U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Omgevingsplan gemeente Woensdrecht - eerste thematische wijziging omgevingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht maken bekend dat het ontwerp van de eerste thematische wijziging van het omgevingsplan gemeente Woensdrecht ter inzage ligt. 

De voorgenomen wijziging van het "Omgevingsplan gemeente Woensdrecht" heeft betrekking op:

  • Het overzetten van een deel van de regels op de fysieke leefomgeving uit de Algemene Plaatselijke Verordening;

  • Het overzetten van (een deel van) de thematische milieuregels uit de bruidsschat; en

  • Het overzetten van de thematische bepalingen over de onderwerpen cultuurhistorische waarden, aardkundige waarden, de molenbiotoop, de beperkingengebieden van leidingen, het radarverstoringsgebied, het luchtvaartverkeersgebied en diverse bepalingen met betrekking tot water uit de huidige ruimtelijke besluiten.

 

Besluit;

Artikel I

De regeling "Omgevingsplan gemeente Woensdrecht" zoals opgenomen in Bijlage A als ontwerp ter inzage te leggen met de daarbij behorende: Motivering omgevingsplan gemeente Woensdrecht - eerste thematische wijziging, Bijlage 1 - transponeringstabel en Bijlage 2 - nota overlegreacties.

Artikel II

Dat dit besluit van de gemeente Woensdrecht tot wijziging van het omgevingsplan gemeente Woensdrecht wordt aangehaald als ‘Omgevingsplan gemeente Woensdrecht - eerste thematische wijziging omgevingsplan’.

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Het opschrift van hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 [Gereserveerd] Doelen en omgevingswaarden

B

Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 [Gereserveerd] Programma's

C

Na hoofdstuk 3 worden twee hoofdstukken ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 4 Activiteiten: algemene bepalingen en richtingaanwijzer

Afdeling 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Met uitzondering van de afdelingen 5.1 en 6.1 is een afdeling of paragraaf in de hoofdstukken 5, 6 en 7 alleen van toepassing voor zover dat in dit hoofdstuk is bepaald.

Artikel 4.2 Normadressaat

Aan de hoofdstukken 4 tot en met 7 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 4.3 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de regels voor activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7, tenzij anders is bepaald.

  • 2.

    Een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de hoofdstukken 5 tot en met 7 worden verbonden, over de regels over activiteiten in die hoofdstukken, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    Met een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van de regels over activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7, tenzij in die hoofdstukken anders is bepaald of hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zich daartegen verzet.

  • 4.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de hoofdstukken 5 tot en met 7 kan worden verbonden.

  • 5.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor zover het stellen van maatwerkvoorschriften is uitgesloten in het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 6.

    Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift over de regels in de hoofdstukken 5 tot en met 7 worden de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, in acht genomen.

Artikel 4.4 Specifieke zorgplicht

Degene die een activiteit als bedoeld in de hoofdstukken 5 tot en met 7 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels in de betreffende titel, afdeling of paragraaf zijn gesteld, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd

Artikel 4.5 Algemene gegevens bij een melding

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 4.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 4.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in de artikelen 4.5 of 4.6, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels in de hoofdstukken 5 tot en met 7 en maatwerkvoorschriften op grond van artikel 4.3 voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Afdeling 4.2 Thema's

Paragraaf 4.2.1 Bouwwerken

[Gereserveerd]

Paragraaf 4.2.2 Cultureel erfgoed
Subparagraaf 4.2.2.1 Algemeen

Artikel 4.9 Doelen

Voor activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed geldt als doel het behouden, herstellen en duurzaam ontwikkelen van cultureel erfgoed.

Subparagraaf 4.2.2.2 Gebieden met cultuurhistorische waarde

Artikel 4.10 Aanwijzing gebied met cultuurhistorische waarde

Er is een Gebied met cultuurhistorische waarde.

Artikel 4.11 Activiteiten in gebieden met cultuurhistorische waarde

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.9, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Gebied met cultuurhistorische waarde voldaan aan paragraaf 5.3.1 Activiteiten binnen een gebied met cultuurhistorische waarde. 

Subparagraaf 4.2.2.3 Molenbiotoop

Artikel 4.12 Aanwijzing molenbiotoop

Er is een Molenbiotoop.

Artikel 4.13 Activiteiten in een molenbiotoop

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.9, wordt bij het verrichten van activiteiten binnen een Molenbiotoop voldaan aan paragraaf 5.3.2 Activiteiten in een molenbiotoop.

Paragraaf 4.2.3 Duurzaamheid

[Gereserveerd]

Paragraaf 4.2.4 Gezondheid

[Gereserveerd]

Paragraaf 4.2.5 Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied
Subparagraaf 4.2.5.1 Algemeen

Artikel 4.14 Doelen

 

Voor activiteiten met betrekking tot infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied gelden de volgende doelen: 

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • d.

    het beheren of aanpassen van infrastructuur;

  • e.

    het behouden van ruimte voor mogelijke uitbreidingen van infrastructuur van nationaal belang;

  • f.

    het beheren of aanpassen van watersystemen;

  • g.

    het beschermen van de goede staat en werking van waterstaatswerken in beheer bij de gemeente;

  • h.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

  • i.

    het bevorderen van aantrekkelijke en bereikbare dorpen;

  • j.

    het behouden van een adequaat verkeers- en vervoersniveau;

  • k.

    het realiseren en in stand houden van voldoende parkeergelegenheid; 

  • l.

    het bevorderen van een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; en

  • m.

    het bevorderen van een klimaatadaptieve en duurzame inrichting van het openbaar gebied.

Subparagraaf 4.2.5.2 Reserveringsgebieden

Subsubparagraaf 4.2.5.2.1 Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang

Artikel 4.15 Aanwijzing reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang

Er is een Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang. 

Artikel 4.16 Activiteiten in een reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang voldaan aan paragraaf 5.6.8 Activiteiten in het reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang. 

Subparagraaf 4.2.5.3 Uitweg aanleggen en veranderen

Artikel 4.17 Uitweg aanleggen en veranderen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het aanleggen en veranderen van een uitweg voldaan aan paragraaf 5.6.1 Uitweg aanleggen en veranderen. 

Subparagraaf 4.2.5.4 Object binnen openbaar toegankelijk gebied plaatsen

Artikel 4.18 Object plaatsen binnen openbaar toegankelijk gebied

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het plaatsen van objecten binnen openbaar toegankelijk gebied voldaan aan paragraaf 5.6.2 Object plaatsen binnen openbaar toegankelijk gebied. 

Subparagraaf 4.2.5.5 Object en beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg

Artikel 4.19 Object of beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het plaatsen en behouden van een object of beplanting buiten de openbare weg voldaan aan paragraaf 5.6.3 Object en beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg. 

Subparagraaf 4.2.5.6 Reclame plaatsen

Artikel 4.20 Reclame plaatsen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het plaatsen van reclame binnen openbaar toegankelijk gebied voldaan aan paragraaf 5.6.4 Reclame plaatsen. 

Subparagraaf 4.2.5.7 Weg aanleggen, veranderen en opbreken

Artikel 4.21 Weg aanleggen, veranderen en opbreken

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het aanleggen, veranderen en opbreken van een weg voldaan aan paragraaf 5.6.6 Weg aanleggen, veranderen en opbreken. 

Subparagraaf 4.2.5.8 Standplaats innemen

Artikel 4.22 Standplaats innemen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het innemen van een standplaats voldaan aan paragraaf 5.6.7 Standplaats innemen.

Subparagraaf 4.2.5.9 Beperkingengebieden leidingen en hoogspanningsverbinding

Artikel 4.24 Activiteiten in beperkingengebied leidingen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Beperkingengebied leidingen voldaan aan paragraaf 5.6.9 Activiteiten in beperkingengebied leidingen.

Artikel 4.25 Activiteiten in beperkingengebied hoogspanningsverbinding

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Beperkingengebied hoogspanningsverbinding voldaan aan paragraaf 5.6.10 Activiteiten in beperkingengebied leidingen.

Subparagraaf 4.2.5.10 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in een Radarverstoringsgebied

Artikel 4.26 Aanwijzing Radarverstoringsgebied

Er is een Radarverstoringsgebied.

Artikel 4.27 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in het Radarverstoringsgebied

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het bouwen van een bouwwerk of het plaatsen van een object in een Radarverstoringsgebied voldaan aan paragraaf 5.6.11 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in een radarverstoringsgebied.

Subparagraaf 4.2.5.11 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in een Luchtvaartverkeersgebied

Artikel 4.28 Aanwijzing Luchtvaartverkeersgebied

Er is een Luchtvaartverkeersgebied dat bestaat uit:

Artikel 4.29 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in het beperkingengebied Luchtvaartverkeersgebied

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.14, wordt bij het bouwen van een bouwwerk of het plaatsen van een object in een Luchtvaartverkeersgebied voldaan aan paragraaf 5.6.12 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in een luchtvaartverkeerzone.

Paragraaf 4.2.6 Natuur en landschap
Subparagraaf 4.2.6.1 Algemeen

Artikel 4.30 Doelen

Voor activiteiten met betrekking tot natuur en landschap gelden de volgende doelen:

  • a.

    het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

  • b.

    de natuurbescherming, waaronder het realiseren van een natuurnetwerk en het beschermen van natuurgebieden;

  • c.

    het tegengaan van klimaatverandering;

  • d.

    het beheren van watersystemen;

  • e.

    het beheren van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;

  • f.

    het beheren van natuurlijke hulpbronnen;

  • g.

    een hoge kwaliteit van het openbaar gebied; 

  • h.

    het beschermen van de omgevingskwaliteit; en

  • i.

    het waarborgen van de veiligheid van het publiek van natuurgebieden en recreatieterreinen.

Subparagraaf 4.2.6.2 Gebied met aardkundige waarden

Artikel 4.31 Aanwijzing Aardkundige waarde

Er is een Gebied met aardkundige waarden.

Artikel 4.32 Activiteiten in een gebied met aardkundige waarde

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.30, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Gebied met aardkundige waarden voldaan aan paragraaf 5.7.1 Activiteiten in een gebied met aardkundige waarden. 

Paragraaf 4.2.7 Milieu
Subparagraaf 4.2.7.1 Algemeen

Artikel 4.33 Doelen

Voor de activiteit met betrekking tot milieu gelden de volgende doelen:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid;

  • b.

    het beschermen van de veiligheid;

  • c.

    het beschermen van de natuur; en

  • d.

    het beperken van de luchtverontreiniging.

Subparagraaf 4.2.7.2 Milieu - algemeen

Artikel 4.34 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem voldaan aan:   

  • a.

    Paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en  

  • b.

    Paragraaf 5.8.2 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken.  

Artikel 4.35 Afvalwater lozen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het lozen van afvalwater voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.8.1 Milieu – algemeen; 

  • b.

    Paragraaf 5.8.3 Afvalwater lozen – algemeen; 

  • c.

    Paragraaf 5.8.4 Afvloeiend hemelwater lozen; 

  • d.

    paragraaf 5.8.5 Grondwater lozen bij sanering of ontwatering; 

  • e.

    paragraaf 5.8.6 Huishoudelijk afvalwater lozen; 

  • f.

    paragraaf 5.8.7 Koelwater lozen; 

  • g.

    paragraaf 5.8.8 Afvalwater lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken; 

  • h.

    paragraaf 5.8.9 Afvalwater lozen bij opslaan en overslaan van goederen; 

  • i.

    paragraaf 5.8.10 Afvalwater lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater; 

  • j.

    paragraaf 5.8.11 Afvalwater lozen bij schoonmaken van drinkwaterleidingen; 

  • k.

    paragraaf 5.8.12 Afvalwater lozen bij calamiteitenoefeningen;  

  • l.

    paragraaf 5.8.13 Afvalwater lozen bij telen, kweken, spoelen en sorteren van gewassen; 

  • m.

    paragraaf 5.8.14 Afvalwater lozen bij maken van betonmortel; en 

  • n.

    paragraaf 5.8.15 Uitwassen van beton. 

Artikel 4.36 Recreatieve visvijver exploiteren

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het exploiteren van recreatieve visvijvers voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - Algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.16 Recreatieve visvijvers exploiteren. 

Artikel 4.37 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal voldaan aan:

  • a.

    paragraaf 5.8.1Milieu - Algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.17 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken. 

Artikel 4.38 Motorvoertuigen wassen

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het wassen van motorvoertuigen voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.18 Motorvoertuigen wassen. 

Artikel 4.39 Niet-industrieel voedsel bereiden

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het bereiden van voedselmiddelen met de volgende apparatuur voldaan aan paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen en paragraaf 5.8.19 Niet-industriële voedselbereiding: 

  • a.

    keukenapparatuur; 

  • b.

    grootkeukenapparatuur; 

  • c.

    een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of 

  • d.

    een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW. 

Artikel 4.40 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.20 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren. 

Artikel 4.41 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het slachten van dieren, het bewerken van dierlijke bijproducten en het uitsnijden van vlees, vis of organen voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.21 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden. 

Artikel 4.42 Elektriciteit opwekken met een windturbine

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.22 Elektriciteit opwekken met een windturbine. 

Artikel 4.43 Acculader in werking hebben

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het in werking hebben van een acculader voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.23 Acculader in werking hebben. 

Artikel 4.44 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.24 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage. 

Artikel 4.45 Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.25 Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht. 

Artikel 4.46 Vaste mest opslaan

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het opslaan van vaste mest voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.26 Vaste mest opslaan. 

Artikel 4.47 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.27 Drijfmest, digestaat of dunne fractie opslaan. 

Artikel 4.48 Kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen opslaan

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.33, wordt bij het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen voldaan aan: 

  • a.

    paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen; en 

  • b.

    paragraaf 5.8.28 Kuilvoer en andere bijvoedermiddelen opslaan. 

Artikel 4.49 Overige activiteiten

Bij het verrichten van milieubelastende activiteiten als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet wordt voldaan aan 5.8.1 Milieu – algemeen.

Paragraaf 4.2.8 Water
Subparagraaf 4.2.8.1 Algemeen

Artikel 4.50 Doelen

 

Voor de activiteit met betrekking tot water gelden de volgende doelen:

  • a.

    het beschermen van waterstaatswerken en bergbezinkbassins; en

  • b.

    het beschermen van de kwaliteit van het grondwater. 

Subparagraaf 4.2.8.2 Waterstaatswerken

Artikel 4.51 Aanwijzing waterstaatswerken

Artikel 4.52 Activiteiten bij een waterstaatswerk

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.50, wordt bij het verrichten van activiteiten binnen de locaties Waterkering, Waterbergingsgebied en Bergbezinkbassin voldaan aan paragraaf 5.9.1 Activiteiten bij een waterstaatswerk.

Subparagraaf 4.2.8.3 Grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 4.53 Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebied

Er is een Grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 4.54 Activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied

Met het oog op de doelen, bedoeld in artikel 4.50, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Grondwaterbeschermingsgebied voldaan aan paragraaf 5.9.2 Activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied. 

Subparagraaf 4.2.8.4 Waterwingebied

Artikel 4.55 Aanwijzing waterwingebied

Er is een Waterwingebied.

Artikel 4.56 Activiteiten in een waterwingebied

Met het oog op de doelen in artikel 4.50, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Waterwingebied voldaan aan paragraaf 5.9.3 Activiteiten in een waterwingebied. 

Subparagraaf 4.2.8.5 Grondwatermeetpunt

Artikel 4.57 Aanwijzing grondwatermeetpunt

Er is een Grondwatermeetpunt.

Artikel 4.58 Activiteiten bij een grondwatermeetpunt

Met het oog op de doelen in artikel 4.50, wordt bij het verrichten van activiteiten op de locatie Grondwatermeetpunt voldaan aan paragraaf 5.9.4 Activiteiten bij een grondwatermeetpunt. 

Subparagraaf 4.2.8.6 Reserveringsgebied waterberging

Artikel 4.59 Aanwijzing reserveringsgebied waterberging

Er is een Reserveringsgebied waterberging.

Artikel 4.60 Activiteiten in een reserveringsgebied waterberging

Met het oog op de doelen in artikel 4.50, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Reserveringsgebied waterberging voldaan aan paragraaf 5.9.5 Activiteiten in een reserveringsgebied waterberging. 

Subparagraaf 4.2.8.7 Attentiezone waterhuishouding

Artikel 4.61 Aanwijzing attentiezone waterhuishouding

Er is een Attentiezone waterhuishouding.

Artikel 4.62 Activiteiten in de attentiezone waterhuishouding

Met het oog op de doelen in artikel 4.50, wordt bij het verrichten van activiteiten in een de Attentiezone waterhuishouding voldaan aan paragraaf 5.9.6 Activiteiten in de attentiezone waterhuishouding. 

Subparagraaf 4.2.8.8 Gebied Behoud en herstel van watersystemen

Artikel 4.63 Aanwijzing Gebied behoud en herstel van watersystemen

Er is een Gebied behoud en herstel van watersystemen.

Artikel 4.64 Verharding aanbrengen in Gebied Behoud en herstel van watersystemen

Met het oog op de doelen in artikel 4.50, wordt bij het verrichten van activiteiten in het Gebied behoud en herstel van watersystemen voldaan aan paragraaf 5.9.7 Activiteiten in het gebied Behoud en herstel van watersystemen.

Paragraaf 4.2.9 Woonruimte

[Gereserveerd]

Afdeling 4.3 Gebiedstypen

[Gereserveerd]

Afdeling 4.4 Transformatiegebieden

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 5 Thematische activiteiten

Afdeling 5.1 Algemeen

[Gereserveerd]

Afdeling 5.2 Bouwwerken

[Gereserveerd]

Afdeling 5.3 Cultureel erfgoed

Paragraaf 5.3.1 Activiteiten in een gebied met cultuurhistorische waarde
Artikel 5.1 Toepassingsbereik

 

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in een Gebied met cultuurhistorische waarde:

  • a.

    het slopen van bouwwerken;

  • b.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • c.

    het onderbemalen van een watergang; 

  • d.

    het aanleggen van een dam, stuw of oeverbeschoeiing;

  • e.

    het aanbrengen van beplanting; en

  • f.

    het aanbrengen van verharding.

Artikel 5.2 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden, herstellen en duurzaam ontwikkelen van de cultuurhistorische waarden.

Artikel 5.3 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het aanbrengen van beplanting, anders dan opplanten; en

    • b.

      activiteiten ten behoeve van normaal onderhoud en beheer.

Artikel 5.4 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;  

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit.

Artikel 5.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit de cultuurhistorische waarden niet aantast of kan aantasten.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag:

    • a.

      wordt de mogelijkheid om de aanwezige cultuurhistorische waarden te versterken betrokken; en

    • b.

      wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.1.

Paragraaf 5.3.2 Activiteiten in een molenbiotoop
Artikel 5.6 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in een Molenbiotoop:

  • a.

    het bouwen van bouwwerken;

  • b.

    het plaatsen van objecten;

  • c.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • d.

    het aanbrengen van beplanting.

Artikel 5.7 Oogmerken

 

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op 

  • a.

    het beschermen van landschappelijke waarden; en

  • b.

    het beschermen van de vrije windvang van de molen.

Artikel 5.8 Meetbepaling

De bouwhoogte wordt in deze paragraaf gemeten vanaf de bovenkant van de terp waarop de molen is gebouwd.

Artikel 5.9 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een Molenbiotoop:

    • a.

      een bouwwerk te bouwen;

    • b.

      een bovengrondse constructie, installatie of apparatuur aan te brengen;

    • c.

      grond op te hogen; of

    • d.

      het aanbrengen van bomen, heesters en dergelijke opgaande beplanting.    

  • 2.

    Het verbod geldt niet bij: 

    • a.

      normaal onderhoud en beheer;

    • b.

      het bouwen van bouwwerken, als daarbij wordt voldaan aan artikel 5.12; en

    • c.

      het aanbrengen van antennes en zend- en lichtmasten. 

Artikel 5.10 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;  

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit.

Artikel 5.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als:

    • a.

      het functioneren van de molen als werktuig door windbelemmering niet onevenredig in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht; en

    • b.

      de waarde van de molen als landschapsbepalend element niet onevenredig wordt geschaad.

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.2.

Artikel 5.12 Algemene regels

De bouwhoogte binnen een Molenbiotoop is niet hoger dan aangegeven bij de omgevingsnorm maximum bouwhoogte - Molenbiotoop. 

 

Afdeling 5.4 Duurzaamheid

[Gereserveerd]

Afdeling 5.5 Gezondheid

[Gereserveerd]

Afdeling 5.6 Infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied

Paragraaf 5.6.1 Uitweg aanleggen en veranderen
Artikel 5.13 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en het veranderen van een uitweg naar de openbare weg in beheer bij de gemeente. 

Artikel 5.14 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • b.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • c.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • d.

    het beperken van hinder;

  • e.

    het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte; en

  • f.

    het beschermen van het openbaar groen.

Artikel 5.15 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg aan te leggen naar de openbare weg of een bestaande uitweg te veranderen.

Artikel 5.16 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of foto met daarop de gewenste ligging van de uitweg;

  • b.

    een foto van de bestaande situatie;

  • c.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • d.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • e.

    de te gebruiken materialen; en

  • f.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg.

Artikel 5.17 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het doelmatig en veilig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; en

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 2.

    Met de omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 5.18, eerste lid.

Artikel 5.18 Algemene regels
  • 1.

    Een uitweg is ten hoogste 3 m breed, gemeten op de perceelsgrens.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is een uitweg op een bedrijventerrein ten hoogste 12,5 m breed, gemeten op de perceelsgrens.

Paragraaf 5.6.2 Object plaatsen binnen openbaar toegankelijk gebied
Artikel 5.19 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over plaatsen van een object binnen openbaar toegankelijk gebied.    

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over: 

    • a.

      het plaatsen van reclame, bedoeld in paragraaf 5.6.4;

    • b.

      het aanbrengen van terrassen, bedoeld in paragraaf 5.6.5;

    • c.

      het innemen van standplaatsen, bedoeld in paragraaf 5.6.7; 

    • d.

      het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten de openbare weg, bedoeld in paragraaf 5.6.3; en

    • e.

      het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Woensdrecht.

Artikel 5.20 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:  

  • a.

    het voorkomen van schade aan en doelmatig en veilig gebruik van het openbaar toegankelijk gebied;  

  • b.

    het voorkomen van hinder en overlast voor gebruikers van de nabij gelegen onroerende zaak; en

  • c.

    het voorkomen van belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar toegankelijk gebied.  

Artikel 5.21 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het plaatsen van objecten binnen openbaar toegankelijk gebied in ieder geval in dat de objecten:

  • a.

    geen gevaar opleveren voor personen, goederen en de verkeersveiligheid;

  • b.

    geen schade toebrengen aan het openbaar toegankelijk gebied;

  • c.

    geen gevaar opleveren voor het doelmatig en veilig gebruik van het openbaar toegankelijk gebied; en

  • d.

    geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.22 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een object binnen openbaar toegankelijk gebied te plaatsen. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het plaatsen van:

    • a.

      objecten waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; 

    • b.

      vlaggen, wimpels en vlaggenstokken in het kader van een ter plaatse te organiseren evenement of festiviteit;

    • c.

      objecten die worden geplaats door de gemeente Woensdrecht voor de uitoefening van hun wettelijke taken;

    • d.

      huisafvalcontainers voor de leging door de gemeentelijke afvalverwijderingsdienst; en

    • e.

      goederen die in het kader van een huisuitzetting op de openbare weg worden geplaatst, als deze goederen voor 14.00 uur op dezelfde dag zijn verwijderd.

Artikel 5.23 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:   

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van het object; 

  • b.

    de lengte, breedte en hoogte van het object; en 

  • c.

    de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen.  

Artikel 5.24 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als de belangen, bedoeld in artikel 5.20, onevenredig worden geschaad. 

Artikel 5.25 Meldingsplicht
  • 1.

     Het is verboden een object als bedoeld in artikel 5.22, tweede lid, te plaatsen zonder dit ten minste 15 werkdagen voor het begin ervan te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      de locatie van het object; en

    • b.

      de lengte, breedte en hoogte van het object. 

Artikel 5.26 Algemene regels - algemeen
  • 1.

    Het object wordt alleen geplaatst op of aan de openbare weg, als plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is.

  • 2.

    Het object wordt niet geplaatst op de rijbaan.

  • 3.

    Het object heeft een directe relatie met een activiteit die is gevestigd in de directe nabijheid van de locatie waar het object wordt geplaatst.

  • 4.

    Het object wordt niet geplaatst:

    • a.

      als op de locatie ervan werkzaamheden moeten worden verricht; of

    • b.

      tijdens een evenement, markt, kermis of andere gebeurtenis van algemeen belang.

Artikel 5.27 Algemene regels - vrije doorgang
  • 1.

    De vrije doorgang op rijbanen en een trottoir is minimaal 1,5 m breed.

  • 2.

    De vrije en onbelemmerde doorgang voor hulpdiensten is minimaal 4 m breed en 4,20 m hoog. 

  • 3.

    Brandkranen, bluswaterwinplaatsen en nutsvoorzieningen worden vrijgehouden.

  • 4.

    Nooduitgangen van nabijgelegen onroerende zaken worden vrijgelaten

  • 5.

    De vrije doorgang rondom banken en prullenbakken en het object bedraagt 1 m breed. 

Artikel 5.28 Algemene regels - verkiezingsborden
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het plaatsen van verkiezingsborden.

  • 2.

    Sandwich- en driehoeksborden worden alleen geplaatst vanaf de dag na de kandidaatstelling tot en met één week na de verkiezingsdag.

  • 3.

    De borden worden alleen bevestigd aan lantaarnpalen en flespalen.

  • 4.

    Het verkiezingsbord heeft een oppervlakte van ten hoogste 1,5 m2, gemeten aan de buitenkant van het bord.

  • 5.

    Verkiezingsborden worden niet gestapeld.

  • 6.

    Het verkiezingsbord wordt geplaatst op een afstand van 5 meter of meer vanaf een kruising van wegen.

Paragraaf 5.6.3 Object en beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg
Artikel 5.29 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het plaatsen en behouden van een object of beplanting buiten de openbare weg in beheer bij de gemeente.  

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over het plaatsen van een object binnen openbaar toegankelijk gebied als bedoeld in paragraaf 5.6.2.

Artikel 5.30 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid; en 

  • b.

    het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer. 

Artikel 5.31 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het plaatsen en behouden van objecten en beplanting in dat: 

  • a.

    het vrije uitzicht voor het verkeer niet wordt belemmerd; en 

  • b.

    geen gevaar of hinder voor het wegverkeer ontstaat. 

