Gemeenteblad van Peel en Maas
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Peel en Maas | Gemeenteblad 2026, 415719 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Peel en Maas | Gemeenteblad 2026, 415719 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Peel en Maas heeft besloten om het ontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan Gemeente Peel en Maas - Deelgebied Meuleveld Maasbree ter inzage te leggen voor een periode van 6 weken.
De tekstinhoud van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas, zoals opgenomen in Bijlage A Omgevingsplan Peel en Maas deelgebied Meuleveld, wordt als ontwerp vrijgegeven en ligt gedurende zes weken ter inzage. Een onderbouwing van de wijziging wordt omschreven in de Motivering.
Er wordt ingestemd met de conclusie uit de plan-m.e.r.-beoordeling dat er geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu en dat daarom het opstellen van een plan-m.e.r. voor de wijziging Omgevingsplan gemeente Peel en Maas niet nodig is.
De coördinatieregeling wordt niet van toepassing verklaard voor de omgevingsvergunning voor de woningen die door Wonen Limburg gerealiseerd worden.
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn ook van toepassing op dit omgevingsplan, tenzij bijlage I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan een afwijkende begripsomschrijving heeft.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op deze regels.
In aanvulling op het eerste en tweede lid zijn daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de regels in dat TAM-IMRO omgevingsplan.
Als een begripsbepaling in een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-IMRO omgevingsplan afwijkt van een begripsbepaling, opgenomen in bijlage I Begripsbepalingen, dan is op de begripsbepaling in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing op de desbetreffende regels in het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan.
De regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 van de Omgevingswet, tenzij uit een regel uit dit omgevingsplan volgt dat een ander oogmerk geldt.
Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de meet- en rekenbepalingen zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken.
Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, wordt die norm voor iedere locatie afzonderlijk toegepast.
De dakhelling van een bouwwerk: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
De goothoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
De inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
De bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwonderdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
De oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
De oppervlakte van een bodemingreep: het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het (archeologisch) bodemarchief.
De afstand tot de bouwwerkperceelsgrens: tussen de grens van het bouwwerkperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het bouwkundig straatpeil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
De voorgevelrooilijn van een bouwwerk: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
De oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
De afstand tussen een hoofdgebouw en een bijbehorend bouwwerk wordt gemeten als de kortste afstand tussen het hoofdgebouw en het bijbehorend bouwwerk.
De overschrijding van de bouwvlak-, c.q. functiegrenzen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevel- versieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwvlak-, c.q. functiegrenzen maximaal 1 meter bedraagt.
De regels in dit omgevingsplan gelden voor het gehele grondgebied van de gemeente Peel en Maas, tenzij nadrukkelijk anders is bepaald in dit omgevingsplan.
Bijlage II Geografische Informatieobjecten bij dit omgevingsplan bevat een overzicht van alle geografische informatieobjecten voor de toepassing van dit omgevingsplan.
Aan de regels voor activiteiten in dit omgevingsplan wordt voldaan door degene die de activiteit verricht of laat verrichten, tenzij in dit omgevingsplan anders is bepaald. Degene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking is de anti-dubbeltelbepaling zoals die is opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels over gebruik en bouwwerken.
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
B
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit omgevingsplan is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu;
het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
de natuurbescherming;
het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed;
de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;
het tegengaan van klimaatverandering;
het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
het waarborgen van de kwaliteit van bouwwerken;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;
het beheer van infrastructuur;
het beheer van watersystemen;
het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;
het beheer van natuurlijke hulpbronnen;
het beheer van natuurgebieden;
het gebruik van bouwwerken;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
C
Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er is een functie Agrarisch.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Agrarisch in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.1.1 Agrarisch - Landbouw.
Er is een functie Groen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Groen in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.11.1 Openbaar gebied - Algemeen.
Er is een functie Openbaar gebied.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Openbaar gebied in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.11.1 Openbaar gebied - Algemeen.
Er is ene functie Verkeer.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Verkeer in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.11.1 Openbaar gebied - Algemeen.
Er is een functie Wonen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het gebruiken van een locatie met de functie Wonen in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 5.3.15.1 Wonen;
subparagraaf 5.3.15.2 Beroep en bedrijf aan huis.
Er is een gebiedstype Buitengebied.
In het Buitengebied gelden de volgende doelen, bedoeld in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van het milieu;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
de natuurbescherming;
de instandhouding van het bosareaal binnen de gemeente;
het tegengaan van klimaatverandering;
het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
het beheer van watersystemen;
het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;
het beheer van natuurlijke hulpbronnen;
het beheer van natuurgebieden;
het gebruik van bouwwerken.
Er is een gebiedstype Kern.
In de Kern gelden de volgende doelen, bedoeld in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan:
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
het waarborgen van de veiligheid;
het beschermen van de gezondheid;
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
het behoud van cultureel erfgoed;
het gebruik van bouwwerken;
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.43 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Spuitvrije zone in ieder geval voldaan aan de regels in:
paragraaf 5.2.3 Beperkingen binnen spuitvrije zone.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.46 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten ter plaatse van Beschermingswaardige houtopstand in ieder geval voldaan aan de regels in:
paragraaf 5.2.6 Beschermingswaardige houtopstand.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.46 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met Landschappelijke inpassing in ieder geval voldaan aan de regels in:
paragraaf 5.2.7 Landschappelijke inpassing;
subparagraaf 6.3.5.2 Bouwregels landschappelijke inpassing.
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.46 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een gebied met Beeldkwaliteitsplan in ieder geval voldaan aan de regels in:
subparagraaf 6.3.5.3 Bouwregels beeldkwaliteitsplan.
Deze paragraaf gaat over activiteiten met betrekking tot water en watersystemen.
Voor activiteiten met betrekking tot water en watersystemen gelden de volgende doelen:
Met het oog op de doelen, bedoeld in Artikel 4.55 Doelen, wordt bij het verrichten van activiteiten in een Waterberging in ieder geval voldaan aan de regels in:
paragraaf 5.2.5 Waterberging.
E
Hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken.
Het is uitsluitend toegestaan om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die in overeenstemming is met:
de regels over gebruik zoals opgenomen in afdeling 5.2 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken; en
de aan een locatie toegekende functie, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies;
de regels over medegebruik, zoals opgenomen in Artikel 5.2 Toegestane activiteiten voor gebruik, lid 2.
Naast het hoofdgebruik, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies, is het volgende medegebruik, tenzij dit medegebruik in de toepasselijke gebruiksregels over de desbetreffende functie uitdrukkelijk is uitgesloten of beperkt, toegestaan. Het gaat hier om het gebruiken voor:
Ter plaatse van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt, in afwijking van het eerste lid, dat gronden en bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt overeenkomstig de aan de locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende gebruiksregels van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Onder het gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
prostitutie;
het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens;
opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke functie onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden.
Deze paragraaf is van toepassing op het in voldoende mate voorzien in ruimte voor parkeren van auto’s bij het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden.
Een gebruiksactiviteit is uitsluitend toegestaan wanneer wordt voldaan aan de parkeernormen en andere parkeereisen, waaronder afmetingen van parkeerplaatsen, zoals bedoeld in Artikel 5.4 Toepassingsbereik en uitgewerkt in de ‘Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018’ of de beleidsregel die deze vervangt of wijzigt, waarbij de beleidsregel uitsluitend wordt toegepast voor zover deze niet in strijd is met dit omgevingsplan.
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van Artikel 5.5 Algemene regels, indien dat noodzakelijk is en de afwijking past binnen de criteria voor afwijking als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 of een vervangende beleidsregel.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van Evenement en geldt voor gebruiksactiviteiten waarbij gronden en bouwwerken worden gebruikt voor een evenement.
Het aantal evenementen is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Evenementen - Aantal.
Het aantal dagen dat een evenement mag duren inclusief op- en afbouw is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Evenementen - Aantal dagen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Agrarisch - Landbouw gronden en bouwwerken te gebruiken voor incidentele evenementen.
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van incidentele evenementen ter plaatse van Agrarisch - Landbouw wordt verleend als:
het een tijdelijk of een periodiek terugkerend tijdelijk evenement, per locatie maximaal drie keer per jaar voor een aaneengesloten periode van drie dagen betreft, inclusief op- en afbouw;
er geen sprake is van aantasting van bestaande natuur, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, archeologische waarden en abiotische waarden;
omliggende functies door het incidentele evenement niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoeringmogelijkheden;
ter plaatse voldoende parkeergelegenheid is en er geen onevenredige verkeersbelasting ontstaat op de toevoerwegen.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van een Spuitvrije zone en is van toepassing op gebruiksactiviteiten, waarbij agrarische gronden worden gebruikt voor het verrichten van een agrarische activiteit.
Het is ter plaatse van een Spuitvrije zone verboden om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Spuitvrije zone af te wijken van Artikel 5.13 Algemene regels.
Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de algemene regels, bedoeld in Artikel 5.13 Algemene regels, wordt verleend als:
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een gebruiksactiviteit, bedoeld in Artikel 5.14 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheid en verstrekt:
een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoeksrapportage naar de gezondheidsrisico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van Kleinschalig kamperen en is van toepassing op gebruiksactiviteiten, waarbij de gronden worden gebruikt voor kleinschalig kamperen.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van Kleinschalig kamperen de gronden te gebruiken voor kleinschalig kamperen.
Een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden ten behoeve van kleinschalig kamperen wordt verleend als:
het plaatsvindt in de vorm van medegebruik naast de ter plaatse toegestane hoofdfunctie, zoals opgenomen in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies;
het uitsluitend plaatsvindt in een Bouwvlak, dan wel direct aansluitend aan het bouwvlak met dien verstande dat in dit laatste geval aangetoond wordt dat binnen het bouwvlak geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van het kleinschalig kampeerterrein;
het totaal aantal kampeermiddelen op het kleinschalig kampeerterrein maximaal 25 bedraagt, met dien verstande dat stacaravans/chalets niet zijn toegestaan;
in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein;
de ontwikkeling in voldoende mate is gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd welke als als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden, met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura-2000 gebieden.
Deze paragraaf geldt ter plaatse van een Waterberging en is van toepassing op gebruiksactiviteiten, voor zover sprake is van gebruik ten behoeve van de woonfunctie.
Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden en bouwwerken is alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit;
de compensatie tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd wordt;
de hemelwatervoorzieningen in de openbare ruimte en op particulier terrein dienen gezamenlijke minimaal 100 mm/m² verhard oppervlak van het gehele plangebied te kunnen bergen;
bij particuliere woningen dient een hemelwatervoorziening te worden aangelegd die minimaal 50 mm/m² verhard oppervlakte kan bergen;
de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen van een bouwwerk, danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligt, dienen uiterlijk binnen één jaar na de bouw van het project worden gerealiseerd en in stand gehouden.
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van Beschermingswaardige houtopstand.
Ter plaatse van Beschermingswaardige houtopstand dient de beschermingswaardige houtopstand behouden en beschermd te worden.
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van Landschappelijke inpassing.
Het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de ter plaatse toegedeelde functies, ter plaatse van de locatie Landschappelijke inpassing - Meuleveld is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing overeenkomstig het Landschappelijk inpassingsplan - Meuleveld Maasbree uiterlijk binnen 24 maanden na ingebruikname is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
Artikel 5.29 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van Agrarisch - Landbouw.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
Het is verboden om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
een grondgebonden bedrijf, glastuinbouwbedrijf of intensieve veehouderij;
medegebruik in de vorm van tuinen, erven en terreinen;
parkeervoorzieningen.
Ter plaatse van Agrarisch - Groen is het uitsluitend toegestaan om de gronden te gebruiken voor groenvoorzieningen.
Artikel 5.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden te gebruiken voor een paardrijbak.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden te gebruiken voor containervelden.
Artikel 5.32 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van de gronden voor een paardrijbak wordt verleend als:
de paardrijbak direct aansluitend aan een bouwvlak wordt gebouwd;
het bouwvlak, genoemd in sub a, is gelegen in de gebiedsaanwijzingen Agrarisch of Wonen;
er is aangetoond dat binnen het aangrenzende bouwvlak geen reële mogelijkheden zijn voor de realisering van een paardrijbak;
de oppervlakte van de paardrijbak maximaal 20 x 40 meter bedraagt;
indien de omheining rond de paardrijbak, in de vorm van een bouwwerk geen gebouw zijnde, een open afscheiding betreft met een maximale bouwhoogte van 1,50 meter;
in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden, met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura-2000 gebieden;
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van de gronden voor containervelden wordt verleend als:
de gronden zijn gelegen ter plaatse van Containervelden;
voorzieningen worden getroffen voor de afvoer van hemelwater;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd welke als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie.
Artikel 5.33 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Openbaar gebied.
Het is toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van de volgende onderdelen van het openbaar toegankelijk gebied:
Ter plaatse van de functie Groen is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van:
Ter plaatse van de functie Verkeer is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van:
Ter plaatse van de functie Groen is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van:
Ter plaatse van de functie Verkeer is het toegestaan om gronden en bouwwerken te gebruiken voor het beheren, onderhouden en benutten van:
Artikel 5.35 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Wonen.
Het is toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
medegebruik in de vorm van het uitoefenen van een beroep en/of bedrijf aan huis, als wordt voldaan aan subparagraaf 5.3.15.2 Beroep en bedrijf aan huis.
Het is verboden vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor bewoning, ongeacht of deze tijdelijk of permanent is.
Ter plaatse van Gemeenschappelijke ruimte is het toegestaan om de gronden en bouwwerken te gebruiken voor maximaal één gemeenschappelijke ruimte.
Artikel 5.37 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning of bijbehorend bouwwerk te gebruiken ten behoeve van kamerverhuur.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een (deel van een) woning of bijbehorend bouwwerk te gebruiken voor het exploiteren van een nieuw op te richten bed and breakfast.
Artikel 5.38 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een woning of bijbehorend bouwwerk ten behoeve van kamerverhuur wordt verleend als:
het gebruik geen overlast voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
het gebruik naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is;
wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en, indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van een (deel van een) woning of bijbehorend bouwwerk voor het exploiteren van een nieuw op te richten bed and breakfast wordt verleend als:
de exploitant van de bed en breakfast de hoofdbewoner is van de woning;
maximaal 25% van de bewoonde oppervlakte mag worden ingericht als bed en breakfast;
er maximaal 4 slaapplaatsen in maximaal twee slaapkamers per bouwwerkperceel worden toegestaan;
er qua bouwkundige opzet, indeling en maatvoering geen zelfstandige woning ontstaat;
uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;
wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en, indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Artikel 5.39 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Wonen, voor zover gronden en bouwwerken van een woning worden gebruikt voor een beroep aan huis of bedrijf aan huis.
Het beroep of bedrijf is opgenomen in onderstaande tabel of een hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroep of bedrijf is.
|
Beroep aan huis |
Bedrijf aan huis |
|
Advocaat |
Autorijschool (geen theorie) |
|
Accountant - administratieconsulent |
Bloemschikker |
|
Alternatieve genezer |
Computerservice (o.a. systeembouw/-analyse) |
|
Belastingconsulent |
Decorateur |
|
Bouwkundig architect |
Fietsenreparateur |
|
Dierenarts |
Fitnessstudio |
|
Fysiotherapeut |
Fotograaf |
|
Gerechtsdeurwaarder |
Goud- en zilversmid |
|
Huidtherapeut |
Glazenwasser |
|
Huisarts |
Hoedenmaker |
|
Interieurarchitect |
Hondentrimmer |
|
Juridisch adviseur |
Instrumentenmaker |
|
Kunstenaar |
Internetverkoop |
|
Logopedist |
Kaarsenmaker |
|
Medisch specialist |
Kapsalon |
|
Notaris |
Klompenmaker |
|
Oefentherapeut Cesar/Mensendieck |
Koeriersdienst |
|
Organisatieadviseur |
Lijstenmaker |
|
Orthopedagoog |
Loodgieter |
|
Psycholoog |
Meubelmaker |
|
Raadgevend adviseur |
Muziekinstrumentenmaker |
|
Redacteur |
Nagelstudio/pedicure |
|
Registeraccountant |
Pottenbakker |
|
Stedenbouwkundige |
Prothesenmaker |
|
Tandarts |
Reisorganisatie (kleinschalig) |
|
Tandarts – specialist |
Reparatie van kleine consumentenartikelen (antiek/radio’s-Tv’s/ horloges etc.) |
|
(al dan niet beëdigd) tolk-vertaler |
Schoonheidsspecialist |
|
Tuin- en landschapsarchitect |
Traiteur |
|
Verloskundige |
Tv/radio reparateur |
|
- |
Zadelmaker |
Het gebruiken van gronden en bouwwerken van een woning voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf als wordt voldaan aan de volgende regels:
de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
de woning blijft voldoen aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving;
de woonfunctie van het perceel primair blijft c.q. in overwegende mate aanwezig blijft;
degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent;
maximaal 40% van de begane grondvloeroppervlakte en de voor de woonfunctie aangewezen bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt voor aan huis verbonden beroepen en bedrijven met een maximum van:
het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;
in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte;
de bedrijvigheid niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van het Besluit Activiteiten Leefomgeving of andere milieuwetgeving, en er geen sprake is van milieuactiviteiten zoals opgenomen in hoofdstuk 7, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet aantast;
het geen activiteiten betreft die in de regel worden uitgeoefend in winkelpanden of op een bedrijven- of industrieterrein;
internetverkoop slechts is toegestaan indien er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt en de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden;
in de woning of de voor de woonfunctie aangewezen bijbehorende bouwwerken mag maximaal 50 m² gebruikt worden ten bate van internetverkoop waarbij ter plaatse opslag en verzending plaatsvindt. Internetverkoop waarbij ter plaatse alleen de elektronische transactie plaatsvindt en geen opslag en verzending plaatsvindt is zonder meer toegestaan;
er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep/bedrijf;
er geen buitenopslag plaatsvindt;
reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 0,5 meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan.
F
Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van bouwactiviteiten.
Een bouwactiviteit is uitsluitend toegestaan indien het bouwen van het bouwwerk in overeenstemming is met de regels over bouwen die in dit omgevingsplan zijn gesteld.
Ter plaatse van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking geldt, in afwijking van het eerste lid, dat een bouwactiviteit uitsluitend is toegestaan indien het bouwen van een bouwwerk in overeenstemming is met de aan de locatie toegekende bestemming en de daarbij behorende regels over bouwen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
In aanvulling op het eerste en tweede lid is ter plaatse van een locatie waarvoor een TAM-IMRO omgevingsplan geldt een bouwactiviteit uitsluitend toegestaan indien het bouwen van een bouwwerk in overeenstemming is met de in het TAM-IMRO omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
Deze afdeling gaat over het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bouwwerk.
[Gereserveerd]
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken in de vorm van een ondergrondse bouwactiviteit, indien niet kan worden voldaan aan de algemene regels die zijn gesteld in Artikel 6.52 Algemene regels.
Artikel 6.7 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van een ondergrondse bouwactiviteit, verleend als:
de ondergrondse bouwdiepte maximaal 10 meter onder straatpeil bedraagt;
de waterhuishouding niet wordt verstoord;
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van een Openbaar gebied, bestaande uit het plaatsen van een terras in de vorm van een uitval-/zonnescherm in openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 6.9 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van het plaatsen van een terras in de vorm van een uitval/zonnescherm in openbaar toegankelijk gebied, verleend als:
de uitval/ het zonnescherm aan de gevel wordt bevestigd;
de hoogte van de uitval/ het zonnescherm maximaal 4 meter bedraagt;
de diepte van de uitval/ het zonnescherm maximaal 4 meter bedraagt;
het bouwen geen onevenredig gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid en/of de verblijfsfunctie.
Artikel 6.10 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ter plaatse van Openbaar gebied, bestaande uit het bouwen van een jongerenontmoetingsplaats in openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 6.11 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover sprake is van het bouwen van een jongerenontmoetingsplaats in openbaar toegankelijk gebied, verleend als:
Artikel 6.12 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Artikel 6.13 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verleend als:
Artikel 6.14 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, die bestaat uit het bouwen van een tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening, ter plaatse van Tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening.
Artikel 6.15 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening, alleen verleend als:
de bouwhoogte maximaal 4 meter bedraagt;
de oppervlakte aan teeltondersteunende voorzieningen maximaal 1,5 hectare bedraagt inclusief de reeds aanwezige tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen in het functievlak;
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
de teeltondersteunende voorzieningen maximaal 6 maanden per jaar aanwezig mogen zijn, met dien verstande dat uitsluitend de constructie permanent aanwezig mag zijn en de afdekkende teeltondersteunende voorzieningen ten hoogste 6 maanden per jaar zijn geplaatst;
de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inpassingsplan overgelegd welke als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie.
Artikel 6.16 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, die bestaat uit het bouwen van een tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening, ter plaatse van Tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening.
Artikel 6.17 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening, alleen verleend als:
er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden;
de teeltondersteunende voorzieningen maximaal 6 maanden per jaar aanwezig mogen zijn, met dien verstande dat uitsluitend de constructie permanent aanwezig mag zijn en de afdekkende teeltondersteunende voorzieningen ten hoogste 6 maanden per jaar zijn geplaatst;
de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd welke als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie.
Artikel 6.18 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, voor zover die bestaat uit het bouwen van een schuilgelegenheid, ter plaatse van Agrarisch - Landbouw.
Artikel 6.19 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een schuilgelegenheid, verleend als:
per kadastraal perceel met een minimale oppervlakte van 0,5 hectare maximaal één schuilgelegenheid wordt gebouwd;
de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt;
de oppervlakte van de schuilgelegenheid maximaal bedraagt:
de noodzaak van de schuilgelegenheid uit oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige natuurlijke, landschappelijke, abiotische, archeologische en/of cultuurhistorische waarde van de gronden;
de schuilgelegenheid niet mag worden uitgevoerd in de vorm van een (zee)container;
de schuilgelegenheid wordt gerealiseerd aansluitend aan het aangrenzende bouwvlak, dan wel zoveel mogelijk geclusterd bij de bestaande bebouwing of aan de randen van het perceel;
opslag is niet toegestaan;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Artikel 6.20 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bestaat uit het bouwen van een hoogzit ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied.
Artikel 6.21 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een hoogzit, verleend als:
Artikel 6.22 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bestaat uit het bouwen van een voederberging of voederruif ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied.
Artikel 6.23 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bouwen van een voederberging of voederruif, verleend als:
Deze afdeling is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
Artikel 6.25 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Woning, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een woning.
De woning wordt uitsluitend binnen het Bouwvlak gebouwd. Indien er geen bouwvlak aanwezig is, betreft het vervangende nieuwbouw van een bestaande woning binnen een bouwwerkperceel.
De goothoogte van woningen is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte woning.
De bouwhoogte van woningen is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte woning.
Het woningtype is conform de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Woningtype.
De voorgevelrooilijn of de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits:
Artikel 6.27 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Openbaar gebied, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een nutsvoorziening in openbaar toegankelijk gebied.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
de bouwhoogte van de nutsvoorziening maximaal 3,5 meter bedraagt;
de oppervlakte per nutsvoorziening maximaal 15 m² bedraagt.
Artikel 6.29 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van de functie Verkeer voor zover deze bestaan uit het bouwen van een openbaar vervoervoorziening in openbaar toegankelijk gebied.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
Artikel 6.31 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Gemeenschappelijke ruimte, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een gemeenschappelijke ruimte.
De bouwhoogte van de gemeenschappelijke ruimte is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte gemeenschappelijke ruimte.
De goothoogte van de gemeenschappelijke ruimte is maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte gemeenschappelijke ruimte.
Artikel 6.33 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk.
De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum goothoogte bijbehorend bouwwerk.
De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte bijbehorend bouwwerk.
Artikel 6.35 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk, voor zover het bijbehorend bouwwerk is gelegen op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn.
Artikel 6.37 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van Bijbehorend bouwwerk, voor zover het bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevelrooilijn is gelegen.
In de Kern zijn vóór de voorgevelrooilijn uitsluitend aangebouwde overkappingen als bijbehorend bouwwerk toegestaan, als de afstand tussen de voorzijde van de overkapping en de perceelsgrens die grenst aan openbaar toegankelijk gebied ten minste 3,5 meter bedraagt.
Artikel 6.39 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op de volgende bouwactiviteiten:
subparagraaf 6.3.4.2 Erf- en terrasafscheiding;
subparagraaf 6.3.4.3 Lichtmasten rond een paardrijbak;
Subparagraaf 6.3.4.4 Omheiningen rond een paardrijbak;
subparagraaf 6.3.4.5 Zwembad;
subparagraaf 6.3.4.6 Lichtmasten in openbaar gebied.
De bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is niet hoger dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Maximum bouwhoogte bouwwerk, geen gebouw zijnde.
Artikel 6.41 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Erf- en terreinafscheiding, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een erf- en terreinafscheiding.
Ter plaatse van Erf- en terreinafscheiding - Achter voorgevellijn bedraagt de bouwhoogte van de erf- en terreinafscheiding maximaal 2,5 meter.
Ter plaatse van Agrarisch - Landbouw mogen erf- en terreinscheidingen met een open constructie worden geplaatst, waarbij de bouwhoogte niet hoger is dan de ter plaatse omgevingsnorm Erf- en terreinafscheidingen - Agrarisch.
Ter plaatse van Groene erf- en terreinafscheiding moet de erf- of terreinafscheiding aan de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte perceelszijde met groenblijvende beplanting begroeid te zijn.
Artikel 6.43 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Lichtmasten rond een paardrijbak, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een lichtmast rond een paardrijbak.
De hoogte van de lichtmasten rond een paardrijbak bedraagt maximaal 8 meter.
Artikel 6.45 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Omheiningen rond een paardrijbak, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van een omheining rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding.
Artikel 6.47 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van een Woning, voor zover deze bestaan uit het bouwen van een zwembad.
Artikel 6.49 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Openbaar gebied, voor zover deze bestaan uit het plaatsen van lichtmasten in openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 6.51 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op een bouwactiviteit, voor zover die bestaat uit het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden.
Het is toegestaan om een bouwactiviteit te verrichten als:
het ondergrondse bouwwerk wordt gebouwd binnen het bouwvlak, dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk;
het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven straatpeil, vermeerderd met 15 m²;
de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder straatpeil.
Artikel 6.53 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Landschappelijke inpassing.
Indien niet wordt voldaan aan de algemene regels als bedoeld in Artikel 6.54 Algemene regels, is voor het verrichten van de bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken vereist.
Het bouwen van woningen ter plaatse van Landschappelijke inpassing - Meuleveld is slechts toegestaan indien de landschappelijke inpassing, overeenkomstig het Landschappelijk inpassingsplan - Meuleveld Maasbree, binnen 24 maanden na ingebruikname van de woningen is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden.
Artikel 6.55 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op bouwactiviteiten ter plaatse van Beeldkwaliteitsplan, voor zover deze plaatsvinden in een gebied met een beeldkwaliteitsplan.
Deze subparagraaf is niet van toepassing op bouwactiviteiten die vergunningsvrij kunnen worden verricht.
Ter plaatse van Beeldkwaliteitsplan - Meuleveld moeten de bouwactiviteiten voldoen aan de regels die zijn gesteld in het Beeldkwaliteitsplan - Meuleveld.
G
Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van activiteiten ter plaatse van aangewezen gebiedsontwikkelingen.
De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op het bepaalde in de overige hoofdstukken van dit omgevingsplan.
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten ter plaatse van Meuleveld.
Het aantal te bouwen en aanwezige wooneenheden bedraagt niet meer dan de aangegeven omgevingsnorm Maximum aantal wooneenheden - Meuleveld.
Het woningtype is conform de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm Woningtype - Meuleveld.
Ter plaatse van Voorgevel dient de voorgevel van woningen te worden gebouwd.
De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt:
K
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk bevat het overgangsrecht voor dit omgevingsplan.
Voor zover elders in dit omgevingsplan specifieke overgangsregels zijn opgenomen, gaan die regels voor op de bepalingen in dit hoofdstuk.
Op aanvragen, ontwerpbesluiten, ambtshalve te nemen besluiten en reeds genomen besluiten, voor zover daarop de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing is, geldt het overgangsrecht van hoofdstuk 4 van die wet.
Een omgevingsvergunning, ontheffing of andere beschikking die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan onherroepelijk is verleend op grond van een gemeentelijke verordening of ruimtelijk plan, blijft van kracht en wordt aangemerkt als een vergunning als bedoeld in de Omgevingswet, voor zover deze betrekking heeft op een activiteit waarop dit omgevingsplan regels stelt.
Aan een vergunning verbonden voorschriften blijven van kracht en gelden als maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan, voor zover de gemeente daarvoor bevoegd gezag is en op grond van de Omgevingswet bevoegd is dergelijke maatwerkvoorschriften te stellen.
Meldingen, kennisgevingen of verstrekte gegevens die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan rechtsgeldig zijn gedaan, gelden als gedaan op grond van dit omgevingsplan, voor zover voor de betreffende activiteit een meldings of informatieplicht geldt.
Op handhavingsbesluiten die vóór het van toepassing worden van dit omgevingsplan zijn genomen, blijft het oude recht van toepassing totdat het besluit volledig is uitgevoerd, ingetrokken of anderszins is beëindigd.
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan rechtmatig werd uitgevoerd en dat in strijd is met de regels van dit plan, mag worden voortgezet.
Het is verboden het gebruik, als bedoeld in het eerste lid, te veranderen, tenzij door die verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Het eerste lid is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het onmiddellijk voorafgaand aan dit omgevingsplan geldende recht.
Indien het gebruik, bedoeld in Artikel 21.6 Bestaand gebruik, gedurende een aaneengesloten periode van langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten.
Bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan rechtmatig aanwezig waren en afwijken van de regels van dit plan, mogen in stand worden gehouden.
Het is toegestaan deze bouwwerken gedeeltelijk te vernieuwen of te veranderen, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.
Deze paragraaf is van toepassing op de herbouw van bouwwerken die op het tijdstip van de calamiteit rechtmatig aanwezig waren en die afweken van de regels van dit omgevingsplan.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk als bedoeld in Artikel 21.9 Toepassingsbereik te herbouwen na een calamiteit.
De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 21.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen wordt verleend indien:
sprake is van een calamiteit;
de herbouw plaatsvindt binnen twee jaar na het intreden van de calamiteit;
de inhoud van het her te bouwen bouwwerk ten hoogste eenmalig met niet meer dan 10% wordt vergroot ten opzichte van de inhoud van het bouwwerk zoals dat onmiddellijk voorafgaand aan de calamiteit rechtmatig aanwezig was.
