Gemeenteblad van Sittard-Geleen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Sittard-Geleen | Gemeenteblad 2026, 43867 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Sittard-Geleen | Gemeenteblad 2026, 43867 | beleidsregel |
Nota reserves en voorzieningen 2025-2028
Een belangrijk onderdeel van de gemeentelijke balans zijn de reserves en voorzieningen. In de wet- en regelgeving staat al veel over hoe we met reserves en voorzieningen moeten omgaan. Daarnaast hebben we ook zelf de ruimte om aanvullende uitgangspunten te formuleren. Daarom hebben we in artikel 12 van de Financiële Verordening ex artikel 212 Gemeentewet opgenomen dat de gemeenteraad minstens eenmaal per 4 jaar de nota reserve- en voorzieningen moet vaststellen. Omdat de termijn van de huidige nota reserves en voorzieningen 2021-20241, bijna is verstreken, stellen wij nu een geactualiseerde nota op. Vanuit actuele wet- en regelgeving is er geen inhoudelijke aanleiding om de nota aan te passen. In de actualisatie betrekken wij nieuwe inzichten en sluiten we aan op actuele interne nota’s, onder andere de financiële verordening en de kadernota weerstandsvermogen en risicobeheersing.
Wijzingen ten opzichte van nota 2021 – 2024
Onderstaande besluiten en ontwikkelingen betrekken wij in de actualisatie van de nota.
De voorschriften met betrekking tot reserves en voorzieningen zijn vastgelegd in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Met name de artikelen 43, 44 en 45 van dit besluit gaan nader in op de reserves en voorzieningen. De tekst van deze artikelen is in bijlage 2 opgenomen. Rekening houdend met deze voorschriften vanuit het BBV heeft de gemeente beleidsruimte om naar eigen inzichten een reserve- en voorzieningenbeleid te voeren. In de financiële verordening hebben wij in artikel 12 de volgende kaderstellende elementen opgenomen:
Daarnaast zijn wij op het gebied van reserves en voorzieningen gehouden aan de bepalingen uit de Kadernota Rechtmatigheid 2023 van de commissie BBV alsmede door deze commissie opgestelde notities. Passend binnen de kaderstellende elementen uit ‘hogere’ wet- en regelgeving hebben wij deze nota opgesteld. Met de besluitvorming door de raad over deze nota, komt de nota reserves en voorzieningen 2021-2024 te vervallen.
Reserves en voorzieningen zijn twee balansposten die van grote invloed kunnen zijn op onze financiële positie en daarmee ook op onze financiële kengetallen. In deze nota geven wij aan hoe wij met reserves en voorzieningen om willen gaan. Dit beleidskader is een van de instrumenten om invulling te geven aan ons financieel beleid. Voor richtlijnen met betrekking tot de financiële kengetallen verwijzen wij naar de Financiële verordening en de kadernota weerstandsvermogen en risicobeheersing.
Onderscheid – belangrijkste kenmerken
In onderstaande tabel lichten wij de belangrijkste kenmerken van een reserve en voorziening toe. Hieruit blijkt tevens onderscheid tussen deze twee balansposten.
¹ inclusief de vrijval van (een deel van ) de reserve
Deze kenmerken lichten we hieronder verder toe.
Voor het financiële beleid en beheer is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen reserves (eigen vermogen) en voorzieningen (vreemd vermogen). Om zo een helder inzicht in de feitelijke vermogenspositie en verschillende onderdelen van de balans van de gemeente te krijgen. Afgebakende reserves en voorzieningen met duidelijke doelen bevorderen de transparantie. Dit geeft een basis om integrale afwegingen te kunnen maken.
Het doel van reserves en voorzieningen is om (incidentele) middelen beschikbaar te hebben voor specifieke bestemmingen of voor de financiële weerbaarheid van onze gemeente. Zo hebben algemene reserves een bufferfunctie om incidentele onvoorziene zaken te kunnen opvangen. Bestemmingsreserves hebben een bestedingsfunctie. We spreken van een bestemmingsreserve als de raad heeft besloten om voor een bepaald doel middelen beschikbaar te stellen. Op basis van een raadsbesluit reserveren we de middelen.
