Gemeenteblad van Peel en Maas
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Peel en Maas | Gemeenteblad 2026, 437670 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Peel en Maas | Gemeenteblad 2026, 437670 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Peel en Maas heeft het ontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas - Deelgebied Kern Meijel vrijgegeven voor de terinzagelegging.
De tekstinhoud van ”Omgevingsplan gemeente Peel en Maas” wordt op een later moment vastgesteld.
Het ontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas, zoals opgenomen in Bijlage A Wijziging Omgevingsplan Peel en Maas Deelgebied Kern Meijel, vrij te geven en zes weken ter inzage te leggen. Een onderbouwing van de wijziging wordt omschreven in de Motivering.
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage
Bijlage I
I Begripsbepalingen
bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op hoofdstuk 22 vandit omgevingsplan, tenzij bijlageI Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving heeft.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op deze regels.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-IMRO omgevingsplan.
Als een begripsbepaling in een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-IMRO omgevingsplan afwijkt van een begripsbepaling, opgenomen in bijlage I Begripsbepalingen, dan is op de begripsbepaling in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de desbetreffende regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan.
De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit een regel uit dit omgevingsplan volgt dat een ander oogmerk geldt.
Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken.
Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, wordt die norm voor iedere locatie afzonderlijk toegepast.
De dakhelling van een bouwwerk: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
De goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
De inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
De bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
De oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
De oppervlakte van een bodemingreep: het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het (archeologisch) bodemarchief.
De afstand tot de bouwwerkperceelsgrens: tussen de grens van het bouwwerkperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het bouwkundig straatpeil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
De voorgevelrooilijn van een bouwwerk: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
De oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
De afstand tussen een hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk wordt gemeten als de kortste afstand tussen het hoofdgebouw en het bijbehorend bouwwerk.
De overschrijding van de bouwvlak-, c.q. functiegrenzen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevel- versieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwvlak-, c.q. functiegrenzen maximaal 1 meter bedraagt.
De regels in dit omgevingsplan gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Peel en Maas, tenzij anders is bepaald in dit omgevingsplan.
Bijlage II Geografische Informatieobjecten maakt onderdeel uit van dit omgevingsplan en bevat een overzicht van alle geografische informatieobjecten voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Aan de regels voor activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij in dit omgevingsplan anders is bepaald. Degene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is de anti-dubbeltelbepaling zoals die is opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
B
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu;
het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
de natuurbescherming;
het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed;
de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;
het tegengaan van klimaatverandering;
het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
het waarborgen van de kwaliteit van bouwwerken;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheer van infrastructuur;
het beheer van watersystemen;
het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;
het beheer van natuurlijke hulpbronnen;
het beheer van natuurgebieden;
het gebruik van bouwwerken;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
C
Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een functie Agrarisch.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Agrarisch in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.1.1 Agrarisch - Landbouw;
subparagraaf 5.3.1.2 Agrarisch - Grondgebonden.
Er is een functie Bedrijf.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Bedrijf in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.2.1 Bedrijf met milieucategorie 1 en 2.
Er is een functie Detailhandel.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Detailhandel in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.5.1 Detailhandel - algemeen.
Er is een functie Dienstverlening.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Dienstverlening in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.5.1 Dienstverlening - Algemeen.
Er is een functie Groen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Groen in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.11.1 Openbaar gebied - Algemeen.
Er is een functie Horeca.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Horeca in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.6.1 Horeca - Algemeen.
Er is een functie Kantoor.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Kantoor in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.7.1 Kantoor - Algemeen.
Er is een functie Maatschappelijk.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Maatschappelijk in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.8.1 Maatschappelijk - Algemeen.
Er is een functie Nutsvoorziening.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Nutsvoorziening in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.10.1 Nutsvoorziening - Algemeen.
Er is een functie Openbaar gebied.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Openbaar gebied in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.11.1 Openbaar gebied - Algemeen.
Er is een functie Recreatie.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Recreatie in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.12.1 Recreatie - algemeen.
Er is een functie Sport.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Sport in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.13.1 Sport - Algemeen.
Er is een functie Verblijfsgebied.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Verblijfsgebied in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.11.1 Openbaar gebied - Algemeen.
Er is een functie Verkeer.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Verkeer in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.11.1 Openbaar gebied - Algemeen.
Er is een functie Water.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Water in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.14.1 Water - Algemeen.
Er is een functie Wonen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Wonen in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.15.1 Wonen - Algemeen;
subparagraaf 5.3.15.2 Beroep en bedrijf aan huis.
Er is een gebiedstype Kern.
In de Kern gelden de volgende doelen, bedoeld in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
het gebruik van bouwwerken;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.41 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Beschermingszone archeologie in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 6.2.4.4 Archeologische verwachtingswaarden;
subparagraaf 6.3.5.1 Bouwregels archeologische beschermingszone;
afdeling 8.2 Aanlegactiviteit in gebied met archeologische verwachtingswaarden.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.41 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Cultuurhistorisch waardevol gebied in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 6.2.4.5 Cultuurhistorisch waardevol gebied;
subparagraaf 6.3.5.2 Bouwregels cultuurhistorisch waardevol gebied;
afdeling 8.3 Aanlegactiviteit in cultuurhistorisch waardevol gebied;
afdeling 9.2 Sloopactiviteit in cultuurhistorisch waardevol gebied.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.60 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met Gezamenlijk geluid in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 6.2.4.12 Gezamenlijk geluid;
subparagraaf 6.3.5.7 Bouwregels gezamenlijk geluid.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.48 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met Landschappelijke inpassing in ieder geval voldaan aan de regels in:
paragraaf 5.2.4 Landschappelijke inpassing;
subparagraaf 6.3.5.4 Bouwregels landschappelijke inpassing.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.48 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met Beeldkwaliteitsplan in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 6.3.5.5 Bouwregels beeldkwaliteitsplan.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.48 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met Hoofdgroenstructuur in ieder geval voldaan aan de regels in:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Brandvoorschriftengebied in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 6.2.4.13 Brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied;
subparagraaf 6.3.5.8 Bouwregels brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.57 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Explosievoorschriftengebied in ieder geval voldaan aan de regels in:
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot water en watersystemen.
Voor activiteiten met betrekking tot water en watersystemen gelden de volgende doelen:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.60 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Beschermingszone watergang in ieder geval voldaan aan de regels in:
paragraaf 5.2.3 Beperkingen binnen een beschermingszone watergang;
subparagraaf 6.2.4.6 Beschermingszone watergang;
subparagraaf 6.3.5.6 Bouwregels beschermingszone watergang;
afdeling 8.4 Aanlegactiviteit in beschermingszone watergang.
E
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken.
Het is uitsluitend toegestaan om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die in overeenstemming is met:
de regels over gebruik zoals opgenomen in afdeling 5.2 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken; en
de aan een locatie toegekende functie, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies;
de regels over medegebruik, zoals opgenomen in Artikel 5.2 Toegestane activiteiten voor gebruik, lid 2.
Naast het hoofdgebruik, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies, is het volgende medegebruik, tenzij dit medegebruik in de toepasselijke gebruiksregels over de desbetreffende functie uitdrukkelijk is uitgesloten of beperkt, toegestaan. Het gaat hier om het gebruiken voor:
Ter plaatse van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt, in afwijking van het eerste lid, dat gronden en bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt overeenkomstig de aan de locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende gebruiksregels van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
prostitutie;
het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens;
opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden.
Ter plaatse van Buitenopslag voor de voorgevelrooilijn is het verboden om buitenopslag voor de voorgevelrooilijn te plaatsen.
Deze paragraaf is van toepassing op het in voldoende mate voorzien in ruimte voor parkeren van auto’s bij het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden.
Een gebruiksactiviteit is uitsluitend toegestaan wanneer wordt voldaan aan de parkeernormen en andere parkeereisen, waaronder afmetingen van parkeerplaatsen, zoals bedoeld in Artikel 5.4 Toepassingsbereik en uitgewerkt in de ‘Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018’ of de beleidsregel die deze vervangt of wijzigt, waarbij de beleidsregel uitsluitend wordt toegepast voor zover deze niet in strijd is met dit omgevingsplan.
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van Artikel 5.5 Algemene regels, indien dat noodzakelijk is en de afwijking past binnen de criteria voor afwijking als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 of een vervangende beleidsregel.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Parkeren onder voorwaarden gronden te gebruiken als parkeerterrein.
Een omgevingsvergunning om de gronden ter plaatse van Parkeren onder voorwaarden te gebruiken als parkeerterrein wordt verleend als:
Deze paragraaf geldt ter plaatse van Evenement en geldt voor gebruiksactiviteiten waarbij gronden en bouwwerken worden gebruikt voor een evenement.
Het aantal evenementen is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Evenementen - Aantal.
Het aantal dagen dat een evenement mag duren inclusief op- en afbouw is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Evenementen - Aantal dagen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Agrarisch - Landbouw gronden en bouwwerken te gebruiken voor incidentele evenementen.
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van incidentele evenementen ter plaatse van Agrarisch - Landbouw wordt verleend als:
het een tijdelijk of een periodiek terugkerend tijdelijk evenement, per locatie maximaal drie keer per jaar voor een aaneengesloten periode van drie dagen betreft, inclusief op- en afbouw;
er geen sprake is van aantasting van bestaande natuur, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, archeologische waarden en abiotische waarden;
omliggende functies door het incidentele evenement niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoeringmogelijkheden;
ter plaatse voldoende parkeergelegenheid is en er geen onevenredige verkeersbelasting ontstaat op de toevoerwegen.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van een Beschermingszone watergang.
Ter plaatse van de Beschermingszone watergang is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die het onderhoud, de veiligheid of de waterafvoer van de watergang belemmert.
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van Landschappelijke inpassing.
Het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de ter plaatse toegedeelde functies, ter plaatse van de locatie-annotatie Landschappelijke inpassing - Meijel-Oost, is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing overeenkomstig het Landschappelijk inpassingsplan - Meijel-Oost Meijel uiterlijk binnen 24 maanden na ingebruikname is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
Het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de ter plaatse toegedeelde functies, ter plaatse van Landschappelijke inpassing - De Hoek Fase II, is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing overeenkomstig het Landschappelijk inpassingsplan - De Hoek Fase II Meijel uiterlijk binnen 24 maanden na ingebruikname is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van een Beschermingszone Steenuil.
Het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de ter plaatse toegedeelde functies, ter plaatse van Beschermingszone steenuil, is uitsluitend toegestaan indien een door het bevoegd gezag goedgekeurd compensatieplan is opgesteld ten behoeve van de steenuil en de daarin opgenomen maatregelen zijn gerealiseerd en vervolgens duurzaam in stand worden gehouden.
Artikel 5.22 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Agrarisch - Landbouw.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
een grondgebonden bedrijf, glastuinbouwbedrijf of intensieve veehouderij;
medegebruik in de vorm van tuinen, erven en terreinen.
Artikel 5.24 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Agrarisch - Grondgebonden.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
het agrarisch bedrijfsmatig gebruiken van gronden en bouwwerken in de vorm van een grondgebonden bedrijf;
de verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten als nevenactiviteit, met maximaal 25% van het vloeroppervlak van de totale bestaande bebouwing, tot maximaal 100 m²;
maximaal één grondgebonden bedrijf per bouwvlak.
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
het plaatsen van opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak;
het plaatsen van containervelden.
Artikel 5.26 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Agrarisch - Grondgebonden gebruiksactiviteiten te verrichten ten behoeve van nevenactiviteiten en verbrede landbouw, zoals opgenomen in Artikel 5.25 Algemene regels, lid 1. .
Artikel 5.27 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van gebruiksactiviteiten ten behoeve van nevenactiviteiten en verbrede landbouw, zoals bedoeld in Artikel 5.25 Algemene regels, lid 1. , ter plaatse van Agrarisch - Grondgebonden, wordt verleend als:
de agrarische bedrijvigheid als hoofdfunctie aanwezig is en blijft;
het gezamenlijk oppervlak van de bedrijfsbebouwing van het desbetreffende agrarisch bedrijf mag niet worden vergroot;
verblijfsrecreatie is toegestaan op een kleinschalig kampeerterrein tot maximaal 25% van de totale bestaande bedrijfsbebouwing danwel tot maximaal 30 bedden/slaapplaatsen, met dien verstande dat de totale oppervlakte van de hiervoor benodigde gebouwen maximaal 100 m² bedraagt;
dagrecreatie is toegestaan tot maximaal 25% van de totale bestaande bedrijfsbebouwing en/of tot maximaal 25% van de oppervlakte van het bouwvlak;
ondergeschikte horeca is toegestaan tot maximaal 25% van de totale bestaande bedrijfsbebouwing tot maximaal 100 m²;
aan het agrarisch bedrijf verbonden zorgfuncties zijn toegestaan tot maximaal 25% van de totale bestaande bedrijfsbebouwing tot maximaal 250 m²;
educatiefunctie is toegestaan tot maximaal 25% van de totale bestaande bedrijfsbebouwing tot maximaal 100 m²;
de gezamenlijke oppervlakte van de in c, d, e en g genoemde nevenactiviteiten bedraagt tezamen maximaal 100 m², met dien verstande dat zorgfuncties als bedoeld in f van deze cumulatie zijn uitgesloten;
de agrarische functie van aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing mag niet onevenredig worden aangetast/belemmerd;
door de wijziging mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op wegen en paden plaatsvinden;
de bestaande natuurlijke waarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, aardkundige waarden en/of abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast;
wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het terrein van het agrarisch bedrijf;
de nevenactiviteiten en vormen van verbrede landbouw milieuhygiënisch verantwoord zijn en voldoen aan de van toepassing zijnde milieuwetgeving.
Artikel 5.28 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Bedrijf met milieucategorie 1 en 2.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
bedrijven en/of bedrijfsmatige activiteiten welke behoren tot milieucategorie 1 tot en met 2;
medegebruik in de vorm van nutsvoorzieningen.
In de Kern is het alleen toegestaan om een bedrijf te exploiteren of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen welke zijn opgenomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten - kern en/of daarmee naar aard, omgang en invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten.
Artikel 5.30 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de Kern een bedrijfsactiviteit te verrichten met een milieucategorie die hoger is dan 1 en 2.
Artikel 5.31 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een bedrijfsactiviteit met een milieucategorie die hoger is dan 1 en 2 in de Kern wordt verleend als:
deze activiteiten gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsmatige activiteiten welke vallen onder de in bijlage Lijst van bedrijfsactiviteiten - kern behorende tot milieucategorie 1 t/m 2 en/of daarmee naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijfsactiviteiten;
bij de beoordeling van de aard en invloed van milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken:
Artikel 5.32 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Detailhandel.
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
detailhandelsactiviteiten op de begane grond en in een ondergronds bouwwerk.
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
detailhandelsactiviteiten op de verdieping.
Uitsluitend ter plaatse van Supermarkt is het toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor het exploiteren van een supermarkt.
Uitsluitend ter plaatse van Verkooppunt motorbrandstoffen met LPG is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
het exploiteren van een verkooppunt van motorbrandstoffen met LPG;
ondergeschikte detailhandel in de vorm van een tankshop.
Ter plaatse van Verkooppunt motorbrandstoffen met LPG is het verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere detailhandelsactiviteit dan het exploiteren van een verkooppunt van motorbrandstoffen met LPG.
Uitsluitend ter plaatse van Vulpunt LPG is het toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken als vulpunt met LPG, waarbij een directe relatie bestaat met het dichtstbijzijnde Verkooppunt motorbrandstoffen met LPG.
Ter plaatse van Vulpunt LPG is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere detailhandelsactiviteit dan als vulpunt voor LPG, waarbij sprake is van een directe relatie met een verkooppunt motorbrandstoffen met LPG.
Ter plaatse van Bouwmarkt is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere detailhandelsactiviteit dan het exploiteren van een bouwmarkt.
Ter plaatse van Detailhandel in mobiele telefoons en autogerelateerde detailhandel is het toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor het exploiteren van een detailhandelsvestiging in mobiele telefoons en autogerelateerde detailhandel, met dien verstande dat de bruto vloeroppervlakte maximaal 50 m² bedraagt.
Ter plaatse van Detailhandel in mobiele telefoons en autogerelateerde detailhandel is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere detailhandelsactiviteit dan het exploiteren van een detailhandelsvestiging in mobiele telefoons en autogerelateerde detailhandel.
Ter plaatse van Detailhandel in groente en fruit is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere detailhandelsactiviteit dan het exploiteren van een detailhandelsvestiging in groente en fruit.
Uitsluitend ter plaatse van Detailhandel in auto's is het exploiteren van een detailhandelsvestiging in auto’s toegestaan.
Ter plaatse van Detailhandel in auto's is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere detailhandelsactiviteit dan het exploiteren van een detailhandelsvestiging in auto’s.
Ter plaatse van Showroom is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere detailhandelsactiviteit dan detailhandel in de vorm van een showroom.
Artikel 5.34 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Dienstverlening.
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
dienstverleningsactiviteiten op de begane grond en in een ondergronds bouwwerk;
medegebruik in de vorm van het exploiteren van aan dienstverlening gerelateerde detailhandel.
Artikel 5.36 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Horeca.
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
het exploiteren van horeca in de vorm van horeca van categorie 1 en horeca van categorie 2;
horeca-activiteiten op de begane grond en in een ondergronds bouwwerk, met uitzondering van het bepaalde in Artikel 5.37 Algemene regels, lid 2. ;
medegebruik in de vorm van het exploiteren van terrassen.
Uitsluitend ter plaatse van Horeca op de verdieping zijn horeca-activiteiten eveneens op de verdieping toegestaan.
Uitsluitend ter plaatse van Horeca van categorie 3 is het exploiteren van horeca van categorie 3 toegestaan.
Uitsluitend ter plaatse van Horeca van categorie 4 is het exploiteren van horeca van categorie 4 toegestaan.
Uitsluitend ter plaatse van Horeca van categorie 5 is het exploiteren van horeca van categorie 5 toegestaan.
Uitsluitend ter plaatse van Hotel is het exploiteren van een hotel toegestaan, waarbij deze activiteit eveneens op de verdieping is toegestaan.
Uitsluitend ter plaatse van Groepsaccommodatie is het exploiteren van een groepsaccommodatie toegestaan.
Artikel 5.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden ter plaatse van Nieuwe horecafunctie zonder omgevingsvergunning een horeca-activiteit te verrichten in de vorm van het uitoefenen of vestigen van horeca van categorie 3.
Artikel 5.39 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een horeca-activiteit, in de vorm van het uitoefenen of vestigen van horeca van categorie 3, wordt verleend als:
Artikel 5.40 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Kantoor.
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
het exploiteren van een kantoor;
dienstverleningsactiviteiten op de begane grond en in een ondergronds bouwwerk.
Artikel 5.42 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Maatschappelijk.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Uitsluitend ter plaatse van Begraafplaats is het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een begraafplaats toegestaan.
Ter plaatse van Kapel is het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een kapel de enige toegestane maatschappelijke activiteit.
Ter plaatse van Huisartsenpraktijk is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere maatschappelijke activiteit dan een huisartsenpraktijk.
Artikel 5.44 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Nutsvoorziening.
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor openbare nutsvoorzieningen met bijbehorende voorzieningen.
Artikel 5.46 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Openbaar gebied.
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van de volgende onderdelen van het openbaar toegankelijk gebied:
Ter plaatse van de functies Groen en Verblijfsgebied is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van:
Ter plaatse van de functies Verblijfsgebied en Verkeer is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van:
Ter plaatse van de functie Groen is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Ter plaatse van de functie Verblijfsgebied is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van:
Ter plaatse van de functie Verkeer is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van wegen, straten, paden en pleinen met hoofdzakelijk een verkeersfunctie.
Ter plaatse van Ontsluiting voor langzaam verkeer is uitsluitend een weg/pad toegestaan in de vorm van een weg/pad voor fietsers en voetgangers.
Uitsluitend ter plaatse van Ontsluiting is een weg toegestaan welke de bestaande weg, grenzend aan deze locatie, verbindt met Verkeer.
Ter plaatse van Groen - Verkeer is het toegestaan de gronden te gebruiken voor:
parkeervoorzieningen en wegen;
opritten ten behoeve van Landschappelijk wonen, voor zover de gronden grenzen aan Landschappelijk wonen, waarbij:
Artikel 5.48 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Recreatie.
Ter plaatse van Virtual reality is het verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor een andere recreatieactiviteit dan recreatie in de vorm van virtual reality-toepassingen.
Artikel 5.50 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Sport.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Ter plaatse van Beugelbaan is het gebruiken van de gronden en bouwwerken voor een beugelbaan de enige toegestane sportactiviteit.
Ter plaatse van Ondergeschikte horeca bij sport is het exploiteren van horeca van categorie 1, horeca van categorie 2 en horeca van categorie 3 toegestaan als ondergeschikte activiteit.
Artikel 5.52 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Water.
Artikel 5.54 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Wonen.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
wonen in een woning, met dien verstande dat een woning uitsluitend mag worden bewoond door één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen;
bewoning als afhankelijke woonruimte van een woning en het bijbehorende erf, mits het een bestaande mantelzorgvoorziening betreft;
medegebruik in de vorm van:
het uitoefenen van een beroep en/of bedrijf aan huis, als wordt voldaan aan subparagraaf 5.3.15.2 Beroep en bedrijf aan huis;
het exploiteren van bestaande bed and breakfasts;
het beheren, onderhouden en benutten van bestaande mantelzorgvoorzieningen.
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor bewoning, zijnde permanent of tijdelijk, in vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
Uitsluitend ter plaatse van Bedrijfswoning is wonen in een bedrijfswoning toegestaan.
Ter plaatse van Bestaande bedrijfswoning is de woonactiviteit uitsluitend toegestaan als er reeds een bestaande bedrijfswoning is.
Wonen in een Bedrijfswoning en Bestaande bedrijfswoning is uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een persoon (en diens huishouden), wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is.
Ter plaatse van Bestaande woning op de verdieping is de woonactiviteit uitsluitend toegestaan indien er reeds een woning op de verdieping aanwezig is.
Ter plaatse van Short stay huisvesting tijdelijke arbeidskrachten is huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten toegestaan, tot een maximum van de ter plaatse geldende omgevingsnorm Maximaal aantal short stay huisvesting tijdelijke arbeidskrachten.
Ter plaatse van Short stay huisvesting tijdelijke arbeidskrachten - Dorpsstraat is huisvesting van tijdelijke arbeidskrachten alleen op de verdieping toegestaan.
Ter plaatse van Landschappelijk wonen is wonen uitsluitend toegestaan binnen een gemeenschappelijke groene, parkachtige omgeving met gemeenschappelijke voorzieningen en/of gedeelde faciliteiten, waaronder in ieder geval picknickplaatsen en wandelpaden.
Artikel 5.56 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning of bijbehorend bouwwerk te gebruiken ten behoeve van kamerverhuur.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een (deel van een) woning of bijbehorend bouwwerk te gebruiken voor het exploiteren van een nieuw op te richten bed and breakfast.
Artikel 5.57 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een woning of bijbehorend bouwwerk ten behoeve van kamerverhuur wordt verleend als:
het gebruik geen overlast voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
het gebruik naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is;
wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en, indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een (deel van een) woning of bijbehorend bouwwerk voor het exploiteren van een nieuw op te richten bed and breakfast wordt verleend als:
de exploitant van de bed en breakfast de hoofdbewoner is van de woning;
maximaal 25% van de bewoonde oppervlakte mag worden ingericht als bed en breakfast;
er maximaal 4 slaapplaatsen in maximaal twee slaapkamers per bouwwerkperceel worden toegestaan;
er qua bouwkundige opzet, indeling en maatvoering geen zelfstandige woning ontstaat;
uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;
wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en, indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Artikel 5.58 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Wonen, voor zover gronden en bouwwerken van een woning worden gebruikt voor een beroep aan huis of bedrijf aan huis.
Het beroep aan huis of bedrijf aan huis is opgenomen in onderstaande tabel of een hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroep of bedrijf is.
|
Beroep aan huis |
Bedrijf aan huis |
|
Advocaat |
Autorijschool (geen theorie) |
|
Accountant - administratieconsulent |
Bloemschikker |
|
Alternatieve genezer |
Computerservice (o.a. systeembouw/-analyse) |
|
Belastingconsulent |
Decorateur |
|
Bouwkundig architect |
Fietsenreparateur |
|
Dierenarts |
Fitnessstudio |
|
Fysiotherapeut |
Fotograaf |
|
Gerechtsdeurwaarder |
Goud- en zilversmid |
|
Huidtherapeut |
Glazenwasser |
|
Huisarts |
Hoedenmaker |
|
Interieurarchitect |
Hondentrimmer |
|
Juridisch adviseur |
Instrumentenmaker |
|
Kunstenaar |
Internetverkoop |
|
Logopedist |
Kaarsenmaker |
|
Medisch specialist |
Kapsalon |
|
Notaris |
Klompenmaker |
|
Oefentherapeut Cesar/Mensendieck |
Koeriersdienst |
|
Organisatieadviseur |
Lijstenmaker |
|
Orthopedagoog |
Loodgieter |
|
Psycholoog |
Meubelmaker |
|
Raadgevend adviseur |
Muziekinstrumentenmaker |
|
Redacteur |
Nagelstudio/pedicure |
|
Registeraccountant |
Pottenbakker |
|
Stedenbouwkundige |
Prothesenmaker |
|
Tandarts |
Reisorganisatie (kleinschalig) |
|
Tandarts - specialist |
Reparatie van kleine consumentenartikelen (antiek/radio’s-tv’s/horloges etc.) |
|
(al dan niet beëdigd) tolk-vertaler |
Schoonheidsspecialist |
|
Tuin- en landschapsarchitect |
Traiteur |
|
Verloskundige |
Tv/radio reparateur |
|
- |
Zadelmaker |
Het gebruiken van gronden en bouwwerken van een woning voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf als wordt voldaan aan de volgende regels:
de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
de woning blijft voldoen aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving en de Bouwverordening;
de woonfunctie van het perceel primair blijft c.q. in overwegende mate aanwezig blijft;
degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent;
maximaal 40% van de begane grondvloeroppervlakte en de voor de woonfunctie aangewezen bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven met een maximum van:
het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte;
de bedrijvigheid niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van het Besluit Activiteiten Leefomgeving of andere milieuwetgeving, en er geen sprake is van milieuactiviteiten zoals opgenomen in hoofdstuk 7, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet aantast;
het geen activiteiten betreft die in de regel worden uitgeoefend in winkelpanden of op een bedrijven- of industrieterrein;
internetverkoop slechts is toegestaan indien er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt en de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden;
in de woning of de voor de woonfunctie aangewezen bijbehorende bouwwerken mag maximaal 50 m² gebruikt worden ten bate van internetverkoop waarbij ter plaatse opslag en verzending plaatsvindt. Internetverkoop waarbij ter plaatse alleen de elektronische transactie plaatsvindt en geen opslag en verzending plaatsvindt is zonder meer toegestaan;
er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep/bedrijf;
er geen buitenopslag plaatsvindt;
reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 0,5 meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan.