L
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet.
een onderdeel van het hoofdgebouw of aangebouwd bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een daarvoor geschikte woning gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoensarbeiders;
het bedrijfsmatig verlenen van diensten cq. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot de beroepsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse;
een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse;
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten die in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over bouwwerken in de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en de uitoefening van taken en bevoegdheden, met inbegrip van wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige (archeologisch) bodemarchief;
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
grond welke is afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.
de hoek gemeten tussen het dakvlak en het horizontale vlak;
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met uitzondering van een internetwinkel en/of horeca;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
alle vormen van recreatief medegebruik die wat betreft hun lage intensiteit, beperkte omvang en frequentie inpasbaar zijn en gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen en vissen;
Een voor ieder huishouden binnen de locatie ‘Gemeenschappelijke ruimte’ toegankelijke ruimte met gemeenschappelijke voorzieningen.
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
middel, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten, en die bestemd zijn voor een van de volgende toepassingen:
a. de bescherming van planten of plantaardige producten tegen alle schadelijke organismen of het verhinderen van de werking van dergelijke organismen, tenzij deze middelen worden beschouwd als middelen die vooral om hygiënische redenen worden gebruikt veeleer dan ter bescherming van planten of plantaardige producten;
b. het beïnvloeden van de levensprocessen van planten, zoals het beïnvloeden van hun groei, voor zover het niet gaat om nutritieve stoffen;
c. de bewaring van plantaardige producten, voor zover die stoffen of middelen niet onder bijzondere communautaire bepalingen inzake bewaarmiddelen vallen;
d. de vernietiging van ongewenste planten of delen van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten;
e. de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van planten, met uitzondering van algen tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten.
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de open grond die bij het bedrijf hoort en waaronder ook begrepen grond met tijdelijke tunnels of andere teeltondersteunende voorzieningen, waaronder:
a.akkerbouwbedrijf;
b.boomkwekerij;
c.melkveehouderij;
d.productiegebonden paardenhouderij;
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodaties en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf;
een alleenstaande dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is voor het gebruik industrie;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de kamerverhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft.
terrein met daarbij horende voorzieningen en blijkens de inrichting bestemd en geschikt om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 25 kampeermiddelen.
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
perceel of deel van een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie;
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
voorzieningen voor op het openbare net aangesloten voorzieningen van algemeen nut, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, alsmede containers voor glas, kleding, plastic etc;
Besluit van 3 juli 2018, houdende procedurele regels en regels over algemene onderwerpen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.
Regeling van 21 november 2019, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, met inbegrip van de wijzigingen die nadien zijn aangebracht.
wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen alleen bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.
voor het projectgebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol, versie juni 2019;
ruimtelijk besluit of ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel zijn van dit omgevingsplan;
een open overkapping die aan maximaal drie zijden is omsloten door wanden en waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang met als doel bescherming tegen weersomstandigheden gedurende het gehele jaar, met dien verstande dat opslag niet is toegestaan.
perceel of deel van een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt;
besluit tot wijziging van dit omgevingsplan waarvoor toepassing is gegeven aan artikel 11.1, tweede lid, Besluit elektronische publicaties;
voorziening of constructie welke dient ter ondersteuning van de teelt van een agrarisch bedrijf met als doel het gewas te forceren tot meer groei, de oogst te spreiden en meer opbrengsten te genereren, met uitzondering van afdekfolie. Het gaat daarbij om zowel vervroegen als verlaten ten opzichte van normale teelt en/of beschermen tegen weersinvloeden, ziekten en plagen om een kwalitatief beter product te verkrijgen. Deze constructies of voorzieningen kunnen zowel hoog als laag zijn, met dien verstande dat:
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
wonen in een woning, zijnde een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen;
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen;
restproduct van de thermische zinkertsverwerkende bedrijven of voormalige thermische zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen.
M
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze regeling bevat geen GIO informatie.
N
Na bijlage II worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
In opdracht van de gemeente Peel en Maas is bureau VERBEEK landschapsarchitectuur / ecologie / stedelijk ontwerp gevraagd een landschappelijk en stedenbouwkundig planconcept op te stellen voor woningbouwplan Meuleveld in Maasbree.
Gedurende het opstellen van dit plan heeft ook een participatieproces plaatsgevonden. Op die manier hebben omwonenden, toekomstige bewoners en andere belanghebbenden op vier momenten inspraak gehad tijdens de totstandkoming van dit plan. Daarnaast is er een tweetal brede bewonersbijeenkomsten geweest om de bewoners van Maasbree te informeren.
Na succesvolle afronding van dit landschappelijk-stedebouwkundig planconcept, wordt dit plan verder uitgewerkt middels een beeldkwaliteitsplan. Hieronder is kort omschreven wat dit beeldkwaliteitsplan inhoudt.
Allereerst wordt kort ingegaan op de stedenbouwkundige opzet van het plan.
Daarna volgt de toelichting op het architectonische wensbeeld van het projectgebied. Hierin wordt het projectgebied aan de hand van de woontypologieën opgedeeld in vier verschillende deelgebieden. Per deelgebied wordt gesproken over:
Daarna volgt de beeldkwaliteit van de overgangen openbaar-privé.
Tenslotte wordt een toelichting gegeven op de beeldkwaliteit van de openbare ruimte. Hierin wordt een korte toelichting op de invulling van het groen in de openbare ruimte, materiaal van infrastructuur, en straatmeubilair gegeven.
Het stedenbouwkundig plan vormt een groene en samenhangende woonomgeving die aansluit op de dorpsrand en de bestaande structuur van de Molenstraat en de Westeringlaan. De opzet is gebaseerd op een afwisseling van woonblokken en groene ruimtes, waardoor een open en luchtige wijk ontstaat met sterke zichtlijnen en een vanzelfsprekende relatie tussen woning en landschap.
Het langzaamverkeernetwerk vormt een belangrijke verbinding voor fietsers en voetgangers en verbindt de woonbuurten voor dit type verkeer met de sportvelden en het omliggende dorp.
De parkachtige ruimtes spelen daarbij een belangrijke rol; zij fungeren als verblijfsplek, speelruimte en waterberging, en vormen het groene hart van de nieuwe buurt. De bebouwing sluit aan op de schaal van het dorp door hogere bebouwing richting de kern te positioneren en de randen zachter te houden richting het buitengebied.
De mix van woningtypen voldoet aan de lokale woonbehoefte en draagt bij aan een divers en sociaal woonmilieu.
Het plan is zodanig ingesteld dat toekomstige ontwikkelingen kunnen voortbouwen op het concept dat in dit plan al is bedacht; met aandacht voor de bomenrij en met het verloop woonblok - park - woonblok - park.
Het Meuleveld kenschetst zich in hoofdopzet in vier verschillende deelgebieden:
Wonen aan de hoofdstraat
Wonen in het park; Levensloopbestendig woonhof
Wonen in het park; Rijwoningen
Wonen in het appartementscomplex
Deze vier sferen worden in hoofdstuk 2 en 3 verder toegelicht aan de hand van doorsneden en referentiebeelden.
Het plangebied ligt op een unieke locatie, tussen twee historische linten en aan de rand van het dorp. Deze context vormt de basis voor de beeldkwaliteit van Meuleveld:
Aansluiting op de architectuur van de historische linten en het landelijke gebied;
Vormgeving van een geleidelijke overgang van landschap (buitengebied) naar dorpskern.
Daarnaast wordt de beeldkwaliteit aangevuld met eigentijdse interpretaties van landelijk wonen.
Beknopte (architectonische) geschiedenis
1. Maasbree (voorheen Bree) wordt voor het eerst genoemd in 1240. Er was toen al sprake van een georganiseerde gemeenschap met een kerk en eigen bestuur (schepenbank).
2. Het dorp ontwikkelde zich als lintdorp, met onder andere de Molenstraat en Westeringlaan als dragende structuren. Rondom de kern lagen verschillende gehuchten, waaronder Tongerlo, Rooth, Dubbroek, Rinkesfort, Lange Heide, Korte Heide en Veldsehuizen. Daarnaast kende Maasbree enkele inmiddels verdwenen kastelen, zoals Huis Bree en Huis Westering, en de omgrachte oude pastorie.
3. Vanaf de jaren zestig is Maasbree grootschalig uitgebreid met nieuwbouwwijken en ontwikkelde het dorp zich vooral tot een forensendorp.
Op de kaart hieronder zijn zowel monumentale panden als voor Maasbree markante en beeldbepalende gebouwen weergegeven.
Monumentale panden zijn vanwege hun status automatisch meegenomen in de analyse.
De focus ligt op particuliere bebouwing (niet-planmatig) in de directe omgeving en omliggende gehuchten.
Door de nabijheid van historische linten en de beperkte schaal van het plan (<100 woningen), vormt lintbebouwing de belangrijkste referentie voor de beeldkwaliteit.
Binnen deze bebouwing zijn karakteristieke details geïdentificeerd die als inspiratie dienen voor het beeldkwaliteitsplan.
Binnen het Meuleveld worden drie architectonische thema’s onderscheiden, die aansluiten bij de bestaande ruimtelijke en landschappelijke context.
Gespiegelde architectuur Molenstraat
Aan de hoofdstraat
De woningen aan de hoofdstraat spiegelen zich stedenbouwkundig en architectonisch aan de bebouwing van de Molenstraat. De typologie bestaat uit (half)vrijstaande woningen en rijwoningen, uitgevoerd in bruinrode baksteen met antracietkleurige dakpannen. Door het grote aandeel vrije kavels is individuele architectonische invulling mogelijk binnen vastgestelde kaders.
Architectuur landelijke parkzone
In de parkzone (hofwoningen & rijwoningen)
De woonblokken in de parkzone liggen in een groen, parkachtig landschap waarin het landelijke karakter en de bomenstructuur doorwerken richting de dorpskern. De architectuur herinnert zich aan materialisatie, maat en schaal van een langgevelboerderij, met rode baksteen, oranje dakpannen en een nuchtere, functionele uitstraling.
Appartement special
Gestapelde woningen
Het appartementencomplex combineert de twee hierboven beschreven architectonische thema’s met kenmerken van het nabijgelegen appartementencomplex De Wissel.
Thema: Gespiegelde Architectuur Molenstraat
De woningen aan de hoofdstraat spiegelen zich stedenbouwkundig en architectonisch aan de bebouwing van de Molenstraat. De typologie bestaat grotendeels uit (half)vrijstaande woningen, maar ook in de westkant uit een blok rijwoningen. Door het grote aandeel vrije kavels is individuele architectonische invulling mogelijk binnen vastgestelde kaders.
Volume, kleur & materiaal
De woningen hebben een eenduidige opzet, met variatie binnen de kaders:
Beukmaat ca. 4,8 - 6,3 m (excl. bijgebouw);
Diepte max. 11 m;
Goothoogte ca. 6,0 m. Het kan ook voorkomen dat de goothoogte ca. 3,0 m is bij een woning met één woonlaag;
Nokhoogte 3,5 - 4,5 m boven goot;
Rooilijn tussen de 7,0 - 8,0 m afstand t.o.v. rand rijbaan (gemeten vanaf middelste punt hoofdgebouw).
De gebouwen worden uitgevoerd in bruinrood gemêleerde baksteen met antracietkleurige keramische dakpannen. Bijgebouwen (één bouwlaag, zoals garage, uitbouw of berging) worden uitgevoerd in dezelfde bruinrode baksteen en voorzien van een sedumdak.
Vormgeving daken
Aan de Hoofdstraat is sprake van een ‘omklapping’ van het lint. Deze wordt als het ware in tweeën gedeeld door het parkeerkoffer. Beide woonblokken krijgen ruimte voor variatie in dakvormen, dakoriëntaties, dakgoten en overstekken. Voorwaarde is dat de uiteinden van elk woonblok stedenbouwkundig worden geaccentueerd met een duidelijke kopgevel.
Dakkapellen zijn toegestaan aan zowel de voor-als achterzijde. Zij mogen maximaal 2/3e van de woningbreedte beslaan en worden overwegend wit uitgevoerd.
Zonnepanelen worden consequent gepositioneerd en altijd óf boven óf onder, óf naast de dakkapel geplaatst.
Thema Landelijke Parkzone
De woonblokken in de parkzone worden vormgegeven als een samenhangend ensemble, geïnspireerd op de typologie van de langgevelboerderij. De architectuur sluit aan op het landelijke karakter van de omgeving en wordt gekenmerkt door een sobere, functionele uitstraling.
De bebouwing wordt uitgevoerd in rode baksteen met oranje keramische dakpannen.
Volume, kleur & materiaal
Het woonhof bestaat uit één hoofdgebouw en meerdere ondergeschikte volumes (bijgebouwen), die gezamenlijk refereren aan een boerderijensemble.
Binnen het hof komen twee woningtypen voor:
In het Hoofdgebouw (gestapeld):
Wordt ontsloten via een galerij aan de zijkant;
Ontsluiting vindt plaats via minimaal drie stijgpunten (twee trappen en één lift);
Bergingen worden inpandig gerealiseerd.
Als Bijgebouw (grondgebonden):
Worden uitgevoerd als levensloopbestendige woningen;
Bergingen worden buitenpandig geplaatst aan de uiteinden van woonblokken;
Woonblokken bestaan uit 3 tot 4 woningen.
Maatvoering
Gestapelde woningen: Afmeting circa 7,2 × 11,0 m
Grondgebonden woningen: Afmeting circa 7,5 × 11,0 m,
Vormgeving daken
Hoofdgebouw
Het hoofdgebouw dient te worden voorzien van een kap met een duidelijke stedenbouwkundige opbouw; Het dak bevat exact de volgende accenten: Eén centrale dwarskap in het voorste dakvlak;
Twee hoekaccenten die meedraaien met de oriëntatie van het gebouw;
Aanvullende dakaccenten (zoals extra dakkapellen of dwarskappen) zijn niet toegestaan. Dakramen zijn wel toegestaan;
Het dakvlak blijft verder rustig en eenduidig.
Bijgebouw
Bijgebouwen worden uitgevoerd met een zadeldak;
De zadeldakvorm dient aan beide uiteinden van het woonblok herkenbaar te blijven;
Aan de straatzijde gelden de volgende regels:
Per woonblok dient minimaal één dwarskap te worden toegepast op een middelste woning;
Dwarskappen op hoekwoningen zijn niet toegestaan;
Aan de tuinzijde:
Zonnepanelen
Zonnepanelen worden consistent gepositioneerd ten opzichte van dakopeningen;
Panelen worden uitsluitend geplaatst boven, onder of naast dakopeningen en volgen een eenduidig ritme per woonblok;
Panelen worden uitgevoerd in een rood-oranje kleurstelling;
Zonnepanelen dienen visueel ondergeschikt te zijn aan het dakvlak.
Dakkapellen mogen maximaal 2/3e van de woningbreedte beslaan en worden overwegend wit uitgevoerd.
Thema Landelijke Parkzone
De woonblokken in de parkzone liggen in een groen, parkachtig landschap waarin het landelijke karakter en de bomenstructuur doorwerken richting de dorpskern. De architectuur is geïnspireerd op traditionele langgevelboerderijen, met rode baksteen, oranje-rode dakpannen en een sobere, functionele uitstraling.
Volume, kleur & materiaal
Woningen bestaan uit twee bouwlagen met kap.
Beukmaat ca. 4,35 - 5,4 m;
Diepte maximaal ca. 10 m;
Goothoogte ca. 6,0 m;
Nokhoogte 3,5 - 4,5 m boven goot
Hoofdgebouwen worden uitgevoerd in rode baksteen (hollandsrood);
Daken worden uitgevoerd in rood-oranje keramische dakpannen;
Bergingen:
Vormgeving daken
Per woonblok wordt één eenduidig zadeldak toegepast;
De zadeldakvorm dient aan beide uiteinden van het blok herkenbaar te blijven;
Aan de straatzijde:
Minimaal één dwarskap per woonblok is verplicht;
Deze dient te worden geplaatst op een van de middelste woningen;
Dwarskappen op hoekwoningen zijn niet toegestaan;
Dakkapellen:
Dakramen zijn toegestaan, mits ondergeschikt aan het dakvlak.
Zonnepanelen
Zonnepanelen worden consistent geplaatst ten opzichte van dakopeningen;
Panelen worden uitsluitend boven, onder of naast dakopeningen geplaatst;
De plaatsing volgt een eenduidig ritme per woonblok;
Panelen worden uitgevoerd in een rood-oranje kleurstelling;
Zonnepanelen dienen visueel ondergeschikt te zijn aan het dakvlak.
Thema Appartement Special
Het appartementencomplex combineert zijn kenmerken aan het nabijgelegen appartementencomplex De Wissel en aan het zeer groene karakter. Het gebouw vormt een eigentijdse interpretatie van gestapeld wonen binnen een groen, dorps landschap.
De architectuur van het complex is gebaseerd op vier hoofdprincipes:
Opgaand gevelgroen
Gezien de hoogte van het gebouw (vier bouwlagen) is het uitgangspunt dat het volume zoveel mogelijk opgaat in het landschap. Dit wordt bereikt door het toepassen van gevelgroen, bijvoorbeeld in de vorm van klimplanten.
Symmetrie (en klimgroen) in balkons
Om het gevelgroen te faciliteren, worden langs de balkons verticale elementen geplaatst waarlangs beplanting kan groeien. In combinatie met de positionering van de balkons ontstaat een duidelijke verticale geleding, waardoor het gebouw een groen en levendig karakter krijgt.
Kleurverloop per etage
Naast de verticale werking van het groen wordt in de materialisatie een horizontale gelaagdheid aangebracht. Het gebouw wordt uitgevoerd in een beige gemêleerde baksteen met donkere accenten. De plint krijgt een antraciete uitstraling, terwijl de bovenste bouwlaag lichter wordt uitgevoerd, wat zorgt voor een subtiele opbouw in het gevelbeeld.
Inpassing appartementen van Bouwstroom
Het appartementencomplex bestaat uit woningen die gebaseerd zijn op woningen uit het Bouwstroom-concept.
Volume, kleur & materiaal
Het gebouw bestaat uit maximaal vier bouwlagen;
Het volume dient alzijdig te worden vormgegeven;
Gevels worden uitgevoerd in een beige gemêleerde baksteen;
De plint wordt uitgevoerd in een antracietkleurige baksteen;
De bovenste bouwlaag wordt uitgevoerd in een lichtere tint;
Subtiele accenten in metselwerk (rollagen, verspringingen) zijn toegestaan.
Gevel & balkons
Balkons worden horizontaal en verticaal uitgelijnd;
Balkons dienen een duidelijke ritmiek in de gevel te vormen;
Verticale elementen voor klimplanten zijn verplicht;
Gevelgroen dient te worden geïntegreerd in het ontwerp;
Balustrades worden uitgevoerd als gesloten elementen met een rustige, uniforme uitstraling.
Dak
Het gebouw wordt voorzien van een plat dak;
Groene daken (sedum of vergelijkbaar) zijn verplicht;
Zonnepanelen:
Dit hoofdstuk licht de overgang tussen privé-en openbare ruimte toe. Specifiek worden de voor- en zijkanten van de percelen onder de loep gelegd.
De typologie in overgangen openbaar-privé verschilt per woningtype. Per woningtype verschilt de breedte van voor- en achtertuin, waar/wanneer een hoge of lage haag wordt toegepast en hoe omgegaan wordt met de omgeving.
3.1 Blok Woningen aan de Hoofdstraat
3.2 Blok Levensloopbestendige hofwoningen in het park
3.3 Blok Rijwoningen in het park
3.4 Blok Appartementen
Deze paragraaf licht de overgang privé-openbaar toe voor de (half)vrijstaande woningen en rijwoningen aan de hoofdstraat.
Voorzijde woonblok
Elke woning beschikt over een kleine voortuin van ongeveer 3 meter diep. Vergroening wordt gestimuleerd door bij oplevering materialen zoals aardewerk aan te bieden in plaats van kiezel of volledige betegeling. De uiteindelijke invulling blijft echter aan de bewoners.
Tussen de parkeerplaatsen en perceelsgrens ligt een 1,5m brede strook waarin de gemeente een beukenhaag plant.
Zijkant woonblok
Aan de straatkant kan een lage groene afscherming t.h.v. maximaal 80cm staan. Ter hoogte van het midden van de woning maakt de (eventuele) lage groene afscherming plaats voor een twee meter hoge groene afscherming, in de vorm van een beukenhaag, om extra privacy aan de achtertuin te bieden.
Achterkant woonblok
De achterkant van het woonblok grenst direct aan de achterkant van de percelen aan de Molenstraat. De erfafscheidingen tussen de percelen worden onderling door de (toekomstige) bewoners afgestemd.
Parkeerclusters
Tussen het parkeercluster en de woonpercelen is een 1,5m brede zone die gevuld dient te worden met vaste planten.
De hofwoningen zijn levensloopbestendige woningen die zijn gesitueerd rondom een collectieve achtertuin. De voor- en achtertuinen van de woningen zelf zijn kleiner vergeleken met de andere woningen in Meuleveld. Een ‘Hofhuis’ fungeert, samen met de collectieve tuin, als ontmoetingsplek.
Voorzijde woonblok
Elke woning beschikt over een kleine voortuin van 2 meter diep. Deze wordt begrensd door een lage blokhaag van 60cm hoog. Daarnaast wordt vergroening gestimuleerd door bij oplevering materialen zoals aardewerk aan te bieden in plaats van kiezel of volledige betegeling. De uiteindelijke invulling blijft echter aan de bewoners.
Zij- en achterkant woonblok
Aan de zijkant kan de haag, afhankelijk of hier een direct pad langs loopt, dient de haag 1,60m hoog zijn t.b.v. de privacy van de bewoner. Deze loopt geleidelijk af naar de 60cm hoge haag aan de achterkant van de tuin.
Deze paragraaf licht de overgang privé-openbaar toe voor het blok rijwoningen in het park.
Voorzijde woonblok
Het perceel aan de voorzijde van het woonblok heeft een diepte van circa 2,60 meter. Op de perceelsgrens wordt een blokhaag van circa 80 cm hoog toegepast. Aangezien een haag doorgaans circa 0,7 meter breed is, resteert er ongeveer 1,90 meter voor eigen invulling.
Vergroening wordt gestimuleerd door bij oplevering natuurlijke materialen, zoals aardewerk, aan te bieden in plaats van kiezel of volledige verharding. De uiteindelijke inrichting van de voortuin blijft, met uitzondering van de verplichte blokhaag, vrij.
Zijkant woonblok
De erfafscheiding aan de zijkant bestaat uit twee delen: een lage groene afscherming aan de voorzijde en een hogere afscherming aan de achterzijde.
Aan de straatkant wordt een lage beukenhaag toegepast, vergelijkbaar met de haag aan de voorzijde van het perceel. Deze lage haag strekt zich uit over circa de helft van de zijgevel, om zichtrelaties met het park en de hoekoriëntatie van de woning te behouden.
Aan de tuinkant wordt een uniforme erfafscheiding gerealiseerd in de vorm van een circa 2 meter hoog gaashekwerk met bovenbuis, begroeid met hedera. In de loop der tijd zal deze beplanting uitgroeien tot een gesloten groene haag.
Achterkant woonblok
De achterzijde van het woonblok grenst aan een achterompad. De erfafscheidingen tussen de percelen worden onderling door de (toekomstige) bewoners afgestemd.
Deze paragraaf beschrijft de inrichting van de openbare ruimte rondom het appartementencomplex.
Het complex wordt aan alle zijden omzoomd door groen (zie ook hoofdstuk 2.4, pagina 18), waardoor het gebouw op een vanzelfsprekende manier in het landschap wordt opgenomen.
Balkons & voortuinen
De woningen beschikken over een buitenruimte in de vorm van een balkon of een voortuin. De balkons hebben een diepte van circa 2,2 meter en een breedte van circa 2,8 meter. De voortuinen op de begane grond kunnen, afhankelijk van de situering, iets ruimer worden uitgevoerd.
Woonunits & bergunits op begane grond
De begane grond bestaat uit twee typen units: bergingen en woonunits. Aan de zijde van de parkeerplaatsen (oostzijde) bevinden zich de bergingen, waarbij geen voortuinen aanwezig zijn en een pad direct langs de gevel naar de brandtrap loopt. Aan de parkzijde (westzijde) bevinden zich de woonunits met voortuinen.
Groene bufferzone rondom gebouw
Het gebouw ligt circa 50 cm boven het maaiveld. Hierdoor hebben bewoners van de voortuinen zicht op de parkzone, terwijl inkijk vanuit het park wordt beperkt. Tussen de voortuinen en de parkzone ligt een circa 5 meter brede groene bufferzone, die tevens het hoogteverschil opvangt. Deze zone wordt ingericht met beplanting en een blokhaag, waarmee de overgang tussen openbaar en privé duidelijk wordt gemarkeerd.
Dit hoofdstuk licht de beeldkwaliteit van de openbare ruimte toe.
In de nevenstaande afbeelding is zichtbaar dat er een geleidelijke overgang in beplanting plaatsvindt, zowel in oost-westelijke als in noord-zuidelijke richting. Deze opbouw verzacht de overgang tussen landschappelijk en dorps groen en zorgt ervoor dat elke groene kamer een eigen ruimtelijke beleving krijgt.
Ritmisch groen: Langs de Hoofdstraat wordt gekozen voor een rustig en eenduidig groenbeeld, bestaande uit hagen en heesters met een maximale hoogte van circa 80 cm. Deze straat vraagt om een zekere mate van ordening en regelmaat, passend bij de functie als belangrijkste autoverbinding.
Ruw groen: Aan de zuidzijde sluit de beplanting aan op de bestaande bomenrij. Hier wordt gekozen voor een grovere, meer informele beplantingsstructuur die opgaat in het grotere groenverband. Dit type groen is hoger en losser van opzet dan het ritmisch groen.
Landschappelijk groen: Aan de westzijde van het plangebied wordt ingezet op een meer landschappelijke invulling, met overwegend inheemse soorten die aansluiten bij het omliggende buitengebied.
Dorps karakter: Richting het oosten, nabij de dorpskern, verschuift het beeld naar een meer gecultiveerde en verzorgde beplanting, zoals ook in het dorp voorkomt. Hier worden onder andere soorten als laurierhagen toegepast.
De rest van dit hoofdstuk gaat in op de volgende onderdelen:
4.1 Vier typen beplantingen
4.2 Materialen infrastructuur
4.3 Straatmeubilair
Ritmisch groen
Langs de Hoofdstraat wordt gekozen voor een rustig en eenduidig groenbeeld, bestaande uit blokhagen (beukenhagen) met een maximale hoogte van circa 80 cm. Deze beplanting oogt rust & ritme uit, en heeft een lage onderhoudscomplexiteit.
Ruw(er) groen
Aan de zuidzijde sluit de beplanting aan op de bestaande bomenrij. Hier wordt gekozen voor een grovere, meer informele beplantingsstructuur die opgaat in het grotere groenverband. Dit type groen is hoger en losser van opzet dan het ritmisch groen.
Landschappelijk groen
Aan de westzijde van het plangebied wordt ingezet op een meer landschappelijke invulling, met overwegend inheemse soorten die aansluiten bij het omliggende buitengebied.
Dorps karakter
Richting het oosten, nabij de dorpskern, verschuift het beeld naar een meer gecultiveerde en verzorgde beplanting, zoals ook in het dorp voorkomt. Hier worden onder andere soorten als laurierhagen toegepast.
De bestrating binnen het gehele projectgebied wordt uitgevoerd in elementverharding: straatbaksteen op rijwegen, parkeervakken en opritten, en op trottoirs. De type en afmeting betonstraatsteen verschilt per functie.
Parkeervakken worden bestraat met een betonstraatsteen, zodat het contrast tussen rijbaan en parkeerstrook duidelijk zichtbaar is. Rijbanen worden aan de kant van groen opgesloten door twee strekken betonstraatsteen en betonbanden.
De straten langs een groenzone worden aangelegd op één oor, waardoor water richting de wadi kan stromen. De overige wegen van de buurt worden tonrond aangelegd, zodat water aan twee kanten van de rijbaan weg kan stromen richting infiltratievoorzieningen.
In de afbeelding hieronder worden de verschillende materialen nader toegelicht, waarbij type, afmetingen en kleur zijn benoemd.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het toe te passen straatmeubilair. Hierbij wordt aangesloten op bestaande toepassingen binnen de gemeente Peel en Maas, gecombineerd met ambities op het gebied van duurzaamheid en uitstraling.
Verlichtingsarmaturen
De verlichting bestaat uit energiezuinige armaturen met LED-technologie. In de referentiebeelden is gebruikgemaakt van armaturen van het merk Sustainder.
Speelelementen
De speelelementen hebben een minimalistische en functionele vormgeving, met een sterke nadruk op natuurlijke materialen. In de referentiebeelden zijn elementen van het merk Lappset toegepast.
Overig meubilair
Het overige straatmeubilair bestaat uit zitelementen en afvalbakken, passend binnen de bestaande inrichting van Peel en Maas. Naast reguliere afvalbakken wordt specifiek aandacht besteed aan het plaatsen van hondenafvalbakken nabij groenzones, bedoeld voor het weggooien van hondenpoepzakjes.
Uitgelicht op kaart: plangebied voor deze opdracht. Dit betreft het gebied dat in Omgevingsplan is gemarkeerd als ‘Buitengebied’ binnen het stedenbouwkundig plan.
Binnen deze grenzen wordt 3413m2 ingevuld met functie ‘niet-groen’ (uitgeefbaar en infrastructuur). Volgens de Gids Ruimtelijke Kwaliteit Peel en Maas dient een landschappelijke kwaliteitsbijdrage gerealiseerd te worden van minstens 10% oppervlakte van deze 3413m2, oftewel 342m2.
Deze 342m2 kan worden behaald door in het gebied verschillende landschapselementen in te passen, zoals bomen en natuurlijke poelen. Elk toegevoegd landschapselement draagt een bepaald aantal m2 bij aan de landschappelijke kwaliteitsbijdrage. Meer informatie hierover later.
Daarnaast ligt er een opgave om in hetzelfde gebied een wadi met een minimaal benodigd bergingsvolume van 267m3 in te passen, die als regenwaterbuffer t.b.v. omliggende bebouwing en infra zal dienen.
Hiernaast is een situatie van het stedenbouwkundig plan d.d. april 2026 te zien.
De gemeente heeft een grove schets gemaakt voor een eventuele uitbreiding van het woongebied (genaamd ‘fase 2’), te zien op de prent hiernaast. Het ontwerp van fase 2 conflicteert op enkele locaties met het ontwerp van fase 1.
De opdracht is een nieuw ontwerp te maken voor het binnen fase 1 landschappelijk in te vullen gebied. In dit nieuwe ontwerp wordt rekening gehouden met:
De beoogde plaatsing van de bebouwing van fase 2;
De te behalen landschappelijke invulling volgens de Gids Ruimtelijke Kwaliteit Peel en Maas;
Het te behalen bergingsvermogen van de wadi.
