U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Ontwerp wijziging omgevingsplan gemeente Het Hogeland - Standplaatsen locaties

De gemeenteraad van Gemeente Het Hogeland

gelezen de tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Het Hogeland” d.d. PM

Overwegende dat:

Besluit;

Artikel I

"Omgevingsplan gemeente Het Hogeland" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.

Artikel II

Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.

Aldus vastgesteld door Gemeente Het Hogeland, DATUM

Ondertekend door:

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Na hoofdstuk 22 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 23 STANDPLAATSEN

Afdeling 23.1 Algemene regels

Artikel 23.1 Het innemen van een standplaats - verbod

Het is verboden een standplaats in te nemen.

Artikel 23.2 Voorrangsregeling
  • 1.

    Ter plaatse van de locatie 'standplaats - toegestaan' gelden de regels in dit hoofdstuk: 

    • a.

      in aanvulling op een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet; en

    • b.

      als uitzondering op artikel 23.1;

  • 2.

    De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing op de locatie 'standplaats - toegestaan' voor zover deze in strijd zijn met de regels die gelden voor deze locatie.

Afdeling 23.2 Standplaatsen

Artikel 23.3 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het innemen van een standplaats.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      een standplaats op een jaarmarkt of markt; en

    • b.

      een standplaats op een evenement.

Artikel 23.4 Het innemen van een standplaats - toegestaan

Ter plaatse van de locatie 'standplaats - toegestaan' is het gebruik van de gronden voor het innemen van een vaste standplaats toegestaan als als het aantal handelsstandplaatsen niet meer bedraagt dan de met 'maximum aantal standplaatsen' aangegeven aantal.

B

Het opschrift van hoofdstuk 23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 23 24 SLOTBEPALINGEN

C

Het opschrift van artikel 23.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 23.1 24.1 (citeertitel)

D

Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

E

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

standplaats

het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

F

Na sectie '' worden vijf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 23.1 Het innemen van een standplaats - verbod

Het is op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Deze vergunning wordt geweigerd als er strijd is met het omgevingsplan. In dit omgevingsplan is dit vertaald met een algemeen verbod voor het gemeentelijk grondgebied, met uitzondering van de locaties waar de standplaatsen vergund en dus toegestaan zijn (zie artikel 23.4).

Artikel 23.2 Voorrangsregeling

In dit artikel is bepaald dat de locaties van de (vergunde) standplaatsen in aanvulling gelden op de regels van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, zijnde de geldende bestemmingsplanregels (lid 1). De regels die hiervoor zijn opgenomen gaan voor de regels uit Hoofdstuk 22 (lid 2).

Afdeling 23.2 Standplaatsen

In deze afdeling zijn de locaties van de standplaatsen in de gemeente planologisch geregeld (toegestaan). De uitvoering (vergunningenprocedure e.d.) vindt plaats via de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en het daaraan gekoppelde gemeentelijke standplaatsenbeleid. Met deze juridische constructie is geregeld dat een (te verlenen) vergunning op deze locaties in overeenstemming is met het omgevingsplan, hetgeen op grond van de APV een voorwaarde is voor vergunningverlening. 

 

Artikel 23.3 Toepassingsbereik

In dit artikel is bepaald wat een standplaats is. De begrippen komen overeen met de begrippen uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Artikel 23.4 Het innemen van een standplaats - toegestaan

In dit artikel is bepaald waar een standplaats is toegestaan en hoeveel standplaatsen er per locatie maximaal aanwezig mogen zijn.

Motivering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op basis van artikel 5:18 APV kan het college een vergunning verlenen voor het innemen of hebben van een standplaats. Voorwaarde om deze vergunning te verlenen is dat er geen strijd mag zijn met het omgevingsplan. 

In de huidige bestemmingsplannen en beheersverordeningen, die nu deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, is geen specifieke regeling voor standplaatsen opgenomen. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt planologisch geregeld waar standplaatsen zijn toegestaan. Op die manier kan een vergunning worden verleend op basis 5:18 APV.

