Gemeenteblad van Bunnik
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bunnik | Gemeenteblad 2026, 443536 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Bunnik | Gemeenteblad 2026, 443536 | beleidsregel |
Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten Gemeente Bunnik 2026
de gemeente bij de werkwijze ‘Eerder aanvragen in het planproces’ prioriteit en transportcapaciteit aanvraagt bij de netbeheerder;
de gemeente als aanvrager van prioriteit en transportcapaciteit gebonden is aan de beginselen van behoorlijk bestuur, ook bij privaatrechtelijk handelen; en
het noodzakelijk is transparante, objectieve en niet-discriminatoire criteria vast te stellen voor de prioritering en aanvraag voor transportcapaciteit voor woningbouw;
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik;
gelet op artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet, artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 7.21 tot en met 7.23, en tabel 3 en 4 van bijlage 3, van de Systeemcode elektriciteit 2026;
besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:
Beleidsregels aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten Gemeente Bunnik 2026
Artikel 5. Procedure verzoek opname volgordelijst
Opname van een project op de volgordelijst resulteert in een inspanningsverplichting van de gemeente om zich aantoonbaar in te spannen om transportcapaciteit voor het betreffende project te verkrijgen bij de netbeheerder, zonder dat de gemeente de beschikbaarheid of toewijzing van prioritering en transportcapaciteit garandeert.
Artikel 9. Rangordebepaling volgordelijst
De gemeente bepaalt de rangorde op de volgordelijst stapsgewijs op basis van de volgende stappen en legt de uitkomst daarvan schriftelijk vast:
Als eerste stap vindt een rangschikkingsplaats op basis van de maand van start bouw, waarbij een project hoger wordt gerangschikt als de bouw eerder start. Hierbij moet de maand van start bouw voldoende concreet zijn onderbouwd.
Na de rangschikking van stap 1 stelt de gemeente de projectrijpheid van het project vast op basis van de beschikbare documenten in een onderrangorde van één tot en met zes:
Stap 3: maatschappelijk belang
Binnen de op basis van de stappen 1 en 2 gemaakte onderverdeling vindt een onderverdeling plaats op basis van het maatschappelijk belang en de netimpact van het project, waarbij een project hoger wordt gerangschikt als het voldoet aan één of meer van de volgende eisen:
Het woonprogramma van het project is 100% sociale huur of voldoet aan de vigerende Visie op Wonen van de gemeente Bunnik. Een uitzondering hierop is het project Kersenweide. Het woonprogramma van dit project is door de raad vast gesteld, toen er een ander woonprogramma actueel was, onder de Visie op Wonen 2017-2022. De Kersenweide moet daarmee voldoen aan het woonprogramma dat met de raad is afgestemd.
Het woonprogramma van het project voorziet in de huisvesting van bijzondere doelgroepen zijnde ouderen (geclusterd wonen, zorggeschikte woningen), zorgbehoevenden met 24 uurs zorg of ambulante zorg (uitstroom Maatschappelijke Opvang of Beschermd Wonen), statushouders en/of jongeren (zie definitie in de regionale huisvestingsverordening).
Binnen de op basis van de stappen 1 tot en met 3 gemaakte onderverdeling vindt een onderverdeling plaats op basis van de verwachte opleverdatum, waarbij een project hoger wordt gerangschikt als de verwachte oplevering eerder plaatsvindt.
Een projectontwikkelaar die bezwaar heeft tegen zijn positie op de volgordelijst of tegen de afwijzing van zijn verzoek tot plaatsing op de volgordelijst kan binnen tien kalenderdagen na bekendmaking van de volgordelijst schriftelijk bezwaar indienen bij de gemeente. Na deze termijn vervalt het recht om bezwaar in te dienen.
Een projectontwikkelaar die bezwaar heeft tegen zijn positie op de volgordelijst of tegen de afwijzing van zijn verzoek tot plaatsing op de volgordelijst kan na de in het eerste lid bedoelde bezwaarprocedure binnen tien dagen een kort geding aanhangig maken. Na deze termijn vervalt het recht om een kort geding aanhangig te maken.
