Gemeenteblad van Montfoort
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2026, 453391 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2026, 453391 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Dit besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat tevens begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 2 tot en met hoofdstuk 21 van dit omgevingsplan.
Bijlage III bevat meet- en rekenbepalingen voor de toepassing van de regels van dit omgevingsplan.
B
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze titel gaan over het gebied ‘Laan van Overvliet’.
In het gebied ‘Laan van Overvliet’ zijn de besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet niet van toepassing voor zover het gaat om regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet
De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 van het omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.
In afwijking van het tweede lid geldt subparagraaf 22.2.7.3 van het omgevingsplan onverkort.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Artikel 20.5 Toegestaan gebruik - algemeen
Gronden en bouwwerken mogen alleen worden gebruikt voor de doeleinden die zijn toegestaan op grond van deze afdeling en alleen met inachtneming van de in deze afdeling gestelde regels.
Voorzieningen die horen bij de aangewezen gebruiksdoelen, zoals groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, en toegangswegen en -paden zijn ook toegestaan.
Artikel 20.6 Beoordelingsregel gebruiksactiviteit - algemeen
Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een vergunningplichtige gebruiksactiviteit als bedoeld in afdeling 20.2.2, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien de activiteit aanvaardbaar is gelet op artikel 20.4 en toepassing wordt gegeven aan de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning in afdeling 20.2.2.
Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid betreft het bevoegd gezag in elk geval de functionele en stedenbouwkundige inpassing van het gebruik op de beoogde locatie, gelet op de aard en omvang van de gronden en bouwwerken en op de aard en intensiteit van het gebruik ervan, beide in relatie tot de bestaande of in de nabije toekomst te verwachten toestand in de redelijkerwijs in beschouwing te nemen omgeving.
Artikel 20.8 Waar deze paragraaf geldt
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘wonen – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.9 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf 20.2.2.2 gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken voor het wonen.
Artikel 20.10 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken voor het wonen.
Artikel 20.11 Toegestaan gebruik - wonen
Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor het wonen in een Woning.
Artikel 20.12 Vergunningplicht gebruik dak bijbehorende bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het dak van bijbehorende bouwwerken te gebruiken als dakterras of het dak toegankelijk te maken.
Artikel 20.13 Beoordelingsregels gebruik dak bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.12 kan alleen worden verleend als het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de privacy op de naburige percelen.
Artikel 20.14 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken voor aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten.Staat van Bedrijfsactiviteiten
Artikel 20.15 Toegestaan gebruik - aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
De vloeroppervlakte van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt niet meer dan 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 30 m2.
Artikel 20.16 Vergunningplicht groter oppervlak aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten waarvan het oppervlak maximaal 50 m2 van de vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning bijbehorende bouwwerken bedraagt.
Artikel 20.17 Aanvraagvereisten groter oppervlak aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.286 worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.16 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:er de lijstaanhef
een beschouwing van de effecten van het beoogde aan-huis-gebonden beroep of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit op het woonmilieu, waaronder in elk geval een beschouwing op de parkeerdruk en verkeersbelasting;
indien het beoogde gebruik detailhandel betreft, of dit als ondergeschikte nevenactiviteit is beoogd; en
indien relevant het oppervlak van reclameborden in m2 die bij of aan de woning worden geplaatst.
Artikel 20.18 Beoordelingsregels aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.16 wordt alleen verleend als:
het aan-huis-gebonden-beroep of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit geen onevenredige vergroting van de parkeerdruk en/of de verkeersbelasting veroorzaakt;
het aan-huis-gebonden-beroep of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit geen onevenredige hinder voor het woonmilieu veroorzaakt;
er geen detailhandel is beoogd, tenzij dit als ondergeschikte nevenactiviteit is beoogd; en
er geen reclameborden groter dan 0,2 m2 bij of aan de woning worden geplaatst.
Artikel 20.19 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken voor hospitaverhuur.
Artikel 20.20 Toegestaan gebruik - hospitaverhuur
Het gebruik van gronden en bouwwerken voor hospitaverhuur is alleen onder de volgende voorwaarden toegestaan:
de te verhuren woonruimte heeft geen eigen toegang naar de openbare weg;
(het huishouden van) de verhuurder bewoont minimaal 60% van de inhoud van de woonruimte zelf; en
hospitaverhuurder en hospitahuurder(s) moeten op het adres staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
Artikel 20.21 Vergunningplicht - hospitaverhuur
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woonruimte met een eigen toegang naar de openbare weg te verhuren.
Artikel 20.22 Aanvraagvereisten hospitaverhuur
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.286 worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.21 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschouwing van het effect van het beoogde gebruik op het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in elk geval ingegaan dient te worden op de belangen van eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden en bouwwerken;
een toets of er sprake is van woningsplitsing;
een toets aan de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 of diens opvolger; en
een toets aan het woonbeleid van de gemeente Montfoort.
Artikel 20.23 Beoordelingsregels hospitaverhuur
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.21 wordt alleen verleend op voorwaarde dat:
er geen onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt gedaan en de belangen van de eigenaren en/of de gebruikers van nabijgelegen gronden en bouwwerken niet onevenredig worden geschaad;
de nieuwe situatie passend is in het straatbeeld;
er geen woningsplitsing plaatsvindt;
er wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 of diens opvolger; en
de nieuwe situatie niet in strijd is met het woonbeleid van de gemeente Montfoort.
Artikel 20.24 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gaan over het gebruik van een woning als zorgwoning.
Artikel 20.25 Vergunningplicht gebruik zorgwoning
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken als zorgwoning.
Artikel 20.26 Aanvraagvereisten gebruik zorgwoning
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.286 worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.25 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschouwing van het effect van het beoogde gebruik op het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in elk geval ingegaan dient te worden op de belangen van eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden en bouwwerken;
een toets of er sprake is van woningsplitsing;
een toets aan de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 of diens opvolger; en
een toets aan het woonbeleid van de gemeente Montfoort.
Artikel 20.27 Beoordelingsregels gebruik zorgwoning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.25 wordt alleen verleend op voorwaarde dat:
er geen onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt gedaan en de belangen van de eigenaren en/of de gebruikers van nabijgelegen gronden en bouwwerken niet onevenredig worden geschaad;
de nieuwe situatie passend is in het straatbeeld;
er geen woningsplitsing plaatsvindt;
er wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 of diens opvolger; en
de nieuwe situatie niet in strijd is met het woonbeleid van de gemeente Montfoort.
Artikel 20.28 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gaan over het gebruik van een woning voor een friends contract.
Artikel 20.29 Vergunningplicht gebruik woning friends contract
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor een friends contract.
Artikel 20.30 Aanvraagvereisten gebruik woning friends contract
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.286 worden bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.29 in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een toets of er sprake is van woningsplitsing;
een toets aan de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 of diens opvolger; en
een toets aan het woonbeleid van de gemeente Montfoort.
Artikel 20.31 Beoordelingsregels gebruik woning friends contract
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.29 wordt alleen verleend op voorwaarde dat:
de woonruimte zich bevindt in de bebouwde kom;
de nieuwe situatie passend is in het straatbeeld;
er geen woningsplitsing plaatsvindt;
er wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 of diens opvolger; en
de nieuwe situatie niet in strijd is met het woonbeleid van de gemeente Montfoort.
Artikel 20.32 Waar deze paragraaf geldt
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘tuin – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.33 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken voor een tuin.
Artikel 20.34 Toegestaan gebruik
Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor tuinen die grenzen bij hoofdgebouwen.
Artikel 20.35 Waar deze paragraaf geldt
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘openbare ruimte – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.36 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken voor openbare ruimte.
Artikel 20.37 Toegestaan gebruik
Gronden en bouwwerken mogen gebruikt worden voor:
groen;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
speelvoorzieningen;
verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik van aangrenzende functies;
parkeervoorzieningen;
nutsvoorzieningen; en
reclame uitingen.
