, wanneer ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en passen binnen de beschikbare ruimte en infrastructuur.

De woningbouwopgave in Bredevoort is nauw verbonden met concrete ontwikkellocaties. Met name de ontwikkeling van het gebied rond de Slingeplas en ’t Broock speelt hierbij een belangrijke rol. Deze ontwikkeling biedt ruimte voor nieuwe woningen en vraagt tegelijkertijd om een zorgvuldige afweging met andere opgaven.

Toerisme is een belangrijke drager van de economie en levendigheid in Bredevoort en draagt bij aan voorzieningen, cultuur en de aantrekkelijkheid van het stadje. Initiatieven zoals de boekenmarkten, culturele evenementen en activiteiten rond de Koppelkerk spelen hierin een belangrijke rol. De gemeente ziet in Bredevoort daarnaast nadrukkelijk kansen voor verdere kwalitatieve ontwikkeling van cultuurhistorisch en kleinschalig toerisme, passend bij het karakter van de vestingstad. Nieuwe initiatieven kunnen bijdragen aan levendigheid, voorzieningen, cultuur, ontmoeting en economische vitaliteit, mits zij passen binnen de schaal en draagkracht van het gebied.

Tegelijkertijd vragen inwoners nadrukkelijk om een goede balans tussen toerisme, leefbaarheid en rust. Toeristische ontwikkeling moet passen bij de schaal en het karakter van Bredevoort en mag niet leiden tot overmatige druk op de openbare ruimte, parkeerdruk, verkeersonveiligheid of aantasting van de woonkwaliteit. De inzet ligt daarom op kwalitatief en kleinschalig toerisme dat aansluit bij de identiteit van Bredevoort en bijdraagt aan cultuurhistorie, leefbaarheid en verblijfskwaliteit.

Het voorzieningenniveau in Bredevoort vraagt om gerichte versterking. Inwoners geven aan dat het behoud van horeca, ontmoetingsplekken en kleinschalige voorzieningen essentieel is voor de leefbaarheid. Tegelijk is er aandacht nodig voor leegstand in het centrum en voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Het tegengaan van leegstand en het versterken van een aantrekkelijk, compact centrum vormen daarom een belangrijke opgave. Daarbij hoort ook aandacht voor de inrichting van straten en pleinen, vergroening en verblijfskwaliteit. Verkeersveiligheid, met name op en rond de Winterswijkseweg en andere toegangswegen, blijft een belangrijk aandachtspunt. Het centrum moet goed bereikbaar blijven, maar tegelijkertijd aantrekkelijker worden voor voetgangers en fietsers.

De analyse van de leefomgeving laat zien dat er daarnaast belangrijke opgaven liggen op het gebied van water, klimaat en leefkwaliteit. Door de ligging rond de Slingeplas en de aanwezigheid van retentiegebieden is water een bepalende factor in de ruimtelijke ontwikkeling. Het vasthouden en bergen van water is noodzakelijk om wateroverlast te voorkomen en het gebied klimaatbestendig te maken. Tegelijkertijd biedt dit kansen om water, natuur en recreatie met elkaar te verbinden. Ook vergroening, biodiversiteit en onderhoud van de openbare ruimte vragen nadrukkelijk aandacht. Richting 2050 wordt ingezet op een klimaatbestendige en duurzame leefomgeving met voldoende groen, waterberging en koelteplekken.

De energietransitie vormt ook in Bredevoort een belangrijke opgave. Nieuwe woningen worden standaard aardgasvrij en bijna energieneutraal gerealiseerd. Voor de bestaande bouw ligt er een opgave om woningen te isoleren en stapsgewijs aardgasvrij te maken. De ambitie is om uiterlijk in 2050 een volledig aardgasvrije en klimaatneutrale gebouwde omgeving te realiseren. Dit vraagt om ruimte voor energie-infrastructuur, zoals transformatorstations, kabels en laadvoorzieningen, maar ook om zorgvuldig inpassen van deze voorzieningen in het historische en landschappelijke karakter van Bredevoort. De beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheden voor lokale energiesystemen vormen daarbij een belangrijke randvoorwaarde voor verdere ontwikkeling.

Bredevoort kent daarnaast een bijzondere opgave rond het zichtbaar en beleefbaar maken van de historische vestingstructuur. Grote delen van de voormalige vestingwerken zijn nog aanwezig in de ondergrond of in de ruimtelijke structuur, maar zijn voor inwoners en bezoekers nauwelijks herkenbaar. Het herstellen, accentueren en beleefbaar maken van deze structuren – waaronder grachten, bastions en oude waterlopen – biedt kansen om de identiteit van Bredevoort te versterken en te verbinden met actuele opgaven op het gebied van klimaatadaptatie, waterbeheer en recreatie. De historische relatie tussen Bredevoort en water vormt hierbij een belangrijke kans. Het versterken van waterstructuren kan niet alleen bijdragen aan klimaatadaptatie en waterberging, maar ook aan het herstel en de beleving van de vestingstructuur. Daarmee worden erfgoed, water en leefomgeving nadrukkelijk in samenhang ontwikkeld.

Mobiliteit en bereikbaarheid blijven belangrijke aandachtspunten. Bredevoort moet goed bereikbaar blijven voor inwoners en bezoekers, maar tegelijkertijd moet de verkeersdruk in het centrum beheersbaar blijven. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar fysieke verkeersveiligheid, maar ook naar sociale veiligheid, verblijfskwaliteit en de beleefbaarheid van de openbare ruimte. Tegelijk biedt de ontwikkeling van langzaam verkeer, zoals wandelen en fietsen, kansen om recreatie en bereikbaarheid te versterken.

Ook digitalisering speelt een steeds grotere rol in het functioneren van Bredevoort. Culturele voorzieningen, toerisme, dienstverlening en wonen zijn steeds sterker afhankelijk van goede digitale verbindingen. Een betrouwbare digitale infrastructuur draagt daarmee ook bij aan de leefbaarheid en economische vitaliteit van het stadje.

 

De toekomst van Bredevoort ligt in het versterken van de unieke combinatie van erfgoed, gemeenschap, cultuur en leefkwaliteit. Ontwikkelingen moeten daarom niet alleen het historische karakter beschermen, maar juist ook bijdragen aan een levendig en leefbaar vestingstadje waarin mensen willen wonen, ontmoeten en verblijven.

 

4.5 Bedrijventerreinen

Het  bedrijventerrein Aalten en het bedrijventerrein Dinxperlo vormen een belangrijke economische drager van de gemeente en bieden werkgelegenheid voor een groot deel van de inwoners. Tegelijkertijd zijn het niet alleen plekken van productie en logistiek, maar ook gebieden waar dagelijks veel mensen werken, elkaar ontmoeten en een groot deel van hun tijd doorbrengen. De kwaliteit van de werkomgeving, de bereikbaarheid, veiligheid en duurzaamheid van de terreinen worden daarom steeds belangrijker voor het functioneren van de gemeente als geheel.

Ondernemers geven aan dat voldoende ruimte voor ontwikkeling essentieel is om bedrijven te behouden en werkgelegenheid te borgen. Tegelijkertijd bestaat nadrukkelijk behoefte aan aantrekkelijke, toekomstbestendige en duurzame bedrijventerreinen die niet alleen economisch goed functioneren, maar ook bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en het vestigingsklimaat van de gemeente. De opgave voor de bedrijventerreinen ligt daarom niet uitsluitend in uitbreiding, maar nadrukkelijk ook in kwaliteitsverbetering, verduurzaming en efficiënter ruimtegebruik. Bestaande terreinen moeten beter worden benut en tegelijkertijd aantrekkelijker, klimaatbestendiger en toekomstbestendiger worden ingericht.

De vraag naar ruimte voor bedrijvigheid is groot en zal naar verwachting verder toenemen. De bestaande bedrijventerreinen, met name ’t Broek in Aalten, zijn grotendeels vol of kennen nog maar beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Voor de periode tot 2035 wordt daarom ingezet op het optimaal benutten van de bestaande terreinen, onder andere door herstructurering, intensiever ruimtegebruik en het transformeren van verouderde of onderbenutte locaties. Waar nodig kan aanvullend worden gekeken naar uitbreiding van bestaande terreinen, met name aansluitend aan ’t Broek, mits dit zorgvuldig wordt ingepast in het landschap en rekening houdt met omliggende functies.

Ook voor de periode 2035–2040 blijft behoefte bestaan aan ruimte voor bedrijvigheid. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar regionale afstemming en naar een efficiënter gebruik van bestaande ruimte. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de economische vitaliteit van de gemeente, maar mogen niet leiden tot een onevenredige belasting van de leefomgeving of het landschap.

Ondernemers hebben nadrukkelijk aangegeven dat een voorspelbare en goed functionerende overheid belangrijk is voor verdere ontwikkeling. Er is behoefte aan een gemeente die actief meedenkt bij bedrijfsontwikkeling, procedures inzichtelijk maakt en samen met ondernemers zoekt naar oplossingen voor knelpunten op het gebied van ruimte, infrastructuur en duurzaamheid. 

Tegelijkertijd vragen bedrijventerreinen ook om meer aandacht voor de menselijke maat. Werknemers brengen een groot deel van hun tijd door op deze locaties. Een veilige, groene en aantrekkelijke werkomgeving draagt niet alleen bij aan klimaatadaptatie en biodiversiteit, maar ook aan gezondheid, welzijn, sociale veiligheid en werkplezier.

De analyse van de leefomgeving laat zien dat bedrijventerreinen te maken hebben met hittestress, een hoge mate van verharding en beperkte aanwezigheid van groen. Bij hevige neerslag kan bovendien wateroverlast optreden doordat regenwater onvoldoende wordt vastgehouden of geïnfiltreerd. Richting 2050 wordt daarom ingezet op het afkoppelen van verhard oppervlak, het lokaal vasthouden van water en het vergroenen van bedrijventerreinen. Bomen, groene zones en klimaatadaptieve inrichting dragen niet alleen bij aan biodiversiteit en waterbeheer, maar verbeteren ook de verblijfskwaliteit van werknemers en bezoekers.

De energietransitie vormt daarnaast een belangrijke en urgente opgave. De vraag naar elektriciteit neemt sterk toe door elektrificatie van bedrijfsprocessen, vervoer en logistiek. Tegelijkertijd staat de capaciteit van het elektriciteitsnet onder druk. Nieuwe ontwikkelingen zijn daarom alleen mogelijk wanneer voldoende netcapaciteit beschikbaar is of wanneer gebruik kan worden gemaakt van slimme lokale energiesystemen en energieopslag. Dit betekent dat ruimte nodig is voor transformatorstations, kabeltracés, laadvoorzieningen en mogelijk energieopslag. Daarnaast wordt ingezet op maximale benutting van daken voor zonne-energie en op het combineren van energieopwekking met andere functies.

Ook circulair ruimtegebruik vormt een belangrijke opgave. Bedrijventerreinen moeten efficiënter worden gebruikt, waarbij leegstand wordt tegengegaan en bestaande gebouwen waar mogelijk worden hergebruikt of getransformeerd. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan een circulaire economie waarin materialen worden hergebruikt en afval wordt beperkt.

De relatie tussen bedrijventerreinen en de omgeving vraagt nadrukkelijk aandacht. In veel gevallen grenzen bedrijventerreinen direct aan woongebieden of aan het buitengebied. Dit kan leiden tot overlast in de vorm van geluid, verkeer of visuele impact. Het realiseren van groene bufferzones, het verbeteren van de ruimtelijke overgang en het beperken van hinder zijn daarom belangrijke aandachtspunten.

Bij de ontwikkeling en uitbreiding van bedrijventerreinen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met omgevingsveiligheid. Nieuwe activiteiten worden beoordeeld op mogelijke risico’s voor de omgeving en worden alleen toegestaan wanneer deze passen binnen de geldende veiligheidsnormen en geen onaanvaardbare risico’s opleveren.

Mobiliteit en bereikbaarheid vormen eveneens een belangrijk onderdeel van de opgave. Bedrijventerreinen moeten goed bereikbaar blijven voor werknemers, leveranciers en klanten. Tegelijk moet worden voorkomen dat extra verkeer leidt tot overlast in woongebieden of op lokale wegen. De ontsluiting via de N318 en N313 speelt daarbij een belangrijke rol. Daarnaast wordt ingezet op het verbeteren van bereikbaarheid voor werknemers zonder auto, bijvoorbeeld via openbaar vervoer, fietsvoorzieningen en nieuwe vormen van mobiliteit. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan sociale veiligheid, overzichtelijkheid en de kwaliteit van de openbare ruimte op en rond de bedrijventerreinen.

Digitalisering speelt eveneens een steeds grotere rol in de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Een betrouwbare digitale infrastructuur is noodzakelijk voor moderne bedrijfsvoering, logistiek, energiesturing en nieuwe vormen van mobiliteit. Tegelijk vraagt deze ontwikkeling om aandacht voor digitale veiligheid en weerbaarheid.

 

De bedrijventerreinen van de toekomst zijn niet alleen plekken om te werken, maar ook gebieden waar duurzaamheid, gezondheid, bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit samenkomen. Juist door vergroening, verduurzaming en slim ruimtegebruik te combineren, kunnen de terreinen economisch sterk blijven én beter aansluiten op de kwaliteit van de leefomgeving.

 

4.6 Buitengebied

Het buitengebied van Aalten vormt het groene en landschappelijke raamwerk van de gemeente en is voor veel inwoners nauw verbonden met rust, ruimte, identiteit en gemeenschapsgevoel. Het karakteristieke coulisselandschap, de verspreide erven, de houtwallen, de landbouwgronden en de kleinschalige natuurstructuren bepalen in sterke mate de kwaliteit van de leefomgeving. Tegelijkertijd is het buitengebied niet alleen een landschap, maar ook een gebied waar mensen wonen, werken, ondernemen en samenleven.

Juist die combinatie van landschap en gemeenschap maakt het buitengebied bijzonder. De leefbaarheid hangt sterk samen met de aanwezigheid van vitale buurtschappen, een toekomstbestendige landbouw en sterke sociale netwerken. Inwoners geven aan dat juist de combinatie van landschap, gemeenschapszin en kleinschaligheid het gebied karakter geeft. Tegelijkertijd staat deze leefbaarheid onder druk door vergrijzing, het vertrek van jongeren, schaalvergroting in de landbouw en het verdwijnen van voorzieningen en ontmoetingsplekken. De ontwikkeling van het buitengebied vraagt daarom om een zorgvuldige balans tussen landbouw, wonen, natuur, recreatie, water, klimaat en leefomgeving. De opgave ligt niet alleen in het beschermen van landschap en natuur, maar nadrukkelijk ook in het behouden van leefbaarheid, gemeenschappen en economische vitaliteit.

De landbouw vormt daarbij een belangrijke economische drager van het gebied, maar staat tegelijkertijd voor een ingrijpende transitie. Veranderende marktomstandigheden, strengere milieueisen en de noodzaak om duurzamer te werken vragen om nieuwe vormen van bedrijfsvoering. De inzet ligt op een toekomstbestendige landbouw waarin productie, natuur, landschap en leefomgeving beter met elkaar in balans zijn. Dit betekent onder andere een verdere ontwikkeling richting kringlooplandbouw, vermindering van emissies en een zorgvuldiger gebruik van bodem en water.

