Gemeenteblad van Ermelo
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ermelo | Gemeenteblad 2026, 430986 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ermelo | Gemeenteblad 2026, 430986 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De gemeenteraad van de gemeente Ermelo,
gelezen de tekstinhoud van ”Ontwerp Omgevingsplanwijziging Herderlaan 51 (Callunaterrein)"
Overwegende dat:
Besluit;
"Omgevingsplan gemeente Ermelo" opgenomen in Bijlage A wordt vastgesteld.
Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad en lokale huis-aan-huisbladen.
Aldus vastgesteld door Gemeente Ermelo, DATUM
Diegenen die mogen ondertekenen
Niet getekend proef-exemplaar
A
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk bevat regels die nodig zijn voor gewenste ontwikkelingen, omdat deze ontwikkelingen in strijd zijn met het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarom is het hoofdstuk alleen van toepassing op de volgende locatie ontwikkelingslocatie Herderlaan 51 (Callunaterrein).
De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
Voor zover de regels uit andere hoofdstukken van het omgevingsplan afwijken van de regels in dit hoofdstuk gaan de regels uit dit hoofdstuk voor.
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk
Degene die een activiteit als bedoeld in dit hoofdstuk verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagdom die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd
Het is verboden locaties waar op grond van dit omgevingsplan bepaalde activiteiten zijn toegestaan, te gebruiken in strijd met de regels van dit hoofdstuk.
Activiteiten die niet zijn benoemd in dit omgevingsplan en die een mogelijk effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn niet toegestaan.
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de artikelen in dit hoofdstuk, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.
Met maatwerkvoorschriften kan het bevoegd gezag de artikelen in dit hoofdstuk aanvullen, nader invullen of ervan afwijken.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk kan worden verbonden.
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van deze paragraaf en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met dit hoofdstuk/afdeling strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk/afdeling strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van deze paragraaf voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
Deze afdeling gaat over het verrichten Woonactiviteiten, inclusief maatschappelijke activiteiten en bouwactiviteiten zoals opgenomen in subsubpragraaf 21.6.3.1.
Deze afdeling gaat over het verrichten van Groenactiviteiten en bouwactiviteiten zoals opgenomen in subsubparagraaf 21.6.3.3.
Deze afdeling gaat over het verrichten van Verkeersactiviteiten en bouwactiviteiten zoal opgenomen subsubparagraaf 21.6.3.4.
Deze afdeling gaat over het verrichten van Maatschappelijke activiteiten en bouwactiviteiten zoal opgenomen subsubparagraaf 21.6.3.2.
Artikel 21.9 Algemeen toegestane activiteiten
Alleen de activiteiten die rechtstreeks zijn toegestaan op basis van de de subparagrafen van deze paragraaf. mogen ter plaatse zonder voorafgaande toestemming of andere verplichting worden verricht.
De gebruiksactiviteiten waarvoor een verbod behoudens melding, verbod behoudens omgevingsvergunning of een voorwaardelijke verplichting geldt, mogen niet eerder worden verricht dan nadat de melding is gedaan, de omgevingsvergunning in werking is getreden of aan de voorwaardelijke verplichting is voldaan.
Andere activiteiten dan bedoeld in eerste en het tweede zijn verboden.
Artikel 21.10 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op het realiseren en gebruiken van parkeerplaatsen voor vervoersmiddelen (daaronder begrepen (vracht)auto's, fietsen en overige vervoersmiddelen) als opgenomen in bijlage Nota parkeernormen Ermelo en dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken gerealiseerd en in stand gehouden moet worden.
Artikel 21.11 Parkeernormen voor activiteiten zonder vergunningplicht
Het aantal parkeerplaatsen voor vervoersmiddelen, zoals elders in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning is bepaald, wordt in stand gehouden.
Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit omgevingsplan geen verbod behoudens omgevingsvergunning geldt, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor vervoersmiddelen.
Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan de parkeernormen volgens de beleidsregel ‘Nota parkeernormen Ermelo' in bijlage Nota parkeernormen Ermelo of, indien van toepassing, de daarna geldende beleidsregel waarin parkeernormen voor Ermelo zijn vastgelegd.
Artikel 21.12 Afwijkende parkeernormen Callunaterrein
In afwijking van het bepaalde onder artikel 21.11 geldt ter plaatse van de locatie wonen - Callunaterrein de volgende parkeernormen:
In afwijking van het bepaalde onder artikel 21.11 geldt voor de maatschappelijke activiteit zoals bedoeld in artikel 21.6.3.2 een totale parkeerbehoefte van 66 parkeerplaatsen.
Artikel 21.13 Beoordelingsregel parkeernormen voor vergunningplichtige activiteiten
Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en van bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit omgevingsplan een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor vervoersmiddelen
Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan de beleidsregel ‘Nota parkeernormen Ermelo’ of, indien van toepassing, de daarna geldende beleidsregel waarin parkeernormen voor Ermelo zijn vastgelegd
Artikel 21.14 Specifieke aanvraagvereisten parkeren
Voor activiteiten die het gebruik van gronden en bouwwerken of de omvang van het gebruik op gronden en van bouwwerken wijzigen en waarvoor op grond van dit omgevingsplan een verbod behoudens omgevingsvergunning geldt, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor vervoersmiddelen
Van voldoende parkeergelegenheid is sprake als wordt voldaan aan de beleidsregel ‘Nota parkeernormen Ermelo’ of, indien van toepassing, de daarna geldende beleidsregel waarin parkeernormen voor Ermelo zijn vastgelegd
Artikel 21.15 Omgevingsvergunning afwijken parkeernorm
Een omgevingsvergunning voor het afwijken van artikel 21.11 en 21.13 wordt verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden
Artikel 21.16 Aanwijzing cultuurhistorische waarden
Er zijn gebieden met waarde - cultuurhistorie.
Artikel 21.17 Doelstelling cultuurhistorische waarden
De gronden gelegen binnen de locatie waarde - cultuurhistorie zijn gericht op de instandhouding en bescherming van de cultuurhistorische waarden
Artikel 21.18 Vergunningplicht bouwactiviteiten binnen waarde - cultuurhistorie
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in gebieden met een cultuurhistorische waarde zoals bedoeld in artikel 21.16 de volgende bouwactiviteiten te verrichten:
Artikel 21.19 Beoordelingsregels van bouwactiviteiten binnen waarde - cultuurhistorie
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.18 wordt verleend mits geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden.
Artikel 21.20 Vergunningplicht werken en werkzaamheden binnen waarde - cultuurhistorie
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in gebieden met een cultuurhistorische waarden zoals bedoeld in artikel 21.16 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:
het vergraven en egaliseren van gronden;
het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen;
het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
het ophogen van gronden en aanleggen van (geluids)wallen;
werken en werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of ten gevolge hebben, zoals uitdiepen, draineren en slaan van putten;
werkzaamheden die ingrijpen in de groeiplaats (groei condities) van beplanting, die onderdeel is van de historische tuinaanleg.
Artikel 21.21 Uitzonderingen vergunningplicht binnen waarde - cultuurhistorie
In afwijking van artikel 21.20 geldt er geen vergunningplicht voor het verrichten van de volgende werken of werkzaamheden binnen waarde - cultuurhistorie:
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning.
Artikel 21.22 Beoordelingsregels van werken en werkzaamheden binnen waarde - cultuurhistorie
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.20 wordt verleend indien door de uitvoering van het werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden.
Artikel 21.23 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen in het gebied wonen - Callunaterrein
Artikel 21.24 Wonen - Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
Ter plaatse van de locatie wonen- Calunnaterrein zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
wonen in een woning;
wonen met zorg in een zorgwoning voor zover voldaan wordt aan artikel 21.25;
maatschappelijke activiteiten voor zover voldaan wordt aan artikel 21.26;
aan huis verbonden beroep voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 21.27;
tuinen en erven;
water en waterberging zoals sloten en vijvers, en wat daarbij hoort, zoals oevers;
het aanleggen van allerlei soorten groen, zoals bomen, struiken en planten;
spelen;
parkeren; en
het aanleggen van voorzieningen van openbaar nut.
Ter plaatse van de locatie wonen met zorg is het wonen in een zorgwoning toegestaan. Waarbij voldaan moet worden aan de voorwaarden zoals opgenomen onder Artikel 21.33 het negende lid.
Artikel 21.26 Maatschappelijk activiteiten in een woongebouw
Ter plaatse van de locatie maatschappelijk - begane grond zijn maatschappelijke activiteiten op de begane grond toegestaan. Waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarde:
Artikel 21.27 Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis
Ter plaatse van de locatie beroep en bedrijf aan huis worden uitsluitend activiteiten verricht overeenkomstig de volgende regels:
de beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten zijn opgenomen in de Lijst van niet-publiekgerichte bedrijfsmatige bedrijven aan huis of de bedrijfsmatige activiteit is qua aard, omvang en invloed vergelijkbaar met een daarin opgenomen beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;
ten hoogste 30% van de bruto vloeroppervlakte van een woning tot een maximum van 60 m2 mag worden gebruikt ten behoeve van de uitoefening van een beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteit aan huis;
bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van deze beroeps- en bedrijfsmatige activiteit;
de gezamenlijke voor de activiteiten te gebruiken bruto vloeroppervlakte per woning inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 100 m2;
in afwijking van het bepaalde onder d. bedraagt deze bruto vloeroppervlakte ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf aan huis' niet meer dan 140 m2;
de uitstraling van de woning blijft intact;
het gebruik heeft geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefmilieu;
het gebruik heeft geen nadelige gevolgen op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen nadelige toename van de parkeerbehoefte. Er wordt voldaan aan de geldende parkeernormen in overeenstemming met paragraaf 21.6.2.3
detailhandel is niet toegestaan;
het beroep wordt uitsluitend door de bewoner uitgeoefend.
Artikel 21.28 Wonen - Verboden gebruiksactiviteit
Het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning is verboden.
Artikel 21.29 Wonen - Aanwijzing vergunningsplicht gebruiksactiviteit
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een maatschappelijke activiteit te starten of te veranderen indien voldaan wordt aan artikel 21.26.
Artikel 21.31 Wonen - Bouwen toegestaan
In aanvulling op artikel 22.27 mogen de volgende bouwwerken geen gebouwen worden gebouwd:
Artikel 21.32 Wonen - Aanwijzing vergunningsplicht bouwen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een woongebouw en of bijbehorende parkeervoorziening te bouwen.
Artikel 21.33 Wonen - Beoordelingsregels bouwen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 22.29;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw wordt alleen verleend indien het woongebouw binnen het bouwvlak wordt gebouwd;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw wordt alleen verleend indien het aantal woningen per bouwvlak nier meer bedraagt dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum aantal wooneenheden;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw wordt alleen verleend indien de bouwhoogte niet hoger is dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum bouwhoogte;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw wordt alleen verleend indien de goothoogte niet hoger is dan aangegeven met de omgevingsnorm maximum goothoogte;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van aaneengebouwde woning binnen het binnen wordt alleen verleend ter plaatse van de aanduiding aaneengebouwd;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gestapelde woningen met eventueel gebouwde parkeervoorziening wordt alleen verleend ter plaatse van de aanduiding gestapeld;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woongebouw binnen het gebied wonen - Callunaterrein wordt alleen verleend indien:
er sprake is van een goede stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit als bedoeld in het ten behoeve van de transformatie vastgestelde stedenbouwkundig plan; en
er sprake is van een hoge architectonische kwaliteit van bouwwerken als bedoeld in het ten behoeve van de transformatie vastgestelde beeldkwaliteitsplan.
In aanvulling op de overige leden van dit artikel wordt een omgevingsvergunning voor een zorgwoning alleen verleend indien deze voldoet aan de PMC 19 of 20 uit De Woonstandaard.
Artikel 21.34 Wonen - Verboden bouwactiviteit
In afwijking van artikel 22.27 en 22.36 is het verbonden wonen - Callunaterrein ter plaatse van de aanduiding gestapeld bijbehorende bouwwerken te bouwen.
Artikel 21.35 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor maatschappelijke activiteiten in het gebied maatschappelijk - Callunaterrein.
Deze subsubparagraaf gaat niet over het maatschappelijke activiteiten in een woongebouw.
Artikel 21.36 Maatschappelijk - Toegestane gebruiksactiviteiten
toegestaan.
Ter plaatse van de locatie maatschappelijk - Callunaterrein zijn de volgende activiteiten toegestaan:
educatieve en sociale activiteiten;
water en waterberging zoals sloten en vijvers, en wat daarbij hoort, zoals oevers;
het aanleggen van riolering en overige ondergrondse infrastructuur;
het aanleggen van groen, zoals bomen, struiken en planten;
spelen; en
het aanleggen van voorzieningen van openbaar nut.
Artikel 21.37 Maatschappelijk - Bouwen toegestaan
In aanvulling op artikel 22.27 mogen de volgende bouwwerken geen gebouwen worden gebouwd:
Artikel 21.38 Maatschappelijke - Aanwijzing vergunningsplicht bouwen
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een gebouw te bouwen.
Artikel 21.39 Maatschappelijk - Beoordelingsregels bouwen
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 22.29;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt alleen verleend indien het gebouw binnen het bouwvlak wordt gebouwd;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt alleen verleend indien de goothoogte niet hoger is dan aangegeven bij de omgevingsnorm maximum goothoogte;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt alleen verleend indien de bouwhoogte niet hoger is dan aangegeven bij de omgevingsnorm maximum bouwhoogte;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt alleen verleend indien het bruto vloeroppervlak niet meer is dan aangegeven bij de omgevingsnorm maximum vloeroppervlak;
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw binnen het gebied maatschappelijk - Callunaterrein wordt alleen verleend indien:
er sprake is van een goede stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit als bedoeld in het ten behoeve van de transformatie vastgestelde stedenbouwkundig plan; en
er sprake is van een hoge architectonische kwaliteit van bouwwerken als bedoeld in het ten behoeve van de transformatie vastgestelde beeldkwaliteitsplan.
Artikel 21.40 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor groenvoorzieningen in het gebied groen - Callunaterrein.
Artikel 21.41 Groen - Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
Ter plaatse van de locatie 'groen - Callunaterrein’ is het gebruik van gronden toegestaan voor:
activiteiten die bijdragen aan het in stand houden van groene waarden als bedoeld in het ten behoeve van de transformatie vastgestelde stedenbouwkundig plan;
een skatepark voor zover voldaan wordt aan artikel 21.42;
water en waterberging zoals sloten en vijvers, en wat daarbij hoort, zoals oevers;
geluidwerende voorzieningen voor zover voldaan wordt aan artikel 21.43;
het aanleggen van riolering en overige ondergrondse infrastructuur;
het aanleggen en gebruiken van voet- en fietspaden;
Ter plaatse van de locatie skatepark is het aanleggen en gebruiken van een skatepark toegestaan.
Artikel 21.43 Geluidwerende voorzieningen
Ter plaatse van de locatie geluidwerende voorziening is het aanleggen en gebruiken van een geluidwerende voorziening toegestaan.
Artikel 21.44 Groen - Verboden gebruiksactiviteit
Binnen de locatie groen - Callunaterrein is het verboden te parkeren.
Artikel 21.46 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor verkeersactiviteiten in het gebied verkeer - Callunaterrein.
Artikel 21.47 Verkeer - Toegestane gebruiksactiviteiten
Ter plaatse van de locatie verkeer - Callunaterrein zijn wegen toegestaan met hoofdzakelijk een verbindingsfunctie voor het doorgaande verkeer.
De gronden in het gebied verkeer - Callunaterrein mogen worden gebruikt voor:
bewegend en stilstaand verkeer en de daarbij behorende voorzieningen;
het aanleggen van voet- en fietspaden;
spelen op een speelplein voor zover voldaan wordt aan artikel 21.48.
parkeervoorzieningen waarbij wordt voldaan aan artikel 21.49;
water en waterberging zoals sloten en vijvers, en wat daarbij hoort, zoals oevers;
het aanleggen van riolering en overige ondergrondse infrastructuur; en
het aanleggen van allerlei soorten groen, zoals bomen, struiken en planten.
Artikel 21.48 Spelen op een speelvoorziening
Ter plaatse van de locatie speelplein is het spelen op een speelplein toegestaan.
Op de locatie verkeer - Callunaterrein zijn parkeerplaatsen toegetaan
In aanvulling op op het eerste lid zijn op de locatie parkeren maximaal 66 parkeerplekken toegestaan.
Artikel 21.50 Verkeer- Bouwen toegestaan
De volgende bouwwerken geen gebouwen mogen worden gebouwd:
Ter plaatse van de locatie speelplein mogen speelvoorzieningen worden gebouwd tot maximaal 4 m hoog.
B
Artikel 22.292 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:
de volgende tekeningen:
een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;
opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;
plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:
als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en
een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:
Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie (Redengevende beschrijving en de tuinhistorische waardestelling);
als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;
een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;
een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;
aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;
voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of
als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.