Voorzieningen stellen we in voor een specifiek doel. Ter onderbouwing stellen we een (beheers)plan op. De voorziening kan alleen gebruikt worden voor het doel, waarvoor zij is ingesteld. Voorzieningen rekenen we tot vreemd vermogen, omdat deze gelden niet vrij beschikbaar zijn. Er staat namelijk altijd een verplichting of een kwantificeerbaar risico tegenover. Als de omvang van een risico en/ of verplichting onzeker is, proberen wij de omvang (op balansdatum) redelijkerwijs te schatten.
Bij een bestemmingsreserve kan de raad de bestemming veranderen, bij een voorziening kan dit niet meer. Als de toezegging van de raad al is uitgevoerd maar nog niet betaald dan spreken we van een schuld. De financiële omvang van de verplichting staat dan vast.
We hebben deze nota achtereenvolgens opgebouwd uit de hoofdstukken reserves, voorzieningen en beheersaspecten. Bij de hoofdstukken reserves en voorzieningen gaan we in op de definitie, doel/functie, soort, criteria en rentetoerekening. Daarnaast besteden we aandacht aan de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Raad en het College van B&W.
Reserves zijn vermogensbestanddelen die we als eigen vermogen kunnen beschouwen. We kunnen ze vrij besteden. Alleen de gemeenteraad kan besluiten om reserves te vormen, te wijzigen of op te heffen. Ook alle stortingen in of onttrekkingen aan een reserve moet de raad goedkeuren. Reserves mogen niet negatief staan. Het is dus niet toegestaan om eerst uit te geven en daarna te sparen.
Door de vele wijzigingen en snelle ontwikkelingen en daarmee passend binnen het borgen van de weerbaarheid en wendbaarheid van onze financiële positie, is het noodzakelijk om de hoogte van de reserves periodiek in de P&C cyclus te beoordelen. De resultaten uit deze herijking verrekenen we met de algemene middelen/ algemene reserve.
Algemene reserves hebben een bufferfunctie om incidentele onvoorziene zaken te kunnen opvangen.
In principe kan de algemene reserve niet worden ingezet voor het afdekken van structurele tekorten. Om gemeenten kansen te bieden om hun financiële ruimte benutten, is in het Bestuurlijk Overleg Financiële Verhoudingen (BOFv) afgesproken dat gemeenten met ingang van 1 januari 2024 het surplus in de algemene reserve (het deel waar geen bestemming aan is gegeven) mogen inzetten voor het dekken van structurele lasten. Van dit vrij besteedbare deel mogen wij 10% inzetten voor het dekken van structurele lasten, mits onze solvabiliteit groter of gelijk is aan 20% en blijft.
Bestemmingsreserves hebben een bestedingsfunctie. Ze worden bewust gemaakt om een bepaald vooropgezet doel te bereiken.
Toevoegingen (dotaties) en onttrekkingen aan een reserve zijn een winstbestemming. Dit betekent dat we die afzonderlijk zichtbaar moeten maken in de begroting en in de jaarrekening. Het begrotings en rekeningresultaat moeten we presenteren vóór en na onttrekkingen en/of dotaties aan reserves.
Alle reserves die geen bestemmingsreserve zijn, rekenen we tot de algemene reserves. Algemene reserves dienen om het financiële weerstandsvermogen op peil te houden. En ze fungeren als incidentele buffer voor onvoorziene toekomstige verliezen, voortvloeiend uit de reguliere bedrijfsvoering en als algemeen dekkingsmiddel. Tenminste voor zover het saldo van de algemene reserve vrij besteedbaar is (‘het surplus’). Tegenvallers van structurele aard dienen in principe te worden opgevangen binnen de jaarlijkse exploitatie.
Sittard-Geleen kent drie algemene reserves:
Algemene reserve resultaatbestemming
In deze reserve verwerken we de financiële gevolgen van het raadsbesluit over de resultaatbestemming bij de jaarrekening. Dit betekent dat de bedragen gekoppeld aan de voorstellen uit de resultaatbestemming in de deze reserve worden gestort. In het nieuwe boekjaar worden deze bedragen uit de reserve ingezet om de voorstellen uit te kunnen voeren.