F
Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van bouwactiviteiten.
Een bouwactiviteit is uitsluitend toegestaan indien het bouwen van het bouwwerk in overeenstemming is met de regels over bouwen die in dit omgevingsplan zijn gesteld.
Ter plaatse van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt, in afwijking van het eerste lid, dat een bouwactiviteit uitsluitend is toegestaan indien het bouwen van een bouwwerk in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende regels over bouwen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
In aanvulling op het eerste en tweede lid is ter plaatse van een locatie waarvoor een TAM-IMRO omgevingsplan geldt een bouwactiviteit uitsluitend toegestaan indien het bouwen van een bouwwerk in overeenstemming is met de in het TAM-IMRO omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
Deze afdeling gaat over het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk.
[Gereserveerd]
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Beschermingszone archeologie, indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.67 Algemene regels.
Artikel 6.6 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag plaatsvindt in een Beschermingszone archeologie, verleend als:
er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
Artikel 6.7 Maatwerkvoorschriften
Als het uitvoeren van een vergunningsplichtige bouwactiviteit, gelegen in een Beschermingszone archeologie, kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorschriften verbinden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Cultuurhistorisch waardevol gebied, indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.69 Algemene regels.
Artikel 6.9 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag plaatsvindt in een Cultuurhistorisch waardevol gebied, verleend als:
het verenigbaar is met behoud, herstel en/of versterking van de cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van de bestaande bebouwing;
het advies van de Monumentencommissie of een daarvoor in de plaats tredende commissie daarbij wordt betrokken en het bouwen niet leidt tot een wezenlijke verandering van de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten.
Artikel 6.10 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Beschermingszone watergang , indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.77 Algemene regels.
Artikel 6.11 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag plaatsvindt in een Beschermingszone watergang, verleend als:
Artikel 6.12 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in de vorm van een ondergrondse bouwactiviteit, indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.71 Algemene regels.
Artikel 6.13 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van een ondergrondse bouwactiviteit, verleend als:
de ondergrondse bouwdiepte maximaal 10 meter onder straatpeil bedraagt;
de waterhuishouding niet wordt verstoord;
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
Artikel 6.14 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Openbaar gebied, bestaande uit het plaatsen van een terras in de vorm van een uitval-/zonnescherm in openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 6.15 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van het plaatsen van een terras in de vorm van een uitval/zonnescherm in openbaar toegankelijk gebied, verleend als:
de uitval/ het zonnescherm aan de gevel wordt bevestigd;
de hoogte van de uitval/ het zonnescherm maximaal 4 meter bedraagt;
de diepte van de uitval/ het zonnescherm maximaal 4 meter bedraagt;
het bouwen geen onevenredig gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid en/of de verblijfsfunctie.
Artikel 6.16 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Openbaar gebied, bestaande uit het bouwen van een jongerenontmoetingsplaats in openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 6.17 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van het bouwen van een jongerenontmoetingsplaats in openbaar toegankelijk gebied, verleend als:
Artikel 6.18 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die leidt tot een toename van de parkeerbehoefte.
Artikel 6.19 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verleend als:
voor de toename van de parkeerbehoefte wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018’;
indien deze beleidsregel wordt gewijzigd, betrekt het bevoegd gezag bij de beoordeling de gewijzigde beleidsregel, voor zover deze redelijkerwijs kan worden toegepast.
Artikel 6.20 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van Overkapping voor de voorgevelrooilijn, bestaande uit het bouwen van een overkapping voor de voorgevelrooilijn.
Artikel 6.21 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van het bouwen van een overkapping voor de voorgevelrooilijn, verleend als:
De overschrijding van de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 3 meter, met dien verstande dat bij rijwoningen een overkapping uitsluitend in geval van een eindwoning voor de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd;
De afstand tot de functiegrens niet minder bedraagt dan 1 meter;
De oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m²;
De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.
Artikel 6.22 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van Gezamenlijk geluid, voor zover sprake is van het bouwen van een geluidgevoelig gebouw.
Artikel 6.23 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verleend indien uit een akoestisch onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de eisen voor de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie als bedoeld in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.24 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Brandvoorschriftengebied of Explosievoorschriftengebied, indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.81 Algemene regels, lid 2.
Artikel 6.25 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag plaatsvindt in een Brandvoorschriftengebied of Explosievoorschriftengebied en niet kan worden voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.81 Algemene regels, lid 2, verleend als:
voldoende rekening is gehouden met de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voor personen in het bouwwerk en op de locatie;
de bouwactiviteit niet leidt tot een onevenredige toename van de gevolgen van een incident voor aanwezige personen;
de bouwactiviteit niet leidt tot de oprichting van een zeer kwetsbaar gebouw;
de bouwactiviteit geen onevenredige belemmering vormt voor het veilig functioneren van de risicobron;
advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio.
Artikel 6.26 Maatwerkvoorschriften
Als het uitvoeren van een vergunningsplichtige bouwactiviteit, gelegen in een Brandvoorschriftengebied of Explosievoorschriftengebied, kan leiden tot een onevenredige aantasting van de veiligheid, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorschriften verbinden:
het beperken van verblijfsduur en -intensiteit binnen de zone;
het treffen van bouwkundige maatregelen ter beperking van risico’s bij incidenten;
het realiseren van vluchtroutes en veiligheidsvoorzieningen;
het overleggen van een risicoanalyse waaruit blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar veiligheidsniveau.
Deze afdeling is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
Artikel 6.28 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Woning, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een woning, niet zijnde een bedrijfswoning.
De woning wordt uitsluitend binnen het Bouwvlak gebouwd of, indien er geen bouwvlak aanwezig is, het vervangende nieuwbouw van een bestaande woning binnen een bouwwerkperceel betreft.
De goothoogte van de woning is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte woning.
De bouwhoogte van de woning is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte woning.
Het aantal wooneenheden bedraagt niet meer dan de aangegeven omgevingsnorm Maximum aantal wooneenheden.
De inhoud van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken is niet hoger dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum inhoud woning.
De voorgevel van een woning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn of de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum afstand voorgevelrooilijn woning.
De voorgevel van een woning wordt niet gebouwd ter plaatse van Voorgevel uitgesloten.
De voorgevel moet ter plaatse van Afstand tot voorgevel centrum worden gesitueerd in de naar de wegzijde toegekeerde grens van het bouwvlak of op een afstand van niet meer dan 3 meter daarachter.
De voorgevelrooilijn of de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits:
de diepte maximaal 1,5 meter bedraagt;
de breedte maximaal 50% van de breedte van de voorgevel van de woning bedraagt;
de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,3 meter;
de afstand tot openbaar toegankelijk gebied minimaal 3,5 meter bedraagt.
Ter plaatse van Landschappelijk wonen gelden de volgende regels:
Ter plaatse van Levensloopbestendig wonen dienen de woningen levensloopbestendig te worden gebouwd.
Artikel 6.30 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Gebouw, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een gebouw, niet zijnde een woning, nutsvoorziening in openbaar toegankelijk gebied of openbaar vervoervoorziening in openbaar toegankelijk gebied.
Het gebouw wordt uitsluitend in het Bouwvlak gebouwd, waarbij het bouwvlak volledig mag worden bebouwd.
De goothoogte van een gebouw is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouw.
De bouwhoogte van een gebouw is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouw.
Ter plaatse van Agrarisch - Grondgebonden de volgende aanvullende regels met betrekking tot het bouwen van een gebouw:
Ter plaatse van Voorgevel bedrijfsgebouw wordt de voorgevel in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens geplaatst.
De voorgevel moet ter plaatse van Afstand tot voorgevel centrum worden gesitueerd in de naar de wegzijde toegekeerde grens van het bouwvlak of op een afstand van niet meer dan 3 meter daarachter.
Artikel 6.32 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Openbaar gebied, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een nutsvoorziening in openbaar toegankelijk gebied.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
de bouwhoogte van de nutsvoorziening maximaal 3,5 meter bedraagt;
de oppervlakte per nutsvoorziening maximaal 15 m² bedraagt.
Artikel 6.34 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van de functies Verkeer en Verblijfsgebied, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een openbaar vervoervoorziening in openbaar toegankelijk gebied.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
Artikel 6.36 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op de volgende bouwactiviteiten die zijn aangewezen in de subparagraaf 6.3.3.4 Bedrijfswoning:
het bouwen van een bedrijfswoning.
De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte bijbehorend bouwwerk.
De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte bijbehorend bouwwerk.
Ter plaatse van Serre zijn uitsluitend bouwwerken in de vorm van een serre toegestaan.
Ter plaatse van Centrum Meijel mogen bij hoekwoningen geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd voor het verlengde van de voorgevelrooilijn van de om de hoek gelegen hoofdgebouwen.
Ter plaatse van Landschappelijk wonen is de realisatie van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet toegestaan in verband met de waarborging van het specifieke karakter van het landschappelijk wonen.
Artikel 6.38 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een bedrijfswoning, ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk, voor zover het bijbehorend bouwwerk is gelegen op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn.
Artikel 6.40 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een bedrijfswoning, ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk, voor zover het bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevelrooilijn is gelegen.
In de Kern zijn vóór de voorgevelrooilijn uitsluitend aangebouwde overkappingen als bijbehorend bouwwerk toegestaan, als de afstand tussen de voorzijde van de overkapping en de perceelsgrens die grenst aan openbaar toegankelijk gebied ten minste 3,5 meter bedraagt.
Artikel 6.42 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Bedrijfswoning en Bestaande bedrijfswoning, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een bedrijfswoning.
Het aantal bedrijfswoningen ter plaatse van de locaties Bedrijfswoning of Bestaande bedrijfswoning bedraagt per bouwwerkperceel niet meer dan één bedrijfswoning.
De bedrijfswoning wordt uitsluitend binnen het Bouwvlak gebouwd.
De goothoogte van de bedrijfswoning is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte bedrijfswoning.
De bouwhoogte van de bedrijfswoning is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte bedrijfswoning.
De voorgevel van de bedrijfswoning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn of de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum afstand voorgevelrooilijn bedrijfswoning.
De voorgevelrooilijn of de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits:
Artikel 6.44 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op de volgende bouwactiviteiten die zijn aangewezen in de subparagrafen 6.3.4.2 Erf- en terreinafscheiding tot en met 6.3.4.11 Zendmast:
het bouwen van erf- en perceelafscheidingen;
het plaatsen van een voederruif of drinkbak;
het plaatsen van een vlaggen-, reclame- en lichtmast;
het plaatsen van een lichtmast rond een paardrijbak;
het plaatsen van omheiningen rond een paardrijbak;
het bouwen van een zwembad;
het bouwen van een overkapping bij een sportaccommodatie;
het plaatsen van lichtmasten in openbaar gebied.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is niet hoger dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Ter plaatse van Agrarisch - Grondgebonden gelden de volgende aanvullende regels met betrekking tot het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
Artikel 6.46 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Erf- en terreinafscheiding, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een erf- en terreinafscheiding.
Ter plaatse van Erf- en terreinafscheiding - Achter voorgevellijn bedraagt de bouwhoogte van de erf- en terreinafscheiding maximaal 2,5 meter.
Ter plaatse van Agrarisch - Landbouw mogen erf- en terreinscheidingen met een open constructie worden geplaatst, waarbij de bouwhoogte niet hoger is dan de ter plaatse omgevingsnorm Erf- en terreinafscheidingen - Agrarisch.
Artikel 6.48 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in de Kern, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een voederruif en drinkbak.
Artikel 6.50 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Masten, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een vlaggen-, reclame- en lichtmast.
Artikel 6.52 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Lichtmasten rond een paardrijbak, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een lichtmast rond een paardrijbak.
De hoogte van de lichtmasten rond een paardrijbak bedraagt maximaal 8 meter.
Artikel 6.54 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Omheiningen rond een paardrijbak, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een omheining rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding.
Artikel 6.56 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van een Woning, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een zwembad.
Voor het bouwen van een zwembad gelden de volgende algemene regels:
Ter plaatse van Agrarisch - Grondgebonden in de Kern gelden de volgende aanvullende regels:
de afstand tussen de woning en het zwembad bedraagt maximaal 15 meter;
de oppervlakte van het zwembad bedraagt maximaal 30 m².
Ter plaatse van Landschappelijk wonen zijn zwembaden niet toegestaan.
Artikel 6.58 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Overkapping bij sportaccommodatie, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een overkapping bij een sportaccommodatie.
Voor het bouwen van een overkapping bij een sportaccommodatie gelden de volgende algemene regels:
Artikel 6.60 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Overkapping in verblijfsgebied, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een overkapping in openbaar toegankelijk gebied.
Voor het bouwen van een overkapping in openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende algemene regels:
Artikel 6.62 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Openbaar gebied, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van lichtmasten in openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 6.64 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Zendmast, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een zendmast.
Artikel 6.66 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Beschermingszone archeologie, voor zover deze plaatsvinden in een gebied met archeologische verwachtingen.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.67 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het is toegestaan om bouwactiviteiten te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als:
de activiteit het bouwen van een bouwwerk betreft dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter;
de activiteit het bouwen van een bouwwerk betreft binnen de agrarische bedrijfsfuncties;
de activiteit het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken betreft die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
Het is toegestaan bouwactiviteiten te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de bouwactiviteit minder diep reikt dan de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Diepte.
Het is toegestaan bouwactiviteiten te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de bouwactiviteit een verstoringsoppervlakte heeft dat maximaal de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Oppervlakte is.
Artikel 6.68 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Cultuurhistorisch waardevol gebied.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.69 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
dit nodig is voor het behoud, herstel en/of versterking van de cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van de bestaande bebouwing;
het normale onderhoudswerkzaamheden betreffen;
er geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling;
het bouwwerken betreffen, die op het tijdstip van het inwerkingtreden van het omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd.
Artikel 6.70 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit, voor zover deze bestaat uit het bouwen van ondergrondse bouwwerken.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.71 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
het ondergrondse bouwwerk wordt gebouwd binnen het bouwvlak, dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk;
het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven straatpeil, vermeerderd met 15 m²;
de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder straatpeil.
Artikel 6.72 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Landschappelijke inpassing.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.73 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het bouwen van woningen ter plaatse van Landschappelijke inpassing - Meijel-Oost is slechts toegestaan indien de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het Landschappelijk inpassingsplan - Meijel-Oost Meijel, binnen 24 maanden na ingebruikname van de woningen is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
Het bouwen van woningen ter plaatse van Landschappelijke inpassing - De Hoek Fase II is slechts toegestaan indien de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het Landschappelijk inpassingsplan - De Hoek Fase II Meijel, binnen 24 maanden na ingebruikname van de woningen is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
Artikel 6.74 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Beeldkwaliteitsplan, voor zover deze plaatsvinden in een gebied met een beeldkwaliteitsplan.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op bouwactiviteiten die vergunningsvrij kunnen worden verricht.
Ter plaatse van Beeldkwaliteitsplan - Startebos fase 3 moeten de bouwactiviteiten voldoen aan de regels die zijn gesteld in het Beeldkwaliteitsplan - Startebos fase 3.
Ter plaatse van Beeldkwaliteitsplan - De Hoek Fase II moeten de bouwactiviteiten voldoen aan de regels die zijn gesteld in het Beeldkwaliteitsplan - De Hoek Fase II.
Artikel 6.76 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Beschermingszone watergang.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.77 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Artikel 6.78 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Gezamenlijk geluid.
Ter plaatse van Gezamenlijk geluid - De Hoek Fase II bedraagt het gezamenlijk geluid 57 dB (Lden).
Artikel 6.80 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Brandvoorschriftengebied en Explosievoorschriftengebied.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.81 Algemene regels, lid 2, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten die leidt tot een zeer kwetsbaar gebouw.
Het is toegestaan een bouwactiviteit te verrichten binnen een Brandvoorschriftengebied of Explosievoorschriftengebied, mits de bouwactiviteit niet leidt tot:
Het tweede lid is niet van toepassing op een bouwactiviteit:
G
Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van aanlegactiviteiten.
Het is uitsluitend toegestaan om aanlegactiviteiten te verrichten op een wijze die in overeenstemming is met de regels die voor de betreffende locatie gelden, zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking dat een aanlegactiviteit uitsluitend is toegestaan indien deze in overeenstemming is met de aan die locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende regels van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten ter plaatse van Beschermingszone archeologie, voor zover deze bestaan uit:
grondwerkzaamheden zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden;
het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling;
het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt;
het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als:
de activiteit ten dienste staat van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
het normaal beheer en onderhoud betreft, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
het normaal agrarisch gebruik betreft waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,40 meter onder straatpeil wordt geroerd;
plaatsvindt binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
plaatsvindt binnen een agrarische bouwvlak;
reeds in uitvoering is op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de aanlegactiviteit minder diep reikt dan de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Diepte.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de aanlegactiviteit een verstoringsoppervlakte heeft dat maximaal de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Oppervlakte is.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten te verrichten in een Beschermingszone archeologie, voor zover niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in Artikel 8.5 Algemene regels.
De omgevingsvergunning wordt verleend als:
er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
schade door aanlegactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit, bedoeld in Artikel 8.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen, wordt een archeologisch rapport overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin:
de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld;
in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel;
in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarde van de gronden niet onevenredig wordt of kan worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
Een onderzoek als bedoeld onder het eerste lid is niet vereist wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
Indien het uitvoeren van een aanlegactiviteit als bedoeld in Artikel 8.3 Toepassingsbereik, waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, worden aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten ter plaatse van Cultuurhistorisch waardevol gebied, voor zover deze bestaan uit:
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en structuren, waaronder het verkavelingspatroon, karakteristieke beplantingsstructuren, wegenpatronen en het stedenbouwkundig beeld.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten in een cultuurhistorisch waardevol gebied als:
het normale onderhoudswerkzaamheden betreffen;
de aanlegactiviteit plaatsvindt in het kader van het normale bodemgebruik;
de aanlegactiviteit betrekking heeft op werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten te verrichten in cultuurhistorisch waardevol gebied, voor zover niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in Artikel 8.12 Algemene regels.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien:
in Artikel 8.11 Oogmerk genoemde cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; en
de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.
Het bevoegd gezag kan aan de in Artikel 8.13 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen genoemde omgevingsvergunning voorwaarden verbinden ter bescherming van de cultuurhistorische waarden in het gebied.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten ter plaatse van de Beschermingszone watergang, voor zover deze bestaan uit:
het veranderen van het huidige straatpeilniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen;
het aanleggen van watergangen, het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen;
het aanbrengen van gesloten oppervlakteverharding, het aanleggen van kabels en/of leidingen en daarmee verband houdende constructies;
het aanbrengen, vellen en/of rooien van bomen en/of diepwortelende beplantingen.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming en het beheer van de watergangen, waarbij het bevoegd gezag rekening houdt met het geldende waterbeheer.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten als:
het normale onderhoudswerkzaamheden betreffen;
de aanlegactiviteit plaatsvindt in het kader van het normale bodemgebruik;
de aanlegactiviteit betrekking heeft op werkzaamheden die op het tijdstip van het inwerkingtreden van het omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aanlegactiviteit te verrichten in een beschermingszone watergang, voor zover niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in Artikel 8.18 Algemene regels.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten ter plaatse van Hoofdgroenstructuur, voor zover deze bestaan uit het rooien van de daarin aanwezige hoofdgroenstructuren.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van de ter plaatse bestaande landschappelijke en natuurwaarden van groenstructuren die deel uitmaken van de Hoofdgroenstructuur.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten als:
Het is toegestaan om hoofdgroenstructuren te rooien indien de activiteit plaatsvindt ter plaatse van Ontsluiting en/of Ontsluiting voor langzaam verkeer.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning hoofdgroenstructuren te rooien voor zover niet wordt voldaan aan de algemene regels in Artikel 8.23 Algemene regels.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien wordt voldaan aan één van de hierna genoemde voorwaarden a tot en met c, en de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied daardoor niet onevenredig worden aangetast:
er geen landschappelijke- en/of natuurwaarden aanwezig zijn; of
de betreffende landschappelijke- en/of natuurwaarden door de ingreep niet onevenredig worden geschaad; of
schade door aanlegactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften, welke onder andere kunnen bestaan uit de verplichting om compenserende en/of mitigerende maatregelen te treffen.
I
Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van sloopactiviteiten.
Het is uitsluitend toegestaan om sloopactiviteiten te verrichten op een wijze die in overeenstemming is met de regels die voor de betreffende locatie gelden, zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking dat een sloopactiviteit uitsluitend is toegestaan indien deze in overeenstemming is met de aan die locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende regels van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Deze afdeling is van toepassing op sloopactiviteiten ter plaatse van Cultuurhistorisch waardevol gebied, voor zover die bestaat uit een sloopactiviteit in een cultuurhistorisch waardevol gebied.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en structuren, waaronder het verkavelingspatroon, karakteristieke beplantingsstructuren, wegenpatronen en het stedenbouwkundig beeld.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning sloopactiviteiten te verrichten in cultuurhistorisch waardevol gebied, voor zover niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in Artikel 9.5 Algemene regels.
De omgevingsvergunning wordt verleend indien wordt voldaan aan één van de hierna genoemde voorwaarden a tot en met d, en bij de beoordeling advies is ingewonnen bij de Monumentencommissie of een daarvoor in de plaats tredende commissie:
de in Artikel 9.4 Oogmerk genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind;
de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarden niet langer aanwezig zijn en niet zonder ingrijpende wijziging aan het pand kan worden hersteld;
de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde in redelijkheid niet is te handhaven;
de sloop uitsluitend delen van panden of bijgebouwen betreft die op zichzelf niet als karakteristiek dan wel cultuurhistorisch waardevol zijn aan te merken, en die door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde plaatsvindt.
J
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten ter plaatse van aangewezen gebiedsontwikkelingen.
De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op het bepaalde in de overige hoofdstukken van dit omgevingsplan.
Deze afdeling is van toepassing op activiteiten ter plaatse van Startebos fase 3.
Uitsluitend ter plaatse van Startebos fase 3 - Groen is gebruik toegestaan, voor zover dit gebruik:
Uitsluitend ter plaatse van Startebos fase 3 - Weg is gebruik toegestaan overeenkomstig de Profielen bij inrichtings-/verkavelingsschets Startebos fase 3, met dien verstande dat doodlopende wegen niet zijn toegestaan.
Uitsluitend ter plaatse van Startebos fase 3 - Waterberging is gebruik toegestaan voor:
waterbergende voorzieningen, waaronder wadi’s; en
paden en toegangsvoorzieningen ten behoeve van de ontsluiting van woningen, met dien verstande dat:
De paden en toegangsvoorzieningen een maximale breedte van 3 meter hebben; en
Het gebruik geen afbreuk doet aan het waterbergend vermogen van de gronden.
Ter plaatse van Startebos fase 3 gelden voor het bouwen van woningen de volgende regels:
per woning worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd, waarbij een parkeerplaats op eigen terrein geldt als 0,8 parkeerplaats; parkeerplaatsen in het openbaar gebied voldoen aan de Profielen bij de inrichtings‑ en verkavelingsschets Startebos fase 3 en indien aanvullende parkeerplaatsen vereist zijn, worden deze binnen de functie Wonen gerealiseerd met inachtneming van de geldende wegprofielen;
een woning wordt opgericht op een afstand van maximaal 50 meter van feitelijk bestaande, in aanbouw zijnde dan wel vergunde woningen;
de bouw van woningen is uitsluitend toegestaan indien is geborgd dat:
ter plaatse van Startebos fase 3 - Groen de aanwezige en/of te realiseren groenstructuren en landschappelijke inpassing worden gerealiseerd en in stand worden gehouden overeenkomstig de Profielen bij de inrichtings‑ en verkavelingsschets Startebos fase 3; en
ter plaatse van Startebos fase 3 - Waterberging de voorzieningen voor hemelwater worden gerealiseerd en in stand worden gehouden;
de voorgevelrooilijn is gelegen op een afstand van minimaal 4 meter tot de perceelsgrens aan de zijde van de openbare weg;
uitsluitend de volgende woningtypen mogen worden gebouwd:
vrijstaande woningen;
twee‑aaneengebouwde woningen;
aaneengebouwde woningen, met dien verstande dat maximaal vijf woningen aaneengebouwd mogen worden;
geschakelde woningen;
gestapelde woningen met maximaal twee bouwlagen, met dien verstande dat daarboven één aanvullende bouwlaag is toegestaan die past binnen een kapvormig profiel met een dakhelling van minimaal 30° en maximaal 60°;
patiowoningen;
de maximale diepte van hoofdgebouwen bedraagt:
de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt:
in afwijking van artikel 6.27, vierde lid, bedraagt de bouwhoogte van patiowoningen maximaal 10 meter;
in afwijking van artikel 6.27, vierde lid, bedraagt de bouwhoogte van gestapelde woningen maximaal 3,5 meter per toegestane bouwlaag;
de dakhelling bedraagt minimaal 30° en maximaal 60°, met dien verstande dat voor patiowoningen geen minimale dakhelling geldt.
Ter plaatse van Startebos fase 3 - Groen en Ontsluiting voor langzaam verkeer is geen bebouwing toegestaan.
Artikel 20.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning woningen te bouwen ter plaatse van Startebos fase 3 op een grotere afstand van feitelijk bestaande, in aanbouw zijnde dan wel vergunde woningen dan is toegestaan op grond van Artikel 20.4 Algemene regels, lid 1, onderdeel b.
Artikel 20.7 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verleend als:
binnen de genoemde afstand van 50 meter geen geschikte kavels beschikbaar zijn voor het beoogde type woning(en). In dat geval kan vergunning worden verleend voor het bouwen van woningen op de voor het beoogde type woning(en) geschikte kavel(s) die het dichtst bij bestaande en/of in aanbouw zijnde woningen zijn gelegen;
verzekerd is dat ter plaatse van de te bouwen woning(en) tijdig de benodigde infrastructuur is gerealiseerd (ontsluitingsweg en nutsvoorzieningen).