Artikel 14. Wijziging en intrekking van de volgordepositie
Met deze beleidsregels geeft de gemeente Bunnik invulling aan de wijze waarop zij omgaat met
haar op grond van de Systeemcode Elektriciteit 2026 en de Energiewet bestaande bevoegdheid
om prioriteringsverzoeken en transportcapaciteitsverzoeken in te dienen voor de functie
woonbehoefte bij de netbeheerder.
Netbeheerders hebben onvoldoende elektriciteitstransportcapaciteit om alle aanvragen voor
nieuwe of zwaardere aansluitingen te voldoen. Voor onder andere woningbouwprojecten heeft dit
concrete gevolgen. Projecten die planologisch gereed zijn, komen niet van de grond door een
gebrek aan beschikbare aansluiting. In veel regio’s dreigen projecten vertraging op te lopen of te
Netbeheerders kenden transportcapaciteit tot voor kort toe op volgorde van binnenkomst, het
zogenaamde ‘first come, first served’-principe. Dit systeem houdt echter niet genoeg rekening met
de maatschappelijke urgentie van bepaalde projecten en de behoefte om die voorrang te verlenen.
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft daarom op 2 december 2025 het Codebesluit
prioriteringsruimte transportverzoeken vastgesteld (gepubliceerd in Staatscourant 2025, nr. 42323,
in werking getreden op 1 januari 2026). Dit Codebesluit verplicht netbeheerders om in
congestiegebieden af te wijken van het 'first come, first served'-beginsel en in plaats daarvan te
werken met landelijke voorrangsregels op basis van maatschappelijk belang. Binnen de
prioritering categorieën 2 en 3, evenals voor niet-prioritaire partijen, blijft ‘first come, first served’
bestaan, waarbij de datum van aanvraag van transportcapaciteit leidend is. Dit kader is later
opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit 2026 en aangevuld tot het nu geldend recht.
De Systeemcode Elektriciteit 2026 onderscheidt drie prioriteitscategorieën:
Vanaf 1 juli 2026 worden groot- en kleinverbruikers in één en dezelfde rangorde beoordeeld. Er is
geen overgangsperiode voorzien: alle aanvragen worden vanaf dat moment aan de nieuwe
Gemeenten kunnen vanaf 1 oktober 2026 gebruikmaken van de werkwijze ‘Eerder aanvragen in
het planproces’. Deze werkwijze stelt gemeenten in staat om al in een vroeg planningsstadium
transportcapaciteit te reserveren voor onder meer woningbouw, ook al voordat een ontwikkelaar
definitief betrokken is. De bewijsvereisten voor dit aanvragen zijn hiervoor specifiek op gemeenten
toegesneden (tabel 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026).
Als aanvrager van transportcapaciteit ten behoeve van derden, bevindt de gemeente zich in een
dubbele rechtsrelatie. Enerzijds als contractpartij jegens de netbeheerder, anderzijds met
projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers die aanspraak maken op die capaciteit. Hoewel
het aanvragen van transportcapaciteit een privaatrechtelijke bevoegdheid is, moet de gemeente
daarbij op grond van artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de beginselen van
behoorlijk bestuur in acht nemen, en met name het gelijkheidsbeginsel, het
zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in de
Didam-arresten (ECLI:NL:HR:2021:1778 en ECLI:NL:HR:2024:1661).
De VNG heeft gemeenten bij ledenbrief van 16 april 2026 opgeroepen vóór 1 oktober 2026
beleidsregels vast te stellen, zodat aanvragen op die datum gereed zijn voor indiening. De
onderhavige beleidsregels zijn opgesteld om een juridisch houdbaar vertrekpunt te bieden voor de
inrichting van de gemeentelijke aanvraagrol.
De doelstelling van deze beleidsregels is om de gemeentelijke bevoegdheid tot het aanvragen van
elektriciteitstransportcapaciteit voor woningbouwprojecten op een transparante, objectieve en nietdiscriminatoire wijze in te richten. De gemeente geeft daarmee uitvoering aan haar taak om te
voorzien in voldoende woongelegenheid. Deze taak kan in gebieden met netcongestie niet meer
vanzelfsprekend tot uitvoering worden gebracht.