Artikel 20.38 Toegestaan gebruik - ontsluiting
In het gebied ‘ontsluiting toegestaan - Laan van Overvliet’ mogen gronden en bouwwerken gebruikt worden voor een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer.
Artikel 20.39 Waar deze paragraaf geldt
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘groen - Laan van Overvliet’.
Artikel 20.40 Toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken voor groen.
Artikel 20.41 Toegestaan gebruik
Gronden en bouwwerken gebruikt worden voor:
groen;
water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
speelvoorzieningen;
voet- en fietspaden;
opstelplaatsen voor hulpdiensten.
Artikel 20.42 Waar deze paragraaf geldt
De regels in deze subparagraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’.
Artikel 20.43 Toepassingsbereik
De regels in deze afdeling gaan over het bouwen en in stand houden van bouwwerken.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
Artikel 20.45 Bouwen ten behoeve van gebruiksactiviteiten
Een bouwwerk wordt alleen gebouwd als de gebruiksactiviteit waarvoor het bouwwerk wordt gebouwd ter plaatse is toegestaan op grond van de regels in afdeling 20.2.2.
Artikel 20.46 Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden over de plaats en afmetingen van de bebouwing, indien dit nodig is ten behoeve van:
Artikel 20.47 Algemene beoordelingsregels
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in paragraaf 20.2.3.2 en in paragraaf 20.2.3.3 gestelde regels over het bouwen.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend, als de activiteit aanvaardbaar is gelet op de oogmerken als bedoeld in artikel 20.44 en wordt voldaan aan de in dit omgevingsplan opgenomen regels inzake de toepassing van dit lid.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid betrekt het bevoegd gezag in elk geval de functionele en stedenbouwkundige inpassing van het bouwwerk op de beoogde locatie, gelet op de aard en omvang van het bouwwerk en op de aard en intensiteit van het gebruik ervan, beide in relatie tot de bestaande of in de nabije toekomst te verwachten toestand in de redelijkerwijs in beschouwing te nemen omgeving.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen van een geluidgevoelig gebouw wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteiten niet in strijd is met de aanvullende beoordelingsregels, als bedoeld in paragraaf 20.2.4.1.
Artikel 20.48 Voldoende parkeergelegenheid
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.26, wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Bij onvoldoende parkeergelegenheid op eigen terrein kan de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid worden verleend, als geen onaanvaardbare effecten optreden voor wat betreft verkeer en parkeren.
De ‘Nota Parkeernormen Montfoort 2020’ wordt in acht genomen bij:
Indien de nota, bedoeld in het derde lid, wordt vervangen door een nieuwe versie, wordt bij de toepassing van het derde lid de nieuwe versie in acht genomen.
De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.26 [Bruidsschat], wordt alleen verleend als voldaan wordt aan het beeldkwaliteitsplan Laan van Overvliet Linschoten, vastgesteld op dd, mm, jjj.
Indien het beeldkwaliteitsplan, bedoeld in het eerste lid, wordt vervangen door een nieuwe versie, wordt bij de toepassing van het eerste lid de nieuwe versie in acht genomen.
Artikel 20.50 Afwijkende beoordelingsregels beeldkwaliteit
In afwijking van artikel 20.49 wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen zoals bedoeld in artikel 22.26, ook verleend, als niet voldaan wordt aan het beeldkwaliteitsplan, bedoeld in artikel 20.49, als wordt voldaan aan het volgende lid van dit artikel.
De afwijking van het beeldkwaliteitsplan is uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar.
Artikel 20.51 Waar deze subparagraaf geldt
De regels in deze subparagraaf gelden in het gebied ‘hoofdgebouwen toegestaan - Laan van Overvliet’.
Artikel 20.53 Beoordelingsregels plaatsing hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als een hoofdgebouw wordt gebouwd in het gebied ‘hoofdgebouwen toegestaan - Laan van Overvliet’.
Artikel 20.54 Beoordelingsregels gestapelde en grondgebonden woningen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan één van de volgende leden van dit artikel.
In het gebied ‘grondgebonden woningen toegestaan - Laan van Overliet’ is het alleen toegestaan om grondgebonden woningen te bouwen.
In het gebied ‘gestapelde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ is het alleen toegestaan om gestapelde woningen te bouwen.
In afwijking van het bepaalde in het tweede en het derde lid geldt dat in het gebied waar ‘gestapelde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ en ‘grondgebonden woningen toegestaan - Laan van Overliet’ ligt, zowel gestapelde woningen als grondgebonden woningen toegestaan zijn.
Artikel 20.55 Beoordelingsregels woningtypen grondgebonden woningen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan één van de volgende leden van dit artikel.
In het gebied ‘twee-onder-een kap woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ zijn alleen twee-onder-één kap woningen toegestaan.
In het gebied ‘vrijstaande woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ zijn alleen vrijstaande woningen toegestaan.
In het gebied ‘aaneengebouwde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ zijn alleen aaneengebouwde woningen toegestaan.
In afwijking van het bepaalde in het tweede en het derde lid geldt dat in het gebied waar ‘twee-onder-een kap woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ en ‘vrijstaande woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ ligt, zowel twee-onder-één kap woningen als vrijstaande woningen toegestaan zijn.
Artikel 20.56 Beoordelingsregels afstand tot zijdelingse perceelsgrens
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt in het gebied ‘twee-onder-een kap woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ alleen verleend als de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelgrens minimaal 1 meter aan de niet aaneengebouwde zijde bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt in het gebied ‘vrijstaande woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ alleen verleend als de afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelgrens minimaal 1 meter aan twee zijden bedraagt;
Artikel 20.57 Beoordelingsregels diepte hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt in het gebied ‘twee-onder-een kap woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ alleen verleend als de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, niet meer bedraagt dan 12 m;
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt in het gebied ‘vrijstaande woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ alleen verleend als de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, niet meer bedraagt dan 14 m;
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt in het gebied ‘aaneengebouwde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ alleen verleend als de diepte van hoofdgebouwen, zonder aangebouwde bijbehorende bouwwerken, niet meer bedraagt dan 10 m;
Artikel 20.58 Beoordelingsregels goothoogte hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan één van de volgende leden van dit artikel.
De goothoogte van hoofdgebouwen is maximaal 6 m, tenzij het derde lid van toepassing is.
De goothoogte van hoofdgebouwen is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met ‘maximum goothoogte – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.59 Beoordelingsregels goothoogte grondgebonden woningen waar ook gestapelde woningen zijn toegestaan
Dit artikel geldt in afwijking van artikel 20.58, derde lid.
Dit artikel geldt in het geval dat er in het gebied ‘grondgebonden woningen toegestaan - Laan van Overliet’ waar ook het gebied ‘gestapelde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ ligt, grondgebonden woningen worden gerealiseerd.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als er in het gebied ‘grondgebonden woningen toegestaan - Laan van Overliet’ waar ook de locatie ‘gestapelde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ ligt, de goothoogte van grondgebonden woningen maximaal 6 m bedraagt.
Artikel 20.60 Beoordelingsregels bouwhoogte hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan één van de volgende leden van dit artikel.
De bouwhoogte van hoofdgebouwen is maximaal 11 m, tenzij het derde lid van toepassing is.
De bouwhoogte van hoofdgebouwen is niet meer dan ter plaatse is aangegeven met ‘maximum bouwhoogte – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.61 Beoordelingsregels bouwhoogte grondgebonden woningen waar ook gestapelde woningen zijn toegestaan
Dit artikel geldt in afwijking van artikel 20.60, derde lid. Dit artikel geldt in het geval dat er in het gebied ‘grondgebonden woningen toegestaan - Laan van Overliet’ waar ook het gebied ‘gestapelde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ ligt, grondgebonden woningen worden gerealiseerd.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als er in het gebied ‘grondgebonden woningen toegestaan - Laan van Overliet’ waar ook de locatie ‘gestapelde woningen toegestaan - Laan van Overvliet’ ligt, de bouwhoogte van grondgebonden woningen maximaal 11 m bedraagt.