Deze afdeling is van toepassing op activiteiten ter plaatse van Meijel-Oost.
Ter plaatse van Meijel-Oost gelden de volgende regels:
Ter plaatse van Meijel-Oost gelden voor het bouwen van woningen de volgende regels:
de voorgevelrooilijn is gelegen op een afstand van ten minste 2 meter tot de perceelsgrens aan de zijde van de openbare weg;
uitsluitend de volgende woningtypen zijn toegestaan:
er plaatse van kavels die zijn gelegen aan de Steegstraat zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt:
Deze afdeling is van toepassing op activiteiten ter plaatse van De Hoek Fase II.
Het totaal aantal woningen in De Hoek Fase II bedraagt 106, waarbij het aantal te bouwen en aanwezige wooneenheden niet meer bedraagt dan de aangegeven omgevingsnorm Maximum aantal wooneenheden - De Hoek Fase II.
Het woningtype is conform de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Woningtype - De Hoek Fase II.
De afstand tussen de voorgevel van het hoofdgebouw en de grens van het bouwwerkperceel aan de zijde van het openbaar toegankelijk gebied waarop de woning georiënteerd is, bedraagt:
De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt:
bij vrijstaande woningen minimaal 2 meter aan beide zijden;
bij twee-aaneen gebouwde woningen minimaal 2 meter aan één zijde;
bij aangebouwde woningen en bij Landschappelijk wonen mogen beide zijgevels ter plaatse van Zijgevel - De Hoek Fase II tot in de perceelsgrens worden gebouwd.
Artikel 20.13 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer woningen te bouwen dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum aantal wooneenheden - De Hoek Fase II.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ander type woning te bouwen dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Woningtype - De Hoek Fase II.
Artikel 20.14 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken om meer woningen te bouwen dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum aantal wooneenheden - De Hoek Fase II wordt verleend als:
het totale aantal woningen binnen het plangebied niet meer bedraagt dan 106.
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
de verkeersveiligheid;
het woon- en leefklimaat;
de milieusituatie;
de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied, dit ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing.
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor het bouwen van een ander type woning dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Woningtype - De Hoek Fase II wordt verleend als:
het totale aantal woningen binnen het plangebied bedraagt niet meer dan 106.
de behoefte aan het gewijzigde woningtype is aangetoond.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van:
de verkeersveiligheid;
het woon- en leefklimaat;
de milieusituatie;
de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;
de stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied, dit ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing.
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten ter plaatse van Alexanderplein.
Het aantal te bouwen en aanwezige wooneenheden bedraagt niet meer dan de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Maximum aantal wooneenheden - Alexanderplein.
K
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk bevat het overgangsrecht voor dit omgevingsplan.
Voor zover elders in dit omgevingsplan specifieke overgangsregels zijn opgenomen, gaan die regels voor op de bepalingen in dit hoofdstuk.
Op aanvragen, ontwerpbesluiten, ambtshalve te nemen besluiten en reeds genomen besluiten, voor zover daarop de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing is, geldt het overgangsrecht van hoofdstuk 4 van die wet.
Een omgevingsvergunning, ontheffing of andere beschikking die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan onherroepelijk is verleend op grond van een gemeentelijke verordening of ruimtelijk plan, blijft van kracht en wordt aangemerkt als een vergunning als bedoeld in de Omgevingswet, voor zover deze betrekking heeft op een activiteit waarop dit omgevingsplan regels stelt.
Aan een vergunning verbonden voorschriften blijven van kracht en gelden als maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan, voor zover de gemeente daarvoor bevoegd gezag is en op grond van de Omgevingswet bevoegd is dergelijke maatwerkvoorschriften te stellen.
Meldingen, kennisgevingen of verstrekte gegevens die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan rechtsgeldig zijn gedaan, gelden als gedaan op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor de betreffende activiteit een meldings of informatieplicht geldt.
Op handhavingsbesluiten die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan zijn genomen, blijft het oude recht van toepassing totdat het besluit volledig is uitgevoerd, ingetrokken of anderszins is beëindigd.
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan rechtmatig werd uitgevoerd en dat in strijd is met de regels van dit plan, mag worden voortgezet.
Het is verboden het gebruik, als bedoeld in het eerste lid, te veranderen, tenzij door die verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Het eerste lid is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het onmiddellijk voorafgaand aan dit omgevingsplan geldende recht.
Indien het gebruik, bedoeld in Artikel 21.6 Bestaand gebruik, gedurende een aaneengesloten periode van langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten.
Bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan rechtmatig aanwezig waren en afwijken van de regels van dit plan, mogen in stand worden gehouden.
Het is toegestaan deze bouwwerken gedeeltelijk te vernieuwen of te veranderen, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
Deze paragraaf is van toepassing op de herbouw van bouwwerken die op het tijdstip van de calamiteit rechtmatig aanwezig waren en die afweken van de regels van dit omgevingsplan.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk als bedoeld in Artikel 21.9 Toepassingsbereik te herbouwen na een calamiteit.
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen wordt verleend indien:
sprake is van een calamiteit;
de herbouw plaatsvindt binnen twee jaar na het intreden van de calamiteit;
de inhoud van het her te bouwen bouwwerk ten hoogste eenmalig met niet meer dan 10% wordt vergroot ten opzichte van de inhoud van het bouwwerk zoals dat onmiddellijk voorafgaand aan de calamiteit rechtmatig aanwezig was.
L
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
het geheel van waarden in verband met de abiotische of niet-levende natuur, in de vorm van aardkundige en/of hydrologische kenmerken, zowel op zichzelf als in relatie tot de aanwezigheid of nabijheid van ontwikkelingsmogelijkheden voor een waardevolle biotische of levende natuur die wordt gevormd door organismen en leefgemeenschappen;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
een onderdeel van het hoofdgebouw of aangebouwd bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest;
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Hieronder valt ook een viskwekerij;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikte woning gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoensarbeiders;
het bedrijfsmatig verlenen van diensten cq. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot de beroepsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse;
een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van een persoon (en diens huishouden), wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is;
een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse;
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten die in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
situatie waarin het object wordt kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het is gebouwd aangelegd;
werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige (archeologisch) bodemarchief;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
het opslaan van goederen anders dan in gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
grond welke is afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.
de waarden die aan een natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied zijn toegekend en worden gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied;
de hoek gemeten tussen het dakvlak en het horizontale vlak;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van een internetwinkel en/of horeca;
het bedrijfsmatig verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en voor zover het bestemmingsplan die inrichting niet verbiedt;
een publiekgerichte activiteit die een bijdrage levert aan het culturele, sociale en/of sportieve leven;
een terrein dat is bedoeld voor en dat qua ligging, toegankelijkheid, ondergrond en omvang geschikt is voor het houden van eenmalige en periodiek terugkerende tijdelijke evenementen die een grote verkeersaantrekkende werking kunnen hebben;
alle vormen van recreatief medegebruik die wat betreft hun lage intensiteit, beperkte omvang en frequentie inpasbaar zijn en gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen en vissen;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de open grond die bij het bedrijf hoort en waaronder ook begrepen grond met tijdelijke tunnels of andere teeltondersteunende voorzieningen, waaronder:
a.akkerbouwbedrijf;
b.boomkwekerij;
c.melkveehouderij;
d.productiegebonden paardenhouderij;
het geheel van woonstraten, zoals bedoeld in het beeldkwaliteitplan Meijel-Oost, die samen de hoofdontsluiting vormen van het plangebied;
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodaties en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf;
een horecabedrijf, dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar, naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren, in hoofdzaak alcoholvrije drank wordt verstrekt;
een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen of kunnen worden genuttigd, waaronder:
een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden, alsmede de gelegenheid kan bieden tot dansen, waaronder:
een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot de dansbeoefening, al dan niet met live muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine etenswaren, waaronder:
een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, waaronder:
een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is voor het gebruik industrie;
verkoop van artikelen via internet, waarbij op het perceel alleen opslag/magazijnruimte voor deze artikelen aanwezig is en waarbij de artikelen (eventueel per post) bij de klant worden thuis bezorgd;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de kamerverhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie;
waarden die aan een gebied zijn toegekend in verband met de aanwezige biotopen, bijzondere flora en fauna, ecologische samenhang en structuren van dat gebied;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
voorzieningen voor op het openbare net aangesloten voorzieningen van algemeen nut, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, alsmede containers voor glas, kleding, plastic etc;
Besluit van 3 juli 2018, houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.
Regeling van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
een functie die qua omvang en uitstraling ten dienste staat van een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie;
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die onder het straatpeil is gelegen;
wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport en een luifel;
een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.
voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol, versie juni 2019;
ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel zijn van dit omgevingsplan;
perceel of deel van een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt;
een zelfbedieningszaak in goederen met hoofdzakelijk een grote verscheidenheid aan levens- en genotsmiddelen;
besluit tot wijziging van dit omgevingsplan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 11.1, tweede lid, Besluit elektronische publicaties;
voorziening of constructie welke dient ter ondersteuning van de teelt van een agrarisch bedrijf met als doel het gewas te forceren tot meer groei, de oogst te spreiden en meer opbrengsten te genereren, met uitzondering van afdekfolie. Het gaat daarbij om zowel vervroegen als verlaten ten opzichte van normale teelt en/of beschermen tegen weersinvloeden, ziekten en plagen om een kwalitatief beter product te verkrijgen. Deze constructies of voorzieningen kunnen zowel hoog als laag zijn, met dien verstande dat:
bebouwing bestaande uit twee met elkaar geschakelde hoofdgebouwen;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
wonen in een woning, zijnde een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen;
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen;
restproduct van de thermische zinkertsverwerkende bedrijven of voormalige thermische zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen.
M
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze regeling bevat geen GIO informatie.
N
Na bijlage II worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
Dit beeldkwaliteitplan voor de ontwikkeling van woningen in de derde fase van woongebied Startebos aan de noordzijde van Meijel, geeft in woord en beeld en voor verschillende schaalniveaus, de uitgangspunten aan voor het te ontwikkelen stedenbouwkundige en architectonische ontwerp. Het is een op locatie en situatie afgestemd referentiekader voor de architectonische en stedenbouwkundige vormgeving.
Het plangebied grenst aan de noordzijde aan een oud bosgebied, dat zich kenmerkt door open en gesloten ruimten. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan aan de dorpskern van Meijel met overwegend vrijstaande woningen. Aan de oostzijde is op het terrein van de voormalige camping Startebos woningbouw gerealiseerd. Fase I van dit woningbouwplan is inmiddels afgerond en fase II is in ontwikkeling.
De invulling van het gebied vraagt om ruimtelijke kwaliteit, zorgvuldigheid en aansluiting bij de karakteristiek van het dorp, zodat een aantrekkelijk woongebied ontstaat dat bij Meijel hoort. Die aantrekkelijkheid wordt natuurlijk ook bepaald door zo goed mogelijk aan te sluiten op de wensen en behoeften van de toekomstige gebruikers. Daarom moeten de ontwikkelingsmogelijkheden zo ruim mogelijk zijn, zodat zij hun individuele woonwensen zo goed mogelijk kunnen realiseren.
Veel ruimtelijke aspecten, zoals hoogte, situering van de bebouwing en situering van de ontsluiting en groen, zijn geregeld in het bestemmingsplan. Het beeldkwaliteitplan richt zich op aspecten, die niet in het bestemmingsplan te regelen zijn en geeft de kaders aan voor de uiterlijke verschijningsvorm van de bebouwing en de buitenruimte (openbare ruimte - overgang openbaar-privé) in het plangebied. Het beeldkwaliteitplan gaat in op zaken als sfeer en kleur- en materiaalgebruik. Uiteindelijk is het een hulpmiddel om tot een passende architectuur van de bebouwing en een passende inrichting van het plangebied te komen. Het beeldkwaliteitplan zal (door de commissie ruimtelijke kwaliteit) worden gebruikt als toetsingkader bij de beoordeling van bouwplannen.
In de bestaande situatie is het plangebied nog deels in gebruik als recreatieterrein en zijn er enkele stacaravans op het terrein gestald. Deze caravans zijn in gebruik als tijdelijke huisvesting voor buitenlandse werknemers. Daar waar geen caravans aanwezig zijn, is sprake van groenvoorzieningen in de vorm van grasvelden danwel braakliggend terrein.
Er komen afwisselend open en gesloten ruimten voor. De randen van het plangebied, aan de west- en noordzijde zijn begroeid met bomen en markeren de overgang naar het buitengebied en het noordelijk gelegen bosgebied van het Startebos. Direct in oostelijke richting is de woonbebouwing van Startebos fase 2 in aanbouw.
Het bosgebied ten noorden van de planlocatie is in grote mate bepalend voor de sfeer en uitstraling van het gebied Startebos. De nieuwe wijk zal de grens vormen tussen het bos en de kern Meijel.
De bebouwing in Startebos heeft een duidelijke ‘kam-structuur’. In het zuiden is tegen de achterzijden van de bestaande woningen een rij woningen geplaatst. Haaks op dit blok woningen zijn woningblokken geplaatst met elk een ander woningtype en met elk een andere opzet.
In het gebied zijn vier grotere groene gebieden opgenomen. Bij de situering van deze gebieden is de aanwezigheid van de bestaande bomen van groot belang geweest. De grotere groengebieden zijn gesitueerd op de plekken met veel (waardevolle) beplanting. De oostelijke groenzone (fase 1) heeft diverse functies: speelbos, retentiegebied en ruimte voor een kikkerpoel. De centrale groenzone (fase 2) heeft voornamelijk een groen- en een water-retentiefunctie. De twee noord-zuid gerichte groengebieden maken het nabije bosgebied in de wijk tastbaar. Zij hebben een belangrijke functie voor de waterretentie.
Naast de grotere groengebieden is er in de straatprofielen ruimte voor bomen. Om het boskarakter dieper de wijk in te trekken is het wenselijk incidenteel solitairen op te nemen in de groenstrips langs de wegen. Een deel daarvan betreft bestaande beplanting. Vanwege onder andere de bouwwerkzaamheden zal echter een deel van de beplanting niet gehandhaafd kunnen worden.
Het bosachtige, informele karakter op de kavels en in de openbare ruimte en de verschijningsvorm van de bebouwing, zal een herkenbare samenhangende wijk vormen ten noorden van Meijel.
In eerste instantie zijn voor het onderhavige plangebied inrichtingsschetsen getekend die een mogelijke invulling vormen voor Startebos fase III, met daarbij tevens de mogelijkheid voor een duurzame afronding en ontsluiting in geval van ontwikkeling van fase IV. Inmiddels is echter besloten om fase IV niet meer in ontwikkeling te nemen. Dit betekent dat de grens van fase 3, waarop dit beeldkwaliteitplan zicht richt, geen fasegrens is maar de nieuwe plangrens. Er is een nieuw stedenbouwkundig plan getekend waarbij sprake is van een duurzame afronding en ontsluiting van fase III.
Voor de nieuwe schetsverkaveling hebben de volgende aspecten als uitgangspunt gediend:
Herverkavelen met als doel een duurzame afronding in verband met het uitblijven van de ontwikkeling van fase 4;
Het opzetten van een flexibele wegenstructuur, flexibele verkaveling en kavelgroottes, om in te kunnen spelen op marktomstandigheden;
Het herverkavelen met behoud van enkele bestaande groenopstanden, hiermee kan worden voorkomen dat vanuit het geldende ecologisch perspectief mitigerende en compenserende maatregelen moeten worden genomen;
Een bouwprogramma van 60 woningen;
Overwegend vrijstaande en halfvrijstaande woningen.
De opgestelde beeldkwaliteitscriteria voor architectuur zijn niet vrijblijvend. Dit beeldkwaliteitplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad en vormt daarmee een verplichte leidraad voor de welstandstoetsing. Het betreft na vaststelling door de gemeenteraad een bindende aanvulling op de gemeentelijke welstandsnota.
PLAATS/SITUERING/KARAKTERISTIEK:
Rustig beeld door ingetogen architectuur (bebouwingsmassa heeft een duidelijke hoofdvorm, metselwerk overheerst, geen strooiing van gevelopeningen, geen toevoegingen die het herkenbare beeld van de hoofdvorm verstoren, geen felle kleuren).
Hoekwoningen zijn tweezijdig georiënteerd.
MASSA/VORM:
Duidelijke hoofdvorm, bestaande uit volumes met een rechthoekige grondslag, niet aangetast door ondergeschikte toevoegingen en bijzondere vormen.
De kapvorm is in principe een zadeldak. Geen afgeknotte kapvormen, zoals plat dak met steile dakschilden.
Dakkapellen in het straatbeeld mogen niet overheersend zijn op het dakvlak en moeten passen bij de architectuur van de woning.
Toevoegingen aan de woningen die het beeld van de hoofdvorm van de woningen aantasten, zijn niet wenselijk. Wel zijn erkers mogelijk.
Door de erkers zoveel mogelijk in lijn met de hoofdvorm te houden (rechthoekige grondslag) dragen zij bij aan een rustig beeld van de bebouwing.
KLEUR, MATERIAAL EN DETAILLERING:
Geen felle kleuren, maar toepassing van rustige kleuren die passen in een groene woonomgeving. Bij voorkeur uitgaan van warme aardetinten (rood-roodbruin) of donkere tinten (mangaan). Wittinten passen tevens binnen de groene woonomgeving. Voor deze wittinten kan het metselwerk gekeimd worden of uitgevoerd in een lichte steen.
Er wordt gebruik gemaakt van basale materialen zoals bijvoorbeeld baksteen, hout, zink, glas. Voor de gevels ligt het gebruik van baksteen voor de hand. Metselwerk overheerst in het gevelbeeld.
Voor de dakbedekking worden in hoofdzaak pannen toegepast in een donkere kleur (antraciet, gesmoord blauw).
Plaatmaterialen, die duidelijk als zodanig herkenbaar zijn, zijn niet wenselijk.
Voor de gevelopeningen dient bij voorkeur te worden uitgegaan van de toepassing van hout voor kozijnen en deuren. Toepassing van materialen als kunststof en aluminium voor deurposten en kozijnen is toelaatbaar als deze qua maat, kwaliteit en uitstraling nauwelijks te onderscheiden zijn van houten kozijnen.
Zorg voor detailllering.
AAN- EN BIJGEBOUWEN:
Qua architectuur dienen de aan- en bijgebouwen ondergeschikt aan, maar in samenhang met het hoofdgebouw te worden ontworpen.
Situering van garages inpandig of minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn.
WEGEN
De nieuwe woonstraten in het plangebied kennen eenzelfde profiel als de woonstraten in het aangrenzende woongebied.
Rijbaan: donker asfalt met molgoten van lichtgrijze betonklinkers
Eenzijdige loopstrook: grijze betontegels van 30 x 30 cm.
Eenzijdige strook van parkeervakken van betonklinkers (middenvlak antraciet in een kader van heidepaars) omrings door bodembedekkers, danwel een groenstrook met daarin eventueel langsparkeren op betonnen grasblokken.
PARKEREN
Parkeren vindt zoveel mogelijk plaats op eigen terrein. Aan de zijde(n) van de woonstraten waar zich woningen bevinden wordt tevens voorzien in langsparkeren in zowel separate parkeervakken als op straat.
Voorzover parkeren in de groenstroken gesitueerd wordt, wordt dit versterkt met grasblokken.
Wanneer binnen het ensemble ‘randen woongebied’ gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid voor vestiging van beroep of bedrijf aan huis, dan wordt het hiervoor benodigde parkeren op eigen terrein opgelost.
Bij percelen, breder dan 15 m, worden in ieder geval 2 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd.
Bij verdichting van het woningbouwprogramma in de vorm van rijenwoningen, zal het extra benodigde parkeren op eigen terrein worden opgelost in de vorm van parkeren op het achtererf / binnenterrein.
VERLICHTING/STRAATMEUBILAIR
Lichtarmaturen en overig straatmeubilair dient aan te sluiten bij het meubilair in de wijk ten zuiden van het plangebied.
ERFAFSCHEIDINGEN (GRENS PRIVÉ - OPENBAAR)
De nadruk ligt bij erfafscheidingen op het groen.
Aan de zij- en achterzijden, voor zover deze aan de openbare ruimte grenzen, worden hagen of beplanting toegepast eventueel aangevuld met hekwerken met groen of gemetselde muren als voortzetting van de woning.
Grove bouwmaterialen als houten schermen, betonschuttingen of B2-blokken zijn niet toegestaan.
De toepassing van inheemse hagen wordt aanbevolen (beukenhaag, haagbeuk, liguster, taxus e.d.).
GROEN
In het stedenbouwkundig plan voor de wijk Startebos is voorzien in groene scheggen langs de noordzuid gerichte straten, waarmee groene verbindingen tussen Meijel en het bosgebied gemaakt worden. Centraal in fase 3 wordt een strook met waardevolle tamme kastanjes en esdoorns gehandhaafd.
Overige groenzones bestaan uit gras met informeel geplaatste bomen.
Het bestaande groen aan de noordwestzijde van fase 3, wordt gehandhaafd als afscherming naar de bestaande percelen rond het woongebied.
De bestaande groene afscherming aan de noordwestzijde wordt uitgegeven als onderdeel van de kavel/tuinen en dient door de eigenaar in stand worden gehouden.
De ontwikkeling De Hoek in Meijel gaat de tweede fase in. De vraag naar woningen blijft onverminderd groot en de doelstelling is om vraag en aanbod van woningen met elkaar in balans te brengen ten behoeve van vitale gemeenschappen. De behoefte aan betaalbare woningen in een mix aan woningentypen voor starters, jonge gezinnen en levensloopbestendige woningen zijn van groot belang in deze opgave. Ook wel: ‘de juiste woning op de juiste plek met de juiste kwaliteit’.
Naast de woningtypologie is de woonomgeving van groot belang. Een groene omgeving waar bewegen en zorgen voor elkaar wordt gestimuleerd, bestaande kwaliteiten worden behouden en ruimte bieden voor verdere versterking met het oog op de toekomst. De klimaatadaptieve opgave en een duurzame woonomgeving zijn daarbij van groot belang zoals gesteld in de ‘Omgevingsvisie Peel en Maas’ (5 juli 2022).
Het totale ontwikkelingsgebied voor De Hoek fase 2, beslaat ongeveer 5,5 hectare en bevindt zich ten oosten van de kern Meijel. Het ontwikkelingsgebied ligt op de overgang tussen kern en buitengebied van Meijel. Het gebied heeft een agrarische bestemming en ligt tussen de Steegstraat, Kransakker, Steenkampseweg en Jan Thijssensteeg.
De ontwikkeling van De Hoek Fase 2 is een vervolg op de eerdere ontwikkeling van de naastgelegen gerealiseerde wijk De Hoek fase 1. De ontwikkelingen sluiten op elkaar aan, waarbij er voor fase 2 gezocht is naar diversiteit en kwaliteiten zonder de eenheid uit het oog te verliezen.
Naast de ontwikkeling van De Hoek fase 2, maakt ook de ontwikkeling van 4 bouwkavels voor vrijstaande woningen aan de noordzijde van de Steegstraat onderdeel uit van het plangebied. Hoewel dit beeldkwaliteitsplan hoofdzakelijk is opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling van De Hoek fase 2, zijn de betreffende bouwkavels wel meegenomen in dit beeldkwaliteitsplan.
De belangrijkste ambitie voor de Hoek fase 1, doorgevoerd in fase 2, is om een dorpse woonbuurt te creëren, passend bij Meijel.
Dit beeldkwaliteitplan geeft voor de ontwikkeling van de locatie De Hoek fase 2 en de woningen aan de noordzijde van de Steegstraat, in woord en beeld aan hoe dit voor elkaar te krijgen. Op verschillende schaalniveaus geeft het de uitgangspunten aan voor het te ontwikkelen stedenbouwkundige en architectonische ontwerp. Het is daarbij een op locatie en situatie afgestemd referentiekader voor de architectonische en stedenbouwkundige vormgeving op weg naar realisatie en instandhouding.
Veel ruimtelijke aspecten, hoogte, situering van bebouwing, ontsluiting en groen, zijn geregeld in het omgevingsplan. Het beeldkwaliteitplan geeft kaders aan voor de verschijningsvorm van de bebouwing en de buitenruimte (openbare ruimte en overgang openbaar-privé) in het plangebied. Het beeldkwaliteitplan gaat in op zaken als sfeer en kleur- en materiaalgebruik.
Dit beeldkwaliteitplan wordt gebruikt als toetsingskader voor de verdere uitwerking en de beoordeling van de bouwplannen door de ARK.
Het plandeel voor de ontwikkeling van De Hoek fase 2, bestaat uit agrarische gronden (weiden) en is gelegen ten zuidoosten van de kern Meijel in de gemeente Peel en Maas. De locatie is ingesloten tussen de kern aan de westzijde (fase 1) en het agrarisch buitengebied van Meijel aan de oostzijde. Voor het plandeel aan de noordzijde van de Steegstraat geldt dat dit onderdeel uitmaakt van het ter plaatse gevestigde glastuinbouwbedrijf en bestaat uit een containerveld.
Karakteristiek zijn de omsluitende wegen, die zorgen voor de kenmerkende kamerstructuur binnen het landschap. De noordelijke plangrens is de Steegstraat, waaraan de woningen van oudsher deel uitmaken van het historisch woonlint, met zijn uitloper vanuit het hart van de kern Meijel naar het agrarische buitengebied. Landschappelijk is het lint begeleid door een volwassen laanbeplanting. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Steenkampseweg, een zandweg met een waardevolle Eikenlaan met voor het grootste deel een onderlaag van struweel. Dit zorgt voor een duidelijke afscherming, geslotenheid en groene buffer tussen de toekomstige uitbreiding van fase 2 en het open agrarische landschap aan deze zijde. De zuidelijke grens wordt gevormd door de Jan Thijssensteeg, een smalle weg waaraan enkele ruim opgezette woningen en boerderijwoningen liggen. Ter hoogte van het plangebied stopt de bebouwing en staat een dubbele eikenlaan die aansluit op de Steenkampseweg. Een groot deel van deze eikenlaan is nieuwe aanplant en maakt onderdeel uit van de compensatieopgave van fase 1 voor het creëren van een landschappelijke kamer aan deze zijde.