Het rood gearceerde gebied vormt het landschappelijk in te vullen gebied, wanneer rekening wordt gehouden met het ontwerp van fase 2. Daarnaast is een buffer van 5 meter rondom de beoogde bebouwing van fase 2 getrokken om ruimte voor voortuinen/trottoirs te reserveren.
Deze pagina toont de aangepaste landschappelijke inpassing en de bijbehorende rekensom voor de toegevoegde landschappelijke kwaliteit en het behoud van de waterbergingscapaciteit.
Door de wadi in het midden van het groene gebied te plaatsen en hierom bomen van verschillende groottes te plaatsen, wordt het parkidee van de twee andere ‘groene kamers’ in fase 1 voortgezet.
Gids Ruimtelijke kwaliteit
Te behalen m² per boom
Orde Maat stam Waarde
1e orde 16-18 25 m²
2e orde 14-16 14 m²
3e orde 12-14 6 m²
Te behalen m² voor een gemengde haag
1 m gemengde haag (minstens 60cm breed) staat gelijk aan 0,5 m² waarde landschappelijke inpassing.
Behaalde waarde in m² in aangepast ontwerp
Bomen
4x 1e orde * 25m2 = 100 m²
7x 2e orde * 14m2 = 98 m²
7x 3e orde * 6m2 = 42 m²
Gemengde haag
Oppervlakte (L*0,5): 237m * 0,5 = 118,5 m²
Behaalde waarde = 118 m²
Totaal behaalde waarde: 358 m2 / te behalen 342m²
Waterbergend vermogen wadi
Wakinghoogte: 0,25 m
Waterpeil max: +29,40 m
Bodem: +28,80 m
Helling: 1:3
Bergingsvolume buffer: 269m3 / te behalen 267 m³
Beheer en onderhoud:
Bomen: jaarlijks controleren op takbreuk en ziektes en worden zo nodig gesnoeid.
Boomspiegels: onkruid vrijmaken 8 maal per jaar, inclusief verwijderen bladafval, zwerfvuil etc.
Hagen: twee maal per jaar scheren. Haagvoet onkruid vrijmaken 8 maal per jaar, inclusief verwijderen bladafval, zwerfvuil etc.
Grasveld: twee maal per jaar maaien (na bloeitijd), maaisel afvoeren. Maaisel twee weken laten liggen, alvorens af te voeren om zaden te laten drogen en de kans te geven zich te verspreiden, alsook om fauna zich te laten bewegen richting omgeving. Gefaseerd maaien, van binnen naar buiten, om fauna te laten ontsnappen.
Wadi: éénmaal per jaar maaien, inclusief opschonen, verwijderen bladafval, zwerfvuil etc.
O
Het opschrift van toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Voor artikelgewijzetoelichting wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:
Voor u ligt de toelichting op het omgevingsplan voor de gemeente Peel en Maas. Met het omgevingsplan wordt uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de nieuwe Omgevingswet. Het omgevingsplan is op gemeentelijk niveau het nieuwe juridisch ordeningsinstrument als het gaat om de zorg voor de fysieke leefomgeving en de regulering van activiteiten die gevolgen (kunnen) hebben voor de fysieke leefomgeving. Binnen het stelsel van het omgevingsrecht is het omgevingsplan voor burgers en bedrijven primair bepalend voor de vraag welke activiteiten op welke locatie, en onder welke voorwaarden kunnen plaatsvinden. Het omgevingsplan komt daarmee in de plaats van alle afzonderlijke bestemmingsplannen. Ook een deel van de gemeentelijke verordeningen gaat op in het omgevingsplan. Hetzelfde geldt voor een groot deel van de milieu- en bouwregels die nu nog door het Rijk worden gesteld, maar die worden gedecentraliseerd.
In het omgevingsplan staan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en regulering van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die kwaliteit centraal. Het omgevingsplan is (anders dan het bestemmingsplan) dan ook niet beperkt tot planologische aspecten. Het omgevingsplan bevat daarom niet alleen regels over bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken, maar ook regels over andere activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Tegelijkertijd is het omgevingsplan ook niet onbeperkt in het toepassingsbereik; er zijn beperkingen voor waar regels over mogen gaan. Regels die in het omgevingsplan worden gesteld, moeten betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en op activiteiten die daarop gevolgen kunnen hebben.
Het omgevingsplan geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied. De wet gaat uit van één consistent, samenhangend en actueel omgevingsplan. Om dat te bereiken zijn in het omgevingsplan voor de gemeente Peel en Maas die activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, en de regulering daarvan, centraal gesteld. Overigens worden daarbij alleen die activiteiten gereguleerd waarvan dat gelet op de zorg voor de fysieke leefomgeving noodzakelijk wordt geacht. Niet elke activiteit met een (mogelijk) gevolg voor de fysieke leefomgeving behoeft immers regulering. Zo is bijvoorbeeld bij het vervangen van een gazon in de tuin door een bloemperk ongetwijfeld sprake van een activiteit, en wijzigt die activiteit zelfs de fysieke leefomgeving, toch kan regulering hiervan achterwege blijven. Regels zijn alleen nodig als de zorg voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving daar om vraagt.
Het omgevingsplan zal onder andere alle bestemmingsplannen, exploitatieplannen, delen van gemeentelijke verordeningen en een groot aantal rijksregels moeten vervangen. De overgang naar één omgevingsplan voor heel Peel en Maas is dan ook een zeer grootschalige wijziging van het gemeentelijk omgevingsrecht. Deze overgang zal ook niet in één keer plaatsvinden, maar gebiedsgewijs en onderwerpsgewijs. Het Rijk geeft gemeenten tot en met in elk geval 2031 om deze opgave te realiseren.
Met name de regels uit bestaande ruimtelijke besluiten, zoals bestemmingsplannen, zullen gebiedsgewijs worden vervangen. Daarbij zal aan meerdere gebieden tegelijk worden gewerkt, waarbinnen dezelfde te reguleren activiteiten voorkomen. Bijvoorbeeld wonen, detailhandel, en bouwen. Voorkomen moet worden dat dan vanuit verschillende gebieden van elkaar verschillende regels over hetzelfde onderwerp in het omgevingsplan worden geplaatst. Dat zou niet leiden tot een integrale regeling. De zorg voor een integrale regeling vraagt om een aanpak waarbij een groot deel van de regeling aan het begin wordt neergezet. Vanuit die basis kan vervolgens een begin worden gemaakt met het gebiedsgewijs vervangen van de regels uit de bestaande ruimtelijke besluiten.
Uiteindelijk moet het omgevingsplan bijdragen aan een stelsel waarbinnen ook op gemeentelijk niveau de continue zorg voor de fysieke leefomgeving beter is geborgd dan binnen het voorheen geldende stelsel. Daarbij moet het bijdragen aan meer inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het omgevingsrecht voor de burger
Hoewel inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en gebruiksgemak belangrijke doelen van de wet zijn, komen niet alle voor een burger relevante regels in het omgevingsplan terecht. Naast het omgevingsplannen blijven er ook regelingen van Rijk, provincie en waterschappen die rechtstreeks bindende regels bevatten. Zo bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving algemene regels over bouwwerken, die rechtstreeks aan de initiatiefnemer die voornemens is een bouwactiviteit te verrichten, zijn gericht. Bovendien zullen er naast het omgevingsplan ook andere gemeentelijke verordeningen van toepassing blijven. Die verordeningen kunnen ook regels bevatten over onderwerpen of activiteiten die 'aanleunen' tegen de fysieke leegomgeving, zoals bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening.
Deze toelichting van het omgevingsplan bestaat uit een algemeen deel en een artikelsgewijs gedeelte.
Het algemene deel licht allerlei algemene uitgangspunten, doelen en principes met betrekking tot de regels toe. Ook bevat de toelichting in zijn algemeenheid een beschrijving hoe aan het gemeentelijk beleid en de landelijke wet- en regelgeving uitvoering wordt gegeven. Hierbij wordt ook op hoofdlijnen ingegaan op het juridisch en beleidsmatig instrumentarium op basis van de Ow, ook wel aangeduid als de kerninstrumenten. De achtergrond die in de algemene toelichting wordt beschreven, is dus een toelichting op de gemaakte keuzes, maar vormt ook de juridische onderbouwing ervan.
Het artikelsgewijze deel legt (voor zover nodig) per artikel uit wat de concrete strekking ervan is en met het oog op welke specifieke doelen de regels in het artikel zijn gesteld. Ook geeft het uitleg over de desbetreffende regels voor de rechtspraktijk, waarbij geldt dat bij discrepanties tussen wettekst en toelichting, de rechter aan de wetsartikelen meer waarde toekent. In sommige gevallen bevat die artikelsgewijze uitleg ook een juridische of beleidsmatige onderbouwing. Een beschrijving van het achterliggend kader kan achterwege blijven. Dat is immers al gegeven in het algemene deel van de toelichting en daar leent de artikelsgewijze toelichting zich juist vanwege die artikelsgewijze opzet ook niet goed voor.
Naast deze inleiding beslaat het algemeen deel van deze toelichting het juridisch en beleidsmatig instrumentarium van het het omgevingsplan (hoofdstuk 2).
Bij het lezen van het omgevingsplan en de toelichting is het van belang op te merken dat de toelichting weliswaar een toelichting op en motivering van de regels bevat, maar dat de toelichting niet altijd de volledige bestuurlijke en juridische motivering van de besluiten waarmee het omgevingsplan tot stand wordt gebracht en wordt gewijzigd bevat. Daarvoor dient de motivering van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 bevat een overzicht van de wijzigingsbesluiten, inclusief een beknopte toelichting op de doorgevoerde wijzigingen en een verwijzing naar de betreffende besluiten.
Daarna volgt het artikelsgewijze deel, waarbij per artikel van het omgevingsplan een artikelsgewijze toelichting is opgenomen. Deze artikelsgewijze toelichting is te vinden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (hierna: DSO). In het algemeen deel onder hoofdstuk 2.6 wordt de werking van het DSO in relatie tot het omgevingsplan nader toegelicht.
Zoals in de inleiding is aangegeven, bevat het omgevingsplan de gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan is de rechtsopvolger van het bestemmingsplan. Het omgevingsplan is het instrument waarmee de doelen van de Omgevingswet op gemeentelijk niveau worden uitgewerkt. Net zoals bij het bestemmingsplan zijn de regels uit het omgevingsplan direct juridische bindend voor burgers, bedrijven en de gemeente zelf.
Een opvallend verschil tussen bestemmingsplannen en het omgevingsplan is dat het omgevingsplan een veel bredere reikwijdte heeft. Zo beperkt het omgevingsplan zich niet alleen maar tot ‘een goede ruimtelijke ordening’, maar bevat het regels over de gehele fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan staat welke activiteiten op welke plek zijn toegestaan en welke regels daarbij gelden.
Zo kan er bijvoorbeeld in een winkelstraat de functies wonen, horeca en detailhandel zijn toegestaan. In de bijbehorende regels staat bijvoorbeeld dat alleen op de verdiepingen mag worden gewoond, welke vorm van horeca is toegestaan en hoe groot de detailhandelsvestiging mag zijn. Daarnaast staan er ook regels over andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, zoals de milieubelastende activiteit, met als voorbeelden het lozen van afvalwater en een geluidsnorm die niet overschreden mag worden bij een activiteit.
In het omgevingsplan staan ook veel regels over bouwen. Hieraan wordt de omgevingsplanactiviteit bouwen aan wordt getoetst. Zoals regels over hoe groot en hoog een woning of bedrijfspand mag zijn, regels over het uiterlijk van een bouwwerk of regels die aangeven of er een omgevingsvergunning voor het ruimtelijke deel van de bouwactiviteit nodig is.
Een belangrijk doel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in de Omgevingswet, is het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De fysieke ruimte is namelijk beperkt. Daarom is het doel om die beperkte ruimte optimaal te verdelen en in te richten. De gemeente is hiervoor verantwoordelijk.
In de Omgevingswet staat opgenomen dat in het omgevingsplan, met het oog op de doelen van de wet, regels kunnen worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast is het de taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ voor het hele grondgebied van Peel en Maas. Een evenwichtige toedeling van functies die zijn toegestaan binnen een gebied. Dit vanuit het belang dat deze functies samen in een gebied kunnen plaatsvinden en zo min mogelijk hinder van elkaar ondervinden.
Naast een evenwichtige toedeling van functies aan locaties staan in het omgevingsplan activiteiten centraal. In het omgevingsplan worden namelijk de gevolgen van activiteiten op de fysieke leefomgeving gereguleerd. Hiertoe worden in het omgevingsplan regels over activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving opgenomen. In de Omgevingswet is verduidelijkt dat het in ieder geval gaat om gevolgen die kunnen voortvloeien uit (artikel 1.2, derde lid, Omgevingswet):
het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan,
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,
activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt,
het nalaten van activiteiten.
Per activiteit zijn regels opgenomen over wanneer en op welke manier een activiteit mag worden uitgevoerd of mag plaatsvinden. Het begrip ‘activiteit’ kent geen vaste definitie. Wat hieronder vaak wordt verstaan blijkt uit de context van de artikelen waarin het begrip activiteit wordt gebruikt. Doorgaans wordt met een activiteit een feitelijke handeling bedoeld. Bij het opstellen van regels voor activiteiten staan de activiteiten, en daarmee de gebruiker, centraal. Voorbeelden zijn de ‘activiteit bouwen’ of de ‘activiteit kappen (van bomen)’. Per activiteit worden normen gesteld of randvoorwaarden opgenomen. Alle regels over activiteiten samen zorgen voor een zorgvuldig gebruik van de fysieke leefomgeving.
Het omgevingsplan is vormvrij. Gemeenten kunnen zelf de structuur en hoofdstukindeling van hun omgevingsplan bepalen. Als vertrekpunt voor dit omgevingsplan is gebruik gemaakt van de structuur van het omgevingsplan die de VNG heeft gemaakt in hun zogenaamde ‘casco’ van het omgevingsplan. Wij hebben dit casco aan de situatie in Peel en Maas aangepast en aangevuld.
Hieronder volgt eerst een beschrijving per hoofdstuk van het omgevingsplan zoals deze voor Peel en Maas is opgesteld, zodat duidelijk is waar de regels over bepaalde onderwerpen over gaan en vindbaar zijn. Voor een inhoudelijke uitleg van de (juridische) strekking van de regels verwijzen we naar de artikelsgewijze toelichting.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
In dit hoofdstuk worden, via een koppeling met een bijlage, de begrippen gedefinieerd die zijn opgenomen in het omgevingsplan.
Hoofdstuk 2: Doelen
Dit hoofdstuk benoemt de gemeentelijke doelen van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 3: Programma’s
Dit hoofdstuk is gereserveerd voor regels over de programma’s met programmatische aanpak.
Hoofdstuk 4: Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met betrekking tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving. Per functie, thema of per gebiedstype wordt bepaald welke activiteiten met bijbehorende regels gelden. De functies, thema’s en gebiedstypen vormen daarmee een richtingaanwijzer voor de activiteiten in hoofdstuk 5 tot en met 9. Een thema is een gemeentebrede regeling. Eventueel bevat een thema nog deelgebieden. Een gebiedstype is een geografisch gebied met gebiedsspecifieke kenmerken. Die kenmerken zijn bepalend voor de vraag welke activiteiten in dat gebied zijn toegestaan.
Hoofdstuk 5: Gebruiksactiviteiten
In dit hoofdstuk worden de gebruiksactiviteiten omschreven. Gronden en bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt indien dit gebruik overeenkomt met de aan de betreffende locatie toegekende gebruiksactiviteit.
Hoofdstuk 6: Bouwactiviteiten
Dit hoofdstuk is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwen. In dit hoofdstuk is de bouwvergunningplicht opgenomen maar ook de regels over vergunningsvrij en de beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten.
Hoofdstuk 7: Milieubelastende activiteiten
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die voor alle milieubelastende activiteiten gelden. Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Deze begripsbepalingen is zeer ruim en omvat een breed scala aan activiteiten met grote verschillen in aard en omvang van de gevolgen voor het milieu. Dit begrip is ook breder dan het begrip ‘inrichting’ uit de voormalige Wet milieubeheer. De meeste regels in dit hoofdstuk zijn afkomstig uit de ‘bruidsschat’ (zie ook bij hoofdstuk 22).
Hoofdstuk 8: Aanlegactiviteiten
Dit hoofdstuk bevat regels over aanlegactiviteiten. Dit zijn regels over het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Dit hoofdstuk bevat ook regels en vergunningplichten voor verschillende aanlegactiviteiten, bijvoorbeeld voor een aanlegactiviteit in een beschermingszone archeologie.
Hoofdstuk 9: Sloopactiviteiten
In dit hoofdstuk worden de sloopactiviteiten uiteengezet. Sloopwerkzaamheden mogen slechts worden uitgevoerd indien deze overeenstemmen met de voor de betreffende locatie vastgestelde sloopactiviteit.
Hoofdstuk 20: Gebiedsontwikkelingen
Dit hoofdstuk bevat tijdelijke regels voor gebiedsontwikkelingen. Deze regels zijn bedoeld om de ontwikkeling in goede banen te leiden. Nadat de gebiedsontwikkeling is afgerond, worden de in dit hoofdstuk opgenomen regels bij een volgende wijziging van het omgevingsplan geschrapt.
Hoofdstuk 21: Overgangsrecht
Dit hoofdstuk bevat de algemene regels van het overgangsrecht.
De motivering van het wijzigingsbesluit staat in een bepaalde verhouding tot de toelichting bij het omgevingsplan. De toelichting heeft betrekking op de regeling als geheel en de regels binnen die regeling, en onderbouwt de daarin gemaakte keuzes. Deze toelichting bevat (anders dan de meeste andere gemeentelijke verordeningen) niet uitsluitend de algemene onderbouwing van de rechtsgevolgen van het omgevingsplan, maar kan – indien relevant – ook locatiegerichte afwegingen bevatten. Dit betekent dat bij een wijziging van het omgevingsplan, naast de motivering in het wijzigingsbesluit, ook een aanvullende passage in de toelichting kan worden opgenomen waarin de locatiegerichte keuze wordt geplaatst binnen het bredere beleidskader.
Het omgevingsplan bevat regels over onder meer het planologisch gebruik van gronden en bouwwerken, en over bouwwerken zelf. Het betreft locatiegerichte regels waarmee wordt bepaald waar bepaalde vormen van planologisch gebruik zijn toegestaan, waar bouwwerken zijn toegestaan, en welke aanvullende regels daarbij gelden. Waar een bepaalde vorm van planologisch gebruik, bijvoorbeeld detailhandel, is toegestaan, en waar en hoe hoog gebouwd mag worden, wordt niet ineens voor heel de gemeente Peel en Maas bepaald. Dat gebeurt gebiedsgewijs. De onderbouwing van de algemene regels vindt plaats in de toelichting. Voor locatiegerichte keuzes, zoals het toestaan van detailhandel of een bouwwerk van 10 meter hoog op een specifieke locatie, wordt de motivering opgenomen in het wijzigingsbesluit. Tegelijkertijd kan in de toelichting een aanvullende passage worden opgenomen waarin deze locatiegerichte keuze wordt geplaatst in de context van het bredere beleid, zoals het detailhandelsbeleid of het ruimtelijk ontwikkelingskader.
Bij gebiedsontwikkelingen kunnen onderbouwende onderzoeken zoals een milieueffectrapport, verkeersonderzoek of akoestisch onderzoek worden gekoppeld aan zowel het wijzigingsbesluit als aan een aanvullende toelichting bij het omgevingsplan. Dit vergroot de transparantie en samenhang van het besluitvormingsproces.
Wanneer sprake is van regels die overal binnen de gemeente gelden, zal de motivering veelal bestaan uit een toelichting die in het algemene en artikelgewijze deel van de toelichting moet landen. Zo zal bij regels over milieubelastende activiteiten (hoofdstuk 7) de algemene of artikelgewijze toelichting een groot deel van de inhoudelijke motivering bevatten. Bij wijzigingsbesluiten van meer planologische aard – zoals bij gebiedsontwikkeling of transformatie – zal naast een uitgebreide motivering ook een aanvullende toelichting worden opgenomen waarin de locatiegerichte afweging wordt geplaatst binnen het bredere beleidskader.
Tegen elk besluit tot wijziging van het omgevingsplan staat beroep open. Nadat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is genomen, zal het wijzigingsbesluit inclusief motivering, bijlagen én eventuele aanvullende toelichting worden gepubliceerd.
De wijziging van het omgevingsplan bevat het planologische regime om de gebiedsontwikkeling Meuleveld in Maasbree mogelijk te maken. Een deel van het bestemmingsplan NL.IMRO.1894.BPL0070-VG01 - Kern Maasbree wordt omgezet naar het omgevingsplan. Dit geldt eveneens voor een deel van het bestemmingsplan NL.IMRO.1894.BPL0048-VG03 - Buitengebied Peel en Maas.
Q
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 1.1 Begripsbepalingen heeft betrekking op begrippen die in het omgevingsplan worden gehanteerd. Dit artikel komt in de plaats van artikel 1.1 van de Bruidsschat.
In het eerste lid wordt bepaald dat de in bijlage I opgenomen begripsbepalingen op het omgevingsplan van toepassing zijn. Die bijlage bevat definities van begrippen die in het omgevingsplan worden gebruikt. Voor de toegankelijkheid en leesbaarheid van het omgevingsplan zijn die begripsbepalingen gebundeld opgenomen in een bijlage.
Veel van de in het omgevingsplan gehanteerde begrippen kennen een begripsbepaling in het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving of de Omgevingsregeling. Het tweede lid bepaalt dat die eveneens van toepassing zijn verklaard op dit omgevingsplan. Daarbij is gekozen voor een zogenaamde dynamische verwijzing. Deze begripsbepalingen zijn dus niet in bijlage I overgenomen. Dit komt de eenduidige uitleg van het omgevingsrecht ten goede. In het tweede lid is wel de mogelijkheid opengelaten voor het in bijlage I opnemen van een afwijkende definitie van een begrip.
Er is geen reden om ook de begripsbepalingen, opgenomen in de Omgevingswet, van toepassing te verklaren. De begripsbepalingen die zijn opgenomen in de Omgevingswet zijn op grond van de wet zelf ook van toepassing op bepalingen die op de Omgevingswet berusten (artikel 1.1, eerste lid, Omgevingswet).
Het derde lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling. Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de begripsbepalingen zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing op de ruimtelijke regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
In bijlage I is opgenomen dat onder het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan wordt verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels in deze besluiten. Zolang deze ruimtelijke plannen nog van toepassing zijn, is van belang dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in die besluiten zelf, van toepassing blijven. Omdat die begripsbepalingen niet in I Begripsbepalingen staan, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt. Het derde lid regelt dit.
Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat houdt allereerst in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan, anders dan het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn. Ten tweede betekent dit dat als in een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat tijdelijk deel niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is.
Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied, dat eerst het gehele gemeentelijke grondgebied van Peel en Maas (minus de kern Meijel) is, geleidelijk aan steeds kleiner.
Het vierde lid bepaalt dat, in aanvulling op het eerste en tweede lid, daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld de begripsbepalingen zoals die zijn opgenomen in dat TAM-IMRO omgevingsplan van toepassing zijn op de regels in dat TAM-IMRO omgevingsplan.
In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-IMRO omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties.
Een TAM-IMRO omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas, bevat zelf ook begripsbepalingen voor de toepassing van de regels die zijn opgenomen in het TAM-IMRO omgevingsplan. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP/TPOD technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas, is het belangrijk dat de begripsbepalingen, zoals opgenomen in een TAM-IMRO omgevingsplan, van toepassing zijn op de daarin opgenomen regels. Omdat die begripsbepalingen niet in bijlage I staan, en omdat het eerste lid wel geldt daar waar een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld, is een bepaling nodig die daarvoor zorgt.
Daarbij is wel aangegeven dat dit in aanvulling is op het eerste en tweede lid. Dat houdt allereerst in dat als in een onderdeel van dit omgevingsplan hetzelfde begrip wordt gebruikt, dat daarop de begripsbepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid van toepassing zijn. Ten tweede betekent dit dat als in TAM-IMRO omgevingsplan een begrip wordt gebruikt dat in dat TAM-IMRO omgevingsplan niet is gedefinieerd, maar wel in bijlage I of de in het tweede lid bedoelde bijlagen wordt gedefinieerd, dat dan die definitie op dat begrip van toepassing is.
Het vijfde lid bevat een voorrangsbepaling voor als I Begripsbepalingen een begripsbepaling bevat voor een begrip waarvoor ook een ter plaatse geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-IMRO omgevingsplan een begripsbepaling bevat. Dan wordt voor de uitleg van het begrip voor wat betreft de desbetreffende regels in dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of een TAM-IMRO omgevingsplan de begripsbepaling uit dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan of TAM-IMRO omgevingsplan toegepast.
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen die van toepassing zijn op de regels in paragraaf 22.3.7.4 van dit omgevingsplan.
Onder moestuin wordt verstaan (een deel van) een perceel dat bedoeld is om gewassen te telen voor eigen consumptie. Onder siertuin wordt verstaan (een deel van) een perceel waar geen gewassen worden of zullen worden geteeld voor eigen consumptie en waar geen beweiding van landbouwhuisdieren plaatsvindt. Onder de begrippen moestuinen, siertuinen en industrie worden in voorkomende situaties ook verstaan de aan deze tuinen of industrie grenzende wegbermen, voor zover deze bermen onderdeel vormen van de saneringsaanpak. Met deze pragmatische invulling van deze begrippen wordt voorkomen dat voor een eventuele sanering van de aan de tuinen of industrie grenzende wegbermen een afwijkende (strengere) terugsaneerwaarde zou moeten worden gehanteerd dan voor de tuinen of industrie zelf nodig is.
Dit betreft het voor het zinkassengebied de Kempen geldende onderzoeksprotocol. Zie verder de toelichting bij artikel 22.134 (bodemonderzoek).
Zinkassen betreft een restproduct en is een verzamelnaam van afvalproducten van de (voormalige) thermisch zinkertsverwerkende bedrijven in de Nederlandse en Belgische Kempen. De chemische samenstelling van zinkassen is karakteristiek door een reeks zware metalen met zekere onderlinge verhoudingen, in gehalten doorgaans afnemend in orde van zink, lood, cadmium, koper, arseen en cadmium, echter met grote verschillen in bandbreedte. Dit materiaal is in het verleden toegepast als verhardingsmateriaal van wegen, paden, opritten en erven, maar levert een bedreiging voor de bodem en het grondwater. Onder zinkassen wordt ook verstaan: zinkslakken, sintels en kelderassen.
Regels in dit omgevingsplan hebben een bepaald doel. Dat doel moet in overeenstemming zijn met de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. In artikel 1.3 Omgevingswet zijn de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet bepaald:
Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Voor regels in het omgevingsplan is dit het uiterste doel met het oog waarop regels kunnen worden gesteld. Dat betekent dat de regels in dit omgevingsplan niet met een ander oogmerk mogen worden gesteld dan binnen het kader van de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. Maar de regels mogen wel een meer beperkt oogmerk hebben. In Artikel 1.2 Oogmerk is vastgelegd dat de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld met het oog op de maatschappelijke doelen, bedoeld in artikel 1.3 Omgevingswet, tenzij uit de regels van dit omgevingsplan volgt dat het oogmerk is beperkt.
Een beperking van het oogmerk kan expliciet zijn aangegeven. Een beperking kan ook impliciet uit de regels volgen, bijvoorbeeld uit de beoordelingsregels die van toepassing zijn op een bepaalde vergunningplicht.
Artikel 1.3 Meet- en rekenbepalingen bevat meet- en rekenbepalingen die bij de toepassing van dit hoofdstuk moeten worden gehanteerd.
Het eerste lid bevat een overgangsrechtelijke bepaling. Ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zijn de meet- en rekenbepalingen zoals opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan van toepassing. Het werkingsgebied van dit lid is beperkt tot die gebieden ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied steeds kleiner.
Het tweede lid bepaalt dat, indien in een regel een norm is gesteld voor een locatie, deze norm geldt voor iedere afzonderlijke locatie waarop de regel van toepassing is.
Dit meet- en rekenvoorschrift is opgenomen om duidelijkheid te bieden in situaties waarin een regel geografisch is begrensd en die begrenzing uit meerdere afzonderlijke delen bestaat. In dat geval kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag of een normwaarde geldt voor de gezamenlijke begrenzing of voor elk afzonderlijk deel daarvan.
Met dit lid is vastgelegd dat de norm steeds per afzonderlijke locatie wordt toegepast. Indien een regel bijvoorbeeld een maximale inhoud of oppervlakte koppelt aan een geografisch begrensd regelgebied dat uit meerdere locaties bestaat, dan geldt de normwaarde voor elke locatie afzonderlijk en niet gezamenlijk voor alle locaties tezamen.
Dit voorkomt interpretatieverschillen bij de toepassing en handhaving van het omgevingsplan en sluit aan bij de wijze waarop regels in het omgevingsplan digitaal worden afgebakend en toegepast.
Het derde lid bepaalt hoe de dakhelling gemeten moet worden.
Het vierde lid bepaalt hoe de goothoogte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het vijfde lid bepaalt hoe de inhoud van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het zesde lid bepaalt hoe de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het zevende lid bepaalt hoe de oppervlakte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het achtste lid bepaalt hoe de oppervlakte van een bodemingreep gemeten moet worden.
Het negende lid bepaalt hoe de afstand tot de bouwwerkperceelsgrens gemeten moet worden.
Het tiende lid bepaalt hoe de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het elfde lid bepaalt hoe de voorgevelrooilijn van een bouwwerk gemeten moet worden.
Het twaalfde lid bepaalt hoe de oppervlakte van een overkapping gemeten moet worden.
Het dertiende lid bepaalt hoe de afstand tussen een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken moet worden gemeten.
Het veertiende lid verduidelijkt dat ondergeschikte bouwdelen, zoals luifels, balkons, kroonlijsten en overstekende daken, bij de toetsing aan bouwvlak- en functiegrenzen buiten beschouwing blijven, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt. Hiermee wordt voorkomen dat kleine bouwkundige uitsteeksels leiden tot strijd met de bouwregels.
Artikel 1.4 Waar deze regels gelden bevat bepalingen over het geografisch werkingsgebied van de regels en over het overzicht van informatieobjecten dat onderdeel uitmaakt van dit omgevingsplan.
