Beleidsregel begrotingssubsidies gemeente Haarlemmermeer 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer;

 

gelet op artikel 4:23 derde lid, onder c en artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Haarlemmermeer 2024;

 

overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen over de verstrekking van subsidies op grond van artikel 4:23 derde lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit

 

vast te stellen de ‘Beleidsregel begrotingssubsidies gemeente Haarlemmermeer 2026’:

Artikel 1 Reikwijdte

  • 1.

    Deze beleidsregel is van toepassing op subsidies die verstrekt worden op grond van artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Criteria

  • 1.

    Het college kan uitsluitend een subsidie verlenen of direct vaststellen als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie.

  • 2.

    Er is sprake van één serieuze gegadigde voor de subsidie als naar het oordeel van het college voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria:

    • a.

      de te subsidiëren activiteit behoort tot de wettelijke taak van de gegadigde;

    • b.

      uitvoering van de te subsidiëren activiteit is uitsluitend mogelijk met gebruik van een goed dat eigendom is van de gegadigde of waarover de gegadigde zeggenschap heeft;

    • c.

      het is aannemelijk dat de uitvoering van de te subsidiëren activiteit uitsluitend door de gegadigde kan plaatsvinden, omdat deze als enige beschikt over:

      • i.

        de benodigde financiële bekwaamheden en draagkracht;

      • ii.

        specialistische kennis of een unieke methodiek;

      • iii.

        de vereiste certificaten, keurmerken of andere kwaliteitsverklaringen;

      • iv.

        de noodzakelijke vergunning(en);

      • v.

        de noodzakelijke contractuele betrekkingen; of

      • vi.

        de noodzakelijk governance-structuur;

    • d.

      uit een marktverkenning is gebleken dat er maar één serieuze gegadigde is;

    • e.

      in het kader van de specifieke uitkering is door een ander overheidsorgaan reeds bepaald wie de subsidieontvanger is;

    • f.

      uitvoering van de te subsidiëren activiteit is in overwegende mate afhankelijk van:

      • i.

        de unieke geografische positie van de gegadigde;

      • ii.

        de bijzondere binding die de gegadigde heeft met de doelgroep of gebied / regio; of

      • iii.

        een bestaand netwerk, samenwerkingsrelatie of langdurig partnerschap;

    • g.

      subsidiering aan een andere gegadigde zou leiden tot ondoelmatige versnippering van het aanbod;

    • h.

      subsidiering aan een andere gegadigde draagt niet of in mindere mate bij aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen.

  • 3.

    Het college kan ook op grond van of tezamen met andere dan de in het tweede lid genoemde criteria tot het oordeel komen dat bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat sprake is van slechts één gegadigde voor de subsidie, voor zover die criteria objectief, toetsbaar en redelijk zijn.

Artikel 3 Voornemen

  • 1.

    Ten minste acht weken voorafgaand aan het besluit waarbij de subsidie wordt verleend of direct wordt vastgesteld, wordt een voornemen daartoe bekendgemaakt.

  • 2.

    Het voornemen vermeldt ten minste:

    • a.

      de naam van de beoogde subsidieontvanger;

    • b.

      het subsidiebedrag;

    • c.

      de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • d.

      een motivering aan de hand van de criteria genoemd in artikel 2, tweede en derde lid, waaruit blijkt waarom de beoogde subsidieontvanger de enige serieuze gegadigde is.

Artikel 4 Bekendmaking van het voornemen

  • 1.

    Het voornemen wordt bekendgemaakt in het Gemeenteblad.

  • 2.

    Bij de bekendmaking van het voornemen wordt vermeld op welke wijze belanghebbenden een zienswijze naar voren kunnen brengen.

Artikel 5 Afwijkingsbevoegdheid

Het college laat artikel 2 tot en met 4 buiten toepassing indien dat noodzakelijk is gelet op het bieden van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51 Awb.

Artikel 6 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking.

  • 2.