C
Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0233/2026/1ff355a4d2ca49849fa19032b9422646/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/907a2f0309a04ddfa05742f648a6374a/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/2390200538404ea9b7e0bf5bd26e1d74/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/9fefc9a24b8c4d8eb9f4981326056027/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/6f7353e76cbf47efbbec5e56acb99559/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/8025eeb301954cff99b4d15085d138e9/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/69ade39a080b4127b458bf35a6c6ea89/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/1dabfcdbcaaf4d0094089fec1fe2e367/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/b0da3177c4e64b35a39d3b808d7e2472/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/99a9b93674c542abbb69abd3bd92c9f9/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/d7052eef8bab451a8f7dad7f07ef165e/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/83b2d0a258db4f9ca978d16263f5469d/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/6154c10e86634d7f8ae8efdf7735dd37/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/02ede1173d9a4d4ea5a179508c3edbac/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/fe617625ddc0413883750ac313d773f6/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/fa3501ccc5b1465d8262034ee5b15bcd/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/821e30f54ede403caa2c3e9d52375984/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/42748ad963bc445594900f19f31a8d09/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/6e5a388694e141d684c358810cadb806/nld@2026‑09‑10;14041332
D
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
geurgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten bij woningen betreft dit het het gehele perceel inclusief voor en zijtuinen;
beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
gebouw of gedeelte daarvan met alleen woonfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan, waarin meer dan een woonfunctie ligt die is aangewezen op een gemeenschappelijke verkeersroute;
een of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en of lichamelijke verzorging behoeven verzorging kan voortdurend of nagenoeg voortdurend plaatsvinden en in het gebouw kan afzonderlijke ruimte ten behoeve van de verzorging aanwezig zijn;
E
Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0233/2026/7e68cbd421f84bcb88dc746fdd4533cf/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/regdata/gm0233/2026/f9eb195cd49e416d88b9b1c2b20f277a/nld@2026‑09‑10;14041332
F
Na sectie ' Begripsbepalingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Onder sociale of medische maatschappelijke activiteit vallen bijvoorbeeld voorzieningen om elkaar te ontmoeten, huisartsen, tandartsen of een praktijk voor fysiotherapie. Er is een minimale norm opgenomen om ervoor te garanderen dat er voorziening van enige omgvang komt.
De gemeente Ermelo is voornemens een deel van het Callunaterrein in Ermelo Zuid-West te herontwikkelen. Deze herontwikkeling omvat de realisatie van twee nieuwe schoolgebouwen, de realisatie van een skatebaan en de ontwikkeling van woningbouw.
De gemeente is voornemens aan de zuidzijde van het Callunaterrein circa 60 tot 80 woningen te realiseren, verdeeld over vier woonvlakken (W1 t/m W4). Naar aanleiding van het uitgevoerde stikstofonderzoek is gebleken dat er op dit moment slechts stikstofruimte beschikbaar is voor een deel van het woningbouwprogramma. Concreet betekent dit dat uitsluitend de woonvelden W1 en W2 in deze fase planologisch mogelijk kunnen worden gemaakt. De woonvelden W3 en W4 worden op een later moment via een separate procedure ontwikkeld.
Gelet hierop heeft de gemeente besloten om de ontwikkeling van:
te bundelen in één wijziging van het omgevingsplan.
Om deze herontwikkeling mogelijk te maken, moet er afgeweken worden van het planologische regime en moet hiervoor het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Met dit wijzigingsbesluit wordt de beoogde nieuwbouw juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. De wijziging heeft betrekking op regels die nodig zijn om de realisatie van bovenstaand genoemde functies mogelijk te maken. Deze motivering gaat in op de achtergronden van dit wijzigingsbesluit, en de relatie met het wettelijk kader. Naast de motivering staat de toelichting op het omgevingsplan. De toelichting op het omgevingsplan gaat in op de technische kenmerken van het plan en bevat ook de juridische plantoelichting. Die toelichting is te vinden in het wijzigingsbesluit.
Het wijzigingsbesluit heeft betrekking op het Callunaterrein, gelegen in Ermelo Zuid-West. De exacte ligging en begrenzing van het besluitgebied zijn weergegeven in figuur 1.1.
Het geldend ruimtelijk kader wordt gevormd door het tijdelijke omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan is op 1 januari 2024 (met de inwerkingtreding van de Omgevingswet) van rechtswege in werking getreden. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, waaronder plaatselijke verordeningen. Daarnaast bestaat het tijdelijk omgevingsplan uit de bruidsschatregels. Dit zijn de voormalige rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar decentrale overheden.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Kom Ermelo’” van de gemeente Ermelo. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 23 januari 2013. Daarnaast geldt het bestemmingplan “Parkeernormen” (vastgesteld op 8 juni 2017). Figuur 1.2 toont een uitsnede van het ter plaatse geldend ruimtelijke kader.
Het plangebied heeft op basis van het bestemmingsplan “Kom Ermelo” de enkelbestemmingen ‘Verkeer-Verblijfsgebied’, ‘Groen’, ‘Sport’ en ‘Maatschappelijk’. Over een groot deel van het plangebied ligt ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie H’.
De voorgenomen ontwikkeling ziet op de realisatie van woningen, twee schoolgebouwen en de verplaatsing van de skatebaan. Deze functies zijn beoogd op gronden die op basis van het tijdelijke omgevingsplan de hiervoor genoemde bestemmingen hebben, waardoor de ontwikkeling niet past binnen het geldende planologische regime.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggende wijziging voorziet in het planologisch-juridisch kader om het voorgenomen plan te realiseren.
Dit rapport is als volgt opgesteld: hoofdstuk 2.1 beschrijft de huidige situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de beoogde ontwikkeling omschreven. In hoofdstuk 4 volgt een toetsing van het initiatief aan het geldende relevante beleid. Vervolgens komen in hoofdstuk 5 de relevante onderzoeks- en milieuaspecten aan de orde. Hoofdstuk 6.1 geeft aan of er sprake is van een beperkingengebied. Daarna behandelt hoofdstuk 7 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Functies en ligging
Het Callunaterrein kent momenteel een mix van maatschappelijke en sportieve functies. Binnen het plangebied bevinden zich twee basisscholen: de Augustinusschool aan de noordzijde en De Klokbeker
aan de zuidrand, grenzend aan de Groevenbeekse Heide. Daarnaast zijn er nog enkele buurtgerichte functies aanwezig, waaronder een ontmoetingsruimte van de duivenvereniging en een skatebaan.
Het plangebied vormt daarmee een multifunctioneel gebied met onderwijs-, sport- en recreatieve functies. Tegelijkertijd is een deel van de bebouwing verouderd of niet meer in gebruik, waardoor herontwikkeling gewenst is.
Het Callunaterrein ligt aan de zuidwestzijde van de kern Ermelo en vormt een overgangsgebied tussen de bestaande woonwijk en het buitengebied. De ligging wordt gekarakteriseerd door:
Westzijde: begrensd door bedrijventerrein Kerkdennen;
Zuidzijde: grenst direct aan de Groevenbeekse Heide, een waardevol natuurgebied dat bijdraagt aan de landschappelijke kwaliteit en de beleving van het gebied;
Oost- en noordzijde: sluit aan op de bestaande woonbebouwing aan de De la Reystraat, waarmee het plangebied een schakel vormt tussen de woonwijk en het buitengebied;
Verkeersstructuur
Het Callunaterrein kent op dit moment een tweezijdige ontsluiting met verschillende verkeerskarakters. Aan de westzijde is het terrein goed bereikbaar per auto via de Herderlaan, die aansluit op het bedrijventerrein Kerkdennen. Deze zijde is daarmee logisch gepositioneerd als hoofdontsluiting voor gemotoriseerd verkeer.
Aan de oostzijde sluit het gebied aan op de aangrenzende woonwijk. Deze zijde is van belang voor langzaam verkeer en vormt een aantrekkelijke toegang voor kinderen (en andere gebruikers) te voet en per fiets. In de huidige situatie wordt er echter veel gefietst over de voetpaden die hier niet geschikt voor zijn, wat leidt tot onduidelijkheid en conflicten in het gebruik.
Groenstructuur
Het Callunaterrein ligt tussen de Groevebeekse heide en groenzone zuid. Binnen het plangebied zelf is sprake van een rijke, volwassen groenstructuur die zich in de loop der jaren rond de bestaande bebouwing heeft gevormd. Hierdoor is een mozaïek ontstaan van groene ‘kamers’, afgebakend door opgaand groen.
De ligging aan de rand van de bebouwde kom en de directe aansluiting op de Groevenbeekse Heide geven het gebied een bijzondere landschappelijke waarde. Tegelijkertijd is de huidige inrichting versnipperd en zijn sommige functies (zoals het voormalige zwembad/sporthal) verouderd of niet meer in gebruik. Dit biedt kansen voor herontwikkeling waarbij de ruimtelijke kwaliteit kan worden versterkt door een betere samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en natuur.
De herontwikkeling van het Callunaterrein betreft een integrale gebiedsontwikkeling waarbij bestaande maatschappelijke en recreatieve functies worden vernieuwd en gecombineerd met woningbouw. Het doel is te komen tot een samenhangend en toekomstbestendig gebied waarin onderwijs, wonen en voorzieningen ruimtelijk en functioneel op elkaar zijn afgestemd.
Binnen het plangebied worden twee basisscholen (De Augustinusschool en De Klokbeker) en de skatebaan opnieuw ingepast, in combinatie met een nieuw woonprogramma. Daarbij wordt ingezet op een gevarieerd woningaanbod met nadruk op betaalbare en passende woningtypologieën.
De ontwikkeling wordt gefaseerd uitgevoerd. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan ziet op:
de realisatie van twee schoolgebouwen;
de verplaatsing van de duivenvereniging;
de ontwikkeling van de woonvelden W1 (14 grondgebonden woningen) en W2 (26 appartementen).
De overige woonvelden (W3 en W4) maken geen onderdeel uit van deze wijziging en worden op een later moment planologisch mogelijk gemaakt.
De ruimtelijke uitwerking van de ontwikkeling is vastgelegd in het vastgestelde stedenbouwkundig plan. Dit document vormt de ruimtelijke onderlegger voor het ontwerp van het omgevingsplan en is als bijlage bij deze motivering opgenomen (zie Bijlage 1: Vastgesteld stedenbouwkundig ontwerp).
Binnen het plangebied worden twee nieuwe basisscholen gerealiseerd: de Augustinusschool en De Klokbeker. Beide scholen worden gehuisvest in nieuwbouw en zijn gericht op het bieden van moderne, duurzame en toekomstbestendige onderwijsvoorzieningen.
De Augustinusschool biedt ruimte aan circa 325 leerlingen, inclusief kinderopvang. De Klokbeker heeft een vergelijkbare omvang en combineert onderwijs eveneens met kinderopvang. Hiermee wordt invulling gegeven aan de behoefte aan toekomstbestendige onderwijshuisvesting.
De scholen worden centraal binnen het gebied gepositioneerd, waarbij de bestaande groenstructuur als ruimtelijk kader fungeert. Deze positionering maakt het mogelijk om de huidige schoolfuncties tijdens de realisatie in gebruik te houden en draagt bij aan een zorgvuldige fasering van de ontwikkeling.
De scholen hebben een gezamenlijke footprint van ca. 2352 m2 en twee bouwlagen.
Naast de maatschappelijke functies wordt binnen het plangebied woningbouw gerealiseerd. De woningbouw maakt onderdeel uit van de bredere herontwikkeling van het Callunaterrein, waarin oorspronkelijk vier woonvelden (W1 tot en met W4) zijn voorzien met in totaal maximaal 75 woningen.
Als gevolg van de beschikbare stikstofruimte is het programma in deze fase beperkt tot de ontwikkeling van woonvelden W1 en W2. De woonvelden W3 en W4 worden op een later moment mogelijk gemaakt via een separate procedure. De onderliggende onderzoeken zijn grotendeels gebaseerd op het volledige programma en worden – waar relevant – in een later stadium opnieuw benut of geactualiseerd (zie hoofdstuk 5).
Het woningbouwprogramma maakt onderdeel uit van een bredere gemeentelijke opgave, waarbij het programma is gekoppeld aan de ontwikkeling van de locatie bij de Wethouder Balverszaal (circa 41 sociale woningen). Deze koppeling blijft behouden, zodat de woningbouwprogrammering op beide locaties in samenhang kan worden beschouwd en in latere fasen (onder meer W3 en W4) kan worden geoptimaliseerd. Voor beide locaties geldt als uitgangspunt dat:
50% van het programma bestaat uit sociale woningbouw;
circa twee derde van het totale programma bestaat uit sociaal en betaalbaar segment.
Binnen de voorliggende fase (W1 en W2) wordt een programma gerealiseerd met een relatief groot aandeel sociale en betaalbare woningen. Op totaalniveau blijft de koppeling met de Wethouder Balverszaallocatie uitgangspunt voor de programmatische balans binnen de gebiedsontwikkeling.
Binnen deze wijziging wordt een concreet woningprogramma gerealiseerd bestaande uit in totaal 40 woningen, verdeeld over twee bouwblokken:
Bouwblok W1 (oostzijde)
Parkeren wordt opgelost op maaiveld binnen het bouwblok
Bouwblok W2 (westzijde)
18 appartementen in het sociale segment
8 appartementen in het betaalbare koop- en/of middeldure huursegment
Parkeren wordt gerealiseerd in een parkeervoorziening onder de appartementen
Hiermee bestaat bouwblok W1 volledig uit vrije sector woningen, terwijl bouwblok W2 bestaat uit sociale en betaalbare woningen.
Bouwblok W2 is daarbij primair gericht op het huisvesten van ouderen, in een combinatie van sociale en betaalbare woningen. Binnen dit bouwveld is tevens ruimte voorzien voor een aanvullende maatschappelijke functie. In ieder geval wordt een ontmoetingsruimte gerealiseerd, met daarnaast de mogelijkheid om in de toekomst ruimte te bieden aan zorggerelateerde functies (bijvoorbeeld een fysiotherapiepraktijk). De precieze invulling hiervan wordt in de verdere planuitwerking nader bepaald.
Met deze opzet wordt invulling gegeven aan een gedifferentieerd woningaanbod, met een duidelijke nadruk op sociale en betaalbare appartementen, aangevuld met grondgebonden woningen in de vrije sector. Hiermee wordt aangesloten op de behoefte van onder meer starters, senioren en doorstromers, en wordt bijgedragen aan de gemeentelijke ambitie om passende en betaalbare woningen te realiseren.
In de huidige situatie wordt er veel gefietst over de voetpaden die hier niet geschikt voor zijn, wat leidt tot onduidelijkheid en conflicten in het gebruik. Een heldere, gescheiden verkeersstructuur is daarom wenselijk. Door langzaam verkeer en autoverkeer ruimtelijk van elkaar te scheiden en de langzaamverkeersroutes logisch te laten aansluiten op het omliggende netwerk, kan het gebied goed worden verweven met zijn omgeving én veilig worden ingericht voor alle gebruikers. De hoofdontsluiting voor autoverkeer wordt daarbij bij voorkeur geconcentreerd aan de zijde van de Herderlaan. De concrete uitwerking van de verkeersstructuur, en met name die voor langzaam verkeer, wordt nog nader uitgewerkt.
De bestaande groenstructuur vormt een belangrijk uitgangspunt voor de herontwikkeling van het Callunaterrein. Het gebied kenmerkt zich door een volwassen groenstructuur met bosachtige beplanting, waarin in de loop der jaren een mozaïek van groene ‘kamers’ is ontstaan.
Deze structuur geeft het gebied een parkachtig karakter en zorgt voor een sterke landschappelijke inpassing, mede door de directe aansluiting op de Groevenbeekse Heide. Tegelijkertijd is de huidige inrichting versnipperd en ontbreekt samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en groen.
De herontwikkeling zet in op behoud en versterking van deze groenstructuur. De positionering van scholen, woningbouw en de skatebaan vindt plaats binnen dit groene raamwerk, waarbij bestaande beplanting waar mogelijk wordt behouden en aangevuld. Daarmee wordt aangesloten op het gemeentelijk beleid ten aanzien van groen en klimaatadaptatie (hoofdstuk 4).
Met de beoogde ontwikkeling wordt het Callunaterrein herontwikkeld tot een samenhangend en toekomstbestendig gebied waarin onderwijs, wonen en recreatie op een evenwichtige wijze worden gecombineerd. Door de gefaseerde aanpak wordt rekening gehouden met de beschikbare milieuruimte, terwijl tegelijkertijd wordt toegewerkt naar een integrale gebiedsontwikkeling.
In de volgende hoofdstukken wordt aangetoond dat deze ontwikkeling beleidsmatig aanvaardbaar (hoofdstuk 4), milieuhygiënisch uitvoerbaar (hoofdstuk 5) en financieel en maatschappelijk haalbaar is (hoofdstuk 7).
In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het relevante beleid van Rijk, provincie, waterschap en gemeente. Daarbij is rekening gehouden met de gefaseerde ontwikkeling van het Callunaterrein, waarbij deze wijziging uitsluitend ziet op de realisatie van de scholen en de woonvelden W1 en W2.