Artikel 20.62 Waar deze subparagraaf geldt
De regels in deze subparagraaf gelden in het gebied ‘bijbehorende bouwwerken toegestaan - Laan van Overvliet’.
Artikel 20.63 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen van bijbehorende bouwwerken.
Artikel 20.64 Beoordelingsregels dakkapel bouwen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als dakkapellen op het dakvlak aan de voorzijde van een grondgebonden woning worden geplaatst, met dien verstande dat:
de dakkapel niet voorzien is in het gebied ‘dakkapellen verboden - Laan van Overvliet’;
de dakkapel voorzien is van een plat dak;
de hoogte niet meer bedraagt dan 1,75 m, gemeten vanaf de voet van de dakkapel;
de onderzijde zich meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet bevindt;
de bovenzijde zich meer dan 0,5 m onder de daknok bevindt;
de zijkanten zich meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak bevinden.
Artikel 20.65 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken bouwen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als:
een bijbehorend bouwwerk is voorzien in het gebied ‘bijbehorende bouwwerken toegestaan – Laan van Overvliet’;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij vrijstaande woningen en twee-onder-één kap woningen niet meer is dan:
60 m2 voor bouwpercelen kleiner of gelijk aan 250 m2;
80 m2 voor bouwpercelen groter dan 250 m2 en kleiner of gelijk aan 500 m2;
100 m2 voor bouwpercelen groter dan 500 m2
met dien verstande dat een bouwperceel tot ten hoogste 60% mag worden bebouwd;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij aaneengebouwde woningen niet meer is dan 60 m2, met dien verstande dat een bouwperceel tot ten hoogste 75% mag worden bebouwd;
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij gestapelde woningen niet meer is dan 10 m2 per woning;
de goothoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 3 m bedraagt óf de goothoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 meter;
de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 5 m bedraagt.
Artikel 20.66 Afwijkende beoordelingsregels groter oppervlak bijbehorende bouwwerk voor personen met een functiebeperking
In afwijking van artikel 20.62 [artikel hierboven] wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen zoals bedoeld in artikel 22.26 [Bruidsschat], waar het gaat om bijbehorende bouwwerken voor personen met een functiebeperking verleend als;
de gezamenlijk oppervlakte van bijbehorende bouwwerken kleiner of gelijk is aan 100 m2;
het totale bouwperceel wordt bebouwd tot ten hoogste 75 %;
de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast; en
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig wordt beperkt.
Artikel 20.67 Waar deze subparagraaf geldt
De regels in deze subparagraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’.
Artikel 20.69 Vergunningplicht ondergronds bouwen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kelder of garage te bouwen.
Artikel 20.70 Aanvraagvereisten ondergronds bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.286 wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 20.66 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 20.71 Beoordelingsregels ondergronds bouwen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.66 wordt alleen verleend als:
de bebouwingskarakteristiek van de omgeving niet wordt aangetast en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden beperkt; en
het oppervlak van (delen) van ondergrondse bouwwerken buiten het gebied ‘hoofdgebouwen toegestaan’ niet meer bedraagt dan de toegestane maximumoppervlakte van bijbehorende bouwwerken.
Artikel 20.72 Waar deze subparagraaf geldt
De regels in deze subparagraaf gelden binnen de locaties ‘wonen – Laan van Overvliet’, ‘groen - Laan van Overvliet’, ‘openbare ruimte – Laan van Overvliet’ en ‘tuin – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.73 Toepassingsbereik
De regels in deze subparagraaf gaan over het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 20.74 Algemene regels erfafscheidingen in Wonen en Tuin
De bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel van het hoofdgebouw in het gebied ‘wonen – Laan van Overvliet’ bedraagt ten hoogste 1 m;.
De bouwhoogte van erfafscheidingen elders in het gebied ‘wonen – Laan van Overvliet’ en ‘tuin – Laan van Overvliet’ bedraagt ten hoogste 2 m.
Artikel 20.75 Algemene regels overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde erfafscheidingen, in het gebied ‘wonen – Laan van Overvliet’, ‘tuin – Laan van Overvliet’, ‘openbare ruimte – Laan van Overvliet’ en ‘groen - Laan van Overvliet’ bedraagt ten hoogste 3 m.
Artikel 20.76 Waar deze subparagraaf geldt
De regels van deze subparagraaf gelden in het gebied ‘archeologische verwachtingswaarde - 2’ en ‘archeologische verwachtingswaarde - 6’.
Artikel 20.78 Specifiek oogmerk
In aanvulling op het bepaalde in artikel 20.44 zijn de regels in deze subparagraaf ook gesteld met het oog op de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Artikel 20.79 Algemene bouwregels
In de gebieden ‘archeologische verwachtingswaarde - 2’ en ‘archeologische verwachtingswaarde - 6’ mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van archeologie worden gebouwd.
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als bedoeld in het eerste lid is niet meer dan 3 meter.
Artikel 20.80 Specificatie aanvraagvereisten archeologie
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt in elk geval een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Het eerste lid geldt is niet van toepassing als het gaat om vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
In het gebied ‘archeologische verwachtingswaarde - 2’ is het eerste lid ook niet van toepassing als het gaat om het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2 dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst
In het gebied ‘archeologische verwachtingswaarde - 6’ is het eerste lid ook niet van toepassing als het gaat om het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 10.000 m2 dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
Artikel 20.81 Specifieke beoordelingsregels archeologie
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als:
de archeologische waarde niet wordt geschaad; of
mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden als bedoeld in artikel 20.82
Bij het beoordelen of voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid, betrekt het bevoegd gezag het rapport als bedoeld in artikel 20.80, eerste lid.
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
In het gebied ‘archeologische verwachting – 2’ is het eerste lid ook niet van toepassing als het gaat om het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2 dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
In het gebied ‘archeologische verwachting – 6’ is het eerste lid ook niet van toepassing als het gaat om het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 10.000 m2 dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
Artikel 20.82 Vergunningvoorschriften archeologie
Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 20.81, eerste lid, onder b, worden in ieder geval voorschriften verbonden met het oog op het voorkomen van mogelijke schade aan de archeologische waarde.
Deze voorschriften kunnen gericht zijn op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen, dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.
Artikel 20.83 Waar deze subparagraaf geldt
De regels van deze subparagraaf gelden in het gebied ‘waterstaat - waterkering’.
Artikel 20.85 Beoordelingsregels bouwwerk voor de waterkering
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als het gaat om:
Artikel 20.86 Beoordelingsregels bestaand bouwwerk, niet voor de waterkering
In aanvulling op het bepaalde in artikel 20.85 wordt de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26 ook verleend als het gaat om een bestaand bouwwerk niet ten dienste van de waterkering, waarbij:
het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; en
indien de overige bouwregels uit afdeling 20.2.3, voor zover relevant, in acht worden genomen.
Artikel 20.87 Aanvraagvereisten bestaand bouwwerk, niet voor de waterkering
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken in het gebied ‘Waterstaat – Waterkering’ als bedoeld in artikel 20.86 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 20.88 Vergunningplicht bouwwerk, niet voor de waterkering
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen binnen het gebied ‘waterstaat - waterkering' dat niet voldoet aan artikel 20.85 [Beoordelingsregel bouwwerk voor de waterkering] of aan artikel 20.86.
Artikel 20.89 Beoordelingsregels nieuw bouwwerk, niet voor de waterkering
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.88 wordt alleen verleend:
als het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet worden geschaad; en
indien de overige bouwregels uit afdeling 20.2.3, voor zover relevant, in acht genomen worden.
Artikel 20.90 Waar deze subparagraaf geldt
De regels van deze subparagraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’.
Artikel 20.92 Beoordelingsregels omvang aantal woningen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan onderstaande bepalingen:
het totaal aantal woningen bedraagt niet meer dan 120.
in aanvulling op het sub a geldt dat het aantal woningen niet meer bedraagt dan ter plaatse is aangegeven met de omgevingsnorm ‘maximum aantal woningen - Laan van Overvliet’.