Om de strijdigheid te voorkomen tussen het omgevingsplan en de APV en de juridische borging van standplaatsen te regelen, is het noodzakelijk een wijziging omgevingsplan op te stellen. Het betreft een thematische wijziging van het omgevingsplan. Met de wijziging van het omgevingsplan wordt het planologisch geregeld waar standplaatsen ingenomen kunnen worden. Het betreft een regeling voor 58 locaties met in totaal 75 standplaatsen in de gemeente Het Hogeland. 

1.2 Plangebied

Het plangebied voor de wijziging van het omgevingsplan betreft het gehele grondgebied van gemeente Het Hogeland. 

1.3 Huidig planologisch kader

In de huidige bestemmingsplannen en beheersverordeningen, die nu deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan is geen specifieke regeling voor standplaatsen opgenomen. 

De APV vormt de juridische basis voor het toewijzen van de standplaatsen. In artikel 1:8 zijn de weigeringsgronden voor een standplaatsvergunning opgenomen. 

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

1.4 Planvorm

Het wijzigingsplan bestaat uit een set geannoteerde planregels waarmee de standplaatsen planologisch geborgd worden. De regels worden gekoppeld aan locaties, waarmee de standplaatsen worden vastgelegd in het omgevingsplan. De wijziging omgevingsplan gaat vergezeld met onderhavige motivering.

1.5 Procedure

De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch een omgevingsplan met regels voor de fysieke leefomgeving. De procedurebepalingen voor het wijzigen van een omgevingsplan staan in de Omgevingswet, het Omgevings-besluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

De procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan is grofweg in te delen in drie procedurestappen:

  • Vóór het ontwerp-omgevingsplan: de gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen.

  • Ontwerp-omgevingsplan: de gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan en legt het ter inzage. Iedereen kan een zienswijze inbrengen.

  • Vaststellen omgevingsplan: de gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast.

1.6 Leeswijzer

De motivering, behorende bij de wijziging van het omgevingsplan voor standplaatsen is als volgt opgebouwd: 

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het planvoornemen gegeven, alsmede een beschrijving van het huidig planologisch kader. 

  • Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid inzake standplaatsen op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. 

  • Hoofdstuk 4 verwijst naar de artikelsgewijze toelichting op de set regels.  

  • Hoofdstuk 5 gaat in op de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. 

  • Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

  • Hoofdstuk 7 tenslotte gaat in op de vraag of er met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.  

2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Op basis van artikel 5:18 APV kan het college een vergunning verlenen voor het innemen of hebben van een standplaats. Voorwaarde om deze vergunning te verlenen is dat er geen strijd mag zijn met het omgevingsplan. In de huidige bestemmingsplannen en beheersverordeningen, die nu deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, is geen specifieke regeling voor standplaatsen opgenomen. 

2.2 Planvoornemen

De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan gemeente Het Hogeland betreft een thematische wijziging. De wijziging heeft betrekking op het gehele ambtsgebied van gemeente Het Hogeland. Met de voorgenomen wijziging worden 58 locaties met in totaal 75 standplaatsen aangewezen in het omgevingsplan en voorzien van bijbehorende regels die de standplaatsen planologisch toestaan. Na de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan zijn de regels per locatie raadpleegbaar via het Omgevingsloket. 

3 Beleidskaders

3.1 Rijksbeleid

Op Rijksniveau is geen wetgeving die instructies geeft over het reguleren van standplaatsen. Ook zijn er op Rijksniveau geen beleidsstukken met betrekking standplaatsen. 

3.2 Provinciaal beleid

Op provinciaal niveau is geen wetgeving die instructies geeft over het reguleren van standplaatsen. Ook zijn er op provinciaal niveau geen beleidsstukken met betrekking standplaatsen. 