Tegelijkertijd staat de sociale structuur van het buitengebied onder druk. In veel buurtschappen neemt het aantal jongeren af en staat het draagvlak voor verenigingen, voorzieningen en gemeenschapsleven onder spanning. Het behoud van leefbaarheid en sociale samenhang vraagt om aandacht voor ontmoeting, voorzieningen, verenigingen en de samenstelling van de bevolking. In de periode 2035–2040 wordt daarom ook gekeken waar aanvullende woningbouw in het buitengebied en de buurtschappen kan bijdragen aan de woningbehoefte en de leefbaarheid. Het buitengebied van Aalten is immers niet alleen een fysieke ruimte, maar ook een sociaal systeem waarin landbouw, landschap en gemeenschap nauw met elkaar verbonden zijn. Het behoud van het karakteristieke coulisselandschap hangt mede samen met de aanwezigheid van een vitale gemeenschap en een toekomstbestendige agrarische structuur.

Het op beperkte schaal toevoegen van woningen kan bijdragen aan een evenwichtige bevolkingssamenstelling en aan de vitaliteit van buurtschappen. Welke bijdrage dit levert aan voorzieningen, sociale samenhang en leefbaarheid, verschilt per gebied en hangt ook af van andere maatregelen. Daarbij blijft ontwikkeling altijd ondergeschikt aan de draagkracht van het gebied en de kwaliteit van natuur en landschap.

Nieuwe woningen worden uitsluitend toegevoegd in de vorm van kleinschalig maatwerk. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande structuren en erven. Mogelijkheden liggen onder andere in functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing, hergebruik van bestaande erven, generatie-erven en andere passende woonvormen. Grootschalige woningbouw of sterke verdichting passen niet bij het karakter en de schaal van het buitengebied.

Bij woningbouw in het buitengebied speelt ook de beschikbaarheid van riolering een belangrijke rol. Niet alle delen van het buitengebied zijn aangesloten op het riool of beschikken over voldoende capaciteit. Dit betekent dat per locatie moet worden beoordeeld of aansluiting mogelijk is of dat alternatieve oplossingen nodig zijn voor de verwerking van afvalwater. De aanwezigheid of realiseerbaarheid van een passende riooloplossing is daarmee een randvoorwaarde voor woningbouw.

Naast landbouw en wonen biedt het buitengebied ruimte voor kleinschalige vormen van verblijfsrecreatie en agrotoerisme. De gemeente ziet toerisme en recreatie nadrukkelijk als kans om het buitengebied economisch en sociaal vitaal te houden. Kleinschalige verblijfsrecreatie, agrotoerisme en recreatieve nevenfuncties kunnen bijdragen aan bewonersprofijt, nieuwe verdienmodellen, behoud van voorzieningen en versterking van landschap en biodiversiteit. Daarbij blijft uitgangspunt dat ontwikkelingen passen bij de schaal, rust en kwaliteit van het buitengebied. Het gaat daarbij nadrukkelijk om kleinschalige en kwalitatieve vormen van recreatie. Grootschalige recreatieve ontwikkelingen die niet passen bij het karakter, de rust en de draagkracht van het landschap worden niet passend geacht. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de effecten van recreatieve druk op natuur, leefbaarheid en verkeersveiligheid.

Tegelijkertijd staat de biodiversiteit onder druk en is de kwaliteit van natuur en landschap niet overal op het gewenste niveau. Het versterken van biodiversiteit en het behouden en herstellen van landschapselementen, zoals houtwallen, singels en kleine natuurgebieden, vormen daarom belangrijke opgaven. Ook de samenhang tussen natuurgebieden en het verbeteren van ecologische verbindingen vragen nadrukkelijk aandacht. Met name in het noordelijk deel van de gemeente, in het gebied ten noordoosten en westen van Dinxperlo en in de omgeving van De Haart ligt een belangrijke opgave om de groenblauwe dooradering en de ecologische samenhang verder te versterken.

Water en bodem zijn sturend voor de ontwikkeling van het buitengebied. Er is sprake van zowel droogte als wateroverlast, afhankelijk van de locatie en de omstandigheden. De ambitie is om water zoveel mogelijk vast te houden in het gebied, onder andere door het benutten van natuurlijke laagtes, beekdalen en bestaande groenstructuren. Richting 2050 wordt ingezet op het vergroten van de sponswerking van het landschap, zodat water beter wordt vastgehouden in droge perioden en piekbuien beter kunnen worden opgevangen. De beekstructuren, waaronder de Keizersbeek en Slingebeek, spelen hierbij een belangrijke rol. Het versterken van deze structuren, bijvoorbeeld door hermeandering en het creëren van ruimte voor water, biedt kansen om waterbeheer, natuurontwikkeling en recreatie met elkaar te verbinden. Tegelijk moeten ontwikkelingen rekening houden met watergevoelige gebieden en bodemcondities.

De klimaatopgave vraagt daarnaast om een verdere vergroening van het buitengebied en het versterken van de landschappelijke kwaliteit. Dit draagt niet alleen bij aan biodiversiteit, maar ook aan het verminderen van hittestress en het verbeteren van de leefomgeving.

De energietransitie vormt een belangrijke en zichtbare opgave in het buitengebied. De ambitie is om richting 2050 een klimaatneutrale gemeente te realiseren. In het buitengebied ligt de nadruk daarbij op energiebesparing, zon op daken, kleinschalige opwekking, opslag, slimme lokale energiesystemen en energiegemeenschappen. Bestaande duurzame energievoorzieningen, zoals windpark Hagenwind, maken onderdeel uit van het huidige energiesysteem.

Voor nieuwe grootschalige energieopwekking in het landschap geldt een terughoudende en zorgvuldig afwegende benadering. De gemeente houdt rekening met de Regionale Energiestrategie Achterhoek en de regionale aanvulling op het PlanMER Windbeleid en RES Gelderland, waarin zoekgebieden voor windenergie zijn onderzocht. Deze zoekgebieden zijn echter nadrukkelijk geen automatische ontwikkellocaties. Juist in het buitengebied spelen belangrijke kwaliteiten en beperkingen op het gebied van landschap, natuur, vogelgevoeligheid, cultuurhistorie, leefbaarheid, gezondheid, water, bodem en agrarisch gebruik. Eventuele nieuwe initiatieven vragen daarom steeds om een integrale gebiedsgerichte afweging waarbij zorgvuldig wordt beoordeeld of ontwikkelingen passen binnen de draagkracht van het gebied, zorgvuldig kunnen worden ingepast en niet leiden tot een onevenredige aantasting van landschap, natuur, leefomgeving of ruimtelijke kwaliteit.

Naast energieopwekking vraagt ook de energie-infrastructuur om ruimte, bijvoorbeeld voor transformatorstations, kabels en energieopslag. De beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheden voor lokale energiesystemen vormen daarbij een belangrijke randvoorwaarde voor verdere ontwikkeling.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt tevens rekening gehouden met het beheer en onderhoud van het watersysteem. Waar mogelijk worden koppelkansen benut om onderhoudspaden en watergangen toekomstbestendig in te richten, bijvoorbeeld door ruimte te reserveren voor breder onderhoud en betere bereikbaarheid.

Het buitengebied kent daarnaast een belangrijke opgave rond vrijkomende agrarische bebouwing. Door schaalvergroting en beëindiging van bedrijven komen erven vrij, die zonder ingrijpen kunnen leiden tot leegstand en verloedering. Tegelijk bieden deze erven kansen voor nieuwe functies, zoals wonen, kleinschalige bedrijvigheid, zorg, recreatie of natuur. Functieverandering moet zorgvuldig worden afgewogen en bijdragen aan de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving.

Mobiliteit en bereikbaarheid blijven belangrijke aandachtspunten. In het buitengebied is de auto vaak noodzakelijk, maar tegelijkertijd is er behoefte aan betere alternatieven, zoals openbaar vervoer, deelmobiliteit en veilige fietsverbindingen. Ook verkeersveiligheid op smalle wegen en de aanwezigheid van landbouwverkeer vragen nadrukkelijk aandacht.

Digitale bereikbaarheid wordt in het buitengebied steeds meer een voorwaarde om volwaardig te kunnen wonen, werken en deelnemen aan de samenleving. Goede verbindingen maken thuiswerken, zorg op afstand, digitale dienstverlening en moderne agrarische bedrijfsvoering mogelijk. Daarmee is digitale infrastructuur geen aanvullend gemak, maar een basisvoorwaarde voor een leefbaar en economisch vitaal buitengebied.

Verder wordt bij ruimtelijke inrichting ook aandacht besteed aan sociale veiligheid, overzichtelijkheid en een leefomgeving waarin inwoners zich veilig voelen en elkaar kunnen ontmoeten.

 

De toekomst van het buitengebied ligt in het vinden van een nieuw evenwicht tussen landbouw, landschap, natuur, wonen en leefbaarheid. Niet door functies los van elkaar te ontwikkelen, maar juist door ze opnieuw met elkaar te verbinden. Alleen zo blijft het buitengebied niet alleen economisch vitaal, maar ook herkenbaar, leefbaar en landschappelijk sterk.

 

4.7 Overgangsgebieden

De overgangsgebieden vormen de schakel tussen de kernen en het buitengebied en zijn van grote betekenis voor de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van de gemeente Aalten. Juist in deze zones komt de relatie tussen dorp, landschap en leefomgeving het sterkst tot uitdrukking. De manier waarop de dorpen overgaan in het landschap bepaalt in belangrijke mate hoe inwoners en bezoekers de kwaliteit van de leefomgeving ervaren.

Deze gebieden vervullen niet alleen een ruimtelijke functie, maar ook een belangrijke rol in de beleving van de leefomgeving. Hier ontmoeten wonen, landschap, recreatie, natuur en dagelijks gebruik elkaar. De kwaliteit van deze zones bepaalt in sterke mate hoe aantrekkelijk en herkenbaar de dorpen aanvoelen.

Inwoners geven aan dat de dorpsranden op sommige plekken rommelig, versnipperd of weinig herkenbaar zijn geworden. Er bestaat behoefte aan aantrekkelijkere en beter vormgegeven overgangen tussen bebouwing en landschap, met meer aandacht voor groen, verblijfskwaliteit, samenhang en identiteit.

Tegelijkertijd liggen in deze gebieden belangrijke opgaven op het gebied van woningbouw, klimaatadaptatie, recreatie, biodiversiteit en mobiliteit. Juist in de overgangsgebieden komen veel verschillende belangen en functies samen, waardoor zorgvuldige afwegingen noodzakelijk zijn.

De belangrijkste opgave ligt in het realiseren van een geleidelijke, kwalitatieve en herkenbare overgang tussen kern en landschap. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan deze overgang en mogen niet leiden tot verrommeling, harde randen of verlies van landschappelijke kwaliteit. Nieuwe bebouwing wordt daarom afgestemd op de schaal en structuur van zowel het dorp als het omliggende landschap. Groenstructuren, zichtlijnen, waterlopen en bestaande landschappelijke elementen spelen daarbij een belangrijke rol. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer zij zorgvuldig worden ingepast en bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving.

Hiernaast bieden overgangsgebieden kansen om meerdere opgaven met elkaar te verbinden. Woningbouw, vergroening, klimaatadaptatie, waterberging, biodiversiteit en recreatieve verbindingen kunnen hier in samenhang worden ontwikkeld. Juist in deze zones kunnen koppelkansen worden benut om verschillende doelen tegelijkertijd te realiseren.

Water en klimaatadaptatie vormen een belangrijk onderdeel van deze opgave. Door het toevoegen van groen, het verminderen van verharding en het creëren van ruimte voor water kunnen overgangsgebieden bijdragen aan het beperken van wateroverlast, het verminderen van hittestress en het verbeteren van de leefomgeving.

Daarnaast spelen overgangsgebieden een belangrijke rol in de groenblauwe dooradering van de gemeente. Door het verbinden van groenstructuren, waterlopen, bermen en recreatieve routes ontstaat een samenhangend netwerk dat niet alleen ecologische waarde heeft, maar ook bijdraagt aan gezondheid, recreatieve kwaliteit en de beleefbaarheid van het landschap.

Ook recreatieve verbindingen tussen kernen en buitengebied kunnen in deze gebieden worden versterkt. Wandel- en fietsroutes, groene verbindingen en toegankelijke dorpsranden dragen bij aan de leefkwaliteit en maken het landschap beter beleefbaar voor inwoners en bezoekers.

Een aantrekkelijke, overzichtelijke en goed ingerichte openbare ruimte draagt daarbij niet alleen bij aan recreatieve kwaliteit, maar ook aan sociale veiligheid, ontmoeting en verblijfskwaliteit. Overgangsgebieden kunnen daarmee fungeren als groene ontmoetingszones tussen dorp en landschap.

De energietransitie en de uitbreiding van infrastructuur vragen eveneens aandacht in deze gebieden. Nieuwe energievoorzieningen, kabeltracés of andere infrastructuur moeten zorgvuldig worden ingepast en mogen niet leiden tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit of de samenhang van het landschap.

Mobiliteit en bereikbaarheid spelen eveneens een belangrijke rol. Overgangsgebieden vormen vaak belangrijke routes tussen kernen en buitengebied. Het verbeteren van verkeersveiligheid, fietsverbindingen en langzaamverkeerroutes kan bijdragen aan zowel bereikbaarheid als leefkwaliteit.

Digitalisering en slimme infrastructuur kunnen daarnaast bijdragen aan een beter functioneren van deze gebieden, bijvoorbeeld door slimme verkeersmaatregelen, verlichting en nieuwe vormen van mobiliteit.

 

De overgang tussen dorp en landschap bepaalt in hoge mate hoe inwoners en bezoekers Aalten beleven. Zorgvuldige dorpsranden met ruimte voor groen, water, ontmoeting en langzaam verkeer versterken niet alleen de ruimtelijke kwaliteit, maar ook de leefbaarheid en identiteit van de gemeente.

 

4.8 Aaltense Heurne

De buurtschap Aaltense Heurne wordt gekenmerkt door een sterke verwevenheid tussen landschap, agrarisch gebruik en gemeenschapsleven. De kleinschalige bebouwingsstructuur, de verspreide erven en het omliggende coulisselandschap bepalen in belangrijke mate de identiteit van het gebied. Inwoners waarderen vooral de rust, de ruimte en de onderlinge verbondenheid, maar geven tegelijkertijd aan dat de leefbaarheid onder druk staat door vergrijzing en het vertrek van jongeren.

Het buurtschap wordt sterk gedragen door naoberschap en betrokkenheid van inwoners bij hun omgeving. Ontmoetingsplekken, verenigingsleven en informele netwerken spelen een belangrijke rol in het dagelijks functioneren van de gemeenschap. Juist deze sociale samenhang maakt de Aaltense Heurne voor veel inwoners aantrekkelijk als woon- en leefomgeving.