De gemeente heeft via de Systeemcode Elektriciteit 2026 de mogelijkheid om als aanvrager vroeg
in het planproces transportcapaciteit te reserveren voor woningbouw. Deze aanvragen hebben
gevolgen voor de verdeling van schaarse transportcapaciteit door de netbeheerder. Gelet op de
impact op deze schaarsteverdeling is een transparante, objectieve en niet-discriminatoire
werkwijze vereist op grond van artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Deze
beleidsregels voorzien daarin. De beleidsregels stellen de rangschikkingscriteria vast, beschrijven
de aanvraagprocedure en borgen de gelijke behandeling van gemeentelijke en andere projecten.
Verhouding tot andere regelgeving
De beleidsregels zijn vastgesteld op grond van:
ongeschreven regels van publiek recht. Hieruit vloeit de verplichting voort het
De beleidsregels vullen het ACM-prioriteringskader aan op het niveau van de gemeente. Daarbij
beperken de beleidsregels zich tot de prioriteitsfunctie: woonbehoefte (subfuncties: algemeen en
collectieve woonvormen). Deze beleidsregels hebben geen betrekking op andere functies
waarvoor de gemeente gelet op artikel 7.21 en tabel 3 van bijlage 3, van de Systeemcode
Elektriciteit 2026 bevoegd is een prioriteringsverzoek in te dienen. Zij bepalen ook niet welke
projecten prioriteit krijgen ten opzichte van andere aanvragers bij de netbeheerder, dat is immers
de exclusieve bevoegdheid van de netbeheerder op grond van het ACM-prioriteringskader, maar
regelen de interne gemeentelijke rangschikking die bepaalt welke verzoeken de gemeente indient
De beleidsregels laten de bevoegdheden op grond van de Omgevingswet, de Wet
maatschappelijke ondersteuning en de Huisvestingswet onverlet. De gemeente kan
Omgevingswet-instrumenten, zoals het regionale programma en het omgevingsplan benutten om
projecten voor te bereiden op het ACM-prioriteringskader.
Bij het opstellen van deze beleidsregels is gebruik gemaakt van de VNG-modelbeleidsregels
aanvraag prioriteit transportcapaciteit woningbouwprojecten. In afwijking van het VNG-model zijn
bij de artikel 9 eigen keuzes gemaakt, die beter aansluiten bij de situatie van de gemeente Bunnik.
Bij het opstellen van deze beleidsregels is geen inspraakprocedure gevolgd. De
aansprakelijkheidsrisico’s voor de gemeente als gevolg van het niet tijdig vaststellen van
beleidsregels met betrekking tot de aanvraag van prioriteit voor transportcapaciteit maken dat
sprake is van spoedeisend belang bij het vaststellen van deze beleidsregels, waardoor inspraak
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht.
De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de
Energiewet en de Systeemcode elektriciteit 2026. De in die regelingen gedefinieerde begrippen
worden dan ook niet opnieuw gedefinieerd in deze beleidsregels.
Civielrechtelijke overeenkomst
De definitie van 'civielrechtelijke overeenkomst' volgt de bewijslastcriteria van tabel 4 van bijlage 3
van de Systeemcode Elektriciteit 2026
De definitie van ‘project’ volgt tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode elektriciteit 2026. Als een
project meerdere fases bevat dan wordt elke fase op grond van deze definitie als afzonderlijk
project beschouwd. Dit sluit aan bij de systematiek van de Systeemcode elektriciteit 2026, op
basis waarvan voor elke fase een afzonderlijke aanvraag wordt ingediend.
De definitie van 'volgordelijst' sluit aan bij het prioriteringskader van artikel 7.21 van de
Systeemcode Elektriciteit en de werkwijze 'Eerder aanvragen' zoals beschreven in de VNGledenbrief lbr-26-010 (april 2026).
Door het toepassingsbereik helder af te baken wordt voorkomen dat deze beleidsregels worden
toegepast op situaties waarvoor zij niet zijn geschreven. De gemeente vervult bij de werkwijze
‘Eerder aanvragen’ een intermediaire rol tussen netbeheerder en marktpartijen. Deze
intermediaire positie brengt een dubbele rechtsrelatie mee: enerzijds met de netbeheerder als
contractspartij voor transportcapaciteit, anderzijds met projectontwikkelaars die aanspraak maken
op die capaciteit. Artikel 2 bakent af op welke beslissingen de beleidsregels van toepassing zijn.