3.3 Gemeentelijk beleid

Zoals in paragrafen 3.1 en 3.2 is aangegeven is er op Rijks- en provinciaal niveau geen wetgeving of beleid met betrekking tot standplaatsen. Voor standplaatsen geldt dat dit geheel het domein van de gemeente is. In de 'Algemene Plaatselijke Verordening Het Hogeland 2019' (APV) heeft de gemeente ook regels opgenomen over standplaatsen.

Beleidsregels standplaatsen Het Hogeland 2021

De beleidsregels Standplaatsen het Hogeland (vastgesteld 23 november 2023) omvatten algemene bepalingen, de vereisten voor de aanvraag, een definitie van de verschillende types standplaatsen en maxima, een omschrijving van de procedure en overige bepalingen. Daarbij is door het college ook een lijst met aangewezen standplaatslocaties vastgesteld waarop een standplaats mag worden ingenomen.

In 2025 heeft een nieuwe inventarisatie en beoordeling plaatsgevonden van de bestaande en potentiële standplaatslocaties binnen de gemeente. Hierbij zijn de locaties uit de beleidsregels van 2021 opnieuw beoordeeld en zijn tevens nieuwe locaties onderzocht en toegevoegd. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerde adressenlijst met aangewezen standplaatsen die in 2026 door het college is vastgesteld als nieuwe bijlage bij de Beleidsregels Standplaatsen Het Hogeland 2021. De geactualiseerde lijst bevat 58 locaties verspreid over de gemeente voor in totaal 75 standplaatsen. Deze locaties zijn inmiddels beleidsmatig vastgesteld, maar nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Met deze voorgenomen wijziging van het omgevingsplan worden de aangewezen standplaatsen juridisch vastgelegd en ontstaat meer duidelijkheid voor inwoners, ondernemers en vergunningverleners.

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Het Hogeland 2019

Ter regulering van enkele gemeentelijke belangen heeft de raad de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) vastgesteld. In afdeling 4 van de APV, zijn de begripsbepalingen en verbodsbepalingen opgenomen in het kader van de vergunningplicht voor standplaatsen. Een standplaats is het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats te nemen of te hebben. 

Onderdeel van de APV zijn ook de weigeringsgronden voor een vergunningsaanvraag (voor bijvoorbeeld een standsplaats). Hierin staat dat een vergunning of ontheffing in ieder geval kan worden geweigerd in het belang van:

  • de openbare orde;

  • de openbare veiligheid;

  • de volksgezondheid;

  • de bescherming van het milieu.

 

Uit het oogpunt van openbare orde en veiligheid zijn daarnaast regels opgenomen over standplaatsen. Een standplaatsenvergunning kan bijvoorbeeld geweigerd worden als er sprake is van risico's voor de verkeersveiligheid. 

Bij voorgenomen wijziging van het omgevingsplan worden in totaal 75 standplaatsen aangewezen op 58 locaties, verspreid over het hele ambtsgebied van gemeente Het Hogeland. Gezien het geringe aantal standplaatsen en de op voorhand uitgevoerde afweging ten opzichte van de wijzigingsgronden, vormt de voorgenomen wijziging geen belemmering voor de openbare orde, -veiligheid; de volksgezondheid en het milieu. 

4 Aspecten van de fysieke leefomgeving

4.1 Onderbouwing

4.1.1 Beoordelingskader

Een wijziging van het omgevingsplan kan alleen worden uitgevoerd met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL). De aard, omvang en locatie van de activiteiten bepalen welke milieu- en omgevingsaspecten onderzocht moeten worden als onderdeel van de motivering bij het wijzigen van het omgevingsplan.

De instructieregels van het Rijk wat betreft omgevingsplannen staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Hieronder wordt de toetsing van de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan aan het beoordelingskader beschreven. 

4.1.2 Afweging instructieregels Bkl

Voor de volgende thema's wordt in onderstaande tabel voor de wijziging aangegeven of zij relevant zijn of niet. 

Tabel 5.1: Afweging instructieregels Bkl

Thema

Afdelingen en paragrafen Bkl

Relevantie en toelichting

Dienstenrichtlijn

§ 5.1.1. Algemene bepalingen – artikel 5.1a

Nee, het plan voorziet niet in (de huisvesting van) diensten.