De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Toetsing
De ontwikkeling van het Callunaterrein draagt bij aan de NOVI-prioriteit “sterke en gezonde steden en regio’s”. Door de realisatie van moderne onderwijsvoorzieningen en woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in een actuele maatschappelijke behoefte en wordt zorgvuldig omgegaan met de beschikbare ruimte.
Daarnaast wordt ingezet op duurzaamheid, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving, zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 5.
Het Rijk heeft instructieregels gegeven waar het omgevingsplan aan moet voldoen. De regels zijn hoofdzakelijk opgenomen in het Bkl. Niet alle instructieregels zijn relevant voor elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's:
|
Thema |
Paragraaf Bkl |
Relevant voor wijzigingsbesluit? |
Verwijzing paragraaf |
|
Veiligheid |
5.1.2 |
Ja |
|
|
Waterbelangen |
5.1.3 |
Ja |
|
|
Luchtkwaliteit |
5.1.4.1 |
Ja |
|
|
Geluid door Activiteiten |
5.1.4.2 |
Ja |
|
|
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen |
5.1.4.2a |
Ja |
|
|
Slagschaduw van windturbines |
5.1.4.4a |
Nee |
|
|
Geluid rond luchthavens |
5.1.4.3 |
Nee |
|
|
Trillingen |
5.1.4.4 |
Nee |
|
|
Bodemkwaliteit |
5.1.4.5 |
Ja |
|
|
Geur |
5.1.4.6 |
Nee |
|
|
Vrije horizon kust |
5.1.5.2 |
Nee |
|
|
Waddenzee en Waddengebied |
5.1.5.3 |
Nee |
|
|
Ladder voor duurzame verstedelijking |
5.1.5.4 |
Ja |
|
|
Cultureel erfgoed en werelderfgoed |
5.1.5.5 |
Ja |
|
|
Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen |
5.1.6.2 |
Nee |
|
|
Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang |
5.1.6.3 |
Nee |
|
|
Landsverdediging |
5.1.7.2 |
Nee |
|
|
Elektriciteitsvoorziening |
5.1.7.3 |
Nee |
|
|
Rijksvaarwegen |
5.1.7.4 |
Nee |
|
|
Communicatie burgerluchtvaart |
5.1.7.5 |
Nee |
|
|
Landelijke fiets- en wandelroutes |
5.1.7.6 |
Nee |
|
|
Toegankelijkheid openbare ruimte |
5.1.8 |
Ja |
|
|
Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen |
5.2 |
Nee |
|
|
Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool |
5.2 |
Nee |
|
|
Bebouwingscontour jacht |
5.2 |
Nee |
|
|
Bebouwingscontour houtkap |
5.2 |
Nee |
|
|
Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's |
5.2 |
Nee |
|
In hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de thema’s voor zover relevant nader uitgewerkt.
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld welke de afgelopen jaren op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.
De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:
Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.
Toetsing
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat geen specifieke uitspraken over dit initiatief of het plangebied. Wel sluit de voorgenomen functiewijziging aan bij verschillende provinciale ambities.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een integrale herontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij verouderde maatschappelijke voorzieningen worden vervangen en gecombineerd met woningbouw. Hiermee wordt invulling gegeven aan het provinciale uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit door herstructurering in plaats van uitbreiding.
De realisatie van twee nieuwe basisscholen draagt bij aan het in stand houden en toekomstbestendig maken van essentiële voorzieningen. Dit sluit aan bij de provinciale ambitie om te komen tot een duurzaam en divers woon‑ en leefklimaat, waarin voorzieningen op peil blijven en bijdragen aan de leefbaarheid van stedelijke gebieden.
Daarnaast voorziet het plan – voor zover deze wijziging ziet op woonvelden W1 en W2 – in woningbouw die aansluit bij de regionale woningbehoefte. Daarmee wordt bijgedragen aan de provinciale opgave om te voorzien in voldoende en passende woningen, binnen de kaders van een zorgvuldig ingerichte leefomgeving.
Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en bijdraagt aan een toekomstbestendige inrichting van het stedelijk gebied.
De provincie Gelderland heeft een ontwerp-Omgevingsvisie ter inzage gelegd (2026), waarin de provinciale koers voor de fysieke leefomgeving wordt geactualiseerd.
De ontwerp-Omgevingsvisie Gelderland (2026) heeft op dit moment nog geen formele juridische status. Tot het moment van vaststelling blijft de geldende Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (2018) het formeel bindende beleidskader voor provinciaal beleid. De ontwerpvisie kan echter wel worden beschouwd als een indicatie van de toekomstige beleidsrichting.
Deze ontwerpvisie bevat gebiedsgerichte uitwerkingen in zogenoemde werkingsgebieden, gekoppeld aan specifieke ontwikkelrichtingen en kwaliteiten.
Het plangebied Callunaterrein ligt binnen meerdere werkingsgebieden, waaronder:
het stedelijk netwerk Ermelo, Harderwijk, Putten, Zeewolde (EHPZ) en de overkoepelende categorie stedelijke netwerken;
de aanduidingen steden en dorpen en regiokernen;
landschappelijke gebieden zoals de Gelderse streek Randmeerkust, de Gelderse streken en de Hoge zandgronden (Veluwe en stuwwallen).
Binnen de ontwerp-Omgevingsvisie wordt voor deze gebieden ingezet op:
versterking van bestaand stedelijk gebied en zorgvuldig ruimtegebruik;
het concentreren van woningbouw en voorzieningen binnen stedelijke netwerken en kernen;
het behouden en versterken van landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten, met oog voor gebiedsspecifieke kenmerken;
het combineren van functies (wonen, voorzieningen, groen en mobiliteit) binnen integrale gebiedsontwikkelingen.
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling van het Callunaterrein sluit op hoofdlijnen aan bij deze uitgangspunten:
De ontwikkeling betreft een herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied en ligt binnen het stedelijk netwerk EHPZ. Hiermee wordt aangesloten bij het provinciale uitgangspunt om verstedelijking primair in bestaande kernen te realiseren.
Met de combinatie van onderwijsvoorzieningen, woningbouw en groen wordt invulling gegeven aan een integrale gebiedsontwikkeling, passend binnen de ontwikkelrichting voor steden en dorpen.
De ontwikkeling houdt rekening met de overgang naar het omliggende landschap, waarbij de bestaande groenstructuur wordt behouden en versterkt (zie paragraaf 3.5). Hiermee wordt aangesloten bij de ambities voor de Gelderse streken en de Veluwe.
Voor de landschappelijke werkingsgebieden geldt dat het plangebied aan de rand van de kern Ermelo ligt en een duidelijk stedelijk karakter heeft. De kernkwaliteiten van de Gelderse streek Randmeerkust en de Veluwe zijn daardoor slechts beperkt direct van toepassing op deze locatie. Desondanks wordt binnen het plan ingezet op een zorgvuldige landschappelijke inpassing en versterking van de groenstructuur.
Met een ruimtelijke verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. De provincie kan in de omgevingsverordening instructieregels opnemen. Dat staat in paragraaf 2.5.1 van de Omgevingswet. Het doel van de instructieregel is dat wordt voldaan aan omgevingswaarden of dat andere doelstellingen van de provincie voor de fysieke leefomgeving worden bereikt (artikel 2.22 Omgevingswet).
Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten.
Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende regels van toepassing welke relevant zijn voor dit initiatief:
Artikel 5.42: Gelderse streken: Randmeerkust
Artikel 4.16: Intrekgebied
Hoofdstuk 4a: Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie
Artikel 5.64: doorwerking regionale woonafspraken
Hieronder worden de artikelen en de gevolgen voor dit initiatief uitgewerkt.
Artikel 5.42 Beschermen landschap Gelderse streek Randmeerkust
Dit artikel voorziet in de bescherming van de landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse van het plangebied. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Randmeerkust wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Voor de Randmeerkust zijn 9 kernkwaliteiten met bijbehorende ontwikkeldoelen opgesteld.
Gradiënt van hoog naar laag – Overgang van Veluwe naar Randmeren, met kwelzones en beken.
Kleinschalig coulisselandschap – Afwisseling van bouwlanden, houtwallen, lanen en parkbossen.
Historische Zuiderzeestraatweg – Dorpenweg met monumentale dorpen en groene ruimten ertussen.
Open veenlandschap – Grote openheid en karakteristieke verkaveling tussen Elburg en Harderwijk.
Open polder- en veenlandschap – Weinig bebouwing, kenmerkende verkaveling, vooral grasland.
Polder Arkemheen – Extreme openheid, stilte, oude verkaveling en weinig bebouwing.
Microreliëf – Dekzandruggen, strandwallen en terpen met kleinschalige verkaveling.
Zichtlijnen – Uitzichten op Veluwe, Randmeren en Flevoland behouden.
Ecologische waarden – Waardevolle natuur langs beken, kust en weidevogelgebieden, inclusief Natura 2000.
Hoewel het plangebied formeel binnen de aanduiding van de Gelderse streek Randmeerkust valt, zijn de in artikel 5.42 genoemde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen niet of nauwelijks van toepassing op het Callunaterrein. Het terrein ligt aan de zuidwestelijke rand van de bebouwde kom van Ermelo en heeft een stedelijk karakter, direct grenzend aan bestaande woonwijken, een bedrijventerrein en maatschappelijke voorzieningen.
De kernkwaliteiten van de Randmeerkust richten zich vooral op het open veen- en polderlandschap, karakteristieke verkavelingspatronen, zichtlijnen, microreliëf, en ecologische waarden die kenmerkend zijn voor het landelijke gebied tussen Elburg en Harderwijk en de directe omgeving van de Randmeren. De in de verordening benoemde kernkwaliteiten (zoals openheid, verkavelingspatronen en zichtlijnen) zijn daarmee niet of slechts in beperkte mate aanwezig binnen het plangebied. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot aantasting van deze kernkwaliteiten.
Tegelijkertijd wordt binnen het plan ingezet op behoud en versterking van de aanwezige groenstructuur en een zorgvuldige landschappelijke inpassing (zie paragraaf 3.5 en hoofdstuk 5), waarmee invulling wordt gegeven aan het uitgangspunt van ruimtelijke kwaliteit.
Artikel 4.16 Intrekgebied
Dit artikel voorziet in de bescherming van het intrekgebied van het grondwater. Ter plaatse van de intrekgebieden is het niet toegestaan om vervuilende activiteiten uit te voeren. Deze ontwikkeling voorziet niet in de toevoeging van vervuilende activiteiten. Onderzoek of maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4a Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie
Binnen het beperkingengebied stikstofemissie geldt dat nieuwe activiteiten alleen zijn toegestaan indien deze geen significante negatieve effecten veroorzaken op stikstofgevoelige natuur, dan wel hiervoor een toereikende onderbouwing en vergunning wordt verkregen.
Voor de ontwikkeling van het Callunaterrein is een stikstofonderzoek uitgevoerd, waarbij is beoordeeld in hoeverre de voorgenomen activiteiten leiden tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Gelet op de beschikbare stikstofruimte is ervoor gekozen de ontwikkeling gefaseerd uit te voeren, waarbij deze wijziging uitsluitend ziet op de realisatie van de scholen en de woonvelden W1 en W2.
De uitkomsten van het stikstofonderzoek en de beoordeling van de effecten op Natura 2000-gebieden zijn nader uitgewerkt in paragraaf 5.3.13.
Mitigerend en in samenhang met de gefaseerde opzet wordt voldaan aan de regels voor stikstofemissie uit de Omgevingsverordening.
5.64 Doorwerking regionale woonafspraken
Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda.
Als een ontwikkeling niet past binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als:
de gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en
Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen.
In maart 2023 werden zes Woondeals ondertekend, met daarin de afspraak dat er tot en met 2030 104.000 woningen bij komen in de provincie Gelderland. Voor de Regio Foodvalley en de regio’s Achterhoek, Stedendriehoek, Groene Metropoolregio, Noord-Veluwe en Rivierenland zijn afspraken gemaakt over de te bouwen aantallen woningen, de betaalbaarheid, de plancapaciteit en de voorwaarden. Van de 104.000 huizen die worden bijgebouwd is 31% sociale huur, 10% middenhuur en 24% betaalbare koopwoningen (tot 355.000 euro).
Dit project, dat voorziet in de bouw van 60 tot 80 woningen, past binnen deze regionale afspraken en draagt bij aan de gezamenlijke doelen voor aantallen, betaalbaarheid en woningtypen (waaronder sociale huur, middenhuur en betaalbare koop).
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe en is in november 2021 vastgesteld. Het waterschap werkt aan een waardevolle en duurzame leefomgeving. In het BOP worden doelen gesteld voor de periode 2022-2027.
Waterveiligheid (Op orde houden, gevolgenbeperking en op orde brengen)
Watersysteem (Robuust watersysteem, goede overheid, verbonden water, natuurlijk water en voldoende zoetwater);
Wonen en zuiveren (Waterinclusief, watertoekomst en water zuiveren);
Veranderopgave; circulaire economie (duurzame samenwerking, hergebruik zuiveringsslib, slim verminderen en gebruik van biomassa én schoner effluent);
Veranderopgave: Energietransitie (Energie besparen, verminderen en compenseren van uitstoot broeikasgassen, energie duurzaam inkopen, biogas en energie duurzaam opwekken).
Nadere toetsing aan de waterbelangen vindt plaats in paragraaf 5.3.13.
De Omgevingsvisie Ermelo (vastgesteld op 26 januari 2022) geeft richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente en vormt het integrale beleidskader voor de fysieke leefomgeving. In de visie staan onder meer de volgende thema’s centraal:
behoud en versterking van maatschappelijke voorzieningen;
ontwikkeling van een gezonde, groene en inclusieve leefomgeving;
woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied;
duurzaamheid en klimaatadaptatie;
bereikbaarheid en verkeersveiligheid.
Toetsing
Voor de voorgenomen ontwikkeling van het Callunaterrein zijn met name de volgende thema’s relevant.
1. Behoud en versterking van sociaal-maatschappelijke voorzieningen
De Omgevingsvisie zet in op het behouden en versterken van voorzieningen in de wijken. Daarbij wordt expliciet benoemd dat bestaande voorzieningen, waaronder scholen, waar mogelijk behouden en vernieuwd dienen te worden, mede omdat een groot deel van de bestaande schoolgebouwen verouderd is.
De realisatie van de nieuwe Augustinusschool en De Klokbeker geeft hier direct invulling aan. Beide scholen worden vervangen door moderne en toekomstbestendige gebouwen, waarmee de kwaliteit van het onderwijs en de leefomgeving in de wijk wordt versterkt.
2. Gezonde, inclusieve en beweegvriendelijke leefomgeving
De Omgevingsvisie onderstreept het belang van een gezonde leefomgeving, met aandacht voor groen, bewegen en ontmoeting.
Binnen de ontwikkeling van het Callunaterrein wordt dit vertaald in een groene inrichting van het gebied, waarbij ruimte wordt geboden voor verblijf, spel en beweging. De combinatie van onderwijsvoorzieningen, woningbouw en een skatebaan draagt bij aan een levendige en toegankelijke omgeving waarin bewegen en ontmoeten worden gestimuleerd.
3. Wijkgericht werken en sociale cohesie
In de Omgevingsvisie wordt ingezet op het versterken van sociale cohesie en het wijkgericht organiseren van voorzieningen.
Door de scholen in de wijk te behouden en te vernieuwen, blijven deze functioneren als belangrijke ontmoetingsplek voor kinderen, ouders en omwonenden. In combinatie met de toevoeging van woningbouw ontstaat een gebied waarin verschillende functies en doelgroepen samenkomen, wat bijdraagt aan de leefbaarheid en het gemeenschapsgevoel in de wijk.
4. Woningbouw en zorgvuldig ruimtegebruik
De Omgevingsvisie zet in op woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij herstructurering en inbreiding de voorkeur hebben boven uitbreiding.
De ontwikkeling van de woonvelden W1 en W2 past binnen deze lijn, doordat wordt ingezet op herontwikkeling van een bestaand terrein. De woningbouw draagt bij aan de gemeentelijke opgave om voldoende en passende woningen te realiseren voor verschillende doelgroepen. Omdat deze wijziging slechts een deel van het totale woningbouwprogramma mogelijk maakt, wordt de ontwikkeling in samenhang met de verdere herontwikkeling van het Callunaterrein bezien.
5. Duurzaamheid en klimaatadaptatie
De Omgevingsvisie benoemt duurzaamheid en klimaatadaptatie als belangrijke opgaven, met aandacht voor energiezuinig bouwen, vergroening en het omgaan met water en hitte.
De voorgenomen ontwikkeling sluit hierop aan door in te zetten op energiezuinige en toekomstbestendige gebouwen en door het versterken van de groenstructuur. De concrete invulling van deze thema’s, waaronder waterberging en klimaatadaptieve maatregelen, wordt nader uitgewerkt in hoofdstuk 5.
