Gemeenteblad van Blaricum
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Blaricum | Gemeenteblad 2026, 43866 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Blaricum | Gemeenteblad 2026, 43866 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Blaricum 2025
De raad van de gemeente Blaricum;
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 oktober 2025
Gelet op artikel 147 jo. en 149 van de Gemeentewet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, (2.1.5, 1e lid), 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 en de artikelen 3.8, 2e lid, en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
Besluit vast te stellen de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Blaricum 2025 luidende als volgt:
Alle begrippen in deze verordening die niet worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.
Melding: Een melding is een vraag van een inwoner aan het college om hulp of een voorziening. De melding kan ook worden gedaan namens een inwoner, bijvoorbeeld door een mantelzorger, een cliëntondersteuner en/of een vertegenwoordiger. Met voorzieningen bedoelen wij hetzelfde als in artikel 2.3.2, 1e lid van de Wmo 2015.
Cliëntondersteuning: Als inwoner heb je recht op onafhankelijke cliëntondersteuning. Een cliëntondersteuner geeft informatie, advies en algemene ondersteuning en zorgt dat een inwoner zijn/haar weg kan vinden in het sociaal domein. Een cliëntondersteuner kan bijvoorbeeld meegaan bij een gesprek met het college en helpt bij vragen over maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.
Plan van aanpak: Elke inwoner met wie een gesprek is gevoerd, krijgt een plan van aanpak (PvA). In dit plan staat bijvoorbeeld wat de hulpvraag van de inwoner is en welke problemen hij/zij heeft op het gebied van zelfredzaamheid en participatie (meedoen in de samenleving). Daarnaast staat in het plan welke vorm van ondersteuning daar het beste bij past, wat de eigen mogelijkheden van de inwoner zijn en de afspraken die de inwoner met de contactpersoon bij de gemeente (de consulent) heeft gemaakt.
Eigen bijdrage: Een eigen bijdrage betekent dat een inwoner zelf een bedrag moet betalen om gebruik te kunnen maken van een voorziening. Dit noemen we ook wel het abonnementstarief. In artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015 en hoofdstuk 5 van deze verordening staat wat wij met eigen bijdrage bedoelen.
Informele zorg: Informele zorg is mantelzorg, vrijwilligerszorg en betaalde zorg door een persoon die in het sociale netwerk van een inwoner zit. Daarbij geldt het volgende:
De persoon die de hulp en ondersteuning biedt, heeft niet de juiste opleiding en diploma’s om professionele zorg te verlenen. Of deze persoon heeft wél de juiste opleiding en diploma’s om professionele zorg te verlenen. In beide gevallen maakt deze persoon deel uit van het sociale netwerk van de inwoner, en
Algemene voorziening: Dit is een dienst of activiteit die inwoners helpt om mee te doen in de maatschappij (zelfredzaamheid en participatie). Het verschil met een maatwerkvoorziening is dat een algemene voorziening makkelijk bereikbaar is voor iedereen. Vaak is hiervoor geen toetsing of beoordeling nodig of alleen een lichte toetsing of beoordeling.
Financiële tegemoetkoming: Dit is een maatwerkvoorziening in de vorm van een geldbedrag. Dit bedrag betaalt het college soms aan een inwoner om ervoor te zorgen dat hij/zij kan meedoen in de maatschappij (vergroten zelfredzaamheid en participatie). Het bedrag is een bijdrage in de kosten. Het dekt dus niet de volledige kosten.
Bemoeizorg: Bemoeizorg is een vorm van hulp die zich richt op zorgmijders. Zorgmijders zijn mensen die echt hulp nodig hebben, maar die moeite hebben om de stap naar hulp te zetten. Bijvoorbeeld omdat ze dat niet meer willen of kunnen. Met bemoeizorg zorgt het college ervoor dat deze mensen tóch de zorg krijgen die ze nodig hebben.
Artikel 2: Aanvragen van een voorziening
Het college informeert de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger in begrijpelijke taal over de rechten en plichten die bij het ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget horen. Ook hoort de inwoner wat de mogelijke gevolgen zijn als hij/zij de Wmo misbruikt of zich niet aan de Wmo houdt.