Omgevingsveiligheid

§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid

Nee, bijna alle locaties voor de standplaatsen liggen buiten een aandachtsgebied of contour van een activiteit met een extern veiligheidsrisico. Enkele standplaatsen bevinden zich wel nabij provinciale wegen met een aandachtsgebied voor externe veiligheid. Voor die locaties geldt dat er, vanwege de tijdelijkheid van de standplaatsen, geen noodzaak is voor een verantwoording van het groepsrisico. 

Water

§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen

Nee, de voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep. Er worden geen water gegraven, gedempt of anderzijds veranderd. 

Luchtkwaliteit

§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht

Nee, de voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep. De ontwikkeling betreft geen aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Ook ligt het projectgebied niet binnen een aangewezen aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.

Geluid door activiteiten

§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten

Nee, met de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. 

Op basis van Bkl artikel 5.63 lid 2 onder a geldt daarnaast dat de instructieregels uit 5.1.4.2. niet van toepassing zijn op 'activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht'. In de APV van gemeente Het Hogeland staat de volgende definitie over standplaatsen "Een standplaats is het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel". Een standplaats is dus een activiteit die in hoofdzaak in de openbare ruimte wordt verricht. Daarom zijn de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.2 niet van toepassing voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan.

Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen

§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Nee, de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen.

Geluid rond luchthavens

§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens

Nee, het plangebied ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven.

Trillingen

§ 5.1.4.4. Trillingen

Nee, de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet ook niet in trillinggevoelige gebouwen.

Slagschaduw van windturbines

§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines

Nee, er is geen sprake van windturbines in de omgeving van de standplaatsen.

Bodemkwaliteit

§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit

Nee, de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in een bodemgevoelig gebouw. 

Geur

§ 5.1.4.6. Geur

Paragraaf 5.1.4.6 is van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In afwijking van het eerste lid is paragraaf 5.1.4.6, met uitzondering van artikel 5.92 (geur door activiteiten – rekening houden met en aanvaardbaarheid), niet van toepassing als het gaat om de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar. Gelet op het tijdelijke karakter van de standplaatsen is paragraaf 5.1.4.6 dus niet van toepassing. 

De locaties voor de standplaatsen zijn daarnaast zorgvuldig gekozen om geurhinder te voorkomen. Hierbij is rekening gehouden met geur en met de aanvaardbaarheid van geur op geurgevoelige gebouwen zoals gesteld in artikel 5.92. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. 

Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie)

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Nee,  de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan zorgt niet voor de aantasting van cultuurhistorische waarden. Er worden geen grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een onderzoek naar archeologische waarden is dan ook niet nodig. 

Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB‑Waddenzee en Waddengebied

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Nee, het projectgebied ligt niet in een aangewezen gebied met landschappelijke of stedenbouwkundige waarden of cultureel erfgoed.

Ladder voor duurzame verstedelijking

§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking

Nee, de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Het toepassen van de ladder is niet aan de orde. 

Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving

§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten

Nee, de ontwikkeling raakt geen nationale belangen.

Aanwijzing woningbouwcategorieën

§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken

Nee, de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan maakt geen nieuwe woningen mogelijk. Voor dit plan is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen.

Toegankelijkheid openbare buitenruimte

§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Nee, bij de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan is geen sprake van inrichting van openbare buitenruimte.

 

4.1.3 Thema's in het kader van ETFAL

Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's worden in onderstaande tabel weergegeven. 

Tabel 5.2: Thema's in het kader van ETFAL

Thema

Wettelijk kader

Relevant

Gezondheid

§ 5.1.4 Bkl

Nee, paragraaf 5.1.4 bestaat uit de aspecten luchtkwaliteit, geluid door activiteiten, geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen, trillingen, slagschaduw van windturbines, bodemkwaliteit en geur. Op basis van de beoordeling in tabel 5.1 van deze motivering geldt dat deze onderdelen niet relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling en er geen onaanvaardbare situaties te verwachten zijn. Naast het ontbreken van negatieve effecten op de gezondheid kunnen standplaatsen bijdragen aan de sociale kwaliteit van de leefomgeving doordat zij een ontmoetingsfunctie vervullen en daarmee de sociale cohesie en levendigheid versterken.