Tegelijkertijd staat het behoud van deze sociale structuur onder druk door demografische veranderingen en het afnemen van het aantal jonge inwoners. De belangrijkste opgave voor de Aaltense Heurne ligt daarom in het behouden van een vitaal en leefbaar buurtschap, waarbij gemeenschap, landschap en leefkwaliteit in samenhang worden versterkt.

Daarbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om fysieke ontwikkeling, maar ook om het in stand houden van sociale netwerken, ontmoeting en verbondenheid. De leefbaarheid van het buurtschap hangt nauw samen met de aanwezigheid van voldoende inwoners, een evenwichtige bevolkingssamenstelling en de kwaliteit van de leefomgeving.

Voor de periode 2035–2040 wordt aanvullend gekeken naar de bijdrage die het gebied kan leveren aan de aanvullende woningbouwopgave richting 2040. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met actuele woningbehoefte, leefbaarheid, bevolkingssamenstelling, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur. De exacte invulling en bijdrage van het gebied aan de aanvullende woningbouwopgave wordt in het gebiedsgerichte vervolgproces nader bepaald, mede op basis van actuele woningbehoefte, leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur, en in samenhang met de uitkomsten van het overleg met inwoners en betrokkenen.

Nieuwe woningen worden uitsluitend gerealiseerd in de vorm van maatwerk. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande bebouwingsstructuren en erven. Mogelijkheden liggen onder andere in hergebruik van bestaande bebouwing, kleinschalige toevoegingen bij erven, generatie-erven en andere passende woonvormen. Grootschalige woningbouw of sterke verdichting passen niet bij het karakter van de Aaltense Heurne.

Woningbouw wordt nadrukkelijk gekoppeld aan de leefbaarheid van het buurtschap. Het toevoegen van woningen moet bijdragen aan het behouden van jongeren, het versterken van de bevolkingssamenstelling en het in stand houden van sociale netwerken en gemeenschapsleven.

Het omliggende landschap en het agrarisch gebruik vormen belangrijke dragers van het gebied. De landbouwsector blijft ook hier van groot belang, maar staat tegelijkertijd voor een ontwikkeling richting duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Ontwikkelingen binnen de landbouw moeten passen binnen de randvoorwaarden van natuur, water, landschap en leefomgeving.

Daarnaast biedt het gebied ruimte voor kleinschalige nevenactiviteiten, zoals recreatie, functieverandering van erven en andere aanvullende functies die bijdragen aan de vitaliteit van het buurtschap en de kwaliteit van het landschap.

Water en bodem zijn sturend voor de ontwikkeling van het gebied. In delen van de Aaltense Heurne moet rekening worden gehouden met watergevoeligheid en de draagkracht van de bodem. Dit betekent dat niet iedere locatie geschikt is voor nieuwe functies en dat per ontwikkeling zorgvuldig moet worden gekeken naar de mogelijkheden en beperkingen vanuit het water- en bodemsysteem.

De afvalwateropgave vraagt per initiatief om een praktische toets. Niet overal is aansluiting op het riool vanzelfsprekend en niet overal is voldoende capaciteit aanwezig. Nieuwe functies zijn daarom alleen passend wanneer vooraf duidelijk is hoe afvalwater duurzaam, veilig en toekomstbestendig wordt verwerkt.

De energietransitie speelt ook in de Aaltense Heurne een belangrijke rol. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan verduurzaming, bijvoorbeeld door energiebesparing, kleinschalige opwekking en energieopslag, waarbij ontwikkelingen zorgvuldig landschappelijk worden ingepast en passen binnen de schaal en kwaliteit van het gebied. De beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheden voor lokale energiesystemen vormen daarbij een belangrijke randvoorwaarde.

Bereikbaarheid blijft een belangrijk aandachtspunt. In het buitengebied blijft de auto voor veel inwoners noodzakelijk, maar tegelijkertijd bestaat behoefte aan veilige fietsverbindingen en een goede bereikbaarheid van voorzieningen. Ook de verkeersveiligheid op lokale wegen vraagt aandacht, mede vanwege landbouwverkeer.

Voor de Aaltense Heurne kan digitalisering helpen om afstand tot voorzieningen te verkleinen. Goede digitale verbindingen ondersteunen thuiswerken, zorg op afstand, onderwijs, dienstverlening en onderlinge communicatie binnen het buurtschap. Daarmee draagt digitale bereikbaarheid bij aan zelfstandigheid, verbondenheid en het behoud van leefbaarheid. De kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving speelt een belangrijke rol in het behouden van betrokkenheid en onderlinge verbondenheid binnen het buurtschap. Groen, rustige wegen, herkenbare erven en ontmoetingsplekken dragen eraan bij dat inwoners zich thuis blijven voelen in hun omgeving.

 

De kracht van de Aaltense Heurne ligt in de combinatie van landschap, naoberschap en kleinschaligheid. De uitdaging richting 2040 is om juist die kwaliteiten vast te houden, terwijl tegelijkertijd ruimte blijft bestaan voor een nieuwe generatie inwoners en een toekomstbestendig buurtschap.

 

4.9 Barlo

De buurtschap Barlo wordt gekenmerkt door rust, ruimte en een sterke verwevenheid tussen landschap, agrarisch gebruik en gemeenschapsleven. De verspreide erven, kleinschalige landschapselementen en het open karakter van het gebied bepalen in belangrijke mate de identiteit van het buurtschap. Inwoners waarderen vooral de rustige leefomgeving en de sterke onderlinge betrokkenheid die Barlo kenmerken.

De gemeenschap vormt een belangrijke drager van de leefbaarheid van het buurtschap. Verenigingen, informele netwerken en onderlinge hulp spelen een grote rol in het dagelijks functioneren van het gebied. Tegelijkertijd ervaren inwoners dat deze sociale structuur onder druk staat door vergrijzing, het vertrek van jongeren en het afnemende draagvlak voor voorzieningen en activiteiten. Voor Barlo ligt de uitdaging daarom niet alleen in het behouden van ruimtelijke kwaliteit, maar nadrukkelijk ook in het behouden van een sterke en vitale gemeenschap. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan leefbaarheid, sociale samenhang en het functioneren van het buurtschap als gemeenschap.

Richting 2040 wordt voor Barlo bekeken welke beperkte bijdrage het buurtschap kan leveren aan de aanvullende woningbouwopgave. Daarbij staat niet het aantal woningen voorop, maar de vraag of woningbouw helpt om de gemeenschap vitaal te houden en past binnen de schaal, het landschap en de beschikbare infrastructuur. De verdere invulling wordt bepaald in het gebiedsgerichte vervolgproces, samen met inwoners en betrokkenen.

Nieuwe woningen worden uitsluitend toegevoegd in de vorm van maatwerk. Uitgangspunt is dat wordt aangesloten bij bestaande bebouwing en ervenstructuren. Mogelijkheden liggen onder andere in functieverandering van erven, hergebruik van bestaande bebouwing, generatie-erven en kleinschalige toevoegingen bij bestaande woningen. Grootschalige uitbreiding of sterke verdichting past niet bij de identiteit en schaal van Barlo.

Woningbouw wordt nadrukkelijk gekoppeld aan de leefbaarheid van het buurtschap. Met gerichte toevoegingen van woningen wil Barlo ruimte blijven bieden aan jonge huishoudens en nieuwe generaties inwoners, zodat verenigingen, ontmoetingsplekken en sociale netwerken voldoende draagvlak behouden.

Het landschap vormt één van de belangrijkste kwaliteiten van Barlo. Ontwikkelingen moeten zorgvuldig worden ingepast en mogen niet leiden tot aantasting van de ruimtelijke samenhang of het landelijke karakter van het gebied. Het behoud en de verdere versterking van houtwallen, erfbeplanting en andere landschappelijke structuren blijven daarbij belangrijk.

De landbouw vormt een belangrijke economische en landschappelijke drager van het gebied. Tegelijkertijd staat de sector ook hier voor een ontwikkeling richting duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Ontwikkelingen binnen de landbouw moeten bijdragen aan deze ontwikkeling en passen binnen de randvoorwaarden van natuur, water en leefomgeving.

Daarnaast biedt het gebied ruimte voor kleinschalige nevenactiviteiten, zoals recreatie, functieverandering van erven en andere functies die bijdragen aan de vitaliteit van het buurtschap en de kwaliteit van het landschap.

Water en bodem spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van Barlo. In delen van het gebied moet rekening worden gehouden met watergevoelige locaties en met de draagkracht van de bodem. Dit betekent dat niet iedere plek geschikt is voor nieuwe functies en dat ontwikkelingen steeds zorgvuldig moeten worden afgewogen vanuit het water- en bodemsysteem.

Bij nieuwe ontwikkelingen in Barlo moet vroegtijdig worden bekeken of de bestaande afvalwaterinfrastructuur toereikend is. Waar aansluiting op het riool ontbreekt of onvoldoende capaciteit beschikbaar is, zijn alleen oplossingen passend die technisch uitvoerbaar zijn en geen extra druk leggen op bodem, water of leefomgeving.

De energietransitie vraagt ook in Barlo om zorgvuldige keuzes. Verduurzaming van woningen en bedrijven wordt gestimuleerd, maar ontwikkelingen moeten passen bij de schaal en het karakter van het landschap. De nadruk ligt daarom vooral op energiebesparing, kleinschalige opwekking en oplossingen die landschappelijk goed kunnen worden ingepast. Tegelijkertijd bepaalt de beschikbare capaciteit van het elektriciteitsnet mede welke ontwikkelingen uitvoerbaar zijn.

Verkeersveiligheid en bereikbaarheid vragen nadrukkelijk aandacht, met name op de doorgaande wegen en bij aansluitingen op grotere infrastructuur. Inwoners vragen om een veiligere inrichting van wegen, lagere snelheden en meer aandacht voor fietsers en voetgangers. Daarbij spelen ook overzichtelijkheid, sociale veiligheid en de kwaliteit van de openbare ruimte een belangrijke rol.

Voor inwoners van Barlo wordt ook digitale bereikbaarheid steeds belangrijker in het dagelijks leven. Zorg, dienstverlening, onderwijs en werk vinden steeds vaker deels digitaal plaats. Juist in een verspreid gelegen buurtschap helpt een goede digitale infrastructuur om voorzieningen bereikbaar te houden en sociale en economische verbondenheid te behouden. Betrouwbare digitale verbindingen zijn daarmee niet alleen een technische voorziening, maar ook een belangrijke voorwaarde voor leefbaarheid.

 

Barlo moet zich kunnen blijven ontwikkelen zonder de rust, de openheid en de sociale verbondenheid kwijt te raken die het buurtschap juist kenmerken. Dat vraagt niet om grote ingrepen, maar om zorgvuldig maatwerk dat landschap en gemeenschap tegelijkertijd versterkt.

 

4.10 Dale

Dale wordt gekenmerkt door rust, openheid en een sterke verwevenheid tussen landschap, agrarisch gebruik en gemeenschapsleven. De open ruimten, lange zichtlijnen en stilte geven het buurtschap een heel eigen karakter binnen gemeente Aalten. Juist die eenvoud en landschappelijke openheid maken het gebied bijzonder, maar ook kwetsbaar voor ontwikkelingen die niet passen bij de schaal en identiteit van het gebied.

De gemeenschap is relatief klein en daardoor gevoelig voor vergrijzing, het vertrek van jongeren en een afnemend draagvlak voor activiteiten en ontmoetingsplekken. De toekomst van Dale hangt daarom niet alleen af van het behoud van landschap, maar ook van het vermogen om de sociale verbondenheid binnen het buurtschap levend te houden.

De belangrijkste opgave voor buurtschap Dale ligt in het behouden van een leefbaar en vitaal buurtschap zonder dat de rust, openheid en landschappelijke kwaliteit van het gebied verloren gaan. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om ruimtelijke ontwikkeling, maar ook om het behouden van sociale samenhang, ontmoeting en verbondenheid.

Voor Dale wordt richting 2040 terughoudend gekeken naar aanvullende woningbouw. Alleen wanneer nieuwe woningen bijdragen aan leefbaarheid, sociale samenhang en een evenwichtiger bevolkingsopbouw, kan maatwerk aan de orde zijn. De exacte mogelijkheden worden in het gebiedsgerichte vervolgproces bepaald, waarbij rust, openheid, landschap, water, bodem en beschikbare infrastructuur zwaar meewegen.

Woningbouw wordt uitsluitend mogelijk gemaakt in de vorm van maatwerk. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande bebouwingsstructuren en erven. Mogelijkheden liggen onder andere in functieverandering van vrijkomende bebouwing, hergebruik van erven, generatie-erven en kleinschalige toevoegingen bij bestaande woningen. Grootschalige woningbouw of sterke verdichting past niet bij het karakter van Dale.

Het toevoegen van woningen staat nadrukkelijk in relatie tot het behouden van leefbaarheid en gemeenschap. Wanneer in Dale nieuwe woningen worden toegevoegd, moeten deze vooral bijdragen aan het in stand houden van de gemeenschap en aan een evenwichtiger bevolkingssamenstelling binnen het buurtschap.

De openheid van het landschap vormt één van de belangrijkste kwaliteiten van het gebied en vraagt om een zorgvuldige inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Ontwikkelingen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit, de landschappelijke samenhang of de karakteristieke open structuur van het gebied.

Het agrarisch gebruik blijft een belangrijke drager van het landschap en van de lokale economie. Tegelijkertijd staat de landbouwsector ook in Dale voor een ontwikkeling richting duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Ontwikkelingen binnen de landbouw moeten passen binnen de randvoorwaarden van natuur, water, bodem en leefomgeving.

Naast landbouw biedt het gebied ruimte voor kleinschalige aanvullende functies, zoals recreatie, functieverandering van erven en andere nevenactiviteiten die bijdragen aan de vitaliteit van het gebied en de kwaliteit van de leefomgeving.

Water en bodem zijn bepalend voor de verdere ontwikkeling van Dale. Het gebied kent zowel laaggelegen delen waar waterberging een rol speelt als hogere delen waar juist droogteproblematiek kan ontstaan. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom zorgvuldig worden afgestemd op de mogelijkheden en beperkingen van het water- en bodemsysteem.

Ook de rioleringsinfrastructuur vormt een belangrijke randvoorwaarde. Niet alle delen van het buurtschap beschikken over een rioolaansluiting of voldoende capaciteit. Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk wanneer afvalwater duurzaam en verantwoord kan worden verwerkt.

De energietransitie vormt ook in Dale een belangrijke opgave. Daarbij staan het open karakter, de landschappelijke kwaliteit en de leefbaarheid van het gebied nadrukkelijk centraal. Bestaande duurzame energievoorzieningen, zoals windpark Hagenwind, maken onderdeel uit van het huidige energiesysteem binnen de gemeente. Eventuele nieuwe grootschalige energieontwikkelingen vragen in Dale om een zeer zorgvuldige gebiedsgerichte afweging, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met landschap, natuur, water, cultuurhistorie, leefbaarheid, gezondheid, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur.