De bestemmingsreserve is een reserve met een bepaalde bestemming en om een bepaald vooropgezet doel te bereiken. Jaarlijks beoordelen we via de p&c cyclus opnieuw de noodzaak en de omvang van deze reserves. Elke reserve onderbouwen we, met onder andere een calculatie en planning. Dit betekent overigens niet dat als een reserve ontoereikend is, we direct extra geld moeten storten. We hebben dan naast het toereikend maken verschillende andere mogelijkheden. Bijvoorbeeld uitstellen of versoberen van de uitvoering of alternatieve dekkingsmogelijkheden zoeken.
We kunnen enkele groepen (niet uitputtend) bestemmingsreserves onderscheiden:
Bestemmingsreserves voor een investeringsvoornemen 2
Reserve waaruit we jaarlijks kapitaallasten betalen van activa met economisch nut.
2.4 CRITERIA VOOR VORMING EN OMVANG
De algemene reserve heeft onder meer een bufferfuncie. Het is wenselijk om een ondergrens te bepalen voor de omvang van deze algemene reserve. Vooral voor onbekende risico’s is zo’n minimale omvang belangrijk. Op basis van de voorschriften in de nota weerstandsvermogen en risicobeheersing gaan wij uit van een ondergrens van tenminste 2% van het begrotingstotaal. Het bedrag in de algemene reserve boven deze norm beschouwen we als surplus / ‘vrije ruimte’. Dit bedrag kan als incidentele dekkingsmiddel worden ingezet. Daarnaast kan 10% van het surplus in de algemene reserve ingezet worden voor de dekking van structurele lasten, mits onze solvabiliteit tenminste 20% is en blijft. Zie hiervoor de eerder beschreven afspraak in het BOFv.
Conform de bepalingen in onze financiële verordening worden tegenvallers, voor zover deze geen autonoom karakter hebben, binnen de bestaande budgetten opgelost, waarbij onderstaande volgorde wordt gehanteerd:
Het oplossen van tegenvallers door autonome ontwikkelingen gebeurt op het niveau van de totale begroting. Bij de jaarrekening kan op basis van het resultaat na resultaatbestemming worden voorgesteld dit resultaat te verrekenen met de algemene reserve. Een voordelig resultaat na bestemming kan worden toegevoegd aan de algemene reserve; een nadelig resultaat na bestemming kan worden afgedekt uit de algemene reserve. Dit voorstel maakt onderdeel uit van het raadsbesluit over de jaarrekening.
2. Algemene reserve risicobeheersing
De algemene reserve risicobeheersing bouwen we, conform de bepalingen uit de nota weerstandsvermogen en risicobeheersing, op uit de risicoinventarisatie. Hierbij kwantificeren we een risico op basis van kans en impact. Aanvullend houden we voor nietkwantificeerbare risico’s een restrisico aan van 1% van het begrotingstotaal. Het totaalbedrag van alle risico’s dekken we volledig af in onze algemene reserve risicobeheersing. Deze reserve is de basis van de beschikbare weerstandscapaciteit. Dat betekent dat deze reserve altijd minimaal gelijk moet zijn aan de benodigde weerstandscapaciteit uit de risicoinventarisatie. Deze reserve bedraagt daarmee 100% van de benodigde weerstandscapaciteit. Overschotten in deze reserve voegen we toe aan de algemene reserve. Tekorten vullen we aan vanuit de algemene reserve.
3. Algemene reserve resultaatbestemming
De voorstellen tot resultaatbestemming maken onderdeel uit van het raadsbesluit over de jaarrekening. De bedragen die aan deze voorstellen zijn gekoppeld, storten we in deze reserve. In het volgend boekjaar kunnen deze bedragen worden onttrokken en ingezet om de voorstellen uit te kunnen voeren. Na verwerking van de onttrekkingen heeft deze reserve in principe geen saldo meer. Voor zover middelen niet zijn geclaimd en/ of ingezet, vallen deze in de eerstvolgende jaarrekening vrij ten gunste van de algemene middelen.
In de uitwerking van onze P&C-producten kunnen we voorstellen doen om ten laste van de beschikbare begrotingsruimte een bestemmingsreserve te vormen.