Het eerste lid bepaalt dat de regels in dit omgevingsplan gelden binnen het gehele grondgebied van de gemeente Peel en Maas, tenzij in de regels is bepaald of uit de regels volgt dat het geografisch werkingsgebied beperkt is. Een juridische regel heeft altijd een werkingsgebied, dat wil zeggen een gebied waar die regel geldt. Dat geldt voor elke regel. Heel veel regels in het omgevingsplan gelden overal in de gemeente Peel en Maas. Andere regels gelden uitsluitend op specifieke locaties. Als uitgangspunt geldt dat het werkingsgebied van de regels in dit omgevingsplan het hele gemeentelijk grondgebied is. De regel geldt dan overal binnen de gemeente Peel en Maas. Wanneer het werkingsgebied van een regel of regelonderdeel is beperkt, wordt dat in de regels aangegeven, of volgt dat uit de regel(s) zelf. Hoewel dit een algemeen juridisch gegeven is voor juridische regels, is ervoor gekozen dit expliciet in dit artikel op te nemen, als uitgangspunt voor de uitzondering op die regel.
In het tweede lid is opgenomen dat bijlage II Geografische Informatieobjecten bij dit omgevingsplan een overzicht van informatieobjecten bevat. Met informatieobjecten wordt gedoeld op geografische begrenzingen van het werkingsgebied van regels, of geografische begrenzingen van locaties waarnaar in regels wordt verwezen. Ook kan het gaan om de normwaarde van omgevingsnormen of omgevingswaarden die op een bepaalde locatie gelden. Dergelijke informatieobjecten maken onderdeel uit van de regels. Vanuit de regels wordt een koppeling gelegd naar dergelijke informatieobjecten. Ze zijn als bijlage opgenomen bij de regels. In de viewer van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) kunnen de regels in samenhang met deze informatieobjecten worden geraadpleegd.
Artikel 1.5 Normadressaat bepaalt tot wie de regels van dit omgevingsplan zijn gericht. Het artikel bevat een hoofdregel, maar laat ruimte om daarop elders in dit omgevingsplan uitzonderingen te maken. De hoofdregel is dat de regels zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden.
Onder ‘degene die de activiteit verricht’ wordt ook verstaan degene die de activiteit laat verrichten (zie toelichting op het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving). Zo bepaalt artikel 4.3 Besluit bouwwerken leefomgeving van dat besluit dat aan de regels in hoofdstuk 6 Bouwactiviteiten wordt voldaan 'door degene die het bouwwerk bouwt'. Uit de toelichting op dat artikel (staatsblad 2018, nr. 291) blijkt dat daaronder ook degene wordt verstaan die een bouwwerk laat bouwen door een ander.
Onder degene die de activiteit verricht wordt dus meer verstaan dan alleen degene die feitelijk de activiteit verricht. De Omgevingswet noch de AMvB's bevatten een nadere duiding aan welke criteria 'degene die de activiteit verricht' in een concreet geval zou moeten voldoen. Wel is een aantal elementen aan te geven (zie paragraaf 2.3.2 van de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Staatsblad 2018, nr. 293). Degene moet (economische) zeggenschap hebben over de activiteit. Dat is degene die het feitelijk of juridisch voor het zeggen heeft/in zijn macht heeft om de activiteit te starten, aanpassen of staken (de overtreding te beëindigen). Bij de meeste activiteiten is het degene die de vergunning aanvraagt of melding doet. In andere gevallen: degene met zeggenschap. Vaak zal het de eigenaar of huurder van het perceel/pand zijn.
Dit alles is ook van toepassing op de uitleg van wie moet worden verstaan onder degene die de activiteit verricht, zoals opgenomen in dit Artikel 1.5 Normadressaat. Het artikel biedt wel ruimte om elders in dit omgevingsplan, mocht dat nodig blijken, een afwijkende normadressaat te bepalen. Dit laatste in navolging van wat bijvoorbeeld gebeurt in het Besluit bouwwerken leefomgeving, waarin voor een aantal regelonderdelen een van de hoofdregel afwijkende normadressaat wordt aangegeven.
De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat dezelfde grond meer dan één keer meetelt bij het toepassen van planregels. Dit zorgt voor een rechtvaardige en ruimtelijk consistente toepassing van de regels. Bijvoorbeeld: een deel van een perceel dat nodig is om aan een maximale bebouwingspercentage te voldoen, kan niet nogmaals worden gebruikt om een ander bouwwerk op te baseren.
Het eerste lid bepaalt dat ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking de anti-dubbeltelbepaling geldt die is opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Het werkingsgebied van dit lid is beperkt tot die gebieden ter plaatse van Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, wordt dat werkingsgebied steeds kleiner.
Het tweede lid bepaalt dat grond die reeds is meegenomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of nog kan worden gegeven, bij latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Hiermee wordt voorkomen dat dezelfde oppervlakte meermaals wordt benut voor het aantonen van planologische ruimte. Dit lid waarborgt dat de verdeling van gronden voor bouwplannen consistent en transparant blijft, en dat eenmaal toegekende planologische mogelijkheden niet opnieuw kunnen worden ingezet voor andere ontwikkelingen.
R
Na sectie 1 worden zes secties ingevoegd, luidende:
Het omgevingsplan wordt vastgesteld met het oog op de maatschappelijke doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet. In Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan zijn alle doelen opgenomen met het oog waarop de regels in dit omgevingsplan zijn gesteld. Door de doelen op deze plaats op te nemen, ontstaat er nog niet direct een verband met de regels in hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving, 5 Gebruiksactiviteiten, 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van dit omgevingsplan. Dat verband ontstaat pas wanneer de doelen in hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving van dit omgevingsplan worden geactiveerd voor bepaalde gebiedstypen of thema’s.
Naast het bieden van een overzicht van alle doelen in dit omgevingsplan is Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan ook van belang wanneer er gebruik wordt gemaakt van een (binnenplanse) inherente afwijkingsbevoegdheid. Bij het gebruiken van die bevoegdheid kan dan een activiteit die in strijd is met de regels in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten, 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van het omgevingsplan toch worden toegelaten als dat toelaten kan worden gemotiveerd vanuit de volle breedte van de doelen van het omgevingsplan, zoals ze in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan zijn opgesomd.
Artikel 4.1 Algemeen toepassingsbereik bevat het toepassingsbereik van de functie. Het toepassingsbereik geeft aan waar afdeling 4.1 Functies over gaat. Deze afdeling gaat over het aanwijzen van functies in de fysieke leefomgeving, met als doel te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aanwijzen van functies vindt plaats door middel van gebiedsaanwijzingen. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Ieder gebied dat wordt aangewezen, krijgt een zelf te kiezen naam die binnen het omgevingsplan uniek moet zijn. Verder wordt elk aangewezen gebied van een typering voorzien. Deze bestaat uit twee delen: type en groep. Het type is een hoofdindeling naar het doel van de gebiedsaanwijzing, zoals 'functie'. De groep is een categorisering naar de aard van de gebiedsaanwijzing, zoals 'bedrijf' of 'detailhandel'. Dit artikel bevat een opsomming van de verschillende functies, die in de navolgende paragrafen worden aangewezen.
In Artikel 4.2 Aanwijzing wordt een gebied aangewezen voor de functie Agrarisch. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Agrarisch wordt een locatie aangewezen voor de functie agrarisch. Dit betekent dat deze locatie bedoeld is voor het verrichten van agrarische activiteiten (en daaraan gerelateerde activiteiten).
Artikel 4.3 Regels voor het gebruiken van gronden en bouwwerken bevat geen zelfstandige gebruiksregels, maar dient als richtingaanwijzer binnen het omgevingsplan. In dit artikel is aangegeven welke subparagrafen in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van toepassing zijn op locaties waaraan de functie Agrarisch is toegekend. De toetsing van het gebruik van een locatie vindt plaats aan de hand van de regels in hoofdstuk 5. De subparagrafen waarnaar wordt verwezen zijn functioneel gekoppeld aan de functie Agrarisch.
In Artikel 4.12 Aanwijzing wordt een gebied aangewezen voor de functie Groen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Groen wordt een locatie aangewezen voor de functie groen. Dit betekent dat deze locatie bedoeld is voor het verrichten van agrarische activiteiten (en daaraan gerelateerde activiteiten).
Artikel 4.13 Regels voor het gebruiken van gronden en bouwwerken bevat geen zelfstandige gebruiksregels, maar dient als richtingaanwijzer binnen het omgevingsplan. In dit artikel is aangegeven welke subparagrafen in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van toepassing zijn op locaties waaraan de functie Groen is toegekend. De toetsing van het gebruik van een locatie vindt plaats aan de hand van de regels in hoofdstuk 5. De subparagrafen waarnaar wordt verwezen zijn functioneel gekoppeld aan de functie Groen.
In Artikel 4.24 Aanwijzing wordt een gebied aangewezen voor de functie Openbaar gebied. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Openbaar gebied wordt een locatie aangewezen als openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 4.25 Regels over gebruiken van gronden en bouwwerken bevat geen zelfstandige gebruiksregels, maar dient als richtingaanwijzer binnen het omgevingsplan. In dit artikel is aangegeven welke subparagrafen in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van toepassing zijn op locaties waaraan de functie Openbaar gebied is toegekend. De toetsing van het gebruik van een locatie vindt plaats aan de hand van de regels in hoofdstuk 5. De subparagrafen waarnaar wordt verwezen zijn functioneel gekoppeld aan de functie Openbaar gebied.
In Artikel 4.32 Aanwijzing wordt een gebied aangewezen voor de functie Verkeer. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Verkeer wordt een locatie aangewezen als openbaar toegankelijk gebied met primair een verkeersfunctie.
Artikel 4.33 Regels over gebruiken van gronden en bouwwerken bevat geen zelfstandige gebruiksregels, maar dient als richtingaanwijzer binnen het omgevingsplan. In dit artikel is aangegeven welke subparagrafen in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van toepassing zijn op locaties waaraan de functie Verkeer is toegekend. De toetsing van het gebruik van een locatie vindt plaats aan de hand van de regels in hoofdstuk 5. De subparagrafen waarnaar wordt verwezen zijn functioneel gekoppeld aan de functie Verkeer.
In Artikel 4.36 Aanwijzing wordt een gebied aangewezen voor de functie Wonen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Wonen wordt een locatie aangewezen voor de functie wonen. Dit betekent dat deze locatie bedoeld is voor het verrichten van woonactiviteiten (en daaraan gerelateerde activiteiten).
Artikel 4.37 Regels over gebruiken van gronden en bouwwerken bevat geen zelfstandige gebruiksregels, maar dient als richtingaanwijzer binnen het omgevingsplan. In dit artikel is aangegeven welke subparagrafen in hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten van toepassing zijn op locaties waaraan de functie Wonen is toegekend. De toetsing van het gebruik van een locatie vindt plaats aan de hand van de regels in hoofdstuk 5. De subparagrafen waarnaar wordt verwezen zijn functioneel gekoppeld aan de functie Wonen.
In Artikel 4.38 Aanwijzing wordt een functioneel gebiedstype aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'.
Met de gebiedsaanwijzing Buitengebied wordt een gebied aangewezen als onderdeel van het landelijk gebied van de gemeente Peel en Maas. Het buitengebied wordt gekenmerkt door functies zoals agrarisch gebruik, natuur, landschap, waterbeheer, recreatie en verspreid voorkomende woon- en bedrijfsfuncties. In dit omgevingsplan zijn meerdere gebiedstypen aangewezen, die zich in functioneel opzicht van elkaar onderscheiden. Deze worden afzonderlijk van elkaar aangewezen in afdeling 4.2 Gebiedstypen.
Met deze gebiedstypen worden bepaalde gebruiksactiviteiten in een gebied toegestaan, beperkt of uitgesloten, teneinde te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor het gebiedstype Buitengebied staat het behoud en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en agrarische kwaliteiten centraal. Bepaalde gebruiksactiviteiten die niet passen bij het landelijke karakter, de aanwezige waarden of de bestaande functies van het buitengebied, zijn daarom niet wenselijk of passend binnen dit gebiedstype. Hiermee wordt bijgedragen aan een zorgvuldige inrichting en een duurzame ontwikkeling van het buitengebied.
Artikel 4.39 Doelen bepaalt welke doelen gelden voor activiteiten in het Buitengebied. Deze doelen zijn gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen en versterken van de kwaliteiten van het buitengebied. Daarbij gaat het onder meer om het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat, de bescherming van natuur, landschap, cultureel erfgoed, water en milieu, en het behoud van bosareaal en natuurlijke hulpbronnen.
Daarnaast zijn de doelen gericht op het bevorderen van een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving, waaronder het tegengaan van klimaatverandering en het aanpassen aan de gevolgen daarvan. Door deze doelen expliciet te benoemen wordt richting gegeven aan de toepassing van de regels die gelden voor activiteiten in het Buitengebied en de afweging van belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
In Artikel 4.40 Aanwijzing wordt een functioneel gebiedstype aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing Kern wordt een gebied aangewezen als één van de kernen in de gemeente Peel en Maas. In dit omgevingsplan zijn meerdere gebiedstypen aangewezen, die zich in functioneel opzicht van elkaar onderscheiden. Deze worden afzonderlijk van elkaar aangewezen in afdeling 4.2 Gebiedstypen. Met deze gebiedstypen worden bepaalde gebruiksactiviteiten in een gebied uitgesloten, teneinde te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In Artikel 4.41 Doelen zijn de doelen opgenomen die specifiek gelden voor het gebiedstype Kern. Deze doelen zijn een nadere uitwerking van de doelen zoals genoemd in Artikel 2.1 Doelen omgevingsplan en vormen het kader voor de regels die binnen dit gebiedstype van toepassing zijn.
Het gebiedstype Kern omvat de bestaande dorpen binnen de gemeente Peel en Maas. Deze gebieden kenmerken zich door een concentratie van woonfuncties, voorzieningen, maatschappelijke functies, dienstverlening en andere activiteiten die bijdragen aan de leefbaarheid van de kernen. De in dit artikel opgenomen doelen geven richting aan de ontwikkeling, het gebruik en de bescherming van deze gebieden.
De doelen zijn gericht op het waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het beschermen van een goed woon- en leefklimaat voor bewoners en gebruikers van de kern. Daarnaast wordt ingezet op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid. Ook het behoud en de versterking van stedenbouwkundige kwaliteiten, karakteristieke bebouwingsstructuren en cultureel erfgoed vormen belangrijke uitgangspunten binnen dit gebiedstype.
Verder zijn de doelen gericht op een zorgvuldig gebruik van bouwwerken en het bevorderen van een toegankelijke openbare buitenruimte voor personen. Daarmee wordt bijgedragen aan vitale, leefbare en aantrekkelijke kernen, waarin verschillende functies op een verantwoorde wijze naast elkaar kunnen bestaan.
Door deze doelen te verbinden aan het gebiedstype Kern wordt geborgd dat ontwikkelingen bijdragen aan de kwaliteit, identiteit en leefbaarheid van de kernen en dat ongewenste effecten op de woonomgeving zoveel mogelijk worden voorkomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen de kernen van de gemeente Peel en Maas.
Artikel 4.42 Toepassingsbereik beschrijft dat de regels in deze paragraaf gaan over het bouwen en in stand houden van bouwwerken, en over andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid.
Artikel 4.43 Doelen bepaalt dat voor activiteiten met betrekking tot gezondheid drie doelen centraal staan: een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het beschermen van een goed woon- en leefklimaat en het beschermen van de gezondheid. Hiermee wordt geborgd dat bij ontwikkelingen en activiteiten in de fysieke leefomgeving de mogelijke effecten op de gezondheid en de kwaliteit van de leefomgeving worden betrokken. Het werkingsbereik van dit artikel richt zich op activiteiten waarbij gezondheidsaspecten een rol spelen, zodat inzichtelijk is wanneer deze doelen bij de beoordeling van een activiteit moeten worden meegewogen.
Artikel 4.44 Activiteiten in een gebied met spuitvrije zone vervult een richtinggevende en ordenende functie binnen het omgevingsplan. Het artikel geeft aan welke bepalingen uit de hoofdstukken 5 Gebruiksactiviteiten, 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van toepassing zijn op activiteiten in een Spuitvrije zone. De inhoudelijke toetsing van deze activiteiten vindt plaats aan de hand van de aldaar opgenomen regels.
Artikel 4.45 Toepassingsbereik beschrijft dat de regels in deze paragraaf gaan over het bouwen en in stand houden van bouwwerken, en over andere activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het landschap.
Artikel 4.46 Doelen bepaalt welke doelen gelden voor activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit en beleving van het landschap in de fysieke leefomgeving. Deze doelen zijn gericht op het behouden en versterken van de landschappelijke waarden, zoals ruimtelijke samenhang, herkenbaarheid en biodiversiteit, en op het zorgvuldig inpassen van nieuwe ontwikkelingen.
Artikel 4.47 Activiteiten in gebied met beschermingswaardige houtopstand vervult een richtinggevende en ordenende functie binnen het omgevingsplan. Het artikel geeft aan welke bepalingen uit de hoofdstukken 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van toepassing zijn op activiteiten ter plaatse van Beschermingswaardige houtopstand. De inhoudelijke toetsing van deze activiteiten vindt plaats aan de hand van de aldaar opgenomen regels.
Artikel 4.48 Activiteiten in gebied met landschappelijk inpassingsplan vervult een richtinggevende en ordenende functie binnen het omgevingsplan. Het artikel geeft aan welke bepalingen uit de hoofdstukken 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van toepassing zijn op activiteiten ter plaatse van Landschappelijke inpassing. De inhoudelijke toetsing van deze activiteiten vindt plaats aan de hand van de aldaar opgenomen regels.
Artikel 4.49 Activiteiten in gebied met beeldkwaliteitsplan vervult een richtinggevende en ordenende functie binnen het omgevingsplan. Het artikel geeft aan welke bepalingen uit de hoofdstukken 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van toepassing zijn op activiteiten ter plaatse van een Beeldkwaliteitsplan. De inhoudelijke toetsing van deze activiteiten vindt plaats aan de hand van de aldaar opgenomen regels.
Artikel 4.54 Toepassingsbereik beschrijft dat de regels in deze paragraaf gaan over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor water en watersystemen.
Artikel 4.55 Doelen bepaalt welke doelen gelden voor activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor water en watersystemen. Deze doelen zijn gericht op het beschermen van de waterkwaliteit, het waarborgen van waterveiligheid en het duurzaam functioneren van watersystemen in de fysieke leefomgeving.
Artikel 4.56 Activiteiten in een waterberging vervult een richtinggevende en ordenende functie binnen het omgevingsplan. Het artikel geeft aan welke bepalingen uit de hoofdstukken 6 Bouwactiviteiten, 7 Milieuactiviteiten, 8 Aanlegactiviteiten en 9 Sloopactiviteiten van toepassing zijn op activiteiten ter plaatse van een Waterberging. De inhoudelijke toetsing van deze activiteiten vindt plaats aan de hand van de aldaar opgenomen regels.
Artikel 5.1 Toepassingsbereik bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in dit hoofdstuk gelden. In hoofdstuk 5 Gebruiksactiviteiten worden regels gesteld over gebruiksactiviteiten. Het gaat om het gebruik van zowel gronden als bouwwerken.
Artikel 5.2 Toegestane activiteiten voor gebruik bepaalt wanneer het gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan en hoe dit gebruik moet worden getoetst. Het artikel legt vast dat gronden en bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt op een wijze die past binnen de aan een locatie toegekende functie en binnen de algemene gebruiksregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Hiermee vormt dit artikel het fundament voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het eerste lid bepaalt dat het alleen is toegestaan om gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die in overeenstemming is met een onder afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies aan een locatie gegeven functie of functies en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in niet in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in afdeling 5.2 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken. In afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies wordt geregeld waar welke functie geldt. Aan een locatie kunnen meerdere functies zijn gegeven. Met betrekking tot de functie worden ook regels gesteld over het gebruik. Hetzelfde geldt voor de regels over gebruik die zijn gesteld in afdeling 5.2 Algemene regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Ook die regels moeten op grond van dit eerste lid in acht worden genomen. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten, zoals gesteld in hoofdstuk 7 Milieuactiviteiten.
Het tweede lid geeft aan welk medegebruik binnen een functie standaard is toegestaan naast het hoofdgebruik. Het betreft ondersteunende functies die bijdragen aan een logisch, functioneel en samenhangend gebruik van gronden en bouwwerken. Het dat naast het hoofdgebruik - zoals vastgelegd in afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies - ook het gebruik voor tuinen, erven en terreinen, groenvoorzieningen, paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, en boven- en ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen is toegestaan, tenzij anders bepaald.
De meeste regels in dit omgevingsplan gaan op termijn gelden voor het hele grondgebied van de gemeente Peel en Maas. We noemen dit het Ambtsgebied. De gemeente Peel en Maas staat voor de opgave om alle ruimtelijke regels en bruidsschatregels in het tijdelijke omgevingsplan te verhuizen naar het nieuwe (permanente) omgevingsplan. Het nieuwe (permanente) omgevingsplan moet uiterlijk in 2032 af zijn. We bouwen het nieuwe omgevingsplan stap voor stap op, per thema of per gebied. We noemen dit de transitiefase. De geometrische begrenzing van de locatie Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking zal steeds kleiner worden naarmate de transitiefase vordert. Op het moment dat alle regels uit het tijdelijke omgevingsplan overgeheveld zijn naar het nieuwe deel, zullen de meeste regels gaan gelden voor het hele Ambtsgebied van de gemeente. Dit betekent dat de geometrische begrenzing Ruimtelijke regels tijdelijk deel nog in werking te zijner tijd komt te vervallen.
Artikel 5.3 Strijdig gebruik bepaalt welk gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval in strijd is met het omgevingsplan. Het geeft daarmee duidelijkheid over ongewenste functies en activiteiten die niet passen binnen de ruimte toegedeelde functies.
Artikel 5.4 Toepassingsbereik geeft aan in welke situaties de parkeerregels uit deze paragraaf van toepassing zijn. De regels gelden in het hele ambtsgebied, wat betekent dat zij betrekking hebben op locaties waar het omgevingsplan parkeereisen in relatie tot het gebruik van gronden en bouwwerken stelt. Het artikel bepaalt dat de verplichting om in voldoende mate te voorzien in parkeerruimte geldt bij het wijzigen van het gebruik van bouwwerken en/of gronden.
Artikel 5.5 Algemene regels bevat de algemene gebruiksregels over parkeren. Ze hebben betrekking op de wijze waarop functies in het gebied kunnen worden gebruikt zonder dat dit leidt tot ongewenste parkeerdruk. Het artikel geeft daarmee nadere invulling aan het principe dat gebruik van gronden alleen is toegestaan wanneer dit ruimtelijk aanvaardbaar is.
Artikel 5.6 Maatwerkvoorschriften bepaalt dat het bevoegd gezag voor een concreet geval met een omgevingsvergunning kan afwijken van de algemene regels van Artikel 5.5 Algemene regels, wanneer dat noodzakelijk is en past binnen de criteria uit hoofdstuk 4 van de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 of een opvolgende beleidsregel. Deze bepaling biedt ruimte om af te wijken in situaties waarin de standaard parkeernormen niet goed aansluiten op de lokale omstandigheden of het specifieke karakter van het beoogde gebruik, terwijl tegelijk wordt geborgd dat afwijkingen altijd zorgvuldig en beleidsmatig verantwoord worden genomen. Zo ontstaat een balans tussen rechtszekerheid, flexibiliteit en een doelmatige toepassing van parkeereisen.
Artikel 5.7 Toepassingsbereik geeft aan in welke situaties regels over evenementen uit deze paragraaf van toepassing zijn.
Artikel 5.8 Algemene regels regelt het maximaal toegestane aantal evenementen en het maximaal aantal dagen dat evenementen inclusief op- en afbouw mogen duren. Hiermee wordt gestuurd op de balans tussen levendigheid en leefbaarheid, en wordt voorkomen dat evenementen tot onevenredige belasting van de omgeving leiden.
Het eerste lid bepaalt dat het aantal evenementen per locatie niet hoger mag zijn dan de ter plaatse aangegeven omgevingsnorm, zodat duidelijk is hoeveel activiteiten binnen een gebied acceptabel zijn zonder dat dit leidt tot overlast, verstoring van het normale gebruik of aantasting van de leefomgeving. De norm biedt ruimte voor evenementen, maar binnen beheersbare grenzen.
Het tweede lid stelt dat de duur van een evenement, inclusief op- en afbouw, niet langer mag zijn dan het maximaal toegestane aantal dagen zoals ter plaatse aangegeven. Deze beperking zorgt ervoor dat tijdelijke activiteiten niet te langdurig beslag leggen op de openbare ruimte of op de rust in de omgeving, en borgt daarmee de leefbaarheid, veiligheid en een ordentelijk verloop van activiteiten.
Artikel 5.9 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat het zonder omgevingsvergunning verboden is om ter plaatse van Agrarisch - Landbouw gronden en bouwwerken te gebruiken voor incidentele evenementen. Hiermee wordt geborgd dat activiteiten die niet passen binnen het reguliere agrarische gebruik vooraf kunnen worden getoetst op hun ruimtelijke en milieukundige effecten. Het werkingsbereik van dit artikel is beperkt tot de agrarische gronden waar deze specifieke agrarische functie van toepassing is, zodat in de viewer duidelijk herkenbaar is waar de vergunningplicht geldt. Door incidentele evenementen vergunningplichtig te stellen, wordt voorkomen dat verstoringen van het agrarische karakter, ongewenste hinder of oneigenlijk gebruik ongecontroleerd ontstaan.
Artikel 5.10 Beoordelingsregels bepaalt onder welke voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het houden van incidentele evenementen ter plaatse van Agrarisch - Landbouw. Daarmee wordt richting gegeven aan de beoordeling door het bevoegd gezag en wordt inzichtelijk welke criteria gelden om het agrarische karakter van het gebied te beschermen. Het werkingsbereik van dit artikel is beperkt tot die locaties waar de functie Agrarisch - Landbouw van toepassing is, waardoor in de viewer duidelijk zichtbaar is waar deze beoordelingsregels gelden. Door voorwaarden te stellen aan onder meer de duur en frequentie van evenementen, het behoud van aanwezige waarden, de bedrijfsvoeringmogelijkheden van omliggende functies, de verkeerssituatie en de mogelijkheid om nadere voorschriften te verbinden, wordt geborgd dat incidentele evenementen slechts kunnen plaatsvinden wanneer zij ruimtelijk aanvaardbaar zijn en geen onevenredige hinder of aantasting veroorzaken.
Artikel 5.11 Toepassingsbereik geeft aan op welke locaties en op welke gebruiksactiviteiten de regels uit deze paragraaf van toepassing zijn. De paragraaf geldt specifiek ter plaatse van een Spuitvrije zone. Dit zijn zones waar beperkingen gelden voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, vanwege de nabijheid van functies die gevoelig zijn voor blootstelling aan deze middelen, zoals woningen.
Artikel 5.12 Oogmerk beschrijft het oogmerk van de regels binnen deze paragraaf. Het maakt duidelijk welke belangen worden beschermd en welke doelen worden nagestreefd bij het reguleren van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen spuitvrije zones. Door expliciet vast te leggen waarom deze regels gelden, wordt inzichtelijk gemaakt hoe zij bijdragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het beschermen van een goed woon- en leefklimaat en het beschermen van de gezondheid van personen die zich binnen of nabij deze zones bevinden.
Artikel 5.13 Algemene regels bevat een gebruiksregel voor gronden die zijn gelegen binnen een Spuitvrije zone. Het artikel bepaalt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen deze zone niet is toegestaan.
Deze bepaling is bedoeld om blootstelling van omwonenden en andere aanwezigen aan gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te voorkomen. Door het gebruik van deze middelen binnen de aangewezen zone uit te sluiten, wordt beoogd de gezondheid te beschermen en een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. De regel draagt daarmee bij aan een zorgvuldige afweging tussen agrarische activiteiten en de bescherming van nabijgelegen gevoelige functies.
Artikel 5.14 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning af te wijken van het verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een Spuitvrije zone. Hiermee wordt geborgd dat een afwijking van de algemene regel slechts mogelijk is na een voorafgaande beoordeling door het bevoegd gezag. Door deze vergunningplicht kan per situatie worden beoordeeld of het voorgenomen gebruik aanvaardbaar is in relatie tot de bescherming van de gezondheid en het woon- en leefklimaat.
Artikel 5.15 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen een Spuitvrije zone. Het artikel bepaalt dat een vergunning uitsluitend kan worden verleend wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag de mogelijke nadelige effecten van driftblootstelling op de gezondheid aanvaardbaar zijn. Hierbij wordt in het bijzonder gekeken naar de gevolgen voor objecten en locaties waar mensen langdurig aanwezig zijn of kunnen verblijven, zoals woningen, tuinen, scholen of andere gevoelige functies. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat een eventuele afwijking van het verbod niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid.
Artikel 5.16 Aanvraagvereisten bepaalt welke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt. De aanvrager moet in ieder geval een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoeksrapportage overleggen waarin de gezondheidsrisico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden onderzocht. Deze rapportage stelt het bevoegd gezag in staat om de mogelijke effecten van driftblootstelling op de omgeving en aanwezige gevoelige functies te beoordelen. Het aanvraagvereiste waarborgt daarmee dat vergunningaanvragen zorgvuldig worden onderbouwd en dat de belangen van gezondheid en een goed woon- en leefklimaat volwaardig kunnen worden meegewogen in de besluitvorming.
Artikel 5.17 Toepassingsbereik geeft aan dat de regels uit deze paragraaf gelden ter plaatse van Kleinschalig kamperen. De paragraaf is van toepassing op gebruiksactiviteiten waarbij gronden worden gebruikt voor kleinschalig kamperen. Hiermee is duidelijk wanneer en waar de regels voor deze recreatieve nevenactiviteit van toepassing zijn.
Artikel 5.18 Oogmerk beschrijft het doel van de regels voor kleinschalig kamperen. De regels zijn gericht op het mogelijk maken van recreatief medegebruik, waarbij een goede balans wordt behouden tussen recreatie, een goed woon- en leefklimaat en het behoud van landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit.
Artikel 5.19 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat het gebruik van gronden voor kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan met een omgevingsvergunning. Hierdoor kan vooraf worden beoordeeld of het initiatief passend is op de betreffende locatie en voldoet aan de gestelde voorwaarden.
Artikel 5.20 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor kleinschalig kamperen. Daarbij wordt beoordeeld of sprake is van een ondergeschikte recreatieve activiteit die ruimtelijk en landschappelijk goed wordt ingepast. Ook wordt getoetst of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van onder meer het woon- en leefklimaat, de verkeersveiligheid, milieukwaliteit, natuur- en landschapswaarden en de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden. Daarnaast moet worden aangetoond dat geen significant negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Hiermee wordt geborgd dat kleinschalig kamperen op een zorgvuldige wijze in de omgeving wordt ingepast.
Artikel 5.21 Toepassingsbereik bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is ter plaatse van een Waterberging. De regels gelden voor gebruiksactiviteiten die samenhangen met de woonfunctie. Hiermee is duidelijk op welke locaties en voor welke activiteiten de eisen ten aanzien van waterberging en hemelwateropvang van toepassing zijn.