De nadruk ligt daarom op energiebesparing, verduurzaming van bestaande bebouwing, kleinschalige energieopwekking, energieopslag en oplossingen die zorgvuldig landschappelijk kunnen worden ingepast. Grootschalige energieopslag kan bijdragen aan een stabieler, flexibeler en betrouwbaarder energiesysteem en vraagt daarom om een zorgvuldige afweging in relatie tot landschap, leefomgeving, veiligheid, infrastructuur en ruimtelijke kwaliteit. De beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheden voor lokale energiesystemen vormen daarbij belangrijke randvoorwaarden voor verdere ontwikkeling.

Mobiliteit en bereikbaarheid vormen een aandachtspunt, met name vanwege de ligging in het buitengebied. De auto is vaak noodzakelijk, maar er is ook behoefte aan veilige fietsverbindingen en een betere bereikbaarheid van voorzieningen. Daarbij spelen ook overzichtelijkheid, sociale veiligheid en de kwaliteit van de openbare ruimte een belangrijke rol.

Voor inwoners van Dale wordt ook digitale bereikbaarheid steeds belangrijker in het dagelijks leven. Zorg, dienstverlening, onderwijs en werk vinden steeds vaker deels digitaal plaats. Juist in een verspreid gelegen buurtschap helpt een goede digitale infrastructuur om voorzieningen bereikbaar te houden en sociale en economische verbondenheid te behouden. Betrouwbare digitale verbindingen zijn daarmee niet alleen een technische voorziening, maar ook een belangrijke voorwaarde voor leefbaarheid.

De kwaliteit van Dale wordt in belangrijke mate bepaald door de combinatie van rust, openheid, landschap en sociale verbondenheid. De uitdaging richting 2040 is om juist die kwaliteiten vast te houden, terwijl tegelijkertijd ruimte blijft bestaan voor een leefbaar en toekomstbestendig buurtschap waarin landschap, gemeenschap en leefkwaliteit met elkaar in balans blijven.

 

Dale moet vooral Dale kunnen blijven: open, rustig en kleinschalig. Ontwikkeling is mogelijk, maar alleen wanneer die het landschap respecteert en de gemeenschap versterkt. De opgave richting 2040 is daarom om ruimte te bieden aan zorgvuldig maatwerk, zonder de stilte, openheid en sociale verbondenheid te verliezen die het buurtschap zijn eigen karakter geven.

 

4.11 De Heurne (Dinxperlose Heurne)

De buurtschap De Heurne heeft binnen de gemeente Aalten een opvallend eigen positie door de ligging nabij de grens en de losse lintstructuur waarin bebouwing, erven en open landschap in elkaar overlopen. Het buurtschap kent geen duidelijk centrum, maar ontleent zijn karakter juist aan de verspreide opbouw, de lange zichtlijnen en de verwevenheid van wonen, landbouw en landschap. De nabijheid van Dinxperlo zorgt tegelijkertijd voor een sterke functionele verbondenheid met voorzieningen en dagelijkse activiteiten.

Wat inwoners vooral waarderen, is het gevoel van saamhorigheid en de sterke sociale verbondenheid binnen het buurtschap. Verenigingen, informele contacten en betrokkenheid bij de leefomgeving vormen een belangrijke basis onder de kwaliteit van het dagelijks leven. Juist in een gebied met verspreide bebouwing blijkt ontmoeting een belangrijke factor voor leefbaarheid en gemeenschapsvorming.

Tegelijkertijd staat deze sociale structuur onder druk. De vergrijzing neemt toe, jongeren vertrekken en het draagvlak voor voorzieningen en verenigingsleven wordt kleiner. Voor De Heurne ligt de uitdaging daarom vooral in het behouden van een sterke gemeenschap, terwijl tegelijkertijd zorgvuldig wordt omgegaan met landschap, ruimte en leefkwaliteit.

Vanuit die leefbaarheidsopgave wordt voor de periode 2035–2040 gekeken naar de bijdrage die het gebied kan leveren aan de aanvullende woningbouwopgave richting 2040. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met actuele woningbehoefte, leefbaarheid, bevolkingssamenstelling, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur. De exacte invulling en bijdrage van het gebied aan de aanvullende woningbouwopgave wordt in het gebiedsgerichte vervolgproces nader bepaald, mede op basis van actuele woningbehoefte, leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur, en in samenhang met de uitkomsten van het overleg met inwoners en betrokkenen.

Nieuwe woningen worden uitsluitend kleinschalig en gebiedsgericht gerealiseerd. Daarbij ligt de nadruk op maatwerk en op het benutten van bestaande structuren. Mogelijkheden liggen bijvoorbeeld in hergebruik van vrijkomende erven, kleinschalige toevoegingen bij bestaande bebouwing, generatie-erven en andere woonvormen die passen bij de schaal van het buurtschap. Verdichting of grootschalige uitbreidingen passen niet bij de structuur en identiteit van De Heurne.

Woningbouw wordt in De Heurne vooral gezien als middel om het buurtschap leefbaar en sociaal vitaal te houden, met voldoende ruimte voor jonge inwoners en nieuwe huishoudens. Nieuwe woningen moeten bijdragen aan het behouden van jongeren, het versterken van de bevolkingssamenstelling en het in stand houden van sociale netwerken, verenigingen en ontmoetingsplekken.

Het landschap rondom De Heurne wordt gekenmerkt door een afwisseling van agrarische gronden, landschapselementen en open ruimten. Juist die combinatie bepaalt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom zorgvuldig worden ingepast en bijdragen aan het behoud en de versterking van deze kwaliteiten.

De landbouw blijft een belangrijke economische en ruimtelijke drager van het gebied. Tegelijkertijd verandert de sector en wordt gewerkt aan duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Nieuwe ontwikkelingen binnen de landbouw moeten passen binnen de randvoorwaarden van natuur, water, landschap en leefomgeving.

Daarnaast bestaat ruimte voor aanvullende functies die bijdragen aan de vitaliteit van het gebied, zoals kleinschalige recreatie, functieverandering van erven en andere passende nevenactiviteiten. Voorwaarde daarbij is steeds dat ontwikkelingen zorgvuldig worden ingepast en passen binnen het karakter van het buurtschap.

Het water- en bodemsysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor toekomstige ontwikkelingen. In delen van het gebied moet rekening worden gehouden met watergevoeligheid en met de draagkracht van de bodem. Dat betekent dat niet iedere locatie geschikt is voor nieuwe functies en dat per initiatief zorgvuldig moet worden gekeken naar de mogelijkheden en beperkingen vanuit het systeem.

Ook de rioleringsinfrastructuur vraagt nadrukkelijk aandacht. Niet alle delen van het buurtschap beschikken over een rioolaansluiting of voldoende capaciteit. Ontwikkelingen zijn daarom alleen mogelijk wanneer afvalwater duurzaam en verantwoord kan worden verwerkt.

De energietransitie brengt ook in De Heurne nieuwe opgaven met zich mee. Verduurzaming van woningen, kleinschalige energieopwekking en energieopslag spelen hierin een rol. Daarbij geldt dat ontwikkelingen zorgvuldig moeten worden ingepast en rekening moeten houden met landschap, leefomgeving en beschikbare netcapaciteit. De beschikbare netcapaciteit en de mogelijkheden voor lokale energiesystemen vormen daarbij een belangrijke randvoorwaarde.

De bereikbaarheid van voorzieningen blijft voor inwoners een belangrijk aandachtspunt. De auto blijft in veel situaties noodzakelijk, maar tegelijkertijd bestaat behoefte aan veilige fietsverbindingen en verkeersveilige routes richting Dinxperlo en omliggende gebieden. Met name op lokale wegen vraagt de combinatie van landbouwverkeer, fietsers en autoverkeer aandacht.

In een buurtschap als De Heurne speelt digitale bereikbaarheid een steeds grotere rol in het behouden van zelfstandigheid en bereikbaarheid van voorzieningen. Digitale toepassingen maken het mogelijk om zorg, werk en dienstverlening flexibeler te organiseren en verminderen deels de afhankelijkheid van fysieke afstand. Een goed functionerende digitale infrastructuur wordt daarmee steeds meer onderdeel van de basisvoorzieningen van het gebied.

 

Voor De Heurne ligt de toekomst niet in grootschalige groei, maar in het versterken van wat het buurtschap al sterk maakt: verbondenheid, landschap en kleinschaligheid. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom vooral bijdragen aan het behouden van de gemeenschap en de kwaliteit van de leefomgeving.

 

4.12 De Haart

In het gebied de buurtschap Haart is water overal aanwezig, zichtbaar én onzichtbaar. Het landschap, de natuur, de bodem en zelfs de manier waarop het buurtschap zich kan ontwikkelen, hangen sterk samen met het watersysteem. De aanwezigheid van het waterwingebied geeft De Haart een bijzondere kwaliteit en maakt het gebied wezenlijk anders dan veel andere buurtschappen binnen de gemeente Aalten.

Juist die combinatie van rust, groen, water en kleinschaligheid maakt De Haart aantrekkelijk als woon- en leefomgeving. Inwoners waarderen de natuurlijke omgeving, de stilte en het sterke gevoel van verbondenheid binnen het buurtschap. Tegelijkertijd groeit de zorg over de toekomst van de gemeenschap. Vergrijzing, het vertrek van jongeren en het afnemende draagvlak voor voorzieningen en verenigingsleven zetten de leefbaarheid onder druk. In deelgebied De Haart draait de opgave daarom niet alleen om ruimtelijke kwaliteit, maar nadrukkelijk ook om het behouden van een gemeenschap die vitaal en verbonden blijft. Ontmoeting, betrokkenheid en het in stand houden van sociale netwerken zijn minstens zo belangrijk als fysieke ontwikkeling.

Vanuit die leefbaarheidsopgave wordt voor de periode 2035–2040 gekeken naar de bijdrage die het gebied kan leveren aan de aanvullende woningbouwopgave richting 2040. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met actuele woningbehoefte, leefbaarheid, bevolkingssamenstelling, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur. De exacte invulling en bijdrage van het gebied aan de aanvullende woningbouwopgave wordt in het gebiedsgerichte vervolgproces nader bepaald, mede op basis van actuele woningbehoefte, leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur, en in samenhang met de uitkomsten van het overleg met inwoners en betrokkenen.

Nieuwe woningen zijn uitsluitend mogelijk in de vorm van kleinschalig maatwerk. De schaal en het karakter van De Haart laten geen grootschalige uitbreidingen of sterke verdichting toe. Mogelijkheden liggen vooral in hergebruik van bestaande erven, functieverandering van bebouwing, generatie-erven en kleinschalige toevoegingen die aansluiten bij de bestaande structuur van het buurtschap. Daarbij geldt nadrukkelijk dat woningbouw niet alleen een ruimtelijke opgave is, maar ook een sociale. Beperkte woningbouw kan in deelgebied De Haart bijdragen aan het behoud van een vitale gemeenschap en aan het versterken van de sociale structuur van het buurtschap.

De bijzondere hydrologische situatie van De Haart stelt duidelijke grenzen aan ontwikkelingen. Bescherming van de kwaliteit van het grondwater staat voorop. Ontwikkelingen die risico’s opleveren voor het grondwatersysteem zijn daarom niet mogelijk. Bij iedere ontwikkeling moet zorgvuldig worden gekeken naar de effecten op waterkwaliteit, infiltratie en hydrologie.

Water en bodem zijn dus nadrukkelijk sturend voor de verdere ontwikkeling van het gebied. Niet iedere locatie is geschikt voor nieuwe functies. De aanwezigheid van waterstructuren, natuurgebieden en laaggelegen delen vraagt om een inrichting die past binnen de draagkracht van het systeem en die bijdraagt aan een klimaatbestendige leefomgeving.

Naast water speelt ook natuur een belangrijke rol in de identiteit van De Haart. De samenhang tussen natuurgebieden, houtwallen, waterlopen en agrarische gronden bepaalt de kwaliteit van het landschap. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan behoud en versterking van deze kwaliteiten en zorgvuldig worden ingepast in het bestaande landschap.

De landbouw blijft daarbij een belangrijke economische drager van het gebied. Tegelijkertijd ontwikkelt de sector zich richting duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Ontwikkelingen binnen de landbouw moeten passen binnen de randvoorwaarden van natuur, water, landschap en leefomgeving.

Daarnaast biedt De Haart ruimte voor kleinschalige aanvullende functies die bijdragen aan de vitaliteit van het gebied, zoals recreatie, functieverandering van erven en andere passende nevenactiviteiten. Voorwaarde daarbij is steeds dat ontwikkelingen zorgvuldig worden ingepast en bijdragen aan de kwaliteit van landschap en leefomgeving.

De verduurzaming van De Haart vraagt om een aanpak die past bij het kwetsbare karakter van het gebied. Nieuwe energievoorzieningen moeten zorgvuldig worden afgewogen in relatie tot landschap, natuur en de bescherming van het waterwingebied. De nadruk ligt daarom op energiebesparing, kleinschalige oplossingen en een zorgvuldige inpassing van nieuwe voorzieningen binnen de bestaande kwaliteiten van het gebied.

Bereikbaarheid blijft voor veel inwoners een praktisch aandachtspunt. Voor dagelijkse voorzieningen blijft de auto vaak noodzakelijk, terwijl tegelijkertijd behoefte bestaat aan veilige fietsverbindingen en verkeersveilige routes in het buitengebied.

Ook voor De Haart neemt het belang van digitale verbindingen verder toe. Niet alleen voor werk en communicatie, maar juist ook voor zorg, veiligheid en bereikbaarheid van voorzieningen. In een gebied waar rust en ruimte belangrijke kwaliteiten zijn, biedt digitalisering kansen om voorzieningen toegankelijk te houden zonder dat dit automatisch leidt tot extra ruimtelijke druk of verkeersbewegingen.

 

In deelgebied De Haart zijn landschap, water en gemeenschap onlosmakelijk met elkaar verbonden. De toekomst van het buurtschap hangt daarom niet alleen af van ruimtelijke keuzes, maar juist ook van het vermogen om deze bijzondere samenhang te behouden en verder te versterken.

 

4.13 IJzerlo

IJzerlo is een buurtschap waar het dagelijkse leven nog sterk verbonden is met het landschap en met elkaar. De schaal van het gebied, de verspreide bebouwing en het open agrarische karakter zorgen voor een rustige en overzichtelijke leefomgeving waarin mensen elkaar kennen en betrokken zijn bij hun omgeving. Juist die kleinschaligheid en sociale verbondenheid worden door inwoners gezien als belangrijke kwaliteiten van IJzerlo.

Die verbondenheid is tegelijkertijd niet vanzelfsprekend voor de toekomst. De samenstelling van de bevolking verandert, jongeren vertrekken en het draagvlak voor voorzieningen en activiteiten staat onder druk. Voor buurtschap IJzerlo ligt de uitdaging daarom vooral in het behouden van een gemeenschap die ook op langere termijn vitaal en leefbaar blijft.

In IJzerlo gaat leefbaarheid niet alleen over voorzieningen of woningen, maar juist ook over het gevoel onderdeel te zijn van een gemeenschap. Ontmoeting, verenigingsleven en onderlinge betrokkenheid spelen daarin een belangrijke rol. De inrichting van de leefomgeving heeft directe invloed op hoe inwoners het buurtschap ervaren. Een groene, rustige en herkenbare omgeving draagt niet alleen bij aan ruimtelijke kwaliteit, maar versterkt ook ontmoeting, gezondheid en sociale verbondenheid.

