1e Wijziging Verordening op de heffing en de invordering van leges 2026

De raad van de gemeente Borsele;

 

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 23 december 2025;

 

gelet op de artikelen 156, tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet, de artikelen 2, tweede lid, en 7 van de Paspoortwet en artikel 13.1a van de Omgevingswet;

 

besluit vast te stellen de:

 

1e wijziging Verordening op de heffing en de invordering van leges 2026.

Artikel 1  

Artikel 2.6 lid 4 onder a sub 1 en 2 en onder b van de tarieventabel leges wordt als volgt gewijzigd:

4.

Onverminderd de voorgaande onderdelen van dit artikel wordt indien sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit het tarief verhoogd:

 

a.

indien sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten of als uit de aard van de activiteit blijkt dat deze in strijd is met het omgevingsplan:

 

1.

indien de investeringskosten € 100.000 of minder bedragen:

€ 9.742,15

2.

indien de investeringskosten meer dan € 100.000 bedragen:

€ 9.742,15

 

waarbij de investeringskosten boven de € 100.000 worden vermeerderd met:

2%

 

van de investeringskosten met een maximum van:

€ 176.868,00

b.

in afwijking van sub a, indien het gaat om een kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform bijlage B:

€ 385,95

Artikel 2  

Bijlage B ‘Definitie kleine en grote buitenplanse omgevingsplanactiviteiten’, behorende bij de tarieventabel 2026 wordt als volgt gewijzigd:

 

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is:

  • a.

    Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.

  • b.

    Een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

    Alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten vallen onder artikel 2.6 lid 4 onder a ‘grote buitenplanse omgevingsplanactiviteit’, tenzij de activiteit valt binnen de volgende categorieën. Dan is het een artikel 2.6 lid 4 onder b ‘kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit’:

  • 1.

    Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf;

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 150 m2;

  • 2.

    Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening (nutsvoorzieningen, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-spoorweg-, water- of luchtverkeer) wanneer wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      niet hoger dan 5m, en

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 50m2;

  • 3.

    Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende eisen:

    • a.

      niet hoger dan 10m, en

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 50m2;

  • 4.

    een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ongeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

  • 5.

    een antenne-installatie, mist niet hoger dan 40 meter;

  • 6.

    een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling (de gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit of mechanische energie door verstoking van een brandstof, waarvan de warmte nuttig gebruikt wordt, anders dan voor de productie van elektriciteit);

  • 7.

    het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;

  • 8.

    het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;

  • 9.

    het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits voldaan wordt aan de volgende eisen:

    • a.

      de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de vigerende wet- en regelgeving aan een bestaande woning gestelde eisen;

    • b.

      de bewoning niet in strijd is met de regels gesteld in Omgevingswet

    • c.

      de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

    • d.

      de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was

  • 10.

    ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 voor een termijn van ten hoogte 10 jaar;

Artikel 3  

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de wijzigingen zoals opgenomen in artikel 1 en 2, is de eerste dag na de datum van bekendmaking.

Artikel 4  

Deze verordening wordt aangehaald als “1e wijziging Legesverordening 2026”.

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 januari 2026.

de griffier,

M.L. Van Mackelenbergh – Van Oosten

de voorzitter,

G.M. Dijksterhuis

Naar boven