Tijdens het gesprek vertelt het college aan de inwoner en/of de vertegenwoordiger wat de volgende stappen zijn. Het college vraagt als dat nodig is ook toestemming om de persoonsgegevens van de inwoner te gebruiken. Het college kan persoonsgegevens van inwoners ook zonder toestemming gebruiken. Bijvoorbeeld om vast te stellen welke hulp het college aan de inwoner kan bieden. Als het nodig is voor het onderzoek, vraagt het college ook toestemming om informatie op te vragen of te delen.
2.4 Het delen van de resultaten van het onderzoek
2.6 De inhoud van de beschikking
Als het college een voorziening toekent, leggen we in ieder geval het volgende vast in een besluit (beschikking):
Volgens artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 moet de inwoner of zijn/haar vertegenwoordiger belangrijke informatie over zijn/haar persoonlijke situatie actief aan het college doorgeven. Het gaat daarbij om informatie waarvan het logisch is dat die belangrijk is om te bepalen of een inwoner recht heeft op de voorziening.
2.8 Opnieuw onderzoeken (heronderzoek)
Volgens artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 kan het college opnieuw onderzoek doen om te bepalen of de voorziening die de inwoner heeft gekregen, nog past bij de situatie. Het kan gebeuren dat het besluit toch aangepast moet worden. Dit noemen we een heronderzoek.
2.9 Stoppen/opnieuw beoordelen van de voorziening
Als na zes maanden blijkt dat een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget niet (genoeg) wordt gebruikt om de afgesproken voorziening te betalen, kan het college het besluit intrekken of herzien. Dit kan 2 dingen betekenen: het college stopt de voorziening/het persoonsgebonden budget óf het college beoordeelt opnieuw of de inwoner recht heeft op de voorziening/het persoonsgebonden budget.
Volgens artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 kan het college (een deel van) de waarde van de voorziening in geld, de voorziening zelf of het gekregen geldbedrag terugvragen als de inwoner geen recht op de voorziening/het persoonsgebonden budget blijkt te hebben.
Algemene voorzieningen1 zijn diensten of activiteiten die een welzijns- of vrijwilligersorganisatie in opdracht van het college organiseert of die het college zelf aanbiedt.
Algemene voorzieningen kunnen ook de vorm van hulpmiddelen hebben die gebruikt kunnen worden door meerdere bewoners van een geclusterde woonvorm2.
Als een inwoner met een algemene voorziening de gewenste resultaten op het gebied van zelfredzaamheid en participatie kan bereiken, dan heeft dit de voorkeur boven een maatwerkvoorziening3.
3.2 Eisen voor een maatwerkvoorziening
Als een inwoner problemen heeft bij het normale gebruik van de woonruimte, wordt eerst onderzocht of verhuizen4 de goedkoopste oplossing is.
3.3 Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren
Het college geeft geen maatwerkvoorziening aan de inwoner als:
Het om een voorziening gaat die de inwoner al vóór de melding, de aanvraag of het besluit heeft gekregen of geaccepteerd5, gekocht of heeft ingezet. Dit geldt niet als het college daarvoor op papier toestemming heeft gegeven.
De inwoner krijgt geen woonvoorziening als:
Het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat8.
Artikel 4: Persoonsgebonden budget (pgb)
4.1 Regels voor het persoonsgebonden budget
Is niet meer dan de kostprijs van de goedkoopste maatwerkvoorziening9 in natura die anders was ingezet als oplossing voor de hulpvraag van de inwoner.
Bij het bepalen van de hoogte van een pgb is het volgende belangrijk:
Als de inwoner een pgb krijgt voor het aanschaffen van noodzakelijke hulpmiddelen, dan betaalt het college als dat nodig is elk jaar een bedrag voor een deel of voor de totale onderhouds- en reparatiekosten van die spullen. Het maximale bedrag dat het college betaalt, is gelijk aan de onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopste maatwerkvoorziening in natura die anders zou zijn ingezet voor de hulpvraag van de inwoner.
4.2 Aanvraag van een persoonsgebonden budget
4.3 Voorwaarden voor een persoonsgebonden budget
Als de inwoner gebruik wil maken van een persoonsgebonden budget, gelden de volgende voorwaarden:
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank vragen om het betalen van (een deel van) het pgb uit te stellen, als het vermoeden bestaat dat:
Dit staat ook omschreven in artikel 2.3.10 (1e lid onder a, d en e) van de Wmo 2015.