De criteria voor de vorming van bestemmingsreserves zijn:
Hieronder een korte toelichting per groep bestemmingsreserves
Bestemmingsreserves voor een investeringsvoornemen
Het Besluit begroting en verantwoording (BBV) staat niet toe dat we bijdragen uit reserves in mindering brengen op de boekwaarde van vast activa. De gemeenteraad kan besluiten om een investering in een vast actief geheel of gedeeltelijk te dekken uit een reserve. In dat geval kunnen we dat bedrag niet in mindering brengen op de boekwaarde, maar moeten we de betreffende reserve apart presenteren. De jaarlijkse kapitaallasten betalen we dan uit een even hoge bijdrage uit de betreffende reserve. Als de raad de reserve anders besteedt dan moeten we andere dekkingsmiddelen aanwijzen.
Als we afschrijven op activa met een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen, dan vermelden we dat expliciet in de jaarrekening. De Financiële Verordening ex artikel 212 Gemeentewet schrijft voor dat we voor deze reserves minstens aangeven wat de maximale hoogte is van de reserve en de maximale looptijd. Als deze reserve vervolgens binnen de aangegeven maximale looptijd niet tot een investering leidt, dan valt de bestemmingsreserve vrij en moeten we deze aan de algemene reserve toevoegen.
Verplichtingenreserves per organisatieonderdeel
Als we uitgaven in de exploitatie hebben begroot maar die niet hebben gerealiseerd dan kunnen we de middelen in een verplichtingenreserve opnemen om de activiteit alsnog uit te voeren en af te ronden. Elke verplichting kunnen we administratief volgen. Om onnodig beslag op de middelen te voorkomen, moeten we zo’n verplichting in maximaal 2 jaar afwikkelen. Tenzij de raad besluit een langere looptijd voor de afwikkeling van de verplichting te hanteren.
Bestemmingsreserves efficiencyvoordelen
Als gemeente leveren we prestaties aan derden. Daarvoor brengen we voorcalculatorische tarieven in rekening. We maken dus vooraf een schatting van deze tarieven. Het uitgangspunt is dat als we geld via heffingen innen, we dat geld ook moeten besteden aan het taakveld waarvoor we het heffen. We bestemmen deze gereserveerde middelen in een voorziening en niet in een bestemmingsreserve die de gemeenteraad in principe vrij kan besteden. Alleen gelden die overblijven doordat we activiteiten goedkoper hebben uitgevoerd dan begroot, mogen uit de voorziening vrijvallen voor de bestemmingreserve efficiencyvoordelen.
Door deze handelswijze hebben we gelden gereserveerd voor een bepaald taakveld zoals:
Als we kosten voor onderhoud ten laste brengen van de exploitatie , dan kunnen we deze onderhoudslasten bij resultaatbestemming dekken uit een daarvoor gevormde bestemmingsreserve. Via deze reserve mogen we onderhoudslasten niet structureel verrekenen (egaliseren). We houden ze aan voor incidenteel groot onderhoud.
De aangescherpte verslaggevingsregels BBV schrijven voor dat bij de bouwgrondexploitatie tussentijds winstneming plaats moet vinden. De gerealiseerde resultaten storten we in de reserve Grondexploitatie. Voorziene verliezen onttrekken we aan deze reserve. Tekorten respectievelijk overschotten in de benodigde reserve grondexploitatie verrekenen we met de algemene middelen.
Voorzieningen worden voor de balans gekenmerkt als ‘vreemd vermogen’. Aan een voorziening zijn namelijk middelen toegevoegd waarop een (contractuele) verplichting rust. Deze middelen kunnen we dus niet meer vrij besteden. Alleen de gemeenteraad kan besluiten voorzieningen te vormen. Alle onttrekkingen uit een voorziening en het opheffen van een voorziening, kan door het college worden goedgekeurd. Er is één uitzondering: de raad besluit over het opheffen van een voorziening die bedoeld is voor verrekenen (egalisering) van het onderhoud van kapitaalgoederen (artikel 44 lid 1c BBV).
Om een mogelijk risico te kunnen voorzien, moeten we bij voorzieningen periodiek een afwegingsproces doorlopen: welke kans lopen we dat een risico zich voordoet? En welke kosten zijn er dan mee gemoeid? Onzekerheden die zich kunnen voordoen, maken het nodig dat we de hoogte van de voorzieningen beoordelen in de P&C cyclus. Dit kan leiden tot vrijval ten gunste van de algemene middelen of tot een extra dotatie.