Artikel 20.93 Waar deze paragraaf geldt
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’
Artikel 20.95 Beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende leden van dit artikel.
De standaardwaarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt niet overgeschreden.
In afwijking van het tweede lid geldt dat, als niet wordt voldaan aan de in dat lid genoemde standaardwaarde, een omgevingsvergunning voor het realiseren van een geluidgevoelig gebouw ook wordt verleend voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in het vierde, vijfde, zesde en zevende lid.
Voor de geluidsbelasting die hoger is dan bedoeld in het tweede lid gelden de volgende afwijkende beoordelingsregels:
de grenswaarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt niet overschreden; en
de overschrijding van de standaardwaarde als bedoeld in het tweede lid door het treffen van geluidbeperkende maatregelen wordt zoveel mogelijk beperkt.
Geluidbeperkende maatregelen zoals bedoeld in het vierde lid worden in onderstaande volgorde afgewogen:
Geluidbeperkende maatregelen zoals bedoeld in het vijfde lid worden in aanmerking genomen als:
Als de standaardwaarde zoals bedoeld in het tweede lid, al dan niet na het treffen van de maatregelen zoals bedoeld het in vierde lid, overschreden wordt, wordt een omgevingsvergunning voor het realiseren van een geluidgevoelig gebouw alleen verleend als ook wordt voldaan de voorwaarden voor het toestaan van een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde.
In aanvulling op de algemene aanvraagvereisten uit artikel 7.3 van de Omgevingsregeling is de aanvraag voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid ook voorzien van:
een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege activiteiten; en
als blijkt dat de standaardwaarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt overschreden: een onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen.
Aan een omgevingsvergunning voor het realiseren van een geluidgevoelig gebouw kunnen voorschriften worden verbonden die ertoe strekken dat geluid beperkende maatregelen worden getroffen.
Artikel 20.96 Beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw - wegverkeerslawaai
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor het bouwen van een gebouw dat gevoelig is voor geluid van wegverkeer wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende leden van dit artikel.
De standaardwaarde voor geluidgevoelige gebouwen in aandachtsgebieden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt niet overschreden.
In afwijking van het tweede lid geldt dat als niet wordt voldaan aan de in dat lid genoemde standaardwaarde, een omgevingsvergunning voor het realiseren van een geluidgevoelig gebouw, als bedoeld in het eerste lid, ook wordt verleend voor zover wordt voldaan aan het bepaalde in het , vijfde, zesde en zevende lid.
Voor de geluidsbelasting die hoger is dan bedoeld in het tweede lid gelden de volgende afwijkende beoordelingsregels:
Geluidbeperkende maatregelen zoals bedoeld in het vierde lid worden in onderstaande volgorde afgewogen:
Geluidbeperkende maatregelen zoals bedoeld in het vijfde lid worden in aanmerking genomen als:
Als de standaardwaarde zoals bedoeld in het tweede lid, al dan niet na het treffen van de maatregelen zoals bedoeld het in vierde lid, overschreden wordt, wordt een omgevingsvergunning voor het realiseren van een geluidgevoelig gebouw alleen verleend als ook wordt voldaan de voorwaarden voor het toestaan van een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde.
In aanvulling op de algemene aanvraagvereisten uit artikel 7.3 van de Omgevingsregeling is de aanvraag voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid ook voorzien van:
Aan een omgevingsvergunning voor het realiseren van een geluidgevoelig gebouw kunnen voorschriften worden verbonden die ertoe strekken dat geluidbeperkende maatregelen worden getroffen.
Artikel 20.97 Gezamenlijke geluidsbelasting
Bij de toepassing van de artikelen 20.95 en/of 20.96 wordt het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bepaald en in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikelen 20.95 en/of 20.96 vastgelegd.
Artikel 20.98 Waar deze paragraaf geldt
De regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’.
De regels over aanlegactiviteiten in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van cultureel erfgoed.
Artikel 20.101 Waar deze paragraaf geldt
De regels van deze paragraaf gelden in de gebieden ‘archeologische verwachtingswaarde - 2’ en ‘archeologische verwachtingswaarde - 6’.
Artikel 20.102 Specifiek oogmerk
In aanvulling op het bepaalde in artikel 20.99 zijn de regels in deze paragraaf ook gesteld met het oog op de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Artikel 20.103 Aanwijzing activiteiten
Deze paragraaf gaat over de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 30 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; en
het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Artikel 20.104 Vergunningplicht archeologie
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in artikel 20.103 te verrichten.
Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor:
In het gebied ‘archeologische verwachtingswaarde - 2’ geldt het verbod, als bedoeld in het eerste lid, ook niet voor werken en werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van ten hoogste 50 m2.
In het gebied ‘archeologische verwachtingswaarde - 6’ geldt het verbod, als bedoeld in het eerste lid, ook niet voor werken en werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van ten hoogste 10.000 m2.
Artikel 20.105 Specificatie aanvraagvereisten archeologie
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.104, eerste lid wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 20.106 Specifieke beoordelingsregels archeologie
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.104, eerste lid wordt alleen verleend als:
de archeologische waarde niet wordt geschaad; of
mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden als bedoeld in artikel 20.107.
Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, betrekt het bevoegd gezag het rapport, als bedoeld in artikel 20.105.
Artikel 20.107 Vergunningvoorschriften archeologie
Aan een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 20.106, eerste lid, onder b, worden in ieder geval voorschriften verbonden met het oog op het voorkomen van mogelijke schade aan de archeologische waarde.
Deze voorschriften kunnen gericht zijn op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen, dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.
C
Artikel 22.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van de paparagrafen§ 22.2.7.2ragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
D
Het opschrift van hoofdstuk 24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Het opschrift van artikel 24.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
a. de uitoefening aan huis van een beroep of de beroepsmatige verlening van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen terrein;
b. bedrijfsactiviteiten, voor zover die behoren tot categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
c. bedrijfsactiviteiten, die niet voorkomen in categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar naar aard en invloed op omgeving hiermee gelijk kunnen worden gesteld. Met dien verstande dat de Staat van Bedrijfsactiviteiten is opgenomen in bijlage III bij de regels van deze omgevingsplanwijziging.
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
een activiteit gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
Het verhuren van een woning aan maximaal drie personen die geen gemeenschappelijk huishoudenvormen, door middel van een gemeenschappelijk huurcontract, waarbij huurders de huurverplichtingen zoalsbetaling van huur en woonlasten delen. De huurders maken gebruik van een gemeenschappelijke toegang naarde openbare weg. De huurders hebben het adres voor een aaneengesloten periode van ten minste zesmaanden als hoofdverblijf, blijkend uit inschrijving in de Basisregistratie Personen en/of de feitelijkeomstandigheden.
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
De eigenaar/eigenaren of de hoofdhuurder(s) van de woonruimte
Het verhuren van één of meerdere kamers aan in totaal maximaal twee personen, door de eigenaar/eigenarenof de hoofdhuurder(s) van de woning, die in dezelfde woning woont/wonen. Door het geheel of gedeeltelijkontbreken van wezenlijke voorzieningen, zoals badkamer, toilet en/of keuken, vormen de kamers geenzelfstandige woonruimte.
Persoon of een groep personen die een huishouding voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woningwordt uitgeoefend
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations,schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoevevan (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van hetaansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging enwaterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging eninfiltratie van hemelwater.
(Nagenoeg) zelfstandige bewoning van een gebouw door bewoner(s) die het adres voor een aaneen geslotenperiode van ten minste zes maanden als hoofdverblijf (zullen) hebben, blijkend uit inschrijving in de Basisregistratie Personen en/of de feitelijke omstandigheden. In afwijking hiervan geldt bij hospitaverhuur dat de huurders het adres voor een aaneengesloten periode van ten minste vier weken als hoofdverblijf (zullen)hebben, blijkend uit inschrijving in de Basisregistratie Personen en/of de feitelijke omstandigheden.