Artikel 5: Eigen bijdrage in de kosten van een voorziening
5.1 Regels voor eigen bijdrage bij een algemene voorziening
Voor het gebruiken van een algemene voorziening (behalve onafhankelijke cliëntondersteuning) kan de inwoner om een eigen bijdrage worden gevraagd. De eigen bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs en nooit hoger dan de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
5.2 Regels voor eigen bijdrage bij een maatwerkvoorziening en een pgb
Artikel 6: Financiële tegemoetkomingen
6.1 Financiële tegemoetkoming aanpassing woning
Als verhuizen de goedkoopste passende oplossing is, maar de inwoner niet wil verhuizen, dan krijgt hij/zij 1 keer een financiële tegemoetkoming om zijn/haar woning aan te passen. Dit bedrag is maximaal € 2.500.
6.2 Financiële tegemoetkoming verhuiskosten
Bij een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten vergoedt het college de kosten voor verhuizing en stoffering. Dit is maximaal € 2.500 en wordt berekend volgens de NIBUD-norm. Het college vergoedt geen andere inrichtingskosten.
6.3 Financiële tegemoetkoming bezoekbaar maken van woning
Soms moeten delen van de woning van de partner of eerstegraadsfamilieleden worden aangepast, zodat iemand met een beperking die zelfstandig buiten de gemeente of in een Wlz-instelling woont, op bezoek kan komen. Daarvoor kunnen de partner en de eerstegraadsfamilieleden een financiële tegemoetkoming van maximaal € 5.000 aanvragen. Het college vergoedt alleen kosten10 voor het aanpassen van de entree, de woonkamer en het toilet.
Soms verhuist een inwoner vanuit een aangepaste woning naar een Wlz-instelling en blijft zijn/haar familie in de aangepaste woning wonen. Dan kan het nodig zijn dat er voorzieningen in de woning blijven staan, zodat de inwoner op bezoek kan komen. Deze voorzieningen worden dan op naam van de partner of de eerstegraadsfamilieleden gezet.
6.4 Financiële tegemoetkoming sportvoorziening
Het college kan de inwoner een sportvoorziening geven als die de inwoner helpt om mee te doen in de maatschappij11. Het college geeft maximaal 1 keer per 3 jaar een sportvoorziening aan een inwoner. Die kan hierbij een financiële tegemoetkoming krijgen voor het kopen van een sportvoorziening. Om de hoogte van de financiële tegemoetkoming te bepalen, kijkt het college wat de voorziening zou kosten als een organisatie waar het college mee samenwerkt, de voorziening zou leveren. De laagste prijs voor de sportvoorziening is de maximale financiële tegemoetkoming. Voor alle sportvoorzieningen geldt dat de financiële tegemoetkoming maximaal € 5.000 per 3 jaar is.
6.5 Financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto
De financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto is € 0,23 per kilometer tot maximaal 2500 kilometer per jaar. Dit geldt alleen als het bezit en gebruik van de eigen auto door de inwoner niet als algemeen gebruikelijk kan worden gezien én als het gebruik van de Wmo-taxi (collectief vervoer) geen passende oplossing is. (Iets wat als algemeen gebruikelijk wordt gezien, is iets wat je zelf moet regelen of betalen, omdat dit voor anderen ook normaal is.)
7.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
Het college zorgt ervoor dat aanbieders zich aan de eisen houden. Dit doet het college onder andere door regelmatig te overleggen met aanbieders en door klantkwaliteitsonderzoeken uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 2.5.1 van de Wmo 2015. Ook wordt de geleverde voorziening – als dat nodig is – in overleg met de inwoner ter plaatse gecontroleerd.
7.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen
Diensten en voorzieningen die aanbieders leveren, moeten een goede prijs-kwaliteitsverhouding hebben. Daarom houdt het college bij het vaststellen van de tarieven in ieder geval rekening met:
Artikel 9: Klachten, medezeggenschap en inspraak
9.2 Betrekken van inwoners bij het beleid
Het college kan nadere regels opstellen naar aanleiding van deze verordening.
10.2 Afwijken van deze verordening (Hardheidsclausule)
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van wat er in deze verordening staat of dit niet toepassen. Dit kan alleen als het in het voordeel van de inwoner is. Dit komt voor als het volgen van de wetgeving tot een beslissing leidt, die nooit de bedoeling van de wet kan zijn.