Het gaat om realisatie van de basisbehoefte woonbehoefte als bedoeld in tabel 3 van bijlage 3 van
de Systeemcode Elektriciteit 2026. In dat kader hanteert de gemeente een volgordelijst, waarop
projecten geplaatst worden met het oog op het indienen van een transportverzoek en
prioriteringsverzoek bij de netbeheerder. De regels hebben daarmee ook betrekking op de keuze
om projecten niet op de volgordelijst te plaatsen.
De gemeente gaat uiteraard niet over de wijze waarop een buurgemeente haar bevoegdheden
uitoefent. Op het moment dat een project de gemeentegrens overschrijdt, treedt de gemeente
daarom in overleg met de buurgemeente om af te stemmen wie het prioriteringsverzoek in zal
dienen bij de netbeheerder. Uitgangspunt voor de inzet daarbij is dat de gemeente waarbinnen het
project hoofdzakelijk is gelegen het project opneemt op haar volgordelijst en het
De rol die de gemeente heeft op grond van de Systeemcode Elektriciteit 2026 betreft het
uitoefenen van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het gaat om het contracteren van
transportcapaciteit met de netbeheerder. Dit is het sluiten van een overeenkomst. Van een besluit
in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht is geen sprake. Besluiten ter voorbereiding
van een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn uitgesloten van de mogelijkheid van bezwaar en
beroep (artikel 8:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Eventuele conflicten zullen
aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. De gemeente oefent de bevoegdheid tot het
aanvragen van transportcapaciteit bij de netbeheerder uit als een privaatrechtelijke bevoegdheid
en is daarbij gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur op grond van artikel 14 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek, de wettelijke grondslag van het gelijkheidsbeginsel in de Didam-jurisprudentie.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
De Hoge Raad heeft in het Didam-I arrest (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778) bepaald
dat overheden bij vervreemding van onroerend goed het gelijkheidsbeginsel in acht moeten
nemen en gelijke kansen aan potentiële gegadigden moeten bieden. In het Didam-II arrest (15
november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661) heeft de Hoge Raad deze lijn aangescherpt en de
toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur – waaronder zorgvuldigheid, gelijkheid,
evenredigheid en motivering – ook buiten de context van gronduitgifte bevestigd. Artikel 14 van
Boek 3 van het Burgerlijk wetboek bepaalt dat een bevoegdheid krachtens burgerlijk recht niet
mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven recht.
De gemeente handelt bij het aanvragen van prioriteit en transportcapaciteit privaatrechtelijk, maar
is desondanks als bestuursorgaan gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het gelijkheidsbeginsel verplicht de gemeente niet tot een formele aanbesteding, maar wel tot een
openbare, transparante procedure met vooraf bekendgemaakte, objectieve en toetsbare criteria.
Afwijking is slechts gerechtvaardigd als slechts één gegadigde in aanmerking kan komen (de
'unieke gegadigde'-uitzondering), en dit moet vooraf gemotiveerd en gepubliceerd worden.
De beleidsregels hebben tot doel uitwerking te geven aan deze plichten. Zo dragen deze
beleidsregels bij aan de realisatie van woningen in congestiegebieden binnen de kaders waaraan
Artikel 4. Gelijke behandeling projecten
De gelijke behandeling van gemeentelijke en private projecten is een cruciaal element van de
Didam-doctrine. Artikel 4 borgt het gelijkheidsbeginsel door expliciet te bepalen dat gemeentelijke
projecten niet worden bevoordeeld en dat de gemeente transparant is over de motivering van de
rangorde van eigen projecten ten opzichte van projecten van projectontwikkelaars.
Artikel 5. Procedure verzoek opname volgordelijst
Het bieden van een transparante verdelingsprocedure, door vooraf kenbaar te maken wanneer
een verzoek kan worden in gediend vormt een belangrijk element van de Didam-doctrine. De
beleidsregels voorzien in een transparante selectieprocedure, waarbij artikel 5 voorziet in het
vooraf kenbaar maken van het proces en de daaraan verbonden tijdvakken.