Vanuit die gedachte wordt voor de periode 2035–2040 gekeken naar de bijdrage die IJzerlo kan leveren aan de aanvullende woningbouwopgave richting 2040. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met actuele woningbehoefte, leefbaarheid, bevolkingssamenstelling, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur. De exacte invulling en bijdrage van het gebied aan de aanvullende woningbouwopgave wordt in het gebiedsgerichte vervolgproces nader bepaald, mede op basis van actuele woningbehoefte, leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en beschikbare infrastructuur, en in samenhang met de uitkomsten van het overleg met inwoners en betrokkenen.

De schaal van IJzerlo vraagt daarbij om terughoudendheid. Nieuwe woningen zijn uitsluitend mogelijk in de vorm van kleinschalig maatwerk en moeten aansluiten bij bestaande erven en bebouwingsstructuren. Mogelijkheden liggen onder andere in functieverandering van vrijkomende bebouwing, hergebruik van erven, generatie-erven en beperkte toevoegingen bij bestaande woningen. Grootschalige uitbreidingen of sterke verdichting passen niet bij het karakter van het buurtschap.

Nieuwe woningen moeten bijdragen aan het behouden van jongeren, het versterken van de bevolkingssamenstelling en het in stand houden van sociale netwerken en gemeenschapsleven. Woningbouw wordt daarmee nadrukkelijk ingezet als middel om leefbaarheid en gemeenschap te versterken, niet als doel op zichzelf.

Het landschap rondom IJzerlo vormt een belangrijke kwaliteit van het gebied. De open agrarische structuur, houtwallen en landschapselementen bepalen de ruimtelijke samenhang en identiteit van het buurtschap. Ontwikkelingen moeten zorgvuldig worden ingepast en bijdragen aan behoud en versterking van deze kwaliteiten.

De landbouw blijft een belangrijke economische en ruimtelijke drager van het gebied. Tegelijkertijd staat de sector ook hier voor een transitie richting duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Ontwikkelingen binnen de landbouw moeten passen binnen de randvoorwaarden van natuur, water, bodem en leefomgeving.

Naast landbouw biedt IJzerlo ruimte voor kleinschalige aanvullende functies die bijdragen aan de vitaliteit van het gebied, zoals recreatie, functieverandering van erven en kleinschalige bedrijvigheid. Voorwaarde daarbij is steeds dat ontwikkelingen zorgvuldig worden ingepast en bijdragen aan de kwaliteit van landschap en leefomgeving.

De natuurlijke omstandigheden van IJzerlo verschillen sterk per locatie. Op sommige plekken spelen watergevoeligheid en bodemgesteldheid een belangrijke rol bij de vraag welke ontwikkelingen mogelijk zijn. Nieuwe functies vragen daarom steeds om een zorgvuldige afweging van de geschiktheid van de locatie. Ook de beschikbaarheid van riolering speelt daarbij een belangrijke rol. Niet alle delen van het buurtschap beschikken over een rioolaansluiting of voldoende capaciteit. Nieuwe ontwikkelingen zijn daarom alleen mogelijk wanneer afvalwater duurzaam en verantwoord kan worden verwerkt.

In IJzerlo moet de energietransitie aansluiten bij de maat en het karakter van het buurtschap. De nadruk ligt op energiebesparing, verduurzaming van bestaande woningen en erven en kleinschalige vormen van opwekking. Nieuwe energievoorzieningen moeten zorgvuldig worden ingepast, zodat zij de landschappelijke kwaliteit en het rustige woon- en leefklimaat niet aantasten. De beschikbare netcapaciteit bepaalt mede wat wanneer uitvoerbaar is.

De bereikbaarheid van voorzieningen blijft voor inwoners een belangrijk aandachtspunt. In het buitengebied blijft de auto voor veel dagelijkse verplaatsingen noodzakelijk, maar tegelijkertijd bestaat behoefte aan veilige fietsverbindingen en verkeersveilige routes op lokale wegen. Daarbij vraagt ook de combinatie van landbouwverkeer en recreatief verkeer aandacht.

De leefbaarheid van IJzerlo hangt steeds sterker samen met digitale bereikbaarheid. Snelle en betrouwbare verbindingen maken het mogelijk om wonen, werken en voorzieningen beter met elkaar te combineren en versterken daarmee de positie van het buurtschap als aantrekkelijke woonomgeving. Tegelijk vraagt de toenemende afhankelijkheid van digitale systemen om aandacht voor betrouwbaarheid en digitale weerbaarheid.

 

IJzerlo blijft vooral aantrekkelijk wanneer het buurtschap zijn menselijke schaal en onderlinge verbondenheid weet vast te houden. Ontwikkelingen moeten daarom niet alleen passen binnen het landschap, maar ook bijdragen aan het dagelijkse functioneren van de gemeenschap.

 

4.14 Lintelo

Lintelo neemt binnen de buurtschappen van de gemeente Aalten een bijzondere positie in door de sterke sociale structuur en de aanwezigheid van voorzieningen zoals de basisschool, het Kulturhus en een actief verenigingsleven. In tegenstelling tot veel andere buurtschappen is hier nog een relatief compleet netwerk van ontmoetingsplekken en maatschappelijke functies aanwezig. Dat maakt Lintelo niet alleen een plek om te wonen, maar nadrukkelijk ook een plek waar gemeenschap zichtbaar en voelbaar aanwezig is.

Voor veel inwoners vormt juist die combinatie van voorzieningen, ontmoeting en betrokkenheid de kracht van het buurtschap. Activiteiten, verenigingen en informele contacten zorgen ervoor dat mensen elkaar kennen en naar elkaar omzien. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat deze sociale structuur niet vanzelfsprekend behouden blijft. Vergrijzing, veranderingen in de bevolkingssamenstelling en het vertrek van jongeren zetten het draagvlak voor voorzieningen en verenigingsleven onder druk. De toekomst van buurtschap Lintelo draait daarom niet alleen om ruimtelijke ontwikkeling, maar vooral om het behouden van een sterke gemeenschap waarin ontmoeting, leefbaarheid en voorzieningen met elkaar verbonden blijven. Het behoud van voldoende inwoners speelt daarin een belangrijke rol.

In Lintelo wordt richting 2040 vooral gekeken hoe woningbouw kan bijdragen aan het behoud van voorzieningen, school, Kulturhus en verenigingsleven. De aanvullende woningbouwopgave wordt hier daarom niet los gezien van de sociale structuur van het buurtschap. In het gebiedsgerichte vervolgproces wordt bepaald welke kleinschalige toevoegingen passend zijn bij de woningbehoefte, de beschikbare infrastructuur en het dorpse karakter.

Nieuwe woningen worden uitsluitend toegevoegd in de vorm van kleinschalig maatwerk. Daarbij wordt aangesloten bij bestaande bebouwingsstructuren en erven. Mogelijkheden liggen onder andere in hergebruik van bestaande bebouwing, functieverandering van erven, generatie-erven en beperkte toevoegingen bij bestaande woningen. Grootschalige uitbreidingen of sterke verdichting passen niet bij het dorpse karakter van Lintelo.

Bij woningbouw wordt nadrukkelijk gekeken naar de woningbehoefte en de sociale structuur van Lintelo. Passende nieuwe woningen kunnen bijdragen aan een evenwichtige bevolkingssamenstelling en aan de leefbaarheid van het buurtschap. Voor het behoud van voorzieningen, verenigingen en ontmoetingsplekken zijn daarnaast ook andere maatregelen en de inzet van inwoners en organisaties van belang.

Het omliggende landschap en het agrarisch gebruik vormen belangrijke kwaliteiten van Lintelo. De landbouw blijft een belangrijke drager van het gebied, maar ontwikkelt zich tegelijkertijd richting duurzamere en meer natuurinclusieve vormen van bedrijfsvoering. Ontwikkelingen binnen de landbouw moeten passen binnen de randvoorwaarden van natuur, water, landschap en leefomgeving.

Daarnaast bestaat ruimte voor kleinschalige aanvullende functies die bijdragen aan de vitaliteit van het buurtschap, zoals recreatie, functieverandering van erven en andere passende nevenactiviteiten. Daarbij geldt steeds dat ontwikkelingen zorgvuldig worden ingepast en bijdragen aan de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving.

Ook in Lintelo bepalen water en bodem mede hoe het gebied zich verder kan ontwikkelen. Bij nieuwe initiatieven wordt daarom nadrukkelijk gekeken naar waterhuishouding, bodemkwaliteit en de draagkracht van het gebied. In delen van het gebied moet rekening worden gehouden met watergevoeligheid en met de draagkracht van de bodem. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom zorgvuldig worden afgestemd op de mogelijkheden en beperkingen van het water- en bodemsysteem.

Ook in Lintelo vormt afvalwaterverwerking een randvoorwaarde voor ontwikkeling. Per locatie moet worden beoordeeld of de bestaande infrastructuur voldoende is of dat aanvullende maatregelen nodig zijn. Daarmee wordt voorkomen dat kleinschalige groei leidt tot nieuwe knelpunten in water, bodem of beheer.

Voor Lintelo ligt de energieopgave vooral in het combineren van verduurzaming met de bestaande voorzieningenstructuur. Woningen, school, Kulturhus en maatschappelijke functies kunnen profiteren van energiebesparing, kleinschalige opwekking en slimme lokale oplossingen. Daarbij blijft zorgvuldige landschappelijke inpassing belangrijk en vormt de beschikbare netcapaciteit een bepalende randvoorwaarde.

Verkeersveiligheid vraagt in Lintelo nadrukkelijk aandacht, met name op de doorgaande wegen en in de directe omgeving van voorzieningen zoals de basisschool. Inwoners vragen om een veiligere inrichting van wegen, lagere snelheden en meer aandacht voor kwetsbare verkeersdeelnemers.

Tegelijkertijd biedt de inrichting van de openbare ruimte kansen om de leefomgeving aantrekkelijker en klimaatbestendiger te maken. Vergroening, bomen en groene bermen dragen niet alleen bij aan biodiversiteit en klimaatadaptatie, maar ook aan verkeersveiligheid, verblijfskwaliteit en ontmoeting.

In Lintelo ondersteunt digitalisering steeds vaker het functioneren van voorzieningen en gemeenschap. Onderwijs, verenigingen, zorg en dienstverlening maken in toenemende mate gebruik van digitale toepassingen. Een goede digitale infrastructuur draagt daardoor niet alleen bij aan bereikbaarheid, maar ondersteunt ook ontmoeting, samenwerking en de leefbaarheid van het buurtschap.

 

In Lintelo versterken voorzieningen, openbare ruimte en gemeenschapsleven elkaar voortdurend. Juist die combinatie maakt het buurtschap levendig en sociaal sterk. De uitdaging richting 2040 is om die kwaliteit vast te houden én tegelijkertijd ruimte te bieden aan nieuwe generaties inwoners.

 

4.15 Afsluiting

De uitwerking per deelgebied laat zien dat de koers van deze Omgevingsvisie niet overal op dezelfde manier uitpakt. Aalten, Dinxperlo, Bredevoort, de bedrijventerreinen, het buitengebied, de overgangsgebieden en de buurtschappen hebben elk hun eigen kwaliteiten, opgaven en randvoorwaarden. Juist daarom is gebiedsgericht maatwerk nodig.

Tegelijkertijd keren dezelfde hoofdopgaven overal terug: woningbouw, leefbaarheid, klimaatadaptatie, energietransitie, biodiversiteit, bereikbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving. De manier waarop deze opgaven worden gecombineerd, verschilt per gebied. In de kernen ligt de nadruk meer op inbreiding, herstructurering, voorzieningen en openbare ruimte. In het buitengebied en de buurtschappen ligt de nadruk op kleinschaligheid, landschap, gemeenschap en zorgvuldige inpassing.

Daarmee vormt dit hoofdstuk de brug tussen de algemene koers van de Omgevingsvisie en de beoordeling van concrete initiatieven. De gebiedsteksten geven richting aan de manier waarop ontwikkelingen per gebied worden beoordeeld en welke kwaliteiten, opgaven en randvoorwaarden daarbij een belangrijke rol spelen. In het volgende deel wordt dit verder uitgewerkt in het toetsings- en afwegingskader voor initiatieven.

5 Toetsingskader voor initiatieven

5.1 Inleiding

De Omgevingsvisie geeft richting aan de ontwikkeling van de leefomgeving in gemeente Aalten. De visie bevat geen uitputtende lijst van regels of vaste uitkomsten, maar biedt een gezamenlijk kader voor het gesprek over toekomstige ontwikkelingen.

De gemeente realiseert zich dat iedere locatie, ieder gebied en ieder initiatief anders is. Daarom worden initiatieven niet beoordeeld aan de hand van een eenvoudig afvinklijstje. De ontwikkeling van de leefomgeving vraagt juist om een zorgvuldige en integrale afweging, waarbij verschillende belangen, kwaliteiten en opgaven met elkaar in samenhang worden bekeken.

De ontwikkellijnen, gebiedsuitwerkingen en kernprincipes uit deze Omgevingsvisie vormen daarbij de basis voor het gesprek tussen initiatiefnemers, inwoners, maatschappelijke organisaties en gemeente. Het doel is steeds om samen te onderzoeken hoe initiatieven kunnen bijdragen aan een gezonde, veilige, leefbare en toekomstbestendige leefomgeving.

Daarbij kijkt de gemeente niet alleen naar afzonderlijke thema’s of belangen, maar juist naar de samenhang tussen opgaven, kwaliteiten en kansen binnen een gebied. De Omgevingsvisie biedt richting en houvast, maar laat nadrukkelijk ruimte voor gebiedsgericht maatwerk en een zorgvuldige bestuurlijke afweging.

Het toetsingskader is daarmee nadrukkelijk bedoeld als een gespreks- en afwegingskader. Het helpt om initiatieven op een consistente en transparante manier te bespreken, zonder vooraf iedere situatie volledig vast te leggen.

5.2 Werkwijze bij initiatieven

Bij nieuwe initiatieven wordt steeds in samenhang gekeken naar:

  • de kwaliteiten en kenmerken van het gebied;

  • de bijdrage aan de leefomgeving;

  • de belangen van inwoners en omgeving;

  • de uitvoerbaarheid van het initiatief;

  • en de mogelijkheden om meerdere opgaven met elkaar te verbinden.

De beoordeling van initiatieven verloopt daarbij stapsgewijs. Deze stappen vormen geen strak juridisch toetsingsmodel, maar helpen om op een zorgvuldige en consistente manier het gesprek te voeren over de bijdrage van initiatieven aan de leefomgeving.

 

Stap 1 – Past het initiatief bij het gebied en de koers van de Omgevingsvisie?

In de eerste stap wordt gekeken hoe het initiatief zich verhoudt tot de ontwikkellijnen, gebiedsuitwerkingen en ambities uit deze Omgevingsvisie. 

Daarbij gaat het onder andere om vragen zoals:

  • a.

    Past het initiatief bij de schaal, identiteit en kwaliteiten van het gebied? 

  • b.

    Draagt het initiatief bij aan leefbaarheid, kwaliteit van de leefomgeving of andere opgaven binnen de gemeente? 