Het college kan (tenzij anders aangegeven) jaarlijks per 1 januari de bedragen in deze verordening of de nadere regels, verhogen of verlagen. Hierbij volgt het college de ontwikkelingen van de prijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek en de NEA-index.
Om de kwaliteit van voorzieningen te verbeteren, verzamelt het college informatie over:
Als een inwoner vóór het ingaan van de nieuwe verordening WMO van de gemeente Blaricum (2025) een aanvraag heeft gedaan op basis van de oude verordening (Verordening Sociaal Domein gemeente Blaricum 2018), en daar is nog geen besluit over genomen, dan wordt die aanvraag afgehandeld volgens de oude regels — maar alleen als dat gunstiger is voor de inwoner.
10.6 Ingangsdatum en citeertitel
Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn inloop en activiteiten in een buurthuis en gemeentelijke begeleiders die lichte begeleiding aanbieden en ‘vinger-aan-de-polscontacten’ hebben met kwetsbare inwoners. Soms is er een lichte toegangstoets, waarbij wordt gekeken of de activiteit passend is en of iemand tot de beoogde doelgroep behoort. Dit is bijvoorbeeld nodig bij een inloop voor mensen met geheugenproblemen. De organisatie die de activiteit organiseert, bepaalt of iemand tot de doelgroep behoort. Een besluit (beschikking) van de gemeente is niet nodig.
Algemene voorzieningen hebben de voorkeur boven voorzieningen waarvoor een indicatie nodig is. Dit betekent dat als een algemene voorziening passend is voor de ondersteuning, een inwoner niet in aanmerking komt voor een indicatie. Zo krijgt de begeleiding door gemeentelijke begeleiders en sociaal werkers van een welzijnsorganisatie de voorkeur boven begeleiding door een gecontracteerde zorgaanbieder.
Bij onderzoek naar de mogelijkheden voor verhuizing, spelen zowel de persoonlijke omstandigheden als de feitelijke mogelijkheden van een inwoner een rol. De verhuismogelijkheden zijn groter bij een inwoner die al langere tijd is ingeschreven bij Woningnet. De verantwoordelijkheid om in te spelen op een toekomstige verhuizing is groter bij een inwoner die al regelmatig is gewezen op het belang van inschrijving bij Woningnet. Als een inwoner met een koophuis op korte termijn een geschiktere woning kan kopen of huren, dan is verhuizing misschien wel de goedkoopste oplossing.
Dit artikel is bedoeld om vast te stellen of de omstandigheden bij schade/verlies de schuld zijn van de inwoner en – zo ja – in welke mate. Vervolgens moet de gemeente bepalen of de inwoner de kosten die door verlies/schade zijn gemaakt, geheel of gedeeltelijk vergoed krijgt. Als een voorziening beschadigd is of verloren is gegaan door nalatigheid of onzorgvuldig gedrag van de inwoner, dan is het niet de bedoeling dat de gemeente deze kosten (volledig) betaalt. Wat nalatigheid en onzorgvuldigheid zijn, beoordeelt de gemeente per situatie. Stel dat een scootmobiel wordt gestolen omdat die niet op slot of in een afsluitbare ruimte is gezet. Dan kun je dit een inwoner met beginnende dementie of een verstandelijke beperking minder aanrekenen dan een inwoner met alleen een lichamelijke beperking. Slijt een maatwerkvoorziening sneller dan gebruikelijk omdat iemand er onzorgvuldig mee omgaat en is die persoon daar al meerdere keren op gewezen? Dan is het niet de bedoeling dat de gemeente steeds alle reparatie- en/of vervangingskosten betaalt.
Met algemeen gebruikelijke diensten, hulpmiddelen of woonvoorzieningen bedoelen we in ieder geval:Aanhangfietsen, antislipvloeren, auto’s, autoaccessoires, auto’s met automatische versnelling, automatische garagedeuren, automatische versnelling voor een auto, bagagetassen, baden, bakfietsen, boodschappenmanden, boodschappennetten voor een rolstoel of scootmobiel, bromfietsen, brommobielen, buggy’s, douches of douchecabines, douchekoppen en glijstangen, douchekrukken, elektrische fietsen, eenvoudige douche- of toiletstoelen, fietsbanken, fietsen, fietsen met hulpmotor, fietsen met lage instap, hangtoiletten, hendelmengkranen, inductie- en keramische kookplaten, intercoms, keukenapparatuur, keukenbladen, loopfietsen, luchtbevochtigers, rembekrachtiging voor een auto, rollators, snorfietsen, stuurbekrachtiging voor een auto, tandems, thermostaatkranen, tweede trapleuningen, verhoogde toiletten/toiletverhogers, wandbeugels van 30 en 60 centimeter, wasmachines/wasdrogers, zonwering, zonwering inclusief elektrische voorziening.De voorzieningen in deze lijst zijn niet de enige voorzieningen die algemeen gebruikelijk kunnen zijn. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of het om een algemeen gebruikelijke voorziening gaat.