Gezondheidsrisico’s vanwege veehouderijen

*

Nee, Het projectgebied is niet gelegen nabij een veehouderij en voorziet hier zelf ook niet in.

Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen

*

Nee, het projectgebied ligt niet nabij agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast.

Mobiliteit en parkeren

*

Nee, de voorgenomen thematische wijziging van het omgevingsplan maakt het mogelijk om standplaatsen toe te staan, maar leidt niet tot een fysieke herinrichting van de openbare ruimte of wijzigingen aan de verkeersstructuur. Standplaatsen worden uitsluitend toegestaan op locaties waar de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer niet onevenredig worden belemmerd. Gezien de kleinschalige aard en het tijdelijke karakter van standplaatsen is geen sprake van structurele verkeersaantrekkende werking die leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Ook worden de standplaatsen toegestaan op locaties waar voldoende parkeercapaciteit aanwezig is. Er is geen sprake van belemmeringen. 

Natuurbescherming NNN

§ 7.3 Bal

Nee, hoewel één standplaats in NNN-gebied ligt ('Strandweg') zorgt dit niet voor een directe afname van NNN-gebied. De standplaats wordt toegestaan op een reeds bestaand en semi-verhard terrein direct aansluitend aan de openbare weg. Voor de realisatie van de standplaats zijn geen graafwerkzaamheden, uitbreiding van verhard oppervlak, kap van bomen of verwijdering van natuurwaarden noodzakelijk.

De omgevingsplanwijziging leidt niet tot een afname van het areaal van het NNN. Tevens worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aangetast. De locatie bestaat uit bestaand semi-verhard terrein dat reeds wordt beïnvloed door wegverkeer en recreatief gebruik. De planwijziging maakt uitsluitend een beperkte standplaatsactiviteit mogelijk en veroorzaakt geen wijziging van de landschappelijke structuur, natuurwaarden of ecologische verbindingen.

Gelet hierop is geen sprake van een significante aantasting van het NNN. De voorwaarden met betrekking tot alternatieven, mitigatie en compensatie zijn daarom niet aan de orde. De ontwikkeling is in overeenstemming met de provinciale instructieregels voor het Natuurnetwerk Nederland.

 

Ecologie: gebiedsbescherming

§ 11.1 Bal

Nee, de voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep, waardoor er worden geen beschermde gebieden worden geschaad. 

Ecologie: soortenbescherming

§ 11.2 Bal

Nee, de voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep. Er worden ook geen gebouwen of bouwwerken gesloopt die beschermde soorten kunnen bevatten. Ook worden er geen houtopstanden gekapt die beschermde soorten kunnen bevatten. Er is geen sprake van belemmeringen. 

Ecologie: houtopstanden

§ 11.3 Bal

Nee, er worden geen houtopstanden gekapt. De voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep.

Welstand

Bruidsschat

Nee, er wordt verwacht dat er met de invulling van de standplaatsen wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand. 

Bezonning / schaduwhinder

*

Nee, de voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep.

Windhinder

*

Nee, de voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep.

Lichthinder

*

Nee, de voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingreep. De standplaatsen worden uitsluitend overdag geëxploiteerd.  Van significante uitstraling van licht richting de hemel is daarom geen sprake. Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect lichthinder. 

* In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.

5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Bij wijzigingen van het omgevingsplan waarbij kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is de gemeente verplicht de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen voor het aanleggen van openbare voorzieningen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers van kostenverhaalplichtige activiteiten die profijt hebben hiervan. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn gedefinieerd in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Het betreft: 

  • de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;

  • de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;

  • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2  bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;

  • de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;

  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of

  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.