Ook in het plangebied vormen enkele belangrijke landschappelijke elementen de basis voor de verdere uitwerking van fase 2. Aangebrachte landschappelijke structuren met bijbehorende recreatieve structuren vanuit fase 1, in aansluiting op de kern en het buitengebied maken onderdeel uit van de gebiedsverdeling. Tussen de Kransakker (fase 1) en de Steenkampseweg, centraal in het plangebied ligt een landschappelijke zone met wandelpaden, begroeide grondwal, bomen/beplanting en waterstructuur. Deze groene zone zorgt voor de groene dooradering en draagt bij aan de ecologische- en klimaatopgave, in aansluiting op het omringende landschap. Een ander element is de noord-zuid gerichte groenstructuur die hier weer op aansluit met struweelbeplanting en pad op de ‘weiderand’ in aanhaking op de Jan Thijssensteeg. Elementen uit fase 1 waarop wordt voortgeborduurd in fase 2.
De ambitie voor fase 1 op structuurniveau was een dorpse woonbuurt waar we in fase 2 op aan sluiten. Dit betekent onderscheidende en afwisselende woonstraten met mooie hoekverdraaiingen en eindzichten, met een ontspannen en afwisselende opzet in de verkaveling waarbij een aantrekkelijk beeld wordt opgeroepen.
Een groene openbare ruimte, met zo min mogelijk verhard oppervlak en een duidelijke aansluiting op de grote groen gebaren uit de eerste fase is gecreëerd. In fase 2 is gezocht naar een duidelijke aanhechting aan het beeld van fase 1, het interne landschap en de kwaliteiten en diversiteit van het omringende landschap. De beeldkwaliteit en de bijbehorende materialisatie van de openbare ruimte sluiten aan op fase 1.
Vanuit de landschappelijke context bestaat het plangebied oorspronkelijk uit gebieden die afwisselend open en gesloten waren en een kamerstructuur vormden in het landschap.
Aan de Jan Thijssensteeg met het aanbrengen van een open laanstructuur met doorzichten en aan de Steenkampseweg middels laanbeplanting, enigszins gesloten van karakter door de versterking van de onderlaag met struweelbeplanting. Naast landschap, vormt water een belangrijke opgave. Een zichtbare en beleefbare waterstructuur betekent dat er duidelijk rekening gehouden is met het karakter van het landschap, bodem, hoogteverloop en de aansluiting op omringende structuren. Het gebied loopt af richting de Steenkampseweg en sluit voor wat betreft waterstructuur aan op de omringende slotenstructuur in de zuidwestelijke hoek van het plangebied en de landschappelijke zone. De bereikbaarheid van het omringende landschap en een robuust watersysteem vormen een basis in fase 1 waarop nu wordt aangesloten.
De paden op de randen van de agrarische erven, door de landschapszone heen en in aanhaking met de omringende padenstructuren, gekoppeld aan heldere en functionele waterstructuren, zorgen voor een duidelijke meerwaarde voor de gehele kern van Meijel. Het kenmerkende landschap is altijd dichtbij, bereikbaar en beleefbaar. De afwisseling in het open en gesloten karakter, heldere en functionele structuren en de toegankelijkheid van de aantrekkelijke omgeving vormen ook in De Hoek fase 2, de basis voor de verdere stedenbouwkundige planvorming
De ambitie en beoogde sfeer voor de nieuwe woonwijk De Hoek fase 2 in Meijel is groen wonen nabij of in het waardevolle landschap. Binnen het plan is een driedeling te herkennen:
Het plan voorziet in een diversiteit aan woningtypes, die geplaatst zijn in een groene en aantrekkelijke omgeving. In het plan zijn er voldoende groenvoorzieningen aanwezig, zowel op wijkniveau als straatniveau. Binnen de groenvoorzieningen zijn er mogelijkheden voor zichtbare en beleefbare waterberging en de ontwikkeling en versterking van afwisselende en robuuste structuren.
De groene structuren vormen de kaders voor de verdere ontwikkeling van de woonomgeving. Volwassen bomen langs de bestaande wegen en een dooradering van het plangebied met groen-blauwe zones met biodiverse beplanting, ecologisch beheer en een bijbehorende uitstraling. Groen-blauwe zones met daaraan gekoppeld natuurlijke en avontuurlijke speelaanleidingen waarbij klimaat, ecologie en beleving hand in hand gaan. Door structuren aan elkaar te koppelen wordt ervoor gezorgd dat belangrijke, groene plekken in de omgeving en het omringende landschap altijd dichtbij, beleefbaar en eenvoudig te bereiken zijn.
Een duurzaam plan, gericht op de toekomst, gaat daarnaast gepaard met minimale verharding. Deze wordt beperkt tot alleen het functioneel nodige en voor de rest staat de openbare ruimte vooral in het teken van groen en ruimte voor water, beleving en ontmoeting. Deze sfeer zal door het hele plan terugkomen en centraal staan. Het dorpse, groene en informele woonmilieu sluit aan bij het dorpse karakter voor wat betreft maat en schaal en komt terug in de stedenbouwkundige structuuropzet en de verkaveling. Het omringende landschap en de groene opzet vormen de dragers van het plan. Een gebied met een eigen identiteit, passend bij de kern Meijel en in goed contact met het waardevolle buitengebied.
De beleving vanuit het landschap en naar het landschap toe zijn van groot belang. Fase 2 van het plan vormt na realisatie de nieuwe dorpsrand van Meijel. Hierbij is de beleving van de woonbuurt vanuit het landschap van groot belang. Zo is een zachte en groene dorpsrand wenselijk, vanuit het open agrarische gebied ten oosten van de Steenkampseweg. De laanbeplanting, met aan de westzijde een onderbegroeiing, zorgt reeds voor een landschappelijk gesloten rand, waardoor het plan zich naar binnen richt. Door deze coulisse is de openheid van het landschap ten oosten van Meijel versterkt. De landschappelijke rand wordt verder versterkt en verruimd, zodat de Steenkampseweg als een vrij element in het landschap blijft liggen. In deze zone vindt waterberging plaats en verdere versterking van het struweel, om een antwoord te bieden aan ecologie, klimaatopgave en biodiversiteit. Er ontstaat zo een vriendelijk, functioneel en beleefbaar dorpslandschap.
Aan de zuidzijde grenst het plan aan het kleinschalige dorpscluster op het hoger gelegen esdek. Aan de Jan Thijssensteeg staat enige lintbebouwing op ruime groene kavels. In de overgang van het plan naar de Jan Thijssensteeg wordt de kleinschaligheid van het landschap verder versterkt door het aanbrengen van houtsingels en een slotenpatroon met struinpaden haaks op de Jan Thijssensteeg. Hierdoor ontstaat een transparant zicht op de nieuwe dorpsrand. Een veldpad op de rand van de brede struweelrand vanaf de Jan Thijssensteeg vormt de verbinding voor de voetganger om het woongebied te betreden en een rondgang te maken door het omringende landschap. Het pad sluit aan op het groenblauwe hart van het totale plan (fase 1 en fase 2) en de naar buiten gerichte waterbergende zone, in aansluiting op de Steenkampseweg en het agrarisch landschap.
De groenblauwe structuren in de woonwijk en het verloop richting het landschap zijn van groot belang. De twee woongebieden worden gescheiden door een robuuste groenblauwe structuur met wandelpaden die zorgen voor fysieke verbindingen met de omgeving.
Het plan is daarom grofweg verdeeld in twee gebieden met elk een eigen karakter:
een noordelijk deel met traditioneel wonen aan het lint en dorps wonen in de wijk;
een zuidelijk deel met meer eigentijdse woonvormen, zoals dorps wonen in de wijk (deels wonen aan het hof) en landschappelijk wonen in het groene landschap.’
Het meest noordelijke gedeelte van het plan sluit aan op het bestaande historische woonlint aan de Steegstraat. Dit lint wordt in de nieuwe wijk doorgezet, waarmee het aansluit op de bestaande situatie. De woningen krijgen hier dezelfde stijl en positie als vanouds: dorps, boerderijachtige woningen, wisselende gevellijnen op ruime afstand van de kavelgrens en een afgestemde diversiteit van materiaal en kleurgebruik. Op de Steegstraat wordt voor fase 2 een nieuwe verkeersaansluiting gerealiseerd. Ter versterking van de structuur van het totale plan “De Hoek” en het creëren van een eenheid in het totale plan, is een heldere ringstructuur vormgegeven. De hoofdroute door fase 1 en 2 vormt de kralensnoer welke de twee deelgebieden met elkaar verbinden en waarop de overige woonstraten worden aangesloten. Ter plaatse van de centrale groenblauwe zone is een knip aanwezig voor het gemotoriseerd verkeer zodat de groene zone als een kenmerkende as niet onderbroken wordt. Voor het langzaamverkeer is wel een doorgaande route aanwezig is.
Achter het woonlint aan de Steegstraat ligt het dorpse wonen. Een stedenbouwkundige opzet met informeel karakter. Een duidelijke hoofdroute vormt de basis met daaraan gekoppeld de woonstraten. Het openbare profiel is ruim opgezet met veel groen en weinig verharding. Langs de hoofdverbinding ligt aan één zijde een trottoir met een groenstrook voor parkeren en beplanting en aan de andere zijde van de rijbaan is een royale ruimte voor groen en begeleidende bomen, rekening houdend met kabels en leidingen. Parkeren vindt voor het grootste deel plaats in koffers waardoor het straatbeeld zijn groene en informele karakter behoudt.
Het centrale deel van het plangebied is aangesloten en ontsloten aan de hoofdroute door de wijk. In deze zone bestaat de bebouwing uit een grote afwisseling van bebouwingstypen die zorgen voor een gedifferentieerde inrichting en aansluiting op de woonvraag. Het oostelijke deel bij de Steenkampseweg ligt op enige afstand van het landschap. Om de afwatering richting de randzone voor elkaar te krijgen, is de wegenstructuur gericht op deze zone. Een korte doodlopende structuur en een kleinschalige lusstructuur zorgen hiervoor en maken de straten verkeersluw. In combinatie met doorsteken voor de voetganger op de Steenkampseweg zorgt dit voor een heldere structuur en een goede toegankelijkheid naar het omringende landschap.
Het zuidelijke deel van fase 2 wordt ontsloten via de eerder gerealiseerde woonbuurt, De Hoek fase 1. Tot aan de centrale groene as wordt de bestaande rand met gemengde vrijstaande en half vrijstaande woningen doorgezet. Achter deze woningen, ingeklemd tussen de strook met struweelbeplanting aan de westzijde en aan de zuidzijde, ligt een woonhof met een besloten karakter en vormgegeven als plek met eigen sfeer. Het woonhof is naar binnen gericht en afgeschermd door de groene omlijsting.
Ten oosten van de brede struweelzone staat juist de openheid centraal en de uitloop in het landschap. Een bijzondere woonvorm met woningen in het landschap zorgen voor openheid en transparantie. De woningen staan hier in groepjes van maximaal 3 bij elkaar, als losse elementen in het vrij toegankelijke landschap. De plek vraagt om een bijzondere architectuur, aansluitend op de plek en een goede overgang van de kavel (privé) naar het landschap (openbaar).
De beeldkwaliteit van de bebouwing staat in het teken van een dorpse uitstraling en een bijzonder woonmilieu in of aan het landschap, in een groene klimaatbestendige omgeving. De beeldkwaliteit is passend bij Meijel en sluit aan op de gerealiseerde fase 1. Woningopzet en architectuur van de bebouwing geven hierbij uitdrukking aan het dorpse en landelijke gevoel.
De eenvoudige opzet van landelijke rechthoekige volumes met hoofdzakelijk een kap vormen de basis voor het bouwblok in de wijk en aan het lint.
Stedenbouwkundige accenten kunnen op allerlei manieren worden vormgegeven door subtiele accenten, in kleur- of materiaalgebruik. Te sterke afwijkingen doen afbreuk aan de gewenste rustige en eenvoudige sfeer in een dorpse setting.
Het dorps woonlandschap is opgebouwd uit eenvoudige, enkelvoudige volumes, afgedekt met zadeldaken. Varianten op het standaard zadeldak helpen om maat en schaal te geven: bijvoorbeeld met een doorlopende kap tot aan de eerste verdieping of door het toevoegen van aangekapte horizontale dakkapellen. Dit maakt tevens diversiteit en individualiteit in de ruimtelijke beleving mogelijk, zowel binnen als buiten de woningen. Bovendien geeft dit invulling aan afzonderlijke wensen in de woningplattegronden.
De eenvoud van de enkelvoudige volumes wordt onderstreept door overstekende dakranden met onopvallende goten. Eenvoudige en ‘individuele’ architectuur vraagt vakmanschap in de detaillering en om de toepassing van duurzame materialen. Dat wil zeggen mooie materialen met een natuurlijke uitstraling, zoals: baksteen, hout, riet en dakpannen.
Het wonen in het landschap vraagt als bijzonder woonmilieu om een andere beeldkwaliteit. De woningen bestaan uit ingetogen, rechthoekige samengestelde volumes met platte daken. De woningen zijn opgebouwd uit natuurlijke materialen welke opgaan in het landschap en van waaruit het landschap beleefbaar is. De afwisseling in open- en geslotenheid in de gevels is daarbij van zeer groot belang, evenals de overgang tussen bebouwing, kavel en landschap.
In het plan zijn een drietal woongebieden te onderscheiden met ook een duidelijk onderscheid in bebouwingstypologie.
Voortzetting bestaande beeldkwaliteit Bolakker
Wonen aan het lint
Duidelijke relatie met de aangrenzende te begeleiden openbare ruimte
Individueel en gevarieerd wonen
Oriëntatie van het bouwblok gericht op lint
Verspringende rooilijnen
Groene voor- en zijtuinen als overgang naar het openbare gebied
Landelijke woningtypen, in een eigentijdse vertaling
Geïnspireerd op de kenmerkende oude woonlinten met boerderijwoningen, landelijke en dorpse bebouwing
Baksteen vormt de basis van de woning en sluit aan bij de oorspronkelijke woningtypes in het lint
Dorps wonen in de wijk
Kleinschalige woonvormen in maat en schaal
Individueel, ingetogen en gevarieerd wonen
Maar toch rust en eenheid
Oriëntatie van het bouwblok gericht op de woonstraat of de plek
Groene voor- en zijtuinen als overgang naar het openbare gebied
Hoofdzakelijk woonvormen met een kap
Baksteen vormt de basis van de woning en sluit aan bij de gerealiseerde fase 1
Landschappelijk wonen in het groen
Solitaire woonblokken in het landschap
Maximaal 3 geschakelde eenheden (woningen)
Duidelijke dooradering met groene en open ruimte tussen de bouwblokken
Bouwblok en landschap vormen een duidelijke eenheid
Bouwblokken zijn alzijdig en gericht op het landschap
Bijzondere woonvorm, opgaand in het landschap
Baksteen vormt de basis van de woning en sluit aan bij de gerealiseerde fase 1
Bijgebouwen zijn geïntegreerd in het ontwerp en de hoofdvorm
In de opzet van het plan is de nabijheid en karakteristiek van het omringende landschap leidend. Een duidelijke tweedeling in het plan. Een centraal deel bestaande uit wonen in de wijk en in de zuidoostelijke hoek wonen in het landschap. Dit komt terug in de karakteristiek van de plek en de stedenbouwkundige kenmerken en geven beiden op een andere manier antwoord op het landschap.
In de centrale wijk is de nabijheid van het landschap verweven in de diverse zichtlijnen en verbindingen naar de groene plekken in het plan in aansluiting op het omringende landschap. De inrichting van de groene, landschappelijke omlijsting aan de randen van het plangebied benadrukken dit nogmaals in hun karakteristiek. De zichtlijnen en verbindingen zijn helder verweven in het straatpatroon en de inrichting van de openbare ruimte. De inrichting met vrije elementen is mogelijk. Juist de ervaring in afwisseling van bij- en vergezichten en hoekverdraaiingen in het stratenpatroon zorgt voor de spanning en de kleinschaligheid in de dorpse setting van het plan.
De beleving van de afzonderlijke plekken binnen het plan zijn van belang. Samenhang tussen de plek en tegenovergelegen woning en de gerichtheid van het bouwblok en de woning aan een bijzondere ruimte, zorgen voor een versterking van de ruimte en geven duiding aan de plek. De beleving van de wijk wordt mede bepaald in de openbare ruimte, waarbij de gevels zorgen voor het decor in de openbare ruimte. Op bijzondere hoeken aan de openbare ruimte zijn dubbele oriëntaties en/of bijzondere accenten, zoals erkers, raampartijen en dakverspringingen, vereist. Ook zijn er ruimtes die duidelijk worden omsloten en begeleid. Hierbij geldt dat er sprake moet zijn van samenhang en accentuering van deze openbare ruimtes, om extra karakter te geven aan de plek.
Bij het landschappelijk wonen is het landschap daadwerkelijk dichtbij. De woningen zijn gesitueerd in het landschap waarbij transparantie en groene dooradering van groot belang zijn. De overgang van de woning en het private kavel naar het openbare landschap moet zorgvuldig worden vormgegeven. De afwisseling van openheid en geslotenheid is daarbij een duidelijke opgave. Wonen in het landschap betekent dat de grenzen enigszins vervagen en dat de woning en het kavel opgenomen worden in het landschap en een eenheid vormen met het landschap. Dit in tegenstelling tot het wonen in de wijk waar je vooral aan een ruimte woont en het bouwblok de ruimte begeleidt en de coulisse vormt.
De diversiteit in het plan wordt ook bereikt door de verschillende woningtypes. Elk woningtype heeft een andere plattegrond en een andere relatie met de openbare ruimte, afgestemd op de plek.
Ook binnen woningtypes komt grote diversiteit voor in de uiterlijke verschijningsvorm. De woningen zijn vooral gericht op gedeelde eenheid en rust in het woongebied met ieder zijn eigen individuele kenmerken in het toekomstige straatbeeld.
Het wonen in het landschap bestaat uit geschakelde woningen. Bij het landschappelijk wonen is het van belang dat alle gewenste functies onderdeel uitmaken van het bouwblok. Dit betekent dat bergingen en carports onderdeel uitmaken van de ontwerpopgave van het totale bouwblok en geen losse en/of losstaande elementen op de kavel zijn.
De oriëntatie van de bouwblokken en de afzonderlijke woningen is gericht op de weg of op de ruimte waar ze aan grenzen. Ze ondersteunen de hoekverdraaiingen in het straatbeeld en zorgen voor de coulisse werking in zowel de straat als aan de groene ruimte. Op de hoeken waar de woningen of een bouwblok met de voorzijde en zijgevel grenzen aan wegen, hebben deze een dubbele oriëntatie.
De geschakelde woningen in het landschap zijn daarentegen vrijelijk georiënteerd en staan versprongen ten opzichte van elkaar. De relatie van de woningen met het omringende landschap is van groot belang. De oriëntatie van het bouwblok is daarbij meerzijdig.
MAAT EN SCHAAL
Minimum en maximum maten bouwwerken conform omgevingsplan
Eén - of anderhalve laag met kap
Grote variatie in maatvoering kavels
Een compositie van vrijstaande woningen welke individualiteit uitstralen
Elk hoofdgebouw en aan- en bijgebouwen vormen een architectonische eenheid
VORM EN GEBAAR
Eenvoudige afzonderlijke volumes
Woningen stralen individualiteit uit
Hoofdbouwblok, aanbouw en eventuele bijgebouwen staan centraal op de kavel en niet in de zijdelings perceelsgrens zodat individualiteit op de kavel gegarandeerd blijft
Diverse kapconstructies mogelijk, maar geen platte daken en lessenaarsdaken
Dakkapellen zijn mogelijk en maken duidelijk onderdeel uit van de architectuur van het geheel
STIJL EN DETAIL
Landelijk, geïnspireerd op dorpse/landelijke woningtypen in een eigentijdse vertaling
Rustige individuele architectuur, geen kopieën
Eenvoudige massa’s met aandacht voor details, stijlkenmerken die verwijzen naar landelijk wonen (zoals bijvoorbeeld de (aangekapte) dakkapel en versieringen in de gevel middels afwijkende metselverbanden.
Geen schreeuwende kleuren
MATERIALISERING
De basis wordt gevormd door metselwerk Zand- en aardkleurige tinten (rood, bruin, beige)
Geen gestucte gevels
Dakpannen en/ of rietgedekt
Accenten en detaillering dienen uitgevoerd te worden in natuurlijke materialen zoals hout of mooie glazen openingen in de gevel
Het aantal verschillende materialen dient beperkt te worden om een rustig omgevingsbeeld te behouden
RELATIE OPENBARE BUITENRUIMTE
Verspringing rooilijnen, hoofdrichting bouwblok en accenten (hoogte, vorm, dakrichting) afgestemd in relatie tot wonen aan het lint
Rooilijn enigszins naar achteren geplaatst op het perceel afgestemd op de kroonprojectie van de bestaande bomen in het lint
Hoekwoningen hebben een dubbele oriëntatie van de voor- en zijgevel door middel van zichtbare gevelopeningen (ramen of deur) welke zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Ter plaatste van de zijgevel een zijtuin met lage haag
MAAT EN SCHAAL
Minimum en maximum maten bouwwerken conform omgevingsplan
Eén - of anderhalve laag met kap
Grote variatie in maatvoering kavels
Een compositie van vrijstaande woningen welke individualiteit uitstralen
Elk hoofdgebouw en aan- en bijgebouwen vormen een architectonische eenheid
VORM EN GEBAAR
Eenvoudige afzonderlijke volumes
Woningen stralen individualiteit uit
Hoofdbouwblok, aanbouw en eventuele bijgebouwen staan centraal op de kavel en niet in de zijdelings perceelsgrens zodat individualiteit op de kavel gegarandeerd blijft
Diverse kapconstructies mogelijk, maar geen platte daken en lessenaarsdaken
Dakkapellen zijn mogelijk en maken duidelijk onderdeel uit van de architectuur van het geheel
STIJL EN DETAIL
Landelijk, geïnspireerd op dorpse/landelijke woningtypen in een eigentijdse vertaling
Rustige individuele architectuur, geen kopieën
Eenvoudige massa’s met aandacht voor details, stijlkenmerken die verwijzen naar landelijk wonen (zoals bijvoorbeeld de (aangekapte) dakkapel en versieringen in de gevel middels afwijkende metselverbanden.
Geen schreeuwende kleuren
MATERIALISERING
De basis wordt gevormd door metselwerk Zand- en aardkleurige tinten (rood, bruin, beige)
Geen gestucte gevels
Dakpannen en/ of rietgedekt
Accenten en detaillering dienen uitgevoerd te worden in natuurlijke materialen zoals hout of mooie glazen openingen in de gevel
Het aantal verschillende materialen dient beperkt te worden om een rustig omgevingsbeeld te behouden
RELATIE OPENBARE BUITENRUIMTE
Verspringing rooilijnen, hoofdrichting bouwblok en accenten (hoogte, vorm, dakrichting) afgestemd in relatie tot wonen aan het lint
Rooilijn enigszins naar achteren geplaatst op het perceel afgestemd op de kroonprojectie van de bestaande bomen in het lint
Hoekwoningen hebben een dubbele oriëntatie van de voor- en zijgevel door middel van zichtbare gevelopeningen (ramen of deur) welke zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Ter plaatste van de zijgevel een zijtuin met lage haag
MAAT EN SCHAAL
Minimum en maximum maten bouwwerken conform omgevingsplan
Eén -, anderhalve - of twee lagen met kap
Enkele woningen met platte daken mogelijk in aansluiting op fase 1
Grote variatie in maatvoering kavels
Een compositie van verspreid gesitueerde vrijstaande, twee-onder-een-kap woningen en enkele korte blokken met rijenwoningen welke individualiteit uitstralen (gemengd programma)
Een rijwoning bestaat uit niet meer dan 6 aaneengebouwde woningen.