Door de aanvraagperiode direct te koppelen aan de publicatie van de beleidsregels is voor iedere
projectontwikkelaar onmiddellijk duidelijk wanneer een verzoek kan worden ingediend. Door het
benoemen van een concrete einddatum kan er ook geen misverstand bestaan over voor welke
datum het verzoek moet worden ingediend om in aanmerking te komen voor plaatsing op de
volgordelijst op basis waarvan de gemeente het verzoek om prioritering in zal dienen.
De gemeente gaat uitsluitend een inspanningsverplichting aan jegens de projectontwikkelaar. Bij
een resultaatsverplichting zou de gemeente instaan voor de daadwerkelijke toewijzing van
transportcapaciteit, waarbij aansprakelijkheid op grond van wanprestatie open zou staan bij niet
levering. Dat is niet mogelijk, nu niet de gemeente, maar de netbeheerder daarover gaat.
Artikel 6. Opname op de volgordelijst op verzoek projectontwikkelaar
Een helder aanvraagproces is essentieel voor een rechtmatige uitvoering. Artikel 6 regelt daarom
de aanvraagprocedure en bepaalt de informatiestroom tussen de projectontwikkelaar en de
gemeente die de basis vormt voor de rangschikking.
Voor de aanvraag van transportcapaciteit en prioritering moeten gemeenten zorgen voor een
volledig projectdossier dat kan worden ingediend bij de netbeheerder. Van de projectontwikkelaar
die de gemeente verzoekt om een project op de prioriteringslijst te zetten met het oog op het doen
van een transportverzoek en prioriteringsverzoek wordt verwacht dan hij daartoe de noodzakelijke
informatie aanlevert. De gemeente stelt met het oog hierop een standaardaanvraagformulier
beschikbaar waarin alle vereiste gegevens worden gevraagd. Dit formulier is te vinden op de
gemeentelijke website en bevat tevens het in artikel 13, derde lid genoemde akkoord met de van
toepassing zijnde bepalingen omtrent de rechtsbescherming.
Een volledig projectdossier bevat voor het onderdeel transportcapaciteit ten minste:
Aanvragen van prioritering volgens het prioriteringskader
Een volledig projectdossier bevat voor de aanvraag van prioritering (overeenkomstig tabel 4 van
bijlage 3 Systeemcode Elektriciteit 2026) de volgende bewijsstukken die per subfunctie als volgt
Woningbouw — collectieve woonvormen:
Het projectdossier wordt ingediend via Eerder aanvragen. De gemeente bevestigt ontvangst van
het dossier binnen twee werkdagen. Dit sluit aan bij de systematiek van de Wet modernisering
elektronisch bestuurlijk verkeer.
Een verzoek dat onvolledig is wordt niet in behandeling genomen. Het in het verzoek opgenomen
project komt dan ook niet op basis van het verzoek in aanmerking voor opname op de
volgordelijst. De gemeente stelt de projectontwikkelaar hiervan schriftelijk in kennis, waarbij ook
wordt aangegeven in hoeverre het nog mogelijk is alsnog een volledig verzoek in te dienen. Dit is
alleen mogelijk als de in artikel 5, tweede lid genoemde termijn voor het indienen van een verzoek
Het is niet mogelijk om op basis van een al ingediend verzoek een ander project aan te dragen
dan waarvoor het verzoek is gedaan. Daarvoor moet, conform de daarvoor geldende bepalingen
een nieuw verzoek worden ingediend.
De bestuursverklaring is het centrale bewijsstuk van het prioriteringsverzoek. Deze stelt de
netbeheerder in staat te toetsen of het verzoek daadwerkelijk betrekking heeft op een
prioriteitswaardige activiteit en of de gevraagde transportcapaciteit noodzakelijk en reëel is.
Zonder deugdelijk ingevulde bestuursverklaring is het verzoek incompleet en zal de netbeheerder
de aanvraag afwijzen. De elementen in artikel 8 zijn cumulatief: alle onderdelen moeten zijn
opgenomen. De eisen komen overeen met de eisen die zijn opgenomen in artikel 7.21, derde en
vierde lid van de Systeemcode Elektriciteit 2026.