 

Op grond van artikel 13.12 is het verboden een kostenverhaalplichtige activiteit uit te voeren voordat het kostenverhaal is verzekerd. 

De voorgenomen wijziging betreft een thematische wijziging gericht op het toestaan van standplaatsen en voorziet niet in een ruimtelijke ingrepen, er worden dan ook geen kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk gemaakt. Voor de voorgenomen wijziging is het wettelijk verplicht kostenverhaal niet aan de orde.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid (Participatie)

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. De Omgevingswet voorziet in een andere manier van werken en denken, waarbij minder en overzichtelijke regels, ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk centraal staan. De Omgevingswet heeft daarom een uitnodigend karakter, waarbij publieksparticipatie een belangrijke rol speelt. 

Omdat de Omgevingswet uitnodigt tot maatwerk is in de wet opgenomen dat participatie onderdeel wordt van ruimtelijke processen. Op deze manier wordt ingezet op een integrale afweging, waarbij de verschillende belangen en afwegingen worden meegenomen. De verwachting is dat participatie bijdraagt aan draagvlak en kortere juridische procedures. Goede participatie is zo georganiseerd dat het bijdraagt aan de kwaliteit van het openbaar bestuur en de betrokkenheid van de inwoners e.a. bij het bestuur. Participatie moet tijdig en zorgvuldig plaatsvinden. In de Omgevingswet is daaraan toegevoegd dat “eenieder” moet kunnen reageren op en meedenken aan plannen, in plaats dus van alleen direct belanghebbenden.

Uitwerking participatie

De gemeente Het Hogeland heeft op 12 juni 2025 via het Gemeenteblad kenbaar gemaakt dat (zie Kennisgeving voornemen wijziging omgevingsplan gemeente Het Hogeland, onderdeel standplaatsen en start participatie) zij voornemens is het omgevingsplan te wijzigen om standplaatsen te verankeren in het omgevingsplan. 

Zowel de bestaande, via de APV geregelde, locaties als de nieuwe locaties zijn aangegeven en ingetekend op kaarten van de individuele dorpen. Deze kaarten waren via de website van de gemeente digitaal raad te plegen en hebben in de gemeentehuislocaties in Winsum en Uithuizen fysiek ter inzage gelegen. Daarnaast zijn dorps- en ondernemersverenigingen per brief op de hoogte gebracht. Ook directe omwonenden van nieuwe standplaatslocaties hebben een brief ontvangen. Daarin werden zij uitgenodigd om tussen 13 juni en 24 juli 2025 schriftelijk te reageren op het voornemen het omgevingsplan te wijzigen.

De gemeente heeft negen reacties ontvangen. Deze reacties zijn inhoudelijk beoordeeld en hebben al dan niet tot kleine aanpassingen van het plan geleid. In een geval heeft het geleid tot het schrappen van een nieuwe locatie. In de reactienota (bijlage Reactienota wijziging omgevingsplan - standplaatsen Het Hogeland) is terug te lezen hoe met de reacties is omgegaan. Hieruit volgt dat er voldoende invulling is gegeven aan de onder de omgevingswet vereiste participatie. 

6 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

6.1 Wettelijk kader

Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen.

6.2 Afweging

Ten behoeve van de wijziging van het omgevingsplan voor standplaatsen in in gemeente Het Hogeland zijn de voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten onderzocht en afgewogen. De wijziging van het omgevingsplan is ook getoetst aan het relevante beleid. Hieruit is gebleken dat het project in overeenstemming is met het beleid op de verschillende overheidsniveaus. Bij de wijziging van het omgevingsplan voor het toestaan van standplaatsen is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het omgevingsplan van gemeente Hogeland kan gewijzigd worden. 

I Overzicht Documentenbijlagen

Reactienota wijziging omgevingsplan - standplaatsen Het Hogeland

/join/id/pubdata/gm1966/2026/8d662a9b83414ef3b2882a6ef6fcd111/nld@2026‑09‑30;07410751

Naar boven