Gemeenteblad van Peel en Maas
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Peel en Maas | Gemeenteblad 2026, 426659 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Peel en Maas | Gemeenteblad 2026, 426659 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Peel en Maas heeft besloten om het ontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas - Deelgebied Kempstraat 36 Egchel ter inzage te leggen voor een periode van 6 weken.
De tekstinhoud van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas, zoals opgenomen in Bijlage A Omgevingsplan Peel en Maas deelgebied Kempstraat 36 Egchel wordt als ontwerp vrijgegeven. Een onderbouwing van de wijziging wordt omschreven in de Motivering.
Er wordt ingestemd met de conclusie uit de vormvrije m.e.r beoordeling dat er geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu en dat daarom het opstellen van een m.e.r. of m.e.r. beoordeling voor de wijziging ‘Omgevingsplan gemeente Peel en Maas - Deelgebied Kempstraat 36 Egchel’ niet nodig is.
Gelijktijdig de ontwerp omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen gedurende zes weken.
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving heeft.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op deze regels.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-IMRO omgevingsplan.
Als een begripsbepaling in een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-IMRO omgevingsplan afwijkt van een begripsbepaling, opgenomen in bijlage I Begripsbepalingen, dan is op de begripsbepaling in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de desbetreffende regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan.
De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit een regel uit dit omgevingsplan volgt dat een ander oogmerk geldt.
Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken.
Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, wordt die norm voor iedere locatie afzonderlijk toegepast.
De dakhelling van een bouwwerk: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
De goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
De inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
De bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
De oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
De oppervlakte van een bodemingreep: het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het (archeologisch) bodemarchief.
De afstand tot de bouwwerkperceelsgrens: tussen de grens van het bouwwerkperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het bouwkundig straatpeil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
De voorgevelrooilijn van een bouwwerk: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
De oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
De afstand tussen een hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk wordt gemeten als de kortste afstand tussen het hoofdgebouw en het bijbehorend bouwwerk.
De overschrijding van de bouwvlak-, c.q. functiegrenzen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevel- versieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwvlak-, c.q. functiegrenzen maximaal 1 meter bedraagt.
De regels in dit omgevingsplan gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Peel en Maas, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald in dit omgevingsplan.
Bijlage II Geografische Informatieobjecten bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van alle geografische informatieobjecten voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Aan de regels voor activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij in dit omgevingsplan anders is bepaald. Degene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is de anti-dubbeltelbepaling zoals die is opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
B
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu;
het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
de natuurbescherming;
het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed;
de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;
het tegengaan van klimaatverandering;
het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
het waarborgen van de kwaliteit van bouwwerken;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheer van infrastructuur;
het beheer van watersystemen;
het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;
het beheer van natuurlijke hulpbronnen;
het beheer van natuurgebieden;
het gebruik van bouwwerken;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
C
Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een functie Agrarisch.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Agrarisch in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.1.1 Agrarisch - Landbouw.
Er is een functie Maatschappelijk.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Maatschappelijk in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.8.1 Maatschappelijk - Algemeen.
Er is een gebiedstype Buitengebied.
In het Buitengebied gelden de volgende doelen, bedoeld in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
de natuurbescherming;
de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;
het tegengaan van klimaatverandering;
het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
het beheer van watersystemen;
het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;
het beheer van natuurlijke hulpbronnen;
het beheer van natuurgebieden;
het gebruik van bouwwerken.
Er is een gebiedstype Kern.
In de Kern gelden de volgende doelen, bedoeld in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
het gebruik van bouwwerken;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.43 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Beschermingszone archeologie in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 6.2.4.4 Archeologische verwachtingswaarden;
subparagraaf 6.3.5.1 Bouwregels archeologische beschermingszone;
afdeling 8.2 Aanlegactiviteit in gebied met archeologische verwachtingswaarden.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.46 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Spuitvrije zone in ieder geval voldaan aan de regels in:
paragraaf 5.2.3 Beperkingen binnen spuitvrije zone.
E
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken.
Het is uitsluitend toegestaan om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die in overeenstemming is met:
de regels over gebruik zoals opgenomen in afdeling 5.2 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken; en
de aan een locatie toegekende functie, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies;
de regels over medegebruik, zoals opgenomen in Artikel 5.2 Toegestane activiteiten voor gebruik, lid 2.
Naast het hoofdgebruik, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies, is het volgende medegebruik, tenzij dit medegebruik in de toepasselijke gebruiksregels over de desbetreffende functie uitdrukkelijk is uitgesloten of beperkt, toegestaan. Het gaat hier om het gebruiken voor:
Ter plaatse van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt, in afwijking van het eerste lid, dat gronden en bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt overeenkomstig de aan de locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende gebruiksregels van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Onder het gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
prostitutie;
het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens;
opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke functie onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden.
Deze paragraaf is van toepassing op het in voldoende mate voorzien in ruimte voor parkeren van auto’s bij het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden.
Een gebruiksactiviteit is uitsluitend toegestaan wanneer wordt voldaan aan de parkeernormen en andere parkeereisen, waaronder afmetingen van parkeerplaatsen, zoals bedoeld in Artikel 5.4 Toepassingsbereik en uitgewerkt in de ‘Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018’ of de beleidsregel die deze vervangt of wijzigt, waarbij de beleidsregel uitsluitend wordt toegepast voor zover deze niet in strijd is met dit omgevingsplan.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van Artikel 5.5 Algemene regels, indien dat noodzakelijk is en de afwijking past binnen de criteria voor afwijking als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 of een vervangende beleidsregel.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van Evenement en geldt voor gebruiksactiviteiten waarbij gronden en bouwwerken worden gebruikt voor een evenement.
Het aantal evenementen is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Evenementen - Aantal.
Het aantal dagen dat een evenement mag duren inclusief op- en afbouw is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Evenementen - Aantal dagen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Agrarisch - Landbouw gronden en bouwwerken te gebruiken voor incidentele evenementen.
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van incidentele evenementen ter plaatse van Agrarisch - Landbouw wordt verleend als:
het een tijdelijk of een periodiek terugkerend tijdelijk evenement, per locatie maximaal drie keer per jaar voor een aaneengesloten periode van drie dagen betreft, inclusief op- en afbouw;
er geen sprake is van aantasting van bestaande natuur, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, archeologische waarden en abiotische waarden;
omliggende functies door het incidentele evenement niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoeringmogelijkheden;
ter plaatse voldoende parkeergelegenheid is en er geen onevenredige verkeersbelasting ontstaat op de toevoerwegen.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van een Spuitvrije zone en is van toepassing op gebruiksactiviteiten, waarbij agrarische gronden worden gebruikt voor het verrichten van een agrarische activiteit.
Het is ter plaatse van een Spuitvrije zone verboden om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Spuitvrije zone af te wijken van Artikel 5.13 Algemene regels.
Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de algemene regels, bedoeld in Artikel 5.13 Algemene regels, wordt verleend als:
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een gebruiksactiviteit, bedoeld in Artikel 5.14 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheid en verstrekt:
een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoeksrapportage naar de gezondheidsrisico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van Kleinschalig kamperen en is van toepassing op gebruiksactiviteiten, waarbij de gronden worden gebruikt voor kleinschalig kamperen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Kleinschalig kamperen de gronden te gebruiken voor kleinschalig kamperen.
Een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden ten behoeve van kleinschalig kamperen wordt verleend als:
het plaatsvindt in de vorm van medegebruik naast de ter plaatse toegestane hoofdfunctie, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies;
het uitsluitend plaatsvindt in een bouwvlak, dan wel direct aansluitend aan het bouwvlak met dien verstande dat in dit laatste geval aangetoond wordt dat binnen het bouwvlak geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van het kleinschalig kampeerterrein;
het totaal aantal kampeermiddelen op het kleinschalig kampeerterrein maximaal 25 bedraagt, met dien verstande dat stacaravans/chalets niet zijn toegestaan;
in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein;
de ontwikkeling in voldoende mate is gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd welke als als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden, met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura-2000 gebieden.
Artikel 5.21 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van Agrarisch - Landbouw.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
een grondgebonden bedrijf, glastuinbouwbedrijf of intensieve veehouderij;
medegebruik in de vorm van tuinen, erven en terreinen;
parkeervoorzieningen.
Artikel 5.23 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden te gebruiken voor een paardrijbak.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden te gebruiken voor containervelden.
Artikel 5.24 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van de gronden voor een paardrijbak wordt verleend als:
de paardrijbak direct aansluitend aan een bouwvlak wordt gebouwd;
het bouwvlak, genoemd in sub a, is gelegen in de gebiedsaanwijzingen Agrarisch of Wonen;
er is aangetoond dat binnen het aangrenzende bouwvlak geen reële mogelijkheden zijn voor de realisering van een paardrijbak;
de oppervlakte van de paardrijbak maximaal 20 x 40 meter bedraagt;
indien de omheining rond de paardrijbak, in de vorm van een bouwwerk geen gebouw zijnde, een open afscheiding betreft met een maximale bouwhoogte van 1,50 meter;
in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden, met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura-2000 gebieden;
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van de gronden voor containervelden wordt verleend als:
de gronden zijn gelegen ter plaatse van Containervelden;
voorzieningen worden getroffen voor de afvoer van hemelwater;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd welke als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie.
Artikel 5.25 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Maatschappelijk.
F
Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van bouwactiviteiten.
Een bouwactiviteit is uitsluitend toegestaan indien het bouwen van het bouwwerk in overeenstemming is met de regels over bouwen die in dit omgevingsplan zijn gesteld.
Ter plaatse van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt, in afwijking van het eerste lid, dat een bouwactiviteit uitsluitend is toegestaan indien het bouwen van een bouwwerk in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende regels over bouwen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
In aanvulling op het eerste en tweede lid is ter plaatse van een locatie waarvoor een TAM-IMRO omgevingsplan geldt een bouwactiviteit uitsluitend toegestaan indien het bouwen van een bouwwerk in overeenstemming is met de in het TAM-IMRO omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
Deze afdeling gaat over het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk.
[Gereserveerd]
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Beschermingszone archeologie, indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.41 Algemene regels.
Artikel 6.7 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag plaatsvindt in een Beschermingszone archeologie, verleend als:
er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
Artikel 6.8 Maatwerkvoorschriften
Als het uitvoeren van een vergunningsplichtige bouwactiviteit, gelegen in een Beschermingszone archeologie, kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning één of meer van de volgende voorschriften verbinden:
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in de vorm van een ondergrondse bouwactiviteit, indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.43 Algemene regels.
Artikel 6.10 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van een ondergrondse bouwactiviteit, verleend als:
Artikel 6.11 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken die leidt tot een toename van de parkeerbehoefte.
Artikel 6.12 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verleend als:
voor de toename van de parkeerbehoefte wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018’;
indien deze beleidsregel wordt gewijzigd, betrekt het bevoegd gezag bij de beoordeling de gewijzigde beleidsregel, voor zover deze redelijkerwijs kan worden toegepast.
Artikel 6.13 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, die bestaat uit het bouwen van een tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening, ter plaatse van Tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening.
Artikel 6.14 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening, alleen verleend als:
de bouwhoogte maximaal 4 meter bedraagt;
de oppervlakte aan teeltondersteunende voorzieningen maximaal 1,5 hectare bedraagt inclusief de reeds aanwezige tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen in het functievlak;
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
de teeltondersteunende voorzieningen maximaal 6 maanden per jaar aanwezig mogen zijn, met dien verstande dat uitsluitend de constructie permanent aanwezig mag zijn en de afdekkende teeltondersteunende voorzieningen ten hoogste 6 maanden per jaar zijn geplaatst;
de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd welke als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie.
Artikel 6.15 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, die bestaat uit het bouwen van een tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening, ter plaatse van Tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening.
Artikel 6.16 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening, alleen verleend als:
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
de teeltondersteunende voorzieningen maximaal 6 maanden per jaar aanwezig mogen zijn, met dien verstande dat uitsluitend de constructie permanent aanwezig mag zijn en de afdekkende teeltondersteunende voorzieningen ten hoogste 6 maanden per jaar zijn geplaatst;
de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd welke als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie.
Artikel 6.17 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover die bestaat uit het bouwen van een schuilgelegenheid, ter plaatse van Agrarisch - Landbouw.
Artikel 6.18 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een schuilgelegenheid, verleend als:
per kadastraal perceel met een minimale oppervlakte van 0,5 hectare maximaal één schuilgelegenheid wordt gebouwd;
de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
de oppervlakte van de schuilgelegenheid maximaal bedraagt:
de noodzaak van de schuilgelegenheid uit oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige natuurlijke, landschappelijke, abiotische, archeologische en/of cultuurhistorische waarde van de gronden;
de schuilgelegenheid niet mag worden uitgevoerd in de vorm van een (zee)container;
de schuilgelegenheid wordt gerealiseerd aansluitend aan het aangrenzende bouwvlak, dan wel zoveel mogelijk geclusterd bij de bestaande bebouwing of aan de randen van het perceel;
opslag is niet toegestaan;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Artikel 6.19 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bestaat uit het bouwen van een hoogzit ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied.
Artikel 6.20 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een hoogzit, verleend als:
Artikel 6.21 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bestaat uit het bouwen van een voederberging of voederruif ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied.
Artikel 6.22 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een voederberging of voederruif, verleend als:
Deze afdeling is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
Artikel 6.24 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Gebouw, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een gebouw, niet zijnde een woning, nutsvoorziening in openbaar toegankelijk gebied of openbaar vervoervoorziening in openbaar toegankelijk gebied.
Het gebouw wordt uitsluitend in het Bouwvlak gebouwd, waarbij het bouwvlak volledig mag worden bebouwd.
De goothoogte van een gebouw is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte gebouw.
De bouwhoogte van een gebouw is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gebouw.
Artikel 6.26 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk.
De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte bijbehorend bouwwerk.
De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte bijbehorend bouwwerk.
Artikel 6.28 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk, voor zover het bijbehorend bouwwerk is gelegen op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn.
Artikel 6.30 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk, voor zover het bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevelrooilijn is gelegen.
In de Kern zijn vóór de voorgevelrooilijn uitsluitend aangebouwde overkappingen als bijbehorend bouwwerk toegestaan, als de afstand tussen de voorzijde van de overkapping en de perceelsgrens die grenst aan openbaar toegankelijk gebied ten minste 3,5 meter bedraagt.
Artikel 6.32 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op de volgende bouwactiviteiten:
subparagraaf 6.3.4.2 Erf- en terreinafscheiding;
subparagraaf 6.3.4.3 Masten;
subparagraaf 6.3.4.4 Lichtmasten rond een paardrijbak.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is niet hoger dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Artikel 6.34 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Erf- en terreinafscheiding, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een erf- en terreinafscheiding.
Ter plaatse van Erf- en terreinafscheiding - Achter voorgevellijn bedraagt de bouwhoogte van de erf- en terreinafscheiding maximaal 2,5 meter.
Ter plaatse van Agrarisch - Landbouw mogen erf- en terreinscheidingen met een open constructie worden geplaatst, waarbij de bouwhoogte niet hoger is dan de ter plaatse omgevingsnorm Erf- en terreinafscheidingen - Agrarisch.
Artikel 6.36 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Masten, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een vlaggen-, reclame- en lichtmast.
Artikel 6.38 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Lichtmasten rond een paardrijbak, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een lichtmast rond een paardrijbak.
De hoogte van de lichtmasten rond een paardrijbak bedraagt maximaal 8 meter.
Artikel 6.40 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Beschermingszone archeologie, voor zover deze plaatsvinden in een gebied met archeologische verwachtingen.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.41 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het is toegestaan om bouwactiviteiten te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als:
de activiteit het bouwen van een bouwwerk betreft dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter;
de activiteit het bouwen van een bouwwerk betreft binnen de agrarische bedrijfsfuncties;
de activiteit het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken betreft die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
Het is toegestaan bouwactiviteiten te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de bouwactiviteit minder diep reikt dan de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Diepte.
Het is toegestaan bouwactiviteiten te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de bouwactiviteit een verstoringsoppervlakte heeft dat maximaal de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Oppervlakte is.
Artikel 6.42 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit, voor zover deze bestaat uit het bouwen van ondergrondse bouwwerken.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.43 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
het ondergrondse bouwwerk wordt gebouwd binnen het bouwvlak, dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk;
het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven straatpeil, vermeerderd met 15 m²;
de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder straatpeil.
G
Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van aanlegactiviteiten.
Het is uitsluitend toegestaan om aanlegactiviteiten te verrichten op een wijze die in overeenstemming is met de regels die voor de betreffende locatie gelden, zoals opgenomen in dit hoofdstuk of voor de gebruiksactiviteiten die zijn opgenomen in hoofdstuk 22 Activiteiten.
In afwijking van het eerste lid geldt ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking dat een aanlegactiviteit uitsluitend is toegestaan indien deze in overeenstemming is met de aan die locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende regels van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Deze afdeling is van toepassing op aanlegactiviteiten ter plaatse van Beschermingszone archeologie, voor zover deze bestaan uit:
grondwerkzaamheden zoals het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van gronden;
het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen, damwanden, boor- en pompputten;
waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling;
het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing;
het aanleggen, dempen of wijzigen (zoals het verbreden, verdiepen, wijzigen van oevers en profiel) van sloten, greppels, watergangen en overige waterpartijen;
het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt;
het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt;
het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als:
de activiteit ten dienste staat van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
het normaal beheer en onderhoud betreft, met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
het normaal agrarisch gebruik betreft waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 0,40 meter onder straatpeil wordt geroerd;
plaatsvindt binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
plaatsvindt binnen een agrarische bouwvlak;
reeds in uitvoering is op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de aanlegactiviteit minder diep reikt dan de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Diepte.
Het is toegestaan om een aanlegactiviteit te verrichten in een gebied met archeologische verwachtingen als de aanlegactiviteit een verstoringsoppervlakte heeft dat maximaal de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm Archeologische verwachtingswaarde - Oppervlakte is.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten te verrichten in een Beschermingszone archeologie, voor zover niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in Artikel 8.5 Algemene regels.
De omgevingsvergunning wordt verleend als:
er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad;
schade door aanlegactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit, bedoeld in Artikel 8.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen, wordt een archeologisch rapport overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin:
de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld;
in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel;
in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarde van de gronden niet onevenredig wordt of kan worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
Een onderzoek als bedoeld onder het eerste lid is niet vereist wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
Indien het uitvoeren van een aanlegactiviteit als bedoeld in Artikel 8.3 Toepassingsbereik, waarvoor een omgevingsvergunning wordt gevraagd, kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, worden aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
I
Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Het opschrift van hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk bevat het overgangsrecht voor dit omgevingsplan.
Voor zover elders in dit omgevingsplan specifieke overgangsregels zijn opgenomen, gaan die regels voor op de bepalingen in dit hoofdstuk.
Op aanvragen, ontwerpbesluiten, ambtshalve te nemen besluiten en reeds genomen besluiten, voor zover daarop de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing is, geldt het overgangsrecht van hoofdstuk 4 van die wet.
Een omgevingsvergunning, ontheffing of andere beschikking die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan onherroepelijk is verleend op grond van een gemeentelijke verordening of ruimtelijk plan, blijft van kracht en wordt aangemerkt als een vergunning als bedoeld in de Omgevingswet, voor zover deze betrekking heeft op een activiteit waarop dit omgevingsplan regels stelt.
Aan een vergunning verbonden voorschriften blijven van kracht en gelden als maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan, voor zover de gemeente daarvoor bevoegd gezag is en op grond van de Omgevingswet bevoegd is dergelijke maatwerkvoorschriften te stellen.
Meldingen, kennisgevingen of verstrekte gegevens die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan rechtsgeldig zijn gedaan, gelden als gedaan op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor de betreffende activiteit een meldings of informatieplicht geldt.
Op handhavingsbesluiten die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan zijn genomen, blijft het oude recht van toepassing totdat het besluit volledig is uitgevoerd, ingetrokken of anderszins is beëindigd.
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan rechtmatig werd uitgevoerd en dat in strijd is met de regels van dit plan, mag worden voortgezet.
Het is verboden het gebruik, als bedoeld in het eerste lid, te veranderen, tenzij door die verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Het eerste lid is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het onmiddellijk voorafgaand aan dit omgevingsplan geldende recht.
Indien het gebruik, bedoeld in Artikel 21.6 Bestaand gebruik, gedurende een aaneengesloten periode van langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten.
Bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan rechtmatig aanwezig waren en afwijken van de regels van dit plan, mogen in stand worden gehouden.
Het is toegestaan deze bouwwerken gedeeltelijk te vernieuwen of te veranderen, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
Deze paragraaf is van toepassing op de herbouw van bouwwerken die op het tijdstip van de calamiteit rechtmatig aanwezig waren en die afweken van de regels van dit omgevingsplan.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk als bedoeld in Artikel 21.9 Toepassingsbereik te herbouwen na een calamiteit.
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen wordt verleend indien:
sprake is van een calamiteit;
de herbouw plaatsvindt binnen twee jaar na het intreden van de calamiteit;
de inhoud van het her te bouwen bouwwerk ten hoogste eenmalig met niet meer dan 10% wordt vergroot ten opzichte van de inhoud van het bouwwerk zoals dat onmiddellijk voorafgaand aan de calamiteit rechtmatig aanwezig was.
L
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van een persoon (en diens huishouden), wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is;
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten die in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
situatie waarin het object wordt kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het is gebouwd aangelegd;
werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige (archeologisch) bodemarchief;
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
grond welke is afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.
de hoek gemeten tussen het dakvlak en het horizontale vlak;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van een internetwinkel en/of horeca;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
alle vormen van recreatief medegebruik die wat betreft hun lage intensiteit, beperkte omvang en frequentie inpasbaar zijn en gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen en vissen;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
middel, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten, en die bestemd zijn voor een van de volgende toepassingen:
a. de bescherming van planten of plantaardige producten tegen alle schadelijke organismen of het verhinderen van de werking van dergelijke organismen, tenzij deze middelen worden beschouwd als middelen die vooral om hygiënische redenen worden gebruikt veeleer dan ter bescherming van planten of plantaardige producten;
b. het beïnvloeden van de levensprocessen van planten, zoals het beïnvloeden van hun groei, voor zover het niet gaat om nutritieve stoffen;
c. de bewaring van plantaardige producten, voor zover die stoffen of middelen niet onder bijzondere communautaire bepalingen inzake bewaarmiddelen vallen;
d. de vernietiging van ongewenste planten of delen van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten;
e. de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten.