De Systeemcode Elektriciteit 2026 stelt dat partijen in de bestuursverklaring moeten onderbouwen
dat de gevraagde transportcapaciteit nodig is voor de uitoefening van hun geprioriteerde taken,
dat de capaciteit noodzakelijk is om te starten, en dat de activiteit op korte termijn na toekenning
zal aanvangen. De elementen uit artikel 8 corresponderen rechtstreeks met deze Systeemcode
Artikel 9. Rangordebepaling volgordelijst
De prioriteringscriteria vormen de kern van deze beleidsregels. Zij bepalen de volgorde op de
volgordelijst en dienen objectief, toetsbaar en redelijk te zijn. Dit zijn de drie eisen die de Didamjurisprudentie stelt aan selectiecriteria.
Artikel 9 werkt de prioritering uit in vier achtereenvolgende stappen. Elke volgende stap is
uitsluitend van toepassing wanneer de voorgaande stap geen onderscheid oplevert.
Projecten met een eerder geplande maand van start bouw staan hoger op de volgordelijst dan
projecten met een latere start bouw. Het gaat hier niet om een wens, maar om een start
bouwmaand die is onderbouwd met: een planning, een overeenkomst, subsidievoorwaarden of
De bewijsstukken moeten de opgegeven start bouwdatum concreet en plausibel maken, op basis
van bewijsstukken zoals opgesomd in de rangorde van stap 2. Een omgevingsplan of BOPA
zonder verdere planningsonderbouwing volstaat in de regel niet om een specifieke start
bouwmaand te staven. Een combinatie van een civielrechtelijke overeenkomst met een planning,
subsidieafspraken of vergunningsconditie biedt dat wel. De gemeente beoordeelt per geval of de
bewijsstukken de opgegeven datum afdoende onderbouwen.
Stap 2 is gebaseerd op de planologische en de privaatrechtelijke positie van het project. De
rangschikking weerspiegelt de mate van realisatiezekerheid: hoe concreter de positie, hoe groter
de kans dat de aangevraagde transportcapaciteit ook daadwerkelijk en tijdig wordt benut.
De hiërarchie van de bewijsstukken berust op de planologische zekerheid en de privaatrechtelijke
binding. Voor de rangschikking zijn drie soorten bewijsstukken relevant: de omgevingsvergunning
voor een bouwactiviteit, de civielrechtelijke overeenkomst en het onherroepelijk omgevingsplan of
de onherroepelijke vergunning voor een BOPA. Elk bewijsstuk vertegenwoordigt een andere mate
van zekerheid over de realisatie van het project.
Een project wordt ingedeeld in de hoogste subcategorie waaraan het de vereiste bewijsstukken
kan overleggen. Voldoet een project aan meerdere subcategorieën tegelijk, dan geldt de hoogste.
De gemeente motiveert de indeling per project transparant.
Een anterieure overeenkomst, koopovereenkomst of exploitatieovereenkomst die voor 1 juli 2026
is gesloten, verleent geen automatisch recht op transportcapaciteit en levert evenmin een
bevoorrechte positie op de volgordelijst op. Dergelijke overeenkomsten worden voor de
toepassing van stap 2 gelijkgesteld met andere civielrechtelijke overeenkomsten die na 1 juli 2026
zijn gesloten. Zij kunnen bijdragen aan de projectrijpheidonderbouwing, maar worden beoordeeld
aan de hand van dezelfde rangorde als overeenkomsten die na inwerkingtreding zijn gesloten.
Onder categorie 6 onder stap 2 worden projecten bedoeld met de volgende bewijsstukken:
Stap 3 – Maatschappelijk belang
De gemeente acht het van belang om het maatschappelijk belang van een project een rol te geven
bij de verdere rangschikking van gelijkwaardige aanvragen, nadat stap 1 en stap 2 geen
onderscheid hebben opgeleverd. De in deze stap opgenomen criteria houden verband met de
prioriteiten zoals opgenomen in de gemeentelijke woonvisie.
Stap 4 is van toepassing wanneer na toepassing van de eerdere stappen nog geen onderscheid
bestaat. De verwachte maand waarop het project wordt opgeleverd biedt de laatste
onderscheiding tussen gelijkwaardige projecten. Een eerder verwacht tijdstip van oplevering geeft
een sterkere aanwijzing dat de toegewezen transportcapaciteit ook daadwerkelijk en snel wordt
benut. Dit sluit aan op het doel van het ACM-prioriteringskader: transportcapaciteit wordt
toegewezen aan de partij die die capaciteit het eerst benut. Een project dat eerder zijn eerste
woningen oplevert, doet al eerder een beroep op het net.