6. Bereikbaarheid en verkeersveiligheid
De Omgevingsvisie benadrukt het belang van een veilige en toegankelijke infrastructuur, met name voor langzaam verkeer en rondom voorzieningen zoals scholen.
In het plan voor het Callunaterrein wordt de verkeersstructuur heringericht, waarbij langzaam verkeer en autoverkeer beter van elkaar worden gescheiden en de routes logisch aansluiten op het omliggende netwerk. Dit draagt bij aan een veilige situatie, met name voor schoolgaande kinderen (zie ook paragraaf 3.4 en paragraaf 5.3.4).
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling van het Callunaterrein – voor zover deze wijziging ziet op de scholen en de woonvelden W1 en W2 – sluit goed aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Ermelo. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud en de versterking van voorzieningen, de realisatie van woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied en de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.
Er zijn geen beleidsmatige belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie voor de vaststelling van dit omgevingsplan.
Sinds de woonvisie uit 2015 zijn er veel ontwikkelingen geweest op de woningmarkt. Zo is de druk op de woningmarkt flink toegenomen en zijn de huizenprijzen gestegen. Hierdoor hebben veel huishoudens en met name starters en de ouderen moeite om geschikte en passende woonruimte te vinden. Om in te spelen op de veranderingen heeft de gemeente in 2020 een woonvisie opgesteld.
Exclusief staat voor de woonomgeving die de gemeente Ermelo biedt; groen, gezond, een sterke sociale verbondenheid en zorgstructuur. Deze woonomgeving wil de gemeente toegankelijk houden voor iedereen. Dit betekent dat de gemeente zich gaat inspannen voor een gevarieerd woningaanbod voor jong en oud, kleine en grote huishoudens, lage, midden en hoge inkomens en voor mensen met een specifieke zorgvraag. Om de visie te realiseren zet de gemeente in op drie strategische woonopgaven:
Samen investeren in toekomstbestendige buurten en buurtschappen;
Woningbouwprogramma in balans;
Passend en betaalbaar wonen voor iedereen.
Nieuwbouw, herstructurering en transformatie zet de gemeente de komende jaren in voor alle doelgroepen. De gemeente heeft hierbij een programmering van nieuwbouwwoningen voor ogen waarin een goede balans is tussen de behoefte van de korte termijn en de lange termijn. Ook stimuleren ze bij elke nieuwbouwaanvraag de inzet op groen- en natuurinclusief bouwen. In Ermelo streeft de gemeente naar een woningvoorraad die zoveel mogelijk past bij de woonwensen, inkomens, levensfase en huishoudenssamenstelling van onze inwoners. Er is keuze voor iedereen, mede door een passend en betaalbaar woningaanbod. Hierbij zetten ze onder andere in op het vergroten van het aantal sociale huurwoningen.
Toetsing
De woningbouw binnen het Callunaterrein sluit aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie Ermelo.
De ontwikkeling van woonvelden W1 en W2 voorziet in een concreet programma van 40 woningen, bestaande uit grondgebonden woningen en appartementen. Hiermee wordt invulling gegeven aan een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de behoefte van verschillende doelgroepen. Met name het accent op compacte appartementen draagt bij aan de beschikbaarheid van betaalbare woningen, zoals beoogd in de woonvisie.
Daarbij is bouwveld W2 specifiek gericht op het huisvesten van ouderen, in een mix van sociale en middeldure woningen. In combinatie met de mogelijkheid voor een aanvullende maatschappelijke functie ontstaat ruimte voor een meer geclusterde woonvorm. Hiermee wordt aangesloten op de groeiende behoefte aan passende woonvormen voor senioren en aan woonconcepten waarin ontmoeting en onderlinge ondersteuning centraal staan. Dit sluit aan bij de ambitie uit de woonvisie om te voorzien in woningen die passen bij verschillende levensfasen en woonbehoeften.
De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en betreft herstructurering van een bestaande locatie. Dit sluit aan bij de gemeentelijke strategie om nieuwe woningbouw primair via inbreiding en herontwikkeling te realiseren.
Daarnaast draagt het plan bij aan de kwaliteit van de leefomgeving door de integrale ontwikkeling van wonen in combinatie met voorzieningen en groen. Daarmee wordt invulling gegeven aan de ambitie om te komen tot toekomstbestendige en leefbare buurten.
Omdat deze wijziging slechts een deel van het totale woningbouwprogramma op het Callunaterrein mogelijk maakt, wordt de bijdrage aan de woonvisie in samenhang met de verdere gebiedsontwikkeling bezien. De in deze fase gerealiseerde woningbouw vormt een eerste stap in deze bredere opgave.
De Verordening sociale woningbouw gemeente Ermelo 2022 stelt regels om te waarborgen dat nieuwbouwprojecten in Ermelo voldoende bijdragen aan het aandeel sociale en betaalbare woningen in de gemeente. De verordening vormt daarmee een kader voor zowel sociale huur, sociale koop (laag) als middenhuur.
De volgende bepalingen uit de verordening zijn relevant voor de ontwikkeling van het Callunaterrein:
Sociaal aandeel: nieuwbouwplannen moeten bijdragen aan de gemeentelijke ambitie dat ten minste 50% van de woningen in nieuwbouwprojecten bestaat uit sociale huurwoningen of sociale koopwoningen-laag. Deze norm is verbonden aan het vereveningsfonds sociale woningbouw.
Sociale koopwoning-laag: een koopwoning tot maximaal €300.000 v.o.n. (prijs jaarlijks indexeerbaar conform landelijke betaalbaarheidsgrens).
Middenhuur: een geliberaliseerde huurwoning met een aanvangshuurprijs tot €1.000 per maand, conform landelijke kaders.
Doelgroepgericht bouwen: woningen moeten worden bestemd voor huishoudens binnen de inkomens- en doelgroepgrenzen uit de verordening (zoals gedefinieerd in het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting).
Toetsing
De woningbouw op het Callunaterrein (zuid) maakt onderdeel uit van één programmatisch geheel met de ontwikkeling van de locatie Wethouder Balverzaal (41 sociale woningen). De beoordeling aan de verordening vindt daarmee plaats op het niveau van het gezamenlijke programma, en niet uitsluitend op het niveau van het deelplan voor het Callunaterrein.
Deze werkwijze sluit aan bij de systematiek van de verordening, waarin ruimte bestaat voor verevening tussen deelontwikkelingen, mits op gebiedsniveau wordt voldaan aan de gestelde eisen ten aanzien van het sociale en betaalbare segment.
Voor beide locaties gezamenlijk geldt als uitgangspunt dat:
circa 50% van het programma bestaat uit sociale woningbouw;
circa twee derde van het totale programma bestaat uit sociaal en betaalbaar segment.
Binnen het Callunaterrein wordt dit onder meer ingevuld door:
een substantieel aandeel appartementen in bouwveld W2, geschikt voor sociale en middeldure segmenten;
een expliciete focus op doelgroepen zoals ouderen, met een mogelijke geclusterde woonvorm in combinatie met een maatschappelijke functie;
een woningtypologie met relatief compacte appartementen, passend bij betaalbare segmenten.
Hiermee wordt niet alleen bijgedragen aan het realiseren van het vereiste aandeel sociale en betaalbare woningen, maar ook aan de doelstelling uit de verordening om doelgroepgericht en passend te bouwen.
De gemeente Ermelo heeft de Visie en uitvoeringsprogramma Duurzaamheid 2024-2028 vastgesteld, waarin de ambitie is opgenomen om in 2050 klimaatneutraal, klimaatbestendig en natuurpositief te zijn. De visie richt zich op vier hoofdthema’s:
Daarnaast wordt ingezet op een integrale aanpak van duurzaamheid, waarbij ruimtelijke ontwikkelingen worden benut om meerdere duurzaamheidsdoelen gelijktijdig te realiseren.
Toetsing
Integrale duurzaamheid
De duurzaamheidsvisie benadrukt dat duurzaamheid integraal onderdeel dient te zijn van ruimtelijke ontwikkelingen en moet worden gecombineerd met andere opgaven, zoals wonen, voorzieningen en openbare ruimte.
De herontwikkeling van het Callunaterrein sluit hierop aan, doordat:
woningbouw, onderwijs en groen in samenhang worden ontwikkeld;
de inrichting van het gebied bijdraagt aan meerdere beleidsdoelen (wonen, voorzieningen, leefkwaliteit).
Energietransitie
Binnen de visie wordt ingezet op het terugdringen van energiegebruik en het realiseren van een (bijna) energieneutrale gebouwde omgeving.
De voorgenomen ontwikkeling sluit hierop aan doordat:
nieuwbouw (woningen en scholen) wordt gerealiseerd volgens actuele duurzaamheidsstandaarden;
bij de uitwerking wordt ingezet op energiezuinige en toekomstbestendige bebouwing.
De concrete invulling hiervan wordt vastgesteld bij de verdere planuitwerking.
Circulaire economie
De visie richt zich op het efficiënt omgaan met grondstoffen en het stimuleren van hergebruik en circulair bouwen.
Bij de herontwikkeling van het Callunaterrein wordt hiermee rekening gehouden door:
inzet op duurzaam materiaalgebruik bij nieuwbouw;
aansluiting bij gemeentelijke ambities voor circulair bouwen, voor zover dit binnen de planvorming wordt uitgewerkt.
Klimaatadaptatie
De visie benoemt het belang van het omgaan met klimaatverandering, onder meer door maatregelen tegen wateroverlast, hitte en droogte. De ontwikkeling geeft hier invulling aan doordat:
de groenstructuur wordt behouden en versterkt;
ruimte ontstaat voor infiltratie, verkoeling en waterberging;
bij de inrichting rekening wordt gehouden met een klimaatbestendige openbare ruimte.
Biodiversiteit
De visie zet in op behoud en versterking van biodiversiteit, onder meer door een natuurvriendelijke inrichting en vergroening van de bebouwde omgeving. De voorgenomen ontwikkeling sluit hierbij aan doordat:
de bestaande groenstructuur als uitgangspunt wordt genomen;
vergroening en landschappelijke inpassing onderdeel vormen van het stedenbouwkundig plan;
wordt aangesloten bij het streven naar een natuurinclusieve inrichting.
Conclusie
De herontwikkeling van het Callunaterrein – voor zover deze wijziging ziet op de scholen en woonvelden W1 en W2 – is in lijn met de uitgangspunten van de gemeentelijke duurzaamheidsvisie.
De ontwikkeling draagt bij aan een integrale en toekomstbestendige inrichting van het gebied, waarbij invulling wordt gegeven aan de thema’s energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
Het Integraal Huisvestingsplan (IHP) 2025-2044 van de gemeente Ermelo vormt het strategisch beleidskader voor de vernieuwing en verduurzaming van de onderwijshuisvesting in Ermelo. Het IHP is opgesteld in samenwerking met de schoolbesturen en richt zich op toekomstbestendige, gezonde en inclusieve schoolgebouwen die aansluiten bij de onderwijsvisie van de gemeente. Belangrijke uitgangspunten zijn:
Toekomstbestendige huisvesting: Het IHP voorziet in een meerjarenplanning voor nieuwbouw en renovatie van scholen, afgestemd op de actuele en verwachte leerlingenaantallen en spreiding over de wijken.
Kwaliteit en duurzaamheid: Nieuwbouw en renovatie voldoen minimaal aan de eisen van ‘Bijna Energieneutraal Gebouw’ (BENG), met extra aandacht voor een gezond binnenklimaat (Frisse Scholen), natuurinclusief en circulair bouwen, en flexibiliteit voor toekomstig gebruik.
Inclusiviteit en samenwerking: Het IHP stimuleert de ontwikkeling van integrale kindcentra (IKC’s), waarin onderwijs, kinderopvang en maatschappelijke functies samenkomen. Scholen zijn fysiek toegankelijk en geschikt voor inclusief onderwijs.
Maatschappelijke functie: Schoolgebouwen worden waar mogelijk breder ingezet voor de buurt, bijvoorbeeld als wijkontmoetingscentrum of voor zorg- en welzijnsfuncties.
Financiële borging: De gemeente is verantwoordelijk voor de financiering van nieuwbouw en uitbreiding, waarbij het IHP als leidend kader geldt voor investeringsbeslissingen.
Toetsing
De nieuwbouw van de Augustinusschool en De Klokbeker op het Callunaterrein sluit volledig aan bij de uitgangspunten van het IHP Ermelo:
Beide scholen zijn opgenomen als prioritaire projecten in het IHP, met als doel verouderde huisvesting te vervangen door moderne, duurzame en toekomstbestendige gebouwen.
De nieuwbouw voorziet in een gezond binnenklimaat, energiezuinigheid, natuurinclusief bouwen en voldoende ruimte voor onderwijs, kinderopvang en maatschappelijke functies.
De scholen worden gerealiseerd op een centrale, goed bereikbare locatie in de wijk, met aandacht voor verkeersveiligheid en een groene omgeving.
De ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige spreiding van onderwijshuisvesting in Ermelo en sluit aan op de actuele en verwachte leerlingenaantallen.
De samenwerking met kinderopvang en de mogelijkheid tot multifunctioneel gebruik van het gebouw zijn in lijn met de visie op integrale kindcentra.
De ontwikkeling van de Augustinusschool en de ontwikkeling van Kindcentrum De Klokbeker is in overeenstemming met het Integraal Huisvestingsplan Ermelo en draagt bij aan de realisatie van de gemeentelijke ambities op het gebied van onderwijshuisvesting, duurzaamheid, inclusiviteit en maatschappelijke meerwaarde.
De Groenvisie “Samen houden we Ermelo vitaal groen!” (vastgesteld december 2017) vormt het actuele beleidskader voor het omgaan met groen in de gemeente Ermelo. Groen wordt gezien als basisvoorwaarde voor een duurzame en gezonde leefomgeving. De Groenvisie benoemt zes centrale waarden van groen: identiteit, gezondheid, biodiversiteit, klimaat & duurzaamheid, participatie & leefbaarheid, en economie. De visie zet in op het behouden en versterken van deze waarden, het verhogen van de kwaliteit van het groen, het compenseren van waardevol groen dat verdwijnt, vergroening van met name het centrum en zuidelijke buurten, en het vergroten van groenbewustzijn en participatie.
Structureel groen en leefomgevingsgroen
De Groenvisie onderscheidt twee typen groen:
Structureel groen: groen dat is opgenomen op de groenkaart (hoofd- en nevengroenstructuur), essentieel voor het groene karakter van Ermelo. Voor structureel groen geldt het ‘nee, tenzij’-principe: behoud staat voorop, aantasting is alleen mogelijk na zorgvuldige belangenafweging en met compensatie.
Leefomgevingsgroen: groen op straat- of buurtniveau, van esthetische of functionele waarde voor omwonenden. Voor leefomgevingsgroen geldt het ‘ja, mits’-principe: aanpassing is mogelijk mits het groen op loopafstand behouden blijft en aansluit bij het karakter van de buurt.
Bomenbeleid
Bomen worden gezien als een van de belangrijkste groenelementen. De visie zet in op duurzaam beheer, bescherming van waardevolle bomen (opgenomen op de Lijst Waardevolle bomen en/of de groenkaart), en het toepassen van een matentabel voor nieuwe aanplant. Kappen van waardevolle bomen is alleen toegestaan met vergunning en bij voorkeur wordt kwaliteit boven kwantiteit gesteld.
Klimaatadaptatie en duurzaamheid
De Groenvisie onderstreept het belang van groen voor klimaatadaptatie, zoals het opvangen van hemelwater, het tegengaan van hittestress en het verbeteren van luchtkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt ingezet op vergroening, biodiversiteit en het gebruik van duurzame materialen en inheemse soorten.
Toetsing
Het Callunaterrein maakt deel uit van zowel de hoofd- als nevenstructuur die in de Groenvisie is opgenomen (zie onderstaande figuur).
De herontwikkeling van het Callunaterrein leidt tot een wijziging van zowel de hoofdgroenstructuur als de nevenstructuur binnen het plangebied. De Groenvisie stelt dat structureel groen wordt gekoesterd en dat veranderingen worden benaderd met een ‘nee, tenzij’-principe. Indien structureel groen wordt opgeofferd, dient altijd compensatie plaats te vinden. Voor leefomgevingsgroen geldt het ‘ja, behalve’-principe: veranderingen zijn mogelijk als het groen daardoor meer van nut kan zijn voor de omwonenden en de realisatie past binnen de begroting.
De herontwikkeling van het Callunaterrein kan als volgt aan de uitgangspunten van de Groenvisie worden getoetst:
Behoud en versterking van (structureel) groen
De bestaande groenstructuur vormt een belangrijk uitgangspunt voor het plan. Het gebied wordt gekenmerkt door een opzet in groene ‘kamers’, waarbij bebouwing wordt ingepast in het aanwezige groen. Door deze benadering blijft de groene hoofdstructuur grotendeels behouden en wordt de samenhang versterkt (zie paragraaf 3.5).