    Deze beleidsregel is voor het eerst van toepassing op subsidies voor activiteiten die in het jaar 2027 plaatsvinden.

Aldus vastgesteld op 20 januari 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

de secretaris,

Hermineke van Bockxmeer

de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer,

Marianne Schuurmans-Wijdeven

Toelichting  

Algemeen

 

Op 23 juli 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat bij het verstrekken van (schaarse) begrotingssubsidies in beginsel mededingingsruimte moet worden geboden (ECLI:NL:RVS:2025:3399). De subsidieverstrekker kan de mededingingsruimte wel beperken: als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie kan de subsidieverstrekker een begrotingssubsidie aan deze serieuze gegadigde verstrekken. Ten behoeve van het bieden van mededingingsruimte moet de subsidieverstrekker zijn voornemen daartoe dan wel minimaal acht weken van te voren bekendmaken, zodat een ieder daarvan kennis kan nemen. Daarbij moet de subsidieverstrekker deugdelijk motiveren waarom er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria. Deze regel strekt ertoe om belanghebbenden bij de subsidieverstrekking, die menen dat zij volgens de gestelde criteria in aanmerking kunnen komen voor de subsidie, de mogelijkheid te bieden om te betwisten dat er één serieuze gegadigde is of om te betwisten dat de gestelde criteria aan de daaraan te stellen eisen voldoen, aldus de uitspraak.

 

Met deze beleidsregel wordt invulling gegeven aan de uitspraak. Daartoe wordt bepaald op grond van welke redelijke, objectieve en toetsbare criteria het college tot het oordeel kan komen dat er slechts één serieuze gegadigde is voor een subsidie. Daarnaast worden regels gesteld over de inhoud van het voornemen en het tijdstip en de wijze van bekendmaking.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1

De beleidsregel is uitsluitend van toepassing op subsidies die verstrekt worden op grond van artikel 23, derde lid aanhef en onder c van de Awb, de zogenoemde ‘begrotingssubsidies’.

 

Artikel 2

Uit het eerste lid volgt dat een begrotingssubsidie verstrekt kan worden als bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de subsidie. In het tweede lid staan de redelijke, objectieve en toetsbare criteria op basis waarvan het college tot dat oordeel kan komen.

Met betrekking tot de benodigde financiële bekwaamheden en draagkracht (tweede lid, onder c, i) kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin er maar één gegadigde is die beschikt over de capaciteiten om de subsidiemiddelen op een verantwoorde manier te beheren en op behoorlijke wijze rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van de subsidiegelden. Ook kan gedacht worden aan de situatie dat er naast de enige serieuze gegadigde een andere gegadigde is, maar deze verkeert in staat van faillissement of surseance van betaling.

Met betrekking tot de noodzakelijke governance-structuur (tweede lid, onder c, vi) kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de inbedding van een organisatie in een geheel van instellingen die noodzakelijk geacht wordt voor het uitvoeren van de activiteiten.

Bij een marktverkenning (tweede lid, onder d) kan gedacht worden aan het uitvoeren van een onderzoek op basis van bureauonderzoek of veldonderzoek, bijvoorbeeld gesprekken met mogelijk geïnteresseerden.

Uit het derde lid volgt dat het college ook op grond van andere dan de in het tweede lid genoemde criteria tot het oordeel komen dat er maar één serieuze gegadigde is voor de subsidie. Ook die criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Het college kan dit andere criterium of deze andere criteria hanteren in plaats van of tezamen met één of meer criteria genoemd in het tweede lid.

 

Artikel 5

Het kan voorkomen dat een bestaande begrotingssubsidie beëindigd dient te worden omdat niet voldaan kan worden aan het bepaalde in deze beleidsregel. Voor zover op grond van artikel 4:51 Awb een redelijke termijn gehanteerd dient te worden, kan de subsidie nog (tijdelijk) verstrekt worden, zonder dat toepassing gegeven wordt aan artikel 2 tot en met 4.

Naar boven