Elk hoofdgebouw en aan- en bijgebouwen en overige toevoegingen vormen een architectonische eenheid
VORM EN GEBAAR
Hoofdmassa bestaat uit een eenvoudig volume
Diverse kapconstructies mogelijk, maar geen lessenaarsdaken en platte daken
STIJL EN DETAIL
Landelijk, geïnspireerd op dorpse/landelijke woningtypen in een eigentijdse vertaling
Rustige individuele architectuur, geen kopieën wel familiair
Eenvoudige hoofdmassa’s met aandacht voor toevoeging van details, stijlkenmerken die verwijzen naar landelijk wonen (zoals bijvoorbeeld de (aangekapte) dakkapel, versieringen in de gevel middels accentuerende rollagen in het metselwerk, versieringen op kopse gevels door een ‘uitgetimmerde’ draagconstructie)
MATERIALISERING
Zandkleurig metselwerk (zie fase 1) vormt de basis voor de materialisering
Dakbedekking bestaat uit pannen en zijn grijs /antraciet van kleur
Detaillering met duurzame materialen die mooi verouderen zoals hout en zink
Het aantal verschillende materialen dient beperkt te worden om een rustig omgevingsbeeld te behouden
RELATIE OPENBARE BUITENRUIMTE
Verspringende rooilijnen, hoofdrichting bouwblok en accenten (hoogte, vorm, dakrichting) afgestemd in relatie tot: Wonen aan de woonstraat / groene ruimte / hof
Begeleidend, accentuerend aan een openbare plek
Hoekwoningen hebben een dubbele oriëntatie van de voor- en zijgevel door middel van zichtbare gevelopeningen (ramen of deur) welke zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte Zijtuin met lage haag ter plaatse
3 Landschappelijk wonen in het groen
MAAT EN SCHAAL
Minimum en maximum maten bouwwerken conform omgevingsplan
Bouwblok samenstelling van één -, anderhalve - en twee lagen
Een compositie van verspreid gesitueerde samengestelde bouwblokken
Door de samengestelde vorm zijn de bouwblokken divers
Een bouwblok bestaat uit niet meer dan 3 aaneen gebouwde, samengestelde woningen
De lengte wordt doorbroken door de samenstelling in de vorm
Elk hoofdgebouw en aan- en bijgebouwen vormen een architectonische eenheid
Bergingen en overkappingen maken onderdeel uit van het samengestelde bouwblok
Geen losse, gebouwde elementen op de kavel toegestaan
VORM EN GEBAAR
Eenvoudige, samengestelde rechthoekige volumes
Platte daken
In samenstelling veel verspringingen in hoogte en voor en achter plaatsing van volumes
Geen lange doorgaande rechtstanden Doorbreking door voor en achter plaatsing op de begane grond
Geen lange horizontale lijnen in de tweede bouwlaag door koppeling van volumes Lucht / doorkijk tussen de volumes op de tweede bouwlaag tussen de afzonderlijke woningen
Veel openheid in gevels alom, als contact en gebaar naar het omringende landschap
STIJL EN DETAIl
Moderne, maar rustige woonblokken in het landschap
Rustige, rationele, lineaire architectuur in samengestelde eenheden
De woonblokken vormen een eenheid in materiaal en kleurgebruik maar zijn door de vormentaal als samengesteld bouwblok individualistisch
Eenvoudige massa’s met aandacht voor details in het metselwerk, detaillering in de overgang van volumes en de verdiepingsranden
Kenmerkende rechthoekige raampartijen in de gevels zorgen voor transparantie en versterken het contact met het landschap
MATERIALISERING
Gemêleerd zandkleurig metselwerk, opgaand in het groen is de basis voor de materialisering
Eventueel groene daken
Alle woningen hebben dezelfde materialisering en kleurgebruik Het aantal verschillende materialen dient beperkt te worden om een rustig omgevingsbeeld te behouden
DETAILLERING
Toevoegingen van duurzaam hout welke mooi vergrijst, afgestemd op de toegepaste steen
Stalen elementen in antraciet, grijs welke de belijning en diepte in de gevels accenturen
Kozijnen en deuren in donkergrijs
Deuren gaan op in de houten gevel in dezelfde materialisering
Kozijnen ten behoeve van raampartijen in antraciet, grijs of vallen weg door overlapping door de houten gevel
Zonnecollectoren op het dak integreren, installaties (o.a. warmtepomp) integreren in ontwerp of weggewerkt op maaiveld Niet direct zichtbaar vanaf de openbare ruimte
RELATIE OPENBARE BUITENRUIMTE EN LANDSCHAP
Direct contact tussen woning, perceel en het omringende landschap staat voorop
Woningen hebben een alzijdige oriëntatie door middel van transparantie in de gevels die het contact met het omringende landschap versterken
Extravert
Geen gesloten gevels
Variatie in: rooilijnen, hoofdrichting bouwblok en accenten (hoogte, vorm, verdraaiing bouwblok)
Percelen zijn omgeven door een lage erfafscheiding passend in het landschap (max 1.20 m) en er is direct contact vanaf het perceel met het omringende landschap en
vice versa
De woningen in het verlengde van de Bolakker fase 1 sluiten aan op de beeldkwaliteit uit fase 1, met onderstaand enkele toevoegingen:
Vrijheid in woningen met kap of platte daken Eén -, anderhalve - of twee lagen met kap, geen lessenaarsdaken
Woningen met platte daken bestaan uit een samengesteld volume wat betekent volumes van 1 en 2 lagen
Woningen met platte daken hebben oog voor detail Verspringingen in de gevel
Verspringingen in hoogte
Openheid in de gevel door raampartijen
horizontale en verticale stijlelementen ter accentuering
Hoekwoning heeft een dubbele oriëntatie van de voor- en zijgevel door middel van zichtbare gevelopeningen (ramen of deur) welke zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte Zijtuin met lage haag ter plaatse
Gestucte gevels zijn mogelijk als deze samen gaan met een afwijkende beeldbepalende detaillering die gezamenlijk het totale karakter van de woning bepalen (dak, materiaal, kleur, overige elementen)
De projectmatige woningen en de woningen in het ‘hof’, sluiten aan bij het kleurgebruik van de gevelstenen uit fase 1 in gemêleerde zandkleurige tinten. Voor de vrije sector woningen aan het lint en Bolakker is meer mogelijk in het kleurgebruik zoals hier verwoord en verbeeld.
Om een traditioneel landelijke beeldkwaliteit te bereiken en aan te sluiten bij fase 1 maar ook vrijheid te bieden, is het belangrijk dat er een eenheid zit in de materialisering en het kleurgebruik. Hiervoor is onderstaand kleurenpalet opgesteld voor de woningen in het lint en in aansluiting op de gerealiseerde woningen in fase 1 aan de Bolakker. De basis van de woningen bestaat uit metselwerk in aarde tinten, welke verloopt van gemêleerde zandkleurige tinten (in aansluiting op fase 1) tot gemêleerde rood-bruine tinten, gecombineerd met zwarte dakpannen.
Daarnaast wordt ook ingezet op de toepassing van landelijke materialen zoals hout en riet in het lint. Bij houten toevoegingen wordt uitgegaan van aansluitende en niet schreeuwerige tinten met de te kiezen steenkleuren, of zijn grijstinten, bruingrijs/bruinzwart of zwart mogelijk.
Aan de Bolakker zijn ook andere materialen voor een meer moderne uitstraling toegestaan zoals stucwerk in samenhang met metselwerk en andere toevoeging zoals omschreven.
Duurzaamheid vormt een belangrijk onderdeel in het ontwikkelgebied De Hoek fase 2. Er worden maatregelen genomen om het gebied toekomst robuust te maken. Naast het toepassen van (fysieke) maatregelen is bewustwording bij de toekomstige bewoners ook een belangrijk aspect om de inrichting van de openbare ruimte in stand te houden. De ambities voor een duurzame ontwikkeling zijn de volgende:
Klimaatbestendigheid
Laat (regen)water infiltreren en houdt het vast
Bescherm kwetsbare functies en groen tegen hitte en droogte
Natuurinclusief/biodiversiteit
Streef naar een natuurinclusief gebied: integreer nestkasten, insectenhotels etc. in openbaar gebied en zorg voor een afwisseling in open en beschutte plekken
Maak ruimte voor volwassen bomen; zowel bij inpassen bestaande bomen als bij nieuwe bomen
Sluit aan op gebiedseigen beplantingssoorten, met voldoende variatie ten behoeve van de biodiversiteit
Zowel natuurlijk als gecultiveerd groen
Door te variëren in type overgangen ontstaat een informeel karakter
De nadruk ligt bij erfafscheidingen op aansluiting op de openbare ruimte op een een groene overgang, staan op privaat eigendom en dienen door de eigenaar in stand gehouden en onderhouden te worden
Grove bouwmaterialen als gemetselde muren (geen onderdeel van de architectuur zijnde), houten schermen, hekwerken en betonschuttingen zijn niet toegestaan als deze in het zicht zijn gesitueerd en grenzen aan de openbare ruimte
Beplanting bestaat uit inheemse soorten
ALGEMEEN DORPS WONEN IN DE WIJK
Voorzijde woning
De overgang voortuin (tot minimaal zijdelings de rooilijn) met openbaar gebied middels lage beukenhaag (eventuele gemengde haag)
Maximaal 1.00 meter
Achterzijde en zijdelings woning
De overgang achtertuin met openbaar gebied middels een beuken haag (eventuele gemengde haag)
Tussen de percelen niet direct in het zicht gaat de voorkeur uit naar een groene inheemse haag of anders hekwerk met beplanting
Maximaal 2.00 meter
DORPS WONEN IN DE WIJK, HOF IN AANSLUITING WEIDES
Een beukenhaag vormt altijd de overgang naar het openbare gebied
Voorzijde maximaal 1.00 meter, achterzijde en zijdelings 2.00 meter
Ter plaatse van de achterzijde van woningen grenzend aan de zone en in de overgang naar het landschappelijk wonen (zijdelingse perceelsgrens) wordt een landschappelijke erfafscheiding toegepast in de vorm van een struweelhaag op openbaar grondgebied bestaande uit inheemse soorten
LANDSCHAPPELIJK WONEN IN DE ENTREEZONE
De beeldkwaliteit van de erfafscheiding bij de diverse afzonderlijke bouwblokken binnen de zone landschappelijke wonen is uniform
Er is hierbij de keuze tussen een lage landschappelijke (inheemse) haag, een laag schapenhekwerk met inheemse beplanting, een ‘stapelmuur’ van boomstammen of een stapelmuurtje van natuursteen passend in de omgeving en de mogelijkheid voor natuurinclusiviteit
De afscheiding is maximaal 1.20m hoog zodat voldoende privacy gewaarborgd is en tevens het contact met het landschap voelbaar is. De ligging in het landschap wordt hiermee benadrukt als overgang naar het openbare gebied
Gebouwde erfafscheidingen zijn meeontworpen in de architectuur van de woonblokken, hebben een natuurlijke uitstraling en gaan op in het omringende landschap
Standaard hekwerken en schuttingen niet passend bij een natuurlijke overgang naar het landschap zijn niet toegestaan
De beoogde sfeer van de nieuwe wijk is onlosmakelijk verbonden met de uitstraling en de daarbij behorende fysieke inrichting van de openbare ruimte, die aansluit bij de karakteristieke ligging en de inrichting in Meijel. Biodiversiteit en klimaatadaptatie zijn daarbij belangrijke opgaves in de openbare ruimte.
Wonen in een groene omgeving zorgt voor een prettige leefomgeving en geeft ruimte aan biodiversiteit en een klimaatbestendige omgeving. Groene beeldbepalende structuren en robuuste ruimte in het wegprofiel zorgen voor optimale condities om het groen ook daadwerkelijk tot wasdom te laten komen. Om meer ruimte aan het groen te geven en stenigheid tegen te gaan, worden wegbreedtes geminimaliseerd en vindt het parkeren voor het overgrote deel plaats op eigen terrein of ingepast in door groen omgeven parkeerhoven of kamers en het overige op grasbeton in aansluiting op fase 1.
In het gedeelte met dorpswonen in de wijk staat de vergroende straat of het wonen aan de groene ruimte voorop. Overal in de wijk heb je het gevoel dat groen en het omringende landschap nabij zijn. In de zuidelijk gelegen zone met landschappelijk wonen staat openheid en het directe contact met het landschap voorop. Het landschap is daarbij alom aanwezig, wat terug komt in de inrichting en beleving van de zone.
De basisopzet van de wijk is gerelateerd aan het principe dat de groene structuren en het omringende landschap altijd nabij zijn. Een duurzame koppeling is daarbij verkregen door de afwateringsstructuur integraal te koppelen aan de groene structuren richting de randen van het plangebied in aansluiting op het omringende open landschap. Middels korte lijnen vanuit de wijk is het landschap altijd nabij.
Wonen in een groene omgeving zorgt voor een prettige leefomgeving en geeft ruimte aan biodiversiteit en een klimaatbestendige omgeving. Groene beeldbepalende structuren en robuuste ruimte zorgen voor optimale condities om het groen ook daadwerkelijk tot wasdom te laten komen. Een robuuste groene hoofdgroenstructuur is daarbij van groot belang om vanuit de wijk de verbinding te leggen met de randen van de wijk en de omringende kwaliteiten. In deze verbindingen en randzones wordt ingezet op natuur, waterberging, recreatie en voor een gedeelte zelfs kleinschalig wonen in het landschap. De groene omzooming van het hele plan zorgt voor een doorlopende groenstructuur die overal in de wijk te ervaren is.
Al het hemelwater dat op de verharding valt, vindt zijn weg in een robuust, zichtbaar en beleefbaar watersysteem. Op de plekken waar ruimte is en in de randen van het open landschap, worden natuurlijk ingerichte wadi’s aangelegd, gekoppeld aan groen en beleven met een ecologisch beheer. Om de landelijke sfeer in de wijk te versterken worden natuurlijke materialen toegepast voor de inrichting van de buitenruimte en de (speel)objecten in de buitenruimte. Kenmerkend voor een dorps woonlandschap zijn de zorgvuldig ontworpen groene erfscheidingen daar waar deze grenzen aan het openbaar gebied.
Deze hoogwaardige landschappelijke en dorpse opzet van de openbare ruimte draagt in grote mate bij aan het onderscheidende karakter en het woongenot in de wijk.
HOOFAS, WOONSTRAAT
Informeel straatbeeld
Verhardingen geminimaliseerd
Zoveel mogelijk parkeren op eigen terrein
Overig parkeren op grasbeton
Aan de hoofdas minimaal een enkelzijdig volwaardig trottoir, overzijde groen
Bermen van biodiverse beplanting afgewisseld met eventueel gras
Bomen langs de hoofdas aan één zijde
In de overige woonstraten een strooiing aan bomen ten behoeve van het informele karakter
Rijbaan en trottoir in een gebakken klinkerverharding (idem fase 1)
Parkeren op grasbeton in aansluiting op fase 1
WOONPAD
Auto te gast
Geen parkeren aan het woonpad alleen in de parkeerkoffer
Verhardingen geminimaliseerd
Gebakken klinkerverharding (idem fase 1)
Parkeren op grasbeton (idem fase 1)
WOONPAD LANDSCHAPPELIJK WONEN
Auto te gast
Verhardingen geminimaliseerd
Rijbaan gebakken klinkerverharding (idem fase 1), eventueel volledig grasbeton / Grasklinker
Grasbetonstrook langs smalle rijbaan ten behoeve van toegankelijkheid
Parkeren op grasbeton (idem fase 1)
STRUINPAD
Paden passend in landschappelijke context
Paden in halfverharding aansluitend aan structuren fase 1
Gemaaide grasstroken / zandpaden in de randen en in weides
LANGZAAMVERKEER EN CALAMITEITEN
De basis van het hemelwatersysteem is de opzet die ook in fase 1 is toegepast. Daar waar het mogelijk is om het hemelwater direct in te laten stromen in de voorziening zal dit plaatsvinden. Op de locaties waar dit niet mogelijk is, zal het hemelwater afstromen via een ondergronds systeem naar de groene zones met wadi’s. Ook is het mogelijk om de ruime groene bermen in te zetten voor infiltratie. Het hemelwater wordt hierdoor vastgehouden in de wijk waarmee verdroging wordt tegengegaan.
De bermen ten behoeve van de infiltratie kunnen worden aangeplant middels een biodiverse beplanting en ook kunnen bomen worden aangeplant. In de groene randen aan de Steenkampseweg en in het open landschap aan de Jan Thijssensteeg worden natuurlijke wadi’s en sloten aangelegd om een robuust en duurzaam systeem te kunnen ontwikkelen. De waterberging wordt gekoppeld aan groen, landschap en beleven met een veelal ecologisch beheer.
BERMEN
Verlaging van de berm in de straat ten behoeve van afstromend hemelwater
Bermen worden beplant met een inheemse, biodiverse beplanting en eventueel in gras uitgevoerd
Straatbomen worden op aanwijzen aangeplant en zijn inheems en afgestemd op de plek
Indien noodzakelijk worden auto’s geweerd middels een element met een natuurlijke uitstraling zoals een horizontaal geplaatste boomstam of palen van geschilde stammen
WADI’S RANDZONE STEENKAMPSEWEG
Groene zones in de wijk hebben een meervoudige functie
Waterberging wordt gekoppeld aan spelen en beplanting
De wadi is ingericht met een kruidenrijk grasland en eventueel een waterminnende beplanting
Bomen zijn inheems en de gekozen soorten zijn afgestemd op de plek
Speelaanleidingen indien gewenst zijn informeel en natuurlijk van karakter
SLOTEN EN VERLAAGDE WEIDES RANDZONE JAN THIJSSENSTEEG
De sloten en verlaagde weides bevinden zich in de landschappelijke zone - De weide heeft een verlaging en indien nodig kan deze onderlopen
De weide is ingericht met een kruidenrijk grasland met op de randen kenmerkende struwelen
Speelaanleidingen indien gewenst zijn informeel en natuurlijk van karakter
Het groen in de wijk vormt een duidelijke en waardevolle drager
Het groen is inheems, biodivers, klimaatadaptief en gericht op ecologie
Groenzones zijn zo ingericht dat het groen tot volle wasdom kan komen
Type groen is duidelijk gedifferentieerd afgestemd op de diverse delen in de wijk ( o.a straat, brede berm, randzone wijk en landschappelijk)
OPENBAAR GROEN IN HET LINT
De grote, waardevolle bomenlaan aan Steegstraat vormt de groene entree van Meijel en blijft behouden
Bermen aan de entree vanaf de Steegstraat worden beplant met een biodiverse (kruiden- en bloemrijke) beplanting en eventueel gras
Straatbomen worden op aanwijzen aangeplant. Denk hierbij aan soorten zoals Carpinus betulus ‘Fastigiata’ (haagbeuk), Quercus robur (zomereik), Acer campestre (veldesdoorn), Alnus glutinosa (zwarte els), Tilia cordata (winterlinde)
OPENBAAR GROEN IN DE WIJK
Het groen in de wijk bestaat voornamelijk uit groene bermen met biodiverse (kruiden- en bloemrijke) beplanting en eventueel gras
Straatbomen worden op aanwijzen aangeplant. Hierbij kan gedacht worden aan soorten zoals Carpinus betulus ‘Fastigiata’ (haagbeuk), Quercus robur (zomereik), Acer campestre (veldesdoorn), Alnus glutinosa (zwarte els), Tilia cordata (winterlinde)
OPENBAAR GROEN LANDSCHAPPELIJK WONEN
In dit woonmilieu is er sprake van een natuurlijke overgang tussen privé en openbaar. Deze bestaat uit een lage landschappelijke (inheemse)haag, een laag schapenhekwerk met inheemse beplanting, een ‘stapelmuur’ van boomstammen of een stapelmuurtje van natuursteen
De openbare ruimte bestaat uit kruiden- en bloemrijk grasland
Groenelementen zijn houtsingels en solitaire bomen. Soorten hiervoor zijn zomereik, zoete kers, zwarte els, witte els, zachte berk, boswilg, haagbeuk, es, spaanse aak, winterlinde
STRUINLANDSCHAP MET WADI’S
Kruidenrijk grasland - Waterminnende beplanting - Groenelementen zijn houtsingels en solitaire bomen. Soorten hiervoor zijn zomereik, zoete kers, zwarte els, witte els, zachte berk, boswilg, haagbeuk, es, spaanse aak, winterlinde
Op strategisch gekozen locaties die ruimte bieden kunnen meerstammige of beveerde bomen worden toegepast, zoals Acer campestre, Carpinus betulus en Tilia cordata
Speelaanleidingen zijn van natuurlijke materialen, zoals boomstammen
KLEINSCHALIG WEIDELANDSCHAP
Kruiden- en bloemrijk grasland
Groenelementen zijn houtsingels en solitaire bomen. Soorten hiervoor zijn zomereik, zoete kers, zwarte els, witte els, zachte berk, boswilg, haagbeuk, es, spaanse aak, winterlinde
Op strategisch gekozen locaties die ruimte bieden kunnen meerstammige of beveerde bomen worden toegepast, zoals Acer campestre, Carpinus betulus en Tilia cordata
VERHARDINGEN
Verhardingen worden geminimaliseerd i.v.m. hittestress
De rijwegen en trottoirs worden uitgevoerd conform De Hoek fase 1 met een mogelijke uitzondering bij het landschappelijke wonen
Geen verhoogde trottoirbanden
Paden in het groen en eventueel struinpad in de berm in natuurlijke materialen / halfverharding
PARKEREN
Parkeren vindt voor het overgrote deel op eigen terrein plaats
Parkeren op eigen erf zoveel mogelijk uit het zicht bijvoorbeeld achter groene haag
Parkeren tevens in enkele parkeerkoffers en daar waar nodig langsparkeervakken - Parkeerkoffer door groen omgeven om auto’s zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken
Afschermende beplanting middels landelijke hagen, biodiverse beplanting en omsluitende bomenrijen
Parkeren uitvoeren grasbetonstenen (koffers en haaks parkeren) conform fase 1
Parkeernorm is gedifferentieerd per woningtype
Het plangebied voor de dorpsuitbreiding is gelegen ten oosten van de kern Meijel, ingesloten tussen de Steegstraat, Jan Thijssensteeg en de Steenkampseweg en de bestaande dorpsrand.
Het plangebied betreft de percelen behorende bij (de voormalige) stierenhandel Zanderink aan de Steegstraat 26 en de daar omheen liggende onbebouwde agrarische gronden.
De compensatiemaatregelen voor Meijel-Oost zijn onder te verdelen in diverse categorieën die tezamen de versterking van het omringende landschap bewerkstelligen: - Groen binnen de plangrenzen zelf, zoals wegbermen en straatbomen. Deze maken geen onderdeel uit van dit compensatieplan.
Groen dat bedoeld is voor de landschappelijke compensatie, zoals bedoeld in het Limburgs Kwaliteitsmenu.
Groen aan de randen van het plangebied, bedoeld om het plan landschappelijk in te passen. Deze maatregelen worden in navolgend nader omschreven, maar maken geen onderdeel uit van de compensatiemaatregelen vanuit het Limburgse Kwaliteitsmenu.
Sloop agrarische bebouwing, zoals bedoeld in het Limburgs Kwaliteitsmenu.
De landschappelijke inpassing maakt deels onderdeel uit van de compensatie - verplichting, en heeft tot doel de ingreep in het landschap zo goed mogelijk in te passen. De inpassing bestaat uit:
Aanleg van landschappelijke routes. Hiermee wordt er een verbinding gere - aliseerd met de huidige dorpskern/uitbreiding aan de zuidzijde en het daaraan grenzende buitengebied. De paden worden uitgevoerd in halfverharding.
Perceelgrens met landschappelijke, informele haag of samengestelde haag, hoogte 1,80m. In de directe omgeving zijn haagstructuren aanwezig. De hagen beantwoorden deze structuur, echter tellen de hagen niet mee in de compensatie.
Aanleg waterbergingszone met verspreide bomen. De bomen zorgen voor een gerafelde dorpsrand. Het contact tussen het buitengebied en de nieuwe dorpsrand wordt hiermee versterkt en er ontstaat een landschappelijke kamer op het naastgelegen perceel.
De volgende maatregelen kunnen genomen worden voor het opwaarderen van het aanwezige landschap (compensatie volgens het Limburgs Kwaliteitsmenu)
C1. Houtsingel met losse beplanting over een breedte van 10 meter. De losse be - planting wordt groepsgewijs aangeplant. Tussen de groepen blijven doorzichten mogelijk (dmv. lagere beplanting). Daardoor ontstaat een gevarieerde, transparante en zachte rand. De beplanting bestaat uit struweel met enkele boomvormers. Aan de oostelijke rand op de overgang naar het weiland loopt een wandelpad dat tevens te gebruiken is als onderhoudspad en aansluit op de Jan Thijssensteeg.
C2. Doorzetten van bomen langs de Jan Thijssensteeg in de richting van de kernrand van Meijel. In verband met de kabels en leidingen is een aanvullende boombeplan - ting alleen mogelijk tot aan de eerste woning. In het bebouwingslint liggen in beide bermen kabels en leidingen, waardoor bomen hier niet wenselijk zijn. De bomen worden aan beide zijden van de weg op een onderlinge afstand van 10 meter in een versprongen verband aangeplant. Op dezelfde wijze als de reeds aanwezige, gedeeltelijke bomenlaan.
C3. De Steenkampseweg kenmerkt zich grotendeels door eiken aan weerszijden van de weg waardoor we kunnen spreken van een bomenlaan. Onder de eiken groeit plaatselijk struweel. De karakteristieken van de weg worden versterkt door de struweelbeplanting onder de bomen aan te vullen. De wegberm dient uitdrukkelijk niet geheel te worden dicht geplant. Doorzichten richting de Kerk en de dorpsrand van Meijel zijn immers zeer karakteristiek.
C4. Aan de zuidoostzijde van de nieuwbouwlocatie wordt een infiltratiezone/in - zijgingsgebied gerealiseerd en zal de bestaande sloot worden gerespecteerd. Het inzijgingsgebied is een verlaging in het terrein waar tijdens piekmomenten het over - tollige hemelwater vanuit het plangebied in opgevangen wordt. Vegetatie bestaat uit een ruigte-/kruidenvegetatie. De taluds aan de noordzijde zijn “flauw” 1:5, en dragen bij aan een positieve ontwikkeling van de flora en fauna. De flauwe taluds worden aan de noordzijde afgeschermd middels een zone met solitaire bomen en eventueel enkele struikeiken en houtsingels. Houtsingels geven een meerwaarde voor de fauna. Het is ideaal voor nestgelegenheden van bijv. de winterkoning, roodborst en de egel. Ook komt deze inrichting ten goede aan de aanwezige steenuil, die hier foerageergebied vindt. Op de overgang van nat naar droog ligt een struinpad in aansluiting op de Steenkampseweg en de rest van het buitengebied.
C5. In het omliggende landschap komen meerdere “kleine” bospercelen voor wat kenmerkend is voor het buitengebied van Meijel en omstreken. Middels het realiseren van een beboste rand wordt hierop geanticipeerd. De bosranden leveren een belangrijke bijdrage aan de natuur. Goed ontwikkelde bosranden bezitten veelal een grote soortenrijkdom aan dieren en planten.
C6. In het bestaande weiland worden enkele solitaire eiken geplaatst, welke een karakteristiek relict vormen.
C7. Versterking van het het landschap vindt tevens plaats door de sloop van agrarische gebouwen. De ter plaatse aanwezige agrarische gebouwen zullen verwijdert worden, waardoor ze geen verrommellend element meer zijn in het landschap
Om het compensatieplan te kunnen onderbouwen - tevens lettende op de wet - en regelgeving, wordt het principe van PNV (Potentiële Natuurlijke Vegetatie) en inheems plantgoed toegepast.
Toepassing beplanting
C1. De houtsingel wordt opgedeeld in hogere en lager beplanting, waardoor doorzichten naar het achterliggende landschap ontstaan.
Hogere soorten:
Lagere soorten:
Boomvormers:
C2. Doorzetten bomenlaan Jan Thijssensteeg:
C3. Struweelbeplanting langs Steenkampseweg:
C4. Infiltratiezone/inzijgingsgebied:
Ruigte:
Houtsingels:
Amelanchier lamarckii
Betula pendula
Cornus mas
Corylus avellana
Ilex aquifolium
Prunus spinosa
Sambucus nigra
Quercus robur
C5. Bos(rand):
Acer campestre
Betula pendula
Quercus robur
Amelanchier lamarckii
Corylus avellana
Sambucus nigra
Rosa canina
Prunus spinosa
C6. Solitaire bomen
De weergegeven doorsneden moeten gezien worden als principes. In de nadere uitwerking van de plannen kunnen door specifieke omstandigheden in onderling overleg andere keuzes worden gemaakt.
De houtsingels in de gebieden C1 en C4 dienen na aanplant eens in de 9 jaar afgezet te worden tot 20 cm boven de grond. De boomvormers dienen hierbij gespaard te blijven. Vanuit ecologisch oogpunt worden de houtsingels om de drie jaar gedeeltelijk afgezet. Deze singels worden onderhouden in een cyclus van 9 jaar, waarbij elke drie jaar een derde deel wordt afgezet. De nieuw geplante bomen aan beide zijden van de Jan Thijssensteeg, deelge - bied C2, en de solitaire bomen in het open weiland, C6, dienen om de 5 jaar nagelopen te worden ten behoeve van snoeiwerkzaamheden. Het snoeiwerk dient gericht te zijn op vormsnoei, verwijderen oud hout en het hernieuwd opkronen van de boom aan de Jan Thijssensteeg.