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de open grond die bij het bedrijf hoort en waaronder ook begrepen grond met tijdelijke tunnels of andere teeltondersteunende voorzieningen, waaronder:
a.akkerbouwbedrijf;
b.boomkwekerij;
c.melkveehouderij;
d.productiegebonden paardenhouderij;
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is voor het gebruik industrie;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
terrein met daarbij horende voorzieningen en blijkens de inrichting bestemd en geschikt om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 25 kampeermiddelen.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
voorzieningen voor op het openbare net aangesloten voorzieningen van algemeen nut, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, alsmede containers voor glas, kleding, plastic etc;
Besluit van 3 juli 2018, houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.
Regeling van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.
voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol, versie juni 2019;
ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel zijn van dit omgevingsplan;
een open overkapping die aan maximaal drie zijden is omsloten door wanden en waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang met als doel bescherming tegen weersomstandigheden gedurende het gehele jaar, met dien verstande dat opslag niet is toegestaan.
perceel of deel van een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt;
besluit tot wijziging van dit omgevingsplan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 11.1, tweede lid, Besluit elektronische publicaties;
voorziening of constructie welke dient ter ondersteuning van de teelt van een agrarisch bedrijf met als doel het gewas te forceren tot meer groei, de oogst te spreiden en meer opbrengsten te genereren, met uitzondering van afdekfolie. Het gaat daarbij om zowel vervroegen als verlaten ten opzichte van normale teelt en/of beschermen tegen weersinvloeden, ziekten en plagen om een kwalitatief beter product te verkrijgen. Deze constructies of voorzieningen kunnen zowel hoog als laag zijn, met dien verstande dat:
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
wonen in een woning, zijnde een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen;
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen;
restproduct van de thermische zinkertsverwerkende bedrijven of voormalige thermische zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen.
M
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze regeling bevat geen GIO informatie.
N
Het opschrift van toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Voor artikelgewijzetoelichting wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
Voor u ligt de toelichting op het omgevingsplan voor de gemeente Peel en Maas. Met het omgevingsplan wordt uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument als het gaat om de zorg voor de fysieke leefomgeving en de regulering van activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Binnen het stelsel van het omgevingsrecht is het omgevingsplan voor burgers en bedrijven primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van alle afzonderlijke bestemmingsplannen. Ook een deel van de gemeentelijke verordeningen gaat op in het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de milieu- en bouwregels die nu nog door het Rijk worden gesteld, maar die worden gedecentraliseerd.
In het omgevingsplan staan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en regulering van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die kwaliteit centraal. Het omgevingsplan is (anders dan het bestemmingsplan) dan ook niet beperkt tot planologische aspecten. Het omgevingsplan bevat daarom niet alleen regels over bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken, maar ook regels over andere activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd is het omgevingsplan ook niet onbeperkt in het toepassingsbereik; er zijn beperkingen voor waar regels over mogen gaan. Regels die in het omgevingsplan worden gesteld, moeten betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en op activiteiten die daarop gevolgen kunnen hebben.
Het omgevingsplan geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied. De wet gaat uit van één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan. Om dat te bereiken zijn in het omgevingsplan voor de gemeente Peel en Maas die activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en de regulering daarvan, centraal gesteld. Overigens worden daarbij alleen die activiteiten gereguleerd waarvan dat gelet op de zorg voor de fysieke leefomgeving noodzakelijk wordt geacht. Niet elke activiteit met een (mogelijk) gevolg voor de fysieke leefomgeving behoeft immers regulering. Zo is bijvoorbeeld bij het vervangen van een gazon in de tuin door een bloemperk ongetwijfeld sprake van een activiteit, en wijzigt die activiteit zelfs de fysieke leefomgeving, toch kan regulering hiervan achterwege blijven. Regels zijn alleen nodig als de zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving daar om vraagt.
Het omgevingsplan zal onder andere alle bestemmingsplannen, exploitatieplannen, delen van gemeentelijke verordeningen en een groot aantal rijksregels moeten vervangen. De overgang naar één omgevingsplan voor heel Peel en Maas is dan ook een zeer grootschalige wijziging van het gemeentelijk omgevingsrecht. Deze overgang zal ook niet in één keer plaatsvinden, maar gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs. Het Rijk geeft gemeenten tot en met in elk geval 2031 om deze opgave te realiseren.
Met name de regels uit bestaande ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, zullen gebiedsgewijs worden vervangen. Daarbij zal aan meerdere gebieden tegelijk worden gewerkt, waarbinnen dezelfde te reguleren activiteiten voorkomen. Bijvoorbeeld wonen, detailhandel, en bouwen. Voorkomen moet worden dat dan vanuit verschillende gebieden van elkaar verschillende regels over hetzelfde onderwerp in het omgevingsplan worden geplaatst. Dat zou niet leiden tot een integrale regeling. De zorg voor een integrale regeling vraagt om een aanpak waarbij een groot deel van de regeling aan het begin wordt neergezet. Vanuit die basis kan vervolgens een begin worden gemaakt met het gebiedsgewijs vervangen van de regels uit de bestaande ruimtelijke besluiten.
Uiteindelijk moet het omgevingsplan bijdragen aan een stelsel waarbinnen ook op gemeentelijk niveau de continue zorg voor de fysieke leefomgeving beter is geborgd dan binnen het voorheen geldende stelsel. Daarbij moet het bijdragen aan meer inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het omgevingsrecht voor de burger.
Hoewel inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak belangrijke doelen van de wet zijn, komen niet alle voor een burger relevante regels in het omgevingsplan terecht. Naast het omgevingsplannen blijven er ook regelingen van Rijk, provincie en waterschappen die rechtstreeks bindende regels bevatten. Zo bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving algemene regels over bouwwerken, die rechtstreeks aan de initiatiefnemer die voornemens is een bouwactiviteit te verrichten, zijn gericht. Bovendien zullen er naast het omgevingsplan ook andere gemeentelijke verordeningen van toepassing blijven. Die verordeningen kunnen ook regels bevatten over onderwerpen of activiteiten die 'aanleunen' tegen de fysieke leegomgeving, zoals bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening.
Deze toelichting van het omgevingsplan bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs gedeelte.
Het algemene deel licht allerlei algemene uitgangspunten, doelen en principes met betrekking tot de regels toe. Ook bevat de toelichting in zijn algemeenheid een beschrijving hoe aan het gemeentelijk beleid en de landelijke wet- en regelgeving uitvoering wordt gegeven. Hierbij wordt ook op hoofdlijnen ingegaan op het juridisch en beleidsmatig instrumentarium op basis van de Ow, ook wel aangeduid als de kerninstrumenten. De achtergrond die in de algemene toelichting wordt beschreven, is dus een toelichting op de gemaakte keuzes, maar vormt ook de juridische onderbouwing ervan.
Het artikelsgewijze deel legt (voor zover nodig) per artikel uit wat de concrete strekking ervan is en met het oog op welke specifieke doelen de regels in het artikel zijn gesteld. Ook geeft het uitleg over de desbetreffende regels voor de rechtspraktijk, waarbij geldt dat bij discrepanties tussen wettekst en toelichting, de rechter aan de wetsartikelen meer waarde toekent. In sommige gevallen bevat die artikelsgewijze uitleg ook een juridische of beleidsmatige onderbouwing. Een beschrijving van het achterliggend kader kan achterwege blijven. Dat is immers al gegeven in het algemene deel van de toelichting en daar leent de artikelsgewijze toelichting zich juist vanwege die artikelsgewijze opzet ook niet goed voor.
Naast deze inleiding beslaat het algemeen deel van deze toelichting het juridisch en beleidsmatig instrumentarium van het het omgevingsplan (hoofdstuk 2).
Bij het lezen van het omgevingsplan en de toelichting is het van belang op te merken dat de toelichting weliswaar een toelichting op en motivering van de regels bevat, maar dat de toelichting niet altijd de volledige bestuurlijke en juridische motivering van de besluiten waarmee het omgevingsplan tot stand wordt gebracht en wordt gewijzigd bevat. Daarvoor dient de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 bevat een overzicht van de wijzigingsbesluiten, inclusief een beknopte toelichting op de doorgevoerde wijzigingen en een verwijzing naar de betreffende besluiten.
Daarna volgt het artikelsgewijze deel, waarbij per artikel van het omgevingsplan een artikelsgewijze toelichting is opgenomen. Deze artikelsgewijze toelichting is te vinden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO). In het algemeen deel onder hoofdstuk 2.6 wordt de werking van het DSO in relatie tot het omgevingsplan nader toegelicht.
Zoals in de inleiding is aangegeven, bevat het omgevingsplan de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan is de rechtsopvolger van het bestemmingsplan. Het omgevingsplan is het instrument waarmee de doelen van de Omgevingswet op gemeentelijk niveau worden uitgewerkt. Net zoals bij het bestemmingsplan zijn de regels uit het omgevingsplan direct juridische bindend voor burgers, bedrijven en de gemeente zelf.
Een opvallend verschil tussen bestemmingsplannen en het omgevingsplan is dat het omgevingsplan een veel bredere reikwijdte heeft. Zo beperkt het omgevingsplan zich niet alleen maar tot ‘een goede ruimtelijke ordening’, maar bevat het regels over de gehele fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan staat welke activiteiten op welke plek zijn toegestaan en welke regels daarbij gelden.
Zo kan er bijvoorbeeld in een winkelstraat de functies wonen, horeca en detailhandel zijn toegestaan. In de bijbehorende regels staat bijvoorbeeld dat alleen op de verdiepingen mag worden gewoond, welke vorm van horeca is toegestaan en hoe groot de detailhandelsvestiging mag zijn. Daarnaast staan er ook regels over andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, zoals de milieubelastende activiteit, met als voorbeelden het lozen van afvalwater en een geluidsnorm die niet overschreden mag worden bij een activiteit.
In het omgevingsplan staan ook veel regels over bouwen. Hieraan wordt de omgevingsplanactiviteit bouwen aan wordt getoetst. Zoals regels over hoe groot en hoog een woning of bedrijfspand mag zijn, regels over het uiterlijk van een bouwwerk of regels die aangeven of er een omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel van de bouwactiviteit nodig is.
Een belangrijk doel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in de Omgevingswet, is het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De fysieke ruimte is namelijk beperkt. Daarom is het doel om die beperkte ruimte optimaal te verdelen en in te richten. De gemeente is hiervoor verantwoordelijk.
In de Omgevingswet staat opgenomen dat in het omgevingsplan, met het oog op de doelen van de wet, regels kunnen worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast is het de taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ voor het hele grondgebied van Peel en Maas. Een evenwichtige toedeling van functies die zijn toegestaan binnen een gebied. Dit vanuit het belang dat deze functies samen in een gebied kunnen plaatsvinden en zo min mogelijk hinder van elkaar ondervinden.
Naast een evenwichtige toedeling van functies aan locaties staan in het omgevingsplan activiteiten centraal. In het omgevingsplan worden namelijk de gevolgen van activiteiten op de fysieke leefomgeving gereguleerd. Hiertoe worden in het omgevingsplan regels over activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving opgenomen. In de Omgevingswet is verduidelijkt dat het in ieder geval gaat om gevolgen die kunnen voortvloeien uit (artikel 1.2, derde lid, Omgevingswet):
het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt,
het nalaten van activiteiten.
Per activiteit zijn regels opgenomen over wanneer en op welke manier een activiteit mag worden uitgevoerd of mag plaatsvinden. Het begrip ‘activiteit’ kent geen vaste definitie. Wat hieronder vaak wordt verstaan blijkt uit de context van de artikelen waarin het begrip activiteit wordt gebruikt. Doorgaans wordt met een activiteit een feitelijke handeling bedoeld. Bij het opstellen van regels voor activiteiten staan de activiteiten, en daarmee de gebruiker, centraal. Voorbeelden zijn de ‘activiteit bouwen’ of de ‘activiteit kappen (van bomen)’. Per activiteit worden normen gesteld of randvoorwaarden opgenomen. Alle regels over activiteiten samen zorgen voor een zorgvuldig gebruik van de fysieke leefomgeving.
Het omgevingsplan is vormvrij. Gemeenten kunnen zelf de structuur en hoofdstukindeling van hun omgevingsplan bepalen. Als vertrekpunt voor dit omgevingsplan is gebruik gemaakt van de structuur van het omgevingsplan die de VNG heeft gemaakt in hun zogenaamde ‘casco’ van het omgevingsplan. Wij hebben dit casco aan de situatie in Peel en Maas aangepast en aangevuld.
Hieronder volgt eerst een beschrijving per hoofdstuk van het omgevingsplan zoals deze voor Peel en Maas is opgesteld, zodat duidelijk is waar de regels over bepaalde onderwerpen over gaan en vindbaar zijn. Voor een inhoudelijke uitleg van de (juridische) strekking van de regels verwijzen we naar de artikelsgewijze toelichting.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk worden, via een koppeling met een bijlage, de begrippen gedefinieerd die zijn opgenomen in het omgevingsplan.
Hoofdstuk 2: Doelen
Dit hoofdstuk benoemt de gemeentelijke doelen van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 3: Programma’s
Dit hoofdstuk is gereserveerd voor regels over de programma’s met programmatische aanpak.
Hoofdstuk 4: Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met betrekking tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving. Per functie, thema of per gebiedstype wordt bepaald welke activiteiten met bijbehorende regels gelden. De functies, thema’s en gebiedstypen vormen daarmee een richtingaanwijzer voor de activiteiten in hoofdstuk 5 tot en met 9. Een thema is een gemeentebrede regeling. Eventueel bevat een thema nog deelgebieden. Een gebiedstype is een geografisch gebied met gebiedsspecifieke kenmerken. Die kenmerken zijn bepalend voor de vraag welke activiteiten in dat gebied zijn toegestaan.
Hoofdstuk 5: Gebruiksactiviteiten
In dit hoofdstuk worden de gebruiksactiviteiten omschreven. Gronden en bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt indien dit gebruik overeenkomt met de aan de betreffende locatie toegekende gebruiksactiviteit.
Hoofdstuk 6: Bouwactiviteiten
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwen. In dit hoofdstuk is de bouwvergunningplicht opgenomen maar ook de regels over vergunningsvrij en de beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten.
Hoofdstuk 7: Milieubelastende activiteiten
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die voor alle milieubelastende activiteiten gelden. Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Deze begripsbepalingen is zeer ruim en omvat een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is ook breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. De meeste regels in dit hoofdstuk zijn afkomstig uit de ‘bruidsschat’ (zie ook bij hoofdstuk 22).
Hoofdstuk 8: Aanlegactiviteiten
Dit hoofdstuk bevat regels over aanlegactiviteiten. Dit zijn regels over het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Dit hoofdstuk bevat ook regels en vergunningplichten voor verschillende aanlegactiviteiten, bijvoorbeeld voor een aanlegactiviteit in een beschermingszone archeologie.
Hoofdstuk 9: Sloopactiviteiten
In dit hoofdstuk worden de sloopactiviteiten uiteengezet. Sloopwerkzaamheden mogen slechts worden uitgevoerd indien deze overeenstemmen met de voor de betreffende locatie vastgestelde sloopactiviteit.
Hoofdstuk 20: Gebiedsontwikkelingen
Dit hoofdstuk bevat tijdelijke regels voor gebiedsontwikkelingen. Deze regels zijn bedoeld om de ontwikkeling in goede banen te leiden. Nadat de gebiedsontwikkeling is afgerond, worden de in dit hoofdstuk opgenomen regels bij een volgende wijziging van het omgevingsplan geschrapt.
Hoofdstuk 21: Overgangsrecht
Dit hoofdstuk bevat de algemene regels van het overgangsrecht.
De motivering van het wijzigingsbesluit staat in een bepaalde verhouding tot de toelichting bij het omgevingsplan. De toelichting heeft betrekking op de regeling als geheel en de regels binnen die regeling, en onderbouwt de daarin gemaakte keuzes. Deze toelichting bevat (anders dan de meeste andere gemeentelijke verordeningen) niet uitsluitend de algemene onderbouwing van de rechtsgevolgen van het omgevingsplan, maar kan – indien relevant – ook locatiegerichte afwegingen bevatten. Dit betekent dat bij een wijziging van het omgevingsplan, naast de motivering in het wijzigingsbesluit, ook een aanvullende passage in de toelichting kan worden opgenomen waarin de locatiegerichte keuze wordt geplaatst binnen het bredere beleidskader.
Het omgevingsplan bevat regels over onder meer het planologisch gebruik van gronden en bouwwerken, en over bouwwerken zelf. Het betreft locatiegerichte regels waarmee wordt bepaald waar bepaalde vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan, waar bouwwerken zijn toegestaan, en welke aanvullende regels daarbij gelden. Waar een bepaalde vorm van planologisch gebruik, bijvoorbeeld detailhandel, is toegestaan, en waar en hoe hoog gebouwd mag worden, wordt niet ineens voor heel de gemeente Peel en Maas bepaald. Dat gebeurt gebiedsgewijs. De onderbouwing van de algemene regels vindt plaats in de toelichting. Voor locatiegerichte keuzes, zoals het toestaan van detailhandel of een bouwwerk van 10 meter hoog op een specifieke locatie, wordt de motivering opgenomen in het wijzigingsbesluit. Tegelijkertijd kan in de toelichting een aanvullende passage worden opgenomen waarin deze locatiegerichte keuze wordt geplaatst in de context van het bredere beleid, zoals het detailhandelsbeleid of het ruimtelijk ontwikkelingskader.
Bij gebiedsontwikkelingen kunnen onderbouwende onderzoeken zoals een milieueffectrapport, verkeersonderzoek of akoestisch onderzoek worden gekoppeld aan zowel het wijzigingsbesluit als aan een aanvullende toelichting bij het omgevingsplan. Dit vergroot de transparantie en samenhang van het besluitvormingsproces.
Wanneer sprake is van regels die overal binnen de gemeente gelden, zal de motivering veelal bestaan uit een toelichting die in het algemene en artikelgewijze deel van de toelichting moet landen. Zo zal bij regels over milieubelastende activiteiten (hoofdstuk 7) de algemene of artikelgewijze toelichting een groot deel van de inhoudelijke motivering bevatten. Bij wijzigingsbesluiten van meer planologische aard – zoals bij gebiedsontwikkeling of transformatie – zal naast een uitgebreide motivering ook een aanvullende toelichting worden opgenomen waarin de locatiegerichte afweging wordt geplaatst binnen het bredere beleidskader.
Tegen elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan staat beroep open. Nadat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is genomen, zal het wijzigingsbesluit inclusief motivering, bijlagen én eventuele aanvullende toelichting worden gepubliceerd.
De wijziging van het omgevingsplan bevat het planologische regime om de ontwikkeling van KC de Kemp in Egchel mogelijk te maken. Een deel van het bestemmingsplan NL.IMRO.1894.BPL0010-OH01 - Kernen Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust wordt omgezet naar het omgevingsplan. Dit geldt eveneens voor een deel van het bestemmingsplan NL.IMRO.1894.BPL0048-VG03 - Buitengebied Peel en Maas.
P
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.1 Begripsbepalingen heeft betrekking op begrippen die in het omgevingsplan worden gehanteerd. Dit artikel komt in de plaats van artikel 1.1 van de Bruidsschat.
In het eerste lid wordt bepaald dat de in bijlage I opgenomen begripsbepalingen op het omgevingsplan van toepassing zijn. Die bijlage bevat definities van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt. Voor de toegankelijkheid en leesbaarheid van het omgevingsplan zijn die begripsbepalingen gebundeld opgenomen in een bijlage.
Veel van de in het omgevingsplan gehanteerde begrippen kennen een begripsbepaling in het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving of de Omgevingsregeling. Het tweede lid bepaalt dat die eveneens van toepassing zijn verklaard op dit omgevingsplan. Daarbij is gekozen voor een zogenaamde dynamische verwijzing. Deze begripsbepalingen zijn dus niet in bijlage I overgenomen. Dit komt de eenduidige uitleg van het omgevingsrecht ten goede. In het tweede lid is wel de mogelijkheid opengelaten voor het in bijlage I opnemen van een afwijkende definitie van een begrip.
Er is geen reden om ook de begripsbepalingen, opgenomen in de Omgevingswet, van toepassing te verklaren. De begripsbepalingen die zijn opgenomen in de Omgevingswet zijn op grond van de wet zelf ook van toepassing op bepalingen die op de Omgevingswet berusten (artikel 1.1, eerste lid, Omgevingswet).
Het derde lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling. Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de begripsbepalingen zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels in deze besluiten. Zolang deze ruimtelijke plannen nog van toepassing zijn, is van belang dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in die besluiten zelf, van toepassing blijven. Omdat die begripsbepalingen niet in I Begripsbepalingen staan, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. Het derde lid regelt dit.
Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat houdt allereerst in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan, anders dan het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn. Ten tweede betekent dit dat als in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat tijdelijk deel niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is.
Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied, dat eerst het gehele gemeentelijke grondgebied van Peel en Maas (minus de kern Meijel) is, geleidelijk aan steeds kleiner.
Het vierde lid bepaalt dat, in aanvulling op het eerste en tweede lid, daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing zijn op de regels in dat TAM-IMRO omgevingsplan.
In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-IMRO omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties.
Een TAM-IMRO omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas, bevat zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels die zijn opgenomen in het TAM-IMRO omgevingsplan. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP/TPOD technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas, is het belangrijk dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in een TAM-IMRO omgevingsplan, van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels. Omdat die begripsbepalingen niet in bijlage I staan, en omdat het eerste lid wel geldt daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt.
Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat houdt allereerst in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn. Ten tweede betekent dit dat als in TAM-IMRO omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat TAM-IMRO omgevingsplan niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is.
Het vijfde lid bevat een voorrangsbepaling voor als I Begripsbepalingen een begripsbepaling bevat voor een begrip waarvoor ook een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-IMRO omgevingsplan een begripsbepaling bevat. Dan wordt voor de uitleg van het begrip voor wat betreft de desbetreffende regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-IMRO omgevingsplan de begripsbepaling uit dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan toegepast.
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die van toepassing zijn op de regels in paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan.
Onder moestuin wordt verstaan (een deel van) een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie. Onder siertuin wordt verstaan (een deel van) een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt. Onder de begrippen moestuinen, siertuinen en industrie worden in voorkomende situaties ook verstaan de aan deze tuinen of industrie grenzende wegbermen, voor zover deze bermen onderdeel vormen van de saneringsaanpak. Met deze pragmatische invulling van deze begrippen wordt voorkomen dat voor een eventuele sanering van de aan de tuinen of industrie grenzende wegbermen een afwijkende (strengere) terugsaneerwaarde zou moeten worden gehanteerd dan voor de tuinen of industrie zelf nodig is.
Dit betreft het voor het zinkassengebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol. Zie verder de toelichting bij artikel 22.134 (bodemonderzoek).
Zinkassen betreft een restproduct en is een verzamelnaam van afvalproducten van de (voormalige) thermisch zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen. De chemische samenstelling van zinkassen is karakteristiek door een reeks zware metalen met zekere onderlinge verhoudingen, in gehalten doorgaans afnemend in orde van zink, lood, cadmium, koper, arseen en cadmium, echter met grote verschillen in bandbreedte. Dit materiaal is in het verleden toegepast als verhardingsmateriaal van wegen, paden, opritten en erven, maar levert een bedreiging voor de bodem en het grondwater. Onder zinkassen wordt ook verstaan: zinkslakken, sintels en kelderassen.
Regels in dit omgevingsplan hebben een bepaald doel. Dat doel moet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. In artikel 1.3 Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet bepaald:
Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Voor regels in het omgevingsplan is dit het uiterste doel met het oog waarop regels kunnen worden gesteld. Dat betekent dat de regels in dit omgevingsplan niet met een ander oogmerk mogen worden gesteld dan binnen het kader van de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. Maar de regels mogen wel een meer beperkt oogmerk hebben. In Artikel 1.2 Oogmerk is vastgelegd dat de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt.
Een beperking van het oogmerk kan expliciet zijn aangegeven. Een beperking kan ook impliciet uit de regels volgen, bijvoorbeeld uit de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een bepaalde vergunningplicht.
Artikel 1.3 Meet- en rekenbepalingen bevat meet- en rekenbepalingen die bij de toepassing van dit hoofdstuk moeten worden gehanteerd.
Het eerste lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling. Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de meet- en rekenbepalingen zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. Het werkingsgebied van dit lid is beperkt tot die gebieden ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied steeds kleiner.
Het tweede lid bepaalt dat, indien in een regel een norm is gesteld voor een locatie, deze norm geldt voor iedere afzonderlijke locatie waarop de regel van toepassing is.
Dit meet- en rekenvoorschrift is opgenomen om duidelijkheid te bieden in situaties waarin een regel geografisch is begrensd en die begrenzing uit meerdere afzonderlijke delen bestaat. In dat geval kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag of een normwaarde geldt voor de gezamenlijke begrenzing of voor elk afzonderlijk deel daarvan.
Met dit lid is vastgelegd dat de norm steeds per afzonderlijke locatie wordt toegepast. Indien een regel bijvoorbeeld een maximale inhoud of oppervlakte koppelt aan een geografisch begrensd regelgebied dat uit meerdere locaties bestaat, dan geldt de normwaarde voor elke locatie afzonderlijk en niet gezamenlijk voor alle locaties tezamen.
Dit voorkomt interpretatieverschillen bij de toepassing en handhaving van het omgevingsplan en sluit aan bij de wijze waarop regels in het omgevingsplan digitaal worden afgebakend en toegepast.
Het derde lid bepaalt hoe de dakhelling gemeten moet worden.
Het vierde lid bepaalt hoe de goothoogte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het vijfde lid bepaalt hoe de inhoud van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het zesde lid bepaalt hoe de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het zevende lid bepaalt hoe de oppervlakte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het achtste lid bepaalt hoe de oppervlakte van een bodemingreep gemeten moet worden.
Het negende lid bepaalt hoe de afstand tot de bouwwerkperceelsgrens gemeten moet worden.
Het tiende lid bepaalt hoe de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het elfde lid bepaalt hoe de voorgevelrooilijn van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het twaalfde lid bepaalt hoe de oppervlakte van een overkapping gemeten moet worden.
Het dertiende lid bepaalt hoe de afstand tussen een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken moet worden gemeten.
Het veertiende lid verduidelijkt dat ondergeschikte bouwdelen, zoals luifels, balkons, kroonlijsten en overstekende daken, bij de toetsing aan bouwvlak- en functiegrenzen buiten beschouwing blijven, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt. Hiermee wordt voorkomen dat kleine bouwkundige uitsteeksels leiden tot strijd met de bouwregels.
Artikel 1.4 Waar deze regels gelden bevat bepalingen over het geografisch werkingsgebied van de regels en over het overzicht van informatieobjecten dat onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan.
Het eerste lid bepaalt dat de regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Peel en Maas, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is. Een juridische regel heeft altijd een werkingsgebied, dat wil zeggen een gebied waar die regel geldt. Dat geldt voor elke regel. Heel veel regels in het omgevingsplan gelden overal in de gemeente Peel en Maas. Andere regels gelden uitsluitend op specifieke locaties. Als uitgangspunt geldt dat het werkingsgebied van de regels in dit omgevingsplan het hele gemeentelijk grondgebied is. De regel geldt dan overal binnen de gemeente Peel en Maas. Wanneer het werkingsgebied van een regel of regelonderdeel is beperkt, wordt dat in de regels aangegeven, of volgt dat uit de regel(s) zelf. Hoewel dit een algemeen juridisch gegeven is voor juridische regels, is ervoor gekozen dit expliciet in dit artikel op te nemen, als uitgangspunt voor de uitzondering op die regel.
In het tweede lid is opgenomen dat bijlage II Geografische Informatieobjecten bij dit omgevingsplan een overzicht van informatieobjecten bevat. Met informatieobjecten wordt gedoeld op geografische begrenzingen van het werkingsgebied van regels, of geografische begrenzingen van locaties waarnaar in regels wordt verwezen. Ook kan het gaan om de normwaarde van omgevingsnormen of omgevingswaarden die op een bepaalde locatie gelden. Dergelijke informatieobjecten maken onderdeel uit van de regels. Vanuit de regels wordt een koppeling gelegd naar dergelijke informatieobjecten. Ze zijn als bijlage opgenomen bij de regels. In de viewer van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) kunnen de regels in samenhang met deze informatieobjecten worden geraadpleegd.
Artikel 1.5 Normadressaat bepaalt tot wie de regels van dit omgevingsplan zijn gericht. Het artikel bevat een hoofdregel, maar laat ruimte om daarop elders in dit omgevingsplan uitzonderingen te maken. De hoofdregel is dat de regels zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden.
Onder ‘degene die de activiteit verricht’ wordt ook verstaan degene die de activiteit laat verrichten (zie toelichting op het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving). Zo bepaalt artikel 4.3 Besluit bouwwerken leefomgeving van dat besluit dat aan de regels in hoofdstuk 6 Bouwactiviteiten wordt voldaan 'door degene die het bouwwerk bouwt'. Uit de toelichting op dat artikel (staatsblad 2018, nr. 291) blijkt dat daaronder ook degene wordt verstaan die een bouwwerk laat bouwen door een ander.
Onder degene die de activiteit verricht wordt dus meer verstaan dan alleen degene die feitelijk de activiteit verricht. De Omgevingswet noch de AMvB's bevatten een nadere duiding aan welke criteria 'degene die de activiteit verricht' in een concreet geval zou moeten voldoen. Wel is een aantal elementen aan te geven (zie paragraaf 2.3.2 van de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 293). Degene moet (economische) zeggenschap hebben over de activiteit. Dat is degene die het feitelijk of juridisch voor het zeggen heeft/in zijn macht heeft om de activiteit te starten, aanpassen of staken (de overtreding te beëindigen). Bij de meeste activiteiten is het degene die de vergunning aanvraagt of melding doet. In andere gevallen: degene met zeggenschap. Vaak zal het de eigenaar of huurder van het perceel/pand zijn.
Dit alles is ook van toepassing op de uitleg van wie moet worden verstaan onder degene die de activiteit verricht, zoals opgenomen in dit Artikel 1.5 Normadressaat. Het artikel biedt wel ruimte om elders in dit omgevingsplan, mocht dat nodig blijken, een afwijkende normadressaat te bepalen. Dit laatste in navolging van wat bijvoorbeeld gebeurt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin voor een aantal regelonderdelen een van de hoofdregel afwijkende normadressaat wordt aangegeven.
De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat dezelfde grond meer dan één keer meetelt bij het toepassen van planregels. Dit zorgt voor een rechtvaardige en ruimtelijk consistente toepassing van de regels. Bijvoorbeeld: een deel van een perceel dat nodig is om aan een maximale bebouwingspercentage te voldoen, kan niet nogmaals worden gebruikt om een ander bouwwerk op te baseren.
Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking de anti-dubbeltelbepaling geldt die is opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het werkingsgebied van dit lid is beperkt tot die gebieden ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied steeds kleiner.
Het tweede lid bepaalt dat grond die reeds is meegenomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of nog kan worden gegeven, bij latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Hiermee wordt voorkomen dat dezelfde oppervlakte meermaals wordt benut voor het aantonen van planologische ruimte. Dit lid waarborgt dat de verdeling van gronden voor bouwplannen consistent en transparant blijft, en dat eenmaal toegekende planologische mogelijkheden niet opnieuw kunnen worden ingezet voor andere ontwikkelingen.
Q
Na sectie 1 worden zes secties ingevoegd, luidende:
Het omgevingsplan wordt vastgesteld met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. In Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan zijn alle doelen opgenomen met het oog waarop de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld. Door de doelen op deze plaats op te nemen, ontstaat er nog niet direct een verband met de regels in hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving, 5 Gebruiksactiviteiten, 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van dit omgevingsplan. Dat verband ontstaat pas wanneer de doelen in hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving van dit omgevingsplan worden geactiveerd voor bepaalde gebiedstypen of thema’s.
Naast het bieden van een overzicht van alle doelen in dit omgevingsplan is Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan ook van belang wanneer er gebruik wordt gemaakt van een (binnenplanse) inherente afwijkingsbevoegdheid. Bij het gebruiken van die bevoegdheid kan dan een activiteit die in strijd is met de regels in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten, 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van het omgevingsplan toch worden toegelaten als dat toelaten kan worden gemotiveerd vanuit de volle breedte van de doelen van het omgevingsplan, zoals ze in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan zijn opgesomd.
Artikel 4.1 Algemeen toepassingsbereik bevat het toepassingsbereik van de functie. Het toepassingsbereik geeft aan waar afdeling 4.1 Functies over gaat. Deze afdeling gaat over het aanwijzen van functies in de fysieke leefomgeving, met als doel te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aanwijzen van functies vindt plaats door middel van gebiedsaanwijzingen. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Ieder gebied dat wordt aangewezen, krijgt een zelf te kiezen naam die binnen het omgevingsplan uniek moet zijn. Verder wordt elk aangewezen gebied van een typering voorzien. Deze bestaat uit twee delen: type en groep. Het type is een hoofdindeling naar het doel van de gebiedsaanwijzing, zoals 'functie'. De groep is een categorisering naar de aard van de gebiedsaanwijzing, zoals 'bedrijf' of 'detailhandel'. Dit artikel bevat een opsomming van de verschillende functies, die in de navolgende paragrafen worden aangewezen.
In Artikel 4.2 Aanwijzing wordt een gebied aangewezen voor de functie Agrarisch. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Agrarisch wordt een locatie aangewezen voor de functie agrarisch. Dit betekent dat deze locatie bedoeld is voor het verrichten van agrarische activiteiten (en daaraan gerelateerde activiteiten).
Artikel 4.3 Regels voor het gebruiken van gronden en bouwwerken bevat geen zelfstandige gebruiksregels, maar dient als richtingaanwijzer binnen het omgevingsplan. In dit artikel is aangegeven welke subparagrafen in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van toepassing zijn op locaties waaraan de functie Agrarisch is toegekend. De toetsing van het gebruik van een locatie vindt plaats aan de hand van de regels in hoofdstuk 5. De subparagrafen waarnaar wordt verwezen zijn functioneel gekoppeld aan de functie Agrarisch.
In Artikel 4.18 Aanwijzing wordt een gebied aangewezen voor de functie Maatschappelijk. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Maatschappelijk wordt een locatie aangewezen voor de functie maatschappelijk. Dit betekent dat deze locatie bedoeld is voor het verrichten van maatschappelijke activiteiten (en daaraan gerelateerde activiteiten).
Artikel 4.19 Regels over gebruiken van gronden en bouwwerken bevat geen zelfstandige gebruiksregels, maar dient als richtingaanwijzer binnen het omgevingsplan. In dit artikel is aangegeven welke subparagrafen in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van toepassing zijn op locaties waaraan de functie Maatschappelijk is toegekend. De toetsing van het gebruik van een locatie vindt plaats aan de hand van de regels in hoofdstuk 5. De subparagrafen waarnaar wordt verwezen zijn functioneel gekoppeld aan de functie Maatschappelijk.
In Artikel 4.38 Aanwijzing wordt een functioneel gebiedstype aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'.
Met de gebiedsaanwijzing Buitengebied wordt een gebied aangewezen als onderdeel van het landelijk gebied van de gemeente Peel en Maas. Het buitengebied wordt gekenmerkt door functies zoals agrarisch gebruik, natuur, landschap, waterbeheer, recreatie en verspreid voorkomende woon- en bedrijfsfuncties. In dit omgevingsplan zijn meerdere gebiedstypen aangewezen, die zich in functioneel opzicht van elkaar onderscheiden. Deze worden afzonderlijk van elkaar aangewezen in afdeling 4.2 Gebiedstypen.
Met deze gebiedstypen worden bepaalde gebruiksactiviteiten in een gebied toegestaan, beperkt of uitgesloten, teneinde te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor het gebiedstype Buitengebied staat het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en agrarische kwaliteiten centraal. Bepaalde gebruiksactiviteiten die niet passen bij het landelijke karakter, de aanwezige waarden of de bestaande functies van het buitengebied, zijn daarom niet wenselijk of passend binnen dit gebiedstype. Hiermee wordt bijgedragen aan een zorgvuldige inrichting en een duurzame ontwikkeling van het buitengebied.
Artikel 4.39 Doelen bepaalt welke doelen gelden voor activiteiten in het Buitengebied. Deze doelen zijn gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen en versterken van de kwaliteiten van het buitengebied. Daarbij gaat het onder meer om het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat, de bescherming van natuur, landschap, cultureel erfgoed, water en milieu, en het behoud van bosareaal en natuurlijke hulpbronnen.
Daarnaast zijn de doelen gericht op het bevorderen van een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving, waaronder het tegengaan van klimaatverandering en het aanpassen aan de gevolgen daarvan. Door deze doelen expliciet te benoemen wordt richting gegeven aan de toepassing van de regels die gelden voor activiteiten in het Buitengebied en de afweging van belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
In Artikel 4.40 Aanwijzing wordt een functioneel gebiedstype aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Kern wordt een gebied aangewezen als één van de kernen in de gemeente Peel en Maas. In dit omgevingsplan zijn meerdere gebiedstypen aangewezen, die zich in functioneel opzicht van elkaar onderscheiden. Deze worden afzonderlijk van elkaar aangewezen in afdeling 4.2 Gebiedstypen. Met deze gebiedstypen worden bepaalde gebruiksactiviteiten in een gebied uitgesloten, teneinde te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In Artikel 4.41 Doelen zijn de doelen opgenomen die specifiek gelden voor het gebiedstype Kern. Deze doelen zijn een nadere uitwerking van de doelen zoals genoemd in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan en vormen het kader voor de regels die binnen dit gebiedstype van toepassing zijn.
Het gebiedstype Kern omvat de bestaande dorpen binnen de gemeente Peel en Maas. Deze gebieden kenmerken zich door een concentratie van woonfuncties, voorzieningen, maatschappelijke functies, dienstverlening en andere activiteiten die bijdragen aan de leefbaarheid van de kernen. De in dit artikel opgenomen doelen geven richting aan de ontwikkeling, het gebruik en de bescherming van deze gebieden.
De doelen zijn gericht op het waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van een goed woon- en leefklimaat voor bewoners en gebruikers van de kern. Daarnaast wordt ingezet op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid. Ook het behoud en de versterking van stedenbouwkundige kwaliteiten, karakteristieke bebouwingsstructuren en cultureel erfgoed vormen belangrijke uitgangspunten binnen dit gebiedstype.
Verder zijn de doelen gericht op een zorgvuldig gebruik van bouwwerken en het bevorderen van een toegankelijke openbare buitenruimte voor personen. Daarmee wordt bijgedragen aan vitale, leefbare en aantrekkelijke kernen, waarin verschillende functies op een verantwoorde wijze naast elkaar kunnen bestaan.
Door deze doelen te verbinden aan het gebiedstype Kern wordt geborgd dat ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van de kernen en dat ongewenste effecten op de woonomgeving zoveel mogelijk worden voorkomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen de kernen van de gemeente Peel en Maas.
Artikel 4.42 Toepassingsbereik beschrijft dat de regels in deze paragraaf gaan over het bouwen en in stand houden van bouwwerken, en over andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor erfgoed.
Artikel 4.43 Doelen bepaalt dat voor activiteiten met betrekking tot erfgoed twee doelen centraal staan: het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, en het behoud van cultureel erfgoed. Hiermee wordt geborgd dat bij ingrepen in de fysieke leefomgeving niet alleen materiële, maar ook immateriële en gebiedseigen kwaliteiten worden betrokken. Het werkingsbereik van dit artikel richt zich op die locaties waar erfgoedwaarden aanwezig of aangewezen zijn, waardoor inzichtelijk is waar deze aanvullende bescherming geldt.
Artikel 4.44 Activiteiten in een beschermingszone archeologie vervult een richtinggevende en ordenende functie binnen het omgevingsplan. Het artikel geeft aan welke bepalingen uit de hoofdstukken 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van toepassing zijn op activiteiten in een Beschermingszone archeologie. De inhoudelijke toetsing van deze activiteiten vindt plaats aan de hand van de aldaar opgenomen regels.
Artikel 4.45 Toepassingsbereik beschrijft dat de regels in deze paragraaf gaan over het bouwen en in stand houden van bouwwerken, en over andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid.
Artikel 4.46 Doelen bepaalt dat voor activiteiten met betrekking tot gezondheid drie doelen centraal staan: een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het beschermen van een goed woon- en leefklimaat en het beschermen van de gezondheid. Hiermee wordt geborgd dat bij ontwikkelingen en activiteiten in de fysieke leefomgeving de mogelijke effecten op de gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving worden betrokken. Het werkingsbereik van dit artikel richt zich op activiteiten waarbij gezondheidsaspecten een rol spelen, zodat inzichtelijk is wanneer deze doelen bij de beoordeling van een activiteit moeten worden meegewogen.
Artikel 4.47 Activiteiten in een gebied met spuitvrije zone vervult een richtinggevende en ordenende functie binnen het omgevingsplan. Het artikel geeft aan welke bepalingen uit de hoofdstukken 5 Gebruiksactiviteiten, 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van toepassing zijn op activiteiten in een Spuitvrije zone. De inhoudelijke toetsing van deze activiteiten vindt plaats aan de hand van de aldaar opgenomen regels.
Artikel 5.1 Toepassingsbereik bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in dit hoofdstuk gelden. In hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten worden regels gesteld over gebruiksactiviteiten. Het gaat om het gebruik van zowel gronden als bouwwerken.
Artikel 5.2 Toegestane activiteiten voor gebruik bepaalt wanneer het gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan en hoe dit gebruik moet worden getoetst. Het artikel legt vast dat gronden en bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt op een wijze die past binnen de aan een locatie toegekende functie en binnen de algemene gebruiksregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Hiermee vormt dit artikel het fundament voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het eerste lid bepaalt dat het alleen is toegestaan om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die in overeenstemming is met een onder afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies aan een locatie gegeven functie of functies en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in niet in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in afdeling 5.2 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken. In afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies wordt geregeld waar welke functie geldt. Aan een locatie kunnen meerdere functies zijn gegeven. Met betrekking tot de functie worden ook regels gesteld over het gebruik. Hetzelfde geldt voor de regels over gebruik die zijn gesteld in afdeling 5.2 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Ook die regels moeten op grond van dit eerste lid in acht worden genomen. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten, zoals gesteld in hoofdstuk 7 Milieuactiviteiten.
Het tweede lid geeft aan welk medegebruik binnen een functie standaard is toegestaan naast het hoofdgebruik. Het betreft ondersteunende functies die bijdragen aan een logisch, functioneel en samenhangend gebruik van gronden en bouwwerken. Het dat naast het hoofdgebruik - zoals vastgelegd in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies - ook het gebruik voor tuinen, erven en terreinen, groenvoorzieningen, paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, en boven- en ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen is toegestaan, tenzij anders bepaald.