Voorzieningen geven een schatting van de voorzienbare lasten van risico’s en verplichtingen waarvan de omvang onzeker is. Toevoeging aan en vrijval van voorzieningen gebeurt ten laste en ten gunste van de exploitatie. Dus niet via resultaatbestemming, zoals bij de reserves. Onttrekkingen daarentegen vinden plaats door de aanwending rechtstreeks ten laste van de voorziening te brengen (dus niet via de exploitatie).
Voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten (bijvoorbeeld niet opgenomen verlofuren) mogen we (bij gelijkblijvend volume) geen voorziening vormen (artikel 44 lid 3 BBV).
We mogen een voorziening alleen gebruiken voor het doel waarvoor we de voorziening hebben getroffen. Het is dus niet toegestaan de voorzieningen te gebruiken voor een ander doel. Een voorziening mag nooit negatief zijn. Dit betekent dat we uit een voorziening nooit meer dan het actuele saldo kunnen halen. We kunnen geen voorziening treffen voor de gevolgen van toekomstige gebeurtenissen die geen directe relatie hebben met de bedrijfsvoering. Als we de verplichtingen of risico’s niet redelijkerwijs in cijfers kunnen vatten, dan vermelden we dat in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing.
3.3 NAAR AARD EN REDEN GECLUSTERD
We maken onderscheid in de vier categorieën voorzieningen
Voorzieningen voor verplichtingen, verliezen en risico’s (artikel 44 lid 1a en 1b BBV)
Dit zijn voorzieningen voor onzekere verplichtingen die mogelijk tot schulden kunnen leiden. Denk aan juridische claims in afwachting van een rechterlijke uitspraak (artikel 44 lid 1a BBV). Of ze betreffen een schatting van de lasten uit risico’s die samenhangen met de bedrijfsvoering, zoals rechtsgedingen en reorganisaties (artikel 44 lid 1b BBV). De omvang is op balansdatum nog onzeker, maar kunnen we redelijkerwijs inschatten.
Voorzieningen om kosten te vereffenen (egaliseren) (artikel 44 lid 1c BBV)
Deze voorzieningen zijn bestemd voor kosten die we in een volgend begrotingsjaar maken, maar die in het voorafgaand begrotingsjaar ontstaan zijn. De voorziening is dan bedoeld om de lasten gelijkmatig over een aantal begrotingsjaren te verdelen. Denk aan onderhoudskosten. Onderhoudskosten mogen we niet als investering opnemen.
Bij klein onderhoud gaat het om periodieke kosten die nodig zijn om zaken in goede staat te houden. Deze kosten moeten we in het jaar van uitvoering ten laste brengen van de exploitatie.
Kosten van groot onderhoud maken we om de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van zaken/objecten te behouden. De kosten van groot onderhoud kunnen we in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie brengen. Maar voor een gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren, kunnen we deze kosten ook ten laste van een gevormde voorziening brengen. De dotatie in deze voorzieningen is dan in beginsel ook een gelijk bedrag.
Deze voorzieningen kunnen we alleen instellen en voeden op basis van een vastgesteld beheerplan van het betreffende actief. Dit beheerplan moeten we regelmatig actualiseren en financieel toetsen. Ook moeten het beheerplan, de stand van de voorziening en de dotatie eraan op elkaar aansluiten. We moeten per type actief een beheerplan opstellen en een voorziening treffen.
Voorzieningen voor bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor we een heffing doen als bedoeld in artikel 35 eerste lid, onder b (artikel 44 lid 1d BBV)
Het kan zijn dat we overschotten realiseren op de exploitatie van riolering of afvalstoffenheffing. Die kunnen het gevolg zijn van achterstand in de uitvoering van vervangingsinvesteringen waarvoor we een heffing opleggen. Dergelijke overschotten kunnen we niet ten gunste van de exploitatie of algemene middelen brengen. Dit geld is namelijk van de belastingbetaler en dat moeten we in de toekomst nog besteden aan vervangingsinvesteringen met betrekking tot riolering. Deze bedragen moeten we in de voorziening opnemen. Op het moment dat we de vervangingsinvestering daadwerkelijk doen, dan moeten we het bedrag van de voorziening in mindering brengen op het bedrag aan investeringen met een economisch nut. Uitdrukkelijk betreft dit vervangingsinvesteringen, en geen uitbreidingsinvesteringen.