Als het gaat om een (elektrische) deurdranger op een gezamenlijke toegangsdeur in een wooncomplex dat niet bestemd is voor ouderenwaar de inwoner de deurdranger nodig heeft om zijn/haar eigen woning te bereikenen wanneer verhuizen niet de beste optie isdan kan de gemeente met een goede motivering van dit artikel afwijken.
Door grootschalige inkoop kan een gemeente een Wmo-voorziening voor een gunstige prijs regelen. Dit is de goedkoopste compenserende oplossing. Als een inwoner er zelf voor kiest om een maatwerkvoorziening, zoals een hulpmiddel, via een pgb aan te schaffen, dan is dat zijn/haar eigen keuze. Hierdoor is het redelijk dat de inwoner de meerkosten zelf betaalt. Ook omdat zo’n voorziening eigendom wordt van de inwoner. Kan een niet-gecontracteerde aannemer (bijvoorbeeld iemand uit de kennissenkring van de inwoner) een woningaanpassing voldoende compenserend en goedkoper uitvoeren dan een aannemer die de gemeente heeft gecontracteerd? Dan wordt deze lagere prijs aangehouden. Dit is namelijk de goedkoopst compenserende oplossing. Is aantoonbaar dat de aannemers die de gemeente heeft gecontracteerd, de werkzaamheden niet kunnen uitvoeren binnen de termijn die voor de inwoner noodzakelijk is? En is er een andere aannemer die dit wel kan voor een marktconforme prijs? Dan is maatwerk mogelijk door deze hogere kosten toch te vergoeden.
Soms is het nodig om de woning van een inwoner aan te passen, zodat deze woning bezoekbaar wordt voor iemand die geen inwoner is. Denk aan iemand die zelfstandig buiten de gemeente woont of een Wlz-indicatie heeft. In dit soort gevallen kan het nodig zijn dat die persoon bij het gesprek aanwezig is om te bepalen of er aanpassingen aan de woning nodig zijn en – zo ja – om welke aanpassingen het gaat. De contactpersoon bij de gemeente (de consulent) krijgt op die manier inzicht in de aard en mate van de beperking. Voor mensen die in het verleden inwoner waren van de gemeente, is dit meestal niet nodig. Bij het bezoekbaar maken van een woning voor een minderjarig kind dat met een Wlz-indicatie buiten de gemeente woont, kán de hardheidsclausule worden toegepast. Dit geldt bijvoorbeeld als het kind (in het weekend) voor een langere periode regelmatig bij de ouders logeert en er hiervoor meer moet worden aangepast dan alleen de entree, de woonkamer en het toilet. Dit is altijd maatwerk. Daarbij wordt ook gekeken hoe lang de ouders het naar verwachting volhouden dat hun kind regelmatig bij hen logeert.
Als een sportvoorziening ervoor zorgt dat een inwoner kan meedoen in de maatschappij (participeren), dan krijgt hij/zij deze voorziening. Als een inwoner al op meerdere manieren hulp ontvangt om te kunnen participeren, voldoende beweegt en een sportvoorziening iets extra’s betekent, hoeft de gemeente deze sportvoorziening niet automatisch te vergoeden. Dit is maatwerk.Het is de bedoeling dat een inwoner bewust kiest voor een bepaalde sport en niet telkens wisselt van sport en daarvoor een nieuwe sportvoorziening aanvraagt. Ook verwacht de gemeente dat de inwoner zorgvuldig omgaat met de voorziening. Daarom geeft de gemeente een sportvoorziening maximaal 1 keer per 3 jaar. Als het nodig is om van sport te wisselen, bijvoorbeeld omdat iemands beperking aantoonbaar verandert, dan kan de gemeente de hardheidsclausule toepassen en eerder dan binnen 3 jaar een nieuwe sportvoorziening geven.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-43866.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.