De meeste regels in dit omgevingsplan gaan op termijn gelden voor het hele grondgebied van de gemeente Peel en Maas. We noemen dit het Ambtsgebied. De gemeente Peel en Maas staat voor de opgave om alle ruimtelijke regels en bruidsschatregels in het tijdelijke omgevingsplan te verhuizen naar het nieuwe (permanente) omgevingsplan. Het nieuwe (permanente) omgevingsplan moet uiterlijk in 2032 af zijn. We bouwen het nieuwe omgevingsplan stap voor stap op, per thema of per gebied. We noemen dit de transitiefase. De geometrische begrenzing van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zal steeds kleiner worden naarmate de transitiefase vordert. Op het moment dat alle regels uit het tijdelijke omgevingsplan overgeheveld zijn naar het nieuwe deel, zullen de meeste regels gaan gelden voor het hele Ambtsgebied van de gemeente. Dit betekent dat de geometrische begrenzing Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking te zijner tijd komt te vervallen.
Artikel 5.3 Strijdig gebruik bepaalt welk gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval in strijd is met het omgevingsplan. Het geeft daarmee duidelijkheid over ongewenste functies en activiteiten die niet passen binnen de ruimte toegedeelde functies.
Artikel 5.4 Toepassingsbereik geeft aan in welke situaties de parkeerregels uit deze paragraaf van toepassing zijn. De regels gelden in het hele ambtsgebied, wat betekent dat zij betrekking hebben op locaties waar het omgevingsplan parkeereisen in relatie tot het gebruik van gronden en bouwwerken stelt. Het artikel bepaalt dat de verplichting om in voldoende mate te voorzien in parkeerruimte geldt bij het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden.
Artikel 5.5 Algemene regels bevat de algemene gebruiksregels over parkeren. Ze hebben betrekking op de wijze waarop functies in het gebied kunnen worden gebruikt zonder dat dit leidt tot ongewenste parkeerdruk. Het artikel geeft daarmee nadere invulling aan het principe dat gebruik van gronden alleen is toegestaan wanneer dit ruimtelijk aanvaardbaar is.
Artikel 5.6 Maatwerkvoorschriften bepaalt dat het bevoegd gezag voor een concreet geval met een omgevingsvergunning kan afwijken van de algemene regels van Artikel 5.5 Algemene regels, wanneer dat noodzakelijk is en past binnen de criteria uit hoofdstuk 4 van de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 of een opvolgende beleidsregel. Deze bepaling biedt ruimte om af te wijken in situaties waarin de standaard parkeernormen niet goed aansluiten op de lokale omstandigheden of het specifieke karakter van het beoogde gebruik, terwijl tegelijk wordt geborgd dat afwijkingen altijd zorgvuldig en beleidsmatig verantwoord worden genomen. Zo ontstaat een balans tussen rechtszekerheid, flexibiliteit en een doelmatige toepassing van parkeereisen.
Artikel 5.7 Toepassingsbereik geeft aan in welke situaties regels over evenementen uit deze paragraaf van toepassing zijn. De regels gelden specifiek ter plaatse van Evenement, wat betekent dat zij betrekking hebben op locaties waar het omgevingsplan regels stelt over evenementen in relatie tot het gebruik van gronden en bouwwerken.
Artikel 5.8 Algemene regels regelt het maximaal toegestane aantal evenementen en het maximaal aantal dagen dat evenementen inclusief op- en afbouw mogen duren. Hiermee wordt gestuurd op de balans tussen levendigheid en leefbaarheid, en wordt voorkomen dat evenementen tot onevenredige belasting van de omgeving leiden.
Het eerste lid bepaalt dat het aantal evenementen per locatie niet hoger mag zijn dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm, zodat duidelijk is hoeveel activiteiten binnen een gebied acceptabel zijn zonder dat dit leidt tot overlast, verstoring van het normale gebruik of aantasting van de leefomgeving. De norm biedt ruimte voor evenementen, maar binnen beheersbare grenzen.
Het tweede lid stelt dat de duur van een evenement, inclusief op- en afbouw, niet langer mag zijn dan het maximaal toegestane aantal dagen zoals ter plaatse aangegeven. Deze beperking zorgt ervoor dat tijdelijke activiteiten niet te langdurig beslag leggen op de openbare ruimte of op de rust in de omgeving, en borgt daarmee de leefbaarheid, veiligheid en een ordentelijk verloop van activiteiten.
Artikel 5.9 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat het zonder omgevingsvergunning verboden is om ter plaatse van Agrarisch - Landbouw gronden en bouwwerken te gebruiken voor incidentele evenementen. Hiermee wordt geborgd dat activiteiten die niet passen binnen het reguliere agrarische gebruik vooraf kunnen worden getoetst op hun ruimtelijke en milieukundige effecten. Het werkingsbereik van dit artikel is beperkt tot de agrarische gronden waar deze specifieke agrarische functie van toepassing is, zodat in de viewer duidelijk herkenbaar is waar de vergunningplicht geldt. Door incidentele evenementen vergunningplichtig te stellen, wordt voorkomen dat verstoringen van het agrarische karakter, ongewenste hinder of oneigenlijk gebruik ongecontroleerd ontstaan.
Artikel 5.10 Beoordelingsregels bepaalt onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het houden van incidentele evenementen ter plaatse van Agrarisch - Landbouw. Daarmee wordt richting gegeven aan de beoordeling door het bevoegd gezag en wordt inzichtelijk welke criteria gelden om het agrarische karakter van het gebied te beschermen. Het werkingsbereik van dit artikel is beperkt tot die locaties waar de functie Agrarisch - Landbouw van toepassing is, waardoor in de viewer duidelijk zichtbaar is waar deze beoordelingsregels gelden. Door voorwaarden te stellen aan onder meer de duur en frequentie van evenementen, het behoud van aanwezige waarden, de bedrijfsvoeringmogelijkheden van omliggende functies, de verkeerssituatie en de mogelijkheid om nadere voorschriften te verbinden, wordt geborgd dat incidentele evenementen slechts kunnen plaatsvinden wanneer zij ruimtelijk aanvaardbaar zijn en geen onevenredige hinder of aantasting veroorzaken.
Artikel 5.11 Toepassingsbereik geeft aan op welke locaties en op welke gebruiksactiviteiten de regels uit deze paragraaf van toepassing zijn. De paragraaf geldt specifiek ter plaatse van een Spuitvrije zone. Dit zijn zones waar beperkingen gelden voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, vanwege de nabijheid van functies die gevoelig zijn voor blootstelling aan deze middelen, zoals woningen.
Artikel 5.12 Oogmerk beschrijft het oogmerk van de regels binnen deze paragraaf. Het maakt duidelijk welke belangen worden beschermd en welke doelen worden nagestreefd bij het reguleren van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen spuitvrije zones. Door expliciet vast te leggen waarom deze regels gelden, wordt inzichtelijk gemaakt hoe zij bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het beschermen van een goed woon- en leefklimaat en het beschermen van de gezondheid van personen die zich binnen of nabij deze zones bevinden.
Artikel 5.13 Algemene regels bevat een gebruiksregel voor gronden die zijn gelegen binnen een Spuitvrije zone. Het artikel bepaalt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen deze zone niet is toegestaan.
Deze bepaling is bedoeld om blootstelling van omwonenden en andere aanwezigen aan gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te voorkomen. Door het gebruik van deze middelen binnen de aangewezen zone uit te sluiten, wordt beoogd de gezondheid te beschermen en een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. De regel draagt daarmee bij aan een zorgvuldige afweging tussen agrarische activiteiten en de bescherming van nabijgelegen gevoelige functies.
Artikel 5.14 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning af te wijken van het verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een Spuitvrije zone. Hiermee wordt geborgd dat een afwijking van de algemene regel slechts mogelijk is na een voorafgaande beoordeling door het bevoegd gezag. Door deze vergunningplicht kan per situatie worden beoordeeld of het voorgenomen gebruik aanvaardbaar is in relatie tot de bescherming van de gezondheid en het woon- en leefklimaat.
Artikel 5.15 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een Spuitvrije zone. Het artikel bepaalt dat een vergunning uitsluitend kan worden verleend wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag de mogelijke nadelige effecten van driftblootstelling op de gezondheid aanvaardbaar zijn. Hierbij wordt in het bijzonder gekeken naar de gevolgen voor objecten en locaties waar mensen langdurig aanwezig zijn of kunnen verblijven, zoals woningen, tuinen, scholen of andere gevoelige functies. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat een eventuele afwijking van het verbod niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid.
Artikel 5.16 Aanvraagvereisten bepaalt welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt. De aanvrager moet in ieder geval een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoeksrapportage overleggen waarin de gezondheidsrisico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden onderzocht. Deze rapportage stelt het bevoegd gezag in staat om de mogelijke effecten van driftblootstelling op de omgeving en aanwezige gevoelige functies te beoordelen. Het aanvraagvereiste waarborgt daarmee dat vergunningaanvragen zorgvuldig worden onderbouwd en dat de belangen van gezondheid en een goed woon- en leefklimaat volwaardig kunnen worden meegewogen in de besluitvorming.
Artikel 5.17 Toepassingsbereik geeft aan dat de regels uit deze paragraaf gelden ter plaatse van Kleinschalig kamperen. De paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten waarbij gronden worden gebruikt voor kleinschalig kamperen. Hiermee is duidelijk wanneer en waar de regels voor deze recreatieve nevenactiviteit van toepassing zijn.
Artikel 5.18 Oogmerk beschrijft het doel van de regels voor kleinschalig kamperen. De regels zijn gericht op het mogelijk maken van recreatief medegebruik, waarbij een goede balans wordt behouden tussen recreatie, een goed woon- en leefklimaat en het behoud van landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit.
Artikel 5.19 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat het gebruik van gronden voor kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan met een omgevingsvergunning. Hierdoor kan vooraf worden beoordeeld of het initiatief passend is op de betreffende locatie en voldoet aan de gestelde voorwaarden.
Artikel 5.20 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor kleinschalig kamperen. Daarbij wordt beoordeeld of sprake is van een ondergeschikte recreatieve activiteit die ruimtelijk en landschappelijk goed wordt ingepast. Ook wordt getoetst of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van onder meer het woon- en leefklimaat, de verkeersveiligheid, milieukwaliteit, natuur- en landschapswaarden en de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden. Daarnaast moet worden aangetoond dat geen significant negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Hiermee wordt geborgd dat kleinschalig kamperen op een zorgvuldige wijze in de omgeving wordt ingepast.
Artikel 5.21 Toepassingsbereik
In afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies worden functies aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze subparagraaf bevat regels over agrarische landbouw. Artikel 5.21 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Artikel 5.22 Algemene regels geeft de algemene gebruiksregels voor gronden en bouwwerken binnen de functie Agrarisch - Landbouw. Het artikel verduidelijkt welke gebruiksactiviteiten wel en niet zijn toegestaan, met als doel een passend, doelmatig en ruimtelijk aanvaardbaar gebruik van het agrarisch gebied te borgen.
Artikel 5.23 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 5.23 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat voor het gebruik van gronden voor een paardrijbak of containervelden een omgevingsvergunning vereist is. Met deze vergunningplicht wordt geborgd dat vooraf kan worden beoordeeld of deze gebruiksvormen passen binnen de agrarische functie van het gebied en geen onevenredige gevolgen hebben voor de omgevingskwaliteit. Daarbij kan onder meer rekening worden gehouden met effecten op het landschap, het woon- en leefklimaat, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling.
Artikel 5.24 Beoordelingsregels
Artikel 5.24 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor een paardrijbak of containervelden. Voor een paardrijbak wordt onder meer beoordeeld of deze direct aansluitend aan een bouwvlak wordt gerealiseerd, qua omvang en uitvoering passend is in de omgeving en geen onevenredige aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat, natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden of de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden. Daarnaast moet worden aangetoond dat geen significant negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden.
Voor containervelden wordt beoordeeld of deze zijn gelegen op de daarvoor aangewezen locaties, of een adequate afvoer van hemelwater is verzekerd en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en abiotische waarden. Daarnaast moet de ontwikkeling bijdragen aan de verbetering van de omgevingskwaliteit door middel van een landschappelijke inpassing en eventuele andere kwaliteitsverbeterende maatregelen. Hiermee wordt een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van beide gebruiksvormen gewaarborgd.
Artikel 5.25 Toepassingsbereik
In afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies worden functies aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze subparagraaf bevat regels over maatschappelijke activiteiten. Artikel 5.25 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Artikel 5.26 Algemene regels bevat de gebruiksregels voor gronden en bouwwerken met een maatschappelijke functie. Het artikel bepaalt dat deze gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor activiteiten gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening. Daarnaast is ondergeschikte detailhandel toegestaan, voor zover deze ondersteunend is aan de hoofdfunctie en een oppervlakte van maximaal 50 m² heeft. Hiermee wordt geborgd dat maatschappelijke voorzieningen hun functie kunnen vervullen, terwijl wordt voorkomen dat zelfstandige detailhandelsactiviteiten ontstaan die niet passen binnen de aard en omvang van de toegestane functie.
Artikel 6.1 Toepassingsbereik bepaalt dat dit hoofdstuk van toepassing is op het verrichten van bouwactiviteiten. Dit omvat het bouwen, in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk (zonder vergunningplicht), het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Centraal in dit hoofdstuk staan activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken. Wat een 'bouwwerk' is, wordt bepaald door de in de Omgevingswet opgenomen begripsomschrijving. Het gaat om een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties, anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
Artikel 6.2 Toegestane activiteiten voor bouwen bevat de algemene regels voor het uitvoeren van bouwactiviteiten en bepaalt onder welke voorwaarden bouwen is toegestaan binnen het omgevingsplan. Het artikel zorgt voor samenhang tussen bouwactiviteiten en de toegestane ruimtelijke functies, en regelt hoe wordt omgegaan met situaties waarin tijdelijke of specifieke ruimtelijke regimes gelden. Hiermee wordt geborgd dat bouwen plaatsvindt binnen de geldende planologische kaders en blijft de ruimtelijke ordening inzichtelijk, consistent en handhaafbaar.
Het eerste lid stelt als hoofdregel dat bouwactiviteiten alleen zijn toegestaan als zij expliciet zijn opgenomen in het omgevingsplan en als het beoogde gebruik van het bouwwerk op die locatie is toegestaan. Hiermee wordt een directe koppeling gelegd tussen bouwen en gebruik, waardoor wordt voorkomen dat bouwwerken worden gerealiseerd voor functies die planologisch niet zijn toegestaan. Dit draagt bij aan een consistente ruimtelijke ontwikkeling en voorkomt ongewenste of strijdige bouwinitiatieven.
Het tweede lid regelt een uitzondering voor locaties waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan nog van kracht is. In die gevallen wordt aangesloten bij de regels van het voor die locatie geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, ook als deze afwijken van de bouwregels in dit hoofdstuk. Hiermee wordt een zorgvuldige overgang geborgd tussen oude en nieuwe planologische regimes en wordt rechtszekerheid geboden zolang het tijdelijke deel nog van toepassing is.
Het derde lid vult de voorgaande regels aan voor gebieden waarvoor een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld en bepaalt dat bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken uitsluitend is toegestaan in overeenstemming met de daarin opgenomen ruimtelijke regels. Hiermee krijgt het TAM-IMRO omgevingsplan een aanvullend en leidend karakter voor deze locaties en wordt voorkomen dat tegenstrijdige regimes naast elkaar bestaan. De bepaling zorgt voor duidelijkheid, samenhang en naleving van de specifieke ruimtelijke keuzes die in het TAM-IMRO omgevingsplan zijn vastgelegd.
Artikel 6.4 Maatwerkvoorschriften bouwen geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om in specifieke gevallen aanvullende voorschriften te stellen over de plaats, afmetingen en inrichting van bouwwerken en functievlakken. Van deze bevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt wanneer de algemene bouwregels onvoldoende waarborgen bieden voor een goed woon- en leefklimaat, de bescherming van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende locaties, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit of een goede landschappelijke inpassing. Hiermee wordt voorzien in de noodzakelijke flexibiliteit om rekening te houden met locatiespecifieke omstandigheden.
In Artikel 6.5 Toepassingsbereik is bepaald dat afdeling 6.2 Omgevingsplanactiviteit bouwen van een bouwwerk van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In de begripsbepalingen is een omschrijving gegeven van wat wordt verstaan onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het gaat om een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Artikel 6.6 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken binnen een Beschermingszone archeologie, voor zover het initiatief niet past binnen de algemene regels van Artikel 6.37 Algemene regels. Hiermee wordt geborgd dat eerst het reguliere beoordelingskader wordt toegepast en dat de vergunningsplicht uitsluitend geldt wanneer daarbinnen geen ruimte bestaat.
Artikel 6.7 Beoordelingsregels
Artikel 6.7 Beoordelingsregels bevat de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken binnen een Beschermingszone archeologie. De bepaling borgt dat vergunningverlening alleen mogelijk is wanneer vaststaat dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, of wanneer deze door het bouwplan niet of niet onevenredig worden aangetast. Indien mogelijke schade niet volledig is uit te sluiten, wordt vereist dat deze door passende maatregelen en voorschriften bij de omgevingsvergunning wordt voorkomen of zoveel mogelijk beperkt. Daarmee wordt verzekerd dat archeologische belangen zorgvuldig worden meegewogen, terwijl ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarden mogelijk blijven binnen het omgevingsplan.
Artikel 6.8 Maatwerkvoorschriften
Artikel 6.8 Maatwerkvoorschriften regelt welke vergunningsvoorschriften kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor een vergunningsplichtige bouwactiviteit binnen gebieden met archeologische verwachtingen. De bepaling biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om, wanneer een bouwactiviteit kan leiden tot een onevenredige verstoring van archeologische waarden, aanvullende voorwaarden te stellen om deze waarden te beschermen. Daarbij kan worden voorgeschreven dat technische maatregelen worden getroffen om archeologische resten in situ te behouden, dat archeologisch onderzoek of opgravingen worden uitgevoerd, of dat de bodemverstorende werkzaamheden worden begeleid door een deskundige archeoloog. Hiermee wordt verzekerd dat archeologische belangen zorgvuldig worden geborgd, terwijl bouwactiviteiten onder voorwaarden doorgang kunnen vinden binnen het omgevingsplan.
Artikel 6.9 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk wanneer beoordelingsregels gelden voor bouwactiviteiten die betrekking hebben op ondergronds bouwen. De bepaling regelt dat deze subparagraaf uitsluitend van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot ondergronds bouwactiviteiten, voor zover het initiatief niet past binnen de algemene regels van Artikel 6.39 Algemene regels. Hiermee wordt geborgd dat eerst wordt getoetst aan het reguliere beoordelingskader en dat pas wanneer daarin geen ruimte bestaat, een nadere afweging met beoordelingsregels plaatsvindt.
Artikel 6.10 Beoordelingsregels
Artikel 6.10 Beoordelingsregels bevat de beoordelingsregels voor ondergrondse bouwactiviteiten en bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend wanneer de ondergrondse bouwdiepte maximaal 10 meter onder straatpeil blijft, de waterhuishouding niet wordt verstoord en geen afbreuk wordt gedaan aan aanwezige archeologische waarden.
Artikel 6.11 Toepassingsbereik
Artikel 6.11 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk wanneer beoordelingsregels gelden voor bouwactiviteiten ter plaatse van de aangewezen locatie. De bepaling regelt dat deze subparagraaf uitsluitend van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken, waarbij wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Artikel 6.12 Beoordelingsregels
Artikel 6.12 Beoordelingsregels bevat de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bepaalt dat een vergunning alleen kan worden verleend wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de beleidsregel Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018, waarbij in geval van wijziging van deze beleidsregel moet worden getoetst aan de meest actuele, opvolgende regeling om vast te stellen of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
Artikel 6.13 Toepassingsbereik
Artikel 6.13 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening op locaties die als zodanig zijn aangewezen. Hiermee is duidelijk voor welke bouwactiviteiten en locaties de specifieke beoordelingsregels gelden.
Artikel 6.14 Beoordelingsregels
Artikel 6.14 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte en oppervlakte, of de voorzieningen slechts tijdelijk aanwezig zijn en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden. Daarnaast moet de ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de omgevingskwaliteit door middel van een landschappelijke inpassing. Hiermee wordt een zorgvuldige ruimtelijke en landschappelijke inpassing van de voorzieningen gewaarborgd.
Artikel 6.15 Toepassingsbereik
Artikel 6.15 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening op locaties die als zodanig zijn aangewezen. Hiermee is duidelijk wanneer de specifieke beoordelingsregels voor deze voorzieningen van toepassing zijn.
Artikel 6.16 Beoordelingsregels
Artikel 6.16 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen. Daarbij wordt beoordeeld of de voorziening geen onevenredige aantasting veroorzaakt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden en of de voorziening uitsluitend gedurende een beperkte periode aanwezig is. Daarnaast moet de ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de omgevingskwaliteit door middel van een landschappelijke inpassing. Hiermee wordt geborgd dat tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen zorgvuldig worden ingepast in het buitengebied.
Artikel 6.17 Toepassingsbereik
Artikel 6.17 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuilgelegenheid ter plaatse van Agrarisch - Landbouw. Hiermee is duidelijk voor welke bouwactiviteiten en locaties de specifieke beoordelingsregels voor schuilgelegenheden gelden.
Artikel 6.18 Beoordelingsregels
Artikel 6.18 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor het bouwen van een schuilgelegenheid. Daarbij wordt beoordeeld of de omvang en situering van de schuilgelegenheid passend zijn bij het perceel en of de noodzaak vanuit dierenwelzijn is aangetoond. Daarnaast wordt getoetst of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, archeologische, abiotische en cultuurhistorische waarden, het woon- en leefklimaat, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Ook moet de schuilgelegenheid zorgvuldig in het landschap worden ingepast en mag deze niet worden gebruikt voor opslag. Hiermee wordt geborgd dat schuilgelegenheden functioneel noodzakelijk zijn en ruimtelijk verantwoord worden gerealiseerd.
Artikel 6.19 Toepassingsbereik
Artikel 6.19 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoogzit ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied. Hiermee is duidelijk voor welke bouwactiviteiten en locaties de specifieke beoordelingsregels gelden.
Artikel 6.20 Beoordelingsregels
Artikel 6.20 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor het bouwen van een hoogzit. Daarbij wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden. Hiermee wordt geborgd dat hoogzitten functioneel kunnen worden gerealiseerd zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van het buitengebied.