De ruigte- en kruidenvegatie in de infiltratiezone / inzijgingsgebied, C4, en de ruigtes in de zone tussen de houtsingels en het bos, C5, dienen ecologische be - heerd te worden. Het 1e jaar dient er 1 keer te worden gemaaid. Het maaisel moet worden afgevoerd zodat er verschraling optreed. De daarop volgende ja - ren dient er naar inzicht verschralingsbeheer plaats te vinden, afhankelijk van de ontwikkeling van de vegetatie. Instandhouding van de ruigte vindt plaats door 2 maal (b.v. juni, oktober) per jaar naar inzicht 70% weg te maaien en het maaisel af te voeren.
Struweelbeplanting langs de Steenkampseweg, C3, dient eens in de 15 jaar af - gezet te worden tot 20 cm boven de grond. Vanuit ecologisch oogpunt worden de houtsingels om de vijf jaar gedeeltelijk afgezet. Deze singels worden onderhouden in een cyclus van 15 jaar, waarbij elke vijf jaar een derde deel wordt afgezet. Het bos C5 zal worden gerealiseerd middels aanplant van wortelgoed 100-125 cm in een plantverband van 1.50 x 1.50 meter. Circa 30% van het wortelgoed zijn boomvormers. Deze worden in fases van 10 jaar gedund. Het einddoel is de ontwikkeling van een bosrand met ongeveer 2 bomen per are met een goed ontwikkelde struiklaag in groepen, die zorgt voor een afwisselend beeld en door - zichten.
In de wijk is een verdeling gemaakt tussen verschillende woonmilieus: ‘Wonen aan het lint’, ‘Dorps wonen’ en ‘Landschappelijk wonen’. In de landschappelijke inpassing is een tweedeling te herkennen. De inpassing rondom het middendeel van de wijk sluit aan bij de landschappelijke inpassing van fase 1. Het zuidelijke deel van de inpassing zoekt aansluiting bij de karakteristiek van het kleinschalige weidelandschap.
De landschappelijke inpassing ter hoogte van het middengebied bestaat uit:
Aanleg van landschappelijke routes. Hiermee wordt aangesloten op de routes vanuit de huidige dorpskern en het aangrenzende buitengebied. De paden worden uitgevoerd in halfverharding.
Aanleg waterbergingszone met verspreide bomen. De bomen zorgen voor een overgang tussen het buitengebied en de nieuwe dorpsrand. De relatie hiertussen wordt daarmee versterkt en er ontstaat een aantrekkelijke groenstructuur rondom de nieuwe dorpskern.
Waterberging wordt gekoppeld aan spelen en beplanting.
Sortimentskeuze is afgestemd op de plek en kan tegen natte voeten wanneer de wadi’s vollopen.
Het gehele landschap bestaat uit bloemrijk grasland dat waardevol is voor de biodiversiteit en voor een aantrekkelijke uitstraling zorgt.
De landschappelijke inpassing ten zuiden van de uitbreiding bestaat uit:
Aanleg van landschappelijke routes. Hiermee wordt aangesloten op de routes vanuit de huidige dorpskern en het aangrenzende buitengebied. De paden worden uitgevoerd in halfverharding.
Sloten en verlaagde weides. Indien nodig kunnen de verlaagde weides onderlopen.
De weides zijn ingericht met bloemrijk grasland met op de randen kenmerkende struwelen en houtsingels.
De te ontwikkelen gronden van De Hoek fase 2 hebben een oppervlakte van 39.271 m2 Vanuit het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu bedraagt de gevraagde compensatie €5,- per m2 te ontwikkelen gronden Het compensatiebedrag bedraagt €5 x 39.271 = €196.365,--
In hoofdstuk 2 is de globale kostenbegroting uitgewerkt van de landschappelijk inpassing Samengevat bedragen de aanlegkosten €197.500,-
Geconcludeerd wordt dat de vereiste landschappelijke compensatie binnen het plangebied wordt opgevangen.
O
Het opschrift van toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Voor artikelgewijzetoelichting wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
Voor u ligt de toelichting op het omgevingsplan voor de gemeente Peel en Maas. Met het omgevingsplan wordt uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument als het gaat om de zorg voor de fysieke leefomgeving en de regulering van activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Binnen het stelsel van het omgevingsrecht is het omgevingsplan voor burgers en bedrijven primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van alle afzonderlijke bestemmingsplannen. Ook een deel van de gemeentelijke verordeningen gaat op in het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de milieu- en bouwregels die nu nog door het Rijk worden gesteld, maar die worden gedecentraliseerd.
In het omgevingsplan staan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en regulering van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die kwaliteit centraal. Het omgevingsplan is (anders dan het bestemmingsplan) dan ook niet beperkt tot planologische aspecten. Het omgevingsplan bevat daarom niet alleen regels over bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken, maar ook regels over andere activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd is het omgevingsplan ook niet onbeperkt in het toepassingsbereik; er zijn beperkingen voor waar regels over mogen gaan. Regels die in het omgevingsplan worden gesteld, moeten betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en op activiteiten die daarop gevolgen kunnen hebben.
Het omgevingsplan geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied. De wet gaat uit van één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan. Om dat te bereiken zijn in het omgevingsplan voor de gemeente Peel en Maas die activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en de regulering daarvan, centraal gesteld. Overigens worden daarbij alleen die activiteiten gereguleerd waarvan dat gelet op de zorg voor de fysieke leefomgeving noodzakelijk wordt geacht. Niet elke activiteit met een (mogelijk) gevolg voor de fysieke leefomgeving behoeft immers regulering. Zo is bijvoorbeeld bij het vervangen van een gazon in de tuin door een bloemperk ongetwijfeld sprake van een activiteit, en wijzigt die activiteit zelfs de fysieke leefomgeving, toch kan regulering hiervan achterwege blijven. Regels zijn alleen nodig als de zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving daar om vraagt.
Het omgevingsplan zal onder andere alle bestemmingsplannen, exploitatieplannen, delen van gemeentelijke verordeningen en een groot aantal rijksregels moeten vervangen. De overgang naar één omgevingsplan voor heel Peel en Maas is dan ook een zeer grootschalige wijziging van het gemeentelijk omgevingsrecht. Deze overgang zal ook niet in één keer plaatsvinden, maar gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs. Het Rijk geeft gemeenten tot en met in elk geval 2031 om deze opgave te realiseren.
Met name de regels uit bestaande ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, zullen gebiedsgewijs worden vervangen. Daarbij zal aan meerdere gebieden tegelijk worden gewerkt, waarbinnen dezelfde te reguleren activiteiten voorkomen. Bijvoorbeeld wonen, detailhandel, en bouwen. Voorkomen moet worden dat dan vanuit verschillende gebieden van elkaar verschillende regels over hetzelfde onderwerp in het omgevingsplan worden geplaatst. Dat zou niet leiden tot een integrale regeling. De zorg voor een integrale regeling vraagt om een aanpak waarbij een groot deel van de regeling aan het begin wordt neergezet. Vanuit die basis kan vervolgens een begin worden gemaakt met het gebiedsgewijs vervangen van de regels uit de bestaande ruimtelijke besluiten.
Uiteindelijk moet het omgevingsplan bijdragen aan een stelsel waarbinnen ook op gemeentelijk niveau de continue zorg voor de fysieke leefomgeving beter is geborgd dan binnen het voorheen geldende stelsel. Daarbij moet het bijdragen aan meer inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het omgevingsrecht voor de burger.
Hoewel inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak belangrijke doelen van de wet zijn, komen niet alle voor een burger relevante regels in het omgevingsplan terecht. Naast het omgevingsplannen blijven er ook regelingen van Rijk, provincie en waterschappen die rechtstreeks bindende regels bevatten. Zo bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving algemene regels over bouwwerken, die rechtstreeks aan de initiatiefnemer die voornemens is een bouwactiviteit te verrichten, zijn gericht. Bovendien zullen er naast het omgevingsplan ook andere gemeentelijke verordeningen van toepassing blijven. Die verordeningen kunnen ook regels bevatten over onderwerpen of activiteiten die 'aanleunen' tegen de fysieke leegomgeving, zoals bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening.
Deze toelichting van het omgevingsplan bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs gedeelte.
Het algemene deel licht allerlei algemene uitgangspunten, doelen en principes met betrekking tot de regels toe. Ook bevat de toelichting in zijn algemeenheid een beschrijving hoe aan het gemeentelijk beleid en de landelijke wet- en regelgeving uitvoering wordt gegeven. Hierbij wordt ook op hoofdlijnen ingegaan op het juridisch en beleidsmatig instrumentarium op basis van de Ow, ook wel aangeduid als de kerninstrumenten. De achtergrond die in de algemene toelichting wordt beschreven, is dus een toelichting op de gemaakte keuzes, maar vormt ook de juridische onderbouwing ervan.
Het artikelsgewijze deel legt (voor zover nodig) per artikel uit wat de concrete strekking ervan is en met het oog op welke specifieke doelen de regels in het artikel zijn gesteld. Ook geeft het uitleg over de desbetreffende regels voor de rechtspraktijk, waarbij geldt dat bij discrepanties tussen wettekst en toelichting, de rechter aan de wetsartikelen meer waarde toekent. In sommige gevallen bevat die artikelsgewijze uitleg ook een juridische of beleidsmatige onderbouwing. Een beschrijving van het achterliggend kader kan achterwege blijven. Dat is immers al gegeven in het algemene deel van de toelichting en daar leent de artikelsgewijze toelichting zich juist vanwege die artikelsgewijze opzet ook niet goed voor.
Naast deze inleiding beslaat het algemeen deel van deze toelichting het juridisch en beleidsmatig instrumentarium van het het omgevingsplan (hoofdstuk 2).
Bij het lezen van het omgevingsplan en de toelichting is het van belang op te merken dat de toelichting weliswaar een toelichting op en motivering van de regels bevat, maar dat de toelichting niet altijd de volledige bestuurlijke en juridische motivering van de besluiten waarmee het omgevingsplan tot stand wordt gebracht en wordt gewijzigd bevat. Daarvoor dient de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 bevat een overzicht van de wijzigingsbesluiten, inclusief een beknopte toelichting op de doorgevoerde wijzigingen en een verwijzing naar de betreffende besluiten.
Daarna volgt het artikelsgewijze deel, waarbij per artikel van het omgevingsplan een artikelsgewijze toelichting is opgenomen. Deze artikelsgewijze toelichting is te vinden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO). In het algemeen deel onder hoofdstuk 2.6 wordt de werking van het DSO in relatie tot het omgevingsplan nader toegelicht.
Zoals in de inleiding is aangegeven, bevat het omgevingsplan de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan is de rechtsopvolger van het bestemmingsplan. Het omgevingsplan is het instrument waarmee de doelen van de Omgevingswet op gemeentelijk niveau worden uitgewerkt. Net zoals bij het bestemmingsplan zijn de regels uit het omgevingsplan direct juridische bindend voor burgers, bedrijven en de gemeente zelf.
Een opvallend verschil tussen bestemmingsplannen en het omgevingsplan is dat het omgevingsplan een veel bredere reikwijdte heeft. Zo beperkt het omgevingsplan zich niet alleen maar tot ‘een goede ruimtelijke ordening’, maar bevat het regels over de gehele fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan staat welke activiteiten op welke plek zijn toegestaan en welke regels daarbij gelden.
Zo kan er bijvoorbeeld in een winkelstraat de functies wonen, horeca en detailhandel zijn toegestaan. In de bijbehorende regels staat bijvoorbeeld dat alleen op de verdiepingen mag worden gewoond, welke vorm van horeca is toegestaan en hoe groot de detailhandelsvestiging mag zijn. Daarnaast staan er ook regels over andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, zoals de milieubelastende activiteit, met als voorbeelden het lozen van afvalwater en een geluidsnorm die niet overschreden mag worden bij een activiteit.
In het omgevingsplan staan ook veel regels over bouwen. Hieraan wordt de omgevingsplanactiviteit bouwen aan wordt getoetst. Zoals regels over hoe groot en hoog een woning of bedrijfspand mag zijn, regels over het uiterlijk van een bouwwerk of regels die aangeven of er een omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel van de bouwactiviteit nodig is.
Een belangrijk doel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in de Omgevingswet, is het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De fysieke ruimte is namelijk beperkt. Daarom is het doel om die beperkte ruimte optimaal te verdelen en in te richten. De gemeente is hiervoor verantwoordelijk.
In de Omgevingswet staat opgenomen dat in het omgevingsplan, met het oog op de doelen van de wet, regels kunnen worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast is het de taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ voor het hele grondgebied van Peel en Maas. Een evenwichtige toedeling van functies die zijn toegestaan binnen een gebied. Dit vanuit het belang dat deze functies samen in een gebied kunnen plaatsvinden en zo min mogelijk hinder van elkaar ondervinden.
Naast een evenwichtige toedeling van functies aan locaties staan in het omgevingsplan activiteiten centraal. In het omgevingsplan worden namelijk de gevolgen van activiteiten op de fysieke leefomgeving gereguleerd. Hiertoe worden in het omgevingsplan regels over activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving opgenomen. In de Omgevingswet is verduidelijkt dat het in ieder geval gaat om gevolgen die kunnen voortvloeien uit (artikel 1.2, derde lid, Omgevingswet):
het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt,
het nalaten van activiteiten.
Per activiteit zijn regels opgenomen over wanneer en op welke manier een activiteit mag worden uitgevoerd of mag plaatsvinden. Het begrip ‘activiteit’ kent geen vaste definitie. Wat hieronder vaak wordt verstaan blijkt uit de context van de artikelen waarin het begrip activiteit wordt gebruikt. Doorgaans wordt met een activiteit een feitelijke handeling bedoeld. Bij het opstellen van regels voor activiteiten staan de activiteiten, en daarmee de gebruiker, centraal. Voorbeelden zijn de ‘activiteit bouwen’ of de ‘activiteit kappen (van bomen)’. Per activiteit worden normen gesteld of randvoorwaarden opgenomen. Alle regels over activiteiten samen zorgen voor een zorgvuldig gebruik van de fysieke leefomgeving.
Het omgevingsplan is vormvrij. Gemeenten kunnen zelf de structuur en hoofdstukindeling van hun omgevingsplan bepalen. Als vertrekpunt voor dit omgevingsplan is gebruik gemaakt van de structuur van het omgevingsplan die de VNG heeft gemaakt in hun zogenaamde ‘casco’ van het omgevingsplan. Wij hebben dit casco aan de situatie in Peel en Maas aangepast en aangevuld.
Hieronder volgt eerst een beschrijving per hoofdstuk van het omgevingsplan zoals deze voor Peel en Maas is opgesteld, zodat duidelijk is waar de regels over bepaalde onderwerpen over gaan en vindbaar zijn. Voor een inhoudelijke uitleg van de (juridische) strekking van de regels verwijzen we naar de artikelsgewijze toelichting.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk worden, via een koppeling met een bijlage, de begrippen gedefinieerd die zijn opgenomen in het omgevingsplan.
Hoofdstuk 2: Doelen
Dit hoofdstuk benoemt de gemeentelijke doelen van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 3: Programma’s
Dit hoofdstuk is gereserveerd voor regels over de programma’s met programmatische aanpak.
Hoofdstuk 4: Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met betrekking tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving. Per functie, thema of per gebiedstype wordt bepaald welke activiteiten met bijbehorende regels gelden. De functies, thema’s en gebiedstypen vormen daarmee een richtingaanwijzer voor de activiteiten in hoofdstuk 5 tot en met 9. Een thema is een gemeentebrede regeling. Eventueel bevat een thema nog deelgebieden. Een gebiedstype is een geografisch gebied met gebiedsspecifieke kenmerken. Die kenmerken zijn bepalend voor de vraag welke activiteiten in dat gebied zijn toegestaan.
Hoofdstuk 5: Gebruiksactiviteiten
In dit hoofdstuk worden de gebruiksactiviteiten omschreven. Gronden en bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt indien dit gebruik overeenkomt met de aan de betreffende locatie toegekende gebruiksactiviteit.
Hoofdstuk 6: Bouwactiviteiten
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwen. In dit hoofdstuk is de bouwvergunningplicht opgenomen maar ook de regels over vergunningsvrij en de beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten.
Hoofdstuk 7: Milieubelastende activiteiten
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die voor alle milieubelastende activiteiten gelden. Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Deze begripsbepalingen is zeer ruim en omvat een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is ook breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. De meeste regels in dit hoofdstuk zijn afkomstig uit de ‘bruidsschat’ (zie ook bij hoofdstuk 22).
Hoofdstuk 8: Aanlegactiviteiten
Dit hoofdstuk bevat regels over aanlegactiviteiten. Dit zijn regels over het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Dit hoofdstuk bevat ook regels en vergunningplichten voor verschillende aanlegactiviteiten, bijvoorbeeld voor een aanlegactiviteit in een beschermingszone archeologie.
Hoofdstuk 9: Sloopactiviteiten
In dit hoofdstuk worden de sloopactiviteiten uiteengezet. Sloopwerkzaamheden mogen slechts worden uitgevoerd indien deze overeenstemmen met de voor de betreffende locatie vastgestelde sloopactiviteit.
Hoofdstuk 20: Gebiedsontwikkelingen
Dit hoofdstuk bevat tijdelijke regels voor gebiedsontwikkelingen. Deze regels zijn bedoeld om de ontwikkeling in goede banen te leiden. Nadat de gebiedsontwikkeling is afgerond, worden de in dit hoofdstuk opgenomen regels bij een volgende wijziging van het omgevingsplan geschrapt.
Hoofdstuk 21: Overgangsrecht
Dit hoofdstuk bevat de algemene regels van het overgangsrecht.
De motivering van het wijzigingsbesluit staat in een bepaalde verhouding tot de toelichting bij het omgevingsplan. De toelichting heeft betrekking op de regeling als geheel en de regels binnen die regeling, en onderbouwt de daarin gemaakte keuzes. Deze toelichting bevat (anders dan de meeste andere gemeentelijke verordeningen) niet uitsluitend de algemene onderbouwing van de rechtsgevolgen van het omgevingsplan, maar kan – indien relevant – ook locatiegerichte afwegingen bevatten. Dit betekent dat bij een wijziging van het omgevingsplan, naast de motivering in het wijzigingsbesluit, ook een aanvullende passage in de toelichting kan worden opgenomen waarin de locatiegerichte keuze wordt geplaatst binnen het bredere beleidskader.
Het omgevingsplan bevat regels over onder meer het planologisch gebruik van gronden en bouwwerken, en over bouwwerken zelf. Het betreft locatiegerichte regels waarmee wordt bepaald waar bepaalde vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan, waar bouwwerken zijn toegestaan, en welke aanvullende regels daarbij gelden. Waar een bepaalde vorm van planologisch gebruik, bijvoorbeeld detailhandel, is toegestaan, en waar en hoe hoog gebouwd mag worden, wordt niet ineens voor heel de gemeente Peel en Maas bepaald. Dat gebeurt gebiedsgewijs. De onderbouwing van de algemene regels vindt plaats in de toelichting. Voor locatiegerichte keuzes, zoals het toestaan van detailhandel of een bouwwerk van 10 meter hoog op een specifieke locatie, wordt de motivering opgenomen in het wijzigingsbesluit. Tegelijkertijd kan in de toelichting een aanvullende passage worden opgenomen waarin deze locatiegerichte keuze wordt geplaatst in de context van het bredere beleid, zoals het detailhandelsbeleid of het ruimtelijk ontwikkelingskader.
Bij gebiedsontwikkelingen kunnen onderbouwende onderzoeken zoals een milieueffectrapport, verkeersonderzoek of akoestisch onderzoek worden gekoppeld aan zowel het wijzigingsbesluit als aan een aanvullende toelichting bij het omgevingsplan. Dit vergroot de transparantie en samenhang van het besluitvormingsproces.
Wanneer sprake is van regels die overal binnen de gemeente gelden, zal de motivering veelal bestaan uit een toelichting die in het algemene en artikelgewijze deel van de toelichting moet landen. Zo zal bij regels over milieubelastende activiteiten (hoofdstuk 7) de algemene of artikelgewijze toelichting een groot deel van de inhoudelijke motivering bevatten. Bij wijzigingsbesluiten van meer planologische aard – zoals bij gebiedsontwikkeling of transformatie – zal naast een uitgebreide motivering ook een aanvullende toelichting worden opgenomen waarin de locatiegerichte afweging wordt geplaatst binnen het bredere beleidskader.
Tegen elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan staat beroep open. Nadat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is genomen, zal het wijzigingsbesluit inclusief motivering, bijlagen én eventuele aanvullende toelichting worden gepubliceerd.
De volgende bestemmingsplannen en TAM-IMRO omgevingsplannen zijn omgezet in deze wijziging van het omgevingsplan:
NL.IMRO.1894.BPL0094-VG01 - Locatie Beckers Meijel
NL.IMRO.1894.BPL0095-VG01 - Startebos fase 3 Meijel
NL.IMRO.1894.BPL0100-VG01 - Herontwikkeling voormalig gemeentehuis Meijel
NL.IMRO.1894.BPL0115-VG01 - Kern Meijel
NL.IMRO.1894.BPL0118-VG01 - Meijel-Oost
NL.IMRO.1894.BPL0207-VG01 - Omzetten bedrijfswoning naar reguliere woning Prins Bernhardstraat 5-5a in Meijel
NL.IMRO.1894.BPL0235-VG01 - Dorpsstraat-Kurversweg Meijel
NL.IMRO.1894.BPL0265-VG01 - Woonzorgcomplex Kapelkesweg, Meijel
NL.IMRO.1894.BPL0292-VG01 - Reststroken Peel en Maas (onderdelen die zijn gelegen in de kern Meijel)
NL.IMRO.1894.WZ0012-VG01 - Molenhof fase II te Meijel
NL.IMRO.1894.WZ0020-VG01 - Reparatie noordelijke kavels Startebos fase 3 in Meijel
NL.IMRO.1894.WZ0017-VG01 - Noordelijke kavels Startebos fase 3 in Meijel
NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-ON01 - Hoofdstuk 22u De Hoek fase II, Meijel (onderdelen die zijn gelegen in de kern Meijel)
Daarnaast zijn er diverse omgevingsvergunningen die met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn verleend in het deelgebied Kern Meijel.
Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt de uitvoering van de Omgevingswet. Het Omgevingsloket is onderdeel van het DSO.
Het Omgevingsloket is het digitale loket waar in is te zien wat is toegestaan in de fysieke leefomgeving. In dit loket staan alle regels en plannen van gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk. Het Omgevingsloket heeft het Omgevingsloket online, Ruimtelijkeplannen.nl en de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) vervangen.
Via het Omgevingsloket kunt u het volgende doen:
vergunningen aanvragen, meldingen doen en informatie geven;
toetsen of een vergunning nodig is voor een activiteit;
zien welke regels gelden op een locatie; en
informatie vinden over de kwaliteit van de leefomgeving. Bijvoorbeeld informatie over water- of luchtkwaliteit en geluidbelasting.
Het omgevingsplan is in te zien op het Omgevingsloket. Alle gemeenten publiceren het omgevingsplan namelijk op het DSO, zodat deze zichtbaar wordt in het Omgevingsloket, onder Regels op de kaart. Hier kan de inhoud van het omgevingsplan geraadpleegd worden. Er is een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van Peel en Maas. Dit omgevingsplan kan voortdurend gewijzigd worden. Ook deze ontwerpwijzigingen zijn zichtbaar op Regels op de kaart. Op deze manier is te allen tijde voor iedereen duidelijk hoe de gemeente het omgevingsplan wil wijzigen. Hier kunnen ook oude versies van het omgevingsplan ingezien worden. Dit wordt tijdreizen genoemd.
In het Omgevingsloket staat de geconsolideerde weergave van het omgevingsplan. Dit is het omgevingsplan waarin alle wijzigingen die zijn vastgesteld zijn doorgevoerd en dat op dat moment geldt. Wanneer een ontwerpversie van het omgevingsplan ter inzage ligt zijn alle regels die na vaststelling van een nieuwe versie van het omgevingsplan gaan gelden zichtbaar (ook de eerdere vastgestelde wijzigingen van het omgevingsplan zijn zichtbaar). Bij een ontwerp is altijd aangegeven dat het om een ontwerp gaat en tevens is dit geel gearceerd. Het omgevingsplan wordt stap voor stap opgebouwd zodat we uiteindelijk een volwaardig omgevingsplan hebben voor de gehele gemeente. Dit betekent dat er bij iedere wijziging van het omgevingsplan, er locaties en regels toegevoegd kunnen worden.
Wanneer gezocht wordt op een specifieke locatie in de functie Regels op de kaart in het Omgevingsloket is in te zien welke regels daar van toepassing zijn. Dit komt doordat aan de achterkant regels zijn gekoppeld aan locaties. Wil iemand bijvoorbeeld een restaurant beginnen en heeft daar een locatie voor uitgekozen, dan kan dit adres ingevuld worden in de zoekfunctie. Dan wordt zichtbaar welke activiteiten zijn toegestaan op het ingevulde adres. Het kan zijn dat de activiteit horeca is toegestaan op het adres, maar dat hier nog wel regels aan verbonden zitten. Bijvoorbeeld algemene regels waar aan gehouden moet worden bij het uitvoeren van de activiteit. Via Regels op de kaart kunnen alle regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving geraadpleegd worden die op een adres van toepassing zijn.
Zoals hierboven te lezen is het omgevingsplan digitaal raadpleegbaar. Het omgevingsplan is ook bevraagbaar. Via de vergunningcheck kunnen vragenbomen doorlopen worden door de vergunningcheck in te vullen, wordt antwoord gekregen op de vraag of voor veelvoorkomende activiteiten, zoals het kappen van een boom of bouwen van een berging een omgevingsvergunning nodig is.
Om zichtbaar te maken waar regels gelden, wordt aan elke regel in het omgevingsplan een werkingsgebied gekoppeld. Het werkingsgebied is de verbinding tussen de regeltekst en de coördinaten die de locaties bepalen waar de regeltekst werking heeft. Kortgezegd het werkingsgebied bepaalt op welke locatie de regel geldt. Juridisch worden deze locaties vastgelegd via een (geografisch) Informatieobject.