Paragraaf 5.6.4 Reclame plaatsen
Artikel 5.32 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het plaatsen van reclame binnen het openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.33 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:  

  • a.

    het voorkomen van schade aan de weg, belemmering van de bruikbaarheid en doelmatig veilig gebruik van de weg;  

  • b.

    het voorkomen van hinder of overlast voor gebruikers van de nabij gelegen onroerende zaak;

  • c.

    het voorkomen van belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; en

  • d.

    het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.34 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning reclame te plaatsen binnen openbaar toegankelijk gebied. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet als wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 5.38 tot en met 5.40.

Artikel 5.35 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:   

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van het bord; 

  • b.

    de lengte, breedte en hoogte van het bord; en 

  • c.

    de voorgenomen tijdsduur van het plaatsen.  

Artikel 5.36 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als de belangen, bedoeld in artikel 5.33, onevenredig worden geschaad. 

Artikel 5.37 Meldingsplicht
  • 1.

     Het is verboden reclame te plaatsen zonder dit ten minste 5 werkdagen voor het begin ervan te melden. 

  • 2.

    Een melding bevat:

    • a.

      de locatie van het bord;

    • b.

      de datum waarop het bord wordt geplaatst; en

    • c.

      de datum waarop het bord wordt verwijderd. 

  • 3.

    Dit artikel geldt niet als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in 5.34.

Artikel 5.38 Algemene regels - algemeen
  • 1.

    Het reclamebord wordt alleen geplaatst op of aan de openbare weg, als plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is.

  • 2.

    Als het reclamebord wordt geplaatst op of aan de openbare weg wordt het alleen geplaatst op de voor voetgangers bestemde delen van de weg.

  • 3.

    Het reclamebord heeft een oppervlakte van ten hoogste 1,5 m2, gemeten aan de buitenkant van het bord.

  • 4.

    Het reclamebord wordt geplaatst op een afstand van 5 meter of meer vanaf een kruising van wegen.

  • 5.

    Het reclamebord:

    • a.

      heeft een directe relatie met een onderneming die is gevestigd in de straat waar het bord wordt geplaatst; en

    • b.

      wordt geplaatst direct voor of in de directe nabijheid van die onderneming.

     

  • 6.

    Het reclamebord is alleen aanwezig gedurende de openingstijden van de betreffende onderneming.

  • 7.

    Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing op reclameborden:

    • a.

      ter promotie van evenementen en activiteiten waarop sponsoren worden vermeld; en

    • b.

      waarvoor een huurovereenkomst is afgesloten met de gemeente Woensdrecht.

Artikel 5.39 Algemene regels - vrije doorgang
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het plaatsen van uitstallingen.

  • 2.

    De vrije doorgang voor voetgangers en rolstoelgebruikers is minimaal 1,5 m breed.

  • 3.

    De vrije en onbelemmerde doorgang voor hulpdiensten is minimaal 4 m breed. 

  • 4.

    Brandkranen, bluswaterwinplaatsen en nutsvoorzieningen worden vrijgehouden.

  • 5.

    Nooduitgangen van nabijgelegen onroerende zaken worden vrijgelaten.

  • 6.

    De vrije doorgang rondom banken en prullenbakken en het object bedraagt 1 m breed. 

Artikel 5.40 Algemene regels - evenementen en activiteiten
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het plaatsen van reclameborden voor evenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten.

  • 2.

    Het bord wordt alleen geplaatst ter promotie van evenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten die:

    • a.

      binnen het grondgebied van de gemeente worden georganiseerd; of

    • b.

      een direct sociaal-maatschappelijk belang hebben in de gemeente Woensdrecht.

  • 3.

    Er wordt alleen gebruik gemaakt van sandwichborden of driehoeksborden.

  • 4.

    Het bord wordt ten hoogste 10 dagen voor het evenement of de activiteit geplaatst en wordt uiterlijk 2 dagen na afloop verwijderd.

  • 5.

    De borden worden alleen bevestigd aan lantaarnpalen.

Paragraaf 5.6.5 Terras aanbrengen
Artikel 5.41 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanbrengen en in stand houden van een terras binnen openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.42 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • b.

    het beschermen van het uiterlijk aanzien van het openbaar toegankelijk gebied;

  • c.

    het in stand houden van de kwaliteit van het openbaar toegankelijk gebied;

  • d.

    het voorkomen van belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar toegankelijk gebied; en

  • e.

    het beperken van hinder.

Artikel 5.43 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het aanbrengen van terrassen in ieder geval in dat:

  • a.

    geen gevaar, schade of hinder wordt veroorzaakt voor de bruikbaarheid en het doelmatig en veilig gebruik van het openbaar toegankelijk gebied;

  • b.

    het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar toegankelijk gebied niet wordt belemmerd;

  • c.

    het openbaar toegankelijk gebied en de daarop aanwezige objecten worden niet beschadigd;

  • d.

    het terras en de omgeving ervan schoon en ordelijk worden gehouden; en

  • e.

    geen overlast wordt veroorzaakt voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

Artikel 5.44 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een terras aan te brengen, als daarbij niet wordt voldaan aan de artikelen 5.47 en 5.48.

Artikel 5.45 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van het terras;

  • b.

    een beschrijving van de inrichting van het terras; en

  • c.

    de voorgenomen dagen en tijdstippen van het exploiteren van het terras.

Artikel 5.46 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als:

  • a.

    de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;

  • b.

    het veilige en doelmatige gebruik van het openbaar toegankelijk gebied niet onevenredig wordt gehinderd;

  • c.

    het uiterlijk aanzien van de omgeving niet wordt aangetast; en

  • d.

    er geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het openbaar toegankelijk gebied.

Artikel 5.47 Algemene regels plaatsing
  • 1.

    De vrije doorgang op rijbanen en een trottoir is minimaal 1,5 m breed.

  • 2.

    De vrije en onbelemmerde doorgang voor hulpdiensten is minimaal 4 m breed en 4,20 m hoog. 

  • 3.

    Brandkranen, bluswaterwinplaatsen en nutsvoorzieningen worden zodanig vrijgehouden dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.

  • 4.

    Het gebruik van nooduitgangen van het bedrijfspand en van in de nabijheid gelegen onroerende zaken wordt niet belemmerd.

  • 5.

    Het terras wordt geplaatst op een afstand van ten minste 1 m van voorzieningen van algemeen nut.

  • 6.

    Het terras wordt niet geplaatst tijdens:

    • a.

      werkzaamheden aan het openbaar toegankelijk gebied op de locatie van het terras; en

    • b.

      evenementen, collectieve festiviteiten, markten of kermissen.

Artikel 5.48 Algemene regel verwijdering

Uiterlijk een uur na sluiting van een terras worden het terras en het terrasmeubilair verwijderd.

Paragraaf 5.6.6 Weg aanleggen, opbreken en veranderen
Artikel 5.49 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen, opbreken en veranderen van een weg in beheer bij de gemeente. 

Artikel 5.50 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:  

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;   

  • b.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid; en

  • c.

    het beperken van hinder.

Artikel 5.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      een weg aan te leggen; 

    • b.

      een weg te veranderen;

    • c.

      de verharding van de weg op te breken;  

    • d.

      in een weg te graven of te spitten;  

    • e.

      de aard of breedte van de wegverharding te veranderen; of

    • f.

      anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor activiteiten van de gemeente voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak.

Artikel 5.52 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de activiteit; en 

  • b.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit.  

Artikel 5.53 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als:

  • a.

    het veilige en doelmatige gebruik van de weg onevenredig wordt gehinderd;  

  • b.

    de bereikbaarheid van gronden of gebouwen onevenredig wordt belemmerd; of  

  • c.

    het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. 

Paragraaf 5.6.7 Standplaats innemen
Artikel 5.54 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf over het innemen of het hebben van een standplaats in het openbaar toegankelijk gebied.    

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over:

    • a.

      het innemen van een vaste standplaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet; en

    • b.

      een vaste standplaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV gemeente Woensdrecht

Artikel 5.55 Uitbreiding normadressaat

Aan deze paragraaf wordt ook voldaan door de rechthebbende op het perceel waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 5.56 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behoeden van de staat en werking van de openbare weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg;

  • b.

    het bevorderen van de verkeersveiligheid;

  • c.

    het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte;

  • d.

    het beperken van hinder;

  • e.

    het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied;

  • f.

    het beschermen tegen milieuverontreiniging;

  • g.

    een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen;

  • h.

    het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en

  • i.

    het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 5.57 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het innemen van een standplaats in ieder geval in dat:

  • a.

    overlast en hinder voor de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt;

  • b.

    er zoveel mogelijk afvalbakken worden geplaatst om verontreiniging door afval zoveel mogelijk te beperken; en

  • c.

    de omgeving van de standplaats schoon wordt gehouden.   

Artikel 5.58 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een standplaats in te nemen of te hebben binnen de locatie Vergunningplicht standplaatsen. 

Artikel 5.59 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:  

  • a.

    een kopie van een legitimatiebewijs;

  • b.

    een uittreksel van de Kamer van Koophandel;

  • c.

    de locatie van de standplaats; en

  • d.

    als de standplaats niet wordt ingenomen op gemeentegrond: schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein.

Artikel 5.60 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen geweigerd als:

  • a.

    de standplaats ontoelaatbare hinder voor het doelmatig gebruik van de openbare weg kan veroorzaken;

  • b.

    de veiligheid van het verkeer in het geding is;

  • c.

    het uiterlijk van de standplaats, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met de goede omgevingskwaliteit;

  • d.

    de standplaats onevenredige geurhinder of geluidhinder kan veroorzaken; of

  • e.

    door bijzondere omstandigheden redelijkerwijs te verwachten is dat voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 5.61 Algemene regel

Er wordt geen standplaats ingenomen binnen de locatie Verbod standplaatsen.

Paragraaf 5.6.8 Activiteiten in het reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang
Artikel 5.62 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in het Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang:

    • a.

      het bouwen van bouwwerken;

    • b.

      het aanbrengen van beplanting;

    • c.

      het opslaan van voorwerpen of stoffen;

    • d.

      het aanleggen van kabels of leidingen;

    • e.

      het aanbrengen van verharding;

    • f.

      het graven, dempen of verleggen van een watergang, sloot of poel; en

    • g.

      het aanleggen van een waterkering.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat ook over het aanleggen van een buisleiding van nationaal belang.

Artikel 5.63 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de mogelijkheid om buisleidingen van nationaal belang aan te leggen binnen het reserveringsgebied.

Artikel 5.64 Verbod
  • 1.

    Het is verboden binnen het Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang:

    • a.

      een bouwwerk te bouwen;

    • b.

      bebossing aan te brengen;

    • c.

      afvalstoffen, grond of andere stoffen of zaken op te slaan;

    • d.

      een kabel of leiding aan te leggen in de lengterichting van het reserveringsgebied;

    • e.

      een verharde weg, pad of spoorweg aan te leggen in de lengterichting van het reserveringsgebied;

    • f.

      een watergang te graven in de lengterichting van het reserveringsgebied; of

    • g.

      een waterkering aan te leggen.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het bouwen van een bouwwerk dat noodzakelijk is voor de aanleg, het onderhoud of de instandhouding van de buisleiding van nationaal belang; en

    • b.

      het aanleggen van een buisleiding van nationaal belang.

Artikel 5.65 Algemene regels aanleg buisleiding van nationaal belang
  • 1.

    Een buisleiding van nationaal belang wordt alleen aangelegd binnen het Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang.

  • 2.

    Een buisleiding van nationaal belang wordt op zodanige wijze aangelegd dat de buisleiding zich ten minste 5 m vanaf de buitenste begrenzing van het reserveringsgebied bevindt, gemeten vanuit het hart van de buisleiding.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het begin- of eindpunt van de buisleiding buiten het reserveringsgebied ligt en de buisleiding een zoveel mogelijk rechtstreekse verbinding legt tussen het reserveringsgebied en dat begin- of eindpunt.

Paragraaf 5.6.9 Activiteiten in het beperkingengebied leidingen
Artikel 5.66 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in het Beperkingengebied - leidingen:

  • a.

    het bouwen van bouwwerken;

  • b.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • c.

    het aanbrengen van verharding;

  • d.

    het graven, dempen of verleggen van een watergang, sloot of poel;

  • e.

    het aanbrengen van beplanting;

  • f.

    het rooien van beplanting;

  • g.

    het opslaan van voorwerpen of stoffen;

  • h.

    het plaatsen van objecten; en

  • i.

    het indrijven van voorwerpen.

Artikel 5.67 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding waarvoor het beperkingengebied is aangewezen.

Artikel 5.68 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied - leidingen.

    • a.

      een bouwwerk te bouwen;

    • b.

      grondwerkzaamheden uit te voeren;

    • c.

      verharding aan te brengen;

    • d.

      een watergang, sloot of poel te graven, dempen of verleggen;

    • e.

      hoogopgaande en diepwortelende beplantingen en bomen aan te brengen of te rooien;

    • f.

      permanent voorwerpen of stoffen op te slaan;

    • g.

      een lichtmast, wegwijzer of ander straatmeubilair te plaatsen; en

    • h.

      voorwerpen in te drijven.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde die worden gebouwd ten behoeve van de leiding met het oog waarop het beperkingengebied is aangewezen;

    • b.

      graafwerkzaamheden bij normaal onderhoud en beheer; en

    • c.

      het aanleggen, in gebruik nemen en onderhouden van de leiding en bijbehorende voorzieningen met het oog waarop het beperkingengebied is aangewezen op de betreffende locatie.

Artikel 5.69 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;  

  • b.

    de reden voor de activiteit;

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit; en  

  • d.

    een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om de kans op schade aan kabels en leidingen te beperken.  

Artikel 5.70 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als geen afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.3.

Paragraaf 5.6.10 Activiteiten in het beperkingengebied hoogspanningsverbinding
Artikel 5.71 Toepassingsbereik

 

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in het Beperkingengebied hoogspanningsverbinding:

  • a.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • b.

    het graven, dempen of verleggen van een watergang, sloot of poel;

  • c.

    het aanbrengen van verharding;

  • d.

    het aanleggen van kabels of leidingen;

  • e.

    het aanbrengen van beplanting;

  • f.

    het indrijven van voorwerpen; en

  • g.

    het opslaan van voorwerpen of stoffen.

Artikel 5.72 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding waarvoor het beperkingengebied is aangewezen.

Artikel 5.73 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied hoogspanningsverbinding:

    • a.

      het maaiveldniveau te veranderen;

    • b.

      een bestaande watergang te vergraven, verruimen of dempen;

    • c.

      verharding aan te brengen;

    • d.

      een kabel of leiding aan te leggen;

    • e.

      diepwortelende beplanting aan te brengen;

    • f.

      voorwerpen in te drijven; en

    • g.

      permanent voorwerpen of stoffen op te slaan.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

    • a.

      activiteiten voor de aanleg van de betreffende bovengrondse hoogspanningsleiding; en

    • b.

      normaal onderhoud en beheer.

Artikel 5.74 Bijzondere aanvraagvereisten

 

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;  

  • b.

    de reden voor de activiteit;

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit;   

  • d.

    een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om de kans op schade aan kabels en leidingen te beperken; en

  • e.

    een schriftelijk advies van de leidingsbeheerder.

Artikel 5.75 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als geen afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.3.

Paragraaf 5.6.11 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in een radarverstoringsgebied
Artikel 5.76 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de volgende activiteiten in een Radarverstoringsgebied:

  • a.

    het bouwen van een bouwwerk; en

  • b.

    het plaatsen van objecten.

Artikel 5.77 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de werking van militaire zend- en ontvangstinstallaties.

Artikel 5.78 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een object te plaatsen in een Radarverstoringsgebied, als daarbij niet wordt voldaan aan artikel 5.81.

Artikel 5.79 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een kaart met x en y coördinaten met daarop de locatie van de activiteit;

  • b.

    de reden voor de activiteit;

  • c.

    een bouwtekening; en

  • d.

    een radarverstoringsonderzoek van TNO.

Artikel 5.80 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als het bouwwerk of object geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het radarbeeld.

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt het advies, bedoeld in artikel 10.4, in acht genomen.

Artikel 5.81 Algemene regel

De bouwhoogte van het bouwwerk of object is niet hoger dan het bij de omgevingsnorm maximale hoogte Radarverstoringsgebied aangegeven aantal meter boven NAP.

Paragraaf 5.6.12 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in een luchtvaartverkeersgebied
Artikel 5.82 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de volgende activiteiten in een Luchtvaartverkeersgebied:

  • a.

    het bouwen van een bouwwerk; en

  • b.

    het plaatsen van objecten.

Artikel 5.83 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid van het luchtvaartverkeer.

Artikel 5.84 Verbod

Het is verboden een bouwwerk te bouwen of een object te plaatsen binnen de locatie Luchtvaartverkeersgebied OLS, als het gebouw of object hoger is dan het bij de omgevingsnorm maximale hoogte Luchtvaartverkeersgebied - OLS aangegeven aantal meter boven NAP.

Artikel 5.85 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of object te plaatsen binnen de locatie Luchtvaartverkeersgebied ILS, als daarbij niet wordt voldaan aan artikel 5.88. 

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor activiteiten door defensie bij het uitoefenen van haar publieke taak.

Artikel 5.86 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;  

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een bouwtekening.

Artikel 5.87 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de werking van het Instrument Landing System niet onaanvaardbaar wordt gehinderd.

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt het advies, bedoeld in artikel 10.4, in acht genomen.

Artikel 5.88 Algemene regel

Het bouwwerk of object is niet hoger dan het bij de omgevingsnorm maximale hoogte Luchtvaartverkeersgebied - ILS aangegeven aantal meter boven NAP.

Afdeling 5.7 Natuur en landschap

Paragraaf 5.7.1 Activiteiten in een gebied met aardkundige waarden
Artikel 5.89 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in een Gebied met aardkundige waarden:

  • a.

    het bouwen van bouwwerken;

  • b.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • c.

    het aanleggen van een dam, stuw of oeverbeschoeiing;

  • d.

    het graven, dempen of verleggen van een watergang, sloot of poel;

  • e.

    het aanbrengen van beplanting; en

  • f.

    het aanleggen van kabels of leidingen.

Artikel 5.90 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het beschermen en behouden van aardkundige waarden.  

Artikel 5.91 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een Gebied met aardkundige waarden:

    • a.

      een bouwwerk te bouwen;

    • b.

      af te graven of te vergraven;

    • c.

      een dam, stuw of oeverbeschoeiing aan te leggen;

    • d.

      een sloot te graven of dempen;

    • e.

      een poel te dempen;

    • f.

      op te planten;

    • g.

      grasland of bouwland om te zetten naar boomteelt; en

    • h.

      een kabel of leiding aan te leggen op een diepte van meer dan 1 m.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      normaal onderhoud en beheer; of

    • b.

      het bouwen van een bouwwerk:

      • 1.

        binnen een in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, opgenomen bouwvlak; of

      • 2.

        ten behoeve van het beschermen en behouden van aardkundige waarden.

Artikel 5.92 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;  

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit.

Artikel 5.93 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als:

    • a.

      de aardkundige waarden niet onevenredig worden geschaad; en

    • b.

      het herstel van de aardkundige waarden niet onevenredig wordt gehinderd. 

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.5.

Afdeling 5.8 Milieu

Paragraaf 5.8.1 Milieu - algemeen
Artikel 5.94 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op: 

    • a.

      wonen; 

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; 

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; 

    • d.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;

      • 2.

        dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of

      • 3.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;

    • f.

      het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en 

    • g.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. 

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk. 

Artikel 5.95 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid; 

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en 

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en 

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.96 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.94 in ieder geval in dat: 

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; 

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen; 

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast; 

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; 

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; 

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd; 

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund; 

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd; 

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en 

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit. 

  • 2.

    De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt in ieder geval ook in dat: 

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en 

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 3.

    De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, voor zover die ziet op het tweede lid van dit artikel, en het tweede lid van dit artikel, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 5.97 Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn. 

Paragraaf 5.8.2 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken
Artikel 5.98 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem

Artikel 5.99 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:  

  • a.

    het voorkomen van interferentie tussen gesloten en open bodemenergiesystemen; en 

  • b.

    het bevorderen van een doelmatig gebruik van bodemenergie. 

Artikel 5.100 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken: 

  • a.

    in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of 

  • b.

    met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer. 

Artikel 5.101 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd; 

  • b.

    de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld; 

  • c.

    gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend; 

  • d.

    een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen; 

  • e.

    informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en 

  • f.

    de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten. 

Artikel 5.102 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als: 

  • a.

    het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en 

  • b.

    er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.  

Paragraaf 5.8.3 Afvalwater lozen – algemeen
Artikel 5.103 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater. 

  • 2.

    Deze paragraaf geldt niet voor zover de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 5.104 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.105 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater te lozen: 

    • a.

      op of in de bodem; en 

    • b.

      in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      lozingen die op grond van andere bepalingen in dit omgevingsplan zijn toegestaan; 

    • b.

      wonen; 

    • c.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of 

    • d.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld. 

Artikel 5.106 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en 

  • b.

    het soort afvalwater. 

Artikel 5.107 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. 

Paragraaf 5.8.4 Afvloeiend hemelwater lozen
Artikel 5.108 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; 

  • b.

    geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en 

  • c.

    geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is. 

Artikel 5.109 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen.  

Artikel 5.110 Informatieplicht

Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

  • a.

    de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en 

  • b.

    de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

Artikel 5.111 Lozen van afvloeiend hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat: 

    • a.

      afkomstig is van wonen; of 

    • b.

      al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd. 

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen. 

Paragraaf 5.8.5 Grondwater lozen bij sanering of ontwatering
Artikel 5.112 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;  

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en 

  • c.

    ontwatering. 

Artikel 5.113 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.114 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.112, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:  

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of  

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen. 

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken. 

Artikel 5.115 Lozen van grondwater bij saneringen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster. 

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.29, gemeten in een steekmonster. 

  • 4.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool. 

    Tabel 5.29 Emissiegrenswaarden 

    Stof 

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l 

    Naftaleen 

    0,2 μg/l 

    PAK’s 

    1 μg/l 

    BTEX 

    50 μg/l 

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor 

    20 μg/l 

    Aromatische organohalogeen-verbindingen 

    20 μg/l 

    Minerale olie 

    500 μg/l 

    Cadmium 

    4 μg/l 

    Kwik 

    1 μg/l 

    Koper  

    11 μg/l 

    Nikkel 

    41 μg/l 

    Lood 

    53 μg/l 

    Zink 

    120 μg/l 

    Chroom 

    24 μg/l 

    Onopgeloste stoffen 

    50 μg/l 

Artikel 5.116 Lozen van grondwater bij ontwatering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l. 

  • 4.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u. 

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen. 

Paragraaf 5.8.6 Huishoudelijk afvalwater lozen
Artikel 5.117 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het lozen van huishoudelijk afvalwater. 

Artikel 5.118 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater;  

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; 

  • d.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

  • e.

    een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.119 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.121, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; 

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater: 

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of 

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. 

Artikel 5.120 Geen voedselvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd. 

Artikel 5.121 Lozen van huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan: 

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten; 

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten; 

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten; 

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en 

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten. 

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend: 

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en 

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd. 

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt. 

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of 

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. 

Artikel 5.122 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening. 

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.36. 

    Tabel 5.36 Emissiegrenswaarden 

    Stof 

    Emissiegrenswaarden in mg/l 

     

     

    Representatief etmaalmonster 

    Steekmonster 

    Biochemisch zuurstofgebruik 

    30 mg/l 

    60 mg/l 

    Chemisch zuurstofgebruik 

    150 mg/l 

    300 mg/l 

    Onopgeloste stoffen 

    30 mg/l 

    60 mg/l 

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank: 

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. 

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; 

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen. 

Paragraaf 5.8.7 Koelwater lozen
Artikel 5.123 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 5.124 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.125 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.123, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de maximale warmtevracht; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.126 Koelwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool. 

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd. 

Paragraaf 5.8.8 Afvalwater lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken
Artikel 5.127 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. 

Artikel 5.128 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.129 Periodiek reinigen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd. 

Paragraaf 5.8.9 Afvalwater lozen bij opslaan en overslaan van goederen
Artikel 5.130 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. 

Artikel 5.131 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater;

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.132 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn: 

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving; 

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout; 

  • d.

    snoeihout;  

  • e.

    banden van voertuigen; 

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt; 

  • g.

    straatmeubilair; 

  • h.

    tuinmeubilair; 

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal; 

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; 

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; 

  • l.

    papier en karton; 

  • m.

    textiel en tapijt; en 

  • n.

    vlakglas. 

Artikel 5.133 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.130, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de opgeslagen goederen; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen. 

Artikel 5.134 Lozen bij opslaan van inerte goederen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. 

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt. 

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen. 

Artikel 5.135 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route. 

Paragraaf 5.8.10 Afvalwater lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
Artikel 5.136 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit: 

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en 

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet. 

Artikel 5.137 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.138 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. 

Artikel 5.139 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd. 

Paragraaf 5.8.11 Afvalwater lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 5.140 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit. 

Artikel 5.141 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.142 Schoonmaken drinkwaterleidingen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is. 

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast. 

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd. 

Paragraaf 5.8.12 Afvalwater lozen bij calamiteitenoefeningen
Artikel 5.143 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening. 

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 5.144 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.145 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.143, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.146 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. 

Paragraaf 5.8.13 Afvalwater lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 5.147 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 

Artikel 5.148 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.149 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelen 5.152, en 5.153, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; 

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en 

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.150 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Artikel 5.151 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route. 

Artikel 5.152 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute. 

Artikel 5.153 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route. 

Paragraaf 5.8.14 Afvalwater lozen bij maken van betonmortel
Artikel 5.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 

Artikel 5.155 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.156 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.154, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de lozingsroute; 

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en 

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.157 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 5.74, gemeten in een steekmonster. 

     

    Tabel 5.74 Emissiegrenswaarden 

    Stof  

    Emissiegrenswaarden in mg/l 

    Onopgeloste stoffen 

    100 mg/l 

    Chemisch zuurstofgebruik 

    200 mg/l 

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

Paragraaf 5.8.15 Beton uitwassen
Artikel 5.158 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 

Artikel 5.159 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.160 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.158 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: 

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en 

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.161 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool. 

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster. 

Paragraaf 5.8.16 Recreatieve visvijver exploiteren
Artikel 5.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. 

Artikel 5.163 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • b.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • c.

    het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.164 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.162 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en 

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten; 

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.165 Water: lozingsroute

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool. 

Paragraaf 5.8.17 Fotografisch materiaal ontwikkelen of afdrukken
Artikel 5.166 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op: 

    • a.

      digitaal afdrukken; en 

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen. 

Artikel 5.167 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.168 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.166 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en 

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; 

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.169 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast. 

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver. 

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster. 