Een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van éénafzonderlijk huishouden.
Het feitelijk opdelen van een bestaand gebouw in separate zelfstandige woonruimten, waarbij het bestaandegebouw al dan niet wordt gesplitst in appartementsrechten en/of sprake is van een wijziging van de kadastraleregistratie.
Besloten ruimte die, al dan niet tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voorbewoning.
Een woning voor de huisvesting van bepaalde categorieën van de bevolking, zoals ouderen, jongeren, ofmensen met een beperking, waarbij de mate en de vorm van de geboden zorg en ondersteuning aan debewoners dusdanig is dat niet gesproken kan worden van zelfstandige bewoning.
G
Na bijlage I worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_943b04deea5d497d88acf24d09d75426/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_1d70af456c784c809fd790cb9a521e24/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_9d5a1fc123bb491e83eba2b13f17eddf/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_76b863c080b94adaacb108d333c54731/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_4d8a5b2dc7e74ad0800c5e973a9971ac/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_28fc8dbf3b9f42d4a300bf6be5889cfd/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_65983b8d014f49289928806415edf08b/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_4946208b1dc945d5876d791d0bee0b51/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_f515ff3434d4410587782be08b2f8e3b/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_c84eb67d5e9542b48ec3984fa9d3b7e7/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/norm_83a7e8df0e3b4a2e80917136032579ab/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/norm_2816bd1dfe6b4bf6b406ba04d97a4176/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/norm_0cc39a455b6c42adbe5d71210cdbf82c/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_f34f372879024ba3b7c94e2cd973dd42/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_2fa39ef5559c43f3beec4f7c500aa840/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/BijlageIII_Standaard_Staat_van_Bedrijfsactiviteiten/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_6e74ed05372642e5b203534994a88a38/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_2bbf89846c6a467193e9d1f778976dac/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_024c2e8a7f964ffcafb09f2bb442c3fb/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_7d236740e1c84dc0925f7b0588f56ffb/nld@2026‑09‑25;1
/join/id/regdata/gm0335/2026/locatiegroep_d097bb3e18d743688ee9f7bafb7166c3/nld@2026‑09‑25;1
de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
H
Na sectie 1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt dat de regels in titel 20.2 over het gebied ‘Laan van Overvliet’ gaan.
Dit artikel regelt de verhouding tussen het plangebied ‘Laan van Overvliet’, het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de regels die vanuit de zogenoemde bruidsschat zijn overgegaan naar het omgevingsplan. Voor het plangebied zijn bepaalde regels uit het tijdelijk deel niet van toepassing verklaard voor zover deze betrekking hebben op de in dit artikel genoemde onderdelen van de Invoeringswet Omgevingswet. Daarnaast is bepaald dat de regels uit dit plan voorrang hebben boven de regels uit afdeling 22.2 en 22.3 van het omgevingsplan wanneer er sprake is van strijdigheid. De subparagraaf 22.2.7.3 blijft onverkort van toepassing binnen het plangebied.
Artikel 20.3 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik van de regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken binnen het plangebied.
Dit artikel beschrijft de oogmerken die zijn gericht op het beschermen van een goed woon -en leefklimaat en het realiseren van een klimaatbestendig woongebied in het plangebied.
Artikel 20.5 Toegestaan gebruik - algemeen
Dit artikel bepaalt welke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan. Gronden en bouwwerken mogen alleen worden toegestaan op grond van deze afdeling en met inachtneming van de in de afdeling gestelde regels. Ook bijhorende voorzieningen uit dit artikel zijn toegestaan.
Artikel 20.6 Beoordelingsregel gebruiksactiviteit - algemeen
Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor vergunningsplichtige gebruiksactiviteiten. Daarbij wordt beoordeeld of het voorgenomen gebruik past binnen de doelen van de oogmerken en de regels uit deze afdeling en wordt er gekeken of het gebruik, gelet op de aard en omvang functioneel en stedenbouwkundig goed in de omgeving past.
Artikel 20.7 Maatwerkvoorschriften
In dit artikel wordt de mogelijkheid gegeven tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
Artikel 20.8 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel regelt dat alle regels in de hele paragraaf Wonen gelden in het gebied ‘wonen – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.9 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze paragraaf gaat. Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor het wonen.
Artikel 20.10 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze subparagraaf gaat. Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor het wonen.
Artikel 20.11 Toegestaan gebruik - wonen
Dit artikel regelt dat gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor het wonen in een woning. Hierbij gaat het om een complex van ruimten, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Artikel 20.12 Vergunningplicht gebruik dak bijbehorende bouwwerken
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het gebruik van daken van bijbehorende bouwwerken als dakterras. Ook het toegankelijk maken van een dak valt onder deze vergunningplicht.
Artikel 20.13 Beoordelingsregels gebruik dak bijbehorende bouwwerken
Dit artikel bevat de beoordeling voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een dakterras op een bijbehorend bouwwerk. De vergunning kan uitsluitend worden verleend indien het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de privacy van omliggende percelen.
Artikel 20.14 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze paragraaf gaat. Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor het aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige bedrijfsactiviteiten.
Artikel 20.15 Toegestaan gebruik - aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Dit artikel regelt dat gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor het aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Daarbij is een voorwaarden gesteld aan het maximale toegestane vloeroppervlak van de betrokken woning met een maximum van 30 m2.
Artikel 20.16 Vergunningplicht groter oppervlak aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het gebruik van de gronden en bouwwerken voor aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten waarvan het oppervlak maximaal 50 m2 van de vloeroppervlakte van de woning en de bij deze woning bijbehorende bouwwerken bedraagt.
Artikel 20.17 Aanvraagvereisten groter oppervlak aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Dit artikel bepaalt welke aanvullende gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een groter oppervlak aan huis gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten moet worden aangeleverd. Hiermee kan worden beoordeeld welke effecten het beoogde aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit op het woonmilieu heeft, waaronder de parkeerdruk, verkeersbelasting, eventuele detailhandelsactiviteiten en reclame-uitingen.
Artikel 20.18 Beoordelingsregels aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Dit artikel bevat beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een groter oppervlak aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. De vergunning kan alleen worden verleend als de activiteit geen onevenredige parkeerdruk, verkeersbelasting of hinder voor het woonmilieu veroorzaakt. Daarnaast moet eventuele detailhandel ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit en zijn reclame-uitingen aan maximale afmetingen gebonden. Hiermee wordt geborgd dat het woonkarakter van de omgeving behouden blijft.
Artikel 20.19 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze subparagraaf gaat. Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor hospitaverhuur. Het gaat hierbij om het verhuren van één of meerdere kamers aan in totaal maximaal twee personen, door de eigenaar/eigenaren of de hoofdhuurder(s) van de woning, die in dezelfde woning woont/wonen. Door het geheel of gedeeltelijk ontbreken van wezenlijke voorzieningen, zoals badkamer, toilet en/of keuken, vormen de kamers geen zelfstandige woonruimte.
Artikel 20.20 Toegestaan gebruik - hospitaverhuur
Dit artikel regelt dat gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor hospitaverhuur onder voorwaarden dat te verhuren woonruimte geen eigen toegang heeft naar de openbare weg, de verhuurder minimaal 60% van de inhoud zelf bewoont en de hospitaverhuurder en hospitahuurder(s) moeten op het adres ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen.
Artikel 20.21 Vergunningplicht - hospitaverhuur
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het verhuren van een woonruimte met een eigen toegang naar de openbare weg.
Artikel 20.22 Aanvraagvereisten hospitaverhuur
Dit artikel bepaalt welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor hospitaverhuur. De aanvraag moet inzicht geven in de effecten op het woon- en leefklimaat, de relatie met eventuele woningsplitsing en de gevolgen voor parkeren. Daarnaast wordt getoetst aan het geldende woonbeleid van de gemeente.