  • c.

    Sluit het initiatief aan bij de gewenste ontwikkeling van het gebied? 

Deze stap is nadrukkelijk bedoeld als richtinggevend gesprek over de bijdrage van het initiatief aan de toekomst van de leefomgeving. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het initiatief zelf, maar ook naar de relatie met de omgeving, de identiteit van het gebied en de maatschappelijke opgaven die daar spelen.

 

Stap 2 – Hoe verhoudt het initiatief zich tot de kernprincipes?

In de tweede stap wordt gekeken hoe het initiatief zich verhoudt tot de kernprincipes uit deel 3 van deze Omgevingsvisie.

De kernprincipes vormen daarbij geen starre checklist, maar een gezamenlijke gespreks- en afwegingsbasis voor de beoordeling van initiatieven. Niet ieder principe weegt in iedere situatie even zwaar. Welke aspecten bepalend zijn, verschilt per gebied, per initiatief en per opgave.

Soms ligt de nadruk vooral op landschap en leefkwaliteit, terwijl in andere situaties juist leefbaarheid, woningbouw, gezondheid, klimaatadaptatie of voorzieningen zwaarder kunnen wegen. Juist die integrale afweging vormt de kern van deze Omgevingsvisie.

De kernprincipes helpen om op een consistente manier het gesprek te voeren over kwaliteit van de leefomgeving, gezondheid, landschap, leefbaarheid, veiligheid, duurzaamheid en gemeenschapsvorming. Daarbij wordt steeds gezocht naar een passende balans tussen verschillende belangen en opgaven.

 

Stap 3 – Is het initiatief uitvoerbaar en toekomstbestendig?

In de derde stap wordt gekeken naar de uitvoerbaarheid van het initiatief en naar de vraag of ontwikkelingen passen binnen de fysieke en maatschappelijke randvoorwaarden van het gebied. 

Daarbij wordt onder andere gekeken naar:

  • a.

    water en bodem; 

  • b.

    energie en netcapaciteit; 

  • c.

    infrastructuur en bereikbaarheid; 

  • d.

    veiligheid en gezondheid; 

  • e.

    natuur, landschap en leefomgeving; 

  • f.

    en de effecten op de omgeving als geheel. 

Ook hierbij geldt dat steeds sprake is van een integrale afweging. Niet ieder vraagstuk hoeft op voorhand een belemmering te vormen, maar ontwikkelingen moeten wel realistisch, uitvoerbaar en verantwoord zijn binnen de mogelijkheden en beperkingen van het gebied.

De gemeente kijkt daarbij nadrukkelijk ook naar de lange termijn. Ontwikkelingen moeten niet alleen vandaag passend zijn, maar ook bijdragen aan een toekomstbestendige leefomgeving richting 2040 en daarna.

 

Stap 4 – Welke koppelkansen zijn er?

De gemeente stimuleert initiatieven die meerdere doelen en opgaven met elkaar verbinden. 

Daarom wordt bij initiatieven nadrukkelijk gekeken naar mogelijkheden om bijvoorbeeld:

  • a.

    woningbouw en leefbaarheid; 

  • b.

    klimaatadaptatie en biodiversiteit; 

  • c.

    energie en ruimtelijke kwaliteit; 

  • d.

    gezondheid en ontmoeting; 

  • e.

    of recreatie en landschap

    in samenhang te versterken. 

Juist door opgaven slim te combineren, kunnen initiatieven meerwaarde creëren voor de leefomgeving en voor het gebied als geheel. Een ontwikkeling die meerdere doelen tegelijk versterkt, draagt vaak sterker bij aan de kwaliteit en toekomstbestendigheid van de leefomgeving dan een initiatief dat slechts één afzonderlijke opgave oplost.

De gemeente ziet koppelkansen daarom nadrukkelijk als onderdeel van het gesprek over kwaliteit, samenhang en toekomstbestendige ontwikkeling.

5.3 Ruimte voor maatwerk

De gemeente realiseert zich dat ontwikkelingen in de praktijk vaak complex zijn en dat geen enkele locatie of situatie hetzelfde is. Daarom blijft binnen deze Omgevingsvisie nadrukkelijk ruimte bestaan voor maatwerk.

De kernprincipes, ontwikkellijnen en gebiedsuitwerkingen geven richting aan de beoordeling van initiatieven, maar leiden niet automatisch tot één vaste uitkomst. Per initiatief wordt steeds een integrale afweging gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met:

  • de specifieke kenmerken van het gebied;

  • de aard en schaal van het initiatief;

  • de samenhang van opgaven;

  • de belangen van de omgeving;

  • de uitvoerbaarheid van het initiatief;

  • en de bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving.

 

Daarbij geldt dat de gemeente niet alleen kijkt naar mogelijke knelpunten of beperkingen, maar juist ook naar kansen om initiatieven beter te laten aansluiten op de omgeving en op de doelen van deze Omgevingsvisie.

Maatwerk betekent dat per situatie zorgvuldig wordt gekeken welke ontwikkeling passend, uitvoerbaar en wenselijk is binnen de kwaliteiten, mogelijkheden en randvoorwaarden van het gebied. Soms vraagt dat om aanpassing van een initiatief, soms om aanvullende voorwaarden of een andere inrichting, en soms om het combineren van verschillende opgaven binnen één ontwikkeling. Juist door ruimte te laten voor maatwerk kan beter worden aangesloten bij de identiteit van een gebied en bij de belangen en opgaven die daar spelen.

Juist door ruimte te laten voor maatwerk blijft het mogelijk om initiatieven goed af te stemmen op de identiteit, schaal en kwaliteiten van een gebied en tegelijkertijd flexibel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en maatschappelijke veranderingen.

5.4 Rol van initiatiefnemers en omgeving

De ontwikkeling van de leefomgeving is een gezamenlijke opgave van gemeente, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij hun plannen zorgvuldig voorbereiden en vroegtijdig in gesprek gaan met de omgeving. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om het informeren van betrokkenen, maar juist ook om het ophalen van ideeën, aandachtspunten, kennis en kansen vanuit het gebied zelf. De gemeente stimuleert initiatieven die:

  • zorgvuldig omgaan met de omgeving;

  • bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving;

  • rekening houden met belangen van omwonenden;

  • en actief zoeken naar verbinding met andere opgaven en initiatieven.

 

Een goed initiatief gaat daarom niet alleen over het plan zelf, maar ook over de manier waarop het initiatief tot stand komt en hoe rekening wordt gehouden met de omgeving en de kwaliteiten van het gebied.

Door initiatieven op deze manier te ontwikkelen, ontstaat meer draagvlak, betere kwaliteit en een sterkere verbinding tussen plannen en de leefomgeving waarin zij landen. Dat draagt bij aan betere en meer toekomstbestendige oplossingen voor de gemeente als geheel.

5.5 Doorwerking naar omgevingsplan en programma’s

De Omgevingsvisie vormt het richtinggevende kader voor verdere uitwerking in programma’s, gebiedsprocessen en het omgevingsplan. De uitgangspunten, ontwikkellijnen en kernprincipes uit deze visie worden daarbij verder vertaald naar concrete uitwerkingen, regels, projecten en uitvoeringsafspraken. 

Het omgevingsplan bevat uiteindelijk de juridisch bindende regels voor de fysieke leefomgeving. Programma’s en gebiedsprocessen geven vervolgens richting aan de uitvoering van concrete opgaven en ontwikkelingen.

Daarbij geldt nadrukkelijk dat de Omgevingsvisie niet bedoeld is als een volledig dichtgetimmerd systeem van regels. De visie biedt richting, samenhang en een gezamenlijke basis voor afwegingen, terwijl in de verdere uitwerking ruimte blijft bestaan voor maatwerk, nieuwe inzichten en gebiedsgerichte keuzes.

De Omgevingsvisie blijft daarmee het gezamenlijke vertrekpunt voor het gesprek over de ontwikkeling van de leefomgeving in gemeente Aalten en voor de manier waarop gemeente en samenleving samen werken aan een gezonde, leefbare en toekomstbestendige gemeente.

6 Toekomstbeeld gemeente Aalten 2040

6.1 Inleiding

In de voorgaande delen van deze Omgevingsvisie is beschreven welke opgaven er spelen, welke keuzes worden gemaakt en hoe deze worden uitgewerkt per deelgebied. In dit deel wordt een beeld geschetst van Aalten in 2040. Dit toekomstbeeld laat zien hoe de gemeente zich kan ontwikkelen wanneer de koers uit deze Omgevingsvisie wordt gevolgd en de opgaven in samenhang worden gerealiseerd.

Het toekomstbeeld is geen blauwdruk of vast eindbeeld, maar een verbeelding van de gewenste ontwikkeling. Het geeft richting en maakt inzichtelijk wat de keuzes uit deze Omgevingsvisie betekenen voor de leefomgeving op de lange termijn. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de fysieke inrichting van de ruimte, maar ook naar de manier waarop inwoners wonen, werken, zich verplaatsen en samenleven.

Het toekomstbeeld laat zien hoe wonen, leefbaarheid, gezondheid, landschap, klimaat en gemeenschapsvorming in 2040 met elkaar samenkomen en elkaar versterken in het dagelijks leven van inwoners.

Het doel van dit toekomstbeeld is om inzicht te geven in de samenhang tussen deze opgaven en om een concreet en herkenbaar beeld te bieden van de toekomst van Aalten. Daarmee vormt het een inspiratie en richtinggevend perspectief voor inwoners, ondernemers en de gemeente zelf.

6.2 Wonen in 2040

In 2040 kunnen verschillende generaties binnen hun eigen gemeenschap een passende woonplek vinden. Jongeren, starters, gezinnen en ouderen hebben meer mogelijkheden om passend te wonen. Samen met investeringen in voorzieningen, ontmoeting en de kwaliteit van de leefomgeving heeft dit bijgedragen aan leefbare en sociaal vitale kernen en buurtschappen. Door de toevoeging van woningen in zowel de kernen als het buitengebied en de buurtschappen is de bevolkingssamenstelling evenwichtiger geworden en is de doorstroming op de woningmarkt verbeterd.

Deze ontwikkeling heeft gefaseerd plaatsgevonden en is gedurende de looptijd van de Omgevingsvisie aangepast op basis van actuele woningbehoefte, woningbouwproductie en ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden van de gemeente. Daardoor kon flexibel worden ingespeeld op veranderingen in bevolkingssamenstelling, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit.

Jongeren en starters hebben meer mogelijkheden om in de gemeente te blijven wonen, waardoor de uitstroom is verminderd. Tegelijk hebben ouderen meer mogelijkheden om door te stromen naar passende woningen, waardoor grotere woningen beschikbaar zijn gekomen voor gezinnen.

De woningbouwopgave is gerealiseerd in samenhang met de leefomgeving. Nieuwe woningen zijn zorgvuldig ingepast in bestaande structuren en dragen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. In de kernen is woningbouw gecombineerd met herstructurering, vergroening en verbetering van de openbare ruimte. In het buitengebied en de buurtschappen is woningbouw kleinschalig en gebiedsgericht gerealiseerd, met behoud van het landschap en de ruimtelijke kwaliteit.

Passende woningbouw heeft, samen met maatregelen voor ontmoeting en voorzieningen, bijgedragen aan de leefbaarheid van kernen en buurtschappen. Waar nieuwe inwoners zijn komen wonen, heeft dit ook kansen geboden om sociale netwerken en voorzieningen te versterken.

De woningen in 2040 zijn duurzaam, energiezuinig en toekomstbestendig. Nieuwe woningen zijn aardgasvrij en bijna energieneutraal gerealiseerd en ook een groot deel van de bestaande woningvoorraad is verduurzaamd. Daarbij is niet alleen ingezet op technische maatregelen, maar ook op nieuwe woonvormen en efficiënter ruimtegebruik. Er zijn meer mogelijkheden ontstaan voor woningdelen, hofjes, collectieve woonvormen en andere vormen van wonen die beter aansluiten bij de veranderende behoefte van inwoners. 

Nieuwe woonvormen zijn niet alleen gericht op efficiënt ruimtegebruik, maar ook op ontmoeting, gemeenschapsvorming en onderlinge verbondenheid. Hofjes, collectieve woonvormen en gedeelde buitenruimten dragen eraan bij dat inwoners elkaar makkelijker ontmoeten en langer zelfstandig onderdeel kunnen blijven van hun gemeenschap. Wonen wordt daarmee nadrukkelijk niet alleen gezien als een fysieke opgave, maar ook als een sociale opgave.

De woningbouwopgave is gerealiseerd in een context waarin solidariteit tussen generaties en doelgroepen een belangrijke rol heeft gespeeld. Inwoners wonen vaker op een plek die past bij hun levensfase en woonwensen. Daardoor is de bestaande woningvoorraad beter benut en is meer ruimte ontstaan voor nieuwe huishoudens en woonvormen.

De ontwikkeling van wonen is daarnaast nauw verbonden met mobiliteit en bereikbaarheid. In 2040 zijn woningen goed bereikbaar voor verschillende vormen van vervoer. Veilige fiets- en wandelroutes en een verbeterd openbaar vervoersaanbod maken het mogelijk om voorzieningen ook zonder auto te bereiken, terwijl nieuwe vormen van mobiliteit, zoals deelmobiliteit en zelfrijdende voertuigen, bijdragen aan de bereikbaarheid van woningen in het buitengebied.

Ook digitalisering speelt een belangrijke rol in wonen. Inwoners beschikken over een betrouwbare digitale infrastructuur, waardoor werken, zorg en dienstverlening steeds vaker vanuit huis mogelijk zijn. Dit heeft bijgedragen aan de leefbaarheid in zowel de kernen als het buitengebied.

Tegelijkertijd is bij woningbouw nadrukkelijk rekening gehouden met de sturende rol van water, bodem en infrastructuur. Woningen zijn gerealiseerd op locaties die geschikt zijn vanuit het water- en bodemsysteem en waar de benodigde infrastructuur, zoals energie, water en riolering, aanwezig is of tijdig is gerealiseerd.

Wonen in 2040 betekent daarmee niet alleen dat er voldoende woningen zijn, maar ook dat deze bijdragen aan een sterke gemeenschap, een aantrekkelijke leefomgeving en een toekomstbestendige gemeente.

6.3 Voorzieningen en leefbaarheid in 2040

In 2040 is het voorzieningenniveau in de gemeente Aalten beter afgestemd op de behoeften van inwoners en op de demografische ontwikkeling. Voorzieningen zijn toekomstbestendig georganiseerd en dragen bij aan de leefbaarheid en sociale samenhang in de kernen en buurtschappen. 

Gemeenschapshuizen, Kulturhusen en andere ontmoetingsplekken vervullen daarbij een centrale rol. Deze voorzieningen zijn uitgegroeid tot laagdrempelige plekken waar ontmoeting, cultuur, zorg, vrijwilligerswerk en maatschappelijke initiatieven samenkomen. Daarmee vormen zij een belangrijke sociale basis onder de leefbaarheid van de gemeente.