Paragraaf 5.8.18 Motorvoertuigen wassen
Artikel 5.170 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing: 

    • a.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en 

    • b.

      op wassen van motorvoertuigen bij wonen. 

Artikel 5.171 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.172 Bodem
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. 

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst. 

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen. 

Artikel 5.173 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen. 

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider: 

    • a.

      als bedoeld in artikel 6.3f van de Omgevingsregeling; of 

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. 

Paragraaf 5.8.19 Niet-industrieel voedsel bereiden
Artikel 5.174 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met: 

    • a.

      keukenapparatuur; 

    • b.

      grootkeukenapparatuur; 

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of 

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht. 

Artikel 5.175 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; en 

    • 3.

      het voorkomen of beperken van geurhinder. 

Artikel 5.176 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.174 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en 

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;  

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen

Artikel 5.177 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool. 

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen. 

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd. 

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en vetafscheider.

Artikel 5.178 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd: 

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of 

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie. 

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter. 

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing: 

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en 

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare. 

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: 

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of 

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Paragraaf 5.8.20 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren
Artikel 5.179 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 5.180 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; en 

  • b.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 1. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht; en 2. het voorkomen of beperken van geurhinder. 

Artikel 5.181 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit, als bedoeld in artikel 5.179, is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen. 

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw. 

Paragraaf 5.8.21 Dieren slachten en dierlijke bijproducten, vlees, vis of organen bewerken
Artikel 5.182 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op: 

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten; 

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen; 

    • c.

      het uitsnijden van vis; of 

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 

Artikel 5.183 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; en 

    • 3.

      het voorkomen of beperken van geurhinder. 

Artikel 5.184 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.182 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; 

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en 

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten; 

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.  

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.185 Water: lozingsroute en zuivering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats. 

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van: 

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of 

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 5.182 is uitgevoerd. 

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. 

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door: 

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput als bedoeld in artikel 6.3g van de Omgevingsregeling; of 

    • b.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd. 

  • 5.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid. 

  • 6.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen. 

Artikel 5.186 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder: 

    • a.

      wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en 

    • b.

      worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd: 

      • 1.

        ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of 

      • 2.

        geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie. 

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: 

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of 

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Artikel 5.187 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening. 

Artikel 5.188 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. 

Artikel 5.189 Bodem: eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. 

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht. 

Artikel 5.190 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat: 

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht; 

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht; 

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; 

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein; 

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en 

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt. 

Artikel 5.191 Informatieplicht: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.192 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot: 

  • a.

    de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen; 

  • b.

    de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of 

  • c.

    de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. 

Artikel 5.193 Informeren: herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum. 

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum. 

Artikel 5.194 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen. 

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen. 

Paragraaf 5.8.22 Elektriciteit opwekken met een windturbine
Artikel 5.195 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als: 

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of 

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar. 

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines. 

Artikel 5.196 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 5.195, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar: 

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

  • 2.

    In afwijking van artikel 5.195, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van: 

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Artikel 5.197 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    het beschermen tegen milieuverontreiniging; en 

  • c.

    het voorkomen of beperken van schaduwhinder.

Artikel 5.198 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt. 

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine: 

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en 

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen. 

Artikel 5.199 Slagschaduw: functionele binding

Artikel 5.198 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. 

Artikel 5.200 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit is artikel 5.198 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat: 

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of 

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn. 

Artikel 5.201 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen. 

Paragraaf 5.8.23 Acculader in werking hebben
Artikel 5.202 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat. 

Artikel 5.203 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid; 

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • c.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • d.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • e.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; 

    • 2.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen. 

Artikel 5.204 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening. 

Artikel 5.205 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. 

Paragraaf 5.8.24 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage
Artikel 5.206 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie. 

Artikel 5.207 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; 

    • 2.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en 

    • 3.

      het voorkomen of beperken van geurhinder. 

Artikel 5.208 Informatieplicht: bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en 

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; 

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.209 Lucht en geur: afvoeren emissies
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder: 

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht; 

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en 

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde. 

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit: 

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of 

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Paragraaf 5.8.25 Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
Artikel 5.210 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast. 

Artikel 5.211 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; en 

  • b.

    het beschermen van het milieu, waaronder het voorkomen of beperken van lichthinder. 

Artikel 5.212 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.210 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en 

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.213 Licht
  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld: 

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en 

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met: 

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt; 

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of 

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar. 

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag. 

Paragraaf 5.8.26 Vaste mest opslaan
Artikel 5.214 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing: 

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en 

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 

  • 3.

    De artikelen 5.219 tot en met 5.223 zijn van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3 

Artikel 5.215 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; en 

    • 3.

      het voorkomen of beperken van geurhinder. 

Artikel 5.216 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan. 

Artikel 5.217 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

Artikel 5.218 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. 

Artikel 5.219 Informatieplicht
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.214, derde lid, worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; 

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd; 

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en 

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; 

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.220 Bodem: opslag
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen: 

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of 

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd. 

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen: 

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen; 

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of 

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd. 

Artikel 5.221 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. 

Artikel 5.222 Water: lozingsroute
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem. 

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. 

Artikel 5.223 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen: 

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of 

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden. 

Paragraaf 5.8.27 Drijfmest, digestaat of dunne fractie opslaan
Artikel 5.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie. 

Artikel 5.225 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:  

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid; 

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • c.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • d.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • e.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; 

    • 3.

      het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; en 

    • 4.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. 

Artikel 5.226 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. 

Artikel 5.227 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins. 

Artikel 5.228 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing. 

Paragraaf 5.8.28 Kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opslaan
Artikel 5.229 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van: 

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of 

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat. 

Artikel 5.230 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    een doelmatig beheer van afvalwater; 

  • c.

    het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; en 

  • d.

    het beschermen van het milieu, waaronder: 

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 

    • 2.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen; en 

    • 3.

      het voorkomen of beperken van geurhinder. 

Artikel 5.231 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in artikel 5.229 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen; 

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven: 

      • 1.

        de grenzen van het terrein; 

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; 

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; 

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; 

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd; 

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en 

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen; 

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; 

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en 

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders. 

Artikel 5.232 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen. 

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt. 

Artikel 5.233 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. 

Artikel 5.234 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem. 

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. 

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen. 

Artikel 5.235 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als: 

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en 

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen. 

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. 

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen. 

Paragraaf 5.8.29 Opslaan van voorwerpen en stoffen
Artikel 5.236 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het in de openlucht en buiten de openbare weg opslaan van de volgende goederen:

    • a.

      onbruikbare of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; 

    • b.

      een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; 

    • c.

      kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    • d.

      mest en gier, een verzameling vuil, ingekuild gras, loof of pulp, ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen of oude metalen. 

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing op activiteiten die zijn toegestaan op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Artikel 5.237 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het voorkomen of beperken van overlast; 

  • b.

    het voorkomen van schade aan de volksgezondheid; en

  • c.

    het voorkomen van schade aan het uiterlijk aanzien van de omgeving.

Artikel 5.238 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor het opslaan van de goederen, bedoeld in artikel 5.236, eerste lid, in ieder geval in dat de eigenaar van of degene die uit anderen hoofde bevoegd is voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen op te slaan en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het opslaan tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, verplicht is alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

Artikel 5.239 Verbod opslaan van voorwerpen en stoffen

Het is verboden om de volgende voorwerpen en stoffen op te slaan: 

  • a.

    een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; 

  • b.

    een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; 

  • c.

    kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

  • d.

    mest en gier, een verzameling vuil, ingekuild gras, loof of pulp, ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen of oude metalen. 

Afdeling 5.9 Water

Paragraaf 5.9.1 Activiteiten bij een waterstaatswerk
Artikel 5.240 Toepassingsbereik

Deze paragaaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten binnen de locaties Waterkering, Waterbergingsgebied en Bergbezinkbassin:

  • a.

    het bouwen van bouwwerken;

  • b.

    het aanbrengen van verharding;

  • c.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • d.

    het aanbrengen van beplanting;

  • e.

    het indrijven van voorwerpen;

  • f.

    het aanleggen van kabels of leidingen; en

  • g.

    het graven, dempen of verleggen van een watergang, sloot of poel.

Artikel 5.241 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van een goede staat en werking van waterstaatswerken en bergbezinkbassins.

Artikel 5.242 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen de locaties Waterkering, Waterbergingsgebied en Bergbezinkbassin:

    • a.

      een bouwwerk te bouwen;

    • b.

      verharding aan te brengen;

    • c.

      het maaiveld te veranderen;

    • d.

      diepwortelende beplanting of bomen aan te brengen;

    • e.

      een voorwerp in te drijven;

    • f.

      een kabel of leiding aan te leggen;

    • g.

      het graven, dempen of verleggen van een watergang, sloot of poel.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde die worden gebouwd ten behoeve van het waterstaatswerk of bergbezinkbassin; en

    • b.

      normaal onderhoud en beheer.

Artikel 5.243 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit:

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit.

Artikel 5.244 Beoordelingsregels
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als geen afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van het waterstaatswerk of bergbezinkbassin. 

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.6.

Paragraaf 5.9.2 Activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied
Artikel 5.245 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de volgende activiteiten in een Grondwaterbeschermingsgebied:

  • a.

    het bouwen van bouwwerken;

  • b.

    het houden van een evenement; en

  • c.

    het gebruiken van schadelijke stoffen of schadelijke uitloogbare materialen.

Artikel 5.246 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit.

Artikel 5.247 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 5.248 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit:

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een bouwtekening.

Artikel 5.249 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als: 

    • a.

      er geen risico is op schade aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en

    • b.

      er geen schadelijke uitloogbare materialen worden gebruikt.

  • 2.

    Onder schadelijke uitloogbare materialen wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      zink, loop en koper;

    • b.

      gewolmaniseerd hout; en

    • c.

      teerbitumen.

  • 3.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.7.

Paragraaf 5.9.3 Activiteiten in een waterwingebied
Artikel 5.250 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten in een Waterwingebied:

  • a.

    het bouwen van bouwwerken;

  • b.

    het houden van een evenement; en

  • c.

    het gebruiken van schadelijke stoffen of schadelijke uitloogbare materialen.

Artikel 5.251 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening.  

Artikel 5.252 Verbod
  • 1.

    Het is verboden een als bedoeld in artikel 5.250 te verrichten in een Waterwingebied.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het bouwen van een put voor de waterwinning.

Paragraaf 5.9.4 Activiteiten bij een grondwatermeetpunt
Artikel 5.253 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten op de locatie :

  • a.

    het bouwen van bouwwerken;

  • b.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • c.

    het aanbrengen van beplanting; en

  • d.

    het aanleggen van kabels of leidingen.

Artikel 5.254 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behouden van het grondwatermeetpunt en de toegankelijkheid daarvan.

Artikel 5.255 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning activiteiten als bedoeld in artikel 5.253 te verrichten op de locatie .

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het aanbrengen van beplanting, anders dan diepwortelende beplanting; of

    • b.

      normaal beheer en onderhoud.

Artikel 5.256 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit:

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een verantwoording van de wijze waarop het grondwatermeetpunt en de toegankelijkheid daarvan behouden blijven.

Artikel 5.257 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als het grondwatermeetpunt en de toegankelijkheid daarvan behouden blijven.

Paragraaf 5.9.5 Activiteiten in een reserveringsgebied - waterberging
Artikel 5.258 Toepassingsbereik

Deze paragaaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten binnen een Reserveringsgebied waterberging:

  • a.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • b.

    het indrijven van voorwerpen;

  • c.

    het aanleggen van drainage of een bronbemaling, of het op andere wijze verlagen van de grondwaterstand;

  • d.

    het onderbemalen van een watergang;

  • e.

    het aanleggen van een dam, stuw of oeverbeschoeiing;

  • f.

    het graven, dempen of verleggen van een watergang, sloot of poel;

  • g.

    het aanbrengen van verharding; en

  • h.

    het aanleggen van kabels of leidingen.

Artikel 5.259 Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het reserveren van het gebied voor waterberging. 

Artikel 5.260 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 5.258, te verrichten in een Reserveringsgebied waterberging.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor activiteiten:

    • a.

      ten behoeve van normaal onderhoud en beheer;

    • b.

      van zodanig geringe omvang en ondergeschikte betekenis zijn dat daardoor geen aantasting van de aanwezige waarden plaatsvindt; 

    • c.

      die worden verricht voor de aanleg van ondergrondse kabels en leidingen; of

    • d.

      die worden verricht binnen het bouwvlak. 

Artikel 5.261 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit:

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit.

Artikel 5.262 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit de waarde van het reserveringsgebied voor waterberging niet aantast of kan aantasten.

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.6.

Paragraaf 5.9.6 Activiteiten in de attentiezone waterhuishouding
Artikel 5.263 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het verrichten van de volgende activiteiten binnen de Attentiezone waterhuishouding:

  • a.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden;

  • b.

    het aanleggen van drainage of een bronbemaling, of het op andere wijze verlagen van de grondwaterstand; en

  • c.

    het aanbrengen van verharding.

Artikel 5.264 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de kwaliteit van watersystemen.

Artikel 5.265 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de activiteiten, bedoeld in artikel 5.263, te verrichten in de Attentiezone waterhuishouding.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het verzetten van grond van minder dan 100 m3 en op een diepte van minder dan 60 cm beneden het maaiveld;

    • b.

      vervanging van een bestaande drainage; 

    • c.

      het graven van sloten;

    • d.

      grondwateronttrekkingen;

    • e.

      werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud van de gronden; of

    • f.

      het aanbrengen van verhard oppervlak binnen een agrarisch bouwwerkperceel.

Artikel 5.266 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;

  • b.

    de reden voor de activiteit;

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit; en

  • d.

    een berekening van de gevolgen van de activiteit voor de hydrologische situatie in de Attentiezone waterhuishouding.

Artikel 5.267 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit:

    • a.

      de activiteit geen nadelige effecten heeft voor de grondwaterstand in natte natuurparels; en

    • b.

      het waterschap geen fundamentele bezwaren heeft tegen het verlenen van de omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.6.

Paragraaf 5.9.7 Activiteiten in het gebied behoud en herstel van watersystemen
Artikel 5.268 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de volgende activiteiten in het Gebied behoud en herstel van watersystemen:

  • a.

    het aanbrengen van verharding;

  • b.

    het bouwen van bouwwerken; en

  • c.

    het uitvoeren van grondwerkzaamheden.

Artikel 5.269 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de waterhuishouding en het voorkomen van negatieve gevolgen van verharding op het behoud, beheer en herstel van het watersysteem en de ecologische verbindingszone.

Artikel 5.270 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied behoud en herstel van watersystemen:

    • a.

      een bouwwerk te bouwen; of

    • b.

      gronden op te hogen.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het bouwen van een bouwwerk, als dat bouwwerk eenvoudig te verwijderen is.

Artikel 5.271 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

  • a.

    een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit;

  • b.

    de reden voor de activiteit; en

  • c.

    een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit.

Artikel 5.272 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen niet onevenredig belemmerd worden.

  • 2.

    Bij het beoordelen van de aanvraag wordt rekening gehouden met het advies, bedoeld in artikel 10.6.

Artikel 5.273 Meldingsplicht
  • 1.

    Het is verboden verharding aan te brengen in het Gebied behoud en herstel van watersystemen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Bij een melding worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit; en

    • b.

      een beschrijving van het type verharding.

Artikel 5.274 Algemene regels
  • 1.

    Binnen het Gebied behoud en herstel van watersystemen wordt alleen verharding aangebracht die eenvoudig te verwijderen is.

  • 2.

    Als een project voor het verbeteren van de morfologie wordt uitgevoerd, wordt de verharding, met inbegrip van een eventuele funderingslaag, verwijderd.

  • 3.

    Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op de verharding geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop de verharding wordt verwijderd, stelt het college van burgemeester en wethouders die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Afdeling 5.10 Woonruimte

[Gereserveerd]

D

Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 4 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

[Vervallen]

E

Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 5 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

[Vervallen]

F

Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 6 [Gereserveerd] Gebiedsgerichte activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 6.1 Algemeen

[Gereserveerd]

G

Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 [Gereserveerd] Activiteiten met betrekking tot transformatiegebieden

H

Na hoofdstuk 7 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 8 Beheer en onderhoud

Afdeling 8.1 Instandhouding

Paragraaf 8.1.1 Instandhouding niet-openbare riolen en putten
Artikel 8.1 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen van gevaar voor de omgeving;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beperken van hinder.  

Artikel 8.2 Normadressaat

Aan artikel 8.3 wordt voldaan door de eigenaar, rechthebbende of gebruiker van een perceel. 

Artikel 8.3 Instandhouding niet-openbare riolen

Er wordt zorg voor gedragen dat niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen zich niet mogen bevinden in een toestand die:

  • a.

    gevaar oplevert voor de veiligheid;  

  • b.

    nadeel veroorzaakt voor de gezondheid; en 

  • c.

    hinderlijk is voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. 

I

Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 8 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

[Vervallen]

J

Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 9 [Gereserveerd] Financiële bepalingen

[Gereserveerd]

Afdeling 9.1 Kostenverhaal

Paragraaf 9.1.1 Algemene regels kostenverhaal

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.1.2 Forfaitair kostenverhaal

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.1.3 Kostenverhaal met en zonder tijdvak

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.1.4 Kostenverhaal in een transformatiegebied met tijdvak

[Gereserveerd]

Paragraaf 9.1.5 Kostenverhaal in een transformatiegebied zonder tijdvak

[Gereserveerd]

K

Na hoofdstuk 9 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 10 Procedureregels

Afdeling 10.1 Voorbereiding van besluiten

[Gereserveerd]

Afdeling 10.2 Gemeentelijke projecten van publiek belang

[Gereserveerd]

Afdeling 10.3 Advies

Artikel 10.1 Advies deskundige op cultuurhistorisch gebied

Het college van burgemeester en wethouders vraagt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten in een gebied met cultuurhistorische waarde als bedoeld in paragraaf 5.3.1 advies aan een deskundige op cultuurhistorisch gebied over de gevolgen van die activiteiten voor de aanwezige cultuurhistorische waarde.

Artikel 10.2 Advies molenbeheerder bij omgevingsvergunning molenbiotoop

Het college van burgemeester en wethouders vraagt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten in een molenbiotoop als bedoeld in paragraaf 5.3.2 advies aan de molenbeheerder over de gevolgen van die activiteiten voor het functioneren van de molen en voor de waarde van de molen als landschapsbepalend element.

Artikel 10.3 Advies leidingbeheerder bij omgevingsvergunning beperkingengebied leidingen

Het college van burgemeester en wethouders vraagt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten advies aan de leidingbeheerder over de gevolgen van die activiteiten voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding:

  • a.

    activiteiten in het beperkingengebied leidingen als bedoeld in paragraaf 5.6.9; en

  • b.

    activiteiten in het beperkingengebied hoogspanningsverbinding als bedoeld in paragraaf 5.6.10.

Artikel 10.4 Advies bij omgevingsvergunning radarverstoringsgebied en luchtvaartverkeersgebied

Het college van burgemeester en wethouders vraagt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk of het plaatsen van een object in een radarverstoringsgebied of luchtvaartverkeersgebied als bedoeld in de paragrafen 5.6.11 en 5.6.12 advies aan het Ministerie van Defensie, de Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen en de directie Brabant over de gevolgen van het bouwwerk voor het radarbeeld.

Artikel 10.5 Advies deskundige op aardkundig gebied

Het college van burgemeester en wethouders vraagt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten in een gebied met aardkundige waarden als bedoeld in paragraaf 5.7.1 advies aan een deskundige op aardkundig gebied over de gevolgen van die activiteiten voor de aanwezige aardkundige waarden.

Artikel 10.6 Advies waterschap bij omgevingsvergunningen

Het college van burgemeester en wethouders vraagt bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor de volgende activiteiten advies aan het waterschap over de gevolgen van die activiteiten voor het watersysteem:

  • a.

    activiteiten bij een waterstaatswerk als bedoeld in paragraaf 5.9.1;

  • b.

    activiteiten in een reserveringsgebied - waterberging als bedoeld in paragraaf 5.9.5;

  • c.

    activiteiten in een attentiezone waterhuishouding als bedoeld in paragraaf 5.9.6; en

  • d.

    activiteiten in een gebied behoud en herstel van watersystemen als bedoeld in paragraaf 5.9.7.

Artikel 10.7 Advies beheerder bij omgevingsvergunning grondwaterbeschermingsgebied

Het college van burgemeester en wethouders vraagt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in paragraaf 5.9.2 advies aan de beheerder van het waterwingebied over de gevolgen van die activiteiten en van de daarbij gebruikte materialen op de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

L

Hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 10 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

[Vervallen]

M

Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 11 [Gereserveerd] Handhaving

N

Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 12 [Gereserveerd] Monitoring en evaluatie

O

Na hoofdstuk 12 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 13 Overgangsrecht

Afdeling 13.1 Algemeen overgangsrecht

[Gereserveerd]

Afdeling 13.2 Specifiek overgangsrecht

[Gereserveerd]

Afdeling 13.3 Voorrangsbepalingen

Artikel 13.1 Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan
  • 1.

    De regels uit de volgende in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen bestemmingen zijn niet van toepassing:

    • a.

      Buisleidingenstraat;

    • b.

      buisleidingenstraat;

    • c.

      Leiding - Brandstof;

    • d.

      Leiding – Brandstof;

    • e.

      Leiding - Gas;

    • f.

      Leiding – Gas;

    • g.

      Leiding - Gas - 1;

    • h.

      Leiding - Hoogspanning;

    • i.

      Leiding - Leidingstrook;

    • j.

      Leiding - Riool;

    • k.

      Leiding – Riool;

    • l.

      Leiding - Water;

    • m.

      Leiding – Water;

    • n.

      Waarde - Aardkundig waardevol gebied;

    • o.

      Waarde - Archeologie;

    • p.

      Waarde – Archeologie;

    • q.

      Waarde - Archeologie 1;

    • r.

      Waarde - Archeologie 2;

    • s.

      Waarde - Archeologie 3;

    • t.

      Waarde - Cultuurhistorie;

    • u.

      Waarde – Cultuurhistorie;

    • v.

      Waterstaat - Bergbezinkbassins;

    • w.

      Waterstaat - Waterbergingsgebied; en

    • x.

      Waterstaat - Waterkering.

  • 2.

    De regels uit de volgende in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen gebiedsaanduidingen zijn niet van toepassing:

    • a.

      luchtvaartverkeerzone;

    • b.

      Luchtvaartverkeerzone 1;

    • c.

      Luchtvaartverkeerzone - 1;

    • d.

      luchtvaartverkeerzone - 1;

    • e.

      Luchtvaartverkeerzone 2;

    • f.

      Luchtvaartverkeerzone - 2;

    • g.

      Luchtvaartverkeerzone – 2;

    • h.

      luchtvaartverkeerzone - 2;

    • i.

      Luchtvaartverkeerzone 3;

    • j.

      Luchtvaartverkeerzone 4;

    • k.

      Luchtvaartverkeerzone 5;

    • l.

      Luchtvaartverkeerzone 6;

    • m.

      Luchtvaartverkeerzone - 6;

    • n.

      Luchtvaartverkeerzone 7;

    • o.

      Luchtvaartverkeerzone - 7;

    • p.

      luchtvaartverkeerzone - 7;

    • q.

      Luchtvaartverkeerzone 8;

    • r.

      Luchtvaartverkeerzone - 8;

    • s.

      luchtvaartverkeerzone - 8;

    • t.

      Luchtvaartverkeerzone 9;

    • u.

      Milieuzone - Grondwaterbeschermingsgebied;

    • v.

      Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied;

    • w.

      Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied;

    • x.

      milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied;

    • y.

      Milieuzone - Waterwingebied;

    • z.

      Milieuzone - waterwingebied;

    • aa.

      Overig - aardkundig waardevol gebied;

    • ab.

      overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied;

    • ac.

      Vrijwaringszone - buisleidingstraat;

    • ad.

      Vrijwaringszone - Luchtvaartverkeerzone 8;

    • ae.

      Vrijwaringszone - Molenbiotoop;

    • af.

      Vrijwaringszone - molenbiotoop;

    • ag.

      Vrijwaringszone – molenbiotoop;

    • ah.

      vrijwaringszone - molenbiotoop;

    • ai.

      Vrijwaringszone - radar;

    • aj.

      Vrijwaringszone – Radar;

    • ak.

      Vrijwaringszone – radar;

    • al.

      vrijwaringszone - radar;

    • am.

      Vrijwaringszone - radar 1;

    • an.

      vrijwaringszone - radar 1;

    • ao.

      Vrijwaringszone - radar 2;

    • ap.

      Vrijwaringszone - radar - 2;

    • aq.

      Vrijwaringszone – radar 2;

    • ar.

      vrijwaringszone - radar 2;

    • as.

      Vrijwaringszone - Radarverstoringsgebied;

    • at.

      Vrijwaringszone - radarverstoringsgebied;

    • au.

      Vrijwaringszone - weg 1;

    • av.

      vrijwaringszone - weg 1;

    • aw.

      Vrijwaringszone - weg 2; en

    • ax.

      vrijwaringszone - weg 2.

P

Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 13 [Gereserveerd]

[Gereserveerd]

[Vervallen]

Q

Paragraaf 22.3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

[Vervallen]

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

[Vervallen]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

R

Artikel 22.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69 en Artikel 22.71, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; en

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en.

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in Paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.67 en Artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

S

Subparagraaf 22.3.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel  22.2455.223, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel  22.2455.223, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel  22.2455.223, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel  22.2455.223, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig object op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 22.93 Geur: functionele binding

De waarden, bedoeld in de Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel  22.2455.223, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding

Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel  22.2455.223, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

Artikel 22.95 Geur: cumulatie

Bij de waarden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in Subparagraaf 22.3.6.2 en Subparagraaf 22.3.6.4 en Artikel  22.2455.223, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

T

Subparagraaf 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen - vervallen

[Vervallen]

Artikel 22.133 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.134 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.135 Gereserveerd

[Vervallen]

Artikel 22.136 Gereserveerd

[Vervallen]

U

Paragraaf 22.3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

[Vervallen]

Artikel 22.137 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.137, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.26, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

    Tabel 22.3.26 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in µg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 µg/l

    PAK's

    1 µg/l

    BTEX

    50 µg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 µg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 µg/l

    Minerale olie

    500 µg/l

    Cadmium

    4 µg/l

    Kwik

    1 µg/l

    Koper

    11 µg/l

    Nikkel

    41 µg/l

    Lood

    53 µg/l

    Zink

    120 µg/l

    Chroom

    24 µg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 4.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

Subparagraaf 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Artikel 22.142 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • b.

    geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

  • c.

    geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

    • a.

      afkomstig is van wonen; of

    • b.

      al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

Subparagraaf 22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater

[Vervallen]

Artikel 22.145 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.148, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

[Vervallen]

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.

    Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden

    Stof

    E missiegrenswaarden in mg/l

     
     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1 / NEN-EN-ISO 5815-2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

Subparagraaf 22.3.8.4 Lozen van koelwater

[Vervallen]

Artikel 22.151 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.151, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.153 Koelwater

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken

[Vervallen]

Artikel 22.154 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

[Vervallen]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

Subparagraaf 22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen

[Vervallen]

Artikel 22.156 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 22.157 Inerte goederen

[Vervallen]

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.156, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

[Vervallen]

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Subparagraaf 22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

[Vervallen]

Artikel 22.162 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

[Vervallen]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

[Vervallen]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Subparagraaf 22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

[Vervallen]

Artikel 22.165 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.

Subparagraaf 22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen

[Vervallen]

Artikel 22.167 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.167, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

[Vervallen]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

V

Paragraaf 22.3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

[Vervallen]

Artikel 22.170 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in Artikel 22.174 en Artikel 22.175, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

[Vervallen]

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

[Vervallen]

  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

[Vervallen]

  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

[Vervallen]

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

W

Paragraaf 22.3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

[Vervallen]

Artikel 22.177 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.177 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.179 Water

[Vervallen]

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.28, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 22.3.28 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

X

Paragraaf 22.3.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

[Vervallen]

Artikel 22.181 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.181 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.183 Water

[Vervallen]

  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Y

Paragraaf 22.3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers

[Vervallen]

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.185 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

[Vervallen]

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Z

Paragraaf 22.3.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

[Vervallen]

Artikel 22.188 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      digitaal afdrukken; en

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.188 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.190 Water

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

AA

Paragraaf 22.3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

[Vervallen]

Artikel 22.192 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en

    • b.

      op wassen van motorvoertuigen bij wonen.

Artikel 22.193 Bodem

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 22.194 Water

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1 A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

BB

Paragraaf 22.3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

[Vervallen]

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.196 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.198 Water

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 22.199 Geur

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

CC

Paragraaf 22.3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

[Vervallen]

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

[Vervallen]

  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.200 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

DD

Paragraaf 22.3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.

[Vervallen]

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.202 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in Artikel 22.202 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

    • a.

      wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

    • b.

      worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

      • 1.

        ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

      • 2.

        geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

[Vervallen]

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

[Vervallen]

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

[Vervallen]

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

[Vervallen]

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

[Vervallen]

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

EE

Paragraaf 22.3.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine

[Vervallen]

Artikel 22.214 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

[Vervallen]

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.214, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

[Vervallen]

Artikel 22.216 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

[Vervallen]

Bij een agrarische activiteit is Artikel 22.216 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

[Vervallen]

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

[Vervallen]

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

FF

Paragraaf 22.3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

[Vervallen]

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

GG

Paragraaf 22.3.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

[Vervallen]

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

HH

Paragraaf 22.3.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten

[Vervallen]

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

[Vervallen]

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in Artikel 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

[Vervallen]

  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

[Vervallen]

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

[Vervallen]

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

[Vervallen]

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

[Vervallen]

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

II

Paragraaf 22.3.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

[Vervallen]

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.239 Licht

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

JJ

Paragraaf 22.3.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest

[Vervallen]

Artikel 22.240 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.242 Bodem: opslag

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 22.245 Geur

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony's die worden gehouden voor het berijden.

KK

Paragraaf 22.3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

[Vervallen]

Artikel 22.246 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

LL

Artikel 22.260 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

MM

Artikel 22.267 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3; of

    • b.

      meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; en

    • b.

      het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

NN

Artikel 22.269 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

[Vervallen]

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen; of

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

OO

Artikel 22.270 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in Artikel 22.261 tot en met Artikel  22.26922.268, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

PP

Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

Attentiezone waterhuishouding

/join/id/regdata/gm0873/2026/dd8739f683914d099714545b05d53d11/nld@2026‑09‑02;06030255

Beperkingengebied - leidingen

/join/id/regdata/gm0873/2026/c009bd4b1a734c2c92bf541ef5d15c90/nld@2026‑09‑02;06030255

Beperkingengebied brandstofleiding

/join/id/regdata/gm0873/2026/1aa4a77d3ef946199dade79191b0cbbb/nld@2026‑09‑02;06030255

Beperkingengebied buisleidingenstraat

/join/id/regdata/gm0873/2026/dc29cde6b8c4440983e08da270f3b08a/nld@2026‑09‑02;06030255

Beperkingengebied gasleiding

/join/id/regdata/gm0873/2026/3f81adb6c6694c2dad8017018e8e7d09/nld@2026‑09‑02;06030255

Beperkingengebied hoogspanningsverbinding

/join/id/regdata/gm0873/2026/1a39e923ebc8463ba56ea06cd6e3c433/nld@2026‑09‑02;06030255

Beperkingengebied rioolleiding

/join/id/regdata/gm0873/2026/55a0abc1fd6c4a298e4132fe2fea2060/nld@2026‑09‑02;06030255

Beperkingengebied waterleiding

/join/id/regdata/gm0873/2026/2bdf8855816c45da93c3073bd1006db1/nld@2026‑09‑02;06030255

Bergbezinkbassin

/join/id/regdata/gm0873/2026/641872371668445fb5498f422c95a460/nld@2026‑09‑02;06030255

Gebied behoud en herstel van watersystemen

/join/id/regdata/gm0873/2026/9432fcc25b89466db6d24edaa08f757e/nld@2026‑09‑02;06030255

Gebied met aardkundige waarden

/join/id/regdata/gm0873/2026/7cc361847f5248fd9008b3ab2dffd4b1/nld@2026‑09‑02;06030255

Gebied met cultuurhistorische waarde

/join/id/regdata/gm0873/2026/f11a9196d05f4f79b5870b92af7aafa5/nld@2026‑09‑02;06030255

Grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/gm0873/2026/f8fbbe5ef97b4f21b86becc70be2c794/nld@2026‑09‑02;06030255

Grondwatermeetpunt

/join/id/regdata/gm0873/2026/b8b8ea162a224e0cb1fde526463fdae7/nld@2026‑09‑02;06030255

Luchtvaartverkeersgebied

/join/id/regdata/gm0873/2026/c2974196cee5437fbc40e1db0bed8f03/nld@2026‑09‑02;06030255

Luchtvaartverkeersgebied ILS

/join/id/regdata/gm0873/2026/14ecf8a7a3274be99e1123decd7679fa/nld@2026‑09‑02;06030255

Luchtvaartverkeersgebied OLS

/join/id/regdata/gm0873/2026/ea1a31c764254990978141c74129c1b2/nld@2026‑09‑02;06030255

maximale hoogte Luchtvaartverkeersgebied - ILS

/join/id/regdata/gm0873/2026/8b2504c0f5724777ac06082c1d12f6c1/nld@2026‑09‑02;06030255

maximale hoogte Luchtvaartverkeersgebied - OLS

/join/id/regdata/gm0873/2026/ce1579ded79042be9613b17a627d09dc/nld@2026‑09‑02;06030255

maximale hoogte Radarverstoringsgebied

/join/id/regdata/gm0873/2026/51531b00257b4f678ec6cec3f0dc2b47/nld@2026‑09‑02;06030255

maximum bouwhoogte - Molenbiotoop

/join/id/regdata/gm0873/2026/25928ee187704c8ba7f2836f8515f31d/nld@2026‑09‑02;06030255

Militaire vliegbasis

/join/id/regdata/gm0873/2026/978ac09ee7c1441f9e3413eecf43e254/nld@2026‑09‑02;06030255

Molenbiotoop

/join/id/regdata/gm0873/2026/e46ae97fed3c4c58a06ee31635274a2e/nld@2026‑09‑02;06030255

Radarverstoringsgebied

/join/id/regdata/gm0873/2026/a8572550d25645f0a8ba0a96021a177d/nld@2026‑09‑02;06030255

Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang

/join/id/regdata/gm0873/2026/ec11a507f14d48c39869654d89b0ddb8/nld@2026‑09‑02;06030255

Reserveringsgebied waterberging

/join/id/regdata/gm0873/2026/376f1c2aa65447ca8c2cf27449e03d93/nld@2026‑09‑02;06030255

Verbod standplaatsen

/join/id/regdata/gm0873/2026/d8c115c0a168435185ec0ecb67a408a3/nld@2026‑09‑02;06030255

Vergunningplicht standplaatsen

/join/id/regdata/gm0873/2026/6742acb1d4dd4801a8702d83e72e860f/nld@2026‑09‑02;06030255

Waterbergingsgebied

/join/id/regdata/gm0873/2026/f60cfcc79e8c4ecba63719c0b87fc885/nld@2026‑09‑02;06030255

Waterkering

/join/id/regdata/gm0873/2026/9c1383f4fae24811947d8ab37764601e/nld@2026‑09‑02;06030255

Waterwingebied

/join/id/regdata/gm0873/2026/2229c4e3e49c4adda741c36b7f1f8979/nld@2026‑09‑02;06030255

QQ

Na sectie ' Begripsbepalingen' worden 352 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Dit artikel beperkt het toepassingsbereik van de afdelingen en paragrafen in de hoofdstukken 5, 6 en 7. Een afdeling of paragraaf uit die hoofdstukken is alleen van toepassing voor zover dat in dit hoofdstuk (de richtingaanwijzer) is bepaald. De afdelingen 5.1 en 6.1 met algemene bepalingen zijn hiervan uitgezonderd en gelden altijd. Deze afdelingen hoeven daardoor niet telkens in de verschillende richtingaanwijzers opgenomen te worden.

Artikel 4.2 Normadressaat

Dit artikel bepaalt wie de regels over een activiteit moet naleven, namelijk degene die de activiteit verricht. Diegene draagt ook zorg voor de naleving. Hiermee wordt aangesloten bij het uitgangspunt van de Omgevingswet dat de verantwoordelijkheid ligt bij degene die de activiteit uitvoert.

Artikel 4.3 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en om vergunningvoorschriften aan een omgevingsvergunning te verbinden over de regels voor activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7. Het bepaalt ook de grenzen van die bevoegdheid: er wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld als het onderwerp via een vergunningvoorschrift kan worden geregeld (vierde lid), en maatwerk is uitgesloten voor zover het Besluit activiteiten leefomgeving dat uitsluit (vijfde lid). Bij het stellen van maatwerk worden de oogmerken van de betreffende regels in acht genomen (zesde lid). Er kan dus geen maatwerkvoorschrift over een regel worden gesteld vanuit een belang dat niet wordt gediend door de regel waaraan invulling wordt gegeven of waarvan wordt afgeweken door het maatwerkvoorschrift.

Artikel 4.4 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat de specifieke zorgplicht voor activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7. Deze zorgplicht wordt waar nodig verder uitgewerkt voor specifieke activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 7.

Artikel 4.5 Algemene gegevens bij een melding

Dit artikel bepaalt welke gegevens elke melding op grond van dit omgevingsplan ten minste bevat. Deze algemene gegevens gelden in aanvulling op de specifieke gegevens die per activiteit in de hoofdstukken 5 tot en met 7 kunnen worden gevraagd.

Artikel 4.6 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Dit artikel bepaalt welke gegevens worden verstrekt bij het aanleveren van gegevens en bescheiden aan het college. Deze algemene gegevens gelden in aanvulling op de specifieke informatieverplichtingen per activiteit.

Artikel 4.7 Gegevens bij het wijzigen van naam, adres of normadressaat

Dit artikel verplicht om wijzigingen in naam of adres, en het overdragen van de activiteit aan een ander, tijdig te melden aan het college, zodat de bij het bevoegd gezag bekende gegevens actueel blijven.

Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om gegevens en bescheiden op te vragen die nodig zijn om te beoordelen of de algemene regels in dit hoofdstuk en de maatwerkvoorschriften nog toereikend zijn, gezien de technische ontwikkelingen en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Die bevoegdheid is echter niet onbegrensd. Als de gegevens redelijkerwijs niet beschikbaar zijn voor degene die de activiteit verricht, hoeft diegene ze ook niet te verstrekken.

Artikel 4.9 Doelen

Dit artikel benoemt het doel waarvoor de regels over cultureel erfgoed zijn gesteld: het behouden, herstellen en duurzaam ontwikkelen van cultureel erfgoed. Het doel vormt het kader voor de regels die op grond van paragraaf 4.2.2 worden gesteld in afdeling 5.3.

Artikel 4.10 Aanwijzing gebied met cultuurhistorische waarde

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Gebied met cultuurhistorische waarde. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.11 Activiteiten in gebieden met cultuurhistorische waarde

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in een gebied met cultuurhistorische waarde. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.12 Aanwijzing molenbiotoop

Dit artikel bevat de aanwijzing van de molenbiotoop. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.13 Activiteiten in een molenbiotoop

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in een molenbiotoop. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.14 Doelen

Dit artikel benoemt de doelen waarvoor de regels over infrastructuur en openbaar toegankelijk gebied zijn gesteld. Deze doelen vormen het kader voor de regels die op grond van paragraaf 4.2.5 worden gesteld in afdeling 5.6.

Artikel 4.15 Aanwijzing reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang. Het gaat om een gebied dat wordt gereserveerd voor de mogelijke aanleg van een buisleiding van nationaal belang. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.16 Activiteiten in een reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in een reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.17 Uitweg aanleggen en veranderen

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het aanleggen en veranderen van een uitweg. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.18 Object plaatsen binnen openbaar toegankelijk gebied

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het plaatsen van een object op een openbare plaats. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.19 Object of beplanting plaatsen en behouden buiten de openbare weg

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het plaatsen en behouden van objecten en beplanting buiten de openbare weg. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.20 Reclame plaatsen

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het plaatsen van reclame binnen openbaar toegankelijk gebied. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.21 Weg aanleggen, veranderen en opbreken

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het aanleggen, veranderen en opbreken van een weg. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.22 Standplaats innemen

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het innemen van een standplaats. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.23 Aanwijzing beperkingengebieden

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Beperkingengebied - leidingen, dat is opgebouwd uit de in de onderdelen a tot en met g genoemde deelgebieden (onder meer brandstofleiding, buisleidingenstraat, gasleiding, hoogspanningsverbinding, leidingstrook, rioolleiding en waterleiding). De locaties hiervan zijn als geometrische informatieobjecten in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.24 Activiteiten in beperkingengebied leidingen

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied - leidingen. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.25 Activiteiten in beperkingengebied hoogspanningsverbinding

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in het beperkingengebied - hoogspanningsverbinding. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.26 Aanwijzing Radarverstoringsgebied

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Radarverstoringsgebied. Dit is een gebied waar regels gelden in verband met een radarinstallatie van defensie. Het radarbeeld van die installatie mag niet verstoord worden door bouwwerken of objecten. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.27 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in het Radarverstoringsgebied

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het bouwen van een bouwwerk of het plaatsen van een object in een radarverstoringsgebied. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.28 Aanwijzing Luchtvaartverkeersgebied

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Luchtvaartverkeersgebied. Dit is een gebied waar regels gelden in verband met de vliegbasis Woensdrecht. Er zijn twee deelgebieden. Allereerst een gebied dat betrekking heeft op het vrijhouden van het luchtruim van (te hoge) bouwwerken en objecten, zodat vliegverkeer daar ongestoord kan vliegen. Dit is het Luchtvaartverkeersgebied OLS (Obstacle Limitation Surfaces). Daarnaast is er een Instrument Landing System actief. Om de werking van dat systeem te garanderen moet de lucht boven een bepaalde hoogte vrijgehouden moet worden van bouwwerken en objecten. Dit is het Luchtvaartverkeersgebied ILS. De locaties bij deze gebieden zijn als geometrische informatieobjectenm in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.29 Bouwwerk bouwen of object plaatsen in het beperkingengebied Luchtvaartverkeersgebied

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het bouwen van een bouwwerk of het plaatsen van een object in een luchtvaartverkeersgebied. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.30 Doelen

Dit artikel benoemt de doelen waarvoor de regels over natuur en landschap zijn gesteld. Deze doelen vormen het kader voor de regels die op grond van paragraaf 4.2.6 worden gesteld in afdeling 5.7.

Artikel 4.31 Aanwijzing Aardkundige waarde

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Gebied met aardkundige waarden. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.32 Activiteiten in een gebied met aardkundige waarde

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in een gebied met aardkundige waarden. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.33 Doelen

Dit artikel benoemt de doelen waarvoor de regels over milieu zijn gesteld. Deze doelen vormen het kader voor de regels die op grond van paragraaf 4.2.7 worden gesteld in afdeling 5.8.

Artikel 4.34 Gesloten bodemenergiesysteem aanleggen en gebruiken

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.35 Afvalwater lozen

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het lozen van afvalwater. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.36 Recreatieve visvijver exploiteren

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het exploiteren van recreatieve visvijvers. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.37 Fotografisch materiaal ontwikkelen en afdrukken

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.38 Motorvoertuigen wassen

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het wassen van motorvoertuigen. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.39 Niet-industrieel voedsel bereiden

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het niet-industrieel bereiden van voedsel. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.40 Voedingsmiddelenbedrijf exploiteren

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het exploiteren van een voedingsmiddelenbedrijf als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.41 Dieren slachten, dierlijke bijproducten bewerken en vlees, vis of organen uitsnijden

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het slachten van dieren, het bewerken van dierlijke bijproducten en het uitsnijden van vlees, vis of organen. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.42 Elektriciteit opwekken met een windturbine

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het opwekken van elektriciteit met een windturbine. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.43 Acculader in werking hebben

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het in werking hebben van een acculader. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.44 Parkeergelegenheid bieden in een parkeergarage

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.45 Gelegenheid bieden voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.46 Vaste mest opslaan

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het opslaan van vaste mest. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.47 Drijfmest, digestaat en dunne fractie opslaan

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.48 Kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen opslaan

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.49 Overige activiteiten

Dit artikel legt vast dat op elke milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet in ieder geval de algemene regels van paragraaf 5.8.1 (Milieu - algemeen) van toepassing zijn. De bepaling vormt daarmee een vangnet en heeft het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.50 Doelen

Dit artikel benoemt de doelen waarvoor de regels over water zijn gesteld. Deze doelen vormen het kader voor de regels die op grond van paragraaf 4.2.8 worden gesteld in afdeling 5.9.

Artikel 4.51 Aanwijzing waterstaatswerken

Dit artikel bevat de aanwijzing van een drietal waterstaatswerken. De locaties hiervan zijn als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.52 Activiteiten bij een waterstaatswerk

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten binnen de locaties Waterkering, Waterbergingsgebied en Bergbezinkbassin. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.53 Aanwijzing grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel bevat de aanwijzing van het grondwaterbeschermingsgebied. In dit gebied gelden regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater, omdat dit water gebruikt wordt voor het winnen van drinkwater. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.54 Activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.55 Aanwijzing waterwingebied

Dit artikel bevat de aanwijzing van het waterwingebied. In dit gebied gelden regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater, omdat dit water gebruikt wordt voor het winnen van drinkwater. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.56 Activiteiten in een waterwingebied

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in een waterwingebied. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.57 Aanwijzing grondwatermeetpunt

Dit artikel bevat de aanwijzing van het grondwatermeetpunt. In dit gebied gelden regels ter bescherming van de locatie als meetpunt. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.58 Activiteiten bij een grondwatermeetpunt

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten op de locatie Grondwatermeetpunt. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.59 Aanwijzing reserveringsgebied waterberging

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Reserveringsgebied waterberging. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.60 Activiteiten in een reserveringsgebied waterberging

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in een reserveringsgebied waterberging. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.61 Aanwijzing attentiezone waterhuishouding

Dit artikel bevat de aanwijzing van de Attentiezone waterhuishouding. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.62 Activiteiten in de attentiezone waterhuishouding

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in de attentiezone waterhuishouding. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 4.63 Aanwijzing Gebied behoud en herstel van watersystemen

Dit artikel bevat de aanwijzing van het Gebied behoud en herstel van watersystemen. De locatie hiervan is als geometrisch informatieobject in het omgevingsplan opgenomen.

Artikel 4.64 Verharding aanbrengen in Gebied Behoud en herstel van watersystemen

Dit artikel legt vast aan welke paragrafen uit hoofdstuk 5 moet worden voldaan bij het verrichten van de activiteit, in dit geval het verrichten van activiteiten in het Gebied behoud en herstel van watersystemen. De bepaling heeft daarmee het karakter van richtingaanwijzer.

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

In deze paragraaf worden de activiteiten gereguleerd die nadelige gevolgen kunnen hebben voor gebieden met cultuurhistorische waarde.

Artikel 5.2 Oogmerken

De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften. In dit geval is het beschermen en in stand houden van de cultuurhistorische waarde het enige oogmerk van de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.3 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten

De vergunningplicht in dit artikel geldt voor alle activiteiten waar deze paragraaf op van toepassing is. Het tweede lid bevat een tweetal uitzonderingen.

Artikel 5.4 Bijzondere aanvraagvereisten

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning. De gevraagde gegevens — een tekening of ingetekende luchtfoto met de locatie van de activiteit, de reden voor de activiteit en een beschrijving van de aard en omvang ervan — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen van de activiteit voor de cultuurhistorische waarde te beoordelen.

Artikel 5.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In het eerste lid van dit artikel is een enkele verleningsgrond opgenomen. Als de cultuurhistorische waarde onevenredig wordt aangetast, kan de vergunning niet worden verleend.

Het tweede lid bevat twee bepalingen die het bevoegd gezag moet meenemen in de beoordeling. Het tweede lid onder b bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van een deskundige op cultuurhistorisch gebied, dat in artikel 10.1 is geregeld. 

Artikel 5.6 Toepassingsbereik

In deze paragraaf worden de activiteiten gereguleerd die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de molen waarvoor de molenbiotoop is aangewezen.

Artikel 5.7 Oogmerken

De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften. In dit geval zijn het beschermen van de landschappelijke waarden en de vrije windvang de oogmerken van de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.8 Meetbepaling

Dit artikel bevat de meetbepaling voor de bouwhoogte binnen de molenbiotoop. Omdat de vrije windvang van de molen bepalend is voor de regels in deze paragraaf, wordt de bouwhoogte gemeten vanaf de bovenkant van de terp waarop de molen is gebouwd. Zo wordt de hoogte van bouwwerken consequent bepaald ten opzichte van het niveau dat voor de windvang van de molen relevant is.

Artikel 5.9 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

De vergunningplicht in dit artikel geldt voor alle activiteiten waar deze paragraaf op van toepassing is. Het tweede lid bevat een drietal uitzonderingen. Deze uitzonderingen zien op activiteiten die weinig invloed hebben op de windvang en het aanzien van de molen. Bij het bouwen van bouwwerken is geen vergunning vereist als wordt voldaan aan de algemene regels die zijn opgenomen in artikel 5.12.

Artikel 5.10 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning. De gevraagde gegevens — een tekening of ingetekende luchtfoto met de locatie van de activiteit, de reden voor de activiteit en een beschrijving van de aard en omvang ervan — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen van de activiteit voor de molenbiotoop, in het bijzonder de vrije windvang en de landschappelijke waarden, te beoordelen.

Artikel 5.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Historische molens spelen een belangrijke rol in het cultuurlandschap, maar kunnen alleen blijven functioneren als ze de daarvoor noodzakelijke windvang hebben. Artikel 5.130, tweede lid, onder d, van het Bkl implementeert (deels) artikel 4 van het verdrag van Granada. Onderdeel 1° van dit tweede lid, onder d, vraagt gemeenten om in het omgevingsplan regels te stellen om aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten te voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd. Deze bescherming ziet ook toe op het voorkomen van het tenietgaan van een historische windmolen door het toestaan van dusdanige bebouwing of beplanting in de omgeving ervan dat deze molen onvoldoende wind vangt.

Naast de windvang is ook de waarde van de molen als landschapsbepalend element opgenomen als verleningsgrond voor de vergunning. Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van de molenbeheerder, dat in artikel 10.2 is geregeld. 

Artikel 5.12 Algemene regels

De algemene regels bevatten maximale bouwhoogten voor bouwwerken, waarbij de maximale bouwhoogte toeneemt naarmate de activiteit op een grotere afstand van de molen wordt verricht. Dit komt omdat een bouwwerk op een grotere afstand van de molen alleen nog maar op grotere hoogte invloed heeft op de windvang van de molen.

Artikel 5.13 Toepassingsbereik

In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het aanleggen en veranderen van een uitweg. De regels gelden alleen voor openbare wegen die in beheer zijn bij de gemeente. Voor uitwegen naar wegen die in beheer zijn bij het Rijk, de provincie of het waterschap stellen die overheden zelf de regels.

Artikel 5.14 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn onder andere gesteld met het oog op de bescherming van het openbaar groen. Het aanleggen of veranderen van een uitweg kan ten koste gaan van het openbaar groen als openbaar groen gesnoeid moet worden. Het is van belang om het openbaar groen te beschermen. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.15 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen en veranderen van een uitweg is een vergunning vereist. Vanwege de risico’s voor de verkeersveiligheid en de mogelijke aantasting van het openbaar groen en de bereikbaarheid van gronden en gebouw is steeds een individuele afweging nodig of de activiteit wel of geen omgevingsvergunning kan worden verleend.  

Artikel 5.16 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

In dit artikel worden de bijzondere aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning beschreven. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt onder andere een situatietekening gevoegd en een foto van de bestaande situatie. De gemeente gebruikt deze informatie voor de beoordeling of de omgevingsvergunning moet worden geweigerd vanwege de verkeersveiligheid, de aantasting van het openbaar groen of de beschikbaarheid van parkeerplaatsen.

Artikel 5.17 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning. De vergunning wordt alleen geweigerd in het belang van de bruikbaarheid van de weg, het doelmatig en veilig gebruik ervan, de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en de bescherming van groenvoorzieningen. Buiten deze gronden bestaat er geen basis om te weigeren. Op grond van het tweede lid kan met de vergunning worden afgeweken van de maximale breedte van artikel 5.35, eerste lid.

Artikel 5.18 Algemene regels

Dit artikel bevat de algemene regels waaraan een uitweg voldoet. Een uitweg is ten hoogste 3 m breed, gemeten op de perceelsgrens; op een bedrijventerrein geldt een ruimere maximale breedte van 12,5 m, omdat daar breder en zwaarder verkeer moet kunnen manoeuvreren. Van de maatvoering in het eerste lid kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken (artikel 5.17, tweede lid).

Artikel 5.19 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteit de paragraaf van toepassing is: het plaatsen van een object binnen openbaar toegankelijk gebied. De definitie van 'openbaar toegankelijk gebied' is opgenomen in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het tweede lid zondert activiteiten uit die in andere paragrafen zijn geregeld (reclame, terrassen, standplaatsen en objecten en beplanting buiten de openbare weg) en evenementen op grond van de APV.