Voorzieningen voor middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is (artikel 44 lid 2 BBV)
Gemeenten ontvangen jaarlijks diverse bijdragen van derden. We moeten daarbij bepalen of deze bijdrage afkomstig is van een Nederlandse of Europese overheid en of er een bestedingsverplichting is:
De aanwezigheid van een terugbetalingsverplichting is voor een voorziening ‘middelen derden’ geen absolute voorwaarde. We mogen deze voorziening niet in mindering brengen op een vervangingsinvestering. De investering levert dan extra kapitaallasten op en dus (mogelijk) een tekort op het taakveld. Voor dit tekort kunnen we vervolgens geld uit deze voorziening halen.
Het beheer en de rapportage over de reserves en voorzieningen voeren we volgens de richtlijnen van deze nota. Eenmaal per vier jaar actualiseren we het beleid van deze nota volgens de Financiele verordening ex artikel 212 Gemeentewet. Het beheer van elke reserve en voorziening komt toe aan het betreffende organisatieonderdeel, waarbij het financieeladministratief beheer plaatsvindt door adviseurs van het team Financiën.
Om de looptijd en omvang van reserves en voorzieningen te bepalen, maken we gebruik van schattingen. Gedurende de looptijd van een reserve of voorziening moeten we de aard en noodzaak blijven beoordelen en actualiseren. Dat doen we (in lijn met de managementletter 2016) via een zogenaamde ‘position paper’. In een position paper ligt de nadruk op de documentatie van het schattingselement en op hoe het management de uitgangspunten van deze schatting onderbouwt en motiveert.
Een position paper geeft de aard, looptijd, omvang, dekking en besluitvorming aan van een reserve of voorziening. Inclusief het schema van hoe de middelen gedurende de looptijd worden ingezet.
Het beoordelen en actualiseren van reserves en voorzieningen aan de hand van zo’n position paper is onderdeel van de P&C cyclus. In de praktijk komt dit als volgt tot uitdrukking:
Nb. twee keer per jaar, gekoppeld aan de voorjaars- en najaarscyclus, monitoren we de voortgang van de verplichtingenreserves aan de hand van de richtlijnen uit deze nota. Voor zover van toepassing verwerken we de resultaten van deze monitoring in voorstellen via de P&C-cyclus.
Rechtmatigheid is het handelen in overeenstemming met wetten en regels. Alle begrote stortingen en/of onttrekkingen ten gunste of ten laste van een reserve leggen we ter goedkeuring voor aan de raad. In de jaarrekening mogen we deze stortingen en/of onttrekkingen verwerken tot maximaal het bedrag dat de raad via de begroting(-swijzigingen) heeft goedgekeurd. Wijzigingen in de reserves waarover de raad niet heeft besloten vóór 31 december van het verslagjaar zijn dus in strijd met de Gemeentewet en het BBV. Dit zijn onrechtmatigheden die meewegen bij de oordeelsvorming van de onafhankelijke accountant in de controleverklaring
Er zijn reserves waarvan we vooraf de mutaties alleen nog maar kunnen inschattingen. We begroten deze schattingen altijd maar de realisatie kan dus wel afwijken van de begroting.
Het gaat om de volgende reserves
We nemen dan een generiek besluit (jaarlijks controleprotocol) waarbij we deze reserves specifiek benoemen. Hierdoor kunnen we wijzigingen ook na de laatste rapportage nog in het lopend begrotingsjaar ten gunste of ten laste van bovenvermelde reserves brengen. Realiseren we meer dan begroot, dan blijft dit onrechtmatig maar telt niet mee bij het accountantsoordeel. Bij de jaarrekening verantwoorden we de afwijkingen tussen begroting en realisatie. Ten aanzien van voorstellen over de inzet van de calamiteitenreserve geldt dat deze niet vóóraf ter besluitvorming aan de raad worden voorgelegd. De raad wordt aan de hand van de P&C-cyclus over de inzet geïnformeerd. Deze werkwijze is nodig om de continuïteit en flexibiliteit in de bedrijfsvoering te kunnen borgen. Om direct urgente knelpunten in de bedrijfsvoering op te kunnen lossen. Gezien de aard van deze reserve zijn benodigde onttrekkingen niet voorzienbaar.