Gemeenschapsvorming en welzijn vormen in 2040 een vanzelfsprekend onderdeel van de leefomgeving. Ontmoetingsplekken, verenigingen, culturele activiteiten en informele netwerken dragen bij aan verbondenheid, gezondheid en het functioneren van de gemeenschap. Eenzaamheid en sociale uitsluiting worden eerder gesignaleerd doordat gemeenschappen sterker met elkaar verbonden zijn en ontmoetingsplekken laagdrempelig toegankelijk zijn gebleven.

In de hoofdkernen zijn voorzieningen geconcentreerd en versterkt, waardoor een aantrekkelijk en levendig aanbod is ontstaan op het gebied van winkels, zorg, onderwijs, sport en ontmoeting. Deze voorzieningen vervullen een belangrijke rol voor de hele gemeente en zijn goed bereikbaar.

In buurtschappen zijn voorzieningen kleinschaliger, maar blijven belangrijke ontmoetingsplekken behouden, zoals dorpshuizen en andere sociale voorzieningen. Passende woningbouw, actieve gemeenschappen en gerichte ondersteuning van ontmoe-tingsplekken hebben samen bijgedragen aan het draagvlak voor deze voorzieningen.

Voorzieningen worden vaker gecombineerd en multifunctioneel gebruikt. Hierdoor zijn zij efficiënter georganiseerd en beter in staat om in te spelen op veranderende behoeften.

Naast formele voorzieningen is de rol van informele netwerken en samenredzaamheid toegenomen. Inwoners ondersteunen elkaar en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor hun leefomgeving. Deze ontwikkeling draagt bij aan sociale samenhang en leefbaarheid.

Tegelijk is er nadrukkelijk aandacht voor inclusiviteit en het voorkomen dat groepen buiten de gemeenschap vallen. Samenredzaamheid werkt alleen wanneer iedereen kan meedoen. Daarom wordt ingezet op het versterken van sociale netwerken, ondersteuning waar nodig en het toegankelijk houden van voorzieningen voor alle inwoners.

De leefomgeving is zodanig ingericht dat deze ontmoeting, beweging en gezondheid stimuleert. Daarbij draagt de inrichting van de leefomgeving ook bij aan sociale veiligheid, overzichtelijkheid en een gevoel van geborgenheid. Een aantrekkelijke en toegankelijke openbare ruimte stimuleert ontmoeting, sociale samenhang en het prettig functioneren van de gemeenschap.

Groen, speelplekken en veilige routes zijn vanzelfsprekend onderdeel van de inrichting van kernen en buurtschappen. Inwoners hebben toegang tot voldoende groen en koelteplekken in hun directe omgeving.

De bereikbaarheid van voorzieningen is verbeterd, zowel fysiek als digitaal. Verbeterde fietsverbindingen, openbaar vervoer en nieuwe vormen van mobiliteit zorgen ervoor dat voorzieningen bereikbaar zijn voor alle inwoners, ook in het buitengebied.

Digitalisering speelt daarnaast een belangrijke rol in het toegankelijk maken van voorzieningen. Zorg, dienstverlening en andere functies zijn deels digitaal beschikbaar, waardoor inwoners ook op afstand gebruik kunnen maken van voorzieningen.

Door de combinatie van voorzieningen, sociale netwerken, bereikbaarheid en een kwalitatieve leefomgeving is de leefbaarheid in de gemeente Aalten in 2040 versterkt en beter bestand tegen veranderingen in bevolking en gebruik.

6.4 Economie en werkgelegenheid in 2040

In 2040 heeft de gemeente Aalten een vitale en toekomstbestendige economie, waarin werkgelegenheid, ondernemerschap en leefkwaliteit met elkaar in balans zijn. Bedrijven hebben zich kunnen ontwikkelen binnen de beschikbare ruimte en dragen bij aan de economische kracht van de gemeente, zonder dat dit ten koste is gegaan van landschap en leefomgeving. 

Recreatie en toerisme zijn in 2040 uitgegroeid tot belangrijke dragers van leefbaarheid, cultuur en economie, zonder dat dit heeft geleid tot overmatige druk op landschap, natuur en woonkwaliteit. Door te sturen op kwaliteit, kleinschaligheid en spreiding is de balans tussen recreatie en leefomgeving behouden gebleven.

De bedrijventerreinen zijn efficiënter gebruikt en waar nodig geherstructureerd. Bestaande terreinen zijn beter benut, met aandacht voor ruimtegebruik, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen hebben plaatsgevonden binnen duidelijke randvoorwaarden, waarbij zorgvuldig is omgegaan met landschap, mobiliteit en leefkwaliteit.

De economie is breder en robuuster geworden. Naast industrie en lokale bedrijvigheid spelen ook dienstverlening, zorg, recreatie en innovatieve sectoren een grotere rol. Ondernemers hebben ruimte gekregen om zich te ontwikkelen, terwijl tegelijkertijd is gestuurd op kwaliteit en samenhang met de omgeving.

Toerisme heeft zich ontwikkeld volgens het principe van waardevol toerisme. Bezoekers weten Aalten te vinden vanwege het landschap, de rust, de cultuurhistorie en de kleinschalige voorzieningen. Toeristische activiteiten zijn kleinschalig gebleven en goed ingepast in de omgeving, waardoor zij bijdragen aan de economie zonder de leefbaarheid te verstoren.

In het buitengebied is de economie versterkt door een combinatie van landbouw, natuur, recreatie en nevenactiviteiten. Agrarische bedrijven hebben nieuwe verdienmodellen ontwikkeld, bijvoorbeeld in de vorm van agrotoerisme en multifunctioneel landgebruik.

De energietransitie en digitalisering hebben nieuwe kansen geboden voor ondernemers. Bedrijven hebben hun processen verduurzaamd en maken gebruik van een betrouwbare energie- en digitale infrastructuur. Tegelijk zijn ontwikkelingen alleen mogelijk gebleken waar de infrastructuur dit toeliet, zoals voldoende netcapaciteit, water en riolering.

Circulariteit is een vanzelfsprekend onderdeel geworden van de economie. Bedrijven werken met herbruikbare grondstoffen, reststromen worden benut en nieuwe ontwikkelingen worden circulair ingericht. Hierdoor is de milieubelasting verminderd en is efficiënter omgegaan met grondstoffen.

Werkgelegenheid is in 2040 goed bereikbaar voor inwoners uit de hele gemeente, mede door verbeteringen in mobiliteit en digitale mogelijkheden om op afstand te werken.

De economie in Aalten draagt daarmee niet alleen bij aan werkgelegenheid en inkomen, maar ook aan ontmoeting, leefbaarheid, maatschappelijke vitaliteit en de kwaliteit van het dagelijks leven binnen de gemeente.

6.5 Natuur, landschap en klimaat in 2040

In 2040 is het landschap van Aalten herkenbaar en versterkt, met behoud van het karakteristieke coulisselandschap en een duidelijke samenhang tussen natuur, landbouw en water. De kwaliteit van het landschap is verbeterd en vormt een belangrijke basis voor de leefomgeving en de identiteit van de gemeente.

De groenblauwe dooradering is verder ontwikkeld tot een samenhangend netwerk van houtwallen, singels, beekdalen, waterlopen en natuurgebieden. Deze structuren zijn beter met elkaar verbonden en vervullen meerdere functies, waaronder biodiversiteit, waterberging, klimaatadaptatie, recreatie en gezondheid.

De biodiversiteit is aantoonbaar toegenomen. Door herstel van landschapselementen, uitbreiding van natuur en verbetering van ecologische verbindingen hebben planten- en diersoorten meer ruimte gekregen.

Water en bodem spelen een centrale en sturende rol in de inrichting van het gebied. Het watersysteem is robuuster geworden en beter in staat om om te gaan met zowel droogte als wateroverlast. Water wordt vaker vastgehouden in het gebied, onder andere door het benutten van natuurlijke laagtes, beekdalen en groenstructuren.

In laaggelegen gebieden is meer ruimte voor water, waardoor piekbuien beter kunnen worden opgevangen. Tegelijk wordt in droge perioden water beter vastgehouden, waardoor verdroging wordt tegengegaan en de sponswerking van het landschap is vergroot.

De kwaliteit van het oppervlaktewater is verbeterd en voldoet aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Ook is de belasting van bodem en water door schadelijke stoffen verminderd, waardoor het systeem gezonder en robuuster is geworden.

De gemeente heeft belangrijke stappen gezet richting klimaatadaptatie. De leefomgeving is beter bestand tegen extreme weersomstandigheden, zoals hitte, droogte en hevige neerslag. In zowel kernen als buitengebied is meer groen aanwezig en zijn voldoende koelteplekken gerealiseerd.

De leefomgeving is in 2040 niet alleen duurzaam en klimaatbestendig, maar ook veilig ingericht. Risico’s op het gebied van verkeer, water, energie en andere omgevingsfactoren zijn beperkt en beheersbaar, en inwoners zijn beter voorbereid op mogelijke calamiteiten. Groen, water en landschap dragen in 2040 bovendien zichtbaar bij aan gezondheid, ontmoeting, ontspanning en de dagelijkse kwaliteit van leven van inwoners.

De inrichting van het gebied houdt nadrukkelijk rekening met de natuurlijke kenmerken van bodem en water. Functies zijn beter afgestemd op de geschiktheid van de ondergrond en op de draagkracht van het systeem. Hierdoor worden problemen niet verplaatst, maar structureel opgelost.

De ontwikkeling van natuur, landschap en klimaat is in samenhang gerealiseerd met andere opgaven, zoals landbouw, recreatie en woningbouw. Hierdoor is een evenwicht ontstaan tussen gebruik en bescherming van het landschap.

Het landschap van Aalten is in 2040 niet alleen een belangrijke drager van biodiversiteit en klimaatadaptatie, maar ook van leefkwaliteit, gezondheid en recreatieve beleving.

6.6 Energie en duurzaamheid in 2040

In 2040 heeft de gemeente Aalten grote stappen gezet richting een duurzame en klimaatneutrale leefomgeving. Energiegebruik is verminderd en een groot deel van de energie wordt duurzaam opgewekt binnen de gemeente.

De energietransitie is in samenhang met andere opgaven gerealiseerd. In zowel de kernen als het buitengebied zijn woningen en gebouwen verduurzaamd en waar mogelijk aardgasvrij gemaakt. Nieuwe woningen zijn standaard bijna energieneutraal en aardgasvrij gerealiseerd en ook een groot deel van de bestaande woningvoorraad is verduurzaamd.

De warmtetransitie is gebiedsgericht uitgevoerd. Per kern en buurtschap is gekeken naar de meest passende oplossing, waarbij rekening is gehouden met de bestaande bebouwing, de beschikbare infrastructuur en de betaalbaarheid voor inwoners.

Duurzame energie wordt in 2040 opgewekt op een manier die past bij de schaal en identiteit van gemeente Aalten. Zon op daken, energiebesparing, opslag, slimme sturing en lokale energiesystemen vormen de basis. Windpark Hagenwind levert als bestaande voorziening een bijdrage aan de windenergie binnen de gemeente. Eventuele nieuwe vormen van grootschalige energieopwekking zijn alleen aan de orde wanneer zij zorgvuldig zijn ingepast, maatschappelijk en lokaal zijn afgewogen, bijdragen aan het energiesysteem en niet leiden tot onevenredige aantasting van landschap, natuur, cultuurhistorie, gezondheid, leefbaarheid of veiligheid.

Transformatorstations, kabels, laadvoorzieningen en andere onderdelen van de energievoorziening zijn op een zorgvuldige manier ingepast in de leefomgeving. Tegelijk blijft de beschikbaarheid van energie-infrastructuur een belangrijke randvoorwaarde voor verdere ontwikkeling. De energie-infrastructuur is stapsgewijs versterkt en uitgebreid om de groeiende vraag naar elektriciteit op te vangen. Daarbij zijn lokale energiesystemen, opslag en slimme afstemming tussen opwek en verbruik steeds belangrijker geworden. In verschillende delen van de gemeente werken inwoners, organisaties en bedrijven samen binnen energiegemeenschappen, waardoor vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten en de beschikbare capaciteit efficiënter wordt benut. De gemeente heeft daarnaast ingezet op energiebesparing, onder andere door isolatie van woningen, efficiënter gebruik van energie en bewustwording bij inwoners en bedrijven.

Circulariteit is een vanzelfsprekend onderdeel geworden van duurzaamheid. Materialen worden hergebruikt en nieuwe ontwikkelingen worden circulair en biobased uitgevoerd. Reststromen worden benut en de afhankelijkheid van primaire grondstoffen is verminderd.

Ook de samenhang tussen energie, grondstoffen en ruimtegebruik is sterker geworden. 

Energieopwekking, opslag en gebruik worden gecombineerd met andere functies, waardoor de beschikbare ruimte efficiënter wordt benut en meerdere doelen tegelijk worden gerealiseerd.

De combinatie van energiebesparing, duurzame opwekking, circulariteit en een robuuste energie-infrastructuur heeft ervoor gezorgd dat Aalten in 2040 een belangrijke stap heeft gezet richting een klimaatneutrale en toekomstbestendige leefomgeving, terwijl tegelijkertijd het landschap, de leefbaarheid en de kwaliteit van de leefomgeving behouden zijn gebleven.

7 Uitvoering en participatie

7.1 Van visie naar uitvoering

De Omgevingsvisie vormt het strategisch kader voor de ontwikkeling van de leefomgeving in Aalten. De uitvoering van deze visie vraagt om een actieve en verbindende rol van de gemeente, waarbij niet alleen wordt gewerkt aan ruimtelijke ontwikkeling, maar juist ook aan leefbaarheid, gezondheid, gemeenschapsvorming en kwaliteit van leven. 

De uitvoering van deze Omgevingsvisie vindt plaats in samenwerking met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, andere overheden en regionale partners binnen de Achterhoek. Daarbij wordt aangesloten op regionale programma’s, samenwerkingsagenda’s en gezamenlijke uitvoeringsopgaven op het gebied van wonen, mobiliteit, economie, water, landschap, energie en leefbaarheid. De gemeente maakt daarbij expliciete keuzes en stuurt actief op uitvoering. Dit betekent dat duidelijke keuzes worden gemaakt over welke ontwikkelingen bijdragen aan een gezonde, leefbare en toekomstbestendige gemeente en welke ontwikkelingen daar minder goed bij passen.

De uitvoering vraagt verder om een programmatische aanpak. Dit betekent dat actief wordt gestuurd op realisatie, waarbij projecten worden voorbereid, knelpunten worden opgelost en plannen uitvoeringsgereed worden gemaakt. De gemeente werkt daarbij niet alleen, maar in samenwerking met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere overheden. De uitvoering van de Omgevingsvisie is daarmee een gezamenlijke opgave.

Bij de uitvoering wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de fysieke randvoorwaarden van water, bodem, energie en infrastructuur, waaronder riolering. Deze randvoorwaarden bepalen in belangrijke mate waar, wanneer en in welke volgorde ontwikkelingen mogelijk zijn en uitgevoerd kunnen worden. Dit geldt nadrukkelijk ook voor de aanvullende woningbouwopgave richting 2040. De verdere invulling daarvan wordt gefaseerd en adaptief uitgewerkt, waarbij periodiek wordt gekeken naar actuele woningbehoefte, woningbouwproductie, leefbaarheid, beschikbare infrastructuur en de draagkracht van de verschillende deelgebieden van de gemeente.