Artikel 6.21 Toepassingsbereik
Artikel 6.21 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een voederberging of voederruif ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied. Hiermee is duidelijk wanneer de specifieke beoordelingsregels voor deze bouwwerken van toepassing zijn.
Artikel 6.22 Beoordelingsregels
Artikel 6.22 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor het bouwen van een voederberging of voederruif. Daarbij wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de maximale inhoud en bouwhoogte en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden. Hiermee wordt verzekerd dat deze voorzieningen qua omvang en uitstraling passend zijn binnen het agrarisch gebied en het landschap van het buitengebied.
Artikel 6.23 Toepassingsbereik bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en regels bevat over bouwwerken. In deze afdeling zijn ruimtelijke regels opgenomen over waar bouwwerken zijn toegestaan, en in welke omvang. Of er wel of geen vergunningplicht geldt voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken volgt uit afdeling 6.2 Omgevingsplanactiviteit bouwen van een bouwwerk.
Artikel 6.24 Toepassingsbereik
Artikel 6.24 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk dat de regels uitsluitend gelden voor bouwactiviteiten binnen de aangewezen locatie, voor zover het gaat om het bouwen van een gebouw, niet zijnde een woning, nutsvoorziening in openbaar gebied of openbaar vervoervoorziening in openbaar gebied. Hiermee wordt afgebakend dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op bouwinitiatieven die daadwerkelijk de bouw van een gebouw (exclusief de genoemde uitzonderingen) omvatten en niet op andere soorten bouwwerken.
Artikel 6.25 Algemene regels bevat algemene bouwregels voor gebouwen, waaronder de ligging binnen het bouwvlak en maximale maatvoering (goot- en bouwhoogte). Het artikel borgt een ordelijke ruimtelijke opzet, consistente maatvoering en een duidelijke oriëntatie van bebouwing ten opzichte van perceelsgrenzen en de openbare ruimte.
Artikel 6.26 Toepassingsbereik
Artikel 6.26 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk dat de regels uitsluitend gelden voor bouwactiviteiten ter plaatse van de locatie Bijbehorend bouwwerk, voor zover het gaat om het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hiermee wordt afgebakend dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op bouwinitiatieven die de realisatie van een dergelijk bouwwerk omvatten en niet op andere bouwactiviteiten.
Artikel 6.27 Algemene regels bevat de maatvoeringseisen voor bijbehorende bouwwerken. Het artikel bepaalt dat de maximaal toegestane goothoogte en bouwhoogte worden begrensd door de ter plaatse geldende omgevingsnormen. Hiermee wordt geborgd dat bijbehorende bouwwerken qua omvang en uitstraling passend blijven binnen de ruimtelijke structuur en het bebouwingsbeeld van de omgeving.
Artikel 6.28 Toepassingsbereik
Artikel 6.28 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk dat is gelegen op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn. Hiermee is duidelijk in welke situaties de specifieke bouwregels voor bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van toepassing zijn.
Artikel 6.29 Algemene regels bevat regels voor de omvang van bijbehorende bouwwerken binnen de Kern. Het artikel begrenst zowel de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken als het bebouwingspercentage van het achtererfgebied. Hiermee wordt voorkomen dat percelen onevenredig worden volgebouwd en blijft voldoende ruimte aanwezig voor een goede ruimtelijke kwaliteit, gebruiksmogelijkheden en leefbaarheid.
Artikel 6.30 Toepassingsbereik
Artikel 6.30 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevelrooilijn. Hiermee is duidelijk wanneer de specifieke regels voor bijbehorende bouwwerken aan de voorzijde van een perceel gelden.
Artikel 6.31 Algemene regels bevat een beperking voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevelrooilijn binnen de Kern. Het artikel staat uitsluitend aangebouwde overkappingen toe, mits wordt voldaan aan een minimale afstand tot de perceelsgrens grenzend aan openbaar toegankelijk gebied. Hiermee wordt het open straatbeeld behouden en wordt voorkomen dat bouwwerken aan de voorzijde van percelen een onevenredige invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit en de verkeersveiligheid.
Artikel 6.32 Toepassingsbereik
Artikel 6.32 Toepassingsbereik bevat de algemene regels voor het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn, zoals speeltoestellen, hekwerken, masten of andere constructies zonder dak of gesloten ruimte, die gelden in deze subparagraaf. De regels geven aan wanneer deze subparagraaf van toepassing is, en wanneer specifieke onderdelen van het plan voorrang hebben. Daarmee wordt duidelijk afgebakend welke bouwwerken via dit artikel beoordeeld moeten worden, en welke via gespecialiseerde subparagrafen worden geregeld om overlapping of dubbel toetskader te voorkomen.
Het eerste lid bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn, zoals constructies zonder overdekte of omsloten ruimte, zodat duidelijk is welke objecten onder dit algemene toetsingskader vallen en hiermee een passende en eenduidige beoordeling kan plaatsvinden voor deze specifieke categorie bouwwerken.
Het tweede lid geeft aan dat de subparagraaf niet geldt voor een aantal specifieke bouwwerken - waaronder erfafscheidingen, voederruiven, vlaggen- en lichtmasten, voorzieningen rond paardrijbakken, zwembaden, sportoverkappingen en lichtmasten in openbaar gebied - omdat deze in afzonderlijke subparagrafen uitgebreider en meer passend zijn gereguleerd, waardoor dubbeling wordt voorkomen en het voor initiatiefnemers helder blijft welke specifieke regels van toepassing zijn op hun bouwactiviteit.
Artikel 6.33 Algemene regels bevat de algemene bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde. Deze regel bepaaalt welke bouwhoogte is toegestaan.
Het eerste lid stelt dat bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet hoger mogen zijn dan de ter plaatse aangegeven maximale bouwhoogte, zodat hun verschijningsvorm in schaal en hoogte aansluit bij de omgeving en ongewenste visuele dominantie of verstoring van het straat- en landschapsbeeld wordt voorkomen.
Artikel 6.34 Toepassingsbereik
Artikel 6.34 Toepassingsbereik bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die bestaan uit het plaatsen van erf- en terreinafscheidingen, zodat helder is dat uitsluitend deze specifieke categorie bouwwerken onder het regime van dit onderdeel valt. Door dit expliciet vast te leggen, wordt voorkomen dat andere bouwwerken onbedoeld onder deze regels worden beoordeeld en wordt een eenduidige en doelgerichte toetsing gewaarborgd, passend bij het relatief eenvoudige maar ruimtelijk zichtbare karakter van erfafscheidingen. Daarnaast is deze subparagraaf opgenomen omdat erf- en terreinafscheidingen afwijken van de in Artikel 6.33 Algemene regels opgenomen algemene regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, waardoor een afzonderlijke regeling noodzakelijk is om deze categorie op een passende manier te kunnen toestaan.
Artikel 6.35 Algemene regels bevat de algemene regels voor erf- en terreinafscheidingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de situering ten opzichte van de voorgevellijn, de bouwhoogte en de locatie binnen agrarische gebieden. De bepalingen zorgen voor een zorgvuldig en gebiedsgericht gebruik van erfafscheidingen, zodat de ruimtelijke kwaliteit en het gewenste straat- of landschapbeeld behouden blijven.
Het eerste lid regelt dat erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn niet hoger mogen zijn dan de ter plaatse geldende omgevingsnorm, zodat binnen de meer besloten delen van het erf variatie mogelijk is, zonder dat erfafscheidingen uitgroeien tot dominante of gesloten structuren die het karakter van de omgeving verstoren.
Het tweede lid bepaalt dat op de locatie Agrarisch - Landbouw erf- en terreinafscheidingen alleen in een open constructie mogen worden geplaatst en binnen de daarbij horende maximale bouwhoogte moeten blijven, zodat de karakteristieke openheid van het landschap behouden blijft en tegelijk een functionele, agrarisch passende erfafbakening mogelijk is zonder verstoring van het ruimtelijke en landschappelijke beeld.
Artikel 6.36 Toepassingsbereik
Artikel 6.36 Toepassingsbereik bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die bestaan uit het plaatsen van vlaggen-, reclame- en lichtmasten, zodat helder is dat uitsluitend deze specifieke categorie slanke, verticale constructies onder dit onderdeel van het plan valt. Door dit toepassingsbereik expliciet vast te leggen, blijft het duidelijk welke bouwwerken via deze regels worden getoetst en wordt voorkomen dat andere typen masten of voorzieningen onbedoeld onder deze regeling vallen, wat zorgt voor een gerichte en eenduidige toepassing van het omgevingsplan. Daarnaast is deze subparagraaf opgenomen omdat masten afwijken van de in Artikel 6.33 Algemene regels opgenomen algemene regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, waardoor een afzonderlijke regeling noodzakelijk is om deze categorie op een passende manier te kunnen toestaan.
Artikel 6.37 Algemene regels bepaalt dat de bouwhoogte van masten maximaal 12 meter mag bedragen, zodat deze slanke, verticale constructies wel functioneel inzetbaar blijven voor zichtbaarheid en lichtbereik, maar geen onevenredige visuele dominantie of verstoring van het straat- en landschapbeeld veroorzaken. Met deze begrenzing wordt een balans gevonden tussen gebruiksfunctionaliteit en het behoud van een ordelijk, ruimtelijk aanvaardbaar beeld.
Artikel 6.38 Toepassingsbereik
Artikel 6.38 Toepassingsbereik bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op het plaatsen van lichtmasten rond een paardrijbak, zodat helder is dat uitsluitend deze functionele en locatiespecifieke voorzieningen onder deze regeling vallen. Door het toepassingsbereik zo expliciet te formuleren, wordt voorkomen dat andere soorten lichtmasten of veldverlichting onbedoeld onder deze regels worden geschaard en blijft de beoordeling gericht, eenduidig en passend bij de beperkte maar specifieke ruimtelijke impact van verlichting bij paardrijbakken. Daarnaast is deze subparagraaf opgenomen omdat lichtmasten rond een paardrijbak afwijken van de in Artikel 6.33 Algemene regels opgenomen algemene regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, waardoor een afzonderlijke regeling noodzakelijk is om deze categorie op een passende manier te kunnen toestaan.
Artikel 6.39 Algemene regels bepaalt dat lichtmasten rond een paardrijbak een maximale hoogte van 8 meter mogen hebben, zodat zij voldoende hoog zijn om de rijbak gelijkmatig te verlichten, maar niet zodanig hoog worden dat zij het landschap domineren, hinderlijke lichtverspreiding veroorzaken of afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Deze hoogtebegrenzing zorgt voor een evenwicht tussen functionele verlichting en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Artikel 6.40 Toepassingsbereik
Artikel 6.40 Toepassingsbereik geeft aan dat de subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die plaatsvinden binnen een gebied met archeologische verwachtingen, zodat direct duidelijk is dat juist deze locaties onder een aanvullend toetsingskader vallen. Door het toepassingsbereik expliciet te koppelen aan zones met archeologische waarde of verwachting, wordt geborgd dat bodemverstoring hier zorgvuldig wordt beoordeeld en dat mogelijke archeologische resten behouden blijven of op verantwoorde wijze worden onderzocht. Dit voorkomt ongewenst verlies van cultuurhistorische informatie en zorgt voor een doelgerichte, consistente toepassing van archeologieregelgeving.
Artikel 6.41 Algemene regels geeft aan onder welke voorwaarden bouwactiviteiten in gebieden met archeologische verwachtingen zijn toegestaan. De regels zijn erop gericht om enerzijds archeologische waarden te beschermen en anderzijds ruimte te bieden voor activiteiten die weinig of geen impact hebben op de bodem of waarbij archeologisch onderzoek al is geborgd.
Het eerste lid bepaalt dat in archeologische verwachtingsgebieden bouwactiviteiten zijn toegestaan wanneer het gaat om bouwwerken die uitsluitend bedoeld zijn voor archeologisch onderzoek met een beperkte hoogte, om reguliere agrarische bedrijfsgerelateerde bouwwerken of om bouwwerken die al in uitvoering zijn of waarvoor al vergunning is verleend. Daarmee wordt voorkomen dat noodzakelijk onderzoek of normale agrarische bedrijfsvoering wordt belemmerd, terwijl ook wordt geborgd dat reeds vergunde of lopende projecten niet worden gefrustreerd door nieuwe archeologische regels. Deze uitzonderingen sluiten aan bij situaties waarin de archeologische impact bekend, beperkt of al ondervangen is.
Het tweede lid regelt dat bouwactiviteiten zijn toegestaan wanneer de bodemverstoring minder diep reikt dan de vastgestelde omgevingsnorm voor archeologische verwachtingswaarde. Hiermee wordt bereikt dat activiteiten die slechts de bovenste bodemlagen beroeren - waar geen of nauwelijks archeologische waarden worden verwacht - zonder aanvullende archeologische maatregelen kunnen plaatsvinden. Dit voorkomt onnodige onderzoekslasten en maakt maatwerk mogelijk op basis van de lokale diepteligging van mogelijke archeologische resten.
Het derde lid bepaalt dat bouwactiviteiten zijn toegestaan wanneer de totale verstoringsoppervlakte kleiner is dan de ter plaatse geldende omgevingsnorm. Hierdoor kunnen kleinschalige activiteiten doorgang vinden zonder dat deze een reëel risico vormen voor het aantasten van archeologische waarden. De drempelwaarde borgt dat alleen grotere bodemverstoringen aanleiding geven tot archeologisch onderzoek, wat zorgt voor een proportionele bescherming: gericht waar het nodig is en zonder onnodige administratieve of financiële lasten voor kleine ingrepen.
Artikel 6.42 Toepassingsbereik
Artikel 6.42 Toepassingsbereik geeft aan dat de subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die bestaan uit het uitvoeren van ondergrondse werken en werkzaamheden, voor zover deze geen bouwwerken zijn. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat juist deze ingrepen — zoals graafwerk, aanleg van leidingen, funderingswerkzaamheden of andere bodemverstoringen — onder dit toetsingskader vallen. Door dit toepassingsbereik expliciet te formuleren, wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over welke ondergrondse activiteiten beoordeeld moeten worden en wordt geborgd dat mogelijke effecten op bodemkwaliteit, archeologie, infrastructuur en ondergrondse belangen op een consistente en zorgvuldige wijze worden meegewogen.
Artikel 6.43 Algemene regels bepaalt onder welke voorwaarden ondergrondse bouwwerken en werkzaamheden zijn toegestaan. De regels zorgen ervoor dat ondergrondse ingrepen ruimtelijk aanvaardbaar blijven, geen onevenredige risico’s veroorzaken en aansluiten bij de schaal en functie van het perceel.
Het eerste lid bepaalt dat ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan wanneer zij binnen het bouwvlak worden gerealiseerd of onder een bestaand hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk liggen, dat de totale ondergrondse oppervlakte niet groter mag zijn dan het bovengronds toegestane oppervlak vermeerderd met 15 m², en dat de bouwdiepte maximaal 4 meter onder straatpeil bedraagt. Deze voorwaarden zorgen ervoor dat ondergrondse bouw binnen de ruimtelijke kaders van het perceel blijft, voorkomen dat ondergrondse constructies qua schaal of impact uit de pas lopen met de bovengrondse situatie, en beperken risico’s zoals diepe ontgravingen, grondwaterproblemen, instabiliteit of ongewenste verstoring van bodemlagen. Zo blijft ondergronds bouwen functioneel mogelijk, maar op een veilige, proportionele en ruimtelijk verantwoorde manier.
Artikel 8.1 Toepassingsbereik bepaalt wanneer de regels van hoofdstuk 8 Aanlegactiviteiten van toepassing zijn. Hiermee wordt duidelijk afgebakend welke ingrepen als aanlegactiviteiten worden beschouwd en dus onder dit specifieke toetsingsregime vallen.
Artikel 8.2 Toegestane activiteiten voor aanleg bepaalt onder welke voorwaarden aanlegactiviteiten zijn toegestaan. De regels zorgen ervoor dat alleen die werkzaamheden mogen worden uitgevoerd die expliciet binnen het omgevingsplan passen en dat deze uitsluitend plaatsvinden op locaties waar de planregels dat toelaten. Hiermee wordt de uitvoerbaarheid van aanlegactiviteiten gestuurd én de ruimtelijke ordening bewaakt.
Het eerste lid bepaalt dat een aanlegactiviteit alleen is toegestaan wanneer deze in het omgevingsplan is benoemd én wanneer de betreffende activiteit op die specifieke locatie is toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat ongewenste of niet gereguleerde ingrepen in de bodem of het terrein plaatsvinden, en wordt geborgd dat aanlegactiviteiten altijd aansluiten bij de ruimtelijke functies en voorwaarden die voor een gebied zijn vastgesteld.
Het tweede lid regelt dat ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking aanlegactiviteiten alleen zijn toegestaan wanneer zij in overeenstemming zijn met de geldende regels uit het tijdelijk deel, of wanneer de activiteit strijdig is met de aanlegregels van dit hoofdstuk voor zover die van toepassing zijn. Hiermee wordt gewaarborgd dat in overgangssituaties - waarin delen van het oude ruimtelijke regime nog gelden - geen lacunes ontstaan en dat aanlegactiviteiten altijd worden getoetst aan een helder, juridisch geldig kader. Zo blijven ruimtelijke besluiten consistent, ook tijdens de overgang naar het nieuwe omgevingsplan.
Artikel 8.3 Toepassingsbereik bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op aanlegactiviteiten in archeologische beschermingszones die leiden tot noemenswaardige bodemverstoring, zoals grondverzet, waterhuishoudkundige aanpassingen, verhardingen, ondergrondse leidingen, sloop met funderingsverwijdering en ingrepen in beplanting of waterlopen. Door deze categorieën expliciet onder het toepassingsbereik te brengen, wordt geborgd dat potentieel archeologisch waardevolle bodemlagen niet onbedoeld worden verstoord en dat vooraf zorgvuldig kan worden beoordeeld of onderzoek of beschermende maatregelen nodig zijn. Hierdoor blijft het behoud van archeologische waarden gewaarborgd.
Artikel 8.4 Oogmerk bevat het oogmerk van de regels in deze afdeling. De regels zijn gericht op de bescherming en instandhouding van archeologische waarden en oudheidkundig waardevolle elementen, in het bijzonder in gebieden met een hoge archeologische waarde.
Artikel 8.5 Algemene regels bepaalt onder welke voorwaarden aanlegactiviteiten in gebieden met archeologische verwachtingen zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan. De regels zijn erop gericht om enerzijds reguliere en beperkte werkzaamheden mogelijk te maken, en anderzijds archeologische waarden te beschermen door alleen risicoarme activiteiten toe te staan of door voorafgaande toetsing via een meldingsprocedure.
Het eerste lid bepaalt dat bepaalde categorieën aanlegactiviteiten in archeologische verwachtingsgebieden zijn toegestaan, zoals werkzaamheden die plaatsvinden ten behoeve van archeologisch onderzoek, normaal beheer en onderhoud, regulier agrarisch gebruik tot beperkte diepte, werkzaamheden dicht bij bestaande funderingen of binnen een agrarisch bouwvlak, of activiteiten die al vergund of in uitvoering zijn. Daarnaast kunnen activiteiten zonder vergunning plaatsvinden wanneer vooraf melding is gedaan en uit onafhankelijk onderzoek blijkt dat de verstoring niet dieper reikt dan het archeologisch relevante niveau, of wanneer aantoonbaar is dat de bodem eerder al dieper is geroerd. Hiermee wordt een evenwicht geboden tussen werkbaarheid voor initiatiefnemers en bescherming van archeologische waarden: laag-risico-activiteiten kunnen doorgang vinden, terwijl de regels voorkomen dat waardevolle bodemlagen onbedoeld worden aangetast.
Het tweede lid staat aanlegactiviteiten toe wanneer de bodemverstoring minder diep reikt dan de ter plaatse aangewezen omgevingsnorm voor archeologische verwachtingswaarde, zodat werkzaamheden die slechts de bovenste bodemlagen raken - waar geen archeologische resten worden verwacht - zonder aanvullende bescherming kunnen worden uitgevoerd.
Het derde lid bepaalt dat aanlegactiviteiten zijn toegestaan wanneer de totale verstoringsoppervlakte kleiner is dan de geldende omgevingsnorm. Hiermee kunnen kleinschalige ingrepen doorgaan zonder vergunning, omdat deze meestal geen reëel risico vormen voor archeologische waarden.
Artikel 8.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen stelt dat aanlegactiviteiten in een beschermingszone archeologie vergunningplichtig zijn wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit Artikel 8.5 Algemene regels. Hiermee wordt geborgd dat alleen activiteiten die aantoonbaar weinig risico vormen voor archeologische waarden zonder vergunning mogen worden uitgevoerd, terwijl alle overige ingrepen vooraf worden getoetst door het bevoegd gezag. Dit voorkomt dat bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden zonder passende beoordeling, en beschermt zo de archeologische waarden die in deze zones kunnen voorkomen.
Artikel 8.7 Beoordelingsregels bepaalt dat een vergunning voor aanlegactiviteiten in een archeologische beschermingszone alleen kan worden verleend wanneer uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat eventuele aanwezige waarden door de ingreep niet of slechts in beperkte mate worden geschaad, of dat schade kan worden voorkomen of beperkt door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Deze beoordelingscriteria zorgen ervoor dat archeologische resten in situ zoveel mogelijk behouden blijven, terwijl tegelijkertijd ruimte blijft voor ontwikkeling indien de risico’s minimaal zijn of voldoende kunnen worden gemitigeerd. Zo ontstaat een zorgvuldig afwegingskader waarin bescherming en ontwikkeling in balans worden gebracht.
Artikel 8.8 Aanvraagvereisten bepaalt welke informatie moet worden aangeleverd bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten in archeologische beschermingszones. Het doel is om het bevoegd gezag in staat te stellen een zorgvuldige afweging te maken over mogelijke risico’s voor archeologische waarden.