Artikel 20.23 Beoordelingsregels hospitaverhuur
Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor hospitaverhuur. De vergunning kan alleen worden verleend indien de verhuur niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat, passend is in het straatbeeld en geen woningsplitsing tot gevolg heeft. Daarnaast moet worden voldaan aan de geldende parkeernormen en mag de activiteit niet in strijd zijn met het gemeentelijke woonbeleid.
Artikel 20.24 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze subparagraaf gaat. Deze subparagraaf gaat over het gebruik van een woning als zorgwoning. Hierbij gaat het om een woning voor de huisvesting van bepaalde categorieën van de bevolking, zoals ouderen, jongeren, of mensen met een beperking, waarbij de mate en de vorm van de geboden zorg en ondersteuning aan de bewoners dusdanig is dat niet gesproken kan worden van zelfstandige bewoning.
Artikel 20.25 Vergunningplicht gebruik zorgwoning
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het gebruiken van een woning als zorgwoning.
Artikel 20.26 Aanvraagvereisten gebruik zorgwoning
Dit artikel bepaalt welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruik van een woning als zorgwoning. De aanvraag moet inzicht geven in de effecten op het woon- en leefklimaat, de relatie met eventuele woningsplitsing en de gevolgen voor parkeren. Daarnaast wordt getoetst aan het geldende woonbeleid van de gemeente.
Artikel 20.27 Beoordelingsregels gebruik zorgwoning
Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het gebruik van een woning als zorgwoning. De vergunning kan alleen worden verleend indien de verhuur niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat, passend is in het straatbeeld en geen woningsplitsing tot gevolg heeft. Daarnaast moet worden voldaan aan de geldende parkeernormen en mag de activiteit niet in strijd zijn met het gemeentelijke woonbeleid.
Artikel 20.28 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze subparagraaf gaat. Deze subparagraaf gaat over het gebruik van een woning voor een friends contract. Hierbij wordt een woning verhuurd aan maximaal drie personen die geen gezamenlijk huishouden vormen, maar wel één gemeenschappelijk huurcontract hebben. De huurders delen de woonlasten, maken gezamenlijk gebruik van de woning en de toegang tot de openbare weg en hebben de woning gedurende ten minste zes maanden als hoofdverblijf.
Artikel 20.29 Vergunningplicht gebruik woning friends contract
Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het gebruiken van een woning te gebruiken voor een friends contract.
Artikel 20.30 Aanvraagvereisten gebruik woning friends contract
Dit artikel bepaalt welke gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruik van een woning voor een friends contract. Daarbij moet worden aangetoond dat geen sprake is van woningsplitsing en dat wordt voldaan aan de geldende parkeernormen en het gemeentelijke woonbeleid.
Artikel 20.31 Beoordelingsregels gebruik woning friends contract
Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het gebruik van een woning op basis van een friendscontract. De vergunning kan alleen worden verleend indien de woning binnen de bebouwde kom ligt, de nieuwe situatie passend is in het straatbeeld en geen sprake is van woningsplitsing. Daarnaast moet worden voldaan aan de geldende parkeernormen en mag het gebruik niet in strijd zijn met het gemeentelijke woonbeleid.
Artikel 20.32 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel regelt dat alle regels in de hele paragraaf gelden in het gebied ‘tuin – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.33 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze paragraaf gaat. Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor een tuin.
Artikel 20.34 Toegestaan gebruik
Dit artikel regelt dat gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor tuinen die grenzen bij hoofdgebouwen.
Artikel 20.35 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel regelt dat alle regels in de hele paragraaf gelden in het gebied ‘openbare ruimte – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.36 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze paragraaf gaat. Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor openbare ruimte.
Artikel 20.37 Toegestaan gebruik
Dit artikel regelt dat gronden en bouwwerken gebruikt mogen worden voor groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik van aangrenzende functies, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en reclame-uitingen.
Artikel 20.38 Toegestaan gebruik - ontsluiting
Dit artikel regelt dat in het gebied ‘ontsluiting toegestaan – Laan van Overvliet’ gronden en bouwwerken gebruikt mogen worden voor een ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer.
Artikel 20.39 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel regelt dat alle regels in de hele paragraaf gelden in het gebied ‘groen – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.40 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt over welke activiteiten deze paragraaf gaat. Deze paragraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor groen.
Artikel 20.41 Toegestaan gebruik
Dit artikel regelt dat gronden en bouwwerken gebruikt mogen worden voor groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en opstelplaatsen voor hulpdiensten
Artikel 20.42 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels in deze subparagraaf alleen toepassing zijn binnen het gebied ‘Laan van Overvliet.
Artikel 20.43 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat over welke bouwactiviteiten deze paragraaf gaan. Deze paragraaf gaat over het bouwen en in stand houden van bouwwerken.
Dit artikel beschrijft de oogmerken van de bouwregels. De regels zijn gericht op het beschermen van een goed woon- en leefklimaat en het waarborgen van een hoge belevingskwaliteit van de leefomgeving.
Artikel 20.45 Bouwen ten behoeve van gebruiksactiviteiten
Dit artikel bepaalt dat een bouwwerk alleen mag worden gebouwd als de gebruiksactiviteit waarvoor het bouwwerk wordt opgericht op die locatie is toegestaan op grond van de regels voor gebruiksactiviteiten.
Artikel 20.46 Vergunningvoorschriften
Dit artikel maakt het mogelijk om aan een omgevingsvergunning aanvullende voorschriften te verbinden over de plaatsing en afmetingen van bebouwing. Deze voorschriften kunnen onder meer worden gesteld ter bescherming van het straatbeeld- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, verkeersveiligheid en parkeergelegenheid, gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, sociale veiligheid, brandveiligheid en rampenbestrijding.
Artikel 20.47 Algemene beoordelingsregels
Dit artikel bevat de algemene beoordelingsregels voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Een vergunning wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de regels uit deze afdeling. Daarnaast bevat dit artikel een anti-dubbeltelbepaling en regels voor de beoordeling van de functionele en stedenbouwkundige inpassing van bouwwerken. Tot slot is opgenomen dat voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw aanvullende beoordelingsregels gelden.
Artikel 20.48 Voldoende parkeergelegenheid
Dit artikel bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend mits er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Wanneer er onvoldoende parkeergelegenheid op eigen terrein kan worden gerealiseerd kan in afwijking, als er geen onaanvaardbare effecten optreden wat betreft verkeer en parkeren, worden verleend. Daarbij wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 of een nieuwere versie hiervan.
Dit artikel bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend als het voldoet aan het beeldkwaliteitsplan voor Laan van Overvliet of een nieuwere versie hiervan. Daarmee wordt geborgd dat de bebouwing aansluit bij de gewenste ruimtelijke kwaliteit in het gebied.
Artikel 20.50 Afwijkende beoordelingsregels beeldkwaliteit
Dit artikel biedt de mogelijkheid om af te wijken van het beeldkwaliteitsplan. Een omgevingsvergunning kan ook worden verleend wanneer niet volledig aan het beeldkwaliteitsplan, mits de afwijking vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.
Artikel 20.51 Waar deze subparagraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels voor hoofdgebouwen alleen gelden binnen het gebied ‘hoofdgebouwen toegestaan – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.52 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik dat bepaalt dat deze regels van toepassing zijn op hoofdgebouwen. Uitbreidingen van hoofdgebouwen en ondergrondse gebouwen vallen buiten het toepassingsbereik van deze subparagraaf.
Artikel 20.53 Beoordelingsregels plaatsing hoofdgebouwen
Dit artikel bepaalt dat hoofdgebouwen uitsluiten mogen worden gebouwd binnen het gebied dat op de verbeelding is aangewezen als ‘hoofdgebouwen toegestaan – Laan van Overvliet.
Artikel 20.54 Beoordelingsregels gestapelde en grondgebonden woningen
Dit artikel regelt waar gestapelde woningen en waar grondgebonden woningen zijn toegestaan. Daarnaast wordt er geregeld dat binnen specifieke overlapgebieden beide woningtypen zijn toegestaan.