Artikel 5.20 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van schade aan en het veilig gebruik van het openbaar toegankelijk gebied, het voorkomen van hinder en overlast voor omwonenden en het niet belemmeren van het beheer en onderhoud van dat gebied. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.21 Specifieke zorgplicht

Dit artikel concretiseert de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 voor het plaatsen van objecten binnen openbaar toegankelijk gebied. Het gaat om een niet-uitputtende opsomming (‘in ieder geval’) van eisen: objecten leveren geen gevaar op voor personen, goederen en de verkeersveiligheid, brengen geen schade toe aan het gebied en belemmeren het doelmatig beheer en onderhoud niet.

Artikel 5.22 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In dit artikel wordt de vergunningplicht beschreven. Het plaatsen van object binnen openbaar toegankelijk gebied is verboden zonder omgevingsvergunning. Dit voorkomt hinder of gevaar voor het verkeer. Voor de objecten die in lid 2 opgesomd staan, geldt geen vergunningplicht. Voor deze objecten geldt een meldingsplicht. 

Artikel 5.23 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Om te kunnen beoordelen wat de mate van hinder en aantasting van het aanzien van de openbare ruimte zal zijn, is informatie nodig over de omvang van het te plaatsen object, de geplande locatie en de voorgenomen duur van de plaatsing.

Artikel 5.24 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De gemeente kan de omgevingsvergunning alleen weigeren als de in deze paragraaf genoemde belangen worden geschaad. Andere redenen kunnen geen grond zijn om de omgevingsvergunning te weigeren.

Artikel 5.25 Meldingsplicht

Dit artikel bevat de meldingsplicht voor de objecten die in artikel 5.22, tweede lid, van de vergunningplicht zijn uitgezonderd. Anders dan bij een vergunning volgt op een melding geen besluit; de melding stelt het bevoegd gezag in staat om te controleren of de plaatsing voldoet aan de algemene regels en zo nodig te handhaven. De melding wordt ten minste 15 werkdagen vooraf gedaan en bevat de locatie en de afmetingen van het object.

Artikel 5.26 Algemene regels - algemeen

Dit artikel bevat de algemene regels voor het plaatsen van objecten. De regels borgen onder meer dat een object alleen op of aan de openbare weg wordt geplaatst als plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is, dat het niet op de rijbaan staat, dat het een directe relatie heeft met een nabijgelegen activiteit en dat het wijkt voor werkzaamheden of evenementen.

Artikel 5.27 Algemene regels - vrije doorgang

Dit artikel borgt de vrije doorgang in het openbaar toegankelijk gebied. De genoemde maten (minimaal 1,5 m op rijbanen en trottoirs en 4 m breed en 4,20 m hoog voor hulpdiensten) zijn afgestemd op de toegankelijkheid voor voetgangers en rolstoelgebruikers en op de bereikbaarheid voor brandweer en ambulance. Brandkranen, bluswatervoorzieningen, nutsvoorzieningen en nooduitgangen worden vrijgehouden.

Artikel 5.28 Algemene regels - verkiezingsborden

Dit artikel bevat specifieke algemene regels voor het plaatsen van verkiezingsborden. De regels bepalen onder meer de periode waarin borden mogen worden geplaatst (vanaf de dag na de kandidaatstelling tot en met een week na de verkiezingsdag), de wijze van bevestiging, de maximale oppervlakte en de minimale afstand tot een kruising.

Artikel 5.29 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteit de paragraaf van toepassing is: het plaatsen en behouden van een object of beplanting buiten de openbare weg die in beheer is bij de gemeente. Het tweede lid zondert het plaatsen van objecten binnen openbaar toegankelijk gebied uit, dat in paragraaf 5.6.2 is geregeld.

Artikel 5.30 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het bevorderen van de verkeersveiligheid en het voorkomen van hinder en gevaar voor het wegverkeer. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.31 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor het plaatsen en behouden van objecten en beplanting met het oogmerk om de verkeersveiligheid te bevorderen en hinder en gevaar voor het wegverkeer te voorkomen.

Artikel 5.32 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteit de paragraaf van toepassing is: het plaatsen van reclame binnen het openbaar toegankelijk gebied. Het begrip 'openbaar toegankelijk gebied' wordt gedefinieerd in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.33 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van schade aan en veilig gebruik van de weg, het voorkomen van hinder of overlast voor omwonenden, het niet belemmeren van het beheer en onderhoud van de weg en het beschermen van het aanzien van het openbaar toegankelijk gebied. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.34 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In dit artikel wordt de vergunningplicht beschreven. Het plaatsen van object binnen openbaar toegankelijk gebied is verboden zonder omgevingsvergunning. Dit voorkomt hinder of gevaar voor het verkeer. Voor de objecten die in het tweede lid opgesomd staan, geldt geen vergunningplicht. Voor deze objecten geldt een meldingsplicht. 

Artikel 5.35 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Om te kunnen beoordelen wat de mate van hinder en aantasting van het aanzien van de openbare ruimte zal zijn, is informatie nodig over de omvang van het te plaatsen object, de geplande locatie en de voorgenomen duur van de plaatsing.

Artikel 5.36 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De gemeente kan de omgevingsvergunning alleen weigeren als de in deze paragraaf genoemde belangen worden geschaad. Andere redenen kunnen geen grond zijn om de omgevingsvergunning te weigeren.

Artikel 5.37 Meldingsplicht

Dit artikel bevat de meldingsplicht voor de objecten die op grond van artikel 5.34, tweede lid, vergunningvrij zijn. Anders dan bij een vergunning volgt op een melding geen besluit; de melding stelt het bevoegd gezag in staat om te controleren of de plaatsing voldoet aan de algemene regels en zo nodig te handhaven. De melding wordt ten minste 5 werkdagen vooraf gedaan en bevat de locatie en de plaatsings- en verwijderingsdatum.

Artikel 5.38 Algemene regels - algemeen

Dit artikel bevat de algemene regels voor het plaatsen van reclameborden. De regels borgen onder meer dat een bord alleen op of aan de openbare weg wordt geplaatst als plaatsing op eigen terrein niet mogelijk is, stellen eisen aan de oppervlakte en de afstand tot een kruising, en verbinden het bord aan een nabijgelegen onderneming en haar openingstijden.

Artikel 5.39 Algemene regels - vrije doorgang

Dit artikel borgt de vrije doorgang bij het plaatsen van uitstallingen. De genoemde maten zijn afgestemd op de toegankelijkheid voor voetgangers en de bereikbaarheid voor hulpdiensten; brandkranen, bluswatervoorzieningen, nutsvoorzieningen en nooduitgangen worden vrijgehouden.

Artikel 5.40 Algemene regels - evenementen en activiteiten

Dit artikel bevat specifieke algemene regels voor reclameborden voor evenementen en activiteiten. De regels bepalen onder meer dat het moet gaan om evenementen binnen de gemeente of met een sociaal-maatschappelijk belang, dat alleen sandwich- of driehoeksborden worden gebruikt en binnen welke termijn de borden mogen worden geplaatst en verwijderd.

Artikel 5.41 Toepassingsbereik

In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over terrassen in de openbare ruimte. De gemeente heeft veel gezellige straten en pleinen waar winkel- en horecagelegenheden zijn gevestigd. Vaak hebben de ondernemers een gedeelte van het openbaar toegankelijk gebied ingericht en in gebruik als terras. Terrassen maken de centra van de gemeente gezellig en verlevendigen het straatbeeld. Een terras levert inkomsten op voor de ondernemer en het voorziet in de behoefte van bezoekers en inwoners van de gemeente om te ontspannen en elkaar te ontmoeten. Tegelijkertijd dient het openbaar toegankelijk gebied ook voor diverse andere doeleinden, en kunnen terrassen ook overlast veroorzaken, de vrije doorgang belemmeren of een rommelige uitstraling geven. De regels in deze paragraaf zijn bedoeld om de nadelige gevolgen van terrassen te beperken.

Artikel 5.42 Oogmerken

Terrassen kunnen veel ruimte innemen, wat een belemmering kan vormen voor de toegankelijkheid van het openbaar toegankelijk gebied. Om die reden kunnen er regels worden gesteld om bijvoorbeeld een vrije doorgang op het trottoir te regelen, zodat het openbaar toegankelijk gebied toegankelijk blijft. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.43 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bevat de specifieke zorgplicht voor de activiteit 'het aanbrengen van terrassen'. Het omgevingsplan bevat een specifieke zorgplicht in artikel 4.4 die geconcretiseerd kan worden voor specifieke activiteiten. Dit artikel doet dat voor terrassen. De specifieke zorgplicht maakt duidelijk welke gedragingen in ieder geval van de exploitant worden verwacht. Het gaat om een niet-uitputtende opsomming ('in ieder geval').

Onderdeel a

Dit onderdeel beschermt de verkeersfunctie en de gebruikskwaliteit van trottoirs, rijbanen en pleinen. De normadressaat – de exploitant die een terras aanbrengt – dient bij plaatsing en gebruik van het terras te voorkomen dat voetgangers, fietsers of andere gebruikers van het openbaar toegankelijk gebied worden gehinderd of in gevaar gebracht.

Onderdeel b

Gemeentelijke beheerders, nutsbedrijven en andere instanties moeten ook tijdens de exploitatie van een terras hun werkzaamheden kunnen uitvoeren. Dit onderdeel ziet op situaties zoals rioolreinigingen, straatveegwagens en reparaties aan bestrating.

Onderdeel c

Geen beschadiging openbaar gebied en objecten: Terrasmeubilair, parasols en andere terrasonderdelen kunnen schade toebrengen aan bestrating, straatmeubilair of bomen. De exploitant is gehouden dit te voorkomen en eventuele schade te herstellen.

Onderdeel d

De exploitant heeft een eigen verantwoordelijkheid om zwerfafval rondom het terras te beperken.

Onderdeel e

Dit onderdeel beschermt het woon- en leefklimaat van omwonenden. Het gaat om geur-, geluid- en visuele hinder die direct samenhangt met het terras en de bezoekers daarvan. De norm 'geen overlast' is ruim geformuleerd en dient door de exploitant naar redelijkheid te worden ingevuld.

Artikel 5.44 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel wijst de gevallen aan waarin voor het aanbrengen van een terras een omgevingsvergunning is vereist. De grondslag is artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow, dat bepaalt dat het omgevingsplan activiteiten kan aanwijzen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is.

De vergunningplicht geldt als niet wordt voldaan aan de artikelen 5.47 (algemene regels plaatsing) en 5.48 (algemene regel verwijdering). Terrassen die wél voldoen aan alle algemene regels zijn dus vergunningvrij. Alleen wie van die regels wil afwijken, heeft een vergunning nodig.

Artikel 5.45 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel regelt welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een terras moeten worden ingediend. De grondslag is artikel 16.55, tweede en vierde lid, Ow en artikel 7.3 van de Omgevingsregeling. Deze artikelen geven gemeenten de bevoegdheid aanvullende aanvraagvereisten in het omgevingsplan op te nemen.

Onderdeel a

De tekening of ingetekende luchtfoto geeft het bevoegd gezag inzicht in de exacte locatie en omvang van het terras ten opzichte van de omliggende openbare ruimte. Zo kan worden beoordeeld of de vrije doorgangen en afstandseisen worden nageleefd.

Onderdeel b

Onder de inrichting van het terras worden verstaan de afmetingen, het type terrasmeubilair, eventuele afscheidingen, parasols of overkappingen en verlichting. Deze informatie is relevant voor de beoordeling van het uiterlijk aanzien (artikel 5.46, onder c) en de invloed op de kwaliteit van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 5.46, onder d).

Onderdeel c

Door het exploitatieregime te specificeren, kan het bevoegd gezag beoordelen of de terrasactiviteiten invloed hebben op de nabijgelegen woonfunctie (geluidhinder in de nacht) en op andere vormen van gebruik van het openbaar gebied.

Artikel 5.46 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning voor terrassen.

Onderdeel a

Het bevoegd gezag beoordeelt of het terras de veiligheid voor voetgangers, fietsers en gemotoriseerd verkeer niet verslechtert. Hierbij wordt gekeken naar de breedte van de beschikbare rijbaan en het trottoir na plaatsing van het terras, de aanwezigheid van verkeerslichten of andere verkeerskundige voorzieningen en de zichtlijnen voor verkeer.

Onderdeel b

De term 'onevenredig' impliceert een belangenafweging. Een zekere mate van hinder door een terras is inherent aan het gebruik van openbaar gebied en aanvaardbaar; de hinder mag echter niet in een onredelijke verhouding staan tot het belang dat wordt gediend met het terras. Dit criterium biedt ruimte voor maatwerk.

Onderdeel c

Dit criterium beschermt de ruimtelijke kwaliteit en het straatbeeld. Het bevoegd gezag kan eisen stellen aan materiaalgebruik, kleurstelling en vormgeving van het terrasmeubilair en de afscheidingen, voor zover die de omgeving nadelig beïnvloeden.

Onderdeel d

Dit criterium heeft een bredere reikwijdte dan onderdeel c en ziet ook op de functionele kwaliteit van het openbaar gebied. Gedacht kan worden aan de beschikbaarheid van zitgelegenheid, speel- of verblijfsruimte voor het bredere publiek die door het terras wordt verminderd.

Artikel 5.47 Algemene regels plaatsing

Dit artikel bevat de directe normen waaraan terrassen bij plaatsing moeten voldoen. Het gaat om maatvoeringsregels en kwalitatieve eisen die zijn gericht op het waarborgen van verkeersveiligheid, toegankelijkheid voor hulpdiensten en bruikbaarheid van het openbaar toegankelijk gebied.

Eerste lid

De maat van 1,5 meter is de minimale breedte die nodig is voor twee rolstoelgebruikers om elkaar te passeren en vloeit voort uit de toegankelijkheidseisen die ook worden gesteld bij de inrichting van de openbare ruimte.

Tweede lid

Terrasmeubilair of -afscherming mag de toegang tot brandkranen en straatkasten nooit blokkeren.

Derde lid

De terrasexploitant is verantwoordelijk voor nooduitgangen van het eigen pand én van nabijgelegen panden.

Vierde lid

Voorzieningen van algemeen nut zijn bijvoorbeeld banken en prullenbakken.

Vijfde lid

Deze maat is afgestemd op de voertuigafmetingen van brandweer en ambulances. De minimumbreedte van 4 meter en vrije hoogte van 4,20 meter zijn gangbare normen die ook in de praktijk van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving worden gehanteerd voor bereikbaarheid van hulpdiensten.

Zesde lid

Dit lid regelt dat terrassen worden verwijderd of niet worden geplaatst als de locatie in gebruik is voor werkzaamheden aan het openbare gebied (onderdeel a) of als er evenementen, collectieve festiviteiten, markten of kermissen plaatsvinden (onderdeel b). Dit voorkomt conflicten tussen terrasgebruik en andere activiteiten in de openbare ruimte.

Artikel 5.48 Algemene regel verwijdering

De verwijderingsplicht heeft twee doelen: ten eerste de vrijheid van het openbaar gebied buiten openingstijden te waarborgen (andere gebruikers, reinigingsdiensten), ten tweede te voorkomen dat terrasmeubilair buiten toezicht aanleiding geeft tot vandalisme of onveilige situaties.

De termijn van één uur na sluiting is praktisch bedoeld: het biedt de exploitant of diens medewerkers voldoende tijd om de stoelen, tafels en overige attributen op te ruimen, zonder dat het openbaar gebied onnodig lang bezet blijft.

Artikel 5.49 Toepassingsbereik

In deze paragraaf zijn de regels opgenomen over het aanleggen, veranderen of opbreken van een weg. De regels gelden voor openbare wegen die in beheer zijn bij de gemeente. Maar ook het aanleggen van een ‘eigen weg’ die voor het openbare verkeer openstaat, valt onder het toepassingsbereik van de paragraaf. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat voor de bruikbaarheid daarvan voor hulpdiensten zoals brandweer en ambulance voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte, en dergelijke.   

Voor wegen die in beheer zijn bij het Rijk, de provincie of het waterschap stellen die overheden zelf de regels.  

Artikel 5.50 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van de openbare weg, het bevorderen van de verkeersveiligheid en het beperken van hinder. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.51 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Voor het aanleggen, opbreken of veranderen van een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat, is een vergunning vereist. Dit is van belang omdat het, met het oog op de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen, niet wenselijk is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of aanpassen.

Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen, opbreken of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. 

Artikel 5.52 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — een omschrijving van de activiteit en een tekening of ingetekende luchtfoto met de locatie — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen van de activiteit voor de weg te beoordelen.

Artikel 5.53 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels. De vergunning wordt alleen geweigerd als het veilige en doelmatige gebruik van de weg onevenredig wordt gehinderd, de bereikbaarheid van gronden of gebouwen onevenredig wordt belemmerd, of het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Buiten deze gronden bestaat er geen basis om te weigeren.

Artikel 5.54 Toepassingsbereik

Met een standplaats wordt een vaste locatie bedoeld waar goederen worden verkocht, aangeboden of afgeleverd of waar diensten worden aangeboden en gebruik wordt gemaakt van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel. De regels gelden niet bij vaste plaatsen op een markt of jaarmarkt of evenement.

Artikel 5.55 Uitbreiding normadressaat

Dit artikel breidt de kring van normadressaten uit. Naast degene die de activiteit verricht (artikel 4.2), moet ook de rechthebbende op het perceel waarop de standplaats wordt ingenomen aan de regels van deze paragraaf voldoen. Zo kan het bevoegd gezag zich zo nodig ook tot de rechthebbende wenden.

Artikel 5.56 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op onder meer het behoeden van de staat en werking van de openbare weg, de verkeersveiligheid, de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte, het beperken van hinder, het beschermen van het aanzien en het milieu, een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen, het voorkomen van geluid- en geurhinder en een goed woon- en leefklimaat. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.57 Specifieke zorgplicht

Dit artikel concretiseert de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 voor het innemen van een standplaats. Het gaat om een niet-uitputtende opsomming (‘in ieder geval’) van eisen: overlast en hinder voor de omgeving worden zoveel mogelijk beperkt, er worden voldoende afvalbakken geplaatst en de omgeving van de standplaats wordt schoon gehouden.

Artikel 5.58 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel wijst de vergunningplichtige gevallen aan. Binnen de locatie ‘Vergunningplicht standplaatsen’ is het innemen of hebben van een standplaats verboden zonder omgevingsvergunning. Zo houdt de gemeente zicht op de gevolgen van standplaatsen voor onder meer de verkeersveiligheid en het woon- en leefklimaat.

Artikel 5.59 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

In dit artikel worden de bijzondere aanvraagvereisten beschreven. Bij het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning moet onder andere de locatie van de standplaats toegevoegd, zodat de gemeente kan beoordelen of het goede woon- en leefklimaat in het geding komt. Op deze manier wordt hinder en overlast voor de omgeving zoveel mogelijk beperkt.     

Artikel 5.60 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels. De vergunning wordt alleen geweigerd op de genoemde gronden, zoals ontoelaatbare hinder voor het gebruik van de weg, gevaar voor de verkeersveiligheid, strijd met de goede omgevingskwaliteit, onevenredige geur- of geluidhinder of het in gevaar komen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument. Buiten deze gronden bestaat er geen basis om te weigeren.

Artikel 5.61 Algemene regel

Dit artikel bevat een verbod om een standplaats in te nemen binnen de locatie ‘Verbod standplaatsen’. Binnen die locatie is het innemen van een standplaats niet toegestaan.

Artikel 5.62 Toepassingsbereik

In deze paragraaf worden de activiteiten gereguleerd die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het Reserveringsgebied - buisleiding van nationaal belang.

Artikel 5.63 Oogmerken

De oogmerken geven de reden(en) aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften. In dit geval is het beschermen van de leiding het enige oogmerk van de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.64 Verbod

Dit artikel bevat het verbod op activiteiten die de aanleg van een buisleiding van nationaal belang binnen het reserveringsgebied kunnen belemmeren, zoals bouwen, beplanten, opslaan en het aanleggen van kabels, leidingen, wegen of watergangen in de lengterichting. Het tweede lid maakt een uitzondering voor bouwwerken die noodzakelijk zijn voor de buisleiding zelf en voor de aanleg van de buisleiding van nationaal belang.

Artikel 5.65 Algemene regels aanleg buisleiding van nationaal belang

Dit artikel bevat de algemene regels voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. De buisleiding wordt alleen binnen het reserveringsgebied aangelegd en op ten minste 5 m vanaf de buitenste begrenzing, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Het derde lid maakt hierop een uitzondering als het begin- of eindpunt buiten het reserveringsgebied ligt.

Artikel 5.66 Toepassingsbereik

In deze paragraaf worden de activiteiten gereguleerd die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de leidingen waarvoor het beperkingengebied leidingen is aangewezen.

Artikel 5.67 Oogmerken

De oogmerken geven de reden(en) aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften. In dit geval is het beschermen van de leiding het enige oogmerk van de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.68 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

De vergunningplicht in dit artikel geldt voor alle activiteiten waar deze paragraaf op van toepassing is. Het tweede lid bevat een drietal uitzonderingen. De meeste activiteiten vallen echter niet onder de uitzonderingen en zijn dus nog steeds vergunningplichtig.

Artikel 5.69 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — locatie, reden, aard en omvang van de activiteit en de maatregelen om schade aan kabels en leidingen te beperken — stellen het bevoegd gezag in staat te beoordelen of de leiding veilig, betrouwbaar en duurzaam blijft functioneren.

Artikel 5.70 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In dit artikel is alleen een enkele verleningsgrond opgenomen. Als er afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding, kan de vergunning niet worden verleend.

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van de leidingbeheerder, dat in artikel 10.3 is geregeld. 

Artikel 5.71 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteiten de paragraaf van toepassing is binnen het Beperkingengebied hoogspanningsverbinding, zoals het uitvoeren van werken, het veranderen van het maaiveldniveau, het aanleggen van leidingen, het aanbrengen van diepwortelende beplanting en het permanent opslaan van goederen.

Artikel 5.72 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de hoogspanningsleidingen. De oogmerken geven de redenen aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 5.73 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel wijst de vergunningplichtige gevallen aan. De in artikel 5.71 bedoelde activiteiten zijn binnen het beperkingengebied verboden zonder omgevingsvergunning. Het tweede lid zondert onder meer werken voor de aanleg en het normale onderhoud uit.

Artikel 5.74 Bijzondere aanvraagvereisten

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — locatie, reden, aard en omvang van de activiteit, de schadebeperkende maatregelen en een schriftelijk advies van de leidingbeheerder — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen voor de hoogspanningsverbinding te beoordelen.

Artikel 5.75 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregel. De vergunning wordt alleen verleend als daarbij het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding gewaarborgd blijft. 

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van de leidingbeheerder, dat in artikel 10.3 is geregeld. 

Artikel 5.76 Toepassingsbereik

In deze paragraaf wordt alleen het bouwen van bouwwerken en het plaatsen van objecten in het radarverstoringsgebied geregeld, omdat deze activiteiten invloed kunnen hebben op de werking van de radarantenne.

Artikel 5.77 Oogmerken

De oogmerken geven de reden(en) aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften. In dit geval is het waarborgen van de werking van de radarantenne het enige oogmerk van de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.78 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

De vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk en het plaatsen van een object binnen het radarverstoringsgebied geldt alleen voor bouwwerken en objecten die hoger zijn dan de maximale bouwhoogte die is opgenomen in artikel 5.81. Als de bouwhoogte en de hoogte van objecten voldoet aan deze maximale hoogte is dus geen vergunning op grond van deze paragraaf vereist.

Artikel 5.79 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — locatie, reden, bouwtekening en een radarverstoringsonderzoek van TNO — stellen het bevoegd gezag in staat te beoordelen of het bouwwerk of object gevolgen heeft voor het radarbeeld. 

Artikel 5.80 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In dit artikel is alleen een enkele verleningsgrond opgenomen. Als er onaanvaardbare gevolgen zijn voor het radarbeeld, kan de vergunning niet worden verleend. 

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om het advies van het Ministerie van Defensie, de Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen en de directie Brabant, dat in artikel 10.4 is geregeld, in acht te nemen.  

Artikel 5.81 Algemene regel

Dit artikel bevat de algemene regels voor de maximale hoogte binnen het radarverstoringsgebied. De hoogte van bouwwerken en objecten is niet hoger dan het bij de betreffende omgevingsnorm aangegeven aantal meter boven NAP.

Artikel 5.82 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk en het plaatsen van objecten in het luchtvaartverkeersgebied. Het luchtvaartverkeersgebied is een zone waar vliegtuigen aan- en uitvliegen. 

Artikel 5.83 Oogmerken

In dit artikel worden de oogmerken beschreven. Bij het bouwen van bouwwerken en plaatsen van objecten moet de veiligheid van luchtvaartverkeer gewaarborgd worden. Bij het aan- en uitvliegen van vliegtuigen is het van belang dat de vliegtuigen veilig de luchthaven kunnen bereiken.  

Artikel 5.84 Verbod

Dit artikel bevat een verbod om een bouwwerk te bouwen of een object te plaatsen binnen de locatie ‘Luchtvaartverkeersgebied OLS’, als het gebouw of object hoger is dan het bij de betreffende omgevingsnorm aangegeven aantal meter boven NAP.

Artikel 5.85 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

De vergunningplicht voor het bouwen van een bouwwerk binnen de luchtvaartverkeerzone geldt alleen voor bouwwerken die hoger zijn dan de maximale bouwhoogte die is opgenomen in artikel 5.88. Als de bouwhoogte voldoet aan de maximale hoogte is dus geen vergunning op grond van deze paragraaf vereist. In het tweede lid zijn activiteiten, die defensie uitvoert in het kader van het uitoefenen van haar publieke taak, uitgezonderd van de vergunningplicht. 

Artikel 5.86 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — locatie, reden en een bouwtekening — stellen het bevoegd gezag in staat te beoordelen of het bouwwerk of object de veiligheid van het luchtvaartverkeer raakt.

Artikel 5.87 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In dit artikel worden de beoordelingsregels beschreven. Bij de beoordeling op de aanvraag om een omgevingsvergunning moet blijken dat het Instrument Landing System niet onaanvaardbaar wordt gehinderd. Het instrument Landing System (ILS) is een systeem dat piloten helpt bij het naderen van de landingsbaan. Het ILS zendt een signaal uit naar het vliegtuig, zodat het vliegtuig in een rechte lijn en vaste daalhoek naar de landingsbaan wordt geleid. 

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om het advies van het Ministerie van Defensie, de Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen en de directie Brabant, dat in artikel 10.4 is geregeld, in acht te nemen. 