Het eerste lid schrijft voor dat bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport moet worden overgelegd dat voldoet aan de professionele normen. In dit rapport moet duidelijk worden vastgesteld welke archeologische waarden in het te verstoren terrein aanwezig zijn, hoe deze bewaard of gedocumenteerd worden, of dat de ingreep de waarden niet onevenredig zal schaden of dat deze waarden niet (meer) aanwezig zijn. Deze vereisten waarborgen dat het bevoegd gezag beschikt over voldoende en deskundige informatie om te beoordelen of de werkzaamheden verantwoord kunnen plaatsvinden en om, indien nodig, voorschriften te verbinden ter bescherming van archeologisch erfgoed.
Het tweede lid bepaalt dat een archeologisch onderzoek niet nodig is wanneer het bevoegd gezag op basis van bestaande informatie al kan vaststellen wat de archeologische waarde van het terrein is. Deze bepaling voorkomt onnodige kosten en dubbel onderzoek wanneer bijvoorbeeld eerder uitvoerig bodemonderzoek is verricht. Tegelijk blijft de bescherming gewaarborgd omdat alleen kan worden afgezien van onderzoek wanneer de beschikbare gegevens voldoende en betrouwbaar zijn.
Artikel 8.9 Vergunningsvoorschriften bepaalt dat, wanneer een aangevraagde aanlegactiviteit kan leiden tot onevenredige verstoring van archeologische waarden, het bevoegd gezag voorschriften kan opleggen zoals het treffen van technische maatregelen om archeologie in de bodem te behouden, het uitvoeren van opgravingen, of het verplicht begeleiden van de werkzaamheden door een deskundige archeoloog. Deze mogelijkheden zorgen ervoor dat archeologische resten zoveel mogelijk in situ behouden blijven, of — wanneer dat niet mogelijk is — op verantwoorde wijze worden onderzocht en vastgelegd. Zo biedt het artikel een flexibel maar effectief instrument om archeologische waarden te beschermen, terwijl projecten toch doorgang kunnen vinden mits de juiste maatregelen worden getroffen.
Artikel 21.1 Reikwijdte overgangsrecht bepaalt dat dit hoofdstuk de overgangsregels bevat die van toepassing zijn op bestaande situaties die niet zonder meer passen binnen de regels van dit omgevingsplan. Hiermee wordt voorzien in een regeling voor de overgang van het oude naar het nieuwe recht.
Artikel 21.2 Voorrangsbepaling regelt dat specifieke overgangsregels die elders in het omgevingsplan zijn opgenomen voorgaan op de algemene overgangsregels van dit hoofdstuk. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende overgangsregelingen naast elkaar van toepassing zijn op dezelfde situatie.
Artikel 21.3 Lopende aanvragen en besluiten verduidelijkt dat voor aanvragen en besluiten waarop het overgangsrecht uit de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing is, de regeling uit hoofdstuk 4 van die wet geldt. Hiermee wordt aangesloten bij het wettelijke overgangsrecht dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld.
Artikel 21.4 Bestaande vergunningen en meldingen waarborgt dat vergunningen, ontheffingen, meldingen en andere beschikkingen die onder het eerdere recht rechtsgeldig tot stand zijn gekomen hun geldigheid behouden. Ook aan dergelijke besluiten verbonden voorschriften blijven van kracht, zodat bestaande rechten en verplichtingen worden gerespecteerd.
Artikel 21.5 Handhavingsbesluiten bepaalt dat handhavingsbesluiten die onder het oude recht zijn genomen worden afgehandeld volgens het recht dat gold op het moment van besluitvorming. Hiermee wordt de rechtszekerheid voor betrokkenen gewaarborgd.
Artikel 21.6 Bestaand gebruik bevat een beschermingsregeling voor rechtmatig bestaand gebruik dat bij de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in strijd is met de nieuwe regels. Dit gebruik mag worden voortgezet, maar mag niet worden gewijzigd als daardoor de afwijking van het plan toeneemt. Gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende recht valt niet onder deze bescherming.
Artikel 21.7 Onderbreking bestaand gebruik regelt dat de bescherming van het overgangsrecht vervalt wanneer het strijdige gebruik gedurende meer dan één jaar wordt beëindigd. Hervatting van dat gebruik is daarna niet langer toegestaan.
Artikel 21.8 Bestaande bouwwerken biedt bescherming aan bouwwerken die rechtmatig aanwezig waren op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan, maar niet voldoen aan de nieuwe regels. Deze bouwwerken mogen in stand worden gehouden en mogen gedeeltelijk worden vernieuwd of gewijzigd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot.
Artikel 21.9 Toepassingsbereik bepaalt in welke gevallen de regels voor herbouw na calamiteit van toepassing zijn. De regeling ziet op rechtmatig aanwezige bouwwerken die afweken van de geldende regels en door een calamiteit geheel of gedeeltelijk verloren zijn gegaan.
Artikel 21.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen regelt dat voor herbouw van een onder het overgangsrecht vallend bouwwerk na een calamiteit een omgevingsvergunning vereist is. Hierdoor kan worden beoordeeld of de herbouw past binnen de voorwaarden van het overgangsrecht.
Artikel 21.11 Beoordelingsregels bevat de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning voor herbouw na een calamiteit wordt verleend. De regeling maakt herbouw mogelijk wanneer sprake is van een calamiteit, de aanvraag tijdig wordt ingediend en de omvang van het oorspronkelijke bouwwerk slechts beperkt wordt vergroot. Hiermee wordt enerzijds rekening gehouden met bestaande rechten en wordt anderzijds voorkomen dat de afwijking van het omgevingsplan aanzienlijk toeneemt.
R
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel 22.27422.274 Aanvraagvereiste binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg is ingegaan op de achtergrond hiervan.
S
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
Ook kan het gaan om:
het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
het wijzigen van het grondwaterpeil,
het winnen van grondstoffen,
agrarische grondwerkzaamheden, en
activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
T
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/pubdata/gm1894/2026/d34ec970a4eb4150971c4f97ba0c9dba/nld@2026‑09‑08;3
/join/id/pubdata/gm1894/2026/b896f432993a4d62b65594e4ce286440/nld@2026‑09‑08;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/3442065a6c9d488685b42aeface41ecd/nld@2026‑09‑08;1
/join/id/pubdata/gm1894/2026/171ac5d797e445a282a3a765e2d6aecf/nld@2026‑09‑08;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/0b3d7d700a764dccba09054649c10d9c/nld@2026‑09‑08;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/0db4b09c2a804bf996519b797bd5c2e9/nld@2026‑09‑08;1
/join/id/pubdata/gm1894/2026/567145f24fae4bba8d376025d064096d/nld@2026‑09‑08;1
/join/id/pubdata/gm1894/2026/ff78c99d263b40bfa66161634261becf/nld@2026‑09‑08;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/f2aab50f26d744c79f35633dcbc9fc7c/nld@2026‑09‑08;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/37c8fbfcfb75410686c687f1d34acae0/nld@2026‑09‑08;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/21d79653745a4984a2b560495caf4c0e/nld@2026‑09‑08;2
Aan de Kempstraat in Egchel is basisschool ‘de Kemp’ gelegen. Basisschool de Kemp is hier al jaren gevestigd en voorziet in de behoefte van een plaatselijke basisonderwijsvoorziening. In de afgelopen jaren is het leerlingenaantal flink gestegen, de leerlingenprognose laat zien dat deze stijging de komende jaren nog zal doorzetten. De leerlingen worden thans opgevangen in tijdelijke huisvesting, maar dit is geen toekomstbestendige oplossing. Daarnaast is het huidige schoolgebouw verouderd en dit voldoet niet meer aan de hedendaagse wensen en eisen voor onderwijshuisvesting.
Vanuit de bestaande situatie en de wens om het onderwijsaanbod toekomstbestendig te maken, is het voornemen ontstaan om te komen tot een nieuwe, passende onderwijsvoorziening. Om te komen tot een passende en geschikte herontwikkeling is een scenariostudie uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat een renovatie, verduurzaming, optimalisatie en uitbreiding van het bestaande schoolgebouw de beste uitkomst biedt. Het bestaande schoolgebouw heeft bovendien een beeldbepalende waarde voor de omgeving. Deze ruimtelijke en cultuurhistorische betekenis wordt bij de herontwikkeling gerespecteerd en behouden, doordat de karakteristieke elementen van het gebouw worden geïntegreerd in het vernieuwde ontwerp.
In de toekomstige situatie biedt het schoolgebouw, net als in de huidige situatie, huisvesting aan Basisschool De Kemp en aan Hoera Kindcentrum (bestaande uit kinderdagopvang en buitenschoolse opvang). Door deze functies te bundelen en ruimtelijk te optimaliseren, wordt een integraal Kindcentrum gerealiseerd waarin onderwijs, opvang en ontwikkeling op één locatie samenkomen. Hierdoor wordt met de herontwikkeling een integraal Kindcentrum gerealiseerd waar alle voorzieningen aanwezig zijn.
De locatie maakt onderdeel uit van het planologisch regime van het bestemmingsplan “Kernen, Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust” en is daarin weliswaar voorzien van de functie ‘Maatschappelijk’, maar het nieuwe schoolgebouw is (gedeeltelijk) beoogd buiten het bouwvlak. Daarnaast beslaat het nieuwe schoolgebouw een hogere goot- en bouwhoogte. Onderhavig initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan. Tevens liggen er in de nabijheid van de school agrarische percelen waar momenteel gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Dit gebruik zal voor de herontwikkeling van de school uitgesloten moeten worden.
Om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren is een wijziging van het omgevingsplan (van rechtswege) noodzakelijk.
Betreffende locatie (in het vervolg aangeduid als ‘het plangebied’) is gelegen aan de Kempstraat 36 in Egchel. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie G, nummer 6141 en heeft een oppervlakte van 4.610 m².
Het plangebied is gelegen in het westen van de kern Egchel. Het plangebied wordt aan drie zijden omringd door woningen. Aan de westzijde van de Jacobusstraat liggen landbouwgronden. De Jacobusstraat vormt ruimtelijk en planologisch de grens tussen buitengebied en bebouwde kom.
Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat. Op dit moment geldt voor het plangebied het tijdelijke omgevingsplan “Kernen, Beringe, Egchel, Grashoek en Koningslust”.
Op grond van het tijdelijke omgevingsplan kent het plangebied de functie ‘Maatschappelijk’ en de aanduidingen ‘Waarde – Archeologie 5’ en ‘overige zone - radarverstoringsgebied’. Daarnaast is het plangebied voorzien van een bouwvlak met de maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 6 m; maximum bouwhoogte: 9 m’.
De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen gericht op sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening. Voor gebouwen geldt dat deze binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd. Gezien de opgenomen maatvoeringsaanduidingen mag de goothoogte van de bebouwing maximaal 6 meter, en bouwhoogte maximaal 9 meter bedragen.
De gronden die aangewezen zijn als ‘Waarde – Archeologie 5’ zijn, behalve voor de daar voorkomende hoofdbestemming, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.
Strijdigheden in relatie tot het omgevingsplan
Het beoogde bouwplan is gedeeltelijk beoogd buiten het bouwvlak;
Het beoogde schoolgebouw krijgt een goothoogte van meer dan 6 meter;
Het beoogde schoolgebouw krijgt een bouwhoogte van meer dan 9 meter.
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Egchel. Egchel maakt deel uit van de gemeente Peel en Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern Egchel ligt centraal binnen de gemeente, ten zuidwesten van de kern Panningen en ten noordwesten van de Roggelseweg (N562).
De kern Egchel is ontstaan uit de gehuchten Keup, Egchel, de Hub en Zelen, welke tot 1830 samen een buurtschap met de naam Achel vormden. Tot in 1830, toen de parochie Panningen ontstond, werden de Hub en Zelen ingedeeld onder Panningen, Egchel en de Keup werden ingedeeld onder Helden. Vanaf 1948 werden een kerk, school (1955) en gemeenschapshuis gebouwd. Het zelfstandige rectoraat van toen nog geen 500 inwoners is in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een kern met ruim 1.200 inwoners. De school, welke in onderhavige ontwikkeling centraal staat, werd gebouwd in 1955.
Op de topografische kaart van 1900 is Egchel reeds waar te nemen, al is er op dat moment nog niet echt sprake van een kern, maar meer van enkele verspreid liggende bebouwingsclusters binnen het gebied dat in de huidige situatie de kern Egchel omvat.
De Gielenhofweg en de Molenheg bestonden destijds al en vormde de verbinding tussen Egchel – Echgelsche hoek en respectievelijk Echgelsche hoek en Helden. De ‘Frankische driehoek’ waar deze wegen kruizen is goed zichtbaar op de kaarten. De bebouwingsclusters werden gevormd door bij elkaar gelegen boerderijen die het achtergelegen land ontgonnen en bewerkten. Zo ontstond onder andere het veldcomplex Keuperveld, ingesloten tussen Egchel, Panningen en Helden. De velden zijn van oorsprong grote open akkerbouwgebieden. Bemesting vond plaats vanuit het potstalsysteem, waardoor dikke humusrijke enkeerdgronden zijn ontstaan. De velden werden slechts doorsneden door smalle zandpaden, zonder opgaande beplanting. Langs de randen van de velden stonden de gebouwen. Deze onlosmakelijke combinatie van een open middengebied met daaromheen bebouwing of bos is bijzonder kenmerkend voor dit landschapstype.
De eerste agrarische bedrijven in Egchel betroffen gemengde bedrijven met een tuin- en akkerbouwtak en een veeteelttak. Na de Tweede Wereldoorlog specialiseerden de agrarische bedrijven zich in met name de tuinbouw en werden als gevolg daarvan diverse kassen opgericht.
Met de groei van de kern Egchel vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw werden veel van deze kleine kassen weer geamoveerd en werden ter plaatse woningen opgericht. Eind jaren ’90 van de vorige eeuw werd de openheid van het Keuperveld opgegeven door ter plaatse grootschalige glastuinbouw toe te staan. Van de ooit zo kenmerkende openheid is heden ten dage weinig meer over. De oostelijke zijde van Egchel wordt juist ruimtelijk sterk begrensd door de glastuinbouwbedrijven. De kern is steeds verder uitgebreid richting het zuiden.
In het oosten van Egchel, aan de Kempstraat 36, bevindt zich het schoolcomplex waarin basisschool De Kemp en Hoera Kindcentra zijn gehuisvest. Het merendeel van het gebouw dateert uit 1955 en voldoet niet meer aan de eisen en wensen die tegenwoordig aan onderwijshuisvesting worden gesteld. Hoewel de technische staat van het gebouw als redelijk kan worden gekwalificeerd, is de ruimtelijk-functionele kwaliteit onvoldoende en met name de ventilatievoorzieningen zijn onder de maat. Daarnaast sluit het gebouw niet meer aan bij de actuele ruimtebehoefte van zowel de basisschool als de kinderopvang. Er is sprake van een structureel tekort aan leslokalen.
In het verleden zijn reeds maatregelen genomen om dit tekort te beperken. Omstreeks 2000 is het schoolgebouw uitgebreid met één klaslokaal, een multifunctionele ruimte en een computer- en kopieerruimte. Deze uitbreiding heeft het ruimteprobleem echter niet structureel opgelost. Om in de onderwijsbehoefte te kunnen blijven voorzien, zijn in 2020 en 2022 tijdelijke noodlokalen geplaatst. Ondanks deze voorzieningen wordt de huidige huisvestingssituatie als onvoldoende en niet toekomstbestendig beoordeeld.
De noodzaak voor ingrijpen wordt verder versterkt door de leerlingenprognoses, die een duidelijke groei laten zien. Deze groei hangt samen met demografische ontwikkelingen en woningbouw in het dorp. Momenteel telt de school circa 160 leerlingen, met een verwachte toename naar ongeveer 200 leerlingen. Het bestaande gebouw kan deze groei niet opvangen en voldoet niet aan de normatieve ruimtebehoefte, wat leidt tot zowel kwantitatieve als kwalitatieve knelpunten.
De initiatiefnemers hebben de ambitie om te komen tot een toekomstbestendige voorziening die zowel technisch als onderwijskundig aansluit bij de eisen van deze tijd. Daarbij wordt ingezet op een duurzaam, flexibel en efficiënt gebouw dat ruimte biedt aan modern onderwijs en kinderopvang. Om deze ambitie te realiseren is het voornemen om het bestaande schoolgebouw gedeeltelijk te behouden, te renoveren en verduurzamen, terwijl andere delen worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw.
Bij de herontwikkeling wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van het bestaande gebouw. Met name de hoofdmassa aan de Kempstraat heeft een beeldbepalende betekenis binnen de straat en wordt als waardevol aangemerkt vanwege de historische en architectonische samenhang. Dit deel van het gebouw blijft grotendeels behouden en wordt zorgvuldig gerenoveerd en geoptimaliseerd. De uitbreiding wordt hoofdzakelijk gesitueerd aan de achterzijde, zodat het karakter en de uitstraling aan de straatzijde behouden blijven.
Het bestaande schoolgebouw heeft een bebouwde oppervlakte van circa 980 m². Daarnaast zijn tijdelijke leslokalen aanwezig met een gezamenlijke oppervlakte van circa 150 m². Van het schoolgebouw wordt circa 68 m² gebruikt door Hoera Kindcentra en het overige deel door de basisschool. In de nieuwe situatie wordt een deel van het bestaande gebouw behouden en volledig gerenoveerd, terwijl de overige delen worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Het nieuwe schoolgebouw krijgt een totale oppervlakte van circa 1.370 m² en wordt gedeeltelijk uitgevoerd in twee bouwlagen.
In het nieuwe gebouw worden basisschool De Kemp en Hoera Kindcentra gezamenlijk gehuisvest, waarmee een integraal Kindcentrum ontstaat voor kinderen van 0 tot 13 jaar. Binnen dit concept worden onderwijs en opvang gecombineerd vanuit één pedagogische visie en wordt gewerkt met een doorgaande leer- en ontwikkellijn.
Het oostelijke deel van het gebouw wordt ingericht voor de kinderopvang. Hier worden op de begane grond voorzieningen gerealiseerd voor baby’s en jonge kinderen, waaronder twee groepsruimten (baby’s en peuters), vier slaapruimtes en een gedeelde verschoon- en wasruimte. Daarnaast worden een spreekkamer en een eigen entree gerealiseerd, waarbij ook ruimte wordt voorzien voor een garderobe en het stallen van buggy’s. Boven de entreezone is een verdiepingsvloer aanwezig die in de toekomst flexibel kan worden ingericht ten behoeve van de opvang. Voor de buitenschoolse opvang wordt binnen het schooldeel een aparte ruimte ingericht, voorzien van een groepsruimte, keuken en berging. De bedrijfsvloeroppervlakte van de kinderopvang bedraagt in de beoogde situatie 385 m².
Het overige deel van het gebouw wordt ingericht voor de basisschool. Op de begane grond worden onder meer twee onderbouwgroepen, twee middenbouwgroepen en een flexibel inzetbaar lokaal gerealiseerd, aangevuld met diverse speel- en leerhoeken. In de uitbreiding aan de achterzijde worden daarnaast een speellokaal, een centrale ontmoetingsruimte, een techniekruimte, toiletten, een vergaderruimte, bergingen en een directieruimte ondergebracht. De basisschool krijgt een nieuwe entree aan de westzijde van het gebouw. Op de verdieping worden twee bovenbouwgroepen, twee flexibele groepsruimten en een leerboulevard ingericht, aangevuld met toiletten, bergingen, spreekkamers, werkruimten en een aanvullende techniekruimte. De totale bedrijfsvloeroppervlakte van de basisschool bedraagt circa 1.360 m².
De nieuwbouw krijgt een goothoogte van circa 8,0 meter en een bouwhoogte van circa 9,8 meter. Daarmee is het gebouw hoger dan in de huidige situatie. Deze hoogte is noodzakelijk om het volledige programma op een efficiënte wijze te kunnen realiseren binnen het beschikbare perceel en om voldoende ruimte te bieden aan zowel onderwijs als opvang.
Gelijktijdig met de herontwikkeling van het gebouw wordt ook het buitenterrein opnieuw ingericht. Het schoolplein wordt ontwikkeld tot een groene, natuurlijke en beweegvriendelijke omgeving, waarin ruimte is voor spelen, bewegen en ontmoeten. Hierbij wordt aangesloten op hedendaagse inzichten op het gebied van buitenruimte en de ontwikkeling van kinderen. De herinrichting vindt plaats op de huidige locatie van het schoolplein, waardoor de bestaande ruimtelijke structuur behouden blijft.
In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Gezien de aanwezigheid van kwetsbare gebruikers, zoals kinderen, is hier in de planvorming nadrukkelijk rekening mee gehouden. Ter bescherming van de gezondheid en het leefklimaat is een zone van 50 meter rondom het schoolgebouw betrokken bij de planvorming. Binnen deze zone wordt een spuitvrije regeling gehanteerd, waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgesloten. Hiermee wordt een aanvaardbaar en veilig gebruiksklimaat gegarandeerd en wordt voorkomen dat omliggende agrarische activiteiten een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het Kindcentrum.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en water robuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
2. Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
3. Sterke en gezonde steden en regio's
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt:
Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;
Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Hoewel de NOVI zich niet specifiek uitlaat over dergelijke kleinschalige initiatieven, betreft het hier een initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij geen sprake is van belemmeringen met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's): het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor het omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). De instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de Europese dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).
Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In enkele bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders.
Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden:
Betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte;
Rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan;
In acht nemen of een vergelijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden.
Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van:
het type instructieregel (zie hierboven);
de aard van de norm (open of gesloten); en
flexibiliteitsopties die binnen de instructieregel worden geboden.
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:
het moet de fysieke leefomgeving betreffen;
als het al uitputtend geregeld is in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt;
de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe.
Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, in het mogelijk dat er maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan. Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.
De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.
Toetsing
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): Bij wijzigingen in gebruik dient er rekening te worden gehouden met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): Naast de ontwikkeling is er ook deels sprake van de activiteit bouwen / aanleggen. Dit dient te worden getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): Omdat er functies worden toegevoegd die (mogelijk) invloed hebben op de leefomgeving, omliggende woningen en functies dient er ook getoetst te worden aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In hoofdstuk 5, van onderhavige onderbouwing wordt aan de hand van de aspecten van de fysieke leefomgeving aangetoond dat er wordt voldaan aan de sectorale aspecten die voortvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 5 Fysieke leefomgeving en milieu bij het betreffende aspect behandeld. Uit deze toets blijkt dat de ontwikkeling past binnen de kaders uit deze AMvB's.