Artikel 5.22 Algemene regels bevat voorwaarden voor het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van een Waterberging. Het artikel waarborgt dat ontwikkelingen gepaard gaan met voldoende voorzieningen voor de opvang en berging van hemelwater, overeenkomstig de eisen van het waterschap. Daarbij worden eisen gesteld aan de omvang van de waterberging, zowel in de openbare ruimte als op particulier terrein, en aan de realisatie en instandhouding van de benodigde waterhuishoudkundige voorzieningen. Hiermee wordt beoogd wateroverlast te voorkomen en een robuust en toekomstbestendig watersysteem te realiseren.
Artikel 5.23 Toepassingsbereik bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op gebruiksactiviteiten ter plaatse van een Beschermingswaardige houtopstand. Hiermee is duidelijk op welke locaties de specifieke beschermingsregels voor waardevolle bomen en andere houtopstanden gelden.
Artikel 5.24 Oogmerk beschrijft het doel van de regels binnen deze paragraaf. De regels zijn gericht op het beschermen van landschappelijke waarden door het behoud van houtopstanden die vanwege hun ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische of beeldbepalende betekenis van waarde zijn voor de omgeving.
Artikel 5.25 Algemene regels bepaalt dat beschermingswaardige houtopstanden behouden en beschermd moeten worden. Hiermee wordt geborgd dat deze waardevolle landschapselementen duurzaam in stand blijven en hun bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit, het landschap en de leefomgeving behouden blijft.
Artikel 5.26 Toepassingsbereik bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op gebruiksactiviteiten ter plaatse van Landschappelijke inpassing. Hiermee is duidelijk op welke locaties de specifieke regels voor de aanleg en instandhouding van landschappelijke inpassingsmaatregelen gelden.
Artikel 5.27 Oogmerk beschrijft het doel van de regels binnen deze paragraaf. De regels zijn gericht op het beschermen van landschappelijke waarden door te waarborgen dat ontwikkelingen op een zorgvuldige wijze worden ingepast in het landschap.
Artikel 5.28 Algemene regels bepaalt dat het gebruik van de gronden en bouwwerken overeenkomstig de toegedeelde functies uitsluitend is toegestaan indien de voorgeschreven landschappelijke inpassing overeenkomstig het Landschappelijk inpassingsplan Meuleveld Maasbree binnen de gestelde termijn wordt gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden. Hiermee wordt geborgd dat de ruimtelijke ontwikkeling blijvend landschappelijk wordt ingepast en de landschappelijke kwaliteit van de omgeving behouden blijft.
Artikel 5.29 Toepassingsbereik
In afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies worden functies aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze subparagraaf bevat regels over agrarische landbouw. Artikel 5.29 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Artikel 5.30 Algemene regels geeft de algemene gebruiksregels voor gronden en bouwwerken binnen de functie Agrarisch - Landbouw. Het artikel verduidelijkt welke gebruiksactiviteiten wel en niet zijn toegestaan, met als doel een passend, doelmatig en ruimtelijk aanvaardbaar gebruik van het agrarisch gebied te borgen.
Artikel 5.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 5.31 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat voor het gebruik van gronden voor een paardrijbak of containervelden een omgevingsvergunning vereist is. Met deze vergunningplicht wordt geborgd dat vooraf kan worden beoordeeld of deze gebruiksvormen passen binnen de agrarische functie van het gebied en geen onevenredige gevolgen hebben voor de omgevingskwaliteit. Daarbij kan onder meer rekening worden gehouden met effecten op het landschap, het woon- en leefklimaat, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling.
Artikel 5.32 Beoordelingsregels
Artikel 5.32 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor een paardrijbak of containervelden. Voor een paardrijbak wordt onder meer beoordeeld of deze direct aansluitend aan een bouwvlak wordt gerealiseerd, qua omvang en uitvoering passend is in de omgeving en geen onevenredige aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat, natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden of de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden. Daarnaast moet worden aangetoond dat geen significant negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden.
Voor containervelden wordt beoordeeld of deze zijn gelegen op de daarvoor aangewezen locaties, of een adequate afvoer van hemelwater is verzekerd en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en abiotische waarden. Daarnaast moet de ontwikkeling bijdragen aan de verbetering van de omgevingskwaliteit door middel van een landschappelijke inpassing en eventuele andere kwaliteitsverbeterende maatregelen. Hiermee wordt een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van beide gebruiksvormen gewaarborgd.
Artikel 5.33 Toepassingsbereik
Artikel 5.33 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op gebruiksactiviteiten ter plaatse van de functie Openbaar gebied. Hiermee is duidelijk welke regels gelden voor het gebruik, beheer en onderhoud van de verschillende onderdelen van de openbare ruimte.
Artikel 5.34 Algemene regels bevat de gebruiksregels voor gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie Openbaar gebied.
Het eerste lid staat toe dat gronden en bouwwerken worden gebruikt voor het beheren, onderhouden en benutten van algemene voorzieningen binnen het openbaar toegankelijk gebied, zoals bermen, beplanting, paden, nutsvoorzieningen, kunstwerken, waterpartijen, terrassen, standplaatsen, calamiteitenontsluitingen en straatmeubilair. Hiermee wordt het normale functioneren van de openbare ruimte geborgd.
Het tweede lid bepaalt dat speelvoorzieningen, jongerenontmoetingsplaatsen en hondenuitlaatplaatsen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de functie Groen. Deze voorzieningen zijn primair gericht op verblijf en recreatief gebruik en passen daarom beter binnen groene verblijfsgebieden dan binnen verkeersruimten.
Het derde lid bepaalt dat parkeervoorzieningen en vervoersvoorzieningen, zoals bushokjes en abri's, uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de functie Verkeer. Deze voorzieningen houden direct verband met de verkeersfunctie van een gebied en worden daarom geconcentreerd op daarvoor geschikte locaties.
Het vierde lid bepaalt dat parken en dagrecreatief medegebruik uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de functie Groen. Hiermee wordt geborgd dat recreatieve en verblijfsgerichte activiteiten plaatsvinden op locaties die hiervoor zijn ingericht.
Het vijfde lid bepaalt dat wegen, straten en verkeerspleinen met hoofdzakelijk een verkeersfunctie uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de functie Verkeer. Hiermee wordt een duidelijke scheiding aangebracht tussen verkeersfuncties en andere vormen van gebruik binnen de openbare ruimte en wordt de verkeerskundige structuur van het gebied gewaarborgd.
Artikel 5.35 Toepassingsbereik
In afdeling 5.3 Gebruiksregels over functies worden functies aan locaties gegeven, wordt bepaald welk gebruik daar is toegestaan, en worden regels over het gebruik gegeven. Deze paragraaf bevat regels over woonactiviteiten. Artikel 5.35 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van de regels in dit onderdeel.
Artikel 5.36 Algemene regels bevat de gebruiksregels voor gronden en bouwwerken met de functie Wonen. Het artikel bepaalt dat deze gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor wonen en, onder voorwaarden, voor een beroep of bedrijf aan huis. Daarnaast wordt geborgd dat vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet voor bewoning mogen worden gebruikt. Verder is ter plaatse van Gemeenschappelijke ruimte maximaal één gemeenschappelijke ruimte toegestaan. Hiermee wordt het woonkarakter van het gebied beschermd en wordt duidelijkheid geboden over de toegestane vormen van gebruik.
Artikel 5.37 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Artikel 5.37 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bepaalt dat voor het gebruik van een woning of bijbehorend bouwwerk ten behoeve van kamerverhuur en voor het exploiteren van een nieuwe bed and breakfast een omgevingsvergunning is vereist. Hiermee kan vooraf worden beoordeeld of deze vormen van gebruik passen binnen de woonomgeving en geen onevenredige gevolgen hebben voor de omgeving.
Artikel 5.38 Beoordelingsregels
Artikel 5.38 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor kamerverhuur en een bed and breakfast. Daarbij wordt beoordeeld of het gebruik past binnen het woonkarakter van de omgeving, geen onevenredige overlast veroorzaakt en voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Voor een bed and breakfast gelden daarnaast aanvullende voorwaarden om te waarborgen dat de woonfunctie behouden blijft en geen zelfstandige woning ontstaat. Ook wordt beoordeeld of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid, het woon- en leefklimaat, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Hiermee wordt geborgd dat deze functies op een verantwoorde wijze in de woonomgeving worden ingepast.
Artikel 5.39 Toepassingsbereik
Artikel 5.39 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op gebruiksactiviteiten waarbij een woning of bijbehorende bouwwerken worden gebruikt voor een beroep aan huis of bedrijf aan huis. Hiermee is duidelijk onder welke voorwaarden beroeps- en bedrijfsactiviteiten binnen de woonfunctie zijn toegestaan.
Artikel 5.40 Algemene regels bevat de voorwaarden waaronder een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan. Het artikel beperkt deze mogelijkheid tot beroepen en bedrijven die naar aard, omvang en uitstraling passen binnen een woonomgeving. Daarbij geldt dat de woonfunctie de hoofdfunctie moet blijven, de activiteiten ondergeschikt moeten zijn aan het wonen en geen onevenredige hinder of parkeerdruk mogen veroorzaken.
Daarnaast stelt het artikel voorwaarden aan de omvang van de activiteiten, de parkeerbehoefte, reclame-uitingen, opslag, detailhandel en internetverkoop. Hiermee wordt geborgd dat beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis mogelijk zijn, zonder dat het woonkarakter van de woning, het perceel of de omgeving onevenredig wordt aangetast.
Artikel 6.1 Toepassingsbereik bepaalt dat dit hoofdstuk van toepassing is op het verrichten van bouwactiviteiten. Dit omvat het bouwen, in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk (zonder vergunningplicht), het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt verstaan het bouwen van een bouwwerk, en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Centraal in dit hoofdstuk staan activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken. Wat een 'bouwwerk' is, wordt bepaald door de in de Omgevingswet opgenomen begripsomschrijving. Het gaat om een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties, anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
Artikel 6.2 Toegestane activiteiten voor bouwen bevat de algemene regels voor het uitvoeren van bouwactiviteiten en bepaalt onder welke voorwaarden bouwen is toegestaan binnen het omgevingsplan. Het artikel zorgt voor samenhang tussen bouwactiviteiten en de toegestane ruimtelijke functies, en regelt hoe wordt omgegaan met situaties waarin tijdelijke of specifieke ruimtelijke regimes gelden. Hiermee wordt geborgd dat bouwen plaatsvindt binnen de geldende planologische kaders en blijft de ruimtelijke ordening inzichtelijk, consistent en handhaafbaar.
Het eerste lid stelt als hoofdregel dat bouwactiviteiten alleen zijn toegestaan als zij expliciet zijn opgenomen in het omgevingsplan en als het beoogde gebruik van het bouwwerk op die locatie is toegestaan. Hiermee wordt een directe koppeling gelegd tussen bouwen en gebruik, waardoor wordt voorkomen dat bouwwerken worden gerealiseerd voor functies die planologisch niet zijn toegestaan. Dit draagt bij aan een consistente ruimtelijke ontwikkeling en voorkomt ongewenste of strijdige bouwinitiatieven.
Het tweede lid regelt een uitzondering voor locaties waar het tijdelijk deel van het omgevingsplan nog van kracht is. In die gevallen wordt aangesloten bij de regels van het voor die locatie geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan, ook als deze afwijken van de bouwregels in dit hoofdstuk. Hiermee wordt een zorgvuldige overgang geborgd tussen oude en nieuwe planologische regimes en wordt rechtszekerheid geboden zolang het tijdelijke deel nog van toepassing is.
Het derde lid vult de voorgaande regels aan voor gebieden waarvoor een TAM-IMRO omgevingsplan is vastgesteld en bepaalt dat bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken uitsluitend is toegestaan in overeenstemming met de daarin opgenomen ruimtelijke regels. Hiermee krijgt het TAM-IMRO omgevingsplan een aanvullend en leidend karakter voor deze locaties en wordt voorkomen dat tegenstrijdige regimes naast elkaar bestaan. De bepaling zorgt voor duidelijkheid, samenhang en naleving van de specifieke ruimtelijke keuzes die in het TAM-IMRO omgevingsplan zijn vastgelegd.
Artikel 6.4 Maatwerkvoorschriften bouwen geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om in specifieke gevallen aanvullende voorschriften te stellen over de plaats, afmetingen en inrichting van bouwwerken en functievlakken. Van deze bevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt wanneer de algemene bouwregels onvoldoende waarborgen bieden voor een goed woon- en leefklimaat, de bescherming van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende locaties, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit of een goede landschappelijke inpassing. Hiermee wordt voorzien in de noodzakelijke flexibiliteit om rekening te houden met locatiespecifieke omstandigheden.
In Artikel 6.5 Toepassingsbereik is bepaald dat afdeling 6.2 Omgevingsplanactiviteit bouwen van een bouwwerk van toepassing is op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. In de begripsbepalingen is een omschrijving gegeven van wat wordt verstaan onder een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het gaat om een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Artikel 6.6 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk wanneer beoordelingsregels gelden voor bouwactiviteiten die betrekking hebben op ondergronds bouwen. De bepaling regelt dat deze subparagraaf uitsluitend van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot ondergronds bouwactiviteiten, voor zover het initiatief niet past binnen de algemene regels van Artikel 6.39 Algemene regels. Hiermee wordt geborgd dat eerst wordt getoetst aan het reguliere beoordelingskader en dat pas wanneer daarin geen ruimte bestaat, een nadere afweging met beoordelingsregels plaatsvindt.
Artikel 6.7 Beoordelingsregels
Artikel 6.7 Beoordelingsregels bevat de beoordelingsregels voor ondergrondse bouwactiviteiten en bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend wanneer de ondergrondse bouwdiepte maximaal 10 meter onder straatpeil blijft, de waterhuishouding niet wordt verstoord en geen afbreuk wordt gedaan aan aanwezige archeologische waarden.
Artikel 6.8 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk wanneer beoordelingsregels gelden voor bouwactiviteiten ter plaatse van de aangewezen locatie. De bepaling regelt dat deze subparagraaf uitsluitend van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken in de vorm van uitval/zonnescherm in openbaar toegankelijk gebied.
Artikel 6.9 Beoordelingsregels
Artikel 6.9 Beoordelingsregels bevat de beoordelingsregels voor het plaatsen van een terras in de vorm van een uitval of zonnescherm in openbaar gebied en bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend wanneer het scherm aan de gevel wordt bevestigd, de hoogte en diepte elk niet meer bedragen dan 4 meter, en het bouwen geen onevenredig gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid of de verblijfsfunctie van de ruimte.
Artikel 6.10 Toepassingsbereik
Artikel 6.10 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk wanneer beoordelingsregels gelden voor bouwactiviteiten ter plaatse van de aangewezen locaties. De bepaling regelt dat deze subparagraaf uitsluitend van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken in de vorm van een jongerenontmoetingsplaats in openbaar gebied.
Artikel 6.11 Beoordelingsregels
Artikel 6.11 Beoordelingsregels bevat de beoordelingsregels voor het bouwen van een jongerenontmoetingsplaats in openbaar gebied en bepaalt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend wanneer het initiatief geen ernstige hinder voor het woonmilieu veroorzaakt of afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt, de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt en de oppervlakte niet groter is dan 20 m².
Artikel 6.12 Toepassingsbereik
Artikel 6.12 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk wanneer beoordelingsregels gelden voor bouwactiviteiten ter plaatse van de aangewezen locatie. De bepaling regelt dat deze subparagraaf uitsluitend van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken, waarbij wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Artikel 6.13 Beoordelingsregels
Artikel 6.13 Beoordelingsregels bevat de beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bepaalt dat een vergunning alleen kan worden verleend wanneer wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de beleidsregel Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018, waarbij in geval van wijziging van deze beleidsregel moet worden getoetst aan de meest actuele, opvolgende regeling om vast te stellen of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
Artikel 6.14 Toepassingsbereik
Artikel 6.14 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een tijdelijke hoge teeltondersteunende voorziening op locaties die als zodanig zijn aangewezen. Hiermee is duidelijk voor welke bouwactiviteiten en locaties de specifieke beoordelingsregels gelden.
Artikel 6.15 Beoordelingsregels
Artikel 6.15 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen. Daarbij wordt onder meer beoordeeld of wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte en oppervlakte, of de voorzieningen slechts tijdelijk aanwezig zijn en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden. Daarnaast moet de ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de omgevingskwaliteit door middel van een landschappelijke inpassing. Hiermee wordt een zorgvuldige ruimtelijke en landschappelijke inpassing van de voorzieningen gewaarborgd.
Artikel 6.16 Toepassingsbereik
Artikel 6.16 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een tijdelijke lage teeltondersteunende voorziening op locaties die als zodanig zijn aangewezen. Hiermee is duidelijk wanneer de specifieke beoordelingsregels voor deze voorzieningen van toepassing zijn.
Artikel 6.17 Beoordelingsregels
Artikel 6.17 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen. Daarbij wordt beoordeeld of de voorziening geen onevenredige aantasting veroorzaakt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden en of de voorziening uitsluitend gedurende een beperkte periode aanwezig is. Daarnaast moet de ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de omgevingskwaliteit door middel van een landschappelijke inpassing. Hiermee wordt geborgd dat tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen zorgvuldig worden ingepast in het buitengebied.
Artikel 6.18 Toepassingsbereik
Artikel 6.18 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuilgelegenheid ter plaatse van Agrarisch - Landbouw. Hiermee is duidelijk voor welke bouwactiviteiten en locaties de specifieke beoordelingsregels voor schuilgelegenheden gelden.
Artikel 6.19 Beoordelingsregels
Artikel 6.19 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor het bouwen van een schuilgelegenheid. Daarbij wordt beoordeeld of de omvang en situering van de schuilgelegenheid passend zijn bij het perceel en of de noodzaak vanuit dierenwelzijn is aangetoond. Daarnaast wordt getoetst of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, archeologische, abiotische en cultuurhistorische waarden, het woon- en leefklimaat, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Ook moet de schuilgelegenheid zorgvuldig in het landschap worden ingepast en mag deze niet worden gebruikt voor opslag. Hiermee wordt geborgd dat schuilgelegenheden functioneel noodzakelijk zijn en ruimtelijk verantwoord worden gerealiseerd.
Artikel 6.20 Toepassingsbereik
Artikel 6.20 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoogzit ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied. Hiermee is duidelijk voor welke bouwactiviteiten en locaties de specifieke beoordelingsregels gelden.
Artikel 6.21 Beoordelingsregels
Artikel 6.21 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor het bouwen van een hoogzit. Daarbij wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden. Hiermee wordt geborgd dat hoogzitten functioneel kunnen worden gerealiseerd zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van het buitengebied.
Artikel 6.22 Toepassingsbereik
Artikel 6.22 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een voederberging of voederruif ter plaatse van Agrarisch - Landbouw in het Buitengebied. Hiermee is duidelijk wanneer de specifieke beoordelingsregels voor deze bouwwerken van toepassing zijn.
Artikel 6.23 Beoordelingsregels
Artikel 6.23 Beoordelingsregels bevat het toetsingskader voor aanvragen voor het bouwen van een voederberging of voederruif. Daarbij wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de maximale inhoud en bouwhoogte en of geen onevenredige aantasting plaatsvindt van natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden. Hiermee wordt verzekerd dat deze voorzieningen qua omvang en uitstraling passend zijn binnen het agrarisch gebied en het landschap van het buitengebied.
Artikel 6.24 Toepassingsbereik bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en regels bevat over bouwwerken. In deze afdeling zijn ruimtelijke regels opgenomen over waar bouwwerken zijn toegestaan, en in welke omvang. Of er wel of geen vergunningplicht geldt voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken volgt uit afdeling 6.2 Omgevingsplanactiviteit bouwen van een bouwwerk.
Artikel 6.25 Toepassingsbereik
Artikel 6.25 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk dat de regels uitsluitend gelden voor bouwactiviteiten binnen de aangewezen locatie, voor zover het gaat om het bouwen van een woning. Hiermee wordt afgebakend dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op bouwinitiatieven die daadwerkelijk de bouw van een woning omvatten en niet op andere bouwwerken binnen dezelfde functie.
Artikel 6.26 Algemene regels bevat de bouwregels voor woningen. Het artikel bepaalt dat woningen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd, tenzij sprake is van vervangende nieuwbouw op een perceel zonder bouwvlak. Daarnaast worden de maximaal toegestane goothoogte, bouwhoogte en het toegestane woningtype geregeld via de ter plaatse geldende omgevingsnormen.
Verder biedt het artikel beperkte mogelijkheden om de voorgevelrooilijn of grenzen van het bouwvlak te overschrijden met ondergeschikte bouwdelen, zoals erkers, luifels en balkons.
Artikel 6.27 Toepassingsbereik
Artikel 6.27 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk dat de regels uitsluitend gelden voor bouwactiviteiten binnen de functie ‘openbaar gebied’, voor zover het gaat om het bouwen van een nutsvoorziening in openbaar toegankelijk gebied. Hiermee wordt afgebakend dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op bouwinitiatieven die daadwerkelijk de realisatie van een nutsvoorziening in de openbare ruimte omvatten en niet op andere bouwactiviteiten of bouwwerken binnen dezelfde functie.
Artikel 6.28 Algemene regels bevat de algemene bouwregels voor het realiseren van nutsvoorzieningen binnen het openbaar gebied. De bepalingen leggen maximale maatvoering vast voor bouwhoogte en oppervlakte, zodat nutsvoorzieningen functioneel kunnen worden uitgevoerd zonder het straatbeeld, de gebruikskwaliteit van de openbare ruimte of de ruimtelijke samenhang onevenredig te beïnvloeden.
Artikel 6.29 Toepassingsbereik
Artikel 6.29 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk dat de regels uitsluitend gelden voor bouwactiviteiten binnen de functies Verkeer en Verblijfsgebied, voor zover deze betrekking hebben op het bouwen van een openbaar vervoervoorziening in openbaar gebied. Hiermee wordt afgebakend dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op bouwinitiatieven die daadwerkelijk de realisatie van een openbaar vervoervoorziening omvatten en niet op andere bouwactiviteiten of bouwwerken binnen dezelfde functies.
Artikel 6.30 Algemene regels bevat de algemene regels voor het bouwen van openbaar vervoervoorzieningen in het openbaar gebied en bepaalt in één overzichtelijk kader dat dergelijke voorzieningen zijn toegestaan wanneer zij een bouwhoogte van maximaal 3,5 meter hebben en een oppervlakte van niet meer dan 15 m², zodat zij functioneel en herkenbaar blijven zonder het straatbeeld of de ruimtelijke kwaliteit onevenredig te belasten.
Artikel 6.31 Toepassingsbereik
Artikel 6.31 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die bestaan uit het bouwen van een gemeenschappelijke ruimte ter plaatse van Gemeenschappelijke ruimte. Hiermee is duidelijk voor welke bouwwerken en locaties de specifieke bouwregels voor gemeenschappelijke ruimten gelden.
Artikel 6.32 Algemene regels bevat de bouwregels voor een gemeenschappelijke ruimte. Het artikel stelt eisen aan de maximaal toegestane bouwhoogte en goothoogte door aan te sluiten bij de ter plaatse geldende omgevingsnormen. Hiermee wordt geborgd dat de gemeenschappelijke ruimte qua omvang en verschijningsvorm past binnen de omgeving en aansluit bij de beoogde ruimtelijke kwaliteit en bebouwingsstructuur van het gebied.
Artikel 6.33 Toepassingsbereik
Artikel 6.33 Toepassingsbereik bepaalt het toepassingsbereik van deze subparagraaf en maakt duidelijk dat de regels uitsluitend gelden voor bouwactiviteiten ter plaatse van de locatie Bijbehorend bouwwerk, voor zover het gaat om het bouwen van een bijbehorend bouwwerk. Hiermee wordt afgebakend dat deze subparagraaf alleen van toepassing is op bouwinitiatieven die de realisatie van een dergelijk bouwwerk omvatten en niet op andere bouwactiviteiten.
Artikel 6.34 Algemene regels bevat de maatvoeringseisen voor bijbehorende bouwwerken. Het artikel bepaalt dat de maximaal toegestane goothoogte en bouwhoogte worden begrensd door de ter plaatse geldende omgevingsnormen. Hiermee wordt geborgd dat bijbehorende bouwwerken qua omvang en uitstraling passend blijven binnen de ruimtelijke structuur en het bebouwingsbeeld van de omgeving.
Artikel 6.35 Toepassingsbereik
Artikel 6.35 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk dat is gelegen op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn. Hiermee is duidelijk in welke situaties de specifieke bouwregels voor bijbehorende bouwwerken achter de voorgevel van toepassing zijn.
Artikel 6.36 Algemene regels bevat regels voor de omvang van bijbehorende bouwwerken binnen de Kern. Het artikel begrenst zowel de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken als het bebouwingspercentage van het achtererfgebied. Hiermee wordt voorkomen dat percelen onevenredig worden volgebouwd en blijft voldoende ruimte aanwezig voor een goede ruimtelijke kwaliteit, gebruiksmogelijkheden en leefbaarheid.
Artikel 6.37 Toepassingsbereik
Artikel 6.37 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevelrooilijn. Hiermee is duidelijk wanneer de specifieke regels voor bijbehorende bouwwerken aan de voorzijde van een perceel gelden.
Artikel 6.38 Algemene regels bevat een beperking voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevelrooilijn binnen de Kern. Het artikel staat uitsluitend aangebouwde overkappingen toe, mits wordt voldaan aan een minimale afstand tot de perceelsgrens grenzend aan openbaar toegankelijk gebied. Hiermee wordt het open straatbeeld behouden en wordt voorkomen dat bouwwerken aan de voorzijde van percelen een onevenredige invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit en de verkeersveiligheid.
Artikel 6.39 Toepassingsbereik
Artikel 6.39 Toepassingsbereik bevat de algemene regels voor het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn, zoals speeltoestellen, hekwerken, masten of andere constructies zonder dak of gesloten ruimte, die gelden in deze subparagraaf. De regels geven aan wanneer deze subparagraaf van toepassing is, en wanneer specifieke onderdelen van het plan voorrang hebben. Daarmee wordt duidelijk afgebakend welke bouwwerken via dit artikel beoordeeld moeten worden, en welke via gespecialiseerde subparagrafen worden geregeld om overlapping of dubbel toetskader te voorkomen.
Het eerste lid bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op het bouwen van bouwwerken die geen gebouw zijn, zoals constructies zonder overdekte of omsloten ruimte, zodat duidelijk is welke objecten onder dit algemene toetsingskader vallen en hiermee een passende en eenduidige beoordeling kan plaatsvinden voor deze specifieke categorie bouwwerken.
Het tweede lid geeft aan dat de subparagraaf niet geldt voor een aantal specifieke bouwwerken - waaronder erfafscheidingen, voederruiven, vlaggen- en lichtmasten, voorzieningen rond paardrijbakken, zwembaden, sportoverkappingen en lichtmasten in openbaar gebied - omdat deze in afzonderlijke subparagrafen uitgebreider en meer passend zijn gereguleerd, waardoor dubbeling wordt voorkomen en het voor initiatiefnemers helder blijft welke specifieke regels van toepassing zijn op hun bouwactiviteit.
Artikel 6.40 Algemene regels bevat de algemene bouwregels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde. Deze regel bepaaalt welke bouwhoogte is toegestaan.
Het eerste lid stelt dat bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet hoger mogen zijn dan de ter plaatse aangegeven maximale bouwhoogte, zodat hun verschijningsvorm in schaal en hoogte aansluit bij de omgeving en ongewenste visuele dominantie of verstoring van het straat- en landschapsbeeld wordt voorkomen.
Artikel 6.41 Toepassingsbereik
Artikel 6.41 Toepassingsbereik bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die bestaan uit het plaatsen van erf- en terreinafscheidingen, zodat helder is dat uitsluitend deze specifieke categorie bouwwerken onder het regime van dit onderdeel valt. Door dit expliciet vast te leggen, wordt voorkomen dat andere bouwwerken onbedoeld onder deze regels worden beoordeeld en wordt een eenduidige en doelgerichte toetsing gewaarborgd, passend bij het relatief eenvoudige maar ruimtelijk zichtbare karakter van erfafscheidingen. Daarnaast is deze subparagraaf opgenomen omdat erf- en terreinafscheidingen afwijken van de in Artikel 6.33 Algemene regels opgenomen algemene regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, waardoor een afzonderlijke regeling noodzakelijk is om deze categorie op een passende manier te kunnen toestaan.
Artikel 6.42 Algemene regels bevat de algemene regels voor erf- en terreinafscheidingen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de situering ten opzichte van de voorgevellijn, de bouwhoogte en de locatie binnen agrarische gebieden. De bepalingen zorgen voor een zorgvuldig en gebiedsgericht gebruik van erfafscheidingen, zodat de ruimtelijke kwaliteit en het gewenste straat- of landschapbeeld behouden blijven.
Het eerste lid regelt dat erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn niet hoger mogen zijn dan de ter plaatse geldende omgevingsnorm, zodat binnen de meer besloten delen van het erf variatie mogelijk is, zonder dat erfafscheidingen uitgroeien tot dominante of gesloten structuren die het karakter van de omgeving verstoren.
Het tweede lid bepaalt dat op de locatie Agrarisch - Landbouw erf- en terreinafscheidingen alleen in een open constructie mogen worden geplaatst en binnen de daarbij horende maximale bouwhoogte moeten blijven, zodat de karakteristieke openheid van het landschap behouden blijft en tegelijk een functionele, agrarisch passende erfafbakening mogelijk is zonder verstoring van het ruimtelijke en landschappelijke beeld.
Het derde lid bepaalt dat erf- en terreinafscheidingen ter plaatse van Groene erf- en terreinafscheiding aan de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte zijde moeten zijn voorzien van groenblijvende beplanting. Hiermee wordt geborgd dat erfafscheidingen een groen en landschappelijk karakter behouden en bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het straatbeeld en de openbare ruimte. De regeling voorkomt dat harde of visueel dominante erfafscheidingen het beeld van de omgeving bepalen en draagt bij aan een groene en aantrekkelijke inrichting van de leefomgeving.
Artikel 6.43 Toepassingsbereik
Artikel 6.43 Toepassingsbereik bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op het plaatsen van lichtmasten rond een paardrijbak, zodat helder is dat uitsluitend deze functionele en locatiespecifieke voorzieningen onder deze regeling vallen. Door het toepassingsbereik zo expliciet te formuleren, wordt voorkomen dat andere soorten lichtmasten of veldverlichting onbedoeld onder deze regels worden geschaard en blijft de beoordeling gericht, eenduidig en passend bij de beperkte maar specifieke ruimtelijke impact van verlichting bij paardrijbakken. Daarnaast is deze subparagraaf opgenomen omdat lichtmasten rond een paardrijbak afwijken van de in Artikel 6.33 Algemene regels opgenomen algemene regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, waardoor een afzonderlijke regeling noodzakelijk is om deze categorie op een passende manier te kunnen toestaan.