Artikel 20.55 Beoordelingsregels woningtypen grondgebonden woningen
Dit artikel bepaalt welke type grondgebonden woningen binnen verschillende gebieden zijn toegestaan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en aaneengebouwde woningen. In bepaalde overlapgebieden zijn meerdere woningtypen toegestaan.
Artikel 20.56 Beoordelingsregels afstand tot zijdelingse perceelsgrens
Dit artikel stelt minimale afstanden tussen hoofdgebouwen en zijdelings perceelgrens voor vrijstaande woningen en twee-onder-één kapwoningen. Hiermee wordt voldoende ruimte tussen gebouwen en perceelgrenzen gewaarborgd.
Artikel 20.57 Beoordelingsregels diepte hoofdgebouwen
Dit artikel bevat maximale bouwdieptes voor hoofdgebouwen. Voor verschillende woningtypen gelden verschillende maximale dieptematen. Hiermee wordt de omvang van hoofdgebouwen ruimtelijke begrensd.
Artikel 20.58 Beoordelingsregels goothoogte hoofdgebouwen
Dit artikel bepaalt de maximale toegestane goothoogte van hoofdgebouwen. Als op de verbeelding een specifieke maximum goothoogte is aangegeven, geldt die maat als maximum.
Artikel 20.59 Beoordelingsregels goothoogte grondgebonden woningen waar ook gestapelde woningen zijn toegestaan
Dit artikel bevat een afwijkende regeling voor grondgebonden woningen die worden gerealiseerd in gebieden waar zowel grondgebonden woningen als gestapelde woningen zijn toegestaan. Voor deze woningen geldt een goothoogte van 6 meter.
Artikel 20.60 Beoordelingsregels bouwhoogte hoofdgebouwen
Dit artikel bepaalt de maximaal toegestane bouwhoogte van hoofdgebouwen. Wanneer op de verbeelding een specifieke bouwhoogte is aangegeven, geldt deze als maximaal toegestaan.
Artikel 20.61 Beoordelingsregels bouwhoogte grondgebonden woningen waar ook gestapelde woningen zijn toegestaan
Dit artikel bevat een afwijkende regeling voor grondgebonden woningen die worden gerealiseerd in gebieden waar ook gestapelde woningen zijn toegestaan. Voor deze woningen geldt een maximale bouwhoogte van 11 meter.
Artikel 20.62 Waar deze subparagraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels voor bijbehorende bouwwerken uitsluitend gelden binnen het gebied ‘bijbehorende bouwwerken toegestaan – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.63 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik. Dit artikel geeft aan dat de subparagraaf betrekking hebben op het bouwen van bijbehorende bouwwerken.
Artikel 20.64 Beoordelingsregels dakkapel bouwen
Dit artikel bevat voorwaarden voor het realiseren van dakkapellen aan de voorzijde van grondgebonden woningen. Daarbij worden eisen gesteld aan de plaatsing, afmetingen en vormgeving van de dakkapel om een samenhangend straatbeeld te behouden.
Artikel 20.65 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken bouwen
Dit artikel bevat de voorwaarden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken. Daarbij worden regels gesteld over de toegestane locatie, de maximale gezamenlijk oppervlak, het bebouwingspercentage en de maximale toegestane goot- en bouwhoogte.
Artikel 20.66 Afwijkende beoordelingsregels groter oppervlak bijbehorende bouwwerk voor personen met een functiebeperking
Dit artikel biedt een verruimde regeling voor bijbehorende bouwwerken ten behoeve van personen met een functiebeperking. Onder voorwaarden kan een groter oppervlak worden toegestaan, mits de ruimtelijke kwaliteit en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast.
Artikel 20.67 Waar deze subparagraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels voor ondergrond bouwen gelden binnen het gebied ‘Laan van Overvliet’.
Artikel 20.68 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik. Dit artikel geeft aan dat de regels in deze subparagraaf betrekking hebben op ondergrondse bouwwerken.
Artikel 20.69 Vergunningplicht ondergronds bouwen
Dit artikel bepaalt dat voor bouwen van een kelder of garage te bouwen een omgevingsvergunning is vereist.
Artikel 20.70 Aanvraagvereisten ondergronds bouwen
Dit artikel bevat aanvullende aanvraagvereisten voor ondergrondse bouwwerken.
Artikel 20.71 Beoordelingsregels ondergronds bouwen
Dit artikel bevat beoordelingscriteria voor ondergrondse bouwwerken. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of de bebouwingskarakteristiek van de omgeving behouden blijft en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig worden beperkt. Ook mag het oppervlak van ondergrondse bouwwerken niet meer bedragen dan de toegestane maximumoppervlakte van bijbehorende bouwwerken.
Artikel 20.72 Waar deze subparagraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels in deze subparagraaf gelden binnen de locaties ‘wonen – Laan van Overvliet’, ‘groen – Laan van Overvliet’, ‘openbare ruimte – Laan van Overvliet’ en ‘tuin – Laan van Overvliet’.
Artikel 20.73 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik. Dit artikel geeft aan dat de subparagraaf betrekking heeft op het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn.
Artikel 20.74 Algemene regels erfafscheidingen in Wonen en Tuin
Dit artikel bevat maximale bouwhoogten voor erfafscheidingen. Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen erfafscheidingen vóór het hoofdgebouw en erfafscheidingen elders op het perceel.
Artikel 20.75 Algemene regels overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Dit artikel bepaalt de maximaal toegestane hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 20.76 Waar deze subparagraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de archeologische regels gelden binnen de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.
Artikel 20.77 Toepassingsbereik
Dit artikel geeft aan dat de regels betrekking hebben op bouwen van bouwwerken binnen de archeologische verwachtingswaarde.
Artikel 20.78 Specifiek oogmerk
Dit artikel bepaalt dat regels mede zijn opgesteld ter bescherming en veiligstelling van aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
Artikel 20.79 Algemene bouwregels
Dit artikel bevat algemene regels voor het bouwen binnen gebieden met archeologische waarden. De regeling is gericht op het voorkomen van verstoring van archeologisch erfgoed. In de gebieden gelden ‘archeologische verwachting – 2’ en ‘archeologische verwachting – 6’.
Artikel 20.80 Specificatie aanvraagvereisten archeologie
Dit artikel verplicht in bepaalde situaties tot het aanleveren van een archeologisch onderzoekrapport bij een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Artikel 20.81 Specifieke beoordelingsregels archeologie
Dit artikel bepaalt dat een vergunning uitsluitend wordt verleend wanneer archeologische waarden niet worden geschaad of wanneer mogelijke schade voldoende kan worden beperkt door het stellen van voorschriften.
Artikel 20.82 Vergunningvoorschriften archeologie
Dit artikel maakt het mogelijk om voorschriften aan een vergunning te verbinden ter bescherming van archeologische waarden. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan archeologisch onderzoek, opgravingen of begeleiding door een deskundige.
Artikel 20.83 Waar deze subparagraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels gelden binnen het gebied ‘Waterstaat- Waterkering’.
Artikel 20.84 Toepassingsbereik
Dit artikel geeft aan dat de regels betrekking hebben op bouwactiviteiten binnen de waterkering.
Artikel 20.85 Beoordelingsregels bouwwerk voor de waterkering
Dit artikel regelt onder welke voorwaarden de bouwwerken ten dienste van de waterkering zijn toegestaan.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 [Bruidsschat] wordt verleend als het gaat om:
Artikel 20.86 Beoordelingsregels bestaand bouwwerk, niet voor de waterkering
Dit artikel maakt het mogelijk bestaande bouwwerken binnen de waterkering te vervangen, vernieuwen of te veranderen, mits de bestaande situatie niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
Artikel 20.87 Aanvraagvereisten bestaand bouwwerk, niet voor de waterkering
Dit artikel bevat aanvullende geven die moeten worden aangeleverd bij een aanvraag voor het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken binnen de waterkering.