Op basis van de jaarlijks door de raad vastgestelde P&C-cyclus en de financiële verordening rapporteren we regelmatig over de ontwikkelingen van reserves en voorzieningen in onze P&C-producten. Hierbij geven we tevens inzicht in de saldi van en mutaties in reserves en voorzieningen.
In de begroting nemen we per reserve/voorziening tenminste het volgende op:
Bij een mutatie van een reserve/voorziening nemen we in het raadsbesluit tenminste op:
In de jaarrekening nemen we per reserve/voorziening tenminste op:
In de begroting, tussentijdse rapportages en in de jaarrekening maken we de mutaties in de reserves per programma apart zichtbaar. Gekoppeld aan het budgetrecht worden mutaties in voorzieningen en reserves ter besluitvorming voorgelegd aan het college respectievelijk de raad.
In de begroting en jaarrekening presenteren we het verloop in de reserves en voorzieningen in een afzonderlijke bijlage. Hierin worden de elementen zoals bovenstaand beschreven meegenomen. Aan de hand van deze bijlage worden de reservemutaties opgenomen, ofwel in:
Aldus besloten door de raad der gemeente Sittard-Geleen in zijn vergadering van 12 dece,ber 2024.
De griffier,
mr. N.A.P.G. Bisschoff
De voorzitter,
mr. J.Th.C.M. Verheijen
BIJLAGE 1: ADMINISTRATIEF PROCES
De inrichting van onze administratie en ons administratief proces hebben we gebaseerd op BBV.
A) NUMMERING RESERVES/VOORZIENINGEN
Per reserve een aparte grootboekrekening in Rubriek 0.
codering grootboekrekeningnummer:
Per voorziening een aparte grootboekrekening in Rubriek 0.
codering grootboekrekeningnummer:
Alle boekingen van lasten en baten die verband houden met verrekeningen van de exploitatie met:
Beide economische categorieën moeten altijd in evenwicht zijn.
Wij hebben de economische categorie gekoppeld aan de kostensoort/ activiteit.
Alle mutaties in de exploitatie van ‘reserves’ boeken we met de activiteiten 8090 (onttrekking aan reserve) en 4090 (toevoeging aan reserve). De mutatie in de betreffende reserve boeken we dan ook met diezelfde codes. In geval van een onttrekking uit de reserve 4090 en in geval van een toevoeging in de reserve 8090. De activiteiten 4090 en 8090 moeten dus altijd in evenwicht zijn zodat ook de economische categorie 7.1 in evenwicht is.
Alle wijzigingen in de exploitatie van onttrekkingen uit of stortingen in ‘voorzieningen’ boeken we met de activiteiten 8091 (onttrekking aan voorziening) en 4091 (toevoeging aan voorziening). De mutatie in de betreffende voorziening boeken we met diezelfde codes. Bij een onttrekking uit de voorziening 4091 en bij een toevoeging in de voorziening 8091. De activiteiten 4091 en 8091 moeten dus altijd in evenwicht zijn zodat ook de economische categorie 7.2 in evenwicht is.
Uitgaven moeten we rechtstreeks ten laste brengen van de voorziening met de juiste kostensoort/activiteit. Dit is dus niet 4091 want dan is economische categorie 7.2 niet meer in evenwicht. Om pragmatische redenen (bijvoorbeeld de juiste BTW-verantwoording) mogen we facturen ook in de exploitatie verantwoorden. Vervolgens kun je weer inkomsten genereren uit de voorzieningen met activiteit 8091 in de exploitatie en 4091 bij de voorziening
Voor de reserves en voorzieningen die opgebouwd zijn uit meerdere posten is er een verplichte verbijzondering verwerkt via element 3 in het administratief systeem. Zo kunnen we elke post volgen. Dit element is 5 posities lang: voor reserves 1e positie R (Rxxxx) en voor voorzieningen 1e positie V (Vxxxx). Is een verbijzondering afgewikkeld dan kan deze administratief afgesloten worden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-43867.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.