Omgang met structureel en leefomgevingsgroen
Hoewel op onderdelen sprake is van aanpassing van het bestaande groen, wordt ingezet op behoud waar mogelijk en versterking van de groenkwaliteit. Voor zover structureel groen wijzigt, dient dit te worden gecompenseerd. Dit wordt in de verdere planuitwerking nader geconcretiseerd.
Bomenbeleid
Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig die zijn aangewezen als waardevol op grond van de gemeentelijke lijst. Wel geldt dat bij de verdere planuitwerking zorgvuldig wordt omgegaan met bestaande bomen en dat compensatie plaatsvindt indien kap noodzakelijk is.
Klimaatadaptatie en biodiversiteit
De herontwikkeling biedt kansen om het gebied klimaatadaptief en natuurinclusief in te richten, onder meer door het versterken van groenstructuren en het realiseren van een robuuste en samenhangende inrichting van de openbare ruimte. Dit sluit aan bij de doelstellingen van de Groenvisie.
De herontwikkeling van het Callunaterrein leidt tot wijzigingen in de bestaande groenstructuur, maar sluit – met inachtneming van behoud, compensatie en versterking van groen – aan bij de uitgangspunten van de Groenvisie Ermelo. De ontwikkeling biedt tevens kansen om de kwaliteit, samenhang en klimaatbestendigheid van het groen te verbeteren. Dit alles wordt – voor zover relevant – nader uitgewerkt en geborgd in het stedenbouwkundig plan en de verdere planuitwerking, waarbij wordt voorzien in behoud, compensatie en versterking van de groenstructuur conform de Groenvisie.
In Ermelo wordt bij nieuwbouwprojecten een verplicht puntensysteem gehanteerd om groen- en natuurinclusief bouwen te stimuleren. Dit systeem is van toepassing bij projecten waarbij de gemeente initiatiefnemer en/of ontwikkelaar is, en bij wijzigingen van bestemmingsplannen. Het puntensysteem geldt niet alleen voor woningbouw, maar ook voor andere bouwprojecten zoals infrastructuur en maatschappelijke voorzieningen.
Afhankelijk van de omvang van het project geldt een minimum aantal te behalen punten. Punten worden toegekend voor concrete maatregelen, zoals groene daken en gevels, nestvoorzieningen voor vogels en vleermuizen en de aanleg van bloemrijk grasland, poelen, wadi’s en natuurspeelplaatsen.
Toetsing
De ontwikkeling van het Callunaterrein betreft een integrale gebiedsontwikkeling met woningbouw en maatschappelijke functies, waarop het puntensysteem van toepassing is.
De concrete invulling van natuurinclusieve en duurzame maatregelen wordt in de verdere planuitwerking nader bepaald. Daarbij dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het minimaal vereiste puntenaantal, zoals opgenomen in het gemeentelijke puntensysteem.
Gelet op de aard van de ontwikkeling – waarbij wordt ingezet op behoud en versterking van de groenstructuur, een groene inrichting van de openbare ruimte en de combinatie van functies – zijn er voldoende aanknopingspunten om invulling te geven aan de gestelde eisen. De uitwerking hiervan wordt betrokken bij de nadere planvorming en vergunningverlening.
In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Daarbij wordt beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare situatie en of het plan uitvoerbaar is in het licht van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De beoordeling is gebaseerd op de beschikbare onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van de integrale herontwikkeling van het Callunaterrein. Deze onderzoeken hebben in veel gevallen betrekking op het oorspronkelijke, bredere programma voor het gehele gebied, inclusief de woonvelden W3 en W4.
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan ziet echter uitsluitend op een deel van deze ontwikkeling, te weten de realisatie van de scholen en de woonvelden W1 en W2. De woonvelden W3 en W4 maken geen onderdeel uit van deze procedure en worden op een later moment afzonderlijk planologisch mogelijk gemaakt.
Bij de beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten is hiermee rekening gehouden. Waar onderzoeken zijn gebaseerd op het volledige programma, geldt dat de effecten van de nu voorliggende ontwikkeling beperkter zijn dan in de onderzochte situatie. De resultaten van de onderzoeken kunnen daarmee als een conservatieve (worst-case) benadering worden beschouwd voor deze fase van de ontwikkeling.
Waar relevant wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan op de doorwerking van deze uitgangspunten en de betekenis daarvan voor de beoordeling van de afzonderlijke aspecten.
Toetsingskader
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Naast wetgeving op rijksniveau is ook in de Omgevingsverordening provincie Drenthe (artikel 3.3) vastgelegd dat in een ruimtelijk plan moeten aangeven op welke wijze het plan rekening houdt met archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden.
Onderzoek
In het kader van dit initiatief is op 3 september 2024 een quickscan archeologie uitgevoerd, zie Bijlage 6: Archeologisch onderzoek. Op basis van de uitgevoerde quickscan gold een hoge verwachting voor de periode Neolithicum – Romeinse tijd en een middelhoge verwachting voor de overige perioden. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een AMK-terrein waarin minstens 12 grafheuvels uit het Neolithicum en/of de Bronstijd, een urnenveld met meer dan 100 kleine en grotere heuvels uit de Bronstijd en/of IJzertijd, evenals karrensporen uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd zijn gevonden. Dit AMK-terrein valt voor een klein deel binnen het uiterste zuiden van het plangebied. Binnen het plangebied zijn bovendien twee vindplaatsen aanwezig. In het noordoosten zijn enkele vuursteenfragmenten (waaronder een afslagmes) en een klokbeker gevonden uit het Laat Neolithicum of de Vroege Bronstijd. In het zuidwesten heeft een grafheuvel uit dezelfde periode gelegen, die verdwenen is bij de huidige terreininrichting. Daarom is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
Tijdens het booronderzoek bleek dat de bodem verstoord is tot in de C-horizont. Hoewel verwacht werd dat het plangebied in gordeldekzandwelvingen ligt, bleek de natuurlijke bodem geheel uit gestuwde afzettingen te bestaan. Indien ooit een dekzandpakket aanwezig was, is dit bij de inrichting van het terrein afgegraven. Gezien de vastgestelde bodemverstoringen wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar laag.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat het uiterste zuiden van het plangebied valt binnen een beschermd AMK-terrein / Archeologisch Rijksmonument. Bouwactiviteiten op (een deel van) een archeologisch rijksmonument zijn altijd vergunningplichtig. Er is in overleg met de Rijksdienst voor cultureel erfgoed (RCE) ervoor gekozen de bouwvlakken buiten deze contouren te situeren (zie onderstaande figuur).
Conclusie
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt het advies gegeven om het plangebied vrij te geven. De regioarcheoloog Noord-Veluwe heeft dit advies opgevolgd en heeft het gebied vrijgegeven. Dit betekent dat het aspect archeologie geen beperking vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Het stedenbouwkundig plan voor het Callunaterrein in Ermelo is ontwikkeld vanuit een integrale visie, waarbij zowel stedenbouwkundige als landschappelijke waarden centraal staan. De bestaande groene structuur vormt het fundament van het ontwerp: volwassen bomen en bosranden worden zoveel mogelijk behouden en versterkt, waardoor de nieuwe bebouwing zich voegt in een mozaïek van groene ‘kamers’. Dit zorgt voor een vanzelfsprekende inpassing van gebouwen in het landschap en draagt bij aan de belevingswaarde, biodiversiteit en klimaatadaptatie van het gebied.
De overgang naar het Natura 2000-gebied aan de zuidzijde wordt gemarkeerd door een groene bufferzone met nieuwe, reeds volwassen bomen. Hiermee wordt de bosrand versterkt en de bebouwing visueel en ecologisch afgeschermd van het natuurgebied. Binnen de ontwikkelvelden wordt gestreefd naar het inpassen van bestaande bomen; waar kap noodzakelijk is, vindt compensatie plaats binnen het plangebied, vastgelegd in een bomenbalans. De beplanting sluit aan bij het heidelandschap, met soorten als grove den, zomereik en ondergroei van dopheide en struikheide. Grenzen binnen het plangebied worden op natuurlijke wijze gemarkeerd, bijvoorbeeld met lage houten hekwerken.
Stedenbouwkundig is het plan opgebouwd uit een heldere en veilige verkeersstructuur, met een duidelijke scheiding tussen langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer. Autoverkeer wordt via de Herderlaan en Kerkdennen ontsloten, terwijl een fijnmazig netwerk van fiets- en wandelroutes – het speellint – het gebied verbindt met de omliggende wijken en de heide. Dit speellint zorgt voor een veilige route voor kinderen en versterkt de recreatieve toegankelijkheid.
De bebouwing is zorgvuldig gepositioneerd en georiënteerd, met aandacht voor schaal, korrel en bezonning. Aan de oostzijde sluit de bebouwing qua hoogte aan op de bestaande woonbuurt, terwijl de bouwhoogte richting de westzijde oploopt en daar een markering vormt aan de overgang naar de heide. Door het toepassen van setbacks en het gebruik van natuurlijke materialen en aardetinten ontstaat een ensemble van gebouwen die zich bescheiden voegen in het landschap.
Door deze integrale benadering ontstaat een toekomstbestendig en samenhangend woongebied, waarin natuur, ruimtelijke kwaliteit, veiligheid en ontmoeting centraal staan. Het plan benut en versterkt de unieke stedenbouwkundige en landschappelijke waarden van het Callunaterrein.
Toetsingskader
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure.
Onderzoek
Uit de beoordeling aan de regels over een milieueffectrapportage blijkt dat er wel plicht is om een mer-beroodeling uit te voeren. De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Onderdeel J11 betreft: 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Hoewel er geen sprake is van een wettelijke verplichting tot het doorlopen van de uitgebreide mer- procedure, is er wel een wettelijke verplichting dat voor de geplande activiteiten wel een project-mer-beoordeling moet worden uitgevoerd. Deze mer-beoordelingsplicht volgt uit artikel 16.43 lid 1 Omgevingswet, hoofdstuk 11 Omgevingsbesluit en bijlage V. Deze beoordeling moet worden uitgewerkt in een aanmeldnotitie. Bij een dergelijke beoordeling moet worden gekeken of het project belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van de uitgebreide procedure. Deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 17: Mer-beoordeling.
Conclusie
Uit de uitgevoerde mer‑beoordeling (Bijlage 17: Mer-beoordeling) blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling – een herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied met woningbouw en maatschappelijke functies – niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De effecten zijn beperkt van omvang, overwegend lokaal en passen binnen het karakter van een reguliere stedelijke ontwikkeling.
De relevante milieuaspecten zijn onderzocht en tonen aan dat onder meer geen significante effecten optreden op Natura 2000‑gebieden, sprake is van een aanvaardbaar woon‑ en leefklimaat en de milieubelasting beheersbaar blijft. Daarbij is veelal uitgegaan van een conservatieve (worst‑case) invulling van het programma, waardoor de feitelijke effecten eerder beperkter zullen zijn.
De mer‑beoordeling heeft betrekking op de voorliggende planfase (W1 en W2). Eventuele latere fasen worden afzonderlijk beoordeeld.
Gelet op het voorgaande is het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk.
Toetsingskader
Als een wijziging van een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en (als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied) de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien (artikel 5.219g Bkl).
Dit wordt de ‘Laddertoets’ genoemd. Voor het toetsen aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
Is er behoefte aan de ontwikkeling?
Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
Onderzoek
In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In beginsel is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor overige stedelijke functies wordt gesteld dat 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m² bedraagt.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt zowel maatschappelijke voorzieningen (twee basisscholen) als woningbouw (W1 en W2) mogelijk. Deze functies worden hieronder afzonderlijk beoordeeld, aangezien de aard en functie wezenlijk verschillen.
A. Scholen (Maatschappelijke voorzieningen)
Trede 1: Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
Ja, er is sprake van een stedelijke ontwikkeling. De nieuwbouw van de scholen betreft een maatschappelijke voorziening met een footprint van ca. 2352 m2, waarmee het ruimtebeslag ruimschoots boven de grens van 500 m² ligt. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de definitie van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bkl.
Trede 2: Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
Ja, het betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoewel het gaat om vervangende nieuwbouw en verplaatsing van bestaande functies, worden op het terrein nieuwe gebouwen gerealiseerd met een substantieel ruimtebeslag. De bestaande scholen en duivenvereniging worden na realisatie van de nieuwbouw gesloopt of verplaatst. De ontwikkeling is daarmee nieuw, maar betreft geen uitbreiding van het aantal functies of gebruikers ten opzichte van de huidige situatie.
Trede 3: Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
Het ruimtelijk verzorgingsgebied betreft de kern Ermelo en directe omgeving. De Klokbeker is primair een wijkgerichte basisschool die primair voorziet in de onderwijsbehoefte van kinderen uit de omliggende woonwijken. De Augustinusschool voorziet ook in de onderwijsbehoefte van omliggende woonwijken, maar heeft ook een breder verzorgingsgebied (geheel Ermelo en heeft deels ook een streekfunctie). De duivenvereniging is een buurtgerichte voorziening met een lokale functie. Alle drie zijn reeds lang gevestigd op het Callunaterrein en hebben een duidelijke rol binnen het lokale verzorgingsgebied.
Trede 4: Is er behoefte aan de ontwikkeling?
Ja, er is aantoonbare behoefte aan de ontwikkeling. De noodzaak tot nieuwbouw van de scholen is vastgelegd in het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs van de gemeente Ermelo. De huidige schoolgebouwen voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd op het gebied van onderwijskwaliteit, duurzaamheid en toegankelijkheid. Ook de duivenvereniging zal door de ontwikkeling moeten verplaatsen en heeft in de toekomstige situatie behoefte aan een passende huisvesting binnen het herontwikkelde terrein. De nieuwbouw en verplaatsing voorzien in de actuele en toekomstige huisvestingsbehoefte van deze functies, passend bij het aantal gebruikers en de maatschappelijke rol.
Trede 5: Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
Ja, de ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Het Callunaterrein is gelegen aan de zuidzijde van de kern Ermelo, omsloten door bestaande bebouwing en maatschappelijke functies. De nieuwbouw van de scholen en de verplaatsing van de duivenvereniging worden gerealiseerd op het terrein waar deze functies reeds aanwezig zijn, en sluiten aan op de bestaande infrastructuur en groenstructuur van het gebied.
Conclusie
De voorgenomen nieuwbouw van de Augustinusschool en Kindcentrum De Klokbeker op het Callunaterrein voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het betreft vervangende nieuwbouw en verplaatsing van bestaande maatschappelijke functies binnen het bestaand stedelijk gebied, waarvoor een aantoonbare behoefte bestaat, zoals onderbouwd in het Integraal Huisvestingsplan. De ontwikkeling is zorgvuldig ingepast in het stedenbouwkundig plan en draagt bij aan de kwaliteit en toekomstbestendigheid van het onderwijs en het verenigingsleven in Ermelo.
B. Wonen
1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? & 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
In de eerste instantie moet de vraag beantwoord worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling met woningen wordt als dusdanig aangemerkt wanneer er sprake is van een ontwikkeling van 11 woningen of meer. Deze ontwikkeling voorziet in de realisatie van 40 woningen. De ontwikkeling is daarmee aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Voor de ontwikkeling wordt grond gebruikt welke nu niet voor deze functie is voorzien. Al met al is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
2. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
In de tweede plaats dient uitgewerkt te worden wat het ruimtelijk verzorgingsgebied is van de ontwikkeling. In de woonvisie van gemeente Ermelo wordt uitgewerkt dat gemeente wil inzetten op een woningvoorraad die zoveel mogelijk past bij de woonwensen, inkomens, levensfase en huishoudenssamenstelling van de inwoners. Ermelo zet onder andere in op woningen in het goedkope segment voor zowel koop als huur. En ze gaan kleinere woningen (appartementen) voor de groeiende groep senioren en kleine huishoudens realiseren. Dit bevordert de doorstroming. Er komen zo eengezinswoningen vrij voor gezinnen en starters op de koopmarkt.
In de in 2023 ondertekende regionale woondeal is het doel beschreven om in de regio Noord-Veluwe 12.700 woningen te bouwen tot en met 2030. 1.508 woningen daarvan worden gebouwd in Ermelo. In subparagraaf 4.3.3 wordt hier verder op ingegaan.
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voorziet in een regionaal verzorgingsgebied.
3. Is er behoefte aan de ontwikkeling?
In de woonvisie staat dat Ermelo vooral streeft naar een evenwichtige mix van betaalbare en middeldure woningen, zodat zowel starters, jonge gezinnen als doorstromers en senioren passende woonruimte kunnen vinden. De ontwikkeling voorziet in een concreet woningbouwprogramma met een nadruk op betaalbare woningen en appartementen, waaronder specifiek woningen voor ouderen in bouwveld W2. Hiermee wordt aangesloten op de gemeentelijke woonvisie en de regionale woningbouwopgave.
Daarnaast maakt het programma onderdeel uit van een bredere gemeentelijke programmering, waarbij het aandeel sociale en betaalbare woningen wordt afgestemd met de ontwikkeling aan de Wethouder Balverszaal.
4. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
Het gebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Ermelo. Het initiatief is passend in het gebied.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een duurzame verstedelijking en dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. De behoefte aan de ontwikkeling is voldoende aangetoond. De Ladder vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
Toetsingskader
Er mogen geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. Dit volgt uit de Dienstenrichtlijn. Voor het uitvoeren van de Dienstenrichtlijn staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een instructieregel (artikel 5.1a). Het begrip "dienst" moet breed worden geïnterpreteerd. Ook detailhandel is een dienst.
Onderzoek en conclusie
Het initiatief voldoet aan de Dienstenrichtlijn, omdat in deze ontwikkeling geen dienst wordt mogelijk gemaakt die afhankelijk is van economische criteria.
Toetsingskader
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. Er dient getoetst te worden aan de richtlijnen ten aanzien van verkeer en parkeren in de nota parkeernormen en waar nodig de normen vanuit het CROW. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).
Voor de ontwikkeling van het Callunaterrein is onderzocht in hoeverre de ontwikkeling verkeerskundig en parkeer technisch inpasbaar is. Dit onderzoek richt zich enerzijds op de verkeersgeneratie en anderzijds op de benodigde parkeercapaciteit. De uitgangspunten hiervoor zijn de gemeentelijke Nota Parkeernormen Ermelo en de kencijfers uit CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren). Omdat het plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom en de gemeente Ermelo wordt gekenmerkt als weinig stedelijk, zijn de daarbij behorende kencijfers toegepast.
Onderzoek parkeren
De gemeente Ermelo kiest er bewust voor om binnen de kaders van het parkeerbeleid met gemiddelde parkeernormen te werken. Dit zijn richtnormen die ruimte bieden voor maatwerk per ontwikkeling. Het zijn dus geen harde normen, maar een vertrekpunt om samen met betrokken partijen te komen tot een realistische parkeereis.
Lagere parkeernorm De Klokbeker
Gezien de functie en ligging van het Callunaterrein – inclusief de lokale wijkfunctie van basisschool De Klokbeker – acht de gemeente het verantwoord om voor De Klokbeker aan de onderkant van de normbandbreedte te rekenen.
Parkeeroplossing voor bewoners
In het stedenbouwkundig plan was aanvankelijk het uitgangspunt om het volledige bewonersparkeren binnen de afzonderlijke bouwvelden op te lossen. Vanuit verkeer en ruimtelijke efficiëntie is dit echter niet wenselijk. Veel individuele parkeeroplossingen binnen de bouwvelden leiden tot versnippering en onnodige verharding.
Daarom kiest de gemeente ervoor om:
per woning 1 parkeerplaats op eigen terrein (binnen het bouwveld) te realiseren, conform de nota parkeernormen;
bezoekersparkeren en een eventuele tweede auto onder te brengen in het openbaar gebied, waarbij gebruik wordt gemaakt van het parkeerterrein bij de scholen door middel van dubbelgebruik;
voor bouwveld W1 geldt dat zowel bewonersparkeren als bezoekersparkeren volledig binnen het bouwblok wordt opgelost;
voor bouwveld W2 geldt dat per woning één parkeerplaats wordt gerealiseerd, waarbij bewoners en bezoekers aanvullend gebruik kunnen maken van het parkeerterrein aan de voorzijde van de scholen.
Deze aanpak maakt gebruik van koppelkansen met het (toekomstige) parkeerterrein van de scholen. Op momenten dat de parkeerdruk van scholen laag is (met name in avonden en weekenden), is die ruimte beschikbaar voor bewoners en bezoekers. Hiermee wordt het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen in het gebied flink beperkt, zonder dat dit ten koste gaat van de bereikbaarheid of leefbaarheid.
In het stedenbouwkundig plan is voldoende ruimte gereserveerd voor de benodigde parkeerplaatsen, inclusief de toepassing van dubbelgebruik. Door gebruik te maken van de maatwerkmogelijkheden die de gemeentelijke parkeernota biedt, voldoet het plan daarmee aan de geldende parkeerkaders.
In de planregels van het omgevingsplan wordt bovendien een bepaling opgenomen die borgt dat de ontwikkeling blijvend voldoet aan de gemeentelijke parkeernormen.
Onderzoek verkeer
VERKEERSAANTREKKENDE WERKING WOONPROGRAMMA
De verkeersaantrekkende werking van het woningbouwprogramma op het Callunaterrein is bepaald aan de hand van de CROW Parkeerkencijfers 2024. Voor het type woonmilieu “rest bebouwde kom” en de stedelijkheidsgraad “weinig stedelijk”, zoals van toepassing op Ermelo, zijn de volgende kengetallen gehanteerd. De verkeersaantrekkende werking wordt uitgedrukt in het aantal motorvoertuigbewegingen (mvt) per etmaal per woningtype.
|
Type woning |
Categorie parkeernormen (CROW) |
Aantal woningen |
Kengetal (gem) CROW (mvt/etmaal) |
Aantal mvt/etmaal |
|
Grondgebonden woningen (duur koop) |
koop, huis, tussen/hoek |
14 |
7,4 |
103,6 |
|
Appartementen (sociale koop) |
koop, appartement, <75 m2 bvo |
17 |
5,6 |
95,2 |
|
Appartementen (midden koop) |
koop, appartement, 75-100 m2 bvo |
9 |
6,0 |
54 |
|
|
|
40 |
|
253 |
De totale verkeersaantrekkende werking van het woonprogramma bedraagt daarmee circa 253 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
VERKEERSAANTREKKENDE WERKING SCHOLEN
De verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling van de twee scholen op het Callunaterrein is bepaald op basis van het aantal leerlingen, kinderen in de kinderopvang en het personeel.
Voor onderbouwkinderen is hierbij ervan uitgegaan dat 30% met de auto wordt gebracht, van de bovenbouw 5% en voor de kinderdagopvang 50%. Dit resulteert in de onderstaande berekening.
Onderbouwleerlingen: 244 leerlingen x 30% = 73,2 ritten → ×2 = 146,4 bewegingen
Bovenbouwleerlingen: 406 leerlingen x 5% = 20,3 ritten → ×2 = 40,6 bewegingen
Kinderdagverblijf kinderen: 48 kinderen x 50% = 24 ritten → ×2 = 48 bewegingen
Personeel: 26 reguliere parkeerplaatsen × 3,5 verkeersbewegingen per etmaal (hierbij is rekening gehouden met arriveren, vertrekken en een incidenteel extra bezoek) = 91 bewegingen
Conclusie Verkeersaantrekkende werking
Op basis van deze uitgangspunten genereert het plan naar verwachting circa 326 verkeersbewegingen per etmaal. Dit aantal bestaat uit:
235 verkeersbewegingen als gevolg van het halen en brengen van leerlingen en kinderen;
91 verkeersbewegingen van personeel, op basis van 26 reguliere parkeerplaatsen en een gemiddelde van 3,5 bewegingen per plaats per etmaal (CROW-publicatie 381).
De piekbelasting vindt plaats tijdens de breng- en haalmomenten aan het begin en einde van de schooldag. Om deze pieken op een veilige en ordentelijke manier op te vangen, worden in totaal 38 Kiss & Ride-plaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt het risico op (kortstondig) dubbelparkeren tijdens breng- en haalmomenten zoveel mogelijk beperkt en wordt de doorstroming op de openbare weg geborgd.
GEZAMENLIJKE VERKEERSGENERATIE EN AFWIKKELING
De totale verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling bedraagt circa 580 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
De verkeersafwikkeling van het plan vindt plaats via de bestaande Herderlaan, die fungeert als hoofdontsluiting van het Callunaterrein. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om de extra verkeersdruk als gevolg van de woningbouwontwikkeling op te vangen. De huidige verkeersintensiteit op de Herderlaan bedraagt circa 2.000 motorvoertuigen per etmaal, terwijl de capaciteitsgrens voor een erftoegangsweg in deze context ligt rond de 5.000 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee blijft de belasting ruim binnen de aanvaardbare normen.
Wel is er aandacht nodig voor de verkeersafwikkeling op het eerste deel van de Hamburgerweg (tussen de Paul Krugerweg en de Schapenrotonde) en op de Schapenrotonde zelf. Deze route wordt in de ochtendspits al als druk ervaren, met name in de richting van de Putterweg. Dit knelpunt ligt echter op meer dan 1 kilometer afstand van het plangebied en valt daarmee buiten de directe invloedssfeer van deze ontwikkeling. De gemeente Ermelo heeft aangegeven dit deeltraject op te nemen in een breder, integraal verkeersonderzoek, waarin ook andere ruimtelijke ontwikkelingen worden meegenomen. Dit onderzoek valt buiten de scope van dit specifieke project.
Op het terrein zelf bestaat de verkeersopzet uit een gescheiden systeem van langzaamverkeer en auto’s.
Conclusie verkeersafwikkeling
De verkeersafwikkeling via de Herderlaan is robuust en toereikend voor de verwachte toename van circa 580 verkeersbewegingen per etmaal. Eventuele knelpunten op het bredere wegennet worden op een ander schaalniveau en in een ander kader onderzocht.
Het is belangrijk om te benadrukken dat de berekening van de verkeersgeneratie is gebaseerd op een worst-case scenario. In de berekening is geen rekening gehouden met de bestaande functies op het Callunaterrein. Deze functies genereren momenteel ook verkeer. Door deze niet mee te nemen in de berekening, wordt de toename van verkeersbewegingen conservatief ingeschat. In werkelijkheid zal de netto toename van verkeer naar verwachting lager uitvallen dan de berekende 580 verkeersbewegingen per etmaal.
Toetsingskader
Bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met geluidbelasting als gevolg van activiteiten in de omgeving van geluidgevoelige functies, zoals woningen.
Onder de Omgevingswet wordt beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende functies niet onevenredig worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Relevante geluidbronnen binnen het plangebied betreffen met name maatschappelijke functies, waaronder scholen, schoolpleinen en de beoogde skatevoorziening.
Onderzoek
Voor de ontwikkeling van het Callunaterrein zijn separate onderzoeken uitgevoerd naar milieuzonering voor zowel de scholen als de woningbouw (zie Bijlage 7: Quickscan activiteiten en milieuzonering (scholen) en Bijlage 8: Quickscan activiteiten en milieuzonering (woningbouw)). Hierin is beoordeeld:
het effect van de scholen (als milieuhinderlijke activiteit) op de omgeving;
het effect van omliggende bedrijven op de woningen en scholen (als milieugevoelige activiteiten).
De onderzoeken zijn gebaseerd op de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering (2024) en hanteren de daarbij behorende richtafstanden en beoordelingssystematiek. De onderzoeken beschouwen zowel de planologische mogelijkheden als de feitelijke situatie en geven daarmee een robuust beeld van de geluidssituatie. Voor een nadere toelichting op de gehanteerde uitgangspunten en berekeningen wordt verwezen naar de rapportages in de bijlagen.
A. Scholen
Uitwaartse zonering
Uit het milieuzoneringsonderzoek blijkt dat de scholen kunnen worden aangemerkt als milieuhinderlijke activiteiten met een beperkte richtafstand (zone 1, tot circa 10 meter). De maatgevende geluidbron betreft met name het gebruik van de buitenruimte, zoals spelende kinderen op de schoolpleinen. Daarbij geldt dat:
de richtafstanden van de scholen niet overlappen met omliggende (bestaande en nieuwe) geluidgevoelige functies;
daarmee wordt voldaan aan de uitgangspunten van milieuzonering en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Wel is de situering van schoolpleinen bepalend voor de uiteindelijke geluidbelasting. In het plan wordt hier rekening mee gehouden door de pleinen binnen de daarvoor bedoelde zones te situeren en door de ruimtelijke opzet (bebouwing en groenstructuur) als afschermend element te benutten.
Inwaartse zonering
De beoogde scholen vormen tevens een milieugevoelige activiteit. In dat kader is beoordeeld in hoeverre omliggende bedrijven – met name op bedrijventerrein Kerkdennen – invloed hebben op het woon- en leefklimaat. Uit het onderzoek (Bijlage 9: Akoestisch onderzoek (scholen)) blijkt dat de beoogde scholen op voldoende afstand van de milieuhinderlijke activiteiten in de omgeving liggen. Daarom is er voor uitwaartse milieuzonering sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
B. Woningbouw (inwaartse zonering)
De beoogde woningen zijn milieugevoelige functies. In dat kader is beoordeeld in hoeverre omliggende bedrijven – met name op bedrijventerrein Kerkdennen – invloed hebben op het woon- en leefklimaat.
Uit het onderzoek (Bijlage 10: Akoestisch onderzoek (woningbouw)) blijkt dat de maximale planologische richtafstanden van het bedrijventerrein slechts over W4 liggen en daarmee niet over W1 en W2 die in dit plan worden mogelijk gemaakt.
Conclusie
Op grond van de uitgevoerde milieuzoneringsonderzoeken kan worden geconcludeerd dat:
de scholen en overige functies binnen het plangebied inpasbaar zijn vanuit het aspect geluid door activiteiten;
ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
C. Skatepark (uitwaartse zonering)
Binnen de beoogde ontwikkeling van het Callunaterrein in Ermelo wordt het bestaande skatepark enkele tientallen meters verplaatst in noordelijke richting. De exacte uitvoering van het skatepark is nog niet bekend, voorlopig wordt uitgegaan van een skatepark van circa 450 m2, dit is vergelijkbaar met het huidige skatepark. Het skatepark en de directe omgeving zal daarnaast dienst doen als een jongeren ontmoetingsplek (JOP).
In het kader van deze beoogde wijziging van de locatie is, vanwege het op korte afstand aanwezig zijn van geluidgevoelige gebouwen, een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (zie Bijlage 11: Akoestisch onderzoek skatebaan).
Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat het beoogde skatepark leidt tot een relevante geluidbelasting op de directe omgeving, met name bij de woningen aan de Herderlaan 47 en 49/49a. Ter plaatse van deze woningen wordt niet in alle gevallen voldaan aan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidniveaus.
Daarbij geldt dat de berekende geluidniveaus zijn gebaseerd op een representatieve, maar deels worst-case ingevulde situatie, waarin is uitgegaan van aannames ten aanzien van het gebruik van het skatepark, het aantal aanwezige personen en de situering van de toestellen. In de praktijk zal de feitelijke geluidbelasting naar verwachting variëren en op veel momenten lager zijn.
Uit het onderzoek volgt dat met gerichte maatregelen – zoals het vergroten van de afstand tot woningen, het treffen van afschermende voorzieningen en het stellen van gebruiks- en gedragsregels – een situatie kan worden bereikt die beter aansluit bij de relevante geluidwaarden.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het skatepark, ondanks de geconstateerde overschrijdingen in de uitgangssituatie, ruimtelijk aanvaardbaar kan worden geacht, mits bij de verdere uitwerking en besluitvorming passende maatregelen worden geborgd en gemotiveerd wordt hoe een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt verzekerd.
Toetsingskader
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van wegen (paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van wegen op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Bij het toelaten van nieuwe gemeentelijke wegen en bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen, moet worden voldaan aan bepaalde waarden voor geluid.
Onderzoek
In het kader van dit initiatief zijn twee separate akoestische onderzoeken uitgevoerd door De Roever (zie bijlagen 9 en 10):
één onderzoek gericht op de geluidbelasting ter plaatse van de woningbouw;
één onderzoek gericht op de geluidbelasting ter plaatse van de scholen.
In beide onderzoeken is de geluidbelasting als gevolg van zowel wegverkeerslawaai als railverkeerslawaai berekend. De onderzoeken geven gezamenlijk een volledig beeld van de geluidssituatie binnen het plangebied.
Voor de gehanteerde uitgangspunten, rekenmethoden en detailresultaten wordt verwezen naar de rapportages in de bijlagen.
Woningbouw
Het akoestisch onderzoek is opgesteld op basis van het oorspronkelijk beoogde programma voor het gehele Callunaterrein, inclusief de woonvelden W3 en W4. Aangezien W3 en W4 dichter bij de geluidsbronnen liggen dan W1 en W2, kunnen de resultaten van de akoestische onderzoeken worden beschouwd als een conservatieve benadering (worst-case scenario) voor de beoordeling van de geluidbelasting. De geluidbelasting ter plaatse van de in dit plan opgenomen woonvelden W1 en W2 is daarmee lager dan de maximale waarden uit het onderzoek.
Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 52 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Het berekende geluid van hoofdspoorwegen bedraagt maximaal 53 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 55 dB en de grenswaarde van 65 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden.
Gevelwering en woon- en leefklimaat
De hoogste cumulatieve geluidbelasting in het akoestisch onderzoek bedraagt ten hoogste 55 dB en treedt op bij gevels die behoren bij het oorspronkelijke, bredere programma (waaronder het destijds beschouwde woonveld W4). Voorliggende ontwikkeling ziet echter uitsluitend op de woonvelden W1 en W2, waarvoor geldt dat deze gunstiger zijn gesitueerd ten opzichte van de maatgevende geluidbronnen. De geluidbelasting ter plaatse van deze woonvelden ligt daarmee lager dan de maximale waarden uit het onderzoek. Uitgaande van de maximale onderzoekswaarden bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering (Ga;k) circa 22 dB. Een geluidwering van deze orde is bij nieuwbouw in de praktijk goed realiseerbaar binnen de geldende bouwkundige eisen.