Artikel 20.88 Vergunningplicht bouwwerk, niet voor de waterkering
Dit artikel bepaalt dat bouwactiviteiten binnen de waterkering die niet voldoen aan de beoordelingsregels een omgevingsvergunning vereist is.
Artikel 20.89 Beoordelingsregels nieuw bouwwerk, niet voor de waterkering
Dit artikel bepaalt dat de omgevingsvergunning voor een nieuw bouwwerk alleen kan worden verleend wanneer het waterkeringsbelang niet wordt geschaad en aan de overige bouwregels wordt voldaan.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.88 [Vergunningplicht nieuw bouwwerk niet voor de waterkering] wordt alleen verleend.
Artikel 20.90 Waar deze subparagraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels in deze subparagraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’
Artikel 20.91 Toepassingsbereik
Dit artikel geeft aan dat de regels betrekking hebben op het maximaal toegestane aantal woningen binnen het plangebied.
Artikel 20.92 Beoordelingsregels omvang aantal woningen
Dit artikel begrenst het maximaal toegestane aantal woningen binnen het plangebied. Daarnaast bepaalt het artikel dat in het gebied niet meer woningen mogen gerealiseerd worden dan op de verbeelding is aangegeven.
Artikel 20.93 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’
Artikel 20.94 Toepassingsbereik
Dit artikel maakt duidelijk dat de regels in deze paragraaf gaan over de geluidbelasting die door verschillende geluidbronnen kan ontstaan. Deze geluidbronnen zijn genoemd in het artikel. Tevens gaan de regels over het gezamenlijke geluid van deze geluidbronnen en de belasting van deze geluidbronnen op gebouwen die daar gevoelig voor zijn.
Artikel 20.95 Beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw
Dit artikel bevat beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning. Een omgevingsvergunning voor de bouw van een geluidgevoelig gebouw wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de voorwaarde(n). Een dergelijk omgevingsvergunning wordt altijd verleend als voldaan wordt aan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Als niet voldaan wordt aan het bepaalde in het tweede lid kan een omgevingsvergunning mogelijk verleend worden op grond van de afwijkende beoordelingsregels.
Dit artikel biedt ook een mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw te verlenen als niet voldaan wordt aan de standaardwaarde voor de geluidbelasting op dat gebouw zoals die opgenomen is in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat hier om de standaardwaarde voor de geluidbelasting door milieubelastende activiteiten. In een dergelijk geval kan de omgevingsvergunning verleend worden als de grenswaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving niet overschreden wordt en er maatregelen genomen worden om de geluidbelasting te beperken. Het vijfde lid bepaalt in welke volgorde dergelijke maatregelen genomen worden moeten. Bij het nemen van maatregelen is het uitgangspunt dat als eerste maatregelen bij de bron van de geluidhinder genomen worden. Zijn die maatregelen niet mogelijk of werken ze onvoldoende, dan kunnen overdrachtsmaatregelen genomen worden. Deze systematiek herhaalt zich als het nemen van overdrachtsmaatregelen onmogelijk of onvoldoende is en afgewogen moet worden of ontvangermaatregelen genomen moeten worden. Uiteindelijk is het mogelijk dat ter beperking van de geluidoverlast bron-, overdrachts- en ontvangermaatregelen genomen worden. Het zesde lid bepaalt op grond waarvan een bron-, overdrachts- of ontvangermaatregel in overweging moet worden genomen. Maatregelen die niet aan de criteria van lid 6 voldoen hoeven niet in overweging genomen te worden. Situaties die niet voldoen aan de standaardwaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn situaties waarin doorgaans sprake is van een bovengemiddelde geluidbelasting.
Artikel 20.96 Beoordelingsregels geluidgevoelig gebouw - wegverkeerslawaai
Dit artikel bevat beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw die gevoelig is voor wegverkeerslawaai. Een omgevingsvergunning voor de bouw van een geluidgevoelig gebouw wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de voorwaarde(n). Een dergelijk omgevingsvergunning wordt altijd verleend als voldaan wordt aan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Als niet voldaan wordt aan het bepaalde in het tweede lid kan een omgevingsvergunning mogelijk verleend worden op grond van de afwijkende beoordelingsregels.
Dit artikel biedt ook een mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een geluidgevoelig gebouw te verlenen als niet voldaan wordt aan de standaardwaarde voor de geluidbelasting op dat gebouw zoals die opgenomen is in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat hier om de geluidbelasting voor de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer. In een dergelijk geval kan de omgevingsvergunning op grond van het derde lid van dit artikel verleend worden als de grenswaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving niet overschreden wordt en er maatregelen genomen worden om de geluidbelasting te beperken. Het derde lid bepaalt in welke volgorde dergelijke maatregelen genomen worden moeten. Bij het nemen van maatregelen is het uitgangspunt dat als eerste maatregelen bij de bron van de geluidhinder genomen worden. Zijn die maatregelen niet mogelijk of werken ze onvoldoende, dan kunnen overdrachtsmaatregelen genomen worden. Deze systematiek herhaalt zich als het nemen van overdrachtsmaatregelen onmogelijk of onvoldoende is en afgewogen moet worden of ontvangermaatregelen genomen moeten worden. Uiteindelijk is het mogelijk dat ter beperking van de geluidoverlast bron-, overdrachts- en ontvangermaatregelen genomen worden. Het zesde lid bepaalt op grond waarvan een bron-, overdrachts- of ontvangermaatregel in overweging moet worden genomen. Maatregelen die niet aan de criteria van lid 6 voldoen hoeven niet in overweging genomen te worden. Situaties die niet voldoen aan de standaardwaarde uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn situaties waarin doorgaans sprake is van een bovengemiddelde geluidbelasting.
Artikel 20.97 Gezamenlijke geluidsbelasting
Dit artikel bepaalt dat in een omgevingsvergunning bepaald wordt hoe hoog de geluidbelasting van alle relevante geluidbronnen samen op één of meerdere geluidgevoelige gebouwen is. Om welke gebouwen het gaat wordt duidelijk uit de vergunning. In de omgevingsvergunning kan specifiek worden bepaald hoe groot de gezamenlijke geluidbelasting is en kan worden bepaald wat het effect van de omgeving op de gezamenlijke geluidbelasting is.
Artikel 20.98 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de regels in deze paragraaf gelden in het gebied ‘Laan van Overvliet’
Artikel 20.99 Toepassingsbereik
Dit artikel is een toepassingsbereik. Dit artikel geeft aan dat in deze afdeling betrekking heeft op het uitvoeren van werken en werkzaamheden die geen bouwactiviteit zijn. Werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het bouwen van een bouwwerk vallen buiten het toepassingsbereik.
Dit artikel het oogmerk van de regels voor aanlegactiviteiten. De regels zijn gericht op het beschermen van cultureel erfgoed.
Artikel 20.101 Waar deze paragraaf geldt
Dit artikel bepaalt dat de archeologische regels voor aanlegactiviteiten gelden binnen de gebieden met een archeologische verwachtingswaarden.
Artikel 20.102 Specifiek oogmerk
Dit artikel bepaalt dat regels mede zijn opgesteld voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.
Artikel 20.103 Aanwijzing activiteiten
Dit artikel wijst de werkzaamheden aan waarvoor archeologische bescherming geldt, zoals grondbewerkingen, heiwerkzaamheden, drainage, het aanleggen van kabels en leidingen en vergelijkbare ingrepen.
Deze paragraaf gaat over de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
Artikel 20.104 Vergunningplicht archeologie
Dit artikel bepaalt voor welke werkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist. Daarnaast bevat het uitzonderingen voor werkzaamheden waarvan het archeologisch risico beperkt is.
Artikel 20.105 Specificatie aanvraagvereisten archeologie
Dit artikel verplicht de aanvrager een archeologisch rapport te overleggen, zodat de impact van de werkzaamheden op archeologische waarden kan worden beoordeeld.
I
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-453391.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.