De Omgevingsvisie blijft daarbij het richtinggevende kader. In de uitvoering wordt steeds getoetst of ontwikkelingen bijdragen aan de doelen en passen binnen de kernprincipes van deze visie.

7.2 Gebiedsgerichte aanpak

De uitvoering van de Omgevingsvisie vindt in belangrijke mate plaats via een gebiedsgerichte aanpak. Dit betekent dat niet alleen op gemeentelijk niveau wordt gestuurd, maar dat per gebied wordt gekeken naar de specifieke opgaven, kwaliteiten en mogelijkheden.

In deel 4 zijn per deelgebied de belangrijkste opgaven, wensen en randvoorwaarden in beeld gebracht. Deze vormen de concrete puzzelstukken voor de verdere uitwerking.

In het gebiedsgerichte vervolgproces werkt de gemeente samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties aan concrete keuzes voor de toekomst van hun leefomgeving. Daarbij staan de volgende vragen centraal:

  • Welke ontwikkelingen zijn op welke plek(ken) wenselijk en mogelijk?

  • Hoe kunnen verschillende opgaven met elkaar worden gecombineerd?

  • Welke keuzes zijn nodig om de kwaliteit van de leefomgeving te versterken?

 

Daarbij gaat het nadrukkelijk niet alleen om ruimtelijke keuzes, maar ook om de vraag hoe leefbaarheid, ontmoeting, gezondheid en gemeenschapsvorming in de verschillende gebieden kunnen worden versterkt.

De opgaven en puzzelstukken uit deel 4 vormen hierbij het concrete vertrekpunt. In het gebiedsgerichte overleg wordt deze puzzel samen met inwoners gelegd, waarbij keuzes worden gemaakt binnen de randvoorwaarden en kernprincipes van deze Omgevingsvisie.

De gemeente zorgt in deze processen voor een veilige en open omgeving, waarin verschillende belangen en perspectieven bespreekbaar zijn. Dit is van belang omdat opgaven complex zijn en belangen kunnen botsen. Door ruimte te bieden voor dialoog en wederzijds begrip ontstaat een basis voor gedragen oplossingen.

In het gebiedsgerichte proces wordt actief gezocht naar bestaande initiatieven en netwerken in het gebied. Deze vormen een belangrijke basis voor de uitvoering van de Omgevingsvisie. De gemeente sluit daarbij nadrukkelijk aan bij wat er al in de samenleving aanwezig is en ondersteunt waar nodig, in plaats van uitsluitend zelf richting te geven. Door deze aanpak ontstaat maatwerk per gebied en wordt geborgd dat ontwikkelingen aansluiten bij de lokale situatie en bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving.

7.3 Werken met programma’s

De uitvoering van de Omgevingsvisie vraagt om een programmatische aanpak. Dit betekent dat niet alleen beleid wordt opgesteld, maar dat actief wordt gestuurd op de realisatie van projecten en maatregelen die bijdragen aan de doelen van deze visie.

Programma’s vormen het middel waarmee de ambities uit deze Omgevingsvisie stap voor stap zichtbaar en concreet worden gemaakt in de dagelijkse leefomgeving van inwoners. In programma’s worden specifieke opgaven, zoals woningbouw, energietransitie, klimaatadaptatie, leefbaarheid, gezondheid, welzijn en gemeenschapsvorming verder uitgewerkt in concrete projecten, maatregelen en acties. Deze programma’s maken inzichtelijk welke stappen worden gezet, wanneer deze plaatsvinden en wie daarvoor verantwoordelijk is. Daarmee vormen zij de schakel tussen de strategische visie en de daadwerkelijke uitvoering. Voor de woningbouwopgave geldt daarbij dat de reeds in voorbereiding zijnde woningbouwlocaties en gebiedsontwikkelingen een belangrijke basis vormen voor de verdere uitwerking van het woonprogramma richting 2035.

Programma’s worden niet los van elkaar ontwikkeld, maar in samenhang. Waar opgaven een regionaal karakter hebben, worden programma’s bovendien afgestemd met regionale partners binnen de Achterhoek. Daarbij wordt nadrukkelijk gezocht naar samenhang tussen lokale en regionale uitvoeringsagenda’s op het gebied van wonen, mobiliteit, economie, water, landschap, energie en leefbaarheid. Dit betekent dat wordt gekeken naar de combinatie van opgaven en naar mogelijkheden om koppelkansen te benutten, zodat meerdere doelen tegelijkertijd worden gerealiseerd. De gemeente kiest daarbij nadrukkelijk voor een meer uitvoeringsgerichte manier van werken, waarbij samenwerking, verbinding en het daadwerkelijk realiseren van verbeteringen in de leefomgeving centraal staan. Dit betekent dat de gemeente niet alleen faciliteert, maar ook initiatief neemt, partijen verbindt en waar nodig knelpunten oplost om ontwikkelingen mogelijk te maken.

De uitvoering van programma’s vindt plaats in samenwerking met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere overheden. Deze samenwerking is noodzakelijk om de opgaven daadwerkelijk te realiseren en om draagvlak te creëren voor ontwikkelingen. Bij de uitvoering wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de randvoorwaarden van water, bodem, energie en infrastructuur, waaronder riolering. Deze randvoorwaarden bepalen in belangrijke mate de haalbaarheid en fasering van projecten.

Door programmatisch te werken en actief te sturen op uitvoering wordt geborgd dat de ambities uit deze Omgevingsvisie niet alleen op papier blijven staan, maar daadwerkelijk worden gerealiseerd.

7.4 Samenwerking

De uitvoering van de Omgevingsvisie vraagt om samenwerking tussen verschillende partijen. De gemeente Aalten kan de opgaven niet alleen realiseren en werkt daarom samen met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere overheden.

Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties worden gezien als belangrijke partners en mede-ontwikkelaars van de leefomgeving. Zij beschikken over kennis, initiatiefkracht en betrokkenheid die essentieel zijn voor het realiseren van de ambities uit deze Omgevingsvisie.

De gemeente werkt daarnaast samen met andere overheden, zoals de provincie, het waterschap en omliggende gemeenten. Deze samenwerking is noodzakelijk vanwege de samenhang van opgaven en de schaal waarop deze spelen, bijvoorbeeld op het gebied van water, natuur, energie en mobiliteit.

Het waterschap is een belangrijke partner bij de uitwerking van de Omgevingsvisie, onder andere bij ontwikkelingen die invloed hebben op waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterveiligheid en de afvalwaterketen.

De gemeente werkt ook nauw samen met de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG), de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) en de GGD, onder andere bij advisering en bij de uitwerking van beleid en plannen.

Samenwerking betekent dat gemeente, inwoners, ondernemers en organisaties gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van de leefomgeving en samen zoeken naar oplossingen voor complexe opgaven. De gemeente neemt daarbij een verbindende en regisserende rol, waarbij zij partijen bij elkaar brengt, samenwerking stimuleert en zorgt voor samenhang tussen initiatieven.

Door deze samenwerking ontstaat een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de leefomgeving en wordt de kans vergroot dat plannen daadwerkelijk tot uitvoering komen.

7.5 Participatie

De gemeente ziet participatie als een essentieel onderdeel van de ontwikkeling van de leefomgeving. Een sterke en toekomstbestendige gemeente ontstaat niet alleen vanuit beleid, maar vooral door de betrokkenheid, ideeën en initiatieven van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. De gemeente betrekt inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties actief bij de ontwikkeling van de leefomgeving. Participatie wordt daarbij niet alleen gezien als het ophalen van reacties, maar als een gezamenlijk proces waarin gemeente, inwoners, ondernemers en andere betrokkenen samen werken aan de ontwikkeling van de leefomgeving.

De gemeente sluit nadrukkelijk aan bij initiatieven, ideeën en energie die al in de samenleving aanwezig zijn. Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties worden gezien als mede-ontwikkelaars van de leefomgeving. De gemeente ondersteunt, verbindt en faciliteert deze initiatieven, zodat zij daadwerkelijk tot uitvoering kunnen komen.

In het gebiedsgerichte vervolgproces worden betrokkenen actief meegenomen bij het verkennen van oplossingen, het maken van keuzes en het realiseren van initiatieven. Daarbij wordt niet alleen gesproken over belangen, maar ook gezocht naar gedeelde waarden en gezamenlijke doelen.

De gemeente zorgt voor een duidelijke terugkoppeling van de inbreng van inwoners. In het vervolgproces wordt expliciet inzichtelijk gemaakt hoe input is verwerkt en welke keuzes daaruit voortkomen.

Participatie vraagt om een open en veilige omgeving, waarin verschillende perspectieven en belangen bespreekbaar zijn. Door ruimte te bieden voor dialoog en samenwerking ontstaat een basis voor gedragen en uitvoerbare oplossingen.

Door participatie op deze manier vorm te geven, wordt de ontwikkeling van de leefomgeving een gezamenlijke opgave van gemeente en samenleving.

7.6 Monitoring en bijsturing

De ontwikkeling van de leefomgeving is een continu proces. De uitvoering van deze Omgevingsvisie wordt daarom actief gemonitord en waar nodig bijgestuurd.

De gemeente volgt de voortgang van de belangrijkste opgaven en ontwikkelingen, onder andere op het gebied van woningbouw, leefbaarheid, klimaatadaptatie, energietransitie, biodiversiteit en economie.

De gemeente volgt actief hoe de leefomgeving zich ontwikkelt en of de doelen van deze Omgevingsvisie daadwerkelijk zichtbaar worden in het dagelijks leven van inwoners. Hierbij wordt gebruikgemaakt van beschikbare data, waaronder ruimtelijke informatie, CBS-gegevens en andere relevante bronnen. Waar mogelijk wordt gebruikgemaakt van digitale hulpmiddelen, zoals GIS en data-analyse, om ontwikkelingen inzichtelijk te maken en beter te kunnen sturen.

De resultaten van de monitoring worden periodiek geëvalueerd. Op basis hiervan kan worden bepaald of de uitvoering van de Omgevingsvisie op koers ligt of dat bijsturing nodig is.

Bijsturing kan plaatsvinden via programma’s, het omgevingsplan of andere beleidsinstrumenten. Dit maakt het mogelijk om flexibel in te spelen op nieuwe ontwikkelingen, veranderende omstandigheden en voortschrijdend inzicht. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar afzonderlijke ontwikkelingen, maar juist ook naar de samenhang tussen opgaven en de effecten op de kwaliteit van de leefomgeving als geheel.

Monitoring en bijsturing vinden plaats in samenhang met de gebiedsgerichte aanpak. Signalen uit de samenleving, ervaringen uit projecten en input uit gebiedsprocessen worden actief meegenomen in de evaluatie en bijsturing van beleid en uitvoering. De gemeente blijft daarbij in gesprek met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties over de voortgang en de effecten van de Omgevingsvisie.

Door monitoring en bijsturing structureel onderdeel te maken van de uitvoering, wordt geborgd dat de Omgevingsvisie actueel blijft en dat de ontwikkeling van de leefomgeving tijdig kan worden aangepast wanneer dat nodig is.

7.7 Slot

Met deze Omgevingsvisie geeft de gemeente Aalten richting aan de ontwikkeling van de leefomgeving tot 2040. De visie biedt een samenhangend kader voor het maken van keuzes en het beoordelen van initiatieven en vormt daarmee de basis voor verdere uitwerking en uitvoering.

De opgaven waar Aalten voor staat zijn groot en complex. Woningbouw, leefbaarheid, klimaatadaptatie, energietransitie, biodiversiteit en economie vragen om ruimte en beïnvloeden elkaar onderling. Dit betekent dat niet alles overal mogelijk is en dat keuzes noodzakelijk zijn.

Tegelijkertijd biedt deze Omgevingsvisie ook kansen. Door opgaven in samenhang te benaderen en koppelkansen te benutten, kan de beschikbare ruimte efficiënter worden gebruikt en kan de kwaliteit van de leefomgeving worden versterkt.

De ontwikkeling van de leefomgeving is een gezamenlijke opgave van gemeente, inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. De gemeente neemt hierin een regisserende en verbindende rol, maar kan de ambities uit deze visie alleen realiseren in samenwerking met de samenleving en andere partners.

De Omgevingsvisie is geen eindpunt, maar het begin van een proces. In de komende jaren wordt de visie verder uitgewerkt via programma’s, het omgevingsplan en concrete projecten. Daarbij wordt voortdurend gemonitord en waar nodig bijgestuurd.

Door samen te werken, duidelijke keuzes te maken en actief te investeren in leefbaarheid, landschap, gezondheid en gemeenschap kan Aalten zich ontwikkelen tot een gemeente waar kwaliteit van leven centraal staat en waar ook toekomstige generaties prettig kunnen wonen, werken en samenleven.

Bijlage I OmgevingsEffectRapportage (OER)

1 OER inclusief passende beoordeling

Het document is te downloaden via deze link. U komt bij de vastgestelde stukken van de gemeenteraad.

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

bedrijventerrein Aalten

/join/id/regdata/gm0197/2026/a3f66f65269b45029fbbeaed732a44d8/nld@2026‑09‑30;10372193

bedrijventerrein Dinxperlo

/join/id/regdata/gm0197/2026/367453926c9c4192b304e64cec901108/nld@2026‑09‑30;10372193

buitengebied

/join/id/regdata/gm0197/2026/ef63c8eff3624333b5593df849b8aabf/nld@2026‑09‑30;10372193

buurtschap Aaltense Heurne

/join/id/regdata/gm0197/2026/f77e679f88f74fb39dddd7069d304173/nld@2026‑09‑30;10372193

buurtschap Barlo

/join/id/regdata/gm0197/2026/31fa9543ea2a488e851f65d99561e966/nld@2026‑09‑30;10372193

buurtschap Dale

/join/id/regdata/gm0197/2026/286ae53bbeeb4e91abcb38059e71fb78/nld@2026‑09‑30;10372193

buurtschap De Heurne

/join/id/regdata/gm0197/2026/5906d310b4104ec1a7e5fcf675fe7f77/nld@2026‑09‑30;10372193

buurtschap Haart

/join/id/regdata/gm0197/2026/6266295b21b8490eac5b23e9014710b7/nld@2026‑09‑30;10372193

buurtschap IJzerlo

/join/id/regdata/gm0197/2026/dc6754f26e25491a9ef3b6f6ca0da83c/nld@2026‑09‑30;10372193

buurtschap Lintelo

/join/id/regdata/gm0197/2026/a01cdaa9735d4390a8f26d880cb1000e/nld@2026‑09‑30;10372193

kern Aalten

/join/id/regdata/gm0197/2026/307525bb74cd40d6a7f11abbf11a6eaa/nld@2026‑09‑30;10372193

kern Bredevoort

/join/id/regdata/gm0197/2026/dfc38b0cbb334385bece3f2d352c06bc/nld@2026‑09‑30;10372193

kern Dinxperlo

/join/id/regdata/gm0197/2026/cdf06acb28b742309f781620814bf287/nld@2026‑09‑30;10372193

Naar boven