Woon- en leefklimaat
De milieukwaliteit wordt op basis van het akoestisch onderzoek geclassificeerd als ‘redelijk’ tot ‘zeer goed’. De hoogste geluidbelastingen doen zich voor in delen van het plangebied die geen onderdeel uitmaken van de voorliggende ontwikkeling.
Gelet hierop en op de lagere geluidbelasting ter plaatse van de woonvelden W1 en W2 kan worden geconcludeerd dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.
Conclusie
Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat geluid door (spoor)wegen geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
Toetsingskader
In een aandachtsgebied in het kader van luchtkwaliteit moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als die zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied.
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Onderzoek
Voorliggend plan heeft geen betrekking op de aanleg van autowegen of tunnels en de gemeente Ermelo is niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof. De instructieregels zijn derhalve niet van toepassing. Een project moet in beginsel worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM).
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl).
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool.
Voor het voorliggende plan is de tweede benadering toegepast. Hierbij is gebruik gemaakt van de NIBM-tool, waarbij een worst-case scenario is doorgerekend. Omdat deels sprake is van vervangende nieuwbouw en verplaatsing van bestaande functies, is de feitelijke toename van verkeer beperkt. In de berekening is uitsluitend het extra verkeer als gevolg van het plan meegenomen en is geen rekening gehouden met het vervallen van bestaande functies. Hiermee wordt een conservatieve inschatting van de effecten gehanteerd.
Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.
Hoewel de gemeente Ermelo grenst aan een aandachtsgebied, is de afstand tot dit gebied zodanig dat de voorgenomen ontwikkeling hierop geen relevante invloed heeft.
Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Toetsingskader
Er zijn instructieregels van het Rijk over geur met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze zijn terug te vinden in het Bkl. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de Bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten:
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf;
geur door het houden van fokteven van nertsen;
geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval;
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Voor andere activiteiten moet een ruimtelijk besluit ervoor zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld.
Onderzoek
In de directe omgeving zijn geen veehouderijen gelegen. Het toevoegen van extra geurgevoelige objecten is in deze situatie niet belemmerend. Tevens vanwege de grote afstand tot omliggende veehouderijen is er geen sprake van dat veehouderijen in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Conclusie
Op grond van voorgaande kan worden geconcludeerd dat geur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
Toetsingskader
Bij het wijzigen of afwijken van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Onderzoek
Wanneer er binnen 100 meter tot het spoor wordt gebouwd, dient een Quickscan Trillinghinder uitgevoerd te worden. In het geval van het Callunaterrein bedraagt de afstand vanaf het dichtstbijzijnde woonblok tot het spoor circa 375 meter. Hiermee ligt de beoogde bebouwing ruim buiten de zone waarin trillinghinder relevant is volgens de Handreiking. Er is daarom geen aanleiding voor aanvullend onderzoek naar spoortrillingen.
Conclusie
Het aspect trillingen leidt niet tot beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. De afstand tot het spoor is zodanig groot dat trillinghinder uitgesloten kan worden.
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Onderzoek
Voor dit initiatief is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om te bepalen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, zie Bijlage 15: Verkennend bodemonderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem op de meeste plekken schoon is. In de bovenste laag grond zijn op enkele plaatsen licht verhoogde waarden van PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en PCB (polychloorbifenylen) gevonden. Deze waarden zijn echter zo laag dat ze geen risico vormen voor het gebruik van de grond. In de diepere lagen zijn geen bijzonderheden aangetroffen.
Het grondwater is ook onderzocht. Hierin is op één plek een licht verhoogde waarde van trichloormethaan gemeten, maar deze waarde is niet hoog genoeg om extra onderzoek of maatregelen te vereisen.
Verder is gekeken naar de aanwezigheid van asbest, met name bij een puinpad op het terrein. Zowel bij de visuele inspectie als in het laboratorium is geen asbest aangetroffen.
Conclusie
De resultaten van het onderzoek laten zien dat de bodemkwaliteit op het Callunaterrein voldoende is voor de geplande woningbouw. Er zijn geen milieuhygiënische bezwaren die de ontwikkeling in de weg staan. Voor meer details wordt verwezen naar het volledige bodemonderzoeksrapport in de bijlage.
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid gaat over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De regels voor omgevingsveiligheid zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl beschrijft onder welke voorwaarden beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toegelaten zijn. Deze toelating gebeurt op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl.
Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden’. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Een gemeente mag hier wel om vragen om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Onderzoek
Rond plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig:
In de nabijheid van het plangebied ligt bedrijventerrein Kerkdennen. Dit terrein brengt geen aandachtsgebieden of een PR 10⁻⁶ contour met zich mee. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is dit object daarmee niet relevant voor het plangebied.
Ten westen van het plangebied bevindt zich een hogedruk aardgasleiding (N-570-28). Het plangebied valt buiten het brandaandachtsgebied van deze leiding. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid is dit object daarmee niet relevant voor het plangebied.
Op circa 265 meter ten westen van het plangebied ligt een spoorlijn (route 360), behorend tot het Basisnet. Over deze route worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In het oorspronkelijke plan lag een klein deel van het plangebied – met name woonveld W4 – binnen het gifwolkaandachtsgebied van deze spoorlijn. De voorliggende ontwikkeling omvat echter uitsluitend de woonvelden W1 en W2 en de scholen. Deze liggen buiten het gifwolkaandachtsgebied. Wel is het belangrijk rekening te houden met het feit dat bij ongunstige weersomstandigheden, zoals windrichting, een gifwolk verder kan reiken dan het aangeduide aandachtsgebied van 1500 meter.
Doordat de beoogde functies buiten de aandachtsgebieden liggen, is een nadere kwantitatieve beschouwing van het groepsrisico niet aan de orde.
Daarnaast geldt dat het gaat om nieuwbouw, waarbij op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) eisen worden gesteld aan de ventilatievoorzieningen. Hiermee wordt geborgd dat gebruikers van gebouwen binnenshuis voldoende beschermd zijn tegen mogelijke effecten van een incident met gevaarlijke stoffen.
Advies Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG)
De VNOG heeft geadviseerd over de woningbouwontwikkeling op het Callunaterrein. Zij hebben het het volgende meegegeven:
In verband met het wordt aangegeven aandacht te geven aan een goede ventilatie, het vluchten van de bron af en een adequate BHV-organisatie.
De waterberging en -afvoer moeten zodanig zijn dat de wegen naar en in het plangebied begaanbaar blijven voor hulpdiensten, ook bij extreme neerslag. Volgens de klimaateffectatlas zijn de plangebieden gevoelig voor wateroverlast, met name op de toegangswegen.
Gezien het hoge natuurbrandrisico in het gebied adviseert VNOG bij de inrichting van het groen te kiezen voor loofhout en VNOG te betrekken bij het beperken van natuurbrandgevaar.
Deze aandachtspunten worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan en de inrichting van het openbaar gebied.
Conclusie
Een verdere beschouwing van externe veiligheid vanwege de verplichte bouwmaatregelen bij nieuwbouw is niet aan de orde. Daarnaast worden de adviezen van VNOG met betrekking tot ventilatie, BHV-organisatie, waterberging, bereikbaarheid voor hulpdiensten en natuurbrandveiligheid meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en wordt invulling gegeven aan een veilige fysieke leefomgeving.
Beleidskader en weging waterbelang
Waterschap Vallei en Veluwe geeft in de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) richting aan een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Centraal staan drie waterprincipes: (1) water als ordenend principe, (2) maximaal vasthouden en schoonhouden van water en (3) partnerschap als watermerk.
Bij het vaststellen van een omgevingsplan moeten waterbelangen worden meegewogen (de zogeheten weging van het waterbelang; artikel 5.37 Bkl). De opvattingen van de waterbeheerder worden hierbij betrokken. Voor dit project is daarnaast een digitale watertoets uitgevoerd (opgenomen als Bijlage 13: Watertoets); hieruit volgt dat relevante waterbelangen worden geraakt.
Naast het waterschap hanteert de gemeente Ermelo beleidsuitgangspunten en eisen voor hemelwater, waterberging, extreme buien en bouwpeil via het PVE Water en Riolering (onderdeel van het HIOR/handboek openbare ruimte).
Gemeentelijke bergingseis en extreme neerslag
De gemeente verlangt dat binnen het plangebied een zo groot mogelijk deel van de neerslag van een hevige kortdurende bui (T=100, 70 mm in 1 uur) wordt verwerkt door vasthouden/bergen/infiltreren, met gecontroleerde overloop naar de openbare ruimte. Voor plangebieden groter dan 1.500 m² geldt binnen het gemeentelijk PVE als minimale basis een statische berging van 50 mm (met hersteltijd/lediging zodanig dat voorzieningen binnen maximaal 48 uur weer beschikbaar zijn).
Daarnaast hanteert het waterschap als uitgangspunt (met name bij grotere verhardingsoppervlakken) dat ook een langdurige bui (T100+10% in 24 uur) binnen het plangebied moet kunnen worden geborgen en vertraagd afgevoerd; in het PVE is dit als 60 mm benaderd.
Onderzoek – infiltratie en grondwater
Ten behoeve van de waterhuishouding is een infiltratieonderzoek uitgevoerd door PJ Milieu (Bijlage 14: Infiltratieonderzoek). Dit onderzoek is uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in bodemopbouw, doorlatendheid en (indicatieve) grondwaterstanden voor de beoogde infiltratievoorzieningen.
Uit het infiltratieonderzoek volgt dat:
de bodemopbouw overwegend zandig is en geen stoorlagen (leem/klei/veen) zijn aangetroffen;
doorlatendheden zijn gemeten variërend van circa 0,8 tot 5,3 m/d, met uitschieters van 18–27 m/d in twee boringen; infiltratie is in beginsel toepasbaar bij k‑waarden vanaf circa 0,43 m/d;
voor het plangebied indicatief kan worden uitgegaan van een GHG van ca. 10,2–10,7 m+NAP en GLG van ca. 9,4–9,9 m+NAP;
PJ Milieu adviseert in de uitwerking nog te bezien of de hoge doorlatendheden representatief zijn of als uitschieter moeten worden beschouwd.
Dit onderzoek geeft daarmee op planniveau voldoende basis om de afkoppeling en (in beginsel) infiltrerende verwerking van hemelwater te motiveren.
Doorwerking in het plan – waterberging, afvoer en bouwpeil
De gemeente beschouwt de ontwikkeling als een nieuwe ontwikkeling waarvoor de waterberging wordt bepaald op basis van het nieuwe totale verhard oppervlak. Uitgaande van een totaal verhard oppervlak van circa 20.082 m² volgt voor de gemeentelijke eis van 50 mm statische berging een benodigde bergingscapaciteit van:
0,05 m × 20.082 m² ≈ 1.004 m³.
Deze berging wordt in de verdere uitwerking gerealiseerd met een combinatie van (bij voorkeur) bovengrondse, groenblauwe maatregelen (wadi’s, verlaagde groenzones/infiltratiegreppels, waterpasserende verharding) en waar nodig aanvullende infiltratievoorzieningen. Dit sluit aan bij de voorkeurslijn uit het PVE (vasthouden–bergen–infiltreren–vertraagd afvoeren) én bij de voorkeur van het waterschap voor bovengrondse oplossingen en robuuste werking/onderhoud.
Toets klimaatbui 70 mm/uur (water op straat)
Het plan wordt getoetst op een extreme bui van 70 mm in 1 uur (T=100). Uitgangspunt hierbij is dat water tijdelijk op straat mag staan (water op straat is acceptabel), mits
geen schade optreedt aan bebouwing, infrastructuur en vitale voorzieningen;
geen instroom in woningen/gebouwen optreedt;
de maximale waterdiepte op straat beheersbaar blijft (gemeentelijk uitgangspunt: max. ca. 20 cm water op straat).
Het bouwpeil is hierbij een sleutelmaatregel. In de uitwerking wordt het bouwpeil en de inrichting van eventuele noodwaterroutes expliciet afgestemd op het PVE Water en Riolering.
Klimaatadaptief bouwen – wateroverlast, hitte en droogte
Naast waterberging wordt de ontwikkeling klimaatadaptief ingericht conform de regionale notitie “Klimaatadaptief bouwen Noord‑Veluwe” (zie onderstaande figuur).
In deze notitie staan de thema’s hitte, droogte en wateroverlast centraal en zijn doelstellingen opgenomen zoals: geen schade door hevige neerslag, het voorkomen van structurele schade bij langdurige droogte en het versterken van groenblauwe structuren met een “groen, tenzij”-principe.
Concreet betekent dit voor het plan (op hoofdlijnen, uit te werken in vergunningfase en inrichtingsplan):
Wateroverlast: voldoende berging + gecontroleerde (bovengrondse) afvoerroute bij extreme buien, met borging via bouwpeil en drempelhoogtes;
Droogte: water zoveel mogelijk vasthouden en infiltreren binnen het plangebied (ondersteund door de resultaten uit het infiltratieonderzoek) zodat verdroging wordt tegengegaan;
Hitte: beperken van verharding waar mogelijk en versterken van groen (bomen/kronendak, groenblauwe structuren) om hittestress in openbare ruimte en bij woningen te reduceren.
Overige wateraspecten
Oppervlaktewater
In het infiltratieonderzoek is op en rond de locatie geen oppervlaktewater op het terrein zelf beschreven. Direct naast het plangebied ligt echter een C‑watergang (beheer/ligging blijft ongewijzigd). De ontwikkeling voorziet niet in aanpassingen aan profiel of functioneren van deze watergang.
Vuilwaterafvoer
De vuilwaterafvoer van de nieuwe bebouwing wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioleringssysteem. Hemelwater wordt daarbij zoveel mogelijk afgekoppeld en lokaal verwerkt conform het PVE (vasthouden/bergen/infiltreren).
Grondwater(neutraal) bouwen
Het waterschap adviseert om boven de (gemiddeld) hoogste grondwaterstand te ontwerpen; ontwateringsdiepte en infiltratievoorzieningen worden afgestemd op de GHG. De indicatieve GHG/GLG uit het infiltratieonderzoek vormt hiervoor de basis op planniveau. Waar nodig kan in de vergunningfase aanvullend worden gemonitord (bijv. peilbuizen), zodat de uitwerking robuust is.
Schoonhouden–scheiden–schoonmaken
Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen wordt het principe “schoonhouden–scheiden–schoonmaken” toegepast, waaronder het scheiden van schoon hemelwater van vuilwater en het gebruik van duurzame, niet‑uitlogende bouwmaterialen.
Conclusie
Op basis van het infiltratieonderzoek is aangetoond dat de bodem geschikt is voor infiltratie en dat grondwaterstanden afdoende in beeld zijn. De ontwikkeling wordt als een nieuwe ontwikkeling getoetst aan de gemeentelijke eisen voor waterberging en extreme neerslag.
Binnen het plangebied wordt minimaal circa 1.004 m³ waterberging gerealiseerd en wordt het plan ingericht om een klimaatbui van 70 mm/uur zorgvuldig te kunnen verwerken, waarbij water op straat acceptabel is maar geen schade aan bebouwing optreedt.
De verdere uitwerking van de waterhuishouding vindt plaats in de vergunningfase, conform het PVE Water en Riolering en de uitgangspunten van klimaatadaptief bouwen Noord‑Veluwe.
Hiermee zijn de waterbelangen voldoende meegewogen en vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Toetsingskader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
Onderzoek
In het kader van dit initiatief is op 15 mei 2024 een quickscan natuurtoets uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 2: Quickscan natuurtoets. In deze paragraaf worden de conclusies van het onderzoek beschreven.
Soortenbescherming
Binnen het plangebied zijn verschillende natuurwaarden vastgesteld die relevant zijn voor de geplande werkzaamheden. Er zijn potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig, met name in de spouwmuren van het zwembad en de omliggende scholen. Hoewel verblijfplaatsen mogelijk zijn, is er geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes of onmisbaar foerageergebied voor deze soorten.
Daarnaast is in het plangebied een verblijfplaats van de eekhoorn vastgesteld. Omdat het nest bij de geplande werkzaamheden behouden blijft, zijn er geen vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort. Ook zijn er mogelijke verblijfplaatsen van de wezel aangetroffen in het gebied. Verder wordt aangenomen dat er mogelijk verblijfplaatsen zijn van de hazelworm, de levendbarende hagedis en de zandhagedis. Wat betreft vogels zijn er geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Wel wordt verwacht dat algemeen voorkomende broedvogels, zoals de gaai, roodborst, tjiftjaf, vink, houtduif, Turkse tortel en merel, in het gebied nestelen.