Artikel 5.88 Algemene regel

Dit artikel bevat de algemene regels voor de maximale bouwhoogte binnen het luchtvaartverkeersgebied - ILS. Dit is het gebied waarbinnen het Instrument Landing System actief is. De hoogte van bouwwerken en objecten is niet hoger dan het bij de betreffende omgevingsnorm aangegeven aantal meter boven NAP, zodat de werking van dat systeem niet gehinderd wordt.

Artikel 5.89 Toepassingsbereik

In deze paragraaf worden de activiteiten gereguleerd die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de aardkundige waarden waarvoor het gebied is aangewezen.

Artikel 5.90 Oogmerken

De oogmerken geven de reden(en) aan om de regels in deze paragraaf te stellen. De uitleg van de regels in de paragraaf wordt bepaald door de opgenomen oogmerken. Ook kunnen de oogmerken worden betrokken bij het verlenen van binnen- en buitenplanse omgevingsvergunningen en het stellen van maatwerkvoorschriften. In dit geval is het beschermen en behouden van de aardkundige waarden het enige oogmerk van de regels in deze paragraaf.

Artikel 5.91 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

De vergunningplicht in dit artikel geldt voor alle activiteiten waar deze paragraaf op van toepassing is. Het tweede lid bevat een uitzondering voor beheer en onderhoud. Andere activiteiten vallen dus niet onder de uitzonderingen en zijn dus nog steeds vergunningplichtig.

Artikel 5.92 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — een tekening of ingetekende luchtfoto met de locatie van de activiteit, de reden voor de activiteit en een beschrijving van de aard en omvang ervan — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen van de activiteit voor de aardkundige waarden te beoordelen.

Artikel 5.93 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

In het eerste lid is een tweetal verleningsgronden opgenomen. Als niet aan allebei deze gronden wordt voldaan, kan de vergunning niet worden verleend.

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van een deskundige op aardkundig gebied, dat in artikel 10.5 is geregeld. 

Artikel 5.94 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteiten de regels van paragraaf 5.8.1 van toepassing zijn. Paragraaf 5.8.1 is de basisparagraaf van afdeling 5.8. Artikel 4.49 verklaart haar van toepassing op elke milieubelastende activiteit als bedoeld in bijlage I bij de Omgevingswet en vormt daarmee een vangnet; de richtingaanwijzers van de artikelen 4.34 tot en met 4.48 verklaren de paragraaf daarnaast telkens naast een activiteitspecifieke paragraaf van toepassing.

Het eerste lid knoopt aan bij het begrip milieubelastende activiteit uit de bijlage bij de Omgevingswet. Het gaat daarmee om een ruime categorie: elke activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, ongeacht of het Rijk die activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving heeft aangewezen.

Het tweede lid zondert activiteiten uit waarvoor elders een eigen regelspoor bestaat, zoals wonen, bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden, activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht en doorgaand verkeer. Onderdeel e zondert evenementen uit, maar alleen in de drie daar genoemde gevallen: evenementen buiten een locatie voor evenementen, evenementen die geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn en evenementen waarover al geluidregels bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn gesteld. Onderdeel f zondert werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos uit, tenzij het gaat om een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het derde lid beperkt de werking van het tweede lid: voor het lozen op of in de bodem en op de riolering blijft de paragraaf gelden, voor zover het gaat om de gevolgen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater en voor het zuiveringtechnisch werk. Ook bij een uitgezonderde activiteit blijven de lozingsaspecten dus onder deze paragraaf en daarmee onder de specifieke zorgplicht van artikel 5.96 vallen.

Artikel 5.95 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd.

Omdat paragraaf 5.8.1 op grond van artikel 4.49 bij elke milieubelastende activiteit geldt, is de opsomming breed: veiligheid (onderdeel a), gezondheid (onderdeel b) en milieu (onderdeel c), waarbij het milieubelang is uitgewerkt in de kwaliteit van lucht, bodem en watersystemen, het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen en een doelmatig beheer van afvalstoffen. Deze brede opsomming bepaalt mede de reikwijdte van de specifieke zorgplicht van artikel 5.96, die aan de oogmerken is opgehangen. In de paragrafen 5.8.2 en volgende zijn de oogmerken telkens toegespitst op de betrokken activiteit.

Artikel 5.96 Specifieke zorgplicht

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in artikel 2.11, tweede lid, van het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het derde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal. De specifieke zorgplicht blijft gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen. 

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 4.3 maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal (Stb. 2018, 293, p. 526-527).

Tweede lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een ‘integrale’ aanpak van duurzame mobiliteit. Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. 

Anders dan bij de plichten uit het eerste lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit tweede lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen. Verder is in onderdeel b opgenomen dat de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater (zoals de gemeentelijke riolering en de RWZI van het waterschap) moet worden beschermd. Dit is een verduidelijking van onderdeel a van het eerste lid en van artikel 2.11, tweede lid, onder a, van het Bal: passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging.

Derde lid 

Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het derde lid bepaald dat het eerste lid van dit artikel niet geldt voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het tweede lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het tweede lid, onder a en c, zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

Artikel 5.97 Afval: zwerfvuil

Dit artikel bevat een resultaatsverplichting voor de directe omgeving van de locatie. De plicht rust op grond van artikel 4.2 op degene die de activiteit verricht.

De verplichting is op drie punten begrensd. Zij geldt binnen een straal van 25 m, gemeten vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht. Zij geldt alleen voor materialen die van de activiteit afkomstig zijn; afval van derden valt er niet onder. En de frequentie is niet vastgelegd: “zo vaak als nodig” betekent dat de frequentie afhangt van de aard en de omvang van de activiteit, zodat bij bijvoorbeeld een afhaalpunt of een sportlocatie meermaals per dag opruimen nodig kan zijn.

Het artikel geeft invulling aan het oogmerk van een doelmatig beheer van afvalstoffen (artikel 5.95, onderdeel c, onder 3). Voor zover de zwerfafvalproblematiek verder reikt dan deze verplichting, biedt de specifieke zorgplicht van de artikelen 4.4 en 5.96 een aanvullende grondslag voor handhaving; op grond van artikel 4.3 kan het college over dit onderwerp een maatwerkvoorschrift stellen.

Artikel 5.98 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteiten de regels van paragraaf 5.8.2 van toepassing zijn. Op grond van artikel 4.1 geldt een paragraaf van hoofdstuk 5 alleen voor zover de richtingaanwijzer in hoofdstuk 4 dat bepaalt; voor deze paragraaf gebeurt dat in artikel 4.34.

Voor het aanleggen en gebruiken van een gesloten bodemenergiesysteem stelt het Besluit activiteiten leefomgeving al algemene rijksregels, waaronder de informatieverplichting van artikel 4.1137 van dat besluit. Deze paragraaf voegt daaraan het gemeentelijke spoor toe: een vergunningplicht voor twee specifieke gevallen (artikel 5.100).

Het artikel bevat geen ondergrens. Ook een klein systeem valt dus onder de paragraaf, maar zonder vergunningplicht: buiten de twee gevallen van artikel 5.100 blijft alleen de specifieke zorgplicht van de artikelen 4.4 en 5.96 over.

Artikel 5.99 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd.

De twee oogmerken van deze paragraaf — het voorkomen van interferentie tussen gesloten en open bodemenergiesystemen en het bevorderen van een doelmatig gebruik van bodemenergie — komen letterlijk terug in de beoordelingsregels van artikel 5.102. De opsomming is daarmee bewust smal: de bescherming van de bodemkwaliteit als zodanig verloopt via de rijksregels over het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem en via de specifieke zorgplicht van de artikelen 4.4 en 5.96, en niet via deze paragraaf. Een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 4.3 over bijvoorbeeld de bodemkwaliteit kan dus niet op de regels van deze paragraaf worden gebaseerd.

Artikel 5.100 Aanwijzing vergunningplicht

Dit artikel bevat de vergunningplicht voor gesloten bodemenergiesystemen, in lijn met de regels die voorheen golden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen. Naast de vergunningplicht op grond van het omgevingsplan gelden en voor gesloten bodemenergiesystemen ook regels in de Omgevingsverordening Noord-Brabant, bijvoorbeeld over de maximale boordiepte en de toegelaten vulmiddelen.

Artikel 5.101 Bijzondere aanvraagvereisten

De gegevens en bescheiden in dit artikel komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal, met dien verstande dat de coördinaten van alle hoeken van het systeem moeten worden vermeld en niet alleen die van het middelpunt. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 5.102 Beoordelingsregels

Dit artikel bepaalt wanneer de omgevingsvergunning van artikel 5.111 wordt verleend. Er zijn twee cumulatieve voorwaarden opgenomen: er mag geen interferentie kunnen ontstaan waardoor het doelmatig functioneren van een van de betrokken systemen kan worden geschaad, en er mag geen sprake zijn van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Is aan beide voorwaarden voldaan, dan kan de vergunning worden verleend; is dat niet het geval, dan wordt zij geweigerd.

Met interferentie wordt de onderlinge thermische beïnvloeding van bodemenergiesystemen bedoeld: het invloedsgebied van het ene systeem overlapt dat van het andere, waardoor het rendement van een van beide daalt. Onderdeel a stelt een risiconorm (“kan veroorzaken”), zodat de vergunning ook kan worden geweigerd als de interferentie zich nog niet voordoet maar wel aannemelijk is.

Het artikel staat in nauw verband met artikel 5.101, onderdeel c: dat onderdeel verplicht de aanvrager juist om de gegevens te verstrekken waarmee het college de interferentietoets kan uitvoeren, waarbij wordt vergeleken met systemen waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend. Beide voorwaarden komen overeen met de oogmerken van artikel 5.99.

Artikel 5.103 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteiten de regels van paragraaf 5.8.3 van toepassing zijn. Op grond van artikel 4.1 geldt een paragraaf van hoofdstuk 5 alleen voor zover de richtingaanwijzer in hoofdstuk 4 dat bepaalt; voor deze paragraaf gebeurt dat in artikel 4.35.

Paragraaf 5.8.3 is de algemene lozingsparagraaf. Zij geldt naast de activiteitspecifieke lozingsparagrafen 5.8.4 tot en met 5.8.15, die artikel 4.35 in dezelfde opsomming van toepassing verklaart. Waar een specifieke paragraaf een bepaalde soort lozing regelt, is deze paragraaf niet relevant, omdat de vergunningplicht voor die lozingen niet geldt.+

Het tweede lid voorkomt samenloop met het rijksspoor: is de activiteit als vergunningplichtig aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, dan wordt de lozing in die vergunning geregeld en gelden de regels van deze paragraaf niet. De uitsluiting werkt “voor zover”: bij een activiteit die maar gedeeltelijk vergunningplichtig is op grond van het Bal, blijft de paragraaf voor het overige deel van toepassing.

Artikel 5.104 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd.

De voorzieningen voor het beheer van afvalwater (onderdeel b) omvatten zowel de gemeentelijke riolering als de zuiveringtechnische werken (RWZI) van het waterschap. De doelmatige werking van die voorzieningen kunnen negatief beïnvloed worden door zowel de stoffen die in het afvalwater zitten (denk aan sulfaat of onopgeloste bestanddelen) als de hoeveelheid afvalwater.

Artikel 5.105 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel bevat de vangnetvergunningplicht voor lozingen in de bodem en het schoonwaterriool. Een schoonwaterriool is ieder riool dat niet naar de RWZI afvoert, zoals een hemelwaterriool van een gescheiden rioolstelsel of een drainagestelsel. In deze afdeling zijn verschillende lozingen in de bodem en het schoonwaterriool toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodem- en waterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn. In lijn met het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geldt de vergunningplicht ook niet bij lozingen afkomstig van wonen.

Artikel 5.106 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel vult de algemene aanvraagvereisten aan met twee gegevens die het college nodig heeft om de aanvraag om de omgevingsvergunning van artikel 5.105 te kunnen beoordelen.

Onderdeel a vraagt de maximale hoeveelheid afvalwater per uur en niet een gemiddelde over een langere periode. Dat is de maatgevende grootheid voor de hydraulische belasting van de riolering en het zuiveringtechnisch werk: een korte piek kan daar tot problemen leiden, ook als de dagvracht beperkt blijft. Onderdeel b vraagt het soort afvalwater, omdat de aanvaardbaarheid van een lozing vooral van de samenstelling afhangt.

Beide gegevens sluiten aan bij de oogmerken van artikel 5.104 en bij het toetsingskader dat artikel 5.107 van overeenkomstige toepassing verklaart. Op grond van artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet hoeven de gegevens niet te worden verstrekt voor zover het college daarover al beschikt.

Artikel 5.107 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bepaalt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning van artikel 5.105.

De artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten de beoordelingsregels die het Rijk heeft gesteld voor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Omdat de vergunningplicht hier in het omgevingsplan is opgenomen, gaat het om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en gelden die rijksregels niet rechtstreeks. Dit artikel verklaart ze van overeenkomstige toepassing, zodat de aanvraag aan dezelfde maatstaven wordt getoetst als een aanvraag op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder het uitgangspunt dat de beste beschikbare technieken worden toegepast.

De oogmerken van artikel 5.104 begrenzen daarbij de belangen die in de beoordeling mogen worden betrokken. Voorschriften kunnen op grond van artikel 4.3, tweede lid, aan de vergunning worden verbonden.

Artikel 5.108 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over lozingen van grondwater bij ontwatering en afvloeiend hemelwater. Dit zijn schone afvalwaterstromen, die bij voorkeur lokaal worden teruggebracht in het milieu (bodem of oppervlaktewater). Voor lozingen van grondwater bij saneringen gelden andere regels, opgenomen in de volgende paragraaf. Die regels gelden ook als er door ontwatering een bodem- of grondwaterverontreiniging wordt verplaatst.

Ontwatering omvat alle vormen van het afvoeren van grondwater in het kader van beheersing van de grondwaterstand. Het gaat bijvoorbeeld om drainage onder vrij verval via drainagebuizen, maar ook om actieve grondwateronttrekkingen voor bijvoorbeeld het droogmaken van een bouwput of het tegengaan van grondwateroverlast bij een kelder.

Artikel 5.109 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd.

De drie oogmerken van dit artikel keren in vrijwel alle lozingsparagrafen van deze afdeling terug. Onderdeel b ziet op de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Het gaat daarbij zowel om de gemeentelijke riolering als om de zuiveringtechnische werken van het waterschap.

Bij het lozen van afvloeiend hemelwater staat onderdeel a op de voorgrond. Hemelwater is een in beginsel schone stroom die de zuivering onnodig belast als zij via het vuilwaterriool wordt afgevoerd; het is doelmatiger om die stroom lokaal in de bodem of het oppervlaktewater terug te brengen. De regels van artikel 5.111 en de informatieplicht van artikel 5.110 geven aan de oogmerken invulling.

Artikel 5.110 Informatieplicht

Dit artikel bevat een informatieplicht en geen meldingsplicht en geen vergunningplicht: het college hoeft niet in te stemmen en de activiteit mag beginnen zodra de gestelde termijn is verstreken. De informatie stelt het college in staat te beoordelen of de algemene regels van artikel 5.111 toereikend zijn en of een maatwerkvoorschrift op grond van de artikelen 4.3 en 5.96 nodig is.

De plicht is beperkt tot één categorie werken: buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken. Bij zulke wegen gaat het om grote verharde oppervlakken waarvan het afstromende hemelwater slijtageproducten van wegdek en voertuigen kan bevatten, en om projecten met een lange voorbereidingstijd. Daarop is de termijn van ten minste zes maanden afgestemd, die duidelijk langer is dan de vier weken die in de vergelijkbare informatieplicht van artikel 5.114 gelden. Normadressaat is op grond van artikel 4.2 degene die de activiteit verricht, in de praktijk de wegbeheerder.

De gevraagde gegevens betreffen de aard en de omvang van de lozing en de verwachte startdatum. Op grond van artikel 4.6 worden zij ondertekend en voorzien van de aanduiding van de activiteit, de naam en het adres van degene die de activiteit verricht, het adres waarop de activiteit wordt verricht en de dagtekening.

Artikel 5.111 Lozen van afvloeiend hemelwater

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

Het derde lid bevat het overgangsrecht voor bestaande lozingen. Lozingen die al plaatsvonden voordat het Activiteitenbesluit of het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing werd, mogen worden voortgezet. Hetzelfde geldt voor lozingen afkomstig van wonen, die als plaatsvonden voordat dit artikel op de lozing van toepassing werd. Anders dan onder het oude recht, moeten nieuwe lozingen van huishoudens wel aan de voorkeursvolgorde van het tweede lid voldoen.

In het vierde lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

Artikel 5.112 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.

Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.

Artikel 5.113 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

De drie oogmerken zijn dezelfde als in de andere lozingsparagrafen. Bij het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering ligt de nadruk op onderdeel c: het geloosde water kan verontreinigingen uit de bodem, onopgeloste stoffen en ijzer bevatten. De emissiegrenswaarden van de artikelen 5.115 en 5.116 geven daaraan invulling, en de informatieplicht van artikel 5.114 stelt het college in staat te beoordelen of maatwerk nodig is. 

Artikel 5.114 Informatieplicht

De gegevens die worden genoemd in dit artikel stellen het college in staat te beoordelen of de algemene regels van de artikelen 5.115 en 5.116 toereikend zijn en of een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 4.3 nodig is. 

Het eerste lid stelt de hoofdregel: ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 5.112, worden de aard en de omvang van de lozing en de verwachte startdatum verstrekt. Het tweede lid trekt die termijn door naar wijzigingen van de activiteit. 

Het derde en vierde lid brengen een gedifferentieerd regime aan voor het lozen van grondwater bij ontwatering, dat vaak kortdurend is en op korte termijn wordt gepland, zoals bij een bouwputbemaling. Duurt het lozen niet langer dan 48 uur, of vindt het plaats bij wonen, dan geldt geen informatieplicht (derde lid). Duurt het langer dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken, dan volstaat een termijn van vijf werkdagen (vierde lid). Voor het lozen dat langer dan 8 weken duurt blijft de termijn van vier weken uit het eerste lid gelden; die bovengrens van 8 weken sluit aan bij artikel 5.116, vierde lid. 

Voor lozingen bij een bodemsanering of grondwatersanering geldt de uitzondering van het derde lid niet: daar blijft de termijn van vier weken altijd van toepassing, omdat de samenstelling van het water dan om een inhoudelijke beoordeling vraagt. Op grond van artikel 4.6 worden de gegevens ondertekend en voorzien van de daar genoemde algemene gegevens. 

Artikel 5.115 Lozen van grondwater bij saneringen

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) als voorkeursvolgorde opgenomen. Lozen in het vuilwaterriool is alleen toegestaan als andere lozingsroutes redelijkerwijs niet mogelijk zijn.

Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.

Artikel 5.116 Lozen van grondwater bij ontwatering

Dit artikel bevat de materiële regels voor het lozen van grondwater dat bij ontwatering vrijkomt. Het is de tegenhanger van artikel 5.115, dat over saneringen gaat. 

Het eerste lid bakent de categorie af en wijst de toegestane lozingsroutes aan: op of in de bodem en in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Water dat afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek daaraan voorafgaand valt onder artikel 5.115; drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving valt onder de rijksregels. Zoals de toelichting bij artikel 5.119 vermeldt, gaat het bij ontwatering om alle vormen van het afvoeren van grondwater om de grondwaterstand te beheersen, van drainage onder vrij verval tot een actieve bemaling. 

Het tweede en derde lid stellen emissiegrenswaarden per lozingsroute. Voor een schoonwaterriool geldt 50 mg/l voor onopgeloste stoffen en 5 mg/l voor ijzer; voor een vuilwaterriool geldt 300 mg/l voor onopgeloste stoffen. Het schoonwaterriool komt in de regel rechtstreeks op oppervlaktewater uit, terwijl water uit een vuilwaterriool nog een zuivering doorloopt; daarop is het verschil in strengheid afgestemd. Voor ijzer is alleen bij het schoonwaterriool een waarde gesteld, omdat opgelost ijzer na belucht raken neerslaat en het ontvangende water bruin kan doen kleuren en de waterbodem kan afdekken. Onopgeloste stoffen kunnen leiden tot aanslibbing van riolering en watergangen. 

De waarden worden gemeten in een steekmonster: een eenmalige momentopname en dus geen etmaal- of daggemiddelde. Een enkele overschrijding levert daarmee al een overtreding op, wat betekent dat de lozing gedurende de hele lozingsperiode aan de waarde moet voldoen. 

Het vierde lid begrenst het lozen in een vuilwaterriool in duur en debiet: niet langer dan 8 weken en ten hoogste 5 m3/u. Daarmee wordt voorkomen dat schoon grondwater langdurig de zuivering belast. Het vijfde lid zondert het lozen van ontwateringswater bij wonen uit van het tweede tot en met vierde lid; het eerste lid, en daarmee de aanwijzing van de lozingsroutes, blijft daar wel gelden. Voor zover dit artikel geen antwoord geeft, blijven de specifieke zorgplicht van de artikelen 4.4 en 5.96 en de mogelijkheid van maatwerk op grond van artikel 4.3 van belang. 

Artikel 5.117 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.

Artikel 5.118 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Naast de drie oogmerken die in alle lozingsparagrafen terugkomen, noemt dit artikel ook het beschermen van de gezondheid (onderdeel a) en een doelmatig beheer van afvalstoffen (onderdeel e). Huishoudelijk afvalwater kan ziekteverwekkers bevatten, en bij zuivering buiten het openbaar vuilwaterriool komt zuiveringsslib vrij dat als afvalstof moet worden afgevoerd. De artikelen 5.121 en 5.122 geven hieraan invulling, waarbij artikel 5.122 eisen stelt aan de zuiveringsvoorziening. 

Artikel 5.119 Informatieplicht

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals het aantal bewoners waarvan afvalwater wordt geloosd en de zuiveringsvoorziening die wordt geplaatst. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat het aantal bewoners verandert.

Artikel 5.120 Geen voedselvermaling

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.

Artikel 5.121 Lozen van huishoudelijk afvalwater

In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.

Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.

De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.

Artikel 5.122 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

Artikel 5.123 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal

Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.

Artikel 5.124 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het lozen van koelwater gaan het de oogmerken a en c vooral aan: de hoeveelheid en de temperatuur van het geloosde water en de daarin gebruikte hulpstoffen, zoals biociden en corrosie-inhibitoren, kunnen de werking van de voorzieningen en de kwaliteit van bodem en watersystemen beïnvloeden. Artikel 5.126 geeft hieraan invulling; de informatieplicht van artikel 5.125 stelt het college in staat te beoordelen of maatwerk nodig is. 

Artikel 5.125 Informatieplicht

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 5.126 Koelwater

Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.

Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.

Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.

De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:

De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij

L = lozingsdebiet (m3/s).

∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.

W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.

Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.

Artikel 5.127 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.

Artikel 5.128 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken kunnen verf-, hout- en metaalresten en reinigingsmiddelen in het afvalwater terechtkomen. Daarom is naast de drie gebruikelijke oogmerken in onderdeel c, onder 2, ook een doelmatig beheer van afvalstoffen opgenomen. Artikel 5.129 geeft hieraan invulling met regels over het periodiek reinigen.

Artikel 5.129 Periodiek reinigen

Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.

Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.

Artikel 5.130 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.

Artikel 5.131 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het opslaan en overslaan van goederen in de buitenlucht komt hemelwater in contact met de goederen. Onderdeel c, onder 1, is daarom van bijzonder belang: uitspoeling kan de kwaliteit van de bodem en van watersystemen aantasten. De artikelen 5.132 tot en met 5.135 werken dit uit, waarbij artikel 5.132 het onderscheid tussen inerte en overige goederen maakt dat voor de zwaarte van de eisen bepalend is. 

Artikel 5.132 Inerte goederen

Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.

Artikel 5.133 Informatieplicht

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 5.134 Lozen bij opslaan van inerte goederen

In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.

Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.

De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.

Artikel 5.135 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool «uit te zetten». Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.

Artikel 5.136 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA’s. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.

Artikel 5.137 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Deze paragraaf gaat over lozingen vanuit de gemeentelijke voorzieningen zelf: een openbaar hemelwaterstelsel, een openbaar ontwateringsstelsel en de zogenoemde overheids-IBA’s. De gemeente is hier dus in de regel zelf degene die de activiteit verricht. Naast de drie gebruikelijke oogmerken is het beschermen van de gezondheid (onderdeel a) genoemd, omdat vanuit een overheids-IBA gezuiverd huishoudelijk afvalwater wordt geloosd. De artikelen 5.138 en 5.139 geven hieraan invulling. 

Artikel 5.138 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.

De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

Artikel 5.139 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het 

gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is 

vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt. 

De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam ‘rioleringsprogramma’ is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. 

Artikel 5.140 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.

Artikel 5.141 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het schoonmaken van drinkwaterleidingen komt water vrij dat desinfectiemiddelen en losgekomen materiaal uit de leiding kan bevatten. Het beschermen van de gezondheid (onderdeel a) staat hier daarom naast de kwaliteit van bodem en watersystemen (onderdeel d, onder 1). Artikel 5.142 geeft hieraan invulling. 

Artikel 5.142 Schoonmaken drinkwaterleidingen

Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.

Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.

Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).

Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

Artikel 5.143 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.

Artikel 5.144 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij calamiteitenoefeningen wordt vaak blusschuim of een ander hulpmiddel gebruikt, waarvan de resten via de bodem of de riolering in het milieu kunnen komen. De drie oogmerken zijn daarop toegesneden. De informatieplicht van artikel 5.145 en de regels van artikel 5.146 geven hieraan invulling. 

Artikel 5.145 Informatieplicht

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de lozingsroute en de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 5.146 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd. PFAS-houdende blusmiddelen mogen niet worden gebruikt.

Artikel 5.147 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Artikel 5.148 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het telen, kweken, spoelen en sorteren van gewassen kan afvalwater vrijkomen met gewasresten, grond, meststoffen en resten van gewasbeschermingsmiddelen. De drie oogmerken zijn daarop toegesneden. De artikelen 5.150 tot en met 5.153 werken ze uit, waaronder de recirculatieplicht bij grondgebonden teelt in een kas. 

Artikel 5.149 Informatieplicht

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de lozingsroute en de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 5.150 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.

Artikel 5.151 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.

De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 5.152 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.

De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 5.153 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 «uit te zetten». Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.

Artikel 5.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 5.155 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het maken van betonmortel komt afvalwater vrij dat onopgeloste stoffen bevat en een hoge pH-waarde heeft. De drie oogmerken zijn daarop toegesneden. Artikel 5.157 geeft hieraan invulling; de informatieplicht van artikel 5.156 stelt het college in staat te beoordelen of maatwerk nodig is. 

Artikel 5.156 Informatieplicht

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 5.157 Water

Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. Het heeft daarbij de voorkeur dat in een hemelwaterstelsel wordt geloosd. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een hemelwaterstelsel redelijkerwijs niet mogelijk is.