De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De toelichting bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Artikel 5.129 g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129 g Bkl is geen ondergrens vastgelegd. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2 (per functie).
Conclusie
Het voorliggende initiatief betreft de gedeeltelijke sloop van een bestaand scholenpand en de realisatie van vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie. Het bestaande gebouw heeft een oppervlakte van circa 980 m². Daarnaast zijn tijdelijke leslokalen aanwezig met een gezamenlijke oppervlakte van circa 150 m², waarmee de totale bestaande voorziening uitkomt op circa 1.130 m². In de nieuwe situatie wordt een scholenpand gerealiseerd met een oppervlakte van circa 1.395 m². Dit betekent een toename van het bebouwd oppervlak met circa 265 m² ten opzichte van de huidige situatie.
Aangezien deze uitbreiding ruim onder de ondergrens van 500 m² nieuw ruimtebeslag blijft, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Een nadere toetsing aan de Ladder is derhalve niet noodzakelijk.
Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014).
In de Omgevingsvisie wordt de lange termijnvisie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen.
In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;
In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid.
In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s.
2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie;
Tot 2020 groeide het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk was aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT werd een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan.
3. Klimaatadaptieve en energietransitie;
Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:
Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;
Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
Conform de Provinciale Omgevingsvisie richt de Provincie Limburg zich op het behouden van een breed, toekomstbestendig en kwalitatief goed onderwijs en het daarbij versterken van de wendbaarheid en inzetbaarheid van de Limburgse beroepsbevolking. Op het gebied van onderwijs is in de omgevingsvisie een op hoofdlijnen richting gevend kader. De daadwerkelijke invulling wordt overgelaten aan de regio’s en/of gemeenten.
Onderhavige ontwikkeling is dan ook passend binnen deze visie daar ingezet wordt op het versterken en vernieuwen van de onderwijslocatie. Het initiatief wordt hierna getoetst aan het regionaal c.q. gemeentelijk beleid. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsvisie.
De Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg is een actualisatie van de POVI uit oktober 2021. De hoofdlijnen van de vorige visie gelden nog steeds, maar actualisatie is nodig. Net als het Rijk zien de provincie Limburg dat de grote landelijke opgaven vragen om meer regie in het ruimtelijk domein. Het provinciale onderzoeksrapport ‘Ruimte met regie’ benadrukt dat de druk op de beschikbare ruimte en de kwaliteit van de leefomgeving vraagt om heldere keuzes. De provincie speelt daarin een essentiële rol door meer sturing te geven aan (complexe) ruimtelijke vraagstukken op regionale schaal. Deze vraagstukken overstijgen vaak gemeentegrenzen en liggen te ver van het Rijk om op dat niveau effectief te worden opgepakt. Deze grote vraagstukken worden daarom als provinciaal belang benoemd.
In de Omgevingsvisie staan de ambities, doelen en kaders voor de lange termijn (2025-2050) van de Provincie Limburg. Het document biedt een integrale leidraad voor de inrichting, het beheer en het gebruik van de schaarse ruimte in de provincie Limburg. Daarbij kijkt de Omgevingsvisie naar de leefomgeving in de brede zin. Dus niet alleen naar traditionele ruimtelijke onderwerpen, maar ook naar thema's zoals gezondheid, leefbaarheid, milieu en veiligheid. Op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Omgevingswet moet elke provincie een Omgevingsvisie hebben.
Limburg staat in het fysieke domein voor een aantal grote en complexe opgaven. Deze opgaven komen deels door schaarste: aan ruimte, milieuruimte, ruimte op het energienet en water. Daarnaast spelen trends en ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, technologische innovaties, individualisering, globalisering en geopolitiek een rol. Tegelijkertijd zijn erop mondiaal, Europees, landelijk en provinciaal niveau ambities om met de gevolgen van deze ontwikkelingen om te gaan. Bijvoorbeeld grote ambities voor natuurherstel, klimaatmitigatie, energie, landbouw, mobiliteit, digitalisering, circulaire economie en veiligheid.
De grote en complexe opgaven vragen om keuzes zodat Limburg een mooie en gezonde plek blijft om te leven – ook voor toekomstige generaties. Deze Provinciale Omgevingsvisie (POVI) richt zich op alle aspecten van de fysieke leefomgeving die daaraan kunnen bijdragen. Hierin zijn vier overkoepelende ambities geformuleerd voor de toekomst van Limburg:
1. Sterke steden en dorpen en een goed vestigingsklimaat
2. Balans tussen functies in het landelijk gebied
3. Toekomstbestendige mobiliteits- en energiesystemen
4. Een vitale bodem en een robuust watersysteem
Deze ambities sluiten zoveel mogelijk aan bij de lagenbenadering in de ruimtelijke ordening. De drie lagen in deze benadering zijn:
De occupatielaag – het gebruik van grond voor stedelijke functies en functies in het landelijk gebied
De netwerklaag – de infrastructuur voor mobiliteit en energie
De ondergrond – het minder dynamische fundament van de ondergrond, geomorfologie en het watersysteem
Limburgse principes
De Limburgse principes gaan vooral over hoe de opgaven en de ambities richting 2050 vertaald worden naar concrete beleidskeuzes – in deze POVI of in toekomstige provinciale programma's. De Limburgse principes vormen ook een richtinggevend kompas voor beoordeling van nieuwe plannen en projecten, wanneer POVI, programma's of Omgevingsverordening ruimte laten voor een maatwerkafweging. De principes sluiten aan bij de afwegingsprincipes uit nationaal omgevingsbeleid en bij de Duurzame Ontwikkelingsdoelen die de Verenigde Naties in 2015 (als Sustainable Development Goals (SDG’s)) hebben vastgesteld:
Principe 1: Recht doen aan een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, dier en plant
Principe 2: Recht doen aan de kenmerken en identiteit van gebieden
Principe 3: Zorgvuldig omgaan met onze schaarse ruimte en voorraden (boven- en ondergronds)
Principe 4: Versterken bebouwd én landelijk gebied
Algemene zonering
Opgaven, doelen en aanpakken veranderen in de loop van de tijd of krijgen andere accenten. Daarom moet de algemene zonering in de loop van de tijd aangepast worden. De nieuwe POVI kent een indeling in zeven zones, verdeeld over landelijke en bebouwde gebieden. Voor het landelijke gebied zijn verwevingsgebieden toegevoegd. Verwevingsgebieden zijn die delen van het landelijk gebied, vaak landbouwgebied, die nabij het bebouwd gebied liggen en als het ware een overgangszone vormen tussen het landelijk en het bebouwd gebied. De verwevingsgebieden zijn gebieden waar ook de nodige gemeentelijke belangen spelen. Niet alleen de genoemde milieu- en gezondheidsaspecten, maar ook uitloop van stedelijke functies en stad-landzones. De plekken waar ook ‘straatjes erbij’ ruimte vinden. En waar uitbreiding of nieuwe Bebouwd gebied deels een plek kunnen krijgen (conform planningsopgave, uitgaande van optimale benutting van de mogelijkheden in bestaand bebouwd gebied). De begrenzing van het Verwevingsgebied in deze ontwerp-POVI is nog indicatief en zal in overleg met de gemeenten in de definitieve POVI geoptimaliseerd worden.
De opgaven in de woon- en leefomgeving spelen overal. In stadscentra, stedelijke wijken en dorpen hebben de opgaven wel verschillende accenten. Behoud van de leefbaarheid speelt zowel in Landelijke kernen als in het Stedelijk gebied. Voorzieningen staan er onder druk, terwijl die juist hier vaak een belangrijke sociale functie hebben. Ook de sterke vergrijzing speelt een rol. Ouderen zijn vaker afhankelijk van het openbaar vervoer, dat in veel dorpen minder vaak komt. In stedelijke wijken zien we juist armoede en sociaaleconomische problemen die zich op bepaalde plekken concentreren. In steden worden de uitdagingen door klimaatverandering steeds groter. Denk aan hittestress en wateroverlast, vooral op plekken met weinig stedelijk groen.
Conclusie
In de (ontwerp) Provinciale Omgevingsvisie Limburg zijn geen specifieke regels of voorwaarden opgenomen voor onderwijsvoorzieningen zoals basisscholen en kinderopvang. Wel zet de provincie nadrukkelijk in op het behoud en de versterking van de leefbaarheid in steden, dorpen en kernen. Een adequaat en toekomstbestendig voorzieningenniveau, waaronder onderwijs en opvang, vormt hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het in stand houden van voorzieningen zoals een basisschool en kinderopvang wordt door de provincie gezien als essentieel voor een leefbare woonomgeving. Het wegvallen van dergelijke functies kan negatieve gevolgen hebben voor de vitaliteit en aantrekkelijkheid van een kern.
Met het voorliggende initiatief wordt het bestaande schoolgebouw vernieuwd en toekomstbestendig gemaakt, waarmee de onderwijs- en opvangfunctie op deze locatie behouden blijft. Hiermee wordt invulling gegeven aan het provinciale streven om voorzieningen duurzaam te behouden en te versterken. Het initiatief levert daarmee een positieve bijdrage aan het behoud van de leefbaarheid in de kern.
In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat:
Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap;
Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen.
Voor wat betreft onderwijs zijn geen specifieke voorwaarden c.q. regels opgenomen in de Omgevingsverordening 2021. De daadwerkelijke invulling wordt overgelaten aan regio’s en/ of gemeenten. Het initiatief wordt hierna getoetst aan het regionaal c.q. het gemeentelijk beleid. De voorgenomen herontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsverordening.
De gemeente Peel en Maas heeft op 5 juli 2022 de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de gehele gemeente. De visie gaat over de woon- en leefomgeving en de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven. De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. De komende jaren werkt de gemeente verder waar dat nodig is en evalueert of aanpassing nodig of wenselijk is.
De gehele gemeente is opgedeeld in deelgebieden met ieder hun eigen waarden en kenmerken. Aanvullend aan deze waarden hanteert de gemeente een aantal overkoepelende waarden die niet gebiedsafhankelijk zijn. Dit zijn de waarden die de basis vormen; zelfsturing, diversiteit en duurzaamheid.
Conform de waardenkaart is onderhavige locatie gelegen in ‘kernen’. Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere:
We gaan uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In- en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. Initiatieven moeten bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp.
Bij ontwikkelingen in de dorpen kijken we niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar ook naar de gevolgen van die ontwikkeling voor het sociale netwerk in het dorp. Welke invloed heeft de fysieke ontwikkeling op sociaal gebied voor het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin en een gezonde en veilige leefomgeving in het dorp.
We geven prioriteit aan inbreidings- en herontwikkelingsmogelijkheden binnen het dorp, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp.
We geven voorkeur aan bedrijven die een sterke binding en betrokkenheid hebben met de samenleving en die oog hebben voor de leefomgeving. Dit zijn de ondernemers die vanuit hun betrokkenheid bijdragen aan een gemeente waar het fijn wonen, werken en recreëren is.
In de Omgevingsvisie wordt geen nieuwe koers vastgelegd. De reeds ingezette koers uit de kaderstellingen en de beleidsdocumenten wordt samen in één document gevoegd. Dit alles is samengebracht in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn:
1. Zo worden we duurzamer; Het realiseren van een duurzame toekomstig bestendige gemeente, duurzaamheid wordt opgesplitst in de deelonderwerpen: klimaatadaptie, energietransitie en circulariteit. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling en bij nieuwe initiatieven dient gekeken te worden naar de mogelijke adaptieve maatregelen op het gebied van onder andere hittestress of wateroverlast. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het (lokaal) opwekken van duurzame energie en het inzetten op circulariteit.
2. Een gezonde en veilige leefomgeving; De gemeente zet in op gezondheid en veiligheid als belangrijke afwegingsfactoren bij ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om aspecten zoals luchtkwaliteit, hittestress, gezondheid maar ook het stimuleren van de bewoners tot meer bewegen en ontmoeten.
3. Het versterken van natuur en biodiversiteit; Een groene en gezonde leefomgeving draagt bij aan een positieve gezondheid en het goede leven. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen gerealiseerd te worden met een meerwaarde voor de natuur en de biodiversiteit, waarbij natuurinclusief bouwen de norm is.
4. Goed wonen voor iedereen; De gemeente zet in op het in balans brengen van de vraag en het aanbod van woningen ten behoeve van vitale gemeenschappen. De juiste woning op de juiste plek en met de juiste kwaliteit. De gemeente blijft in gesprek met het dorpsoverleg, initiatiefnemers en ontwikkelaars over het thema wonen. Het doel is een leefomgeving te creëren die rekening houdt met het veranderde klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners. Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende woonruimte voor diverse doelgroepen.
5. Toekomstgericht ondernemen; Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij het goede leven in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid.
6. Balans in het buitengebied; Een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas. De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie. Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q. herbestemming van leegstaand/leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van kwaliteitswinst in de vorm van een bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt.
De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren c.q. vernieuwen van een schoolgebouw waarin alle voorzieningen samen komen. Voor wat betreft onderwijs zijn er in de Omgevingsvisie Peel en Maas geen specifieke uitgangspunten of beleidsdoelen opgenomen. Wel wordt er aangegeven dat bij ontwikkelingen binnen de kernen niet alleen gekeken dient te worden naar nieuwe functies maar ook naar de gevolgen van de ontwikkeling op het sociale netwerk van het dorp. Dit voorziet indirect in het versterken van het sociale netwerk. Ondanks dat er geen specifieke uitgangspunten zijn gesteld ten behoeve van onderwijs is het aannemelijk dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de Omgevingsvisie Peel en Maas. Daar het initiatief inzet op het versterken en verbeteren van onderwijs binnen de kern en het faciliteren van een passende en geschikte onderwijsvoorzieningen. Tevens voorziet het plan ook in het toevoegen van groen waarmee de kwaliteit van de woon- en leefomgeving wordt verbeterd.
De gemeenteraad van Peel en Maas heeft in de raadsvergadering van 17 april 2024 de zogenoemde kaderstellingen Ruimte, Sociaal Domein, Vitale Gemeenschappen en Economie vastgesteld. Met deze kaderstellingen bepaalt de gemeenteraad de koers die Peel en Maas de komende jaren wil varen op deze thema’s. Deze kaderstelling kijkt 10 jaar vooruit en geldt daarmee voor de periode 2024 – 2034.
Binnen de gemeente Peel en Maas, werken inwoners, ondernemers en organisaties samen, als gemeenschap, aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomstig kan worden beleefd, door iedereen. Een gemeente is pas effectief wanneer zij op een respectvolle manier om weten te gaan met al het waardevolle dat inwoners, ondernemers en organisaties met elkaar samen doen. Dat vraagt om een overheid die zich ervan bewust is wanneer ze wel en wanneer ze niet aan zet is. Een overheid die zich in het denken en doen laat inspireren door drie kernwaarden: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Het concept van de meervoudige overheid, met daarin de rollen van de autoritaire, regel gestuurde en communicatieve overheid helpt ons hierbij. Vanuit deze rolopvatting heeft de gemeente Peel en Maas beleid gemaakt.
Om te komen tot de kaderstellingen heeft de gemeente de volgende stappen gezet:
1. Een zogenaamd ‘Omgevingsbeeld’ opgesteld. Dit is een document waarin zo feitelijk mogelijk een aantal trends en ontwikkelingen hebben benoemd die relevant zijn voor deze kaderstelling.
2. Het organiseren van zogenaamde ‘ambitiegesprekken’. Op basis van deze gesprekken en op basis van de gesprekken die gevoerd worden met inwoners, ondernemers en organisaties en allerlei andere bronnen is een gedeelte ambitie gevormd.
3. Het stellen van doelen op programma niveau, die een bijdrage leveren aan de gedeelde ambitie.
Planspecifiek
Onderhavige ontwikkeling sluit aan op o.a. de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’, 2.3 ‘Jeugd en Onderwijs’, 3.2 ‘Onderwijshuisvesting’ en 4.1 ‘Toekomstbestendige economie’. Voor onderhavige ontwikkeling zijn binnen deze thema’s de navolgende programmadoelen relevant:
Waarde en kwaliteiten; De voorgenomen ontwikkeling richt zich op het versterken en verbinden van functies en ruimtelijke kwaliteiten. Daarbij wordt ingezet op de realisatie van een integrale onderwijsvoorziening, waarin meerdere functies – zoals onderwijs en kinderopvang – worden samengebracht. Deze clustering draagt bij aan efficiënt ruimtegebruik, versterkt de onderlinge samenhang en sluit aan bij de behoefte aan eigentijdse, multifunctionele voorzieningen. Tevens wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan duurzaamheid en de relatie met de directe omgeving. Het initiatief omvat daarnaast de renovatie en uitbreiding van het bestaande schoolgebouw. Bij de uitwerking van het plan is zorgvuldig omgegaan met de aanwezige waarden van het gebouw. De uitbreiding wordt gerealiseerd met respect voor de bestaande architectuur en de cultuurhistorische betekenis van het pand, zodat het karakter en de beeldbepalende waarde behouden blijven.
Opvoeden en groeien + Zelfredzaamheid; Met het realiseren van de nieuwe onderwijsvoorziening wordt ruimte geboden aan zowel basisonderwijs als kinderopvang. Een veelzijdige onderwijsvoorziening waar voor ieder kind een passende en juiste begeleiding gevonden kan worden. Dit draagt bij aan de kansen voor kinderen en het stimuleren van elk uniek perspectief op hun eigen tempo.
Fysieke leeromgeving; Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe, passende en toekomstbestendige leeromgeving gerealiseerd ter vervanging van de bestaande, verouderde voorziening. Hiermee wordt voorzien in een kwalitatief goede fysieke onderwijsinfrastructuur, waarin de basisschool en de kinderopvang – net als in de huidige situatie – gezamenlijk zijn gehuisvest.
Divers en toekomstbestendig; De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van een nieuwe passende en toekomstbestendige onderwijsvoorziening.
Gelet op bovenstaande kan concluderend gesteld onderhavige ontwikkeling passend is binnen de kaderstellingen.
Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de invloed op de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geldt voor de beoogde activiteiten en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in paragraaf 5.1.4.5. Hierin wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
Conclusie
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een vooronderzoek bodem uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de locatie als verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.
Op basis van het Bodem - Verkennend onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de vastgestelde bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. De kwaliteit van de bodem is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving.
Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische Zaken een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld, de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet’ (2024) . Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden.
De Lijst van bedrijfsactiviteiten biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes. Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid.
Ook is er de categorie ‘FM’ opgenomen, FM staat voor functiemenging. Functiemenging is mogelijk in gebieden waar naast wonen ook andere functies aanwezig zijn. Dit zijn functies die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor de ligging in een gebied met functiemengingen inclusief wonen.
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Met onderhavig initiatief wordt een bestaand schoolgebouw gerenoveerd, verduurzaamd, geoptimaliseerd en uitgebreid. In de beoogde situatie wordt het pand gebruikt door een basisschool en kinderopvang. Voor een basisschool (Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs; SBI-2008: 852 en 8531) geldt een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid en 10 meter voor het aspect geur. Voor een kinderopvangvoorziening (Kinderopvang; SBI-2008: 8891) geldt eveneens een richtafstand van 30 meter voor geluid en 10 meter voor geur.
Binnen een straal van 30 meter rondom het plangebied bevinden zich meerdere woningen. Het betreft de adressen Kempstraat 21, 23, 25, 27, 28, 33, 35 en 37, Van Acchelstraat 2, 4 en 6, Rector Thomassenstraat 12a en 14, en Jacobusstraat 27, 29 en 31.
In het kader van het initiatief is zodoende een Geluid - Akoestisch onderzoek geluidemissie uitgevoerd. Het doel van het akoestisch onderzoek is het in kaart brengen van de geluidbelasting op de gevels van de omringende geluidgevoelige bebouwing.
Installatiegeluid
Er wordt in de dag-, avond- en nachtperiode voldaan aan de gestelde eisen door toepassing van de geluidschermen zoals vermeld in paragraaf 3.2 van het onderzoek.
Stemgeluid kinderen
Op de gevels van de omliggende geluidgevoelige functies bedraagt de langtijdgemiddelde geluidbelasting maximaal 55 dB(A) ter plaatse van waarneempunt 25. Deze overschrijding is inherent aan de ligging van de woning direct aan het speelterrein. Dit deel van het speelterrein (noordelijke deel, ook wel het parkje genoemd) is in de bestaande situatie reeds een openbare speeltuin van de gemeente. Een geluidscherm van 2 meter hoogte op de grens van het speelterrein direct voor de gevel van de woning (waarneempunt 25) kan ervoor zorgen dat de geluidbelasting tot maximaal 50 dB(A) gereduceerd wordt.
Hoewel niet wordt voldaan aan de eis die geldt voor geluid op de gevel zal, (uitgaande van een standaard geluidwering van de gevel van minimaal 20 dB) een geluidniveau IN de woonfuncties gerealiseerd worden van 35 dB(A) of lager. Hiermee wordt voldaan aan de eis vanuit het omgevingsplan gemeente Peel en Maas en kan een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden.
Maximaal stemgeluid
Op de gevels van de omliggende geluidgevoelige functies bedraagt de maximale geluidbelasting maximaal 75 dB(A) ter plaatse van waarneempunten 15 & 30. Uitgaande van een geluidwering van minimaal 20 dB(A) zal een geluidniveau binnen gerealiseerd worden van 54 dB(A) of lager. Hiermee wordt voldaan aan de eis vanuit het omgevingsplan gemeente Peel en Maas en kan een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden.
De woning (waarneempunt 25) heeft een geluidbelasting van 88 dB(A) op de gevel. Deze geluidbelasting is ten gevolge van een kind dat direct voor de gevel staat te schreeuwen. Dit gedeelte van de speelplaats is (ook reeds in de bestaande situatie) openbaar speelterrein van de gemeente. Ook buiten schooltijden kan deze situatie zich dus voordoen.