Het werkingsgebied kan het gehele gemeentelijke grondgebied zijn, maar ook een of meer delen
daarvan. Regels kunnen zo per locatie (per gebied, per perceel of delen daarvan) verschillen. De werking van regels kan zelfs tot op het niveau van een specifieke plaats, zoals een beschermingswaardige boom, worden gespecificeerd. Het koppelen van regels aan locaties is een belangrijk element van het omgevingsplan. Door deze koppeling is een regel alleen zichtbaar op de locaties waar deze werking heeft.
Q
Het opschrift van artikelgewijzetoelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die van toepassing zijn op de regels in paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan.
Onder moestuin wordt verstaan (een deel van) een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie. Onder siertuin wordt verstaan (een deel van) een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt. Onder de begrippen moestuinen, siertuinen en industrie worden in voorkomende situaties ook verstaan de aan deze tuinen of industrie grenzende wegbermen, voor zover deze bermen onderdeel vormen van de saneringsaanpak. Met deze pragmatische invulling van deze begrippen wordt voorkomen dat voor een eventuele sanering van de aan de tuinen of industrie grenzende wegbermen een afwijkende (strengere) terugsaneerwaarde zou moeten worden gehanteerd dan voor de tuinen of industrie zelf nodig is.
Dit betreft het voor het zinkassengebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol. Zie verder de toelichting bij artikel 22.134 (bodemonderzoek).
Zinkassen betreft een restproduct en is een verzamelnaam van afvalproducten van de (voormalige) thermisch zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen. De chemische samenstelling van zinkassen is karakteristiek door een reeks zware metalen met zekere onderlinge verhoudingen, in gehalten doorgaans afnemend in orde van zink, lood, cadmium, koper, arseen en cadmium, echter met grote verschillen in bandbreedte. Dit materiaal is in het verleden toegepast als verhardingsmateriaal van wegen, paden, opritten en erven, maar levert een bedreiging voor de bodem en het grondwater. Onder zinkassen wordt ook verstaan: zinkslakken, sintels en kelderassen.
S
Na sectie 1 worden acht secties ingevoegd, luidende:
T
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikelArtikel 1.1, eerste lid Begripsbepalingen, lid 2, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelen 22.28, 22.38, 22.276, 22.277, 22.279 tot en met 22.282 en 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
U
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikelArtikel 1.1, eerste lid Begripsbepalingen, lid 2, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
V
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1bijlageI Begripsbepalingenbij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
W
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage bijlage II Begripsbepalingen.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
X
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
Ook kan het gaan om:
het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
het wijzigen van het grondwaterpeil,
het winnen van grondstoffen,
agrarische grondwerkzaamheden, en
activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
Y
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas ziet op het omzetten van het tijdelijk deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan in de kern Meijel. Het betreft een beleidsneutrale omzetting van bestemmingsplannen en TAM-IMRO omgevingsplannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, verleende omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, verleende omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals deze gold tot 1 januari 2024 en verleende omgevingsvergunningen voor verandering van gebruik als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) zoals gold tot 1 januari 2024. Met deze wijziging wordt bijgedragen aan de transitie naar één gebiedsdekkend omgevingsplan voor de gemeente Peel en Maas. Door de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2024 moet de gemeente Peel en Maas voor 1 januari 2032 een nieuw omgevingsplan vaststellen voor haar hele grondgebied. Er is voor gekozen om het nieuwe omgevingsplan in delen vast te stellen. Waarbij eerst de dorpskernen worden omgezet en daarna het buitengebied en de bedrijventerreinen.
In afbeelding 1 is de contour van de kern Meijel te zien. Het plangebied bestaat uit de woonkern Meijel en omvat alleen de landelijke kern, zonder het buitengebied en bedrijventerrein De Wielen. Het gebied is in principe al ‘af’. De planologische ruimte is op de meeste plekken al volledig benut.
In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie en de beoogde situatie in het plangebied uiteengezet. Hoofdstuk 3 gaat in op de toetsing van de wijziging van het omgevingsplan voor de kern Meijel aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Hierbij wordt beschreven welke regels momenteel van toepassing zijn en op welke wijze de voorgenomen wijziging zich daartoe verhoudt. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente uitgewerkt. Dit hoofdstuk gaat in op de ambities en doelstellingen die de verschillende bestuurslagen hebben voor de fysieke leefomgeving. Daarbij wordt de relatie gelegd tussen de voorgenomen wijziging en deze beleidsdoelstellingen.
Hoofdstuk 5 behandelt de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Hierin wordt beoordeeld of de voorgenomen wijziging aanvaardbaar is vanuit onder meer milieu-, omgevings- en omgevingskwaliteitsaspecten, zoals verkeer, natuur, geluid, geur, bodem, water en archeologie. Tevens wordt aandacht besteed aan onderwerpen als duurzaamheid, gezondheid, externe veiligheid en de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. Daarbij wordt ingegaan op de juridische en financiële uitvoerbaarheid, waaronder het kostenverhaal en eventuele nadeelcompensatie. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de maatschappelijke uitvoerbaarheid, waaronder participatie, de betrokkenheid van andere bestuurslagen en ketenpartners en de verwerking van eventuele zienswijzen.
Vanaf 1 januari 2024 geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de voormalige bestemmingsplannen en uitgebreide omgevingsvergunningen, die automatisch in het omgevingsplan zijn opgenomen, en de bruidsschat. Door de invoering van de Omgevingswet zijn veel regels gedecentraliseerd. Waar eerder het Rijk verantwoordelijk was voor deze regels, liggen ze nu bij de gemeenten. Het gaat onder andere om regels voor bouwwerken en milieubelastende activiteiten.
Gemeenten hebben tijd nodig om hun eigen beleidskeuzes te maken. Daarom is bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geregeld dat zij deze keuzes niet direct klaar hoeven te hebben. De wetgever heeft ervoor gezorgd dat alle regels die vanaf 1 januari 2024 onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen, automatisch en beleidsneutraal in het omgevingsplan zijn opgenomen. Dit betekent dat de inhoud van deze regels gelijk is gebleven aan de situatie vóór 1 januari 2024. Deze automatisch overgenomen set aan regels wordt de ‘bruidsschat’ genoemd. Het gaat bijvoorbeeld om regels over bodemkwaliteit, geur van veehouderijen en vergunningplichten uit de voormalige Wabo.
Gemeenten kunnen deze regels in de loop der tijd aanpassen aan hun eigen voorkeuren en ambities. Uiterlijk aan het einde van de transitiefase, voorlopig vastgesteld op eind 2031, moeten alle regels uit het tijdelijke deel – zowel de bruidsschat als de voormalige bestemmingsplannen – door de gemeente zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Dit nieuwe deel van het omgevingsplan is gebiedsdekkend en geldt voor het gehele grondgebied. We kennen dus bijvoorbeeld niet meer de verschillende postzegelbestemmingsplannen, maar we hebben één plan.
In deze wijziging van het omgevingsplan voor de kern Meijel worden de bestemmingsplannen en TAM-IMRO omgevingsplannen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan, verleende vergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, verleende omgevingsvergunningen op basis van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en zogeheten kruimelgevallen op basis artikel 4, onderdeel 9 van Bijlage II bij het Bor verwerkt. De bruidsschat blijft in deze wijziging ongemoeid. Het voornemen is namelijk om themagewijs de onderdelen van de bruidsschat over te zetten naar de basisstructuur van het omgevingsplan. Per thema zal dit voor het hele ambtsgebied gebeuren.
De volgende bestemmingsplannen komen te vervallen na vaststelling van de beoogde wijziging van het omgevingsplan :
NL.IMRO.1894.BPL0094-VG01 - Locatie Beckers Meijel;
NL.IMRO.1894.BPL0095-VG01 - Startebos fase 3 Meijel;
NL.IMRO.1894.BPL0100-VG01 - Herontwikkeling voormalig gemeentehuis Meijel;
NL.IMRO.1894.BPL0115-VG01 - Kern Meijel;
NL.IMRO.1894.BPL0118-VG01 - Meijel-Oost;
NL.IMRO.1894.BPL0207-VG01 - Omzetten bedrijfswoning naar reguliere woning Prins Bernhardstraat 5-5a in Meijel;
NL.IMRO.1894.BPL0235-VG01 - Dorpsstraat-Kurversweg Meijel;
NL.IMRO.1894.BPL0265-VG01 - Woonzorgcomplex Kapelkesweg, Meijel;
NL.IMRO.1894.BPL0292-VG01 - Reststroken Peel en Maas (onderdelen die zijn gelegen in de kern Meijel);
NL.IMRO.1894.WZ0012-VG01 - Molenhof fase II te Meijel;
NL.IMRO.1894.WZ0020-VG01 - Reparatie noordelijke kavels Startebos fase 3 in Meijel;
NL.IMRO.1894.WZ0017-VG01 - Noordelijke kavels Startebos fase 3 in Meijel;
Het omzetten van de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan NL.IMRO.1894.TAMOPH22U-ON01 - Hoofdstuk 22u De Hoek fase II, Meijel;
Het opnemen van omgevingsvergunningen die met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn verleend in het deelgebied Kern Meijel.
Aandachtspunt hier is dat het momenteel technisch nog niet mogelijk om de pons toe te passen. Hierdoor zullen de onderliggende plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan zichtbaar blijven in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).Op het moment dat de pons wel kan worden toegepast, zullen de onderliggende plannen niet meer zichtbaar zij in het DSO. Dit is echter iets dat landelijk wordt geregeld en het heeft verder geen gevolgen voor deze wijziging van het omgevingsplan voor de kern Meijel.
Deze wijziging van het omgevingsplan zet het tijdelijke deel van het omgevingsplan om naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, specifiek voor de kern Meijel. Hierbij zijn de bestaande regels beleidsneutraal vertaald naar de nieuwe structuur van het omgevingsplan. Dit betekent dat de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden, zoals opgenomen in vastgestelde bestemmingsplannen en verleende omgevingsvergunningen, behouden blijven. Op enkele punten zijn regels gewijzigd of aangevuld om deze beter te laten aansluiten op de systematiek van het nieuwe omgevingsplan. Deze wijzigingen leiden niet tot een beperking van bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden. Voor zover regels zijn gewijzigd of aangevuld, wordt daarop in de toelichting nader ingegaan. In de toelichting op het omgevingsplan is zowel een algemene als een artikelsgewijze toelichting opgenomen.
Het omgevingsplan vervangt onder andere alle bestemmingsplannen, delen van gemeentelijke verordeningen en een groot aantal rijksregels. De overgang naar één omgevingsplan voor heel Peel en Maas is dan ook een zeer grootschalige wijziging. Deze overgang zal daarom ook niet in één keer plaatsvinden, maar gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs. Het Rijk geeft gemeenten tot in elk geval 1 januari 2032 om deze opgave te realiseren.
Het huidige geldende omgevingsplan bestaat nog volledig uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit bestaat vooral uit onherroeppelijke bestemmingsplannen, TAM-IMRO omgevingsplannen en de bruidsschat. In de bestemmingsplannen zijn bestemmingen aan gronden toegewezen om zodoende tot een goede ruimtelijke ordening te komen. De regels in de bestemmingsplannen hebben betrekking op het gebruik van de grond, de bouwwerken daarop, afwijkingsregels ten aanzien van dit gebruik en de bouwregels, etc.
Als uitgangspunt geldt dat deze wijziging van het omgevingsplan geen inhoudelijk andere regels bevat dan het tijdelijke deel van het omgevingsplan, oftewel een beleidsneutrale omzetting. Het plan is dus voornamelijk conserverend van aard. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Daarnaast is ook niet beoogd om bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden te verruimen of in te perken.
Doordat de plannen zijn doorvertaald naar het omgevingsplan en binnen de structuur van dit plan zijn geplaatst, zien de regels er nu anders uit dan voorheen in de bestemmingsplannen die in het tijdelijk deel staan. Zo ziet de structuur van de regels er anders uit doordat er sprake is van functies en activiteiten. Bestemmingen kennen we bijvoorbeeld niet meer.
De rijksoverheid heeft de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In deze visie schetst het Rijk een toekomstbeeld voor Nederland en geeft richting aan de omgang met de fysieke leefomgeving.
De NOVI gaat uit van vier prioritaire opgaven:
Duurzaam economisch groeipotentieel voor Nederland;
Ruimte voor de klimaatverandering en energietransitie;
Sterke, leefbare en klimaatbestendige steden en regio’s met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen;
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden de nationale belangen benoemd die beschermd moeten worden bij de inrichting van de fysieke leefomgeving. Dit betreft onder andere het behoud en de versterking van cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Om in complexe situaties tot een zorgvuldige belangenafweging te komen, hanteert de NOVI drie inrichtingsprincipes:Combineren boven enkelvoudig;Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;Afwentelen voorkomen.
De NOVI is bindend voor het Rijk zelf. Tegelijkertijd stimuleert de rijksoverheid provincies en gemeenten om bij het opstellen van hun eigen omgevingsvisies rekening te houden met de uitgangspunten van de NOVI.
Relatie van de NOVI tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard.
Ten tijde van de vaststelling van de bestemmingsplannen is de afweging gemaakt of voldaan werd aan de Rijksvisie. Doordat er in deze wijziging van het omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt en in lijn is met de voormalige bestemmingsplannen, wordt de beoogde wijziging passend geacht binnen de kaders van de NOVI.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB’s staan de uitvoeringsregels van de Omgevingswet beschreven.
Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze instructieregels gelden voor een aantal hoofdonderwerpen, waaronder:
algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1);
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
bescherming van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
bescherming van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), zoals regels over luchtkwaliteit, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit;
bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), inclusief de ladder voor duurzame verstedelijking;
behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6), zoals autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
het beschermen van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen tegen nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen, luchtvaart, fiets- en wandelroutes en de aanwijzing van woningbouwcategorieën;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Voor elk van deze thema’s geldt een specifiek toepassingsbereik. Dit betekent dat een instructieregel alleen van toepassing is wanneer het betreffende thema relevant is voor een activiteit of locatie.
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitvoering van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze regels hebben onder andere betrekking op het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In uitzonderlijke situaties kunnen burgemeester en wethouders de minister verzoeken om een ontheffing van bepaalde instructieregels. Dit is geregeld in afdeling 5.3 van het Bkl.
Relatie van de Instructieregels tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard.
Ten tijde van de vaststelling van de bestemmingsplannen is de afweging gemaakt of er sprake was van een goede ruimtelijke ordening, waarbij werd getoetst aan onder andere milieueffecten, leefbaarheid en veiligheid. Doordat er in deze wijziging van het omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt en in lijn is met de voormalige bestemmingsplannen, wordt de beoogde wijziging passend geacht binnen de kaders van de instructieregels van het Rijk.
Met de komst van de Omgevingswet is elke provincie verplicht een eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. De provincie Limburg heeft op 1 oktober 2021 de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) vastgesteld. Deze visie vormt een langetermijnkader voor de periode 2030–2050 en beschrijft hoe Limburg zich op een integrale en toekomstbestendige manier wil ontwikkelen. De visie is bewust dynamisch en flexibel ingericht, zodat deze kan worden geactualiseerd wanneer maatschappelijke, economische of ecologische ontwikkelingen daarom vragen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden. Ter juridische borging van het beleidskader is daarnaast een afzonderlijke Omgevingsverordening Limburg opgesteld, die in een volgende paragraaf wordt toegelicht.
Op 08–05 –2026 is de nieuwe POVI vastgesteld. Dit is de opvolger van de voorheen geldende Provinciale Omgevingsvisie. Het document bevat de ambities, doelen en kaders voor de fysieke leefomgeving voor de langere termijn (2026-2050). Niet alleen de traditioneel ruimtelijke onderwerpen komen aan bod, maar er wordt breder gekeken naar de gehele fysieke leefomgeving. Zo komen ook thema’s als gezondheid, leefbaarheid, milieu en veiligheid aan bod. Voor delen van het beleid is een nadere uitwerking in de vorm van (instructie)regels nodig. Deze regels staan in de Provinciale Omgevingsverordening. In een volgende paragraaf zal nader worden ingegaan op deze Omgevingsverordening.
Hoofdopgaven
In de POVI zijn drie Limburg-brede hoofdopgaven geformuleerd die richting geven aan provinciaal beleid:
Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving, zowel in stedelijke gebieden als in het landelijk gebied.
Het versterken van een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie, waaronder de landbouwtransitie.
Klimaatadaptatie en energietransitie, gericht op het weerbaar en duurzaam inrichten van de fysieke leefomgeving.
Deze opgaven moeten worden gerealiseerd met oog voor de specifieke kenmerken van Limburg, zoals het landschap, de bodemstructuur, de cultuurhistorische waarden en de regionale verschillen tussen Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. Participatie van overheid, markt en inwoners vormt hierbij een belangrijk uitgangspunt.
De POVI bestaat uit twee hoofdonderdelen:
Het thematische deel, waarin de provinciale ambities, opgaven en beleidslijnen per thema zijn uitgewerkt.
Het gebiedsgerichte deel, waarin de thematische inzichten worden verbonden tot regionale ontwikkelperspectieven voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg.
Hierdoor biedt de POVI zowel inhoudelijke diepgang per thema als samenhang en maatwerk op regionale schaal.
Thema’s in de Provinciale Ambities
Wonen en leefomgeving
De provincie hanteert een flexibel en adaptief woonbeleid, waarbij de woonbehoeften van Limburgers centraal staan. Wonen moet bijdragen aan bredere doelstellingen zoals duurzaamheid, klimaatadaptatie en energietransitie. De provinciale rol is daarbij vooral agenderend, stimulerend, meesturend en verbindend, omdat het primaat voor woningbouw bij gemeenten ligt. De POVI biedt een richtinggevend kader op hoofdlijnen; nadere uitwerkingen worden gemaakt in regionale en gemeentelijke programma’s en instrumenten.
Cultuur, sport en erfgoed
De provincie streeft naar een divers aanbod van regionale voorzieningen voor sport en cultuur. Behoud, herbestemming en zorgvuldig beheer van cultuurhistorisch erfgoed en archeologische waarden zijn daarbij essentieel. Erfgoedensembles vormen belangrijke identiteitsdragers in de Limburgse leefomgeving.
Wonen: kwaliteit van de bestaande voorraad
Hoewel Limburg kwantitatief voldoende woningen heeft, sluit de kwaliteit niet altijd aan bij de veranderende vraag. De belangrijkste opgave ligt in het toekomstgeschikt maken van de bestaande, vaak verouderde woningvoorraad. Woningen moeten eerst levensloopbestendig en vervolgens duurzaam worden gemaakt. Vooral in het middensegment en de sociale huursector groeit de behoefte aan nieuwe woon- en zorgconcepten. Betaalbaarheid blijft een belangrijk aandachtspunt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, al kan een flexibele schil tijdelijk worden ingezet om in urgente behoeften te voorzien.
Detailhandel
De POVI schetst eveneens de provinciale ambities voor detailhandel. De sector is economisch en sociaal van betekenis, maar Limburg heeft een overaanbod aan winkelruimte. De centrale opgave is daarom kwalitatieve groei bij afname van kwantiteit. De provincie kiest voor:
het ondersteunen van gemeenten bij het compacter en sterker maken van bestaande winkelgebieden in steden en landelijke kernen;
het behouden en versterken van de kwaliteit van stedelijke centra.
Relatie van de POVI tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard. Ten tijde van de vaststelling van de bestemmingsplannen is het provinciale beleid meegewogen. Met de beoogde wijziging van het omgevingsplan worden hierin geen veranderingen beoogd. Hiermee is het in overeenstemming met de POVI Limburg. De bestaande structuren en kwaliteiten van de gebieden wijzigen niet.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is tevens de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening zijn de provinciale instructieregels opgenomen die doorwerken in gemeentelijke omgevingsplannen. De verordening vormt daarmee het juridische instrument waarmee provinciale belangen en beleidsdoelstellingen uit de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI Limburg) worden geborgd.
Relatie van de Omgevingsverordening Limburg tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan betreft een beleidsneutrale en conserverende omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de kern Meijel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Met deze wijziging worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt en blijven de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden ongewijzigd behouden.
De wijziging heeft uitsluitend tot doel de bestaande regels onder te brengen in de systematiek van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij vinden geen wijzigingen plaats in de bestaande structuren, functies en kwaliteiten van de fysieke leefomgeving en worden geen nieuwe planologische mogelijkheden toegevoegd.
Gelet op het conserverende karakter van de omgevingsplanwijziging wordt niet in strijd gehandeld met de instructieregels uit de Omgevingsverordening Limburg. De voorgenomen wijziging is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsverordening Limburg.
Op 5 juli 2022 is de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. Met deze visie heeft de gemeente Peel en Maas geen nieuwe koers uitgezet, maar de bestaande richting uit eerdere kaderstellingen en beleidsdocumenten samengebracht in één geheel: de omgevingsvisie. Het bestaande beleid vormde daarmee de basis voor de Omgevingsvisie Peel en Maas. Deze visie ondersteunt het streven om de gemeente aantrekkelijk te houden, zodat ‘het goede leven’ in Peel en Maas behouden blijft.
De gemeente heeft de bestaande uitgangspunten gebundeld in zes beleidsopgaven, waarvan de eerste drie als overkoepelend worden beschouwd:
Zo worden we duurzamer
Een gezonde en veilige leefomgeving
Het versterken van natuur en biodiversiteit
Goed wonen voor iedereen
Toekomstgericht ondernemen
Balans in het buitengebied
De gemeente benadrukt dat deze opgaven niet los van elkaar staan, maar juist in samenhang moeten worden bekeken. Vooral de eerste drie worden gezien als leidende principes. Bij elke ontwikkeling moet daarom worden beoordeeld hoe deze kan bijdragen aan deze drie opgaven.
Identiteit kern Meijel
In de omgevingsvisie is voor iedere kern een korte typering opgenomen die de eigen identiteit van het dorp weergeeft. Samen met de dorpen wil de gemeente Peel en Maas verder uitwerken welke specifieke waarden per kern bepalend zijn. Voor Meijel is de volgende beschrijving opgenomen:
“Meijel is het meest westelijk gelegen dorp van Peel en Maas, gelegen aan de rand van de Peel. Meijel is een oud Peeldorp, gelegen op een oude zandrug te midden van de grote en lange tijd ondoorgaanbare veengebieden van de Peel. Meijel vormde één van de weinige doorgangen door de Peel en lag aan de weg van ’s-Hertogenbosch naar Keulen.
Het is een groene kern met veel voorzieningen en een grote diversiteit aan wonen. Het groene karakter komt tot uiting in een aantal grote groenplekken in de kern en de sterke relatie tussen kern en buitengebied met de Peel als grootste trekpleister. De bosgebieden Simonshoeksebos en Startebos zorgen voor mooie groene randzones en zijn een belangrijk recreatief uitloopgebied voor de kern Meijel.”
Relatie van de Omgevingsvisie tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard. Met de beoogde wijziging van het omgevingsplan worden hierin geen veranderingen beoogd. Hiermee is het in overeenstemming met de Omgevingsvisie Peel en Maas. De bestaande identiteit van de kern Meijel wijzigt niet.
De gemeente Peel en Maas heeft voor de periode 2024–2034 een kaderstellend beleid opgesteld waarin de visie op de fysieke leefomgeving wordt uiteengezet. Centraal daarin staat het versterken van gemeenschappen, met nadruk op diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Samen met inwoners, ondernemers en organisaties werkt de gemeente aan een toekomstbestendige leefomgeving, waarin ruimte is voor initiatieven en maatwerk.
De ambitie richting 2035 is een evenwichtige ontwikkeling van natuur, recreatie, wonen, industrie en landbouw, met behoud van de identiteit van zowel de kernen als het landschap. De programmadoelen richten zich onder meer op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, het stimuleren van participatie, het realiseren van een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving, het bereiken van energieneutraliteit in 2050 en het bevorderen van duurzame mobiliteit en circulair beheer. Samen vormen deze doelen het fundament voor de keuzes en investeringen in de fysieke ruimte van Peel en Maas.
Relatie van de Kaderstelling Ruimte tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard. Ten tijde van de vaststelling van de bestemmingsplannen is het gemeentelijke beleid meegewogen. Met de beoogde wijziging van het omgevingsplan worden hierin geen veranderingen beoogd. Hiermee is het in overeenstemming met de kaderstelling Ruimte. Er hoeft namelijk geen afweging te worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling ruimtelijk gezien passend is.
e gemeente Peel en Maas heeft voor de periode 2024–2034 een economische kaderstelling opgesteld die voortbouwt op haar identiteit als gemeente van gemeenschappen, met kernwaarden zoals diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. De economische visie richt zich op een toekomstbestendige economie waarin samenwerking tussen inwoners, ondernemers en organisaties centraal staat.
Met het oog op 2035 streeft de gemeente naar een duurzame agrarische sector, innovatieve en toekomstbestendige bedrijventerreinen, sterke regionale samenwerking, een inclusieve arbeidsmarkt en technologische innovatie waarbij de menselijke maat behouden blijft.
De programmadoelen richten zich onder meer op het versterken van de lokale economie door het stimuleren van kenniscirculatie en het ondersteunen van lokaal gewortelde bedrijven. Daarnaast zet de gemeente in op het verbeteren van de regionale samenwerking en de arbeidsmarkt, onder andere via een sterke kennisinfrastructuur en passende strategieën voor arbeidsmigranten. Ook het bevorderen van toerisme en recreatie is een belangrijk doel, waarbij cultureel erfgoed, natuur en recreatieve voorzieningen beter worden benut. De economische kaderstelling wordt elke vijf jaar herijkt en jaarlijks vertaald naar concrete uitvoeringsafspraken in de programmabegroting.
Relatie van de Kaderstelling Economie tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard. Ten tijde van de vaststelling van de bestemmingsplannen is het gemeentelijke beleid meegewogen. Met de beoogde wijziging van het omgevingsplan worden hierin geen veranderingen beoogd. Hiermee is het in overeenstemming met de kaderstelling Economie. Er hoeft namelijk geen afweging te worden gemaakt of de beoogde ontwikkeling economisch gezien passend is.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging van het omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard.. Met de beoogde wijziging van het omgevingsplan worden geen veranderingen of ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Hierdoor hoeft er geen passende beoordeling te worden opgesteld.. Er is daarom geen plan-m.e.r. of m.e.r-beoordeling nodig.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven:
Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in een beleidsneutrale omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ter plaatse van de kern Meijel. De wijziging is conserverend van aard. De wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in het realiseren van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is hierdoor niet van toepassing.