Artikel 10. Loting bij gelijke rangordebepaling volgordelijst
Loting als tiebreaker is noodzakelijk om te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk worden
behandeld. De overgangsperiode bij de werkwijze ‘Eerder aanvragen’ brengt een specifiek risico
mee: als alle projecten gelijktijdig worden ingediend en de selectiecriteria geen onderscheid
bieden, kan loting als enige objectieve methode gelden. Loting is een door de rechtspraak erkende
en objectieve methode bij gelijkwaardigheid van aanvragen. De openbaarheid van de loting is
vereist om de transparantie te waarborgen en bezwaren te voorkomen.
De trekking kan digitaal uitgevoerd worden door een onafhankelijk systeem in aanwezigheid van
een onafhankelijke getuige. De onafhankelijke getuige hoeft niet een notaris te zijn. De
aanwezigheid van een onafhankelijke getuige neemt elke schijn van partijdigheid van de
gemeente weg. De uitslag moet vastgelegd worden in een officieel proces-verbaal. Alle
deelnemers worden individueel geïnformeerd over de uitslag en krijgen transparantie over hoe het
proces is verlopen. Zij worden ook uitgenodigd om de loting bij te wonen.
Artikel 12. Bekendmaking volgordelijst
De publicatietermijn van twee weken vóór de datum van indiening door de gemeente is afgestemd
op de bezwaartermijn van artikel 13. Aanvragers hebben tien kalenderdagen na bekendmaking
van de volgordelijst om bezwaar te maken. De resterende dagen binnen de twee-wekentermijn
bieden de gemeente de benodigde verwerkingstijd om eventuele correcties naar aanleiding van
bezwaar door te voeren en de definitieve volgordelijst in te dienen.
Het aanvragen van transportcapaciteit is een privaatrechtelijke rechtshandeling van de gemeente
op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet. De volgordebeslissing is
een handeling ter voorbereiding van die rechtshandeling. Van een besluit in de zin van artikel 1:3
van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook geen sprake. Bestuursrechtelijk bezwaar en
beroep staan niet open voor de projectontwikkelaar. Er wordt desondanks gekozen om toch een
alternatieve bezwaarprocedure te creëren.
De bezwaartermijn van tien kalenderdagen wijkt bewust af van de twintig-dagentermijn die in het
aanbestedingsrecht geldt. Tien kalenderdagen is voldoende, omdat aanvragers voorafgaand aan
indiening volledig zijn geïnformeerd over de selectiecriteria en de rangschikkingsmethode, en
omdat het spoedeisende belang van de werkwijze 'Eerder aanvragen' — in het bijzonder de
deadline van 1 oktober 2026 — een compacte procedure vereist die tijdige indiening van
prioriteringsverzoeken bij de netbeheerder niet in gevaar brengt. Hierdoor krijgen aanvragers een
concrete termijn om hun positie te beoordelen en zo nodig bezwaar te maken, zonder dat de
procedure onnodig lang blokkerende werking heeft op de indiening bij de netbeheerder. Artikel 15,
eerste lid, verankert die standstill.
Het tweede en derde lid introduceren een contractuele vervaltermijn voor twee onderscheiden
rechtsmiddelen: het bezwaar bij de gemeente en de kortgedingprocedure bij de civiele rechter. Het
recht op bezwaar bij de gemeente vervalt tien kalenderdagen na bekendmaking van de
volgordelijst, tien kalenderdagen hierna vervalt het recht om een kortgedingprocedure aanhangig
te maken. De contractuele grondslag maakt de termijn robuuster dan een eenzijdig door de
gemeente vastgestelde termijn: zij berust op de wilsovereenstemming van de aanvrager, zodat
een beroep op rechtsverwerking wegens het niet-tijdig aanwenden van een rechtsmiddel een
sterkere basis heeft. De VNG Handreiking Toepassing Didam-regels in de gemeentelijke
gronduitgiftepraktijk beveelt een dergelijke constructie aan.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-443536.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.