Uit de quickscan blijkt dat door de beoogde werkzaamheden potentiële verblijfplaatsen van diverse soorten verloren kunnen gaan. Daarom is er nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, marterachtigen en reptielen. Voor overige soorten leiden de voorgenomen werkzaamheden niet tot verlies of verstoring van groeiplaatsen, nesten of verblijfplaatsen, noch van essentieel foerageergebied van flora, overige zoogdieren, amfibieën, vissen en ongewervelden. Uitzondering hierop vormen soorten waarvoor binnen de provincie Gelderland een vrijstelling van de vergunningplicht geldt. Voor al deze soorten blijft de specifieke zorgplicht van toepassing.
Nader onderzoek naar vleermuizen
Uit de uitgevoerde quickscan bleek dat het noodzakelijk was om een nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Dit onderzoek is uitgevoerd van 15 mei tot 1 oktober 2024, zie Bijlage 3: Nader onderzoek vleermuizen. Uit het uitgevoerde vleermuisonderzoek is gebleken dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen in de te slopen bebouwing. Ook zijn in en nabij deze bebouwing geen essentiële vliegroutes of zwermlocaties vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn bovendien geen paarroepjes of baltsgedrag waargenomen, waardoor het niet nodig was geluidsopnamen te maken.
Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of als onderdeel van een vliegroute. In de toekomstige situatie blijven bestaande landschapselementen behouden, waardoor er geen essentiële lijnelementen verloren gaan. Daarmee worden ook geen verblijfplaatsen of andere belangrijke functies voor vleermuizen aangetast als gevolg van de geplande werkzaamheden.
Op basis van deze bevindingen wordt een vergunning voor schadelijke handelingen in het kader van een flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk geacht.
Het is belangrijk om te benadrukken dat elke ecologische inventarisatie gebaseerd is op momentopnamen en daarmee altijd een zekere mate van onzekerheid kent. Wel is het onderzoek uitgevoerd conform de gestelde onderzoekstijden en -perioden zoals vastgelegd in het Vleermuisprotocol 2021. Voor de relevante soorten zijn alle functies onderzocht. Hoewel niet volledig uitgesloten kan worden dat bepaalde soorten of functies op een ander moment wel aanwezig zouden kunnen zijn, is met het volgen van de protocollen voldaan aan wat redelijkerwijs verwacht mag worden.
Daarmee is aantoonbaar invulling gegeven aan de zorgplicht zoals bedoeld in de Omgevingswet.
Nader onderzoek naar marterachtigen
Uit het nader onderzoek kleine marterachtigen (Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur, aug. 2025; zie Bijlage 4: Nader onderzoek kleine marterachtigen) blijkt dat kleine marterachtigen (wezel, hermelijn, bunzing) niet voorkomen binnen het plangebied. Wel is de steenmarter herhaaldelijk waargenomen; er zijn geen vaste verblijfplaatsen aangetroffen, maar het gebied wordt functioneel gebruikt. Voor de steenmarter is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit benodigd. Deze is verleend.
Nader onderzoek naar reptielen
Uit het nader onderzoek reptielen (Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur, dec. 2024; zie Bijlage 5: Nader onderzoek reptielen) blijkt dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van zandhagedis, levendbarende hagedis of hazelworm zijn aangetroffen. Het aanvragen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor reptielen is niet nodig. Wel geldt de algemene en specifieke zorgplicht bij uitvoering van werkzaamheden.
Gebiedsbescherming Natura 2000
Significant negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelen van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten voor Natura 2000-gebied Veluwe zijn, op de effecten van stikstofdepositie na, uitgesloten. Vervolgstappen zijn, op het onderdeel stikstof na, niet aan de orde.
Stikstof
Om rekenkundig na te gaan of de geplande werkzaamheden leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden is door TAUW een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 16: Stikstofonderzoek). In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase in beeld gebracht, waarbij de emissies zijn berekend met AERIUS Calculator op basis van de relevante bronnen, zoals bouwverkeer, mobiele werktuigen en verkeersgeneratie in de gebruiksfase.
Het plangebied ligt in de nabijheid van het Natura 2000‑gebied Veluwe, waar stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn. Daarom is beoordeeld of de ontwikkeling leidt tot significante effecten op deze gebieden.
Uit het onderzoek volgt dat in alle beschouwde situaties (aanlegfase en gebruiksfase) geen toename van stikstofdepositie optreedt ten opzichte van de referentiesituatie. Hierbij is rekening gehouden met de geldende Beleidsregels salderen Gelderland 2026 en de maatregelen binnen het stikstofreductiegebied.
De berekeningen tonen aan dat op geen van de relevante Natura 2000‑hexagonen sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Daarmee zijn significante negatieve effecten op stikstofgevoelige natuur uitgesloten.
Voor een nadere toelichting op de gehanteerde uitgangspunten, berekeningen en resultaten wordt verwezen naar het volledige stikstofdepositieonderzoek van TAUW (Bijlage 16: Stikstofonderzoek).
Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied is voor een klein deel gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk. Daarnaast grenst het grootste deel van het plangebied aan dit netwerk. Het gebied ligt echter niet in, en grenst ook niet aan, de Groene Ontwikkelingszone.
De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het oppervlak, de kernkwaliteiten, de ontwikkelingsdoelen of de ecologische samenhang van het Gelders Natuurnetwerk.
Houtopstanden
De bomen in het plangebied liggen binnen de begrenzing van de bebouwingscontour houtkap van de gemeente Ermelo, waardoor de rijksregels voor houtopstanden niet van toepassing zijn. De gemeentelijke regels zijn van toepassing (Verordening Fysieke Leefomgeving Ermelo, hoofdstuk 4 bomen).
Conclusie
Het aspect natuur leidt niet tot beperkingen voor de beoogde ontwikkeling.
Toetsingskader
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als Niet-Gesprongen Explosieven (NGE) (officiële term tegenwoordig: Ontplofbare Oorlogsresten). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.
Onderzoek
In het kader van dit initiatief is door IDDS onderzoek uitgevoerd naar ontplofbare oorlogsresten, zie Bijlage 12: Onderzoek explosieven. Het doel van het onderzoek is vaststellen of er in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat het onderzoeksgebied Callunaterrein te Ermelo, gemeente Ermelo tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is geweest bij oorlogshandelingen waardoor er (mogelijk) OO op/in de bodem zijn achtergebleven. Uit het onderzoek is gebleken dat er inderdaad oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden in Ermelo tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel Ermelo zowel de Meidagen 1940 en de bevrijding van Nederland ongeschonden heeft doorstaan, was er tijdens de Duitse bezetting sprake van meerdere bombardementen in en in de nabijheid van Ermelo.
Tijdens de bezetting werd Ermelo, en met name de spoorlijn die die door het plaatsje loopt, gebombardeerd, voornamelijk door geallieerde jachtbommenwerpers van de Royal Air Force. Dit spoortracé was van bijzonder strategische waarde, omdat andere door de Duitsers gebruikte spoorlijnen die richting Duitsland liepen, zoals die door Arnhem, steeds meer in onbruik raakten door geallieerde bombardementen voor en na Operation Market Garden. De spoorlijn die door Ermelo liep was één van de weinige spoorverbindingen met Duitsland die regelmatig door het Duitse leger gebruikt werd. Uit de geraadpleegde literatuur archiefstukken en andere geraadpleegde bronnen blijkt dat deze spoorweg herhaaldelijk werd aangevallen, in 1944 op 20 juni, 28 augustus, 3 september, 20 september, 6 november, 7 november, 11 november en 31 december, en in 1945 op 24 februari. Enkele aanvallen, te weten die uitgevoerd zijn op 6 november, 7 november, 11 november, 31 december 1944 en 24 februari 1945 vonden plaats in de nabijheid van het onderzoeksgebied.
Uit de geraadpleegde luchtfotografie is het onmogelijk de vastgestelde kraters aan de genoemde data van de luchtaanvallen te koppelen. De reden hiervoor is dat beide behandelde luchtfoto’s genomen werden na de genoemde luchtaanvallen. Echter kon het onderzoek vaststellen dat er op de behandelde luchtfoto’s geen kraters of andere verstoringen t.g.v. bombardementen binnen of in directe nabijheid van het onderzoeksgebied waar te nemen zijn. De kraters die te zien zijn op de luchtfoto’s zijn te koppelen aan luchtaanvallen, maar zijn te ver verwijderd om een verdenking op aantreffen OO binnen het onderzoeksgebied te scheppen.
Zodoende is, zoals hierboven beargumenteerd, geen enkele indicatie gevonden dat een van deze oorlogshandelingen plaats hebben gevonden binnen het onderzoeksgebied. Hoewel oorlogshandelingen te identificeren waren en binnen Ermelo plaatsvonden, blijkt uit de geraadpleegde literatuur, archiefstukken, luchtfoto’s en andere geraadpleegde bronnen dat er geen enkele indicatie is die erop wijst dat het onderzoeksgebied verdacht is op aantreffen OO. Het onderzoeksgebied is onverdacht op het aantreffen van OO.
Conclusie
Het aspect ontplofbare oorlogsresten leidt niet tot beperkingen voor de beoogde ontwikkeling.
Voor het Callunaterrein is onderzocht of er sprake is van een beperkingengebied. Een beperkingengebied is een gebied dat bij of krachtens de Omgevingswet door het Rijk of de provincie is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dat werk of object. Dit betreft bijvoorbeeld zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen, waar beperkingen gelden voor activiteiten van derden.
Uit het onderzoek blijkt dat er binnen het plangebied van het Callunaterrein geen beperkingengebieden aanwezig zijn. Er zijn geen rijks- of provinciale werken, waterstaatswerken, hoofdwegen, spoorwegen of andere objecten die aanleiding geven tot het aanwijzen van een beperkingengebied. Dit betekent dat er geen aanvullende regels of beperkingen gelden voor activiteiten binnen het plangebied op basis van de Omgevingswet.
Hierbij dient opgemerkt te worden dat het uiterste zuiden van het plangebied valt binnen een beschermd AMK-terrein / Archeologisch Rijksmonument. Bouwactiviteiten op (een deel van) een archeologisch rijksmonument zijn altijd vergunningplichtig. In overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is ervoor gekozen de bouwvlakken buiten deze contouren te situeren.
Conclusie:
Er zijn geen beperkingengebieden aanwezig binnen het Callunaterrein die betrekking hebben op infrastructuur of waterstaatswerken. Wel is het uiterste zuiden van het plangebied aangemerkt als archeologisch rijksmonument. Door de bouwvlakken buiten deze contouren te situeren, zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect beperkingengebied voor de beoogde ontwikkeling.
Het omgevingsplan mag geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Daarom is getoetst of de ontwikkeling van het Callunaterrein binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van het project en de locatie. De gemeente Ermelo is initiatiefnemer en grondeigenaar en voert de ontwikkeling zelf uit. De benodigde investeringen en opbrengsten zijn in beeld gebracht in de gemeentelijke grondexploitatie. Op basis hiervan is vastgesteld dat de ontwikkeling financieel haalbaar is en binnen een realistische termijn kan worden gerealiseerd. Er zijn geen financiële belemmeringen die de uitvoering van het plan op voorhand onmogelijk maken.
Het plan maakt kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk, waaronder de bouw van woningen en maatschappelijke voorzieningen. Omdat de gemeente zelf zowel grondeigenaar als ontwikkelaar is, wordt het kostenverhaal volledig verzekerd via de gemeentelijke grondexploitatie. Het opstellen van een anterieure overeenkomst is niet nodig, omdat er geen sprake is van een externe initiatiefnemer.
Indien belanghebbenden schade ondervinden als gevolg van de uitvoering van het plan, kan op basis van de geldende wettelijke regelingen een verzoek tot nadeelcompensatie worden ingediend.
Aanpak en doel
Voor de herontwikkeling van het Callunaterrein is een participatie‑ en communicatietraject doorlopen met omwonenden en betrokken organisaties. Het traject bestond uit een actieve werkgroep (circa 10–12 betrokkenen) en brede informatie‑/inloopbijeenkomsten. De inzet was informeren, raadplegen en consulteren, met verslaglegging in een doorlopend logboek. Zie Bijlage 18: Logboek communicatie en participatie voor de volledige weergave.
Samenhang Ermelo Zuid‑West
De participatie is gestart in het bredere kader van Ermelo Zuid‑West, waarin vier locaties samenhangen: Callunaterrein, Pretoriusplein, Wethouder Balverzaal en Kerkdennen. Op 30 november 2023 zijn twee informatiebijeenkomsten gehouden voor deze vier locaties (circa 200 aanwezigen). Het doel was informeren en het ophalen van kansen en zorgen.
Proces en mijlpalen
23 oktober 2024: de gemeenteraad besluit dat op het Callunaterrein twee afzonderlijke onderwijsgebouwen in het middenterrein worden gepositioneerd (tweelaags, max. 11 m bouwhoogte).
Najaar 2024 – 2025: inrichting en werkzaamheden van de werkgroep Callunaterrein (o.a. 11‑11‑2024, 09‑12‑2024, 17‑02‑2025, 30‑06‑2025). Besproken thema’s: bebouwingshoogtes, verkeer en parkeren, groenstructuur, locaties duivenvereniging en skatebaan, woningtypen/‑aantallen, en Knarrenhof‑wens.
Brede bijeenkomsten: 25‑11‑2024 (informatie) en 20‑11‑2025 (inloop). Belangrijkste punten uit de reacties: verkeersveiligheid en parkeerdruk, behoud van groen en zicht/verlichting richting heide, hoogte van gebouwen en het ontwerp van het skatepark. Verslagen zijn via de gemeentelijke website beschikbaar.
Specifiek overleg: gedurende de planvorming is intensief overleg gevoerd met de duivenvereniging PV de Snelpost (o.a. in de periode 26‑02‑2024 t/m 14‑07‑2025 en op 26‑11‑2025) over de toekomst van het verenigingsgebouw, inclusief de mogelijkheden voor behoud en verplaatsing binnen het Callunaterrein. Uit dit traject is gebleken dat behoud op de huidige locatie niet mogelijk is vanwege de beoogde inrichting van het schoolplein en de toekomstige ontsluitingsweg. Verplaatsing is onderzocht, maar vanwege de constructieve eigenschappen van het gebouw niet kansrijk gebleken en alternatieve gemeentelijke locaties zijn niet beschikbaar. Het college heeft daarom besloten de duivenvereniging niet te behouden en in plaats daarvan een financiële vergoeding toe te kennen op basis van de erfpachtovereenkomst (collegebesluit 8 april 2026).
Conclusie
Het participatie‑ en communicatietraject is meerjarig, gedocumenteerd en navolgbaar uitgevoerd via werkgroepsessies, brede bijeenkomsten en gerichte afstemming met stakeholders (o.a. duivenvereniging en jongeren voor de skatebaan). De opgehaalde aandachtspunten zijn vastgelegd en worden betrokken bij de verdere planuitwerking. Voor de volledige onderbouwing wordt verwezen naar de bijlage “Logboek Communicatie en Participatie Callunaterrein, opgenomen als Bijlage 18: Logboek communicatie en participatie.
De gemeenteraad van Ermelo is het bevoegd gezag voor het vaststellen van het wijzigingsbesluit. Advies is ingewonnen bij relevante instanties, zoals de Omgevingsdienst, Veiligheidsregio en het waterschap. De gemeenteraad heeft adviesrecht en stelt het plan uiteindelijk vast.
Het wijzigingsbesluit doorloopt de formele procedure zoals voorgeschreven in de Omgevingswet. Het ontwerpbesluit wordt ter inzage gelegd, zodat belanghebbenden hun zienswijze kunnen indienen. Na de zienswijzenprocedure wordt het besluit definitief vastgesteld door de gemeenteraad.
Na vaststelling van het wijzigingsbesluit bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden om beroep in te stellen bij de rechtbank. In de uitgebreide procedure is bezwaar niet nodig; belanghebbenden kunnen zienswijzen indienen tegen het ontwerpbesluit. In een beroepsprocedure beoordeelt de rechter het besluit van het bevoegd gezag. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
/join/id/pubdata/gm0233/2026/b70740ac106a4fc1a3a232af2819db75/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/a4787d9df234412086c5ca25398f0813/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/95623ab0224a46389ccd453f8a2a12c0/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/527c8a6751ed455b868c1b28d6f9396b/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/ce142b68916e47f68bd5f2166ae65a17/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/1a1be2e91fb242e7ad56cc47fdc279f2/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/c9a4cb9c9ed64dd7acaa91df43234e51/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/c0ffdc3d6ebd4423aea273a2fd9fecff/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/b8e9b31d89c14eb2af623f3e3a06ed18/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/98981206239e4a67abbffe7bb664fe35/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/d92ce9eb86374a6aaddf0cbf537cefb3/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/9abc81c525174a8181de072f2ecb0429/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/bbd20091aad744bea13caa08b524f081/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/21cae45fa2ee4b2faae0feead5db7341/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/675785ed0c914e8494b78200b4666d34/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/3063c7fa82b74685b6110f491587afce/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/ec7be5ac09864b2796ba3abf04d05dd9/nld@2026‑09‑10;14041332
/join/id/pubdata/gm0233/2026/c8256d09d975456182f9e76ccf712acb/nld@2026‑09‑10;14041332
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-430986.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.