Om deze geluidbelasting te verlagen tot maximaal 70 dB(A) zou een geluidscherm van 2 meter hoogte benodigd zijn op de rand van de speelplaats direct naast de woning.
Verkeersaantrekkende werking
De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking is 41 dB(A). Hiermee wordt voldaan conform de in het Omgevingsplan gestelde eis van maximaal 50 dB(A).
Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak tot een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet). Het bevoegd gezag beoordeelt in het omgevingsplan het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw. Instructieregels die deze algemene taak invullen, staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toelaten kan ook een aanpassing zijn van bestaande regels in het omgevingsplan, zoals het wijzigen van het beschermingsniveau of de functie van een gebouw. De waarden en eisen gelden op een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegestaan.
De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan.
De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan.
Geluid door activiteiten
Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen.
Vanwege de herontwikkeling van de school is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.2 wordt hier nader op ingegaan.
Geluid door spoor, spoorweg of industrieterrein
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied van o.a. een weg of spoorweg is gelegen.
Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art. 17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden.
|
Beschrijving |
Aandachtsgebied |
|
Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u |
100 meter |
|
Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of; Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen |
200 meter |
|
Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of; Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen |
350 meter |
Conclusie
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Geluid - Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de hoogste geluidbelasting 48 Lden bedraagt ter plaatse van de noordwestgevel. De standaardwaarde van 53 Lden wordt nergens overschreden. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering in het kader van de ontwikkeling.
Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
Achtergrondwaarden
De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
|
Stof |
Toetsing van |
Grenswaarde |
|
Stikstofdioxide (NO2) |
Jaargemiddelde concentratie |
40 μg/m³ |
|
Fijn stof (PM10) |
Jaargemiddelde concentratie |
40 μg/m³ |
|
Fijn stof (PM2,5) |
Jaargemiddelde concentratie |
4025 μg/m³ |
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,4 μg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 14,3 μg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 9,8 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.
Het Besluit NIBM
Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof. Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Onderhavig initiatief voorziet in het herontwikkelen van een schoolgebouw zodat deze toekomstbestendig is. Uit paragraaf 5.12 blijkt dat er in de beoogde situatie sprake is van een verkeerstoename van 118,7 voertuigbewegingen. Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt. Onderhavige ontwikkeling draagt zodoende NIBM bij aan de luchtkwaliteit.
Conclusie
Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd.
Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.
Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies.
De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting.
Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing:
de gemeentelijke geurverordening;
of, op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer;
en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat.
Deze regels maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
Veehouderijen
Conform artikel 5.109 Bkl geldt dat geur op een geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied, niet meer mag bedragen dan 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouderij 3,0 Ou/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste van 50 meter (gevel stal) en 100 meter (emissiepunt stal).
Conclusie
Een basisschool en kinderopvang zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Dat betekent dat ter plaatse van het schoolgebouw sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarbij geurhinder wordt voorkomen. Daarnaast mag de aanwezigheid van een dergelijk gevoelig object geen belemmeringen opleveren voor de milieuruimte van omliggende (agrarische) bedrijven.
In de nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen die van invloed zijn op de geursituatie ter plaatse. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich op een afstand van circa 400 meter en betreft een paardenhouderij. Gelet op deze afstand en de aard van het bedrijf is geen sprake van relevante geurhinder ter plaatse van het plangebied. Daarnaast voorziet het initiatief niet in de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten, aangezien de bestaande school- en opvangfunctie wordt voortgezet en slechts wordt vernieuwd en uitgebreid. Omgekeerd leidt het gebruik van de school en kinderopvang niet tot geuruitstoot die van invloed is op de omgeving.
Geconcludeerd wordt dat zowel vanuit het aspect van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als vanuit de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, het aspect geur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan.
In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven;
Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen;
Windturbines.
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Plaatsgebonden risico (PR)
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico onder het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is de kans dat een groep van tien of meer personen tegelijk overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Bij het groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Inventarisatie risicobronnen
Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten.
Conclusie
Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.
Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 100 meter van een spoorweg.
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig.
Conclusie
Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen.
Waterbeleid
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.
Vanuit de gemeente Peel en Maas en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten:
1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is;
2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft;
3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden;
4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden;
5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan.
Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie)
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat:
Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie tot 4,0 m-mv hoofdzakelijk bestaat uit zwak tot sterk siltig, zeer tot matig fijn zand met in de bovenste meter een zwak humeuze bijmenging.
De actuele grondwaterstand (26 maart 2025) in peilbuis PB1 bedraagt 1,75 m-mv. Uitgaande van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) betreft dit een grondwaterstand van ongeveer 30,7 m+NAP. Uitgaande van de gemeten grondwaterstand en gegevens afkomstig van DINOloket en bodemdata.nl bevinden de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zich op respectievelijk 30,8 en 29,5 m+NAP (ongeveer 1,6 en 2,9 m-mv).
De doorlatendheid van de bodem in de onverzadigde zone ter plaatse van de onderzoekslocatie varieert van 0,2 tot 6,3 m/d. De gemiddelde doorlatendheid bedraagt 2,1 m/d waarbij opgemerkt dient te worden dat ter plekke van de boringen 4 en 5 welke zijn verricht op het noordoostelijke deel van de onderzoekslocatie relatief hoge doorlatendheden zijn gemeten.
Op basis van het oriënterend doorlatendheidsonderzoek is de bodem op het noordoostelijke deel van de onderzoekslocatie kan als (zeer) goed doorlatend worden geclassificeerd en de doorlatendheid van de bodem op het overige deel van de onderzoekslocatie kan als matig tot redelijk worden geclassificeerd.
Gelet op de geschatte gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en de matig tot zeer goede doorlatendheid van de bodem is infiltratie van (hemel)water mogelijk. Hierbij kan opgemerkt worden dat het noordoostelijke deel van de onderzoekslocatie, in verband met de (zeer) goede doorlatendheid, het meest geschikt is voor de aanleg van een infiltratievoorziening.
Grondwaterbescherming
Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021.
Oppervlaktewater
Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.
Afvalwater
De huidige bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem.
Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie)
De gemeente Peel en Maas streeft naar het afkoppelen van hemelwater. Het hemelwater afkomstig van het schoolgebouw dient zodoende op eigen terrein te worden opgevangen.
Het nieuwe schoolgebouw heeft een oppervlakte van circa 1.371 m². Daarnaast wordt circa 1.255 m² aan verhard oppervlak gerealiseerd ten behoeve van onder meer het schoolplein en de ontsluiting. De totale oppervlakte aan verhard oppervlak bedraagt daarmee circa 2.626 m². Uitgaande van een extreme neerslagsituatie met een herhalingstijd van T=100, resulteert dit in een benodigde berging van circa 26,26 m³ hemelwater. Het hemelwater dat op het dak en de verhardingen valt, wordt volledig op eigen terrein opgevangen en krijgt daar de mogelijkheid om te infiltreren in de bodem.
In de bouwtechnische uitwerking is de hemelwaterafvoer en -berging nader uitgewerkt. Hiermee wordt geborgd dat het hemelwater niet versneld wordt afgevoerd naar het riool, maar duurzaam wordt verwerkt op eigen terrein. Hiermee wordt invulling gegeven aan de uitgangspunten van klimaatadaptief en waterrobuust bouwen.
Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd.
Conclusie
Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd.
Flora en fauna
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Natuur - Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat:
Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf
In de daken van de school broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat de school wordt verbouwd, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023) te worden onderzocht. Hierbij wordt uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei.
Indien blijkt dat er huismusnesten aanwezig zijn, dient er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gewerkt (zodat er geen huismussen worden gedood) en dat er voor elk nest dat zijn functie niet meer kan vervullen twee nieuwe nestlocaties worden gecreëerd (BIJ12, 2023).
Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf
De school bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het verbouwen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig:
3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee avonden en tussen één avond en de ochtend);
2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).
Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gewerkt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er voor elk verblijf dat zijn functie niet meer kan vervullen vier nieuwe verblijfslocaties worden gecreëerd (BIJ12, 2024).
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (deze zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2025). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan is Natuur - Vervolgonderzoek vogels en vleermuizen uitgevoerd. Op basis van het nader onderzoek kan concluderend gesteld worden dat er in het plangebied zich geen huismusnesten of vleermuisverblijven bevinden. Er hoeft dus geen omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd.
Natura2000
Sommige projecten hebben mogelijk significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Voor die projecten moet eerst een passende beoordeling plaatsvinden (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In artikel 8.76b zijn de beoordelingsregels omtrent Natura2000-activiteiten opgenomen.
In de regels is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Natura2000-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden. Een mogelijk negatief effect komt voort door verzuring en/of vermesting, van het initiatief, op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOX of NH3 ), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied.
Stikstofdepositie kan plaatsvinden, afhankelijk van het beoogde project, gedurende de (ver)bouw-/aanlegfase, sloopfase en gebruiksfase. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Leudal, ligt op circa 6,5 km van het plangebied. Over een afstand van 6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.
In het kader van onderhavige ontwikkeling zijn Natuur - Stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Op basis van de AERIUS-berekening wordt geconcludeerd dat in de bouwfase en gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van een toename van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr.
Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van dit project. De beoogde werkzaamheden zijn geen Natura 2000-activiteiten en er geldt derhalve geen vergunningsplicht voor de Omgevingsvergunning – Natura 2000-activiteit.
De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving.
Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen.
Archeologie
De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven.
Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.
Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Dit betekent dat bij een bodemingreep waarbij de bodem dieper dan 40 cm wordt geroerd van tevoren onderzocht dient te worden op archeologische waarden indien het te verstoren oppervlakte meer dan 2.500 m² bedraagt.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling voorziet in het vernieuwen c.q. uitbreiding van het bestaande schoolgebouw. De gestelde grenzen worden met de beoogde ontwikkeling niet overschreden. Derhalve is het niet noodzakelijk een archeologisch onderzoek uit te voeren.
Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
Cultuurhistorie
De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over:
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
Verplaatsing van beschermde monumenten;
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
Aantasting van de omgeving van een beschermd document;
Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
De provincie Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten.
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart zijn in en nabij het plangebied geen waardevolle objecten gelegen. De school zelf is op basis van deze kaart niet aangemerkt als waardevol object.
Het huidige schoolpand is door de gemeente echter wel aangewezen als beeldbepalend dorpsgezicht. De beeldbepalende dorpsgezichten hebben ieder een eigen karakteristiek. Daarom is toetsing van nieuwe bouwplannen binnen deze zones altijd een kwestie van maatwerk.
Voor het bestaande schoolpand is zodoende een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Uit het beeldkwaliteitsplan blijkt dat de bebouwing dateert van 1955 en is ontworpen door architect; P. van de Hombergh.
Het betreft een bakstenen schoolgebouw van het gangtype bestaande uit één bouwlaag onder een zadeldak in de lengterichting. Een gangtype is een gebouwindeling waarbij de lokalen zijn ontsloten via een centrale gang (corridor). De risalerende entreepartij is uitgevoerd in twee bouwlagen en wordt afgedekt met een tentdak. De voorgevel heeft een asymmetrische opzet, met een korte vleugel aan de linkerzijde van de entree en een langere vleugel aan de rechterzijde.
De eerste school van Egchel was gevestigd in een houten mijnwerkersbarak, gebouwd in 1948. De school startte destijds met 92 kinderen. In 1952 werd een tweede barak bijgezet waar een kleuterschool, gemeenschapshuis en bibliotheek waren gevestigd. In 1954 werd door de gemeente besloten mee te werken aan de bouw van een nieuwe school. De architect was P. van den Hombergh en de aannemers waren J. Jacobs en F. Janssen. Bij de ‘meiplanting’ die gehouden werd in oktober 1955 werd het personeel getrakteerd op 4 consumpties en een pakje sigaretten in café Reijnen in de Egchelhoek.
Eind 1955 werd de school in gebruik genomen en april 1956 werd de school ingezegend. In 1960 werd er een kleuterschool tegen de school aangebouwd en in 1962 volgde de realisatie van een schoolplein. Eind 1965 telde de school ruim 170 leerlingen. Na 40 jaar werd de school opgeknapt en werd een lokaal en kantoor aangebouwd.
Het object is cultuurhistorisch waardevol vanwege zijn historische-ruimtelijke samenhang, architectuurhistorische, en/of architectonische waarden en/of (cultuur)historische waarden en meer in het bijzonder omdat:
Cultuurhistorie
Vormgeving en architectonische waarde
Traditionele vormgeving met invloeden uit de wederopbouw
Onderdeel van het oeuvre van lokale architect van den Hombergh
Situationele of ensemble waarde
Bescherming: Beschermenswaardig is enkel de hoofdbouwmassa met haar aanzicht.
Conclusie
Middels onderhavige ontwikkeling wordt de school vernieuwd c.q. uitgebreid. De beschermenswaardige delen worden hierbij behouden c.q. waar mogelijk versterkt. Er worden geen cultuurhistorische waarde aangetast of vernietigd. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering in het kader onderhavige ontwikkeling.
Het realiseren of toevoegen van functies zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Verkeer
Het is aannemelijk dat een groot deel van het verkeer vanuit de wijk, alsook de omliggende wijken komt. Auto’s, maar ook fiets en voetverkeer kan zich vanuit het plangebied in alle richtingen verspreiden de woonwijken in. Gesteld kan worden dat de locatie op een goede manier naar alle richtingen wordt ontsloten. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 744. Er is uitgegaan van het gebiedstype schil centrum in matig gebied. De huidige situatie is daarbij afgezet tegenover de beoogde situatie
* Voor basisonderwijs zijn geen kengetallen in de CROW-publicatie opgenomen, aangezien deze aantallen afhankelijk zijn van de locatie en grootte van de school en de hoeveelheid kinderen die van en naar school gebracht worden. Gelet op de ligging van de school in de woonwijk is het aannemelijk dat het merendeel van de leerlingen van het basisonderwijs lopend of met de fiets naar school komen. Voor het basisonderwijs is derhalve gerekend met een percentage van 20% van de leerlingen welke met de auto van en naar school gebracht worden (x 2 aankomend en vertrekkend).
Op basis van de hierboven beschreven ontwikkeling genereren de basisschool en kinderopvang in de toekomstige situatie gezamenlijk circa 205,5 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betekent een toename van circa 118,7 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Deze berekende toename vormt echter een theoretische benadering. In de praktijk zal de feitelijke verkeersgeneratie naar verwachting lager uitvallen. Een aanzienlijk deel van de leerlingen is namelijk woonachtig in de directe omgeving van de school en zal de locatie te voet of per fiets bereiken. Hiermee wordt het aandeel gemotoriseerd verkeer beperkt.
Daarnaast wordt opgemerkt dat het verkeersbeeld rondom een school en kinderopvang sterk piekgebonden is, met name tijdens de breng- en haalmomenten. Buiten deze piekmomenten is de verkeersintensiteit beperkt. Gelet op het profiel, de capaciteit en de functie van de omliggende wegen kan de toename van het verkeer op een veilige en aanvaardbare wijze worden afgewikkeld. Er worden geen knelpunten verwacht in de verkeersdoorstroming of verkeersveiligheid als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Parkeren
Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Peel en Maas. Hierbij is gekeken naar gebiedstype: centrum.
Aan de voorzijde van de school worden 11 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zijn uitsluitend bestemd voor ouders. Het personeel parkeert de auto bij de Heilige Jacobus de Meerdere kerk en loopt vanaf daar naar het schoolgebouw. Op deze manier wordt voorzien in de totale parkeerbehoefte.
Aangezien een groot deel van de basisschoolleerlingen de school met de fiets zal bereiken, wordt op het speelplein een fietsenstalling geplaatst. Dit zorgt ervoor dat leerlingen hun fiets op een veilige manier kunnen stallen. Binnen de fietsenstalling wordt tevens een apart gedeelte ingericht voor het personeel, zodat zij hun fietsen gescheiden kunnen plaatsen.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd.
Endotoxinen
Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen.
In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen.
Uit onderzoeken is gebleken dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen.
In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen op een ruime afstand, de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij is zelfs gelegen op minimaal 500 meter afstand. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de veehouderijen voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid.
Geitenhouderij
Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet.
Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Spuitzones
De gemeente Peel en Maas heeft op 11 mei 2026 de Beleidsregel Handelingskader Spuitzonering opgesteld. Dit handelingskader heeft als doel om duidelijkheid en transparantie te bieden aan initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling waarvoor een planologisch besluit (BOPA of wijziging Omgevingsplan) genomen moet worden. Voor een dergelijk planologisch besluit dient ETFAL gemotiveerd te worden, wat toeziet op een integrale belangenafweging om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te bewerkstelligen. Hierbij zoeken we de balans tussen de huidige gebruiksmogelijkheden van gronden en de toelating van nieuwe en/ of veranderende functies in het buitengebied. Het doel is om in Peel en Maas ruimte te houden voor een divers en dynamisch buitengebied waar toekomst is en blijft voor de agrarische sector in balans met mensen die daar wonen, werken en recreëren.
Deze beleidsregel biedt een afwegingskader bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven waarbij ETFAL gemotiveerd dient te worden. Bestaande situaties en/ of ontwikkelingen die binnen de regels van het Omgevingsplan (van rechtswege) zijn toegestaan vallen buiten de reikwijdte van dit handelingskader. Ook de toelating, het gebruik en de regulering van gewasbeschermingsmiddelen en/ of teelten valt buiten de scope van dit handelingskader.
De gemeente zet met name in op het waarborgen van een 50 meter zone tussen agrarische percelen en gevoelige objecten. Dit door middel van het opnemen van een spuitvrije zone binnen of buiten het plangebied. Wanneer een spuitvrije zone van 50 meter niet mogelijk is, dient het college een (belangen-) afweging te maken, gebaseerd op de locatie en het planvoornemen.
Wanneer de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden niet onevenredig of additioneel belemmerd worden is de gemeente in een aantal specifieke gevallen bereid om een positieve grondhouding aan te nemen ten aanzien van maatwerk. Er zijn ook situaties waarbij naar de gemeente hun oordeel de zorgplicht en de motiveringsplicht zwaarder wegen dan het evenredigheidsbeginsel en de eigen verantwoordelijkheid die iemand kan dragen. Hiervoor hanteert de gemeente een nee- tenzij principe.
In de directe omgeving van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Gezien de aanwezigheid van kwetsbare gebruikers, zoals kinderen, is hier in de planvorming nadrukkelijk rekening mee gehouden. In dit geval is er namelijk sprake van een groot maatschappelijk belang doordat de school en kinderopvang bijdraagt aan de leefbaarheid van Egchel. Ter bescherming van de gezondheid en het leefklimaat is een zone van 50 meter rondom het schoolgebouw betrokken bij de planvorming. Binnen deze zone wordt een spuitvrije regeling gehanteerd, waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgesloten. Hiermee wordt een aanvaardbaar en veilig gebruiksklimaat gegarandeerd en wordt voorkomen dat omliggende agrarische activiteiten een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het Kindcentrum.
Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit").
Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Ob maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob.
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”.
Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Voor de gemeente Peel & Maas is dit uitgewerkt in de Verordening nadeelcompensatie Peel & Maas 2024.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal tussen de initiatiefnemer en de gemeente een anterieure overeenkomst worden gesloten. In deze overeenkomst worden onder meer afspraken vastgelegd over het kostenverhaal en eventuele nadeelcompensatie. Hiermee wordt geborgd dat eventuele financiële gevolgen van het plan op een adequate wijze worden geregeld.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk ‘Omgevingsplan van rechtswege’ oftewel het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het omgevingsplan bestaat verder uit de Bruidsschat en een aantal gemeentelijke verordeningen. De Bruisschat betreft een aantal regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn geland in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten.
Het omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeente gewijzigd worden. De voorliggende wijziging beperkt zicht tot een locatiegericht deel van het omgevingsplan.
Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt gewijzigd. De voorliggende motivering betreft het eerste deel.
Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, gewijzigd, verwijderd of vervangen door andere regels. Verder wordt, als onderdeel van de regels, door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gaan gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd.
Het derde deel van het vaststellingsbesluit bestaat uit aanpassingen die worden aangebracht in de geconsolideerde toelichting die bij het omgevingsplan wordt gegeven.
De planregels van het omgevingsplan worden met dit planvoornemen gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
De locatie behoudt de functie ‘Maatschappelijk’. Het bestaande bouwvlak is echter aangepast en nauwkeurig afgestemd op de beoogde bebouwing. Daarbij is het bouwvlak strak om de nieuwe bebouwing geprojecteerd. Daarnaast zijn de maximale goot- en bouwhoogten verhoogd tot respectievelijk 8 meter en 10 meter. Voor de agrarische percelen binnen het plangebied is de locatie ‘Spuitvrije zone‘ opgenomen.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een omgevingsdialoog gevoerd. De dialoog heeft op diverse momenten plaatsgevonden. De eerste bijeenkomst was op 16 september 2025. Bij deze bijeenkomst waren alle omwonenden aanwezig. Ook is er een klankbordgroep opgericht, hier is op 29 september 2025 en op 10 februari 2026 een overleg mee gehouden. Daarnaast is op maandag 27 oktober 2025 en op 25 februari 2026 nog een informatieavond/inloopavond voor omwonenden en geïnteresseerden georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de omwonenden op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen en voortgang. Zij konden hun opmerkingen kenbaar maken bij de initiatiefnemers.
De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit omgevingsplan te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. De van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Onderhavig planvoornemen voorziet in een wijziging van het omgevginsplan.
De procedure is in te delen in 3 procedurestappen:
De gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel een milieueffectrapport op. De gemeente geeft in het digitale gemeenteblad kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 3:12, Awb). In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken. Dit heet participatie (artikelen 16.29, Ow, en 10.2, lid 1, Ob.).
De gemeente geeft kennis van het ontwerpwijziging van het omgevingsplan. De gemeente plaatst het ontwerpbesluit integraal in het digitale gemeenteblad (artikel 10.3c, Ob) en legt de ontwerpwijziging van het omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11, Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerpwijziging van het omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen.
De gemeenteraad stelt de wijziging van het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-426659.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.