Een toevoeging of wijziging van functies op een locatie kan de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie in het gebied veranderen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen, en wat de effecten zijn op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij geldt dat geen onaanvaardbare gevolgen voor de omgeving mogen optreden. Dit uitgangspunt geldt eveneens bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.
Om de verkeersaantrekkende werking van een activiteit in te schatten, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, water- en wegenbouw en de verkeerstechniek (CROW). Deze algemeen erkende kengetallen geven een indicatie van de door een ontwikkeling veroorzaakte extra verkeersgeneratie en bieden richtlijnen voor het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het betreft richtlijnen waarvan kan worden afgeweken. Gemeenten kunnen bovendien eigen parkeerbeleid en parkeernormen vaststellen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. In dat geval wordt de activiteit aan dit gemeentelijke beleid getoetst.
Daarnaast bevatten gemeentelijke omgevingsvisies een visie op verkeer op lokaal niveau. Hierin worden mobiliteit, bereikbaarheid en verkeersveiligheid doorgaans als belangrijke thema’s benoemd. Nieuwe planinitiatieven moeten ook aan deze beleidsuitgangspunten worden getoetst.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan betreft een beleidsneutrale, conserverende omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de kern Meijel en brengt geen toevoeging of wijziging van functies met zich mee. Omdat er geen nieuwe ruimtelijke activiteiten ontstaan, leidt de wijziging niet tot extra verkeersgeneratie, geen verandering in de verkeersafwikkeling en geen aanvullende parkeerbehoefte. Verdere verkeerskundige motivering is daarom niet aan de orde.
De definitie van een flora- en fauna activiteit in de Omgevingswet is als volgt: ‘Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Deze brede formulering maakt dat het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving (bijna alles) nodig is om te controleren of en welke soorten er aanwezig zijn. In artikel 11.27 van het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
De zorgplicht geldt onverkort voor alle in het wild levende soorten, ook wanneer een vrijstelling, gedragscode of vergunning van toepassing is. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet daarom altijd redelijkerwijs worden voorkomen dat schadelijke handelingen plaatsvinden voor soorten of leefgebieden die niet onder de beschermingsregimes van de Omgevingswet vallen.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan betreft een beleidsneutrale, conserverende omzetting van het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de kern Meijel en brengt geen toevoeging of wijziging van functies met zich mee. Aangezien er geen nieuwe activiteiten worden beoogd bij de wijziging van het omgevingsplan, leidt dit ook niet tot een eventuele verstoring van aanwezige dier- en plantensoorten. Er ontstaan dan ook geen ecologische effecten en een aanvullende ecologische onderbouwing is niet noodzakelijk.
Voor de bescherming van de gezondheid en de kwaliteit van de buitenlucht zijn door het Rijk omgevingswaarden vastgesteld. Deze omgevingswaarden zijn opgenomen in paragraaf 2.2.1 van het BKL en vormen het wettelijke toetsingskader voor luchtkwaliteit.
Een ontwikkeling dient te worden beoordeeld op mogelijke effecten op de concentraties stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀). Indien een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging, is toetsing aan de betreffende omgevingswaarden niet vereist. Een activiteit wordt als NIBM beschouwd wanneer de toename van de concentratie NO₂ en PM₁₀ niet meer bedraagt dan 1,2 µg/m³, overeenkomend met 3% van de jaargemiddelde omgevingswaarde (artikelen 5.53 en 5.54 Bkl).
Daarnaast gelden de specifieke beoordelingsregels uit de artikelen 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze regels hebben betrekking op:
Beoordeling van luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
Ammoniakemissies van veehouderijen;
Geologische opslag van CO₂.
Deze bepalingen vormen samen het toetsingskader voor het beoordelen van mogelijke luchtkwaliteitseffecten als gevolg van een wijziging van het omgevingsplan, waarbij ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend en maakt geen nieuwe functies of activiteiten mogelijk die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. Omdat er geen wijzigingen optreden die leiden tot extra emissies of een toename van verkeersgeneratie, is er geen sprake van een bijdrage aan de concentraties NO₂ of PM₁₀, laat staan een bijdrage die in betekenende mate zou zijn. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden en de specifieke beoordelingsregels uit het Bkl is daarom niet aan de orde.
Geluidregels onder de Omgevingswet hebben een tweezijdige werking. Enerzijds beschermen zij de omgeving tegen geluidsbelasting door de aanleg of wijziging van wegen, spoorwegen en industrieterreinen; anderzijds beschermen zij geluidgevoelige gebouwen en locaties wanneer nieuwe functies mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van een geluidbron.
De basisregels voor geluid die de gemeente momenteel hanteert, zijn deels afkomstig uit de Bruidsschat. Paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat bevat regels over geluid door activiteiten in of op geluidgevoelige gebouwen die op grond van een omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegestaan. Artikel 22.57 van de Bruidsschat bevat de van toepassing zijnde waarden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
activiteiten anders dan windturbines, windparken en (militaire) buitenschietbanen;
geluid door windturbines en windparken;
geluid door civiele en militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen.
Daarnaast bevat afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor de beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bronnen met een geluidproductieplafond (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid van deze bronnen wordt beoordeeld in relatie tot geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl), zoals woningen, onderwijsgebouwen en zorgfuncties, en in relatie tot stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl).
Dit geheel vormt het toetsingskader voor wijzigingen in het omgevingsplan die kunnen leiden tot nieuwe geluidbronnen of tot nieuwe of anders gepositioneerde geluidgevoelige functies. Dit is het geval als nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend van aard en maakt geen nieuwe geluidbronnen mogelijk, noch worden nieuwe of gewijzigde geluidgevoelige functies toegevoegd. De wijziging leidt daarom niet tot een verandering van de geluidbelasting op de omgeving en heeft geen invloed op de toepassing van de regels uit de Bruidsschat of het Bkl. Toetsing aan de rijksregels voor geluid, zoals opgenomen in artikelen 22.57 Bruidsschat en afdeling 3.5 Bkl, is daarmee niet aan de orde.
De regels voor geur zijn onder de Omgevingswet verdeeld over meerdere algemene maatregelen van bestuur (Amvb’s). Welke regels van toepassing zijn, hangt af van het type activiteit of inrichting. In het tijdelijk omgevingsplan zijn op dit moment geen wijzigingen doorgevoerd op het gebied van geur. Voor activiteiten die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer vielen, gelden de geurregels uit de Bruidsschat. Deze regels zijn opgenomen in de volgende paragrafen:
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (paragraaf 22.3.6.2);
Geur door het houden van fokteven van nertsen (paragraaf 22.3.6.3);
Geur door andere agrarische activiteiten, waaronder opslag van vaste mest, champost of dikke fractie, en composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4);
Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (paragraaf 22.3.6.5).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt daarnaast een vergunningplicht op grond van hoofdstuk 3 van het Bal. De beoordelingsregels voor deze vergunningplicht zijn opgenomen in afdeling 8.5 van het Bkl, waarin naast algemene beoordelingsregels ook specifieke regels voor geur zijn opgenomen (paragraaf 8.5.1.2 Bkl).
Gemeenten kunnen in het omgevingsplan eigen geurnormen vaststellen in de vorm van omgevingswaarden. Deze kunnen aansluiten bij de standaardwaarden van het Rijk of daarvan afwijken binnen de juridische kaders van artikel 5.109 Bkl. Deze normen vormen het toetsingskader voor planologische besluiten die geurgevoelige functies mogelijk maken of uitbreiden, of die leiden tot een relevante wijziging in geurbelasting.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend van aard en maakt geen nieuwe geurproducerende activiteiten mogelijk. Evenmin worden er nieuwe geurgevoelige functies toegevoegd. Er treden daarom geen wijzigingen op in de geurbelasting op de omgeving en er zijn geen consequenties voor de toepassing van de geurregels uit de Bruidsschat, het Bal of het Bkl. Toetsing aan geurnormen of aanvullende beoordeling van geurhinder is in dit geval niet noodzakelijk.
Omgevingsveiligheid betreft de risico’s die ontstaan door de opslag, productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen, evenals risico’s van windturbines. De regels hierover zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. Binnen dit kader wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). De specifieke beoordelingsregels voor externe veiligheid zijn vastgelegd in artikel 8.12 Bkl.
Voor het plaatsgebonden risico gelden verschillende grenswaarden en standaardwaarden ten aanzien van (zeer) kwetsbare en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties. Deze waarden zijn vastgelegd in de artikelen 5.6 tot en met 5.11a Bkl. Afhankelijk van het type risicovolle activiteit wordt gewerkt met vaste afstanden of met rekenkundig vast te stellen afstanden (bijlage VII Bkl).
Voor bepaalde risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Bkl aandachtsgebieden aan (artikel 5.12 Bkl). Binnen deze aandachtsgebieden dient het bevoegd gezag bij vergunningverlening en planvorming rekening te houden met het groepsrisico, waaronder de risico’s op brand, explosies en gifwolken. Aandachtsgebieden geven weer waar personen binnenshuis zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen dergelijke incidenten. Voor aandachtsgebieden gelden eveneens vaste of rekenkundig te bepalen afstanden, afhankelijk van het type activiteit (bijlage VII Bkl). De ligging van aandachtsgebieden is inzichtelijk via het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
Het Bkl bevat daarnaast aanvullende regels voor specifieke situaties, opgenomen in paragraaf 5.1.2.3 tot en met 5.1.2.6 Bkl. Indien een initiatief valt binnen een voorschriftgebied (onderdeel van een aandachtsgebied), kunnen in het Bbl aanvullende bouwkundige eisen gelden ter bescherming tegen incidenten met gevaarlijke stoffen.
Dit kader vormt de basis voor de beoordeling van wijzigingen in het omgevingsplan die nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk maken of die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare functies toelaten binnen zones met relevante risico’s.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend en maakt geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast worden geen (beperkt) kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen of functies toegevoegd. Hiermee ontstaan geen wijzigingen in het plaatsgebonden risico of groepsrisico, en zijn de instructieregels uit paragraaf 5.1.2 Bkl en artikel 8.12 Bkl niet aan de orde. Toetsing aan de normen voor PR, GR, aandachtsgebieden of aanvullende bouwkundige voorschriften is in dit kader daarom niet noodzakelijk.
Het onderwerp trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Deze regels hebben betrekking op trillingen in een frequentiebereik van 1 tot 80 Hz die worden veroorzaakt door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegestaan op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voor zowel continue als herhaald voorkomende trillingen gelden maximale waarden, vastgelegd in de tabellen van artikel 22.88 en artikel 5.87a van de Bruidsschat.
Daarnaast bevat paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl instructieregels voor trillingen. Deze regels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen en zijn van toepassing bij:
het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan
het toelaten of wijzigen van een trillinggevoelig gebouw
een combinatie van deze besluiten
De instructieregels hebben betrekking op activiteiten die trillingen in de frequentiebandbreedte tussen 1 tot 80 Hz kunnen veroorzaken in trillinggevoelige ruimten.
De centrale beoordelingsregel staat in artikel 5.83 Bkl, waarin een belangenafweging wordt vereist tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van locaties. Trillingen worden als aanvaardbaar beschouwd wanneer de standaardwaarden uit artikelen 5.87 en 5.87a Bkl worden toegepast (conform artikel 5.86 Bkl). In dat geval volstaat een beperkte motivering van de aanvaardbaarheid. Indien wordt afgeweken van deze standaardwaarden (op grond van artikel 5.86, lid 2 Bkl), is een uitgebreidere motivering vereist.
Dit stelsel vormt het toetsingskader voor wijzigingen van een omgevingsplan die trillingsbronnen mogelijk maken of die trillinggevoelige gebouwen toevoegen of wijzigen.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend, en maakt geen activiteiten mogelijk die trillingen veroorzaken en voegt geen trillinggevoelige gebouwen of functies toe. Hierdoor verandert de trillingssituatie ter plaatse niet. De toepassing van de trillingsregels uit paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat en paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is daarom niet aan de orde. Nadere beoordeling van trillingseffecten of motivering op basis van de trillingsnormen is niet noodzakelijk.
Het Europese en nationale erfgoedbeleid is gericht op het behoud van archeologische resten in de bodem en het beschermen van cultuurhistorische waarden en landschappen. De gemeente heeft vooruitlopend op de Omgevingswet haar archeologisch en cultuurhistorisch beleid vastgelegd in de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. De daarin opgenomen waarden en verwachtingen zijn vertaald naar archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Wanneer een initiatief is gelegen binnen deze werkingsgebieden, wordt het hieraan getoetst.
In artikel 5.130 van het Bkl zijn beginselen vastgelegd voor de bescherming van cultuurhistorische waarden. Deze hebben betrekking op de omgang met:
monumenten die door het omgevingsplan zijn beschermd,
archeologische monumenten,
(voorbeschermde) rijksmonumenten,
beschermde stads- en dorpsgezichten,
beschermde cultuurlandschappen.
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl beoordelingsregels opgenomen voor rijksmonumentenactiviteiten en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Wanneer een omgevingsplanactiviteit direct of indirect gevolgen heeft voor een cultuurhistorisch waardevol object of gebied, dient de activiteit te worden besproken en/of getoetst in de gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). De adviezen van deze onafhankelijke commissie moeten worden meegenomen in de verdere planvorming en worden als bijlage opgenomen bij de ruimtelijke motivering.
Op het moment dat een initiatief in een gebied met archeologische waarden ligt, dan moet worden getoetst of de verstoringsoppervlakte en -diepte zoals die per archeologische waarde zijn opgenomen, worden overschreden. Is dat het geval, dan moet er een (verkennend) onderzoek plaatsvinden. Op deze manier is ook voor de archeologische waarden in de bodem geborgd dat deze worden beschermd.
Dit geheel vormt het toetsingskader voor wijzigingen in het omgevingsplan die invloed kunnen hebben op archeologische waarden en cultuurhistorische elementen.
Naast veiligheid en gezondheid is het streven naar een goede omgevingskwaliteit één van de centrale doelstellingen van de Omgevingswet (artikel 1.3). Dit omvat onder meer de waardering van cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit, stedenbouwkundige kwaliteit, en de kwaliteit van natuur en landschap. Deze waarden betreffen zowel de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als de maatschappelijke betekenis van de identiteit van gebieden.
Voor de landschappelijke of stedenbouwkundige inpassing van projecten wordt doorgaans een landschaps- of inpassingsplan opgesteld. Hierin wordt, aan de hand van vooraf gestelde uitgangspunten en randvoorwaarden, de wijze van inpassing binnen de fysieke leefomgeving uitgewerkt. Daarbij wordt rekening gehouden met relevante resultaten uit andere vakdisciplines, zoals geluid, water en natuur.
Indien een omgevingsplanactiviteit:
stedenbouwkundige aspecten kent binnen een beeldbepalend dorpsgezicht (als dubbelbestemming opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan), of wanneer een beeldkwaliteitsplan van toepassing is; of
landschappelijke aspecten kent in het buitengebied, waardoor gids ruimtelijke kwaliteit van toepassing is;
dan dient de activiteit te worden besproken en/of getoetst in de gemeentelijke, onafhankelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK). De aanbevelingen van deze commissie dienen te worden betrokken in de verdere planvorming en als bijlage bij de onderbouwing te worden gevoegd.
Deze uitgangspunten vormen het toetsingskader voor planwijzigingen waarvoor landschappelijke of stedenbouwkundige gevolgen te verwachten zijn.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend en brengt geen fysieke ingrepen, functiewijzigingen of nieuwe bouwmogelijkheden met zich mee. Hierdoor ontstaan geen effecten op de landschappelijke kwaliteit, de stedenbouwkundige structuur of de beeldkwaliteit. De wijziging raakt geen beeldbepalende dorpsgezichten, kwaliteitskaders of landschappelijke randvoorwaarden. Toetsing aan het Gids Ruimtelijke Kwaliteit of advisering door de ARK is daarom niet noodzakelijk.
Voor de bescherming van gezondheid en milieu zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. Deze regels zijn, via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet, vastgelegd in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt bij welke activiteiten kan worden volstaan met een melding en onderscheidt drie basisvormen van bodemgebruik: landbouw/natuur, wonen en industrie.
De kaders zijn gebaseerd op risicogrenswaarden die passen bij het betreffende bodemgebruik. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het duurzaam benutten van de functionele eigenschappen daarvan. Dit gebeurt door in samenhang:
de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
functies evenwichtig toe te delen aan locaties, met inachtneming van de bodemkwaliteiten;
resterende historische verontreinigingen duurzaam en doelmatig te beheren.
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat onderzoek naar de bodem- en grondwaterkwaliteit nodig is.
De gemeente stelt zelf de toelaatbare bodemkwaliteit vast. Deze mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico, zoals opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare bodemkwaliteit vormt tevens een voorwaarde voor het bouwen op verontreinigde bodem.
In de Bruidsschat is dit verder uitgewerkt. Paragraaf 22.2.7.2 geeft nadere regels voor het toestaan van de activiteit bouwen op een bodemgevoelige locatie. Paragraaf 22.3.7 behandelt het bodembeheer, met specifieke aandacht voor het zinkassengebied De Kempen in paragraaf 22.3.7.4.
Dit geheel vormt het toetsingskader voor wijzigingen van het omgevingsplan die kunnen leiden tot functiewijzigingen, nieuwe activiteiten of bouwmogelijkheden die een ander bodemgebruik met zich meebrengen.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend en maakt geen nieuwe functies, bouwmogelijkheden of activiteiten mogelijk die invloed hebben op het bodemgebruik of de bodemkwaliteit. Hierdoor verandert de gebruiksfunctie van de bodem niet en is er geen aanleiding voor aanvullend bodemonderzoek of toetsing aan de bodemregels uit het Bkl of de Bruidsschat. De wijziging heeft daarmee geen gevolgen voor de bodem en verdere onderbouwing is niet vereist.
Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij ruimtelijke ontwikkelingen expliciet rekening worden gehouden met het waterbelang. Dit betekent dat in de planvorming inzichtelijk moet worden gemaakt welke gevolgen een ontwikkeling heeft voor het watersysteem, zowel qua waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit als waterkwantiteit. De visie en adviezen van het bestuursorgaan dat belast is met het beheer van het watersysteem — doorgaans het waterschap, en in voorkomende gevallen Rijkswaterstaat — moeten in deze afweging worden betrokken.
Naast de algemene wateropgave gaat paragraaf 5.1.3 van het Bkl specifiek in op onderdelen van het watersysteem die van rijksbelang zijn. Voor Peel en Maas is vooral paragraaf 5.1.3.4, Grote rivieren, relevant, omdat ontwikkelingen binnen het winterbed, stroomvoerend regime of beschermingszones van invloed kunnen zijn op waterveiligheid, doorstroming en bergingscapaciteit.
De motivering van het waterbelang dient ook in te gaan op de verschillende verantwoordelijkheden en belangen van betrokken bestuursorganen, waaronder rijk, provincie, gemeente, waterschap en Rijkswaterstaat. Afstemming, correspondentie en adviezen van deze bestuursorganen dienen — voor zover relevant — als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing te worden gevoegd.
Tot slot zijn de regels uit artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 van de Bruidsschat relevant met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater op het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl bepaalt in welke gevallen een omgevingsplan lozing van industrieel afvalwater mag toestaan. In de Bruidsschat is een specifieke zorgplicht opgenomen voor lozingen in het riool en heeft de gemeente, indien noodzakelijk, de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften op te stellen om aan te sluiten bij specifieke bedrijfsomstandigheden.
Dit vormt het toetsingskader voor wijzigingen van het omgevingsplan die effecten kunnen hebben op het watersysteem, waterveiligheid, waterkwaliteit, lozingen of het functioneren van de waterketen.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend en maakt geen nieuwe ontwikkelingen of activiteiten mogelijk die leiden tot veranderingen in watergebruik, waterafvoer, lozingen of effecten op waterveiligheid en het watersysteem. Omdat geen ruimtelijke of functionele wijzigingen worden toegestaan, heeft de wijziging geen gevolgen voor het waterbelang zoals bedoeld in artikel 5.37 Bkl, noch voor de rijkswaterbelangen uit paragraaf 5.1.3 Bkl. Evenmin ontstaan nieuwe situaties waarin lozingen of maatwerkvoorschriften aan de orde zijn. Nadere watertoets, afstemming met waterbeheerders of aanvullende waterkundige beoordeling is daarom niet noodzakelijk.
De toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is in sterke mate afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader wordt daarbij ontleend aan de relevante beleidsdocumenten van de gemeente. Voor Peel en Maas betreft dit onder meer de duurzaamheidsagenda, waarin ambities en uitgangspunten zijn vastgelegd voor een toekomstbestendige leefomgeving, en de bijbehorende zonneladder, die richting geeft aan de ruimtelijke afweging van initiatieven op het gebied van zonne-energie.
Gezondheid neemt daarnaast een belangrijke plaats in binnen de omgevingsvisie van Peel en Maas. Veel van de hierboven besproken milieuthema’s — zoals luchtkwaliteit, geluid, trillingen, bodem, externe veiligheid en water — vormen belangrijke randvoorwaarden voor een gezonde en veilige leefomgeving. Een integrale afweging op deze thema’s leidt daarmee tot de conclusie of er sprake is van een gezonde leefomgeving.
Het gemeentelijk beleid op het gebied van duurzaamheid en gezondheid is (nog) niet vastgelegd als omgevingswaarden in het omgevingsplan. Wel bevat de bruidsschat, via artikel 22.52, regels met betrekking tot energiegerelateerde maatregelen voor activiteiten die onder de bruidsschat vallen. Deze regels blijven van toepassing totdat de gemeente eigen normen of omgevingswaarden formuleert.
Dit vormt het kader voor het beoordelen van veranderingen in het omgevingsplan die relevant kunnen zijn voor de thema’s duurzaamheid en gezondheid.
Relatie tot de omgevingsplanwijziging
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is beleidsneutraal en conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen, activiteiten of functies mogelijk die consequenties hebben voor duurzaamheid of gezondheid. Omdat geen ruimtelijke wijzigingen, milieubelastende activiteiten of fysieke ingrepen ontstaan, zijn er geen effecten op energiegebruik, klimaatadaptatie, milieukwaliteit of andere factoren die bijdragen aan een gezonde leefomgeving. Hiermee sluit de wijziging aan bij de ambities uit de duurzaamheidsagenda en de omgevingsvisie, zonder dat aanvullende toetsing of beleidsmatige afweging noodzakelijk is. Ook de regels uit artikel 22.52 Bruidsschat brengen in dit geval geen verplichtingen met zich mee.
het toetsen van de financieel-economische uitvoerbaarheid vindt plaats om te bepalen of het voornemen niet leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor belanghebbenden omdat het voornemen op financieel-economisch gebied evident onuitvoerbaar blijkt.
Onder het systeem van de Omgevingswet gaat het bij het toetsen van dit aspect vooral om een toets aan het evenredigheidsbeginsel op basis van artikel 3:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht. In de memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Omgevingswet over de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan staat: alleen als evident is dat een functie onuitvoerbaar is, moet het toedelen daarvan achterwege blijven (Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 148 en 153).
Omdat met deze wijziging van het omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, is er geen sprake van een plan dat op financieel-economisch gebied evident onuitvoerbaar is. Er worden immers geen nieuwe functies toebedeeld, maar de bestaande functies worden omgezet naar het omgevingsplan.
Kostenverhaal
Deze wijziging van het omgevingsplan maakt geen nieuwe gebiedsontwikkelingen mogelijk en omvat geen activiteiten waarvoor een kostenverhaalplicht geldt. Er worden bovendien geen kosten gemaakt die hiervoor in aanmerking komen. Kostenverhaal is daarom niet van toepassing op deze wijziging.
Nadeelcompensatie
Met de invoering van titel 4.5 van de Awb heeft de wetgever een algemene regeling voor nadeelcompensatie gecreëerd. Deze regeling geldt voor situaties waarin geen specifieke nadeelcompensatieregeling bestaat. Dit is vervat in artikel 4:126 lid 1 van de Awb. Hierin is geregeld dat een bestuursorgaan op verzoek een tegemoetkoming kan toekennen ingeval er sprake is van schade die is veroorzaakt door en die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.
Deze wijziging van het omgevingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, waardoor er ook geen nadeelcompensatie kan ontstaan. Daar waar er wel nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn, is er een vergunningplicht opgenomen in het omgevingsplan. Dit is niet anders dan bij het huidige bestemmingsplan. Of en zo ja, in hoeverre, er sprake is van een situatie waarin aanspraak gemaakt kan worden op nadeelcompensatie, wordt meegenomen in de beoordeling rondom vergunningverlening, aangezien dit dan het schadeveroorzakende besluit is.
Op grond van het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling moet het bevoegd gezag voldoen aan de geldende participatievereisten. Artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit verplicht tot het motiveren van de vroegtijdige publieksparticipatie.
In het eerste lid is bepaald dat in de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen wordt aangegeven op welke wijze burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
Het tweede lid schrijft voor dat bij het vaststellen van het omgevingsplan wordt toegelicht hoe deze partijen daadwerkelijk zijn betrokken en wat de resultaten zijn van hun inbreng. Daarbij wordt beschreven hoe uitvoering is gegeven aan het toepasselijke participatiebeleid.
De kennisgeving is gepubliceerd op overheid.nl.
Zienswijzen en vaststellingsperiode
Op grond van afdeling 3.4 van de Awb wordt het ontwerp van de omgevingsplanwijziging gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de terinzagelegging krijgt een ieder de mogelijkheid om een zienswijze bij de gemeente in te dienen (artikel 16.23 lid 1 van de Omgevingswet). Na afloop bundelt de gemeente alle ingediende zienswijzen en stelt een nota van beantwoording op, die als bijlage bij de motivering wordt toegevoegd. Vervolgens wordt beoordeeld of het nodig is de definitieve omgevingsplanwijziging aangepast vast te stellen op basis van de zienswijzen. Daarnaast kan het omgevingsplan, of delen daarvan, door de gemeente uit eigen beweging ‘ambtshalve’ worden aangepast als daar aanleiding voor is.
De wijziging van het omgevingsplan wordt (inclusief alle onderliggende stukken) ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Als de gemeenteraad de wijziging van het omgevingsplan vaststelt, wordt het vaststellingsbesluit met de bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Hiervan wordt kennis gegeven.
Na vaststelling van de omgevingsplanwijziging kunnen belanghebbenden tijdens deze periode beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er kan daarnaast ook een verzoek om voorlopige voorziening worden ingediend. In beginsel treedt de wijziging van het omgevingsplan 4 weken na de dag van bekendmaking van het vaststellingsbesluit in werking.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-437670.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.