De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 5.158 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 5.159 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het uitwassen van beton komt afvalwater vrij met cementresten en een hoge pH-waarde. De drie oogmerken zijn daarop toegesneden. Artikel 5.161 geeft hieraan invulling. 

Artikel 5.160 Informatieplicht

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de lozingsroute en de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 5.161 Water

Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 5.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze – afhankelijk van de vraag – uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

Artikel 5.163 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het exploiteren van een recreatieve visvijver kan water worden geloosd met voerresten, visuitwerpselen en meststoffen, dat een hoge nutriëntenvracht heeft. De drie oogmerken zijn daarop toegesneden. Artikel 5.165 geeft hieraan invulling door de lozingsroute aan te wijzen. 

Artikel 5.164 Informatieplicht

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

  • a.

    de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • b.

    de precieze plek en indeling van de activiteit; en

  • c.

    wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Artikel 5.165 Water: lozingsroute

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.

Artikel 5.166 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de «ouderwetse», chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.

Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.

Artikel 5.167 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal komen ontwikkel- en fixeervloeistoffen vrij die zilver en andere metalen kunnen bevatten. Daarom zijn naast de drie gebruikelijke oogmerken ook het beschermen van de gezondheid (onderdeel a) en een doelmatig beheer van afvalstoffen (onderdeel d, onder 2) opgenomen: die vloeistoffen worden bij voorkeur als afvalstof afgevoerd in plaats van geloosd. Artikel 5.169 geeft hieraan invulling. 

Artikel 5.168 Informatieplicht

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van: 

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en 

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.



Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en  maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. 

Artikel 5.169 Water

In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.

Artikel 5.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.

Artikel 5.171 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het wassen van motorvoertuigen komen olie, vetten, koelvloeistof en reinigingsmiddelen vrij. Naast de drie gebruikelijke oogmerken zijn daarom ook het beschermen van de gezondheid (onderdeel a) en een doelmatig beheer van afvalstoffen (onderdeel d, onder 2) opgenomen. De artikelen 5.172 en 5.173 geven hieraan invulling: artikel 5.172 met de eis van een vloeistofdichte bodemvoorziening en artikel 5.184 met de lozingsroute en de emissiegrenswaarde voor olie. 

Artikel 5.172 Bodem

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 5.173, tweede lid, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

Artikel 5.173 Water

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 5.174 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.

Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.

Artikel 5.175 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het niet-industrieel bereiden van voedingsmiddelen komt niet alleen afvalwater met vet en voedselresten vrij, maar ook dampen en gassen. Daarom noemt onderdeel d, naast de gebruikelijke onderwerpen, ook de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder. De artikelen 5.177 en 5.178 geven hieraan invulling: artikel 5.177 aan de oogmerken die over afvalwater gaan en artikel 5.178 aan het geuroogmerk. 

Artikel 5.176 Informatieplicht

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van: 

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en 

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.



Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en  maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. 

Artikel 5.177 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

Artikel 5.178 lid 1

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.

Artikel 5.178 lid 2

Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.

Artikel 5.178 lid 3

onderdeel a

Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.

Artikel 5.178 lid 4

Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 5.179 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteiten de regels van paragraaf 5.8.20 van toepassing zijn. Op grond van artikel 4.1 geldt een paragraaf van hoofdstuk 5 alleen voor zover de richtingaanwijzer in hoofdstuk 4 dat bepaalt; voor deze paragraaf gebeurt dat in artikel 4.40. 

Het eerste lid knoopt rechtstreeks aan bij het rijksspoor: de paragraaf geldt voor de milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor die activiteit stelt het Rijk al algemene regels; deze paragraaf voegt daar één onderwerp aan toe, namelijk geur (artikel 5.181). 

Het tweede lid sluit de gevallen uit die het Besluit activiteiten leefomgeving in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 vergunningplichtig maakt. Bij die grotere bedrijven wordt de geurbelasting in de rijksvergunning geregeld en is een aanvullende regel in het omgevingsplan niet nodig. De paragraaf richt zich dus op de niet-vergunningplichtige voedingsmiddelenbedrijven. 

Voor de overige milieugevolgen van een voedingsmiddelenbedrijf blijven de rijksregels en paragraaf 5.8.1 gelden; op grond van artikel 4.40 is die laatste paragraaf naast deze paragraaf van toepassing. 

Artikel 5.180 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

De opsomming is bewust smal: alleen de gezondheid en het milieu, en binnen dat laatste alleen de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder. Dat sluit aan bij de inhoud van de paragraaf, die met artikel 5.181 uitsluitend een geurregel bevat. Een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 4.3 over bijvoorbeeld afvalwater kan dus niet op deze paragraaf worden gebaseerd; daarvoor zijn de rijksregels en paragraaf 5.8.1 het kader. 

Artikel 5.181 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Dit artikel bevat een resultaatsverplichting die is gekoppeld aan een moment: het beginnen of het uitbreiden in capaciteit van de activiteit, bedoeld in artikel 5.179, is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen. Het artikel schrijft geen maatregel voor en stelt geen norm in geureenheden; het stelt de eis als voorwaarde aan het beginnen of uitbreiden. Degene die de activiteit verricht bepaalt zelf hoe daaraan wordt voldaan, bijvoorbeeld met een afvoerhoogte, een filter of een gewijzigde bedrijfsvoering. 

Het gaat om nieuwe geurhinder. Bestaande geurhinder wordt door dit artikel niet ongedaan gemaakt: de eis geldt bij een verandering en werkt dus als een stand-stillbepaling. Daaruit volgt ook dat een uitbreiding in capaciteit die niet tot meer geurbelasting leidt, bijvoorbeeld omdat gelijktijdig een ontgeuringsinstallatie wordt geplaatst, wel toelaatbaar is.

Het tweede lid trekt de eis door naar het wijzigen van de activiteit, maar alleen als die wijziging leidt tot een grotere óf een andere geurbelasting op een geurgevoelig gebouw. Met “andere” geurbelasting wordt een verandering in de aard van de geur bedoeld: ook als de omvang gelijk blijft, kan een andere geursoort tot nieuwe hinder leiden, bijvoorbeeld bij een overstap op een ander productieproces. 

Het artikel geeft invulling aan de oogmerken van artikel 5.180. Het begrip geurgevoelig gebouw is niet in deze paragraaf gedefinieerd maar ontleend aan bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van artikel 4.3 kan het college over dit onderwerp een maatwerkvoorschrift stellen, bijvoorbeeld om de eis voor een concrete locatie te concretiseren. 

Artikel 5.182 Toepassingsbereik

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in dit artikel, eerste lid, onderdelen b tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

Artikel 5.183 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het slachten van dieren en het bewerken van dierlijke bijproducten, vlees, vis of organen komt afvalwater vrij met bloed, vet en organisch materiaal, en kan geur ontstaan. De opsomming is daarom ruim: naast de drie oogmerken die in alle lozingsparagrafen terugkomen, noemt het artikel de gezondheid (onderdeel a), de kwaliteit van de lucht, een doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van geurhinder (onderdeel d). De artikelen 5.184 tot en met 5.194 geven hieraan invulling, waaronder de eisen aan de lozingsroute en de zuivering (artikel 5.185), de bodemregels (de artikelen 5.187 tot en met 5.190) en het herstel van de bodemkwaliteit na beëindiging (de artikelen 5.191 tot en met 5.193). 

Artikel 5.184 Informatieplicht

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van: 

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en 

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.



Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en  maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. 

Artikel 5.185 Water: lozingsroute en zuivering

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Als deze onvoldoende werken kan ook een flocculatieafscheider worden gebruikt.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

Artikel 5.186 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.

Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 5.187 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 5.188 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 5.182 verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Artikel 5.189 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Artikel 5.189 lid 1

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast.

Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit.

Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Artikel 5.189 lid 2

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

–op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Artikel 5.190 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

Artikel 5.191 Informatieplicht: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

De Wet Basis registratie ondergrond verplicht de gemeente om meer informatie digitaal in te voeren en beschikbaar te stellen. Door het eisen van een xml-bestand van een bodemonderzoek (tweede lid) kan dit worden opgelost. Met dit format kan een bodemonderzoek automatisch worden ingevoerd in het registratiesysteem van de ondergrond.

Artikel 5.192 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Artikel 5.193 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Artikel 5.194 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

Artikel 5.195 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteiten de regels van paragraaf 5.8.22 van toepassing zijn. Op grond van artikel 4.1 geldt een paragraaf van hoofdstuk 5 alleen voor zover de richtingaanwijzer in hoofdstuk 4 dat bepaalt; voor deze paragraaf gebeurt dat in artikel 4.42. 

Het eerste lid knoopt aan bij de milieubelastende activiteit van artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, maar beperkt de paragraaf tot twee gevolgen: slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw (onderdeel a) en lichtschittering (onderdeel b). Andere gevolgen van een windturbine, zoals geluid, worden niet in deze paragraaf geregeld. Voor slagschaduw geldt bovendien een dubbele eis: het gebouw moet op die locatie zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, en de slagschaduw moet in een verblijfsruimte vallen. 

Het tweede lid zondert slagschaduwgevoelige gebouwen uit die voor niet meer dan tien jaar zijn toegelaten. De gedachte daarachter is dat een tijdelijke toelating niet het beschermingsniveau van een permanente functie hoeft te krijgen. Artikel 5.196 brengt op dit lid twee correcties aan voor situaties die onder het oude recht zijn ontstaan. 

Het derde lid zondert windparken met drie of meer windturbines uit, omdat voor die parken een mer-beoordelingsplicht geldt en die is (nog) niet gedaan. 

Artikel 5.196 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Dit artikel bevat overgangsrechtelijk maatwerk op het toepassingsbereik van artikel 5.195. Het regelt niets over de windturbine zelf, maar bepaalt of een slagschaduwgevoelig gebouw de bescherming van artikel 5.198 geniet. Beide leden gaan over gebouwen die hun titel ontlenen aan het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangevraagd. 

Het eerste lid werkt in het voordeel van de bewoner: in afwijking van artikel 5.195, tweede lid, blijft de paragraaf ook gelden voor een gebouw dat voor niet meer dan tien jaar is toegelaten, als die toelating uit het oude recht voortkomt. Onder het oude recht werd de tijdelijkheid van een toelating niet als criterium voor de bescherming tegen slagschaduw gebruikt, zodat het intrekken van die bescherming een achteruitgang zou betekenen voor gebouwen die al aanwezig waren. 

Het tweede lid werkt in het nadeel van de eigenaar van een nog niet gerealiseerd gebouw: in afwijking van artikel 5.195, eerste lid, geldt de paragraaf niet voor een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dezelfde oude titels mag worden gebouwd. Zonder dit lid zou een nog niet gebruikte bouwtitel de bedrijfsvoering van een bestaande windturbine kunnen beperken. 

Samen zorgen de twee leden ervoor dat de bescherming aansluit bij de feitelijk aanwezige bebouwing op het moment van de omzetting naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Artikel 5.197 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

De paragraaf kent twee soorten regels, die elk bij een ander oogmerk aansluiten. Artikel 5.198, over slagschaduw, sluit aan bij het voorkomen of beperken van schaduwhinder (onderdeel c) en bij het beschermen van de gezondheid (onderdeel a): wisselende schaduw in een verblijfsruimte wordt als hinderlijk ervaren. Artikel 5.201, over lichtschittering, sluit aan bij de onderdelen a en b.

Artikel 5.198 Slagschaduw: stilstandvoorziening

Dit artikel bevat de kernnorm van paragraaf 5.8.22. Het is een middelvoorschrift met een resultaatscomponent: de windturbine is voorzien van een automatische stilstandvoorziening, en die voorziening schakelt de turbine daadwerkelijk af in de gevallen waarin het artikel dat voorschrijft. Een handmatige of alleen op verzoek werkende voorziening voldoet dus niet. 

De afschakelplicht geldt als aan drie voorwaarden samen wordt voldaan: gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar kan slagschaduw optreden, op zo'n dag gedurende meer dan twintig minuten, en de afstand tussen de windturbine en het slagschaduwgevoelige gebouw bedraagt minder dan twaalf maal de rotordiameter. De eerste twee voorwaarden vormen samen een hinderdrempel; de derde voorwaarde begrenst de reikwijdte van de verplichting, omdat op grotere afstand de schaduw te diffuus wordt om nog als slagschaduw te worden ervaren. De norm sluit aan bij de norm die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op rijksniveau voor windturbines gold. 

Omdat de dagen- en minutennorm een berekende verwachtingswaarde is (“kan optreden”, “gemiddeld”), gaat het om een prognose op basis van de stand van de turbine, de ligging van het gebouw en de zonnestand, en niet om een meting achteraf. De stilstandvoorziening moet daarop worden ingeregeld. 

Het tweede lid geeft de meetbepaling voor de afstand: die wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het slagschaduwgevoelige gebouw (onderdeel a) en tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen (onderdeel b). Bij een woonschip of woonwagen is er geen vaste gevel, zodat de begrenzing van de locatie het aanknopingspunt is. Doordat vanaf ashoogte wordt gemeten, gaat het om een schuine afstand in drie dimensies en niet om een afstand op de kaart. 

De artikelen 5.199 en 5.200 bevatten uitzonderingen op dit artikel. Het toepassingsbereik volgt uit de artikelen 5.195 en 5.196. Op grond van artikel 4.3 kan het college een maatwerkvoorschrift stellen, bijvoorbeeld over de instelling van de stilstandvoorziening. 

Artikel 5.199 Slagschaduw: functionele binding

Dit artikel bevat de eerste uitzondering op artikel 5.198. Reden voor de uitzondering is dat degene die het gebouw gebruikt, door de functionele binding zelf bij de windturbine betrokken is en de gevolgen daarvan heeft aanvaard; bescherming door een algemene regel is dan niet nodig. 

Van een functionele binding is sprake als het gebruik van het gebouw en het gebruik van de windturbine bij elkaar horen, bijvoorbeeld bij de bedrijfswoning van degene die de windturbine exploiteert of bij een bedrijfsgebouw op hetzelfde terrein. De binding moet bestaan op het moment dat de slagschaduw optreedt; artikel 5.200 regelt de gevallen waarin de binding is vervallen. 

De uitzondering ziet alleen op artikel 5.198. De specifieke zorgplicht van de artikelen 4.4 en 5.96 blijft gelden, en artikel 5.201 over lichtschittering blijft ook bij een functionele binding van toepassing. 

Artikel 5.200 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Dit artikel bevat de tweede uitzondering op artikel 5.198 en vult artikel 5.199 aan voor de situatie waarin de functionele binding is vervallen. De uitzondering is beperkt tot de agrarische activiteit en tot een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw. 

Onderdeel a gaat over de zogenoemde plattelandswoning: een gebouw dat op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning tot de agrarische activiteit behoort of heeft behoord en door een derde bewoond mag worden. De bewoning door een derde maakt het gebouw niet tot een gewoon te beschermen gebouw: de ligging op het agrarische bedrijfsperceel blijft bepalend. 

Onderdeel b gaat over het geval waarin op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit al is bepaald dat de regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn. Dit onderdeel voorkomt dat een dergelijk besluit door artikel 5.198 wordt doorkruist; de uitzondering volgt dus de eerder gemaakte keuze en creëert zelf geen nieuwe categorie. 

Net als bij artikel 5.199 blijven de specifieke zorgplicht van de artikelen 4.4 en 5.96 en artikel 5.201 gelden. 

Artikel 5.201 Lichtschittering: beperken van reflectie

Dit artikel bevat de tweede kernnorm van paragraaf 5.8.22 en heeft een ander karakter dan artikel 5.198: het schrijft een materiaalkeuze voor in plaats van een technische voorziening. Lichtschittering ontstaat als zonlicht op glanzende delen van de windturbine weerkaatst, vooral op de rotorbladen en de gondel; door een niet reflecterende afwerking of een coatinglaag wordt de weerkaatsing gebroken. 

De verplichting is geformuleerd als “voorkomen of zoveel mogelijk beperkt”. Dat is geen vrije keuze tussen twee mogelijkheden: voorkomen is het uitgangspunt, en waar dat niet haalbaar is geldt een inspanningsverplichting die verlangt dat het redelijkerwijs mogelijke wordt gedaan. Het artikel noemt daarnaast één middel — niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen — zodat de discussie zich richt op de uitvoering van dat middel. 

Anders dan bij slagschaduw gelden hier geen drempelwaarden en geen afstandscriterium, en gelden de uitzonderingen van de artikelen 5.199 en 5.200 niet. Het artikel geldt dus bij elke windturbine die binnen het toepassingsbereik van artikel 5.195, eerste lid, onder b, valt. Op grond van artikel 4.3 kan het college hierover een maatwerkvoorschrift stellen. 

Artikel 5.202 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van «natte» accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 5.203 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Zoals de toelichting bij artikel 5.202 vermeldt, gaat deze paragraaf over het laden van natte accu’s, die (zwavel)zuur bevatten en waaruit lekkage kan optreden. Bij het laden kan bovendien waterstofgas vrijkomen. Daarom noemt de opsomming naast de gebruikelijke onderwerpen ook het waarborgen van de veiligheid (onderdeel a), het beschermen van de gezondheid (onderdeel b) en het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen (onderdeel e, onder 1). De artikelen 5.204 en 5.205 geven hieraan invulling met de eis van een bodembeschermende voorziening en een logboek. 

Artikel 5.204 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 5.205 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Artikel 5.206 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.

Artikel 5.207 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage gaat het vooral om de uitlaatgassen die zich in de garage verzamelen en met de ventilatielucht naar buiten worden gebracht. Daarom noemt onderdeel d, onder 2 en 3, ook de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder. Artikel 5.209 geeft hieraan invulling met eisen aan het aanzuigen en uitblazen van de ventilatielucht; de informatieplicht van artikel 5.208 stelt het college in staat te beoordelen of maatwerk op grond van artikel 4.3 nodig is. 

Artikel 5.208 Informatieplicht: bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van: 

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en 

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.



Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. 

Artikel 5.209 lid 1

De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Artikel 5.209 lid 2

Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 5.210 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.

Artikel 5.211 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

De opsomming is smal: alleen de gezondheid en, binnen het milieubelang, het voorkomen of beperken van lichthinder. Dat sluit aan bij de inhoud van de paragraaf, die met artikel 5.213 regels over lichtinstallaties bij sportactiviteiten in de buitenlucht bevat. Voor de overige gevolgen van de activiteit, zoals geluid, zijn de rijksregels en paragraaf 5.8.1 het kader; een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 4.3 kan niet op deze paragraaf worden gebaseerd voor een belang dat hier niet is genoemd. 

Artikel 5.212 Informatieplicht

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van: 

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en 

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.



Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. 

Artikel 5.213 Licht

Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.

Artikel 5.214 lid 1

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In artikel PM is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Artikel 5.214 lid 2

onderdeel a

Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

onderdeel b

Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Artikel 5.215 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het opslaan van vaste mest gaat het om uitspoeling van mestvocht naar bodem en water, om geur en om de aanwezigheid van ziekteverwekkers. De opsomming omvat daarom naast de drie oogmerken die in de lozingsparagrafen terugkomen ook de gezondheid (onderdeel a), de kwaliteit van de lucht, een doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van geurhinder (onderdeel d). 

De oogmerken werken in deze paragraaf op twee manieren door. Voor opslagen van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3 geven de artikelen 5.219 tot en met 5.223 er invulling aan met algemene regels over bodem, lozingsroute en geur. Voor opslagen boven 600 m3 werken zij door in de beoordeling van de aanvraag om de omgevingsvergunning van artikel 5.216 en in de voorschriften die aan die vergunning worden verbonden. 

Artikel 5.216 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel introduceert de vergunningplicht voor de grotere mestopslagen. De drempel van meer dan 600 m3 sluit aan op de bovengrens van artikel 5.214, derde lid: tot en met 600 m3 volstaan de algemene regels van de artikelen 5.219 tot en met 5.223, daarboven is een voorafgaande beoordeling per geval nodig, omdat de gevolgen voor geur en bodem dan sterk van de locatie en de uitvoering afhangen. 

Omdat de vergunningplicht in het omgevingsplan is opgenomen, gaat het om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; het college van burgemeester en wethouders beslist over de aanvraag. Het verbod richt zich op grond van artikel 4.2 tot degene die de activiteit verricht. 

Artikel 5.217 bepaalt welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag worden verstrekt en artikel 5.218 geeft het toetsingskader. Op grond van artikel 4.3, tweede lid, kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden; op grond van het vierde lid van dat artikel wordt geen maatwerkvoorschrift gesteld over een onderwerp dat via een vergunningvoorschrift kan worden geregeld. 

Artikel 5.217 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel vult de algemene aanvraagvereisten aan met de gegevens die het college nodig heeft om te kunnen vaststellen of de drempel van artikel 5.216 wordt overschreden en om de aanvraag aan artikel 5.218 te kunnen toetsen. Op grond van artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet hoeven de gegevens niet te worden verstrekt voor zover het college daarover al beschikt.

Het artikel vraagt het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters. Dat is de grootheid waarmee de drempel van 600 m3 wordt getoetst; het gaat om de capaciteit en niet om de op een bepaald moment feitelijk aanwezige hoeveelheid, zodat de vergunningplicht niet afhankelijk is van het moment van beoordelen. 

Artikel 5.218 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Dit artikel bepaalt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning van artikel 5.216. 

De artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten de beoordelingsregels die het Rijk heeft gesteld voor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Omdat de vergunningplicht hier in het omgevingsplan is opgenomen, gaat het om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en gelden die rijksregels niet rechtstreeks. Dit artikel verklaart ze van overeenkomstige toepassing, zodat de aanvraag aan dezelfde maatstaven wordt getoetst als een aanvraag op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder het uitgangspunt dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. 

De oogmerken van artikel 5.215 begrenzen daarbij de belangen die in de beoordeling mogen worden betrokken. Voorschriften kunnen op grond van artikel 4.3, tweede lid, aan de vergunning worden verbonden. 

Artikel 5.219 Informatieplicht

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van: 

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en 

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.



Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. 

Artikel 5.220 Bodem: opslag

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 5.221 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Artikel 5.222 Water: lozingsroute

Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.

Artikel 5.223 Geur

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor gelden gebiedsgerichte regels ter voorkoming van geurhinder.

Artikel 5.224 Toepassingsbereik

Dit artikel bakent af op welke activiteiten de regels van paragraaf 5.8.27 van toepassing zijn. Op grond van artikel 4.1 geldt een paragraaf van hoofdstuk 5 alleen voor zover de richtingaanwijzer in hoofdstuk 4 dat bepaalt; voor deze paragraaf gebeurt dat in artikel 4.47. 

Anders dan de vergelijkbare paragraaf 5.8.26 over vaste mest kent dit artikel geen onder- of bovengrens en geen uitzonderingen. Dat is te verklaren uit de inhoud van de paragraaf: zij bevat geen algemene regels, maar uitsluitend de vergunningplicht van artikel 5.226 met de bijbehorende aanvraagvereisten (artikel 5.227) en beoordelingsregels (artikel 5.228). Onder de drempels van artikel 5.226 heeft de paragraaf daardoor geen zelfstandige betekenis: dan gelden het Besluit activiteiten leefomgeving, paragraaf 5.8.1 en de specifieke zorgplicht van de artikelen 4.4 en 5.96. 

De drie in het artikel genoemde stoffen zijn niet in deze paragraaf gedefinieerd. Digestaat is het restproduct van vergisting; dunne fractie is de vloeibare fractie die bij het scheiden van drijfmest overblijft. 

Artikel 5.225 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie kunnen zich naast geur en uitspoeling ook veiligheidsrisico’s voordoen, doordat bij vergisting methaan en zwavelwaterstof vrijkomen. De opsomming is daarom een van de ruimste van deze afdeling: zij omvat ook het waarborgen van de veiligheid (onderdeel a) en het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder (onderdeel e, onder 3). 

Omdat deze paragraaf verder alleen een vergunningplicht bevat, werken de oogmerken vooral door in de beoordeling van de aanvraag op grond van artikel 5.228 en in de voorschriften die op grond van artikel 4.3, tweede lid, aan de vergunning worden verbonden. 

Artikel 5.226 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel introduceert de vergunningplicht voor de grotere mestbassins. De twee criteria — een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 en een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3 — gelden naast elkaar: overschrijding van één ervan is genoeg voor de vergunningplicht. Dat de twee criteria beide zijn opgenomen, hangt samen met de aard van de gevolgen: de oppervlakte is maatgevend voor de geur- en ammoniakemissie en de inhoud voor de gevolgen van een onverhoopte lekkage of bezwijken van het bassin. 

Beide criteria zijn cumulatief bedoeld in een tweede opzicht: het gaat om de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud van alle mestbassins op de locatie. Het opdelen van een opslag in meerdere kleinere bassins leidt dus niet tot het vervallen van de vergunningplicht. 

Omdat de vergunningplicht in het omgevingsplan is opgenomen, gaat het om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; het college van burgemeester en wethouders beslist over de aanvraag. Het verbod richt zich op grond van artikel 4.2 tot degene die de activiteit verricht. Artikel 5.227 bepaalt welke gegevens bij de aanvraag worden verstrekt en artikel 5.228 geeft het toetsingskader. 

Artikel 5.227 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel vult de algemene aanvraagvereisten aan met het gegeven waarmee het college kan vaststellen of een van de drempels van artikel 5.226 wordt overschreden. Het gaat om het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins, dus om dezelfde twee grootheden waarmee die drempels zijn geformuleerd. 

Omdat artikel 5.226 over de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud spreekt, gaat het ook hier om alle mestbassins op de locatie samen en niet om het bassin waarop de aanvraag ziet. Op grond van artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet hoeven de gegevens niet te worden verstrekt voor zover het college daarover al beschikt. 

Voor de inhoudelijke beoordeling zullen op grond van de algemene aanvraagvereisten en zo nodig op verzoek van het college aanvullende gegevens nodig zijn, bijvoorbeeld over de uitvoering van het bassin en de afdekking. Dit artikel beperkt zich tot de gegevens die voor de toets aan de drempels onmisbaar zijn. 

Artikel 5.228 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Dit artikel bepaalt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning van artikel 5.226. 

De artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatten de beoordelingsregels die het Rijk heeft gesteld voor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Omdat de vergunningplicht hier in het omgevingsplan is opgenomen, gaat het om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en gelden die rijksregels niet rechtstreeks. Dit artikel verklaart ze van overeenkomstige toepassing, zodat de aanvraag aan dezelfde maatstaven wordt getoetst als een aanvraag op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder het uitgangspunt dat de beste beschikbare technieken worden toegepast. 

De oogmerken van artikel 5.225 begrenzen daarbij de belangen die in de beoordeling mogen worden betrokken. Voorschriften kunnen op grond van artikel 4.3, tweede lid, aan de vergunning worden verbonden. 

Artikel 5.229 Toepassingsbereik

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Artikel 5.230 Oogmerken

Dit artikel benoemt de belangen met het oog waarop de regels van deze paragraaf zijn gesteld. De oogmerken werken op twee manieren door: de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 knoopt er rechtstreeks bij aan, en op grond van artikel 4.3, zesde lid, worden zij in acht genomen bij het stellen van maatwerkvoorschriften en bij het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. Een maatwerkvoorschrift kan daarom niet worden gesteld vanuit een belang dat hier niet is genoemd. 

Bij het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen komt perssap vrij: een zure vloeistof met een hoog gehalte aan organische stof, die bodem en water zwaar kan belasten. Ook kan geur ontstaan. De opsomming omvat daarom naast de drie oogmerken die in de lozingsparagrafen terugkomen ook de gezondheid (onderdeel a), de kwaliteit van de lucht, een doelmatig beheer van afvalstoffen en het voorkomen of beperken van geurhinder (onderdeel d). 

De artikelen 5.232 tot en met 5.235 geven hieraan invulling met de eis van een bodembeschermende voorziening, een logboek en de aanwijzing van de lozingsroutes voor vrijkomende vloeistoffen. 

Artikel 5.231 Gegevens en bescheiden

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van: 

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en 

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.



Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. 

Artikel 5.232 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.

Artikel 5.233 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Artikel 5.234 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.

Artikel 5.235 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met artikel 5.234.

Artikel 5.236 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het opslaan bepaalde stoffen en voorwerpen in het openbaar toegankelijk gebied of op een locatie die zichtbaar is vanuit het openbaar toegankelijk gebied. Het gaat hier om het opslaan van voorwerpen en stoffen bij activiteiten die geen milieubelastende activiteiten zijn milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Artikel 5.237 Oogmerken

De regels voor het opslaan van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen zijn onder andere gesteld met het oog op het voorkomen van zwerfafval en het beschermen van het milieu. Het opslaan van bepaalde stoffen en voorwerpen kan zwerfafval veroorzaken. Ook kunnen bepaalde stoffen en voorwerpen zorgen voor milieuverontreiniging. 

Artikel 5.238 Specifieke zorgplicht

Dit artikel concretiseert de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 voor het opslaan van de goederen, bedoeld in artikel 5.236, eerste lid.

Artikel 5.239 Verbod opslaan van voorwerpen en stoffen

Dit artikel bevat een verbod om de genoemde voorwerpen en stoffen — zoals onbruikbare voer- of vaartuigen, bromfietsen of motorvoertuigen, kampeermiddelen voor commercieel gebruik en diverse afvalstoffen — op te slaan binnen de locatie ‘verbod opslag voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen en kampeermiddelen’. Binnen die locatie is de opslag van deze goederen niet toegestaan.

Artikel 5.240 Toepassingsbereik

In deze paragraaf worden de activiteiten gereguleerd die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterstaatswerken en bergbezinkbassins waarvoor de locaties Waterkering, Waterbergingsgebied en Bergbezinkbassin zijn aangewezen. Het gaat onder meer om bouwen, verharden, het veranderen van het maaiveld, diepwortelende beplanting, heiwerkzaamheden en het aanleggen of vergraven van watergangen.

Artikel 5.241 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van een goede staat en werking van waterstaatswerken en bergbezinkbassins. De oogmerken zijn leidend bij de uitleg van de regels en begrenzen de bevoegdheid van het bevoegd gezag.

Artikel 5.242 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel wijst de in artikel 5.240 bedoelde activiteiten aan als vergunningplichtig binnen de locaties Waterkering, Waterbergingsgebied en Bergbezinkbassin. Het tweede lid zondert bouwwerken die ten dienste staan van het waterstaatswerk of bergbezinkbassin en normaal onderhoud en beheer uit.

Artikel 5.243 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — een tekening of ingetekende luchtfoto met de locatie, de reden voor de activiteit en een beschrijving van de aard en omvang ervan — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen voor het waterstaatswerk of bergbezinkbassin te beoordelen.

Artikel 5.244 Beoordelingsregels

Het eerste lid bevat de beoordelingsregel. De vergunning wordt alleen verleend als geen afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van het waterstaatswerk of bergbezinkbassin. 

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van het waterschap, dat in artikel 10.6 is geregeld. 

Artikel 5.245 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk, het houden van een evenement en het gebruiken van schadelijke stoffen of schadelijke uitloogbare materialen in een grondwaterbeschermingsgebied. Het artikel bakent af op welke activiteiten de paragraaf van toepassing is.

Artikel 5.246 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit. De oogmerken zijn leidend bij de uitleg van de regels en ze begrenzen de bevoegdheid van het bevoegd gezag.

Artikel 5.247 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel wijst de in artikel 5.245 bedoelde activiteiten aan als vergunningplichtig binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Het tweede lid zondert het bouwen binnen het bouwvlak en binnen de locatie Militaire vliegbasis uit.

Artikel 5.248 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — locatie, reden en een bouwtekening — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen voor de grondwaterkwaliteit te beoordelen.

Artikel 5.249 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregels. De vergunning wordt alleen verleend als er geen risico is op schade aan de bodem en het grondwater en er geen schadelijke uitloogbare materialen worden gebruikt. Het artikel geeft aan wat in ieder geval onder schadelijke uitloogbare materialen wordt verstaan, zoals zink, lood en koper, gewolmaniseerd hout en teerbitumen.

Het derde lid onder bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied, dat in artikel 10.7 is geregeld. 

Artikel 5.250 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van een bouwwerk, het houden van een evenement en het gebruiken van schadelijke stoffen of schadelijke uitloogbare materialen in een waterwingebied. Het artikel bakent af op welke activiteiten de paragraaf van toepassing is.

Artikel 5.251 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening. De oogmerken zijn leidend bij de uitleg van de regels.

Artikel 5.252 Verbod

Dit artikel bevat een verbod om de in artikel 5.250 bedoelde activiteiten in een waterwingebied te verrichten. Vanwege de directe relatie met de drinkwatervoorziening zijn deze activiteiten hier niet toegestaan; het tweede lid maakt alleen een uitzondering voor het bouwen van een put voor de waterwinning.

Artikel 5.253 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van de paragraaf. Alle activiteiten die worden opgesomd kunnen het functioneren of de toegankelijkheid van een grondwatermeetpunt belemmeren of bedreigen. Een grondwatermeetpunt is een fysieke meetinstallatie die dient voor de monitoring van het grondwaterpeil. Dergelijke punten zijn van belang voor het waterbeheer en de uitvoering van de taken van de gemeente en het waterschap.

De vier categorieën activiteiten zijn bewust breed geformuleerd. Het bouwen van bouwwerken (onder a) kan een meetpunt fysiek beschadigen of de ruimte eromheen zo inperken dat toegang niet langer mogelijk is. Grondwerkzaamheden (onder b) kunnen meetapparatuur ondergronds beschadigen of verplaatsen. Diepwortelende beplanting of bomen (onder c) kunnen met hun wortels de meetinstallatie beschadigen of verstoren. Het aanleggen van kabels en leidingen (onder d) vormt een vergelijkbaar risico voor de ondergrondse onderdelen van het meetpunt.

Artikel 5.254 Oogmerken

Dit artikel benoemt de oogmerken van de regels in de paragraaf.

Het eerste oogmerk – het behouden van het grondwatermeetpunt – ziet op de fysieke bescherming van de meetinstallatie zelf: het toestel, de behuizing en de ondergrondse onderdelen mogen niet worden beschadigd, verplaatst of verwijderd.

Het tweede oogmerk – het behouden van de toegankelijkheid – ziet op de ruimte rondom het meetpunt. Het meetpunt moet bereikbaar blijven voor beheer, onderhoud, ijking en uitlezing. Zelfs als het meetpunt zelf intact blijft, kan een ontoegankelijke situatie het uitvoeren van het reguliere beheer onmogelijk maken. Beide oogmerken dienen dan ook in samenhang te worden gelezen.

Artikel 5.255 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het eerste lid wijst de activiteiten uit artikel 5.253 aan als vergunningplichtig. Het tweede lid bevat een uitzondering voor normaal beheer en onderhoud. Deze uitzondering is opgenomen om te voorkomen dat reguliere beheerwerkzaamheden aan het grondwatermeetpunt zelf – zoals het vervangen van batterijen, het schoonmaken van de behuizing of het maaien van gras rondom het punt – vergunningplichtig worden. Dergelijke activiteiten dienen immers juist het in stand houden van het meetpunt en zijn niet strijdig met de oogmerken van deze paragraaf. Onder 'normaal beheer en onderhoud' wordt verstaan: werkzaamheden die periodiek en regulier worden uitgevoerd om het meetpunt en de directe omgeving in goede staat te houden, zonder dat de aard of de omvang van het meetpunt daardoor wijzigt.

Artikel 5.256 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning.

Het vereiste onder a (tekening of ingetekende luchtfoto) stelt het bevoegd gezag in staat de ruimtelijke situatie te beoordelen en na te gaan of de voorgenomen activiteit in de directe nabijheid van het grondwatermeetpunt plaatsvindt en wat de exacte ligging is ten opzichte van het meetpunt.

Het vereiste onder b (reden voor de activiteit) biedt context voor de beoordeling. De aard en urgentie van de activiteit kunnen relevant zijn bij de afweging of en onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend.

Het vereiste onder c (verantwoording) is het inhoudelijke kernvereiste. De aanvrager dient te onderbouwen op welke wijze het grondwatermeetpunt en de toegankelijkheid ervan behouden blijven. Daarmee heeft het bevoegd gezag een toereikende informatiebasis voor de beoordeling van de aanvraag. In de verantwoording kan bijvoorbeeld worden ingegaan op de afstand tot het meetpunt, de wijze van uitvoering, eventuele beschermende maatregelen en de bereikbaarheid na oplevering van de activiteit.

Artikel 5.257 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de beoordelingsregel voor de omgevingsvergunning. De toetsingsgrond sluit direct aan bij de oogmerken van artikel 5.254. Het bevoegd gezag toetst of het grondwatermeetpunt zelf en de toegankelijkheid ervan door de voorgenomen activiteit niet worden aangetast. Bij de beoordeling kan het bevoegd gezag gebruik maken van de bij de aanvraag gevoegde verantwoording als bedoeld in artikel 5.256, aanhef en onder c. Als de activiteit zodanig wordt uitgevoerd of ingericht dat het meetpunt intact blijft en bereikbaar is – ook na afronding van de werkzaamheden – voldoet de aanvraag aan de beoordelingsregel. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden om de naleving van deze voorwaarden te borgen.

Artikel 5.258 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten binnen een reserveringsgebied waterberging die de geschiktheid van het gebied voor waterberging kunnen aantasten, zoals grondwerk, drainage, het aanleggen van dammen of stuwen, het graven of dempen van sloten, verharding en het aanleggen van leidingen. Het artikel bakent af op welke activiteiten de paragraaf van toepassing is.

Artikel 5.259 Oogmerk

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het reserveren van het gebied voor waterberging. Het oogmerk is leidend bij de uitleg van de regels en begrenst de bevoegdheid van het bevoegd gezag.

Artikel 5.260 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel wijst de in artikel 5.320 bedoelde activiteiten aan als vergunningplichtig binnen een reserveringsgebied waterberging. Het tweede lid zondert onder meer normaal onderhoud en beheer, activiteiten van geringe omvang en ondergeschikte betekenis, de aanleg van ondergrondse kabels en leidingen en activiteiten binnen het bouwvlak uit.

Artikel 5.261 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — locatie, reden en een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen voor de bergingsfunctie te beoordelen.

Artikel 5.262 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Het eerste lid bevat de beoordelingsregel. De vergunning wordt alleen verleend als de activiteit de waarde van het reserveringsgebied voor waterberging niet aantast of kan aantasten.

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van het waterschap, dat in artikel 10.6 is geregeld. 

Artikel 5.263 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten binnen de attentiezone waterhuishouding die de waterhuishouding kunnen beïnvloeden, zoals het verzetten van grond, het aanleggen van drainage, het verlagen van de grondwaterstand en het aanbrengen van verhard oppervlak buiten een agrarisch bouwperceel. Het artikel bakent af op welke activiteiten de paragraaf van toepassing is.

Artikel 5.264 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de kwaliteit van watersystemen. De oogmerken zijn leidend bij de uitleg van de regels en ze begrenzen de bevoegdheid van het bevoegd gezag.

Artikel 5.265 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Dit artikel wijst de in artikel 5.263 bedoelde activiteiten aan als vergunningplichtig binnen de attentiezone waterhuishouding. Het tweede lid bevat uitzonderingen voor onder meer kleinschalig grondverzet (minder dan 100 m² en minder dan 60 cm diep), vervanging van bestaande drainage, het graven van sloten, grondwateronttrekkingen, normaal beheer en onderhoud en het aanbrengen van verhard oppervlak binnen een agrarisch bouwwerkperceel.

Artikel 5.266 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Dit artikel bevat de bijzondere aanvraagvereisten. De gevraagde gegevens — locatie, reden, een beschrijving van de aard en omvang van de activiteit en een beschrijving van de effecten op de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuur Netwerk Brabant — stellen het bevoegd gezag in staat de gevolgen te beoordelen.

Artikel 5.267 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Het eerste lid bevat de beoordelingsregels. De vergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen onevenredige afbreuk doet aan de waterhuishouding of geen negatief effect heeft op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuur Netwerk Brabant. 

Het tweede lid bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om rekening te houden met het advies van het waterschap, dat in artikel 10.6 is geregeld. 

Artikel 5.268 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over activiteiten binnen het gebied behoud en herstel van watersystemen die de waterhuishouding kunnen beïnvloeden. Het artikel bakent af op welke activiteiten de paragraaf van toepassing is.

Artikel 5.269 Oogmerken

Dit artikel beschrijft het doel van de regels die gesteld zijn in deze paragraaf. De regels zijn opgesteld ter voorkomen van negatieve gevolgen voor het behouden, beheren en herstellen van watersystemen. Activiteiten die de morfologische herstelmaatregelen binnen het gebied Behoud en herstel van watersystemen belemmeren, moeten worden tegengegaan.

Artikel 5.273 Meldingsplicht

Dit artikel bevat een verbod om zonder voorafgaande melding verharding aan te leggen in het gebied Beheer en behoud van watersystemen. Minimaal vier weken voor de start van de activiteit wordt aan de gemeente de activiteit gemeld en worden de gegevens en bescheiden uit het tweede lid verstrekt. De gemeente controleert op basis van deze melding of de voorgestelde verharding inderdaad eenvoudig kan worden verwijderd.

Artikel 8.1 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het voorkomen van gevaar voor de omgeving, het beschermen van de gezondheid en het beperken van hinder. De oogmerken zijn leidend bij de uitleg van de regels.

Artikel 8.2 Normadressaat

Dit artikel bepaalt wie aan artikel 8.3 moet voldoen: de eigenaar, rechthebbende of gebruiker van een perceel. De verantwoordelijkheid voor de instandhouding van niet-openbare riolen en putten ligt daarmee bij degene die zeggenschap heeft over het perceel.

Artikel 8.3 Instandhouding niet-openbare riolen

De regel voor niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen uit art. 4:9 van de APV is hierin verwerkt. In dit artikel wordt aan de eigenaar, rechthebbende of gebruiker van een perceel de zorg opgedragen voor een goede toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen. Er moet worden gezorgd dat er geen gevaar voor de veiligheid, nadelen voor de gezondheid of hinder voor gebruikers van gebouwen of van bijvoorbeeld de openbare weg ontstaat. Op grond van dit artikel wordt bijvoorbeeld van de eigenaar, rechthebbende of gebruiker van het perceel verwacht dat diegene de niet-openbare riolering repareert als deze zodanig lek raakt dat de grond onder de weg of het trottoir wegspoelt en er gaten ontstaan.  

Artikel 10.1 Advies deskundige op cultuurhistorisch gebied

Dit artikel verplicht het college om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor activiteiten in een gebied met aardkundige waarden (paragraaf 5.7.1) advies te vragen aan een deskundige op aardkundig gebied over de gevolgen voor de aanwezige aardkundige waarden.

Artikel 10.2 Advies molenbeheerder bij omgevingsvergunning molenbiotoop

Dit artikel verplicht het college om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor activiteiten in een molenbiotoop (paragraaf 5.3.2) advies te vragen aan de molenbeheerder over de gevolgen voor het functioneren van de molen en voor de waarde van de molen als landschapsbepalend element.

Artikel 10.3 Advies leidingbeheerder bij omgevingsvergunning beperkingengebied leidingen

Dit artikel verplicht het college om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor activiteiten in het beperkingengebied leidingen (paragraaf 5.6.9) en het beperkingengebied hoogspanningsverbinding (paragraaf 5.6.10) advies te vragen aan de leidingbeheerder over de gevolgen voor het doelmatig en veilig functioneren van de leiding.

Artikel 10.4 Advies bij omgevingsvergunning radarverstoringsgebied en luchtvaartverkeersgebied

Dit artikel verplicht het college om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in een radarzone of luchtvaartverkeerzone (paragrafen 5.6.11 en 5.6.12) advies te vragen aan het Ministerie van Defensie (Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen, directie Brabant) over de gevolgen van het bouwwerk voor het radarbeeld.

Artikel 10.5 Advies deskundige op aardkundig gebied

Dit artikel verplicht het college om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor activiteiten in een gebied met aardkundige waarden (paragraaf 5.7.1) advies te vragen aan een deskundige op aardkundig gebied over de gevolgen voor de aanwezige aardkundige waarden.

Artikel 10.6 Advies waterschap bij omgevingsvergunningen

Dit artikel verplicht het college om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor activiteiten bij een waterstaatswerk (paragraaf 5.9.1) en in een reserveringsgebied - waterberging (paragraaf 5.9.5) advies te vragen aan het waterschap over de gevolgen voor het watersysteem. Zo wordt de deskundigheid van de waterbeheerder bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.

Artikel 10.7 Advies beheerder bij omgevingsvergunning grondwaterbeschermingsgebied

Dit artikel verplicht het college om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied (paragraaf 5.9.2) advies te vragen aan de beheerder van het waterwingebied over de gevolgen van die activiteiten en de daarbij gebruikte materialen voor de bodem en het grondwater.

Artikel 13.1 Voorrangsbepaling tijdelijk deel omgevingsplan

Dit artikel bevat voorrangsbepalingen ten opzichte van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Omdat bepalingen uit regelingen die zijn gepubliceerd via ruimtelijkeplannen.nl technisch gezien alleen allemaal tegelijkertijd kunnen komen te vervallen voor een locatie, zijn voorrangsbepalingen nodig als slechts een deel van die regelingen op een bepaalde locatie moet komen te vervallen. Deze technische beperking is juridisch verankerd in artikel 22.6, eerste lid, van de Omgevingswet. Het deel dat moet komen te vervallen wordt door de voorrangsbepaling buiten toepassing verklaard.

In dit artikel is ervoor gekozen om alleen de namen op te nemen van de bestemmingen en gebiedsaanduidingen die niet meer van toepassing zijn. Dit brengt met zich mee dat deze voorrangsbepaling geldt voor alle bestemmingsplannen waar een bestemming in voorkomt met deze naam. Daardoor hoeven niet alle bestemmingsplannen afzonderlijk benoemd te worden, maar is toch duidelijk welke regels er precies komen te vervallen.

RR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

Het Bal regelt een groot aantal handelingen met afvalstoffen. Zie onder andere paragraaf 3.2.13 (Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte) en paragraaf 3.5.11 (Verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen).

De voorschriften van afdeling 2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de daarbij behorende onderdelen van de Activiteitenregeling milieubeheer, die niet zijn opgegaan in het Bal zijn terecht gekomen in deze paragraaf van het omgevingsplan. Dit is alleen de bepaling over zwerfafval.

[Vervallen]

SS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. De voorrangsbepaling van Artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.

[Vervallen]

TT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.137 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.

Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.

[Vervallen]

UU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.

[Vervallen]

VV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.

[Vervallen]

WW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering

Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.

De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden. Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

[Vervallen]

XX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

[Vervallen]

YY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.142 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.

[Vervallen]

ZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.

[Vervallen]

AAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK's, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

[Vervallen]

BBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.145 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit. De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA's redelijkerwijs niet mogelijk.

[Vervallen]

CCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.138 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

DDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.

[Vervallen]

EEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater

In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.

Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.

De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.

[Vervallen]

FFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

[Vervallen]

GGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van Bijlage II.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

[Vervallen]

HHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.151 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.

[Vervallen]

III

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

[Vervallen]

JJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.153 Koelwater

Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.

Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.

Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.

De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:

De warmtevracht = L x ΔT x W, waarbij

L = lozingsdebiet (m3/s).

ΔT = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.

W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.

Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.

[Vervallen]

KKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.

[Vervallen]

LLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.

Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.

[Vervallen]

MMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.156 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.

[Vervallen]

NNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.157 Inerte goederen

Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.

[Vervallen]

OOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

[Vervallen]

PPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen

In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.

Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.

De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.

[Vervallen]

QQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

RRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool «uit te zetten». Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.

[Vervallen]

SSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA's. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.

[Vervallen]

TTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP's van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.

De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

[Vervallen]

UUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Voor lozingen vanuit «overheids-IBA's» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij Artikel 22.163.

[Vervallen]

VVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.165 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.

[Vervallen]

WWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen

Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.

Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.

Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).

Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

[Vervallen]

XXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.167 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.

[Vervallen]

YYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

[Vervallen]

ZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.

[Vervallen]

AAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

[Vervallen]

BBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

[Vervallen]

CCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.

[Vervallen]

DDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

[Vervallen]

EEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet. De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

[Vervallen]

FFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 «uit te zetten». Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.

[Vervallen]

GGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

HHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

[Vervallen]

IIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

[Vervallen]

JJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.179 Water

Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

[Vervallen]

KKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

LLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.181 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

[Vervallen]

MMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

[Vervallen]

NNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.183 Water

Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

[Vervallen]

OOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

PPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze - afhankelijk van de vraag - uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

[Vervallen]

QQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

-de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

-de precieze plek en indeling van de activiteit; en

-wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van Artikel 22.48 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd Artikel 22.46 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en Artikel 22.47 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.

[Vervallen]

RRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond) water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.

[Vervallen]

SSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de «ouderwetse», chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.

Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto's, is specifiek uitgezonderd.

[Vervallen]

TTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

UUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.190 Water

In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.

[Vervallen]

VVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

WWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.192 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.

[Vervallen]

XXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.193 Bodem

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.194, tweede lid, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

[Vervallen]

YYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.194 Water

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

[Vervallen]

ZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

[Vervallen]

AAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.

Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.

[Vervallen]

BBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

CCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.198 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool. Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

[Vervallen]

DDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.199 Geur

Eerste lid

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in Artikel 22.45 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.

Tweede lid

Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.

Derde lid, onderdeel a

Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.

Vierde lid

Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

[Vervallen]

EEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.

Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.

[Vervallen]

FFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.

Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.

[Vervallen]

GGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in Artikel 22.202, eerste lid, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

[Vervallen]

HHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

IIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

[Vervallen]

JJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd. Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

[Vervallen]

KKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

[Vervallen]

LLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 22.202, eerste lid verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

MMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

-op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

-op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

NNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

[Vervallen]

OOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

[Vervallen]

PPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

-De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.

-De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

-De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

QQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

[Vervallen]

RRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

[Vervallen]

SSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.214 Toepassingsbereik

Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschittering veroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.

Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf.

Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark met 3 of meer windturbines valt niet onder deze paragraaf.

[Vervallen]

TTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

-het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

-het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

Tweede lid

Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen

Slagschaduwgevoelig gebouw

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

[Vervallen]

UUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in artikel 22.216 in een specifiek geval niet toereikend is.

[Vervallen]

VVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.

[Vervallen]

WWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines.

Onderdeel a

Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het nieuwe deel van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en 8.1.3, onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

[Vervallen]

XXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen - Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als Artikel 22.219 of Artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.

[Vervallen]

YYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van «natte» accu's. Deze accu's bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.

[Vervallen]

ZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

[Vervallen]

AAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

BBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto's plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.

[Vervallen]

CCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

[Vervallen]

DDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies

Eerste lid

De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Tweede lid

Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

[Vervallen]

EEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:

Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten.

Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten.

Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.

[Vervallen]

FFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

[Vervallen]

GGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico's van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel - waarop geschoten wordt - terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de «onveilige zone».

Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.

In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.

[Vervallen]

HHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening

Eerste lid

Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.

Tweede lid

De kogelvanger, bedoeld in Artikel 22.229, moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen).

Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen. Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

[Vervallen]

IIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

JJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast. Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit. Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

-op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

-op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

KKKKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het bodemonderzoek moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen en van welke bronnen deze afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het bodemrapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden. Als er geen bestaande informatie over bestaat, moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

[Vervallen]

LLLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

[Vervallen]

MMMMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

-de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

-de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

-de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

NNNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

[Vervallen]

OOOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.

[Vervallen]

PPPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

QQQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.239 Licht

Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.

[Vervallen]

RRRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.240 Toepassingsbereik

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In Artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Tweede lid, onderdeel a

Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

[Vervallen]

SSSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen

[Vervallen]

TTTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.242 Bodem: opslag

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

[Vervallen]

UUUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

VVVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.244 Water: lozingsroute

Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.

[Vervallen]

WWWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.245 Geur

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt Artikel 22.114 en verder.

[Vervallen]

XXXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.246 Toepassingsbereik

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt Artikel 22.116 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).

[Vervallen]

YYYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

[Vervallen]

ZZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.

[Vervallen]

AAAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn. Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

[Vervallen]

BBBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.

[Vervallen]

CCCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met Artikel 22.250.

[Vervallen]

DDDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

Eerste lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

[Vervallen]

EEEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen

Eerste lid

De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3. Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

[Vervallen]

FFFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen. Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

[Vervallen]

GGGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

Eerste lid

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

- voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

- de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Subparagraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als Subparagraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo'n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft Artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar Artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

Paragraaf Artikel 22.3.35.97  Zwerfafval

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Paragraaf 22.3.5 Trillingen

Paragraaf  22.3.105.8.14  Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf  22.3.115.8.15  Uitwassen van beton

Paragraaf  22.3.135.8.17  Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf  22.3.195.8.23  In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

HHHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Eerste lid, onderdeel a

Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.

Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.

Eerste lid, onderdelen b tot en met e

Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.

Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

Eerste lid, onderdeel f

Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Eerste lid, onderdelen g en h

Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.

Eerste lid, onderdelen i en j

Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.

In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.

IIIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in Subparagraaf 22.3.6.4 geregeld.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.

Eerste lid, onderdeel a

Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony's die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt Artikel  22.2405.214.

Tweede lid, onderdeel a

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel c

Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In Artikel 22.262 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Derde lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.

JJJJJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij Artikel  22.1865.164  voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Motivering

Naar boven