Artikel 6.44 Algemene regels bepaalt dat lichtmasten rond een paardrijbak een maximale hoogte van 8 meter mogen hebben, zodat zij voldoende hoog zijn om de rijbak gelijkmatig te verlichten, maar niet zodanig hoog worden dat zij het landschap domineren, hinderlijke lichtverspreiding veroorzaken of afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Deze hoogtebegrenzing zorgt voor een evenwicht tussen functionele verlichting en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Artikel 6.45 Toepassingsbereik
Artikel 6.45 Toepassingsbereik bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op het plaatsen van omheiningen rond een paardrijbak, zodat helder is dat uitsluitend deze functionele, gebruiksgerichte voorzieningen onder deze regeling vallen. Door het toepassingsbereik expliciet vast te leggen, wordt voorkomen dat andere hekwerken of erfafscheidingen onbedoeld onder dezelfde regels worden beoordeeld en blijft de toetsing gericht, consistent en afgestemd op de specifieke ruimtelijke en gebruiksaspecten van omheiningen bij paardrijbakken.
Artikel 6.46 Algemene regels bepaalt dat omheiningen rond een paardrijbak maximaal 1,5 meter hoog mogen zijn, zodat zij hoog genoeg zijn om de veiligheid van ruiters en paarden te waarborgen, maar niet zodanig hoog of massaal worden dat zij het open karakter van het terrein verstoren of een te dominante verschijning krijgen. Deze hoogtebegrenzing zorgt voor een passend evenwicht tussen functionaliteit, veiligheid en een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Artikel 6.47 Toepassingsbereik
Artikel 6.47 Toepassingsbereik bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die bestaan uit het bouwen van een zwembad bij een woning. Hiermee is duidelijk voor welke bouwwerken en locaties de specifieke bouwregels voor zwembaden gelden.
Artikel 6.48 Algemene regels bevat de bouwregels voor zwembaden bij woningen. Het artikel bepaalt dat per bouwwerkperceel of bouwvlak maximaal één zwembad is toegestaan. Hiermee wordt geborgd dat zwembaden een ondergeschikt onderdeel blijven van de woonfunctie en wordt voorkomen dat een perceel onevenredig wordt bebouwd of gebruikt voor meerdere vergelijkbare voorzieningen. Tevens draagt deze regeling bij aan het behoud van de ruimtelijke kwaliteit en het woonkarakter van de omgeving.
Artikel 6.49 Toepassingsbereik
Artikel 6.49 Toepassingsbereik bepaalt dat de subparagraaf van toepassing is op het plaatsen van lichtmasten in openbaar gebied, zodat eenduidig is dat uitsluitend deze openbare, functionele verlichtingsvoorzieningen onder dit onderdeel van het plan vallen.
Artikel 6.50 Algemene regels geeft de maximale bouwhoogte voor lichtmasten in het openbaar gebied, zodat deze functioneel toepasbaar zijn zonder dat zij een onevenredige visuele of ruimtelijke impact hebben.
Artikel 6.51 Toepassingsbereik
Artikel 6.51 Toepassingsbereik geeft aan dat de subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die bestaan uit het uitvoeren van ondergrondse werken en werkzaamheden, voor zover deze geen bouwwerken zijn. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat juist deze ingrepen — zoals graafwerk, aanleg van leidingen, funderingswerkzaamheden of andere bodemverstoringen — onder dit toetsingskader vallen. Door dit toepassingsbereik expliciet te formuleren, wordt voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over welke ondergrondse activiteiten beoordeeld moeten worden en wordt geborgd dat mogelijke effecten op bodemkwaliteit, archeologie, infrastructuur en ondergrondse belangen op een consistente en zorgvuldige wijze worden meegewogen.
Artikel 6.52 Algemene regels bepaalt onder welke voorwaarden ondergrondse bouwwerken en werkzaamheden zijn toegestaan. De regels zorgen ervoor dat ondergrondse ingrepen ruimtelijk aanvaardbaar blijven, geen onevenredige risico’s veroorzaken en aansluiten bij de schaal en functie van het perceel.
Het eerste lid bepaalt dat ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan wanneer zij binnen het bouwvlak worden gerealiseerd of onder een bestaand hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk liggen, dat de totale ondergrondse oppervlakte niet groter mag zijn dan het bovengronds toegestane oppervlak vermeerderd met 15 m², en dat de bouwdiepte maximaal 4 meter onder straatpeil bedraagt. Deze voorwaarden zorgen ervoor dat ondergrondse bouw binnen de ruimtelijke kaders van het perceel blijft, voorkomen dat ondergrondse constructies qua schaal of impact uit de pas lopen met de bovengrondse situatie, en beperken risico’s zoals diepe ontgravingen, grondwaterproblemen, instabiliteit of ongewenste verstoring van bodemlagen. Zo blijft ondergronds bouwen functioneel mogelijk, maar op een veilige, proportionele en ruimtelijk verantwoorde manier.
Artikel 6.53 Toepassingsbereik
Artikel 6.53 Toepassingsbereik geeft aan dat de subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten in gebieden waar landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn gerealiseerd en waar de instandhouding daarvan is gewaarborgd, zodat helder is dat bouwactiviteiten in deze zones getoetst worden aan de aanwezigheid van deze maatregelen. Door dit toepassingsbereik expliciet af te bakenen, wordt voorkomen dat bouwwerkzaamheden afbreuk doen aan zorgvuldig aangelegde landschappelijke structuren, groenvoorzieningen of ruimtelijke kwaliteitsverbeteringen, en wordt geborgd dat de eerder afgesproken landschappelijke meerwaarde behouden blijft bij nieuwe ontwikkelingen.
Artikel 6.54 Algemene regels bevat de specifieke voorwaarde die geldt voor bouwactiviteiten binnen het gebied waar het een landschappelijke inpassingsplan van toepassing is. Hiermee wordt geborgd dat de ruimtelijke kwaliteit die met dit plan is beoogd, behouden blijft bij nieuwe ontwikkelingen.
Het eerste lid bepaalt dat bouwactiviteiten binnen het gebied met de locatie Landschappelijke inpassing - Meuleveld moeten voldoen aan de regels en uitgangspunten uit het Landschappelijk inpassingsplan - Meuleveld Maasbree. Hiermee wordt verzekerd dat nieuwe bouwwerken of wijzigingen aansluiten bij de landschappelijke structuur, groenvoorzieningen en kwaliteitsmaatregelen die voor dit gebied zijn vastgesteld. Door dit verplichtend te koppelen aan het plan blijft de zorgvuldig ontworpen landschappelijke inrichting behouden, worden verstorende ingrepen voorkomen en wordt de eerder gerealiseerde kwaliteitsverbetering structureel geborgd.
Artikel 6.55 Toepassingsbereik
Artikel 6.55 Toepassingsbereik bepaalt wanneer de regels uit een beeldkwaliteitsplan van toepassing zijn. Daarmee wordt duidelijk in welke gebieden aanvullende kwaliteitseisen gelden voor bouwactiviteiten, gericht op het behoud of verbeteren van de ruimtelijke uitstraling.
Het eerste lid bepaalt dat deze subparagraaf van toepassing is op bouwactiviteiten die plaatsvinden in een gebied waarvoor een beeldkwaliteitsplan is vastgesteld, zodat duidelijk is dat bouwplannen in deze zones moeten worden beoordeeld aan de hand van specifieke ontwerp- en kwaliteitseisen. Hiermee wordt geborgd dat nieuwe bouwwerken aansluiten op het gewenste ruimtelijke beeld, de karakteristiek van het gebied respecteren en bijdragen aan een samenhangend en zorgvuldig vormgegeven omgeving.
Het tweede lid bepaalt dat de subparagraaf niet geldt voor bouwactiviteiten die volgens landelijke regelgeving vergunningsvrij zijn, zodat beperkte en kleinschalige ingrepen niet onnodig worden belast met aanvullende kwaliteitseisen. Hiermee blijft het systeem van vergunningsvrij bouwen intact en worden alleen de bouwplannen beoordeeld die daadwerkelijk invloed kunnen hebben op het beoogde beeldkwaliteitsniveau van het gebied.
Artikel 6.56 Algemene regels legt vast dat bouwactiviteiten binnen een gebied met beeldkwaliteitsplan moeten voldoen aan de bijbehorende regels uit het desbetreffende plan. Daarmee wordt geborgd dat nieuwe bebouwing of aanpassingen aansluiten bij de zorgvuldig ontworpen ruimtelijke en architectonische uitgangspunten van dit gebied.
Het eerste lid bepaalt dat bouwactiviteiten binnen het gebied met de aanduiding Beeldkwaliteitsplan - Meuleveld moeten voldoen aan de regels en kwaliteitseisen uit het Beeldkwaliteitsplan - Meuleveld. Hiermee wordt verzekerd dat nieuwe bouwwerken, uitbreidingen en aanpassingen aansluiten op het gewenste stedenbouwkundige en architectonische karakter van de wijk, zoals vastgelegd in het plan. Dit voorkomt dat beeldverstorende ontwikkelingen plaatsvinden en waarborgt een samenhangende, hoogwaardige uitstraling van het gebied, passend bij de beoogde identiteit van Meuleveld.
Artikel 20.1 Toepassingsbereik bepaalt dat dit hoofdstuk van toepassing is op activiteiten binnen aangewezen gebiedsontwikkelingen. Hiermee is duidelijk dat voor deze gebieden aanvullende regels gelden die zijn afgestemd op de specifieke ruimtelijke opgaven en ontwikkeldoelen van het betreffende gebied.
Artikel 20.2 Relatie met andere regels bepaalt dat de regels uit dit hoofdstuk gelden in aanvulling op de overige regels van het omgevingsplan. Hiermee wordt geborgd dat voor gebiedsontwikkelingen zowel de algemene regels als de gebiedsspecifieke regels in samenhang worden toegepast.
Artikel 20.3 Toepassingsbereik bepaalt dat deze paragraaf van toepassing is op activiteiten ter plaatse van Meuleveld. Hiermee is duidelijk voor welk gebied de aanvullende regels voor deze gebiedsontwikkeling gelden.
Artikel 20.4 Algemene regels bevat de ruimtelijke uitgangspunten voor de ontwikkeling van het gebied Meuleveld. Het artikel stelt regels over het maximaal toegestane aantal woningen, de toegestane woningtypen en de situering van hoofdgebouwen op het perceel. Daarnaast worden eisen gesteld aan de ligging van voorgevels en de afstand van woningen tot perceelsgrenzen. Hiermee wordt geborgd dat de ontwikkeling op een ruimtelijk samenhangende wijze wordt gerealiseerd en aansluit bij de gewenste stedenbouwkundige structuur en beeldkwaliteit van het gebied.
Artikel 21.1 Reikwijdte overgangsrecht bepaalt dat dit hoofdstuk de overgangsregels bevat die van toepassing zijn op bestaande situaties die niet zonder meer passen binnen de regels van dit omgevingsplan. Hiermee wordt voorzien in een regeling voor de overgang van het oude naar het nieuwe recht.
Artikel 21.2 Voorrangsbepaling regelt dat specifieke overgangsregels die elders in het omgevingsplan zijn opgenomen voorgaan op de algemene overgangsregels van dit hoofdstuk. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende overgangsregelingen naast elkaar van toepassing zijn op dezelfde situatie.
Artikel 21.3 Lopende aanvragen en besluiten verduidelijkt dat voor aanvragen en besluiten waarop het overgangsrecht uit de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing is, de regeling uit hoofdstuk 4 van die wet geldt. Hiermee wordt aangesloten bij het wettelijke overgangsrecht dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is vastgesteld.
Artikel 21.4 Bestaande vergunningen en meldingen waarborgt dat vergunningen, ontheffingen, meldingen en andere beschikkingen die onder het eerdere recht rechtsgeldig tot stand zijn gekomen hun geldigheid behouden. Ook aan dergelijke besluiten verbonden voorschriften blijven van kracht, zodat bestaande rechten en verplichtingen worden gerespecteerd.
Artikel 21.5 Handhavingsbesluiten bepaalt dat handhavingsbesluiten die onder het oude recht zijn genomen worden afgehandeld volgens het recht dat gold op het moment van besluitvorming. Hiermee wordt de rechtszekerheid voor betrokkenen gewaarborgd.
Artikel 21.6 Bestaand gebruik bevat een beschermingsregeling voor rechtmatig bestaand gebruik dat bij de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in strijd is met de nieuwe regels. Dit gebruik mag worden voortgezet, maar mag niet worden gewijzigd als daardoor de afwijking van het plan toeneemt. Gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende recht valt niet onder deze bescherming.
Artikel 21.7 Onderbreking bestaand gebruik regelt dat de bescherming van het overgangsrecht vervalt wanneer het strijdige gebruik gedurende meer dan één jaar wordt beëindigd. Hervatting van dat gebruik is daarna niet langer toegestaan.
Artikel 21.8 Bestaande bouwwerken biedt bescherming aan bouwwerken die rechtmatig aanwezig waren op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan, maar niet voldoen aan de nieuwe regels. Deze bouwwerken mogen in stand worden gehouden en mogen gedeeltelijk worden vernieuwd of gewijzigd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot.
Artikel 21.9 Toepassingsbereik bepaalt in welke gevallen de regels voor herbouw na calamiteit van toepassing zijn. De regeling ziet op rechtmatig aanwezige bouwwerken die afweken van de geldende regels en door een calamiteit geheel of gedeeltelijk verloren zijn gegaan.
Artikel 21.10 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen regelt dat voor herbouw van een onder het overgangsrecht vallend bouwwerk na een calamiteit een omgevingsvergunning vereist is. Hierdoor kan worden beoordeeld of de herbouw past binnen de voorwaarden van het overgangsrecht.
Artikel 21.11 Beoordelingsregels bevat de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning voor herbouw na een calamiteit wordt verleend. De regeling maakt herbouw mogelijk wanneer sprake is van een calamiteit, de aanvraag tijdig wordt ingediend en de omvang van het oorspronkelijke bouwwerk slechts beperkt wordt vergroot. Hiermee wordt enerzijds rekening gehouden met bestaande rechten en wordt anderzijds voorkomen dat de afwijking van het omgevingsplan aanzienlijk toeneemt.
S
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
T
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage II Begripsbepalingen.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
U
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).
In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.
Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:
Ook kan het gaan om:
het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,
het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,
het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,
het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,
het wijzigen van het grondwaterpeil,
het winnen van grondstoffen,
agrarische grondwerkzaamheden, en
activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.
V
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/pubdata/gm1894/2026/8765e25eaf1d4fe88fe00a339e999b22/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/4377e30f30834a6b834a60d5df4cad42/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/8689b97229104c5aa714acd0357d9fd0/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/8eab4c1c43c94c81b01f32f57b93e969/nld@2026‑09‑01;1
/join/id/pubdata/gm1894/2026/10c7bb2da48e4f8cb76f0ea3f286d6a8/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/e297978c58aa46438249abef18b82409/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/404b1c20b8134897be786f8ee24dd576/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/481c512b6cd4419c9728b485a1a7d16a/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/4c69333540bb4ae7a109055fc87c7d4e/nld@2026‑09‑01;3
/join/id/pubdata/gm1894/2026/56aba7b89f6846759486543ea2561909/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/62413a687d3840719be5e4d34837b7d0/nld@2026‑09‑01;1
/join/id/pubdata/gm1894/2026/97f54778bb024f17bab58ac4f8ce3107/nld@2026‑09‑01;2
/join/id/pubdata/gm1894/2026/1accd0fb8fcb49bcbc5c30c752e1c841/nld@2026‑09‑01;2
Aan de westzijde van Maasbree ligt aan de dorpsrand van een perceel cultuurgrond. Tussen de wegen Molenstraat en Westeringlaan te Maasbree wordt beoogd een woningbouwplan met 86 woningen te realiseren. Hierna wordt de locatie aangeduid als het projectgebied of ‘Meuleveld’. Binnen het projectgebied worden 86 woningen gerealiseerd. Het programma voorziet in de realisatie van 2/3 betaalbare woningen en 30% sociale huur. Het woningbouwprogramma en de opzet van het plan is tot stand gekomen op basis van de inbreng van de gemeente, het advies van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit, de input van bewoners via de klankbordgroep en de visie van Bureau Verbeek, die het landschappelijk-stedenbouwkundig plan heeft opgesteld.
De ligging van het projectgebied is met een rode belijning op een topografische kaart aangeduid.
Hierna wordt het projectgebied weergegeven op luchtfoto.
De realisatie van het woningbouwplan is niet toegestaan binnen het omgevingsplan. De gronden kennen in dit plan geen woonfunctie. Ook zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen in het omgevingsplan om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Afwijken van het omgevingsplan om bouwplannen toch mogelijk te maken, de gebruiksfuncties van locaties of gebouwen te veranderen kan op twee manieren:
Wijzigen van het (tijdelijk deel) omgevingsplan (WOP);
Aanvragen omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking (BOPA) die wordt vergund in het belang van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL-motivering).
Aangegeven is om dit voornemen te realiseren middels de procedure voor wijzigen van het (tijdelijk deel) omgevingsplan, waarbij de wijziging wordt vormgegeven volgens de standaarden STOP/TPOD. Daarvoor is deze motivering opgesteld.
Het projectgebied is gelegen aansluitend aan het stedelijk gebied van de kern Maasbree, meer specifiek tussen de wegen Molenstraat en Westeringlaan. Navolgende figuur geeft een luchtfotoobliek van het gebied in de huidige situatie weer.
Het projectgebied betreft de percelen kadastraal bekend als: gemeente Maasbree sectie K, nummer 3455. Navolgende figuur betreft een luchtfoto met de kadastrale kaart met het projectgebied. Het projectgebied is in rood aangeduid.
Het projectgebied ligt aan de huidige westelijk dorpsrand van Maasbree. Dit dorp heette oorspronkelijk ‘Bree’ en betreft van oorsprong een agrarische nederzetting gelegen tussen de Maas en de Peel. De omgevingsstructuur is reeds vroeg afleesbaar op historisch beeldmateriaal. Navolgende beelden geven een beeld van de ontwikkeling vanaf 1804 tot nu. Het dorp is sinds 1818 officieel Maasbree.
De huidige Dorpsstraat vormde het centrum van het dorp met een langgerekte lintstructuur. De boerderijen en huizen lagen vooral aan deze dorpsweg. Het omliggende landschap bestond vooral uit landbouwgronden en heide.
Binnen Maasbree waren in en nabij het dorp twee korenmolens aanwezig. Op voorgaande figuur zijn deze met blauwe cirkels aangeduid. De korenmolen die aan de rand van het projectgebied aanwezig was in 1944 verdwenen. Na verdwijning van de molen is ook het pad door het projectgebied verdwenen.
Vanaf de jaren zeventig veranderde vooral de ruimtelijke structuur van het dorp zelf. Maasbree groeide en er werden nieuwe woonwijken gebouwd aan de randen van het oude lint. Het dorp ontwikkelde zich daardoor van een langgerekte bebouwing langs één hoofdstraat tot een meer compacte kern met verschillende woongebieden. De uitbreidingen vonden vanaf de jaren ’70 eerst ten zuiden van de Dorpsstraat plaats en werden vanaf de jaren ’80 ook aan de noordzijde van Maasbree gerealiseerd. Binnen het projectgebied was een sportveld gerealiseerd, dat in de jaren ’70 wegens ruimtegebrek weer verdwenen is.
De gronden ten noorden van de Molenstraat en ten zuiden van de Westeringlaan zijn met woningbouw ingevuld. Vanaf circa 2006 verdwijnt het sportveld binnen het plangebied. Het projectgebied blijft daarna als akkerland in gebruik.
Het projectgebied is gelegen tussen besloten ‘rode’ zones en het halfopen buitengebied. Aan de zuidzijde van het projectgebied is een houtsingel aanwezig die kenmerkend is. Navolgende figuur geeft een beeld met de huidige ruimte-massa.
Het projectgebied is gelegen tussen twee historische bebouwingslinten, de Molenstraat en de Westeringlaan. Langs beide wegen is sprake van aaneengesloten woonbebouwing welke stopt bij het kombord van de kern. Ten westen van het projectgebied opent het gebied zich en is er sprake van het buitengebied. Navolgende figuur geeft een beeld van de ruimtelijke structuur in de huidige situatie.
Het projectgebied is thans in gebruik als cultuurgrond. Het perceel ligt wat hoger dan de weg. Navolgende figuren geven een beeld van het projectgebied.
Beoogd wordt een toekomstbestendige woonwijk te realiseren met 86 woningen. Er worden verschillende woningtypes gerealiseerd, te weten; levensloopbestendige woningen in een sociaalmaatschappelijke woonvorm, rijwoningen, halfvrijstaande woningen, vrijstaande woningen en een appartementgebouw (conform ‘Wonen Limburg-concept’). De stedenbouwkundige en landschappelijke invulling van het plan is ontworpen door Bureau Verbeek. Het landschappelijkstedenbouwkundig plan (februari 2026) behoort als bijlage bij deze motivering. Deze paragraaf met de beschrijving aan de beoogde situatie is overgenomen uit dit landschappelijk-stedenbouwkundig plan.
Bureau Verbeek heeft in navolging van de hoofdontwerpprincipes het stedenbouwkundig plan opgesteld. De hoofdontwerpprincipes zijn tot stand gekomen op basis van de inbreng van de gemeente, het advies van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit, de input van bewoners via de klankbordgroep en de eigen visie van Bureau Verbeek. Deze principes zijn hierna opgenomen
Verkeersafwikkeling richting Heezestraat
Het projectgebied is gelegen tussen de Molenstraat, die aan de westzijde over gaat in de Heezestraat en de Westeringlaan. Het autoverkeer wordt zoveel mogelijk afgewikkeld richting de Heezestraat, om de verkeersdruk op de Molenstraat en in de dorpskern te beperken.
Parkachtige ruimte met meervoudig gebruik
Het gebied krijgt een parkachtig en speels karakter dat uitnodigt tot informeel gebruik door bewoners. De groene ruimte vervult meerdere functies: naast een verblijfsfunctie, bijvoorbeeld als speelplek of ontmoetingsruimte, wordt zij ook ingezet als waterbergingsgebied bij hevige regenval.
De juiste woning voor de juiste doelgroep
De woningtypologieën worden afgestemd op de lokale woonbehoefte en de uitgangspunten van de Woondeal.
Behouden doorwaadbaarheid van het gebied
De bestaande informele verbinding tussen de Westeringlaan en de Molenstraat blijft behouden als route voor voetgangers en fietsers. Zo blijft langzaam verkeer aantrekkelijk, met name voor de verbinding tussen de woonwijk en de sportvelden, gelegen ten noorden van het projectgebied.
Uitzicht over en toegang tot groen
Om een veilige en goed gebruikte openbare ruimte te creëren, worden de gebouwen georiënteerd op het openbaar groen. Door zichtrelaties te versterken en fysieke barrières te beperken, ontstaat een directe relatie tussen woning en landschap.
Omkijken naar elkaar
Omkijken naar elkaar betekent dat bewoners zich met elkaar verbonden voelen, oog hebben voor elkaars welzijn en elkaar actief ondersteunen. In het ontwerp wordt dit bevorderd door ontmoetingsplekken, overzichtelijke openbare ruimtes en zichtrelaties tussen woningen te creëren, zodat een veilige, sociale en betrokken buurt ontstaat.
Na toepassing van de ontwerpprincipes is het navolgende stedenbouwkundig raamwerk ontworpen voor invulling van het projectgebied. De ontwerpprincipes zijn na de figuur toegelicht.
Ontwerpprincipes
De navolgende ontwerpprincipes liggen ten grondslag aan het plan Meuleveld.
Behouden en versterken bomenrand zuidkant; dit waardevol landschapselement blijft behouden en wordt aangevuld. Dit landschapselement zorgt voor een groene begrenzing van het gebied
Gespiegelde vrijstaande opzet Molenstraat. Deze opzet sluit aan op het op het karakter van het bestaande lint. De vrijstaande woningen spiegelen het ritme aan de Molenstraat. Er ontstaat een vloeiende overgang tussen oude en nieuwe bebouwing.
Structuur ‘groen - woonblok - groen’. De structuur bestaat uit een afwisseling van bouwblokken en groene zones. Er is hiermee sprake van een luchtig en open woonmilieu. Het groen wordt gebruikt voor verblijf, voor infiltratie van hemelwater en als ecologische verbinding.
Prioriteit voor langzaam verkeer. Er is sprake van een fijnmazig netwerk voor fietsers en voetgangers die de wijk verbindt met sportvelden en voorzieningen in de omgeving. Dit netwerk stimuleert duurzame mobiliteit en ontmoeting.
Hoogteopbouw richting dorpskern. Er is sprake van een appartementengebouw met vier lagen aan dorpszijde en een lagere bebouwing richting het buitengebied. Dit zorgt voor een logische schaalopbouw.
50 meter onbebouwde zone aan de westzijde. Er worden geen woningen gerealiseerd binnen agrarische hindercirkel. Er is sprake van een landschappelijke en ecologische buffer. Deze zone wordt onderdeel van waterberging en recreatief groen.
Flexibel toekomstbestendig ontwerp. Met een robuust groen- en verkeersraamwerk. De samenhang blijft behouden bij toekomstige ontwikkelingen.
Navolgende figuur geeft een de te realiseren woningbouwtypologieën binnen de planlocatie weer.
Binnen het projectgebied worden 86 woningen gerealiseerd. Het programma voorziet in de realisatie van 2/3 betaalbare woningen en 30% sociale huur. Differentiatie binnen betaalbare categorie waar mogelijk. Er is binnen Maasbree vraag naar betaalbare koopwoningen onder jongeren. Deze woningen bestaan uit de volgende woningbouwtypologieën en aantallen:
10 vrijstaande woningen (in rood in voorgaande figuur);
6 half-vrijstaande woningen (in rood in voorgaande figuur);
20 tussen- en hoekwoningen (in oranje in voorgaande figuur);
25 sociale huurappartementen (in paars in voorgaande figuur);
25 woningen in een in een sociaal maatschappelijke woonvorm (in blauw in voorgaande figuur).
Het woningbouwprogramma sluit aan op het bebouwingskarakter van de omgeving. Naarmate het bouwplan zich afwaarts beweegt van de dorpskern neemt ook de bouwhoogte binnen het projectgebied af. Het appartementengebouw heeft vier bouwlagen. De meeste grondgebonden woningen hebben twee bouwlagen met een kap en de levensloopbestendige woningen bestaat uit één bouwlaag met kap. De deelgebieden binnen de planlocatie worden hierna nader toegelicht.
Deelgebied 1: Gespiegelde vrijstaande opzet
Langs de hoofdstraat binnen het nieuwe woningbouwgebied wordt aangesloten op de bestaande beeldkwaliteit van de Molenstraat. Nieuwe woningen worden gespiegeld ten opzichte van de bestaande bebouwing gerealiseerd, waardoor een vanzelfsprekende ritmiek ontstaat.
De opzet bestaat uit vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen en één blok rijwoningen. De tussenruimte tussen bestaande en nieuwe woningen blijft herkenbaar en draagt bij realisatie van aan een luchtige, groene straatwand. Elke woning beschikt over minimaal één parkeerplaats op eigen terrein; bijgebouwen kunnen worden ingezet als garage of extra leefruimte. Aanvullend worden parkeerkoffers voorzien om bezoekersparkeren op een zorgvuldige manier in te passen. Navolgende figuur geeft een beeld van de ruimtelijke invulling van dit deelgebied.
Navolgende figuur geeft referentiebeelden met de beeldkwaliteit in dit deelgebied weer.
Deelgebied 2: Levensloopbestendige woningen in een sociaal maatschappelijke woonvorm
Aan de westzijde worden woningen binnen een sociaal maatschappelijke woonvorm gerealiseerd. Dit betreft de realisatie van 25 levensloopbestendige woningen rondom een gedeelde binnentuin. De bestaande bomenrij binnen dit gebied vormt een belangrijk structuurelement en deze bomenrij wordt integraal onderdeel van het hof. Langs de hoofdstraat van het woningbouwplan staat het hoofdgebouw van het hof, dat bestaat uit twee bouwlagen (inclusief lift ten behoeve van de levensloopbestendigheid van de woningen). Het woonmilieu staat in het teken van ‘omkijken naar elkaar’: een kleinschalige, sociaal hechte setting ondersteund door een gemeenschappelijke tuin en parkeren in de directe nabijheid. Navolgende figuur geeft een beeld van deze woonvorm.
Deelgebied 3: Rijwoningen
Centraal binnen de planlocatie wordt een reeks rijwoningen gerealiseerd. Dit betreft betaalbare koopwoningen en middenhuur-woningen. De woningen hebben parkeerplaatsen dichtbij de woning en grenzen aan openbaar groen, met mogelijkheden voor ontmoeting en spelen in de directe nabijheid. Dit deelgebied vormt een toegankelijk en gezinsvriendelijk woonmilieu. Navolgende figuur geeft een beeld van dit deelgebied.
Deelgebied 4: Appartementencomplex
Deelgebied 4 bevindt zich nabij de dorpskern Maasbree en sluit aan op het appartementencomplex De Wissel van Wonen Limburg. Midden in het groen wordt een appartementencomplex met vier bouwlagen gerealiseerd, met in totaal 25 appartementen. Het gebouw ligt in een parkachtige setting en sluit via een wandel- en fietsverbinding aan op zowel de Westeringlaan als de Molenstraat. Er wordt voorzien in voldoende parkeerruimte en een keermogelijkheid voor onder andere vuilniswagens en brandweer. Daarnaast wordt een functionele relatie gelegd met het appartementencomplex De Wissel, wat kansen biedt voor zorgnabijheid en sociale verbinding. Navolgende figuur geeft een beeld van dit deelgebied.
Het projectgebied wordt hoogwaardig groen ingericht. Eén van de doelen van dit plan is de versterking van de beleving en biodiversiteit. De opzet is gebaseerd op een afwisseling van woonblokken en groene ruimtes, waardoor een open en luchtige wijk ontstaat met sterke zichtlijnen en een vanzelfsprekende relatie tussen woning en landschap. De parkachtige ruimtes spelen een belangrijke rol: zij fungeren als verblijfsplek, speelruimte en waterberging, en vormen het groene hart van de nieuwe buurt. Voor deze woningbouwontwikkeling is een waardering van bestaande bomen uitgevoerd. De bomen die waardevol zijn en te behouden zijn worden onderdeel van de openbare ruimte. Met realiastatie van het woningbouwprogramma wordt rekening gehouden. Er wordt niet ontwikkeld onder de boomkroon van deze bomen.
Voor de groenstructuur gelden de volgende principes:
Groen zichtbaar vanuit iedere woning (bomen, parkzones);
Afwisseling compacte woonblokken ↔ groene ruimtes;
Compacte bouw → meer ruimte voor groen & infiltrae;
Bestaande bomenrij zuid krijgt voldoende wortel- en groeiruimte;
Aanvullend groen tussen/ín bouwblokken, inclusief hoftuin.
Dit uit zich in het volgende groene raamwerk.
Met realisatie van het openbaar groen vindt er een geleidelijke overgang in beplanting plaats zowel in oost-westelijke richting als in noord-zuidelijke richting. Deze opbouw verzacht de overgang tussen landschappelijk en dorps groen en zorgt ervoor dat elke groene kamer een eigen ruimtelijke beleving krijgt. Hiermee is sprake van vier typen inrichting openbaar groen. Dit is weergeven op navolgende verbeelding.
De typering in de focusgebieden worden hierna toegelicht.
Ritmisch groen: Langs de Hoofdstraat wordt gekozen voor een rustig en eenduidig groenbeeld, bestaande uit hagen en heesters met een maximale hoogte van circa 80 cm. Deze straat vraag om een zekere mate van ordening en regelmaat, passend bij de functie als belangrijkste autoverbinding.
Ruw groen: Aan de zuidzijde sluit de beplanting aan op de bestaande bomenrij. Hier wordt gekozen voor een grovere, meer informele beplantingsstructuur die opgaat in het grotere groenverband. Dit type groen is hoger en losser van opzet dan het ritmisch groen.
Landschappelijk groen: Aan de westzijde van het projectgebied wordt ingezet op een meer landschappelijke invulling, met overwegend inheemse soorten die aansluiten bij het omliggende buitengebied.
Dorps karakter: Richting het oosten, nabij de dorpskern, verschuift het beeld naar een meer gecultiveerde en verzorgde beplanting, zoals ook in het dorp voorkomt. Hier worden onder andere soorten als laurierhagen toegepast.
Een gedeelte van het projectgebied is gelegen binnen de belijning van het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas, nu opgenomen in het omgevingsplan. Voor dit gedeelte geldt een kwaliteitsbijdrage in de vorm van een landschappelijke inpassing. De omvang van het gebied is circa 3.413 m². De kwantiteit van de inpassing bedraagt 10% van 3.413 m², dus 342m². Deze inpassing wordt gerealiseerd binnen de plangrens van dit plan, op de gronden die eerder zijn bestemd binnen het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas. De landschappelijke inpassing van het projectgebied, inclusief de inpassing die plaatsvindt in relatie tot de voorwaarden uit het programma ruimtelijke kwaliteit is als bijlage bij de regels van dit plan verankerd. Het programma ruimtelijke kwaliteit en de toepassing daarvan binnen Meuleveld is nader toegelicht in paragraaf 4.3.4 van deze motivering.
Het stedenbouwkundig plan vormt een groene en samenhangende woonomgeving die aansluit op de dorpsrand en de bestaande structuur van Molenstraat en Westeringlaan. De opzet is gebaseerd op een afwisseling van woonblokken en groene ruimtes, waardoor een open en luchtige wijk ontstaat met sterke zichtlijnen en een vanzelfsprekende relatie tussen woning en landschap. Het langzaamverkeernetwerk loopt parallel met de hoofdas langs de grote bomenrij aan de zuidelijke rand en verbindt de woonbuurten met de sportvelden en het omliggende dorp.
De parkachtige ruimtes spelen daarbij een belangrijke rol: zij fungeren als verblijfsplek, speelruimte en waterberging, en vormen het groene hart van de nieuwe buurt. De bebouwing sluit aan op de schaal van het dorp door hogere bebouwing richting de kern te positioneren en de randen zachter te houden richting het buitengebied. De mix van woningtypen voldoet aan de lokale woonbehoefte en draagt bij aan een divers en sociaal woonmilieu. In eventuele toekomstige ontwikkelingen kan de opzet van woonblokken (park-woonblok-park), met aan de zuidkant de grote groene ader, aangehouden worden. Dit creëert eenheid tussen de (te komen) ontwikkelingen.
Met plan Meuleveld wordt een woningbouwplan met een passend woningbouwprogramma gerealiseerd met 2/3 betaalbare woningen en 30% sociale huur. De woningen worden in een groen omgeving gerealiseerd waarbij behoud van bestaand waardevol groen het uitgangspunt is.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Peel en Maas van rechtswege onderdeel geworden van één omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. De bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het tijdelijke deel bestaat uit:
(ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen;
Rijksregels over activiteiten (aangeduid als ‘de bruidsschat’).
Voor het projectgebied is het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas hiermee sinds 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Het projectgebied is eerder in ‘Kern Maasbree’ en ‘Buitengebied Peel en Maas’ bestemd, waarmee deze eerder vastgestelde bestemmingsplannen gelden als planregime onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege.
De oostzijde van het projectgebied kent ingevolge ‘Kern Maasbree’ grotendeels de bestemming ‘Sport’ met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’. Er is sprake van een functieaanduiding ‘sportveld’ en een bouwvlak met maatvoering. Een gedeelte van het projectgebied aan de zuidwestzijde heeft binnen het bestemmingsplan ‘Kern Maasbree’ een woonfunctie. Deze percelen behoorden bij twee lange tuinen van woningen gelegen aan de Westeringlaan maar zijn door de gemeente aangekocht. Navolgende figuur geeft een uitsnede van het omgevingsplan met de functie sport weer.
De percelen met kadastrale nummers 1717 en 3426 zijn gelegen binnen het plangebied van het eerder vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’. In dit plan zijn deze kavels aangemerkt als ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Deze percelen zijn aangeduid met de gebiedsaanduidingen ‘wro-zone wijzigingsgebied 2 ko’, ‘overige zone – kernrandzone’ en reconstructiewetzone – verwevingsgebied. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de verbeelding uit dit plan.
De gronden binnen het projectgebied zijn aangewezen als sportveld, agrarisch gebied en voor een klein gedeelte als wonen (tuin) achter bestaande woningen. Met dit plan worden 86 woningen toegevoegd binnen het projectgebied. Ten behoeve van deze woningen worden bijbehorende voorzieningen zoals groen-, water- en verkeersfuncties gerealiseerd. Voor deze ontwikkeling wordt het omgevingsplan herzien. Met wijziging van het omgevingsplan wordt het landschappelijkstedenbouwkundig plan planologisch en juridisch verankerd in het omgevingsplan.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050.
De NOVI gaat uit van vier prioritaire opgaven:
duurzaam economisch groeipotentieel voor Nederland;
ruimte voor de klimaatverandering en energietransitie;
sterke, leefbare en klimaatbestendige steden en regio’s met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen;
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
In de visie worden de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het bijvoorbeeld ook om behoud en versterking van cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
Het Rijk heeft de NOVI opgesteld voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken. Die inrichtingsprincipes zijn:
1. Combineren boven enkelvoudig;
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
3. Afwentelen voorkomen.
Om de visie en besluitvorming van de NOVI te kunnen beoordelen is daarvoor het Rad van de Leefomgeving opgesteld. Dit Rad van de Leefomgeving biedt een raamwerk van waardecategorieën waarmee de waardecreatie van een project beoordeeld kan worden. Het richt zich daarbij vooral op de impact op de ontwikkeling of bescherming van de leefomgeving. Het Rad van de Leefomgeving biedt twee perspectieven op de leefomgeving, die met elkaar in balans moeten worden gebracht:
het beschermen van de fysieke leefomgeving door te zorgen voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;
het vervullen van maatschappelijke behoeften door te richten op ontwikkeling van de woonomgeving en de economische omgeving.
Het Rad van de Leefomgeving biedt een praktisch handvat om invulling te geven aan de ‘omgevingsinclusieve benadering’ van de NOVI en de Omgevingswet. Het Rad geeft de mogelijkheid de beoordeling van de effecten voor de fysieke leefomgeving breed en integraal te benaderen.
Dit plan ziet op het realiseren van een nieuwe woonwijk. Er wordt bijgedragen aan maatschappelijke behoeften voor een passend woningaanbod en voldoende woningen. De wijk wordt zodanig gerealiseerd dat er voldoende aandacht is voor het beschermen van de fysieke leefomgeving, waarbij er grote aandacht is voor behouden en vergroten van de biodiversiteit. In het plan is grote aandacht voor de bereikbaarheid van de woningen en de aansluiting van de wijk op de bestaande kern Maasbree. Dit plan past binnen de kaders voor vervullen van maatschappelijke behoefte en beschermen van de fysieke leefomgeving. Dit wordt in deze motivering in de navolgende hoofdstukken uitgewerkt.
De Omgevingswet werkt door in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s): het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Het Bal bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Het Bbl bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Het Bkl bevat ter bescherming van de nationale belangen instructieregels, waaronder:
waarborgen van veiligheid;
beschermen van waterbelangen;
beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid, geur en bodemkwaliteit;
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, Rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën.
Het plan wordt in hoofdstuk 4 van deze motivering getoetst aan de regels van de sectorale aspecten die voorvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Bal, het Bbl en het Bkl. Uit die toets blijkt dat de ontwikkeling past binnen de kaders uit deze AMvB’s.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van artikel 5.129g Bkl heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.
De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Over de vraag wanneer precies sprake is van een ’stedelijke ontwikkeling’ heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Van een stedelijke ontwikkeling is onder andere sprake bij een bouwplan met 12 woningen of meer, bij een plan met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m². De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Deze ontwikkeling voorziet met de realisatie van in totaal 86 woningen in een stedelijke ontwikkeling. Een gedeelte van het projectgebied is in de huidige situatie gelegen binnen de kern Maasbree en is aangewezen als sportveld. Een gedeelte van het projectgebied is aansluitend daaraan in het buitengebied gelegen en is aangewezen als agrarische grond zonder bebouwingsmogelijkheden. Het gebruik wordt daarmee intensiever en vindt gedeeltelijk plaats buiten stedelijk gebied. Derhalve is toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking voor de beoogde herontwikkeling noodzakelijk.
Kwantitatieve behoefte
Uit het Woningmarktonderzoek Peel en Maas 2025 volgt voor de periode tot 2030 een woningbouwopgave van circa 890 woningen uit het basis scenario. Er is aantoonbaar een substantiële woningbouwopgave in Peel en Maas tot 2030, met bandbreedte van circa 963 tot 1.252 woningen. Daarbij wordt uitgegaan van een programmeringsmarge van 130%, omdat niet alle plannen tijdig of volledig tot realisatie komen. Dit onderstreept de noodzaak om voldoende concrete en uitvoerbare woningbouwlocaties beschikbaar te hebben. De toevoeging van 86 woningen levert een relevante en noodzakelijke bijdrage aan de gemeentelijke woningbouwopgave.
Kwalitatieve behoefte
De behoefte is niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief. Het Woningmarktonderzoek beschrijft dat de gemeente Peel en Maas een aanzienlijk woningtekort kent. De nadruk ligt op betaalbare woningen. Het plan voorziet in een variatie aan woningen waaronder starters en seniorenwoningen, waarmee wordt aangesloten op de in Peel en Maas gesignaleerde behoefte aan passend (betaalbaar en toekomstbestendig) woningaanbod en het bevorderen van doorstroming. Het programma bestaat uit twee derde betaalbare woningen waarvan 30% sociale huur en voldoet hiermee aan de kwalitatieve behoefte binnen de gemeente Peel en Maas.
Ligging
Het projectgebied betreft in feite een herontwikkelingslocatie. Een voormalig sportveld (nu in gebruik als cultuurgrond) wordt getransformeerd naar een woningbouwlocatie. De ligging tussen twee uitlopers uit de westzijde van de kern maken het projectgebied een logische uitbreidingslocatie. Er is geen sprake van barrières tussen kern en projectgebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied van Maasbree zijn onvoldoende locaties beschikbaar van een omvang die geschikt is voor een ontwikkeling van 86 woningen. Daarmee zijn er geen realistische herstructurerings- of inbreidingslocaties aanwezig waarmee op korte termijn in deze behoefte kan worden voorzien.
Conclusie
De gemeente Peel en Maas hanteert de Woondeal Limburg 2023 als beleidskader. Daarbij geldt dat bouwplannen dienen te voorzien in 2/3 betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huur. De voorgenomen ontwikkeling bestaande uit de toevoeging van 86 woningen levert een concrete bijdrage aan de provinciale woningbouwopgave uit de Woondeal (bruto toevoeging 26.550 woningen in Limburg). Het woningbouwprogramma van het plan is zodanig ingericht dat het aandeel betaalbare woningen en sociale huur aansluit bij deze Woondeal-uitgangspunten.
Dit project is niet strijdig met de doelen en regelgeving op Rijksniveau.
Op 8 mei 2026 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten. De vastgestelde visie betreft een actualisatie van de POVI uit 2021.
In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.
In de omgevingsvisie zijn vier overkoepelende ambities geformuleerd:
1. Sterke steden en dorpen met een goed vestigingsklimaat: Het zorgen voor voldoende woningen van de juiste kwaliteit. Optimaal benutten van ruimte in bestaande steden en dorpen. Verbeteren van leefbaarheid en versterken van economische innovatiekracht.
2. Balans tussen functies in het landelijk gebied: Combineren van de belangen van landbouw, natuur, water, landschap en vrijetijdseconomie, onder meer door gebiedsgerichte zonering.
3. Toekomstbestendige mobiliteits- en energiesystemen: Duurzame energievoorziening en slimme mobiliteitsoplossingen.
4. Een vitale bodem en een robuust watersysteem: Herstel van bodemkwaliteit en zorgen dat ons watersysteem zowel perioden van droogte als perioden met grote waterafvoer kan opvangen.
Principe 1 – Gezonde en veilige leefomgeving
Prioriteit voor gezondheid, veiligheid en welzijn van mens, dier en plant. De leefomgeving moet bijdragen aan het voorkomen van bijvoorbeeld luchtverontreiniging, geluidsoverlast, hittestress en veiligheidsrisico's, zowel fysiek als sociaal.
Principe 2 – Identiteit en kenmerken van gebieden
Beleidskeuzes sluiten aan op unieke landschappen, culturen en gebiedseigen kenmerken. Ontwikkelingen moeten de regionale identiteit versterken.
Principe 3 – Zorgvuldig omgaan met schaarse ruimte en voorraden (boven- en ondergronds)
Het doel is de ruimte, netwerken (verkeer en energie) en voorraden optimaal te benutten. Multifunctioneel ruimtegebruik wordt gestimuleerd.
Principe 4 – Versterken van bebouwd én landelijk gebied
De provincie koestert de variatie in stedelijke en landelijke gebieden. Beoogd wordt de steden en dorpen compact te houden en stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied concentreren.
Naast hoofdopgaven en ambities is een algemene zonering opgenomen, bestaande uit zeven zones. Dit geeft sturing aan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Limburg. De zones betreffen:
Natuurnetwerk Limburg;
Primair landbouwgebied (hoogproductief landbouwgebied);
Groenblauwe Landbouwzone (landbouw met focus op water- en natuuropgaven);
Verwevingsgebied (landbouw met focus op stad-landopgaven);
Stedelijk gebied;
Landelijke kernen;
Werklocaties (waaronder bedrijventerreinen en stedelijke dienstenterreinen (voor kantoren en detailhandel).
De vier ontwerpende onderzoeken die voor de drie Limburgse regio's zijn opgesteld, zijn de belangrijke bouwstenen voor de POVI 2026.
Noord-Limburg
Noord-Limburg richt zich op versterking van de groenblauwe structuren zoals de Maasduinen en de Peelvenen. De regio wil haar economische kracht in agrofood en logistiek verduurzamen. Er komt ruimte voor natuurontwikkeling en hoogveenherstel, gecombineerd met innovatieve landbouwmodellen. De Maas als blauwe ruggengraat biedt kansen voor waterbeheer, natuur en recreatie.
Midden-Limburg
Midden-Limburg concentreert zich op systeemherstel van water en bodem. Weert en Roermond fungeren als centrumsteden voor woningbouw en economische ontwikkeling. De beekdalen krijgen meer ruimte om water op te vangen en de Maaszone wordt benut voor waterveiligheid, natuurontwikkeling en duurzame bedrijvigheid. Opgaven rondom vergrijzing en leefbaarheid in kleinere dorpen krijgen bijzondere aandacht.
Zuid-Limburg
Zuid-Limburg ontwikkelt zich als internationale kennisregio. Chemelot, de Brightlands campussen en de Einstein Telescope zijn motoren van economische groei. Tegelijkertijd ligt de nadruk op bescherming van het unieke Vijfsterrenlandschap, waaronder het Heuvelland, biodiversiteitsherstel en klimaatadaptatie. Panorama Zuid-Limburg, de Agenda Zuid-Limburg en het NOVEX ontwikkelperspectief vormen tezamen een belangrijke leidraad voor integrale gebiedsontwikkeling.
NOVEX ontwikkelperspectieven
Voor zowel de Peel-regio als Zuid-Limburg geldt dat we in samenwerking met de regio's, het waterschap en het Rijk gezamenlijk werken aan de uitwerking van de opgestelde ontwikkelperspectieven. Deze ontwikkelperspectieven zijn belangrijke bouwstenen geweest voor de voorliggende POVI.
Ruimtelijke kwaliteit en landschap
Voor een goede omgevingskwaliteit zijn ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit essentieel. Limburg is een groene provincie met een grote diversiteit aan landschappen en landschappelijke kenmerken en kwaliteiten. Deze landschappelijke waarden en diversiteit zijn kwetsbaar. Vanwege de toenemende omvang, complexiteit en samenhang van de ruimtelijke opgaven, en onze rol en belang daarin, vragen we structureel meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit en inzet van ontwerp. Niet alleen om aanwezige kwaliteiten en waarden als vertrekpunt te nemen, maar ook om nieuwe kwaliteiten en waarden toe te voegen.
Nieuwe initiatieven moeten daarom bijdragen aan de herkenbaarheid van landschappen zoals de Maasvallei, het Heuvelland en de Peel. Gebiedspaspoorten beschrijven gebiedsspecifieke karakteristieken. Ontwerpbeginselen vormen een inspiratiebron voor gemeenten en initiatiefnemers.
Behoud en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Zuid- Limburg en de Groenblauwe Landbouwzone krijgen extra provinciale aandacht. Ruimtelijke kwaliteit vraagt om samenwerking tussen overheid, ontwikkelaars en inwoners.
Wonen
Er is een grote opgave in het realiseren van voldoende, passende en betaalbare woningen. In de Woondeal Limburg hebben wij afspraken gemaakt met het Rijk en gemeenten om tot 2030 bijna 30.000 woningen toe te voegen, vooral in de sociale huur, middenhuur en betaalbare koop. Voor de langere termijn, tot 2040, streven wij via het programma Limburg Centraal naar grootschalige woningbouw rondom de zes intercitystations.
Vraag en aanbod moeten goed op elkaar aansluiten met een evenwichtige verdeling van de opgaven. Daarvoor zijn regionale samenwerking en afstemming essentieel. De provincie neemt een coördinerende en sturende rol in ten aanzien van de volkshuisvesting in Limburg via onder andere het provinciaal Volkshuisvestingsprogramma en de Omgevingsverordening Limburg. Hierbij is ook aandacht voor de kwetsbare positie van arbeidsmigranten.
Woningbouw in Limburg moet primair plaatsvinden binnen stedelijke gebieden of landelijke kernen. Duidelijke randvoorwaarden voor eventuele uitbreiding daarbuiten, worden opgenomen in de Omgevingsverordening.
Voorliggende plan past binnen het provinciale beleid zoals omschreven in de POVI. Er is sprake van realisatie van een woningbouwplan in de kern/kernrand van Maasbree met een grote betaalbare component.
De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening.
In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven;
regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.
In de OvL zijn een aantal thematische kaarten opgenomen. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Het projectgebied is aangeduid als ‘buitengebied’ en gelegen binnen ‘overstromingsgebied C’. Het projectgebied is indicatief met een rode belijning aangeduid.
Het projectgebied is op afstand van de groenblauwe mantel gelegen. Navolgende figuur geeft een beeld met de afstand van het projectgebied tot de groenblauw mantel.
In artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg is voorgeschreven dat bij de realisatie van één of meerdere woningen in de daartoe op te stellen motivering bij een omgevingsplan beschreven wordt dat:
1. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
2. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
3. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
4. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring;
5. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
Met dit plan worden 86 wooneenheden toegevoegd. Er is behoefte aan deze woningen. De gemeente Peel en Maas hanteert de Woondeal Limburg 2023 als beleidskader. Daarbij geldt dat bouwplannen dienen te voorzien in 2/3 betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huur. De voorgenomen ontwikkeling levert een concrete en substantiële bijdrage aan de provinciale woningbouwopgave uit de Woondeal (bruto toevoeging 26.550 woningen in Limburg). Het woningbouwprogramma van het initiatief is zodanig ingericht dat het aandeel 2/3 betaalbare woningen en sociale huur aansluit bij deze Woondeal-uitgangspunten. De beoogde woningbouwontwikkeling is regionaal afgestemd en opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring. Na planontwikkeling wordt direct met uitvoering van het plan gestart.
Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor ‘overstromingskansgebied c’ een gemiddelde overstromingskans per jaar van 1:25 als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Op het aspect water wordt in paragraaf 6.1 van in deze motivering nader ingegaan.
De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van:
1. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering;
2. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
In paragraaf 4.2.2 van deze motivering wordt hierop verder ingegaan en onderbouwd dat geen sprake is van strijdigheid met eventuele provinciale (instructie)regels.
Gedeputeerde Staten hebben op 24 maart 2026 de Ontwerp Wijzigingsverordening 2026 Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Bij deze wijzigingsverordening wordt de Omgevingsverordening Limburg op een aantal onderdelen gewijzigd. Ook voor de projectlocatie zijn wijzigingen in aanduidingen en regels opgenomen. Deze wijzigingen worden hierna toegelicht. De projectlocatie is in de Ontwerp Wijzigingsverordening 2026 aangeduid als gelegen binnen ‘verwevingsgebied’ en ‘Uitbreidingsgebied glastuinbouw 1’ en (ongewijzigd) gelegen binnen ‘overstromingsgebied C’. De projectlocatie is indicatief met een rode belijning aangeduid.
De instructieregels voor realisatie van nieuwe woningen worden gewijzigd.
Instructieregels planvoorraad nieuwe woningen
De gewijzigde regels zijn hierna opgenomen waarbij de ontwikkeling wordt getoetst aan het ontwerp van de gewijzigde regels.
Artikel 12.1 Algemene instructieregels wonen
1. De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen in het landelijk gebied bevat een samenhangende integrale onderbouwing, programmatisch en ruimtelijk, voor het gehele grondgebied van de gemeente, waaruit blijkt welk gedeelte van de gemeentelijke woningbouwopgave in het stedelijk gebied of de landelijke kern gerealiseerd zal worden en welk deel niet en waarom niet.
2. De onderbouwing als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste:
een overzicht, met een toelichting, van de ruimtelijke kansen, belemmeringen en de prioritering van potentiële ontwikkellocaties voor woningbouw in het gehele grondgebied van de gemeente, uitgewerkt op een kaart;
een binnen de woningbouwregio regionaal afgestemde en door de gemeente vastgestelde lokale woningbouwprogrammering als uitwerking van het door Gedeputeerde Staten genomen besluit naar aanleiding van het provinciaal woningbouwbehoefteonderzoek dat elke drie jaar wordt uitgevoerd;
een analyse, met een toelichting, van de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw op onbebouwde plekken binnen het stedelijk gebied en de landelijke kern; en
een analyse, met een toelichting, van de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw op potentiële transformatielocaties.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bevat de motivering bij het omgevingsplan uiterlijk 1 januari 2032 een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De motivering bij een omgevingsplan beschrijft dat realisatie van de woningen beoogd is binnen een termijn van drie jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat wanneer deze termijn niet wordt gehaald, de gemeente de functie wonen heroverweegt en zo nodig bij de actualisatie van de programmering wijzigt.
5.Elk woningbouwplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen en deel uitmaakt van een omgevingsplan, wordt in de initiatieffase opgenomen in de monitoring woningbouw als bedoeld in afdeling 16.5.
Het plan Meuleveld is al geruime tijd in procedure. In deze motivering betreft de samenhangende integrale programmatische onderbouwing voor de ontwikkeling van Meuleveld in relatie tot het gemeentelijk woningbouwprogramma. De beoogde woningbouwontwikkeling is regionaal afgestemd en opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring.
De locatie Meuleveld is grotendeels gelegen binnen het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Kern Maasbree’ dat is opgenomen in het omgevingsplan. De ontwikkeling is al enige tijd in ontwikkeling. Op 12 november 2024 heeft de gemeenteraad een voorbereidingskrediet beschikbaar gesteld om de gebiedsontwikkeling van woningbouwproject Meuleveld te starten. Op 17 februari 2025 was de eerste bewonersavond over toekomstige woningbouw in het Meuleveld. Daarin zijn de uitgangspunten voor het plan gepresenteerd en besproken. Het afgelopen jaar heeft een uitgebreid participatieproces plaatsgevonden om te komen tot een stedenbouwkundig ontwerp. Er heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden met bewoners en belanghebbenden via bilaterale overleggen en via klankbordgroepbijeenkomsten. Ook is er een vragenlijst over woonwensen uitgezet, op basis waarvan veel input is verkregen. Daarnaast zijn afspraken gemaakt met partners zoals Wonen Limburg, Stichting Knarrenhof en WeDo Development B.V. In een drukbezochte bijeenkomst op 27 oktober 2025 is het stedenbouwkundig ontwerp aan belangstellenden gepresenteerd. Een van de opgaven uit de Omgevingsvisie Peel en Maas is ‘Goed wonen voor iedereen’. Onze ambitie is om vraag en aanbod van woningen meer met elkaar in balans te brengen ten behoeve van vitale gemeenschappen. Het realiseren van woningbouwlocatie Meuleveld draagt hieraan bij en geeft invulling aan de juiste woning op de juiste plek van de juiste kwaliteit. Het projectgebied is per 1 januari 2026 in eigendom van de gemeente. Het projectgebied is per 1 januari 2026 geheel in eigendom van de gemeente.
Artikel 12.2 Aanwijzing woningbouwregio’s
Als woningbouwregio’s als bedoeld in artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangewezen: Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg. De projectlocatie is aangewezen als gelegen binnen de regio Noord-Limburg. Dit is ongewijzigd.
Artikel 12.3 Instructieregels gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma
Bij het opstellen van het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma als bedoeld in artikel 3.6, derde
lid, van de Omgevingswet wordt het volgende in acht genomen:
het gemeentelijk aandeel in het aantal woningen, als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onder a, onder 1, van het Bal, in de woningbouwregio waartoe de gemeente behoort, wordt uitgewerkt op basis van het door Gedeputeerde Staten genomen besluit naar aanleiding van het provinciaal woningbouwbehoefteonderzoek dat elke drie jaar wordt uitgevoerd;
de gemeente actualiseert de woningbouwprogrammering iedere drie jaar;
de gemeente maakt afspraken met alle andere gemeenten in de woningbouwregio waartoe de gemeente behoort over het te realiseren aandeel woningen van de regionale opgave en daarbinnen het aandeel betaalbare woningen, waarbij op regionaal niveau sprake moet zijn van het toevoegen van twee derde betaalbare woningen en 30 procent sociale huurwoningen;
een programmeringsperiode van 10 jaar bevat circa 130% plancapaciteit om de gemeentelijke woningbouwopgave te realiseren. In een periode van vijf jaar dient ten minste 50% van deze plancapaciteit harde plannen te betreffen;
voor het inzichtelijk maken van de voortgang van de planning en realisatie van de gemeentelijke woningbouwopgave, als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onder b, van het Bal, wordt gebruik gemaakt van een door de Provincie Limburg ter beschikking gestelde monitoringsapplicatie.
Binnen het projectgebied worden 86 woningen gerealiseerd. Het programma voorziet in de realisatie van 2/3 betaalbare woningen en 30% sociale huur. Het woningbouwprogramma en de opzet van het plan is tot stand gekomen op basis van de inbreng van de gemeente, het advies van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit, de input van bewoners via de klankbordgroep en de visie van Bureau Verbeek, die het landschappelijk-stedenbouwkundig plan heeft opgesteld. De beoogde woningbouwontwikkeling is regionaal afgestemd en opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring.
Artikel 12.4 Instructieregels wonen in verwevingsgebied
1. De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen in een verwevingsgebied bevat naast de onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, een onderbouwing waaruit blijkt:
hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van enerzijds het stedelijk gebied of de landelijke kern en anderzijds het landelijk gebied en daarnaast qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie; en
dat de ontwikkeling grenst aan het stedelijk gebied of een landelijke kern of is gelegen in een bebouwingslint of bebouwingscluster.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, is niet van toepassing op:
het inpandig toevoegen van een of meerdere woningen in een monumentaal gebouw;
de huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten op een agrarische bouwkavel waar de te huisvesten short-stay arbeidsmigranten werkzaam zijn., mits de gemeente beschikt over een integrale samenhangende onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1 eerste of derde lid, en motiveert hoe de ontwikkeling past binnen deze onderbouwing; of
het toevoegen van een of meerdere woningen als dat een milieutechnisch of ruimtelijk knelpunt oplost.
De projectlocatie is gelegen in een verwevingsgebied in de Ontwerp Wijzigingsverordening 2026 Omgevingsverordening Limburg. De locatie ligt in relatie tot gemeentelijke plannen binnen de dorpskern Maasbree. De locatie ligt in een oksel tussen bestaande dorpslinten. De invulling van de woningbouwontwikkeling is in breed overleg met stakeholders tot stand gekomen en uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat de ontwikkeling que maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en identiteit van de locatie. Dit is meer uitgebreid toegelicht in pararaaf 2.4 van deze motivering. De ontwikkeling grenst aan (provinciaal aangeduid) stedelijk gebied aan de noord-, oost- en zuidzijde.
De Ontwerp wijzigingsverordening 2026 treedt naar verwachting in september 2026 in werking. Op het moment van ter inzage legging van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas 'deelgebied Meuleveld’ is de verordening nog niet van kracht. De doorwerking van de vastgestelde verordening wordt opgenomen in de motivering van de definitieve vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan. Waaronder het opstellen van een samenhangende integrale onderbouwing (SIO) voor het gehele grondgebied van de gemeente.
Voorliggend plan is niet strijdig met de provinciale regels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg en Ontwerp Wijzigingsverordening 2026 Omgevingsverordening Limburg en vormt een bijdrage aan de doelstellingen voor woningbouw.
Dit project is niet strijdig met de doelen en regelgeving van de provincie Limburg.
De Omgevingsvisie Peel en Maas is op 5 juli 2022 vastgesteld. De visie geeft richting aan de fysieke leefomgeving: wonen, werken, natuur, landschap, infrastructuur en maatschappelijke voorzieningen. De visie laat zien wat de gemeente Peel en Maas belangrijk vindt in de leefomgeving van nu en in de toekomst, en vormt het kader om plannen en ideeën te beoordelen en te ontwikkelen.
In de Omgevingsvisie heeft de gemeente drie opgaven opgenomen, waarvan de eerste drie opgaven overkoepelend zijn. Dit betreft de opgaven:
1. Zo worden we duurzamer
2. Een gezonde en veilige leefomgeving
3. Het versterken van natuur en biodiversiteit
4. Goed wonen voor iedereen
5. Toekomstgericht ondernemen
6. Balans in het buitengebied
De opgaven dienen niet los van elkaar beoordeeld te worden, maar juist in samenhang met elkaar. De gemeente Peel en Maas hanteert de eerste drie opgaven als overkoepelende leidende principes. Bij elke ontwikkeling moet bekeken worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaven kan worden geleverd.
Binnen de visie en daaraan verbonden programma’s staan wonen en woningbouwontwikkeling hoog op de agenda. De woningmarkt kent veel druk, vooral in het betaalbare segment. Voor het aspect woningbouw zijn de volgende speerpunten opgenomen:
Voldoende betaalbare en duurzame woningen beschikbaar voor alle doelgroepen; dit is opgenomen als een stap in de gemeentelijke kaderstelling voor Ruimte en het woonprogramma.
Vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen, zowel nu als op langere termijn
Gemeente schept voorwaarden en stimuleert initiatieven maar bouwt zelf geen woningen, dat gebeurt door ontwikkelaars, corporaties en particulieren.
Diverse woningtypen zijn gewenst: sociale huur, betaalbare koop, levensloopbestendige woningen en type woningen voor starters én doorstromers.
Naast nieuwbouw zet de gemeente ook in op herbestemming van leegstaande panden en het benutten van bestaande woningen.
De woningbouwontwikkeling past binnen de kaders van de omgevingsvisie. Het plan draagt bij aan de doelstelling goed wonen voor iedereen maar is opgesteld met het oog op het versterken van de biodiversiteit. De bestaande groene waarden zijn de onderlegger geweest voor uitwerking van het stedenbouwkundig en landschappelijk plan. Voor woningbouwontwikkelingen is er de voorkeur voor herstructeringslocaties. Daarvan is sprake van functiewijziging van de gronden die als sportveld zijn aangewezen.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas hebben het woningmarktonderzoek Peel en Maas versie 2025-2030 vastgesteld. Dit woningbouwmarktonderzoek is op 11 december 2025 gepubliceerd. Iedere twee jaar brengt de gemeente Peel en Maas de woningbehoefte in Peel en Maas in beeld. Dit woningmarktonderzoek geeft inzicht in de groei van de gemeente wat dit voor de woningmarkt betekent. Het laat ook zien wat de afgelopen periode gebeurd is op de woningmarkt in Peel en Maas. Het helpt ons om keuzes te maken voor de toekomst voor het juiste aantal woningen, van de juiste kwaliteit en voor de juiste doelgroep.
De conclusie uit het Woningmarktonderzoek is dat de vraag naar kleine, betaalbare woningen tot 2050 zal blijven stijgen. Dit is in navolgende tabel kwantitatief in beeld gebracht.
Deze ontwikkeling betreft het plan ‘Meuleveld’. Het plan Meuleveld is in nauwe samenwerking met stakeholders uitgewerkt en past binnen de woningbouwopgave voor Maasbree.
De Kaderstelling Ruimte is een strategisch beleidskader dat de gemeenteraad van Peel en Maas heeft vastgesteld voor de periode 2024–2034. Het biedt richting aan ruimtelijke ontwikkeling in de fysieke leefomgeving, zoals wonen, natuur, infrastructuur, landbouw en industrie. Het document is visie- en kaderstellend en vormt de basis waarop het college concrete jaarlijkse uitvoeringsafspraken maakt. De kaderstelling bundelt de gedeelde ambities van inwoners, ondernemers en organisaties en reflecteert drie kernwaarden van de gemeente, te weten: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Het kader biedt de beleidsmatige ‘stip op de horizon’ en de richting, maar de feitelijke invulling van aantallen en locaties wordt in andere instrumenten (woonvisie, woonprogramma’s, bestemmingsplannen) uitgewerkt binnen dit kader.
In de Kaderstelling ruimte zijn twee programma’s opgenomen: programma 1.1 Vitale leefomgeving en Programma 1.2 Beheer fysieke leefomgeving. Voor deze beide programma’s zijn programmadoelen opgenomen. Dit betreffende volgende doelen.
De gemeente is trots op de kwaliteiten die de leefomgeving vitaal maken en draagt dit uit. De fysieke leefomgeving ondersteunt een vitale gemeenschap. Gemeenschappen wonen, werken en verblijven er aangenaam met elkaar en geven zelf mee inhoud aan de ontwikkelingen en behoeftes in hun omgeving. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan een vitale gemeenschap en het goede leven in de gemeente Peel en Maas.
De vele opgaven die spelen, zoals woningbouw, landbouwtransitie, bedrijfsontwikkeling, natuurontwikkeling, energietransitie en klimaatadaptatie vragen om ruimte die schaars is. De opgaven worden in onderlinge samenhang opgepakt waarbij kwaliteit en toekomstbestendigheid leidend zijn.
De navolgende programmadoelen zijn opgesteld:
Programmadoel 1: Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt, met extra aandacht voor natuurinclusiviteit.
Programmadoel 2: Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt.
Programmadoel 3: De economische ontwikkeling is ondersteunend aan vitale gemeenschappen, in balans met ruimtelijke waarden en stimuleert een gezonde arbeidsmarkt.
Programmadoel 4: De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig.
Programmadoel 5: Peel en Maas is energieneutraal in 2050.
Programmadoel 6: Gezonde, veilige, toegankelijke en slimme(re) (collectieve) mobiliteit is beschikbaar in Peel en Maas.
Programmadoel 7: In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar.
De kwaliteit van de openbare ruimte is belangrijk voor het welbevinden. Elk dorp heeft zijn eigen karakter en het buitengebied is divers met landschappelijke kwaliteiten. Ontwikkelingen dienen aan te sluiten op ontwikkelingen in kernen en op de behoefte van inwoners, bedrijven en organisaties. Zo kan een leef-, werk- en vrijetijdsomgeving ontstaan die van en voor iedereen is en waar iedereen actief gebruik van maakt en zich mentaal eigenaar van voelt.
De navolgende programma doelen zijn opgesteld:
Programmadoel 1: Een kwalitatief goede, duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas.
Programmadoel 2: De openbare ruimte is van en voor iedereen, is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen.
Programmadoel 3: De openbare ruimte is klimaatbestendig.
Programmadoel 4: Afval is grondstof.
In woningbouwplan ‘Meuleveld’ past binnen de programma’s en programma doelen. Dit wordt in relatie tot het plan Meuleveld hierna nader toegelicht.
Programma 1.1 Vitale leefomgeving
Programmadoel 1: Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt, met extra aandacht voor natuurinclusiviteit
In het plan Meuleveld is in hoge mate sprake van een verhouding groen staat tot rood. Een groene en gezonde leefomgeving draagt bij aan een positieve gezondheid en het goede leven. Bomen en groen zijn positief voor de beleving, dragen bij aan een goede luchtkwaliteit, zorgen voor verkoeling en zetten aan tot bewegen en ontmoeten. In het plan is grote aandacht voor de natuur en biodiversiteit. Er is ruimte voor waardevol groen en waterberging aan de oppervlakte. De inrichting van plan Meuleveld draagt naast het versterken van de biodiversiteit en het voorkomen van wateroverlast, droogte en hittestress ook bij aan een gezondere en aantrekkelijkere leefomgeving. Met inrichting van het plan wordt bijgedragen aan het creëren van een samenhangend netwerk van groenblauwe structuren (aders) tussen bijzondere natuurwaarden en in de bebouwde omgeving in de kern Maasbree.
Programmadoel 2: Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt
De ontwikkeling van plan Meuleveld is tot stand gekomen na een uitgebreid proces van communicatie en participatie met gesprekken met stakeholders.
Programmadoel 4: De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig
Met realisatie van plan Meuleveld wordt beoogd een omgeving te creëren die uitnodigt om te bewegen, te spelen, te ontmoeten en te ontspannen. Bij de ontwikkeling worden klimaatadaptieve maatregelen toegepast..
Programmadoel 7: In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar
Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om de bestaande en nieuwe woningvoorraad in balans te brengen met de vraag en het aanbod van nu en voor de toekomst. Met realisatie van Plan Meuleveld wordt hieraan bijgedragen. De gemeente zet zich in om ook zo veel mogelijk inwoners in de eigen kern te kunnen laten wonen. Met realisatie van de grote omvang aan betaalbare woningen binnen plan Meuleveld wordt bijgedragen aan de balans te brengen met de vraag en het aanbod van nu en voor de toekomst. Kernwoorden hierbij zijn: zorgen voor en omkijken naar elkaar, hergebruik van bestaande bebouwing, levensloopbestendig, betaalbaar en duurzaam. Er is beperkt sprake van gestapelde bouw. De locatie voor deze gestapelde bouw is passend in relatie tot het plan en de bestaande kern.
Programma 1.2 Beheer fysieke leefomgeving
Plan Meuleveld sluit aan bij programmadoelen 1 (Een kwalitatief goede, duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas), 2 (De openbare ruimte is van en voor iedereen, is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen) en 3 (De openbare ruimte is klimaatbestendig). Met inrichting van het plan is sprake van een klimaatbestendige invulling met een hoge verhouding groen in relatie tot rood. Met inrichting van het gebied is aandacht besteed aan (langzaamverkeers-) ontsluitingen en uitnodiging tot bewegen.
De gemeente Peel en Maas vindt het van belang dat ieder initiatief zo veel mogelijk bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van een plek. Daarom is bij ieder initiatief dat niet rechtstreeks kan op basis van het Omgevingsplan Peel en Maas en dus via een BOPA of omgevingsplanwijziging mogelijk wordt gemaakt, het verplicht om ruimtelijke kwaliteit toe te voegen.
De invulling hiervan is opgenomen in de Gids Ruimtelijk Kwaliteit. Bij de totstandkoming van een initiatief wordt daarom gewerkt met twee categorieën voor kwaliteitsverbetering: basiskwaliteit en basiskwaliteit plus. Er moet sprake zijn van basiskwaliteit bij iedere ontwikkeling en functiewijziging binnen het bestaande bouwvlak, al dan niet een uitbreiding van het bouwvlak en eventueel het activiteitenvlak.
De invulling van de basiskwaliteit bestaat uit twee onderdelen:
De gebiedseigen principes, zoals beschreven in de Atlas Gebiedstypen
Een landschappelijke inpassing. Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan:
Als basis voor de omvang van de landschappelijke inpassing geldt dat er sprake moet zijn van 10% van de oppervlakte van de nieuwe bebouwing en verharding dan wel van de uitbreiding van het bouw- of bestemmingsvlak of betreffende oppervlakte van de functiewijziging. Ongeacht de hoogte van het percentage voor de landschappelijke inpassing moet de ontwikkeling aanvullend op de basiskwaliteit voorzieningen treffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek als gevolg van de nieuwe bebouwing en verharding.
Voor door de gemeenten aangeduide gebiedstypen rivier- en beekdal, bos- en mozaïeklandschap of bolle akker op de landschapskaart is sprake van een hoge cultuurhistorische waarde en deze gebieden zijn van groot belang voor de natuurwaarden van de gemeente Peel en Maas. Voor deze gebieden geldt een percentage van 15% wat betreft de landschappelijke inpassing van de oppervlakte van de nieuwe bebouwing en verharding dan wel van het totale bouw- of bestemmingsvlak bij uitbreiding of functiewijziging van het bouw- of bestemmingsvlak. Dit betreft de Basiskwaliteit plus. Indien er sprake is van overschrijding van de referentiematen die voor ontwikkelingen zijn opgenomen en die zijn gelegen in de aangeduide gebieden is sprake va neen basiskwaliteit plus-plus en geldt een te realiseren percentage van 20% aan benodigde inpassing.
Een gedeelte van het projectgebied is gelegen binnen de belijning van het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas, nu opgenomen in het omgevingsplan. Voor dit gedeelte geldt een kwaliteitsbijdrage in de vorm van een landschappelijke inpassing. Het programma ruimtelijke kwaliteit is hier van toepassing. De omvang van het gebied waarvoor het programma van toepassing is, is circa 3.413 m²groot. De kwantiteit van de inpassing bedraagt 10% van 3.413 m², dus 342m². Deze inpassing wordt gerealiseerd binnen de plangrens van dit plan, op de gronden die eerder zijn bestemd binnen het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas. De inpassing is weergegeven in het landschappelijke inpassingsplan dat onderdeel uitmaakt van plan Meuleveld.
De inpassing van het plan is omschreven paragraaf 2.4.3 van deze motivering en concreet uitgewerkt in het beeldkwaliteitplan en het landschappelijk inpassingsplan. Dit beeldkwaliteitplan en het Landschappelijk inpassingsplan zijn geborgd in de planregels van dit plan. De aanleg en instandhouding van de ruimtelijke kwaliteit is hiermee geborgd.
Dit project past binnen doelen en regelgeving van de gemeente Peel en Maas en draagt bij aan realisatie van passende en betaalbare woningen binnen de gemeente. Hieraan is grote behoefte.
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’. In de handreiking wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen, zónder een Lijst van activiteiten. Uitgangspunt is functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten meer of minder milieugebruiksruimte. Hiermee wordt duidelijk welke milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten in een gebied op grond van het omgevingsplan rechtstreeks worden toegelaten. De handreiking is gericht op de volgende soorten gebieden: bedrijventerreinen, andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerreinen), woongebieden en buitengebied.
Voor geluid en geur worden drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of zelfs geschikt is voor functiemenging:
Het projectgebied is gelegen binnen het omgevingstype rustige woonwijk. Ten opzichte van het projectgebied is geen sprake van bestaande bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving die van invloed zijn op het plan. Het projectgebied is omgeven door woonfuncties. Het dichtst tot het projectgebied is gelegen een bedrijfsfunctie in milieucategorie 1 en 2 gelegen op een afstand van 55 meter ten oosten van het projectgebied. Voor een bedrijf in milieucategorie 2 geldt in beginsel een richtafstand van 30 meter. Dit aspect vormt derhalve geen bezwaar.
Als gevolg van dit plan worden geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving.
Het aspect ‘activiteiten’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van het plan.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid Bkl niet worden overschreden.
Ten behoeve van dit plan is bodemonderzoek uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:
‘In januari en februari 2025 is een verkennend bodemonderzoek (asbest) uitgevoerd ter plaatse van de Molenstraat (ong.) te Maasbree. De onderzoekslocatie betreft de landbouwpercelen die zich ten zuiden van de Molenstraat 33 t/m 53 te Maasbree bevinden.
Conclusies
Deellocatie A
Ter plaatse van deellocatie A zijn geen van de onderzochte parameters in een verhoogd aangetoond. In het grondwater zijn verhoogde gehalten zware metalen en naftaleen aangetroffen. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is in de regio noord-Limburg een bekend verschijnsel. De verhoogde gehalten metalen betreffen vermoedelijk verhoogde achtergrondconcentraties. Voor de verhoogde gehalten naftaleen zijn geen duidelijke bronnen bekend.
Deellocatie B
Ter plaatse van deellocatie B zijn in de bodem verhoogde gehalte minerale olie en PCB aangetoond. Vermoedelijk zijn deze verhoogde gehalten ontstaan door de bouw- en sloopactiviteiten. In het grondwater zijn verhoogde gehalten zware metalen en naftaleen aangetroffen. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is in de regio noord-Limburg een bekend verschijnsel. De verhoogde gehalten metalen betreffen vermoedelijk verhoogde achtergrondconcentraties. Voor de verhoogde gehalten naftaleen zijn geen duidelijke bronnen bekend. Er is verder zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest in de bodem aangetoond. De locatie is derhalve niet meer verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest.
Resumé
De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.
Aanbevelingen
De kwaliteit van de bodem is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodemonderzoek te adviseren.’
Door HBM is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voor gedeelten van het plangebied in aanvulling van het eerder uitgevoerde onderzoek. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna samengevat opgenomen.
Deelconclusie asfaltonderzoek
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat het asfalt ter plaatse van de verschillende rijbanen homogeen van opbouw is. Het asfalt is teervrij.
Deelconclusie funderingsonderzoek
Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de rijbanen van de Molenstraat, de Westerlinglaan en de toegangswegen een funderingslaag bestaande uit puingranulaat c.q. niet-vormgegeven bouwstof aanwezig is met een gemiddelde dikte van 0,2 á 0,45 meter. De milieuhygiënische kwaliteit van de onderzochte niet-vormgegeven bouwstoffen voldoet indicatief aan de normen voor een niet vormgegeven bouwstof en zijn derhalve herbruikbaar. In het funderingsmateriaal zijn zowel zintuiglijk als analytisch geen asbesthoudende materialen aangetroffen/aangetoond. Het puingranulaat op alle vier de deellocaties is geschikt voor hergebruik als niet-vormgegeven bouwstof.
Voor vijf deellocaties is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De deellocaties verwijzen naar de locaties zoals opgenomen op de kaart in het onderzoek. De conclusie uit dit onderzoek is hierna opgenomen.
De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning en de voorgenomen (grond)werkzaamheden. Wel dienen de te verwachten verschillende kwaliteiten grond gescheiden ontgraven en, indien nodig, gescheiden opgeslagen en/of afgevoerd te worden. Voor de werkzaamheden in de grond onder de interventiewaarde gelden de regels uit de Omgevingswet voor ‘graven onder interventiewaarde’. Op basis van de analyseresultaten en de toetsing aan de CROW 400 zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen, naast de basishygiëne, van toepassing.
De kwaliteit van de bodem is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om asbest in grondonderzoek of nader bodemonderzoek te adviseren.
Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van het plan.
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidbelasting is in de Omgevingswet een afweging die gemeenten zelf moeten maken. Gemeenten dienen dus voor elke locatie in de gemeente gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels op te nemen in het omgevingsplan. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Bkl heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer andersom nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 5.1 is ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten.
Bij voorliggend project is in vergelijking met de bestaande situatie sprake van het realiseren van een nieuw geluidgevoelige gebouwen. Er is sprake van de ligging in een geluidaandachtsgebied van (spoor)weg of gezoneerd industrieterrein. In dat kader is ten behoeve van het project een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:
Uit de toets in het kader van de gevelbelasting blijkt:
Ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen wordt voldaan aan de standaardwaarde. Er hoeven daarom geen maatregelen getroffen te worden. Omdat het gezamenlijk geluid kleiner of gelijk is aan 53 dB, is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd.
Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV is een akoestisch onderzoek warmtepompen uitgevoerd naar het effect van de buitenunits van warmtepompen in de toekomstige situatie voor woningbouwontwikkeling ‘Meuleveld’.
Het onderzoek brengt de in de omgeving optredende geluidniveaus ten gevolge van de warmtepompen in de toekomstige situatie in kaart en toetst deze aan de geldende geluidnormen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de gegevens welke zijn verstrekt door de opdrachtgever. Op basis van deze gegevens is middels een geluidoverdrachtsmodel een berekening gemaakt van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT.
Het maximale geluidsvermogen (LWA) van de warmtepompen is vastgelegd in de Ecodesign Directive Commission Regulation (EU) No 206/2012: 65 dB(A) voor pompen tot 6 kW en 70 dB(A) voor pompen van 6 kW tot 12 kW.
Dit rapport met datum 18 maart 2026 en rapportnummer ROM250267.001.001.004/JME behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen.
In het onderzoek is gekeken naar de geluiduitstraling van de te realiseren buitenunits van de warmtepompen op de omgeving en het plan zelf. Met de gehanteerde uitgangspunten, zijnde een bronvermogen conform tabel 3, een ‘silent-/nachtmodus’ en geen tonaal geluid, wordt op basis van de gecumuleerde rekenresultaten voldaan aan de gestelde norm uit het Bal. Tevens is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Tegenwoordig hebben de meeste warmtepompen een lager bronvermogen en zijn er ook vaker warmtepompen die standaard zijn ingebouwd in een omkasting, wat kan zorgen voor een aanzienlijke vermindering in de geluiduitstraling.
Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van dit plan.
Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden. Echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. In het Bal zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.
Het projectgebied ligt binnen een oksel van de kern Maasbree en grenst direct tegen het stedelijk gebied. In de omgeving van het projectgebied liggen geen veehouderijbedrijven. Het dichtst tot het projectgebied gelegen bedrijf is gelegen op een afstand van meer dan 600 meter tot het projectgebied. Navolgende figuur geeft een kaart met de ligging van veehouderijbedrijven rondom Maasbree. Het projectgebied is met een rode contour aangeduid.
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Tevens dient voldaan te worden aan de aan te houden vaste afstanden van bedrijven tot toe te voegen gevoelige functies.
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. In de omgeving van het projectgebied liggen geen veehouderijbedrijven waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. Op 900 meter is een varkensbedrijf gelegen. Op een dergelijke afstand is de achtergrondbelasting geen bezwaar.
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (de dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Binnen een afstand van 900 meter tot het projectgebied liggen geen veehouderijbedrijven. Er mag redelijkerwijs worden aangenomen dat de voorgrondbelasting nihil is. Dit aspect vormt geen bezwaar.
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. Tussen het projectgebied en de omliggende veehouderijbedrijven liggen reeds meerdere gevoelige gebouwen waardoor er geen beperkende factor is.
Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van dit plan.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waar endotoxinen onderdeel van uit maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit die veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxinen door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.
In de omgeving van het projectgebied liggen geen veehouderijbedrijven. Er reiken geen endotoxinecontouren tot het projectgebied. Er is geen sprake van de aanwezigheid van endotoxinencontouren.
Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer dan gemiddeld kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van longontstekingen in relatie tot geitenhouderijen en een integrale aanpak voorhanden is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met de uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige functies in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.
In de omgeving van het projectgebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Dit aspect vormt geen bezwaar.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
Aan de westzijde grenst het projectgebied aan agrarisch aangewezen gronden. Het is mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen op deze gronden. Ten behoeve van het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vindt inwaartse zonering plaats. Het woningbouwplan wordt zodanig gedimensioneerd dat er geen woningen worden gesitueerd op een afstand van 50 meter tot agrarische gronden.
Binnen het plangebied ligt wel nog een agrarische aangewezen functie. Op deze agrarische gronden is in overleg met de eigenaar van deze grond een spuitvrije zone in dit plan opgenomen. Hiermee wordt geborgd dat er geen gewasbeschermingsmiddelen meer gebruikt mogen worden op dit perceel. Daardoor vormt het aspect gewasbeschermingsmiddelen geen probleem.
Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving. Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor ‘magneetvelden’ geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen tot 15 jaar langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van ‘geluid’ geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.
De dichtst bij het projectgebied gelegen hoogspanningslijn is gelegen op een afstand van circa 1.900 meter ten oosten van projectgebied en heeft hiermee geen invloed op dit plan.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl).
Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Verkeer over een oneffen wegdek kan ook trilling veroorzaken. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheid, zoals bij een brug. Meestal speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing.
In de omgeving is geen sprake van bedrijven of verkeersverbindingen die zware trillingen kunnen veroorzaken. Dit aspect is niet van invloed op dit plan.
Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit mee te nemen in de beoordeling of met een plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl.
Volgens paragraaf 5.1.4.1 gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO²) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarde;
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).
NIBM
Toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (NO2 en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.
Daarnaast is er in artikel 5.54 Bkl een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Het toelaten van activiteiten leidt in ieder geval tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 μg /m³ of minder als bedoeld in artikel 5.53 Bkl voor zover het gaat om een verhoging als gevolg van het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.
Er worden met dit plan 86 woningen toegevoegd aan één hoofdontsluitingsweg. Daarmee is er sprake van een plan in NIBM. Het aantal woningen bedraagt minder dan 1.500 woningen.
Aandachtsgebieden
Het projectgebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect is daarmee niet relevant voor deze aanvraag.
Uitgezonderde locaties (blootstelling)
Binnen het projectgebied is sprake van een woningbouwplan voor 86 woningen. Er is geen sprake van een uitgezonderde locatie. De luchtkwaliteit dient te worden beoordeeld. Er gelden de volgende
grenswaarden voor fijnstof:
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 μg/m³.
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 μg/m³. De concentratie fijnstof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 μg/m³.
Navolgende figuren betreffen uitsneden van van de kaarten met de waarden voor fijnstof voor het projectgebied en de omgeving hiervan.
Binnen het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 14-15 μg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8-9 μg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarden. De realisatie van dit plan is in het kader van fijnstof geen bezwaar.
Stikstofdioxide
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft voor stikstofdioxide een maximale grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 40 μg/m³. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de waarden voor stikstofdioxide voor het projectgebied en de omgeving hiervan.
Binnen het projectgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 10-12 μg/m³. Hiermee is geen sprake van overschrijding van de wettelijke waarde. De realisatie van dit plan is in het kader van de uitstoot van stikstofdioxide geen bezwaar.
Het aspect ‘beschermen van de gezondheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van dit plan.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de ‘feitelijke’ risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren.
Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crises, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.
Navolgende figuur geeft een uitsnede uit de kaart voor omgevingsveiligheid weer, waarop de ligging van het projectgebied in een rode cirkel is aangeduid.
Activiteiten
Het projectgebied is op de kaarten externe veiligheid van de Atlas Leefomgeving niet gelegen in een aandachtsgebied van een risicovolle bron met betrekking tot omgevingsveiligheid.
Transport van gevaarlijke stoffen over wegen
In de omgeving van het projectgebied is geen spoorweg aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. In de omgeving van het projectgebied zijn geen grotere doorgaande wegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In de omgeving van het projectgebied zijn geen waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden.
Transport via buisleidingen
Ten westen van het projectgebied zijn drie buisleidingen gelegen. De afstand tot het projectgebied bedraagt circa 700 meter. Daarmee is er geen sprake van aandachtsgebieden die reiken tot het projectgebied. Het projectgebied is buiten de risicocontouren van deze leidingen gelegen. Dit is ook kenbaar gemaakt in voorgaande figuur.
Ontplofbare oorlogsresten
Binnen het projectgebied is een onderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna opgenomen.
‘In de categorie B-Terreinen zijn 280 significante verstoringen geïdentificeerd. 44 Verstoringen bevinden zich dieper dan 50 cm onder het maaiveld. Geadviseerd wordt de diepere verstoringen te benaderen door een opsporingsteam met ondersteuning van een graafmachine en de overige objecten door een opsporingsteam.
De 4.580 m2 welke is aangemerkt als categorie C-terrein adviseren wij laagsgewijze detectie onder begeleiding van een opsporingsteam met ondersteuning van een graafmachine tot de verstoorde laag verwijderd is. Het onverstoorde deel wordt vervolgens onderzocht door een opsporingsteam middels realtime detectie en benaderen. Het C-terrein komt overeen met de ligging van voormalige (naoorlogse) bebouwing. Vermoedelijk wordt de verstoring veroorzaakt door restanten van deze (naoorlogse) bebouwing.
Euroradar heeft 4.791 m2 van het opsporingsgebied niet kunnen inmeten, in verband met een recent ingezaaid perceel. Geadviseerd wordt het niet ingemeten gebied, daar waar bodemroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden, in een latere fase te laten onderzoeken door een opsporingsteam middels non-realtime detectie en benaderen.’
Navolgende figuur geeft een beeld van het onderzochte termijn met daarin bovenstaande conclusies grafisch in beeld gebracht.
In samenhang met de uitvoering van het archeologisch proefsleuvenonderzoek is het nader onderzoek uitgevoerd. In navolging hiervan is het Proces Verbaal van Oplevering opgesteld (Euroradar, EU24- 686-PVO-01, 2‑2‑2026) en zijn de gronden vrijgegeven in relatie tot onderzoek naar explosieven.
Binnen het projectgebied worden 86 woningen gerealiseerd. De verkeersgeneratie voor deze ontwikkeling is berekend op basis van de CROW parkeerkencijfers uit publicatie 744. Voor berekening van de verkeersgeneratie is de navolgende woningbouwtypologie gehanteerd.
Voor deze verkeersgeneratie is het volgende gehanteerd.
* Voor de levensloopbestendige woningen in een maatschappelijke woonvorm wordt een mix in huur en koop gehanteerd. Hierbij is een verdeling van 50% aangenomen.
De woningbouwontwikkeling genereert een verkeersgeneratie van 475 voertuigen per etmaal. Dit is weergegeven in navolgende tabel.
De verkeersstructuur volgt het stedenbouwkundig raamwerk. Er is sprake van een ‘hoofdstraat’ waaraan de rest van de straten binnen woningbouwlocatie aan verbonden worden. Het autoverkeer wordt alleen via noordwestelijke hoek van de planlocatie ontsloten. Er is een calamiteitenroute aanwezig aan de noordoostzijde van de planlocatie aanwezig. Het zuiden van de planlocatie wordt aangesloten op bestaande langzaamverkeersroutes. Op navolgende figuur is dit afleesbaar.
Na het verlaten van het projectgebied zal het autoverkeer zoveel mogelijk worden afgewikkeld richting de Heezestraat, om de verkeersdruk op de Molenstraat en in de dorpskern Maasbree te beperken. Van daaruit voegt het verkeer zich op de provinciale N275. Op deze manier is er sprake van een goede verkeersafwikkeling.
De te hanteren parkeernorm is een parkeernorm die overeenkomt met zowel de norm van de gemeente en als die van CROW 744 Parkeerkencijfers 2024. Op basis van de Crow-normen dient rekening te worden gehouden met de volgende parkeernormen.
Bij de vrijstaande- en twee-onder-een-kap woningen in deelgebied 1 kunnen ten minste 16 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Het gaat dan om één parkeerplaats per woning. De overige 131 parkeerplaatsen worden in het openbaar gebied gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zijn opgenomen in het stedenbouwkundig plan. Dit plan voldoet aan de parkeernormen.
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r. is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (m.e.r.). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r.. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming.
Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:
De beoogde herontwikkeling voorziet in de realisatie van in totaal 86 woningen. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient dan ook te worden uitgevoerd.
Inleiding
Conform bijlage III van de EU-richtlijn dient in het bijzonder in overweging te worden genomen:
de omvang van het project;
cumulatie met andere projecten;
het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
de productie van afvalstoffen;
verontreiniging en hinder;
risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
De omvang van het project
Het plan heeft betrekking op realisatie van in totaal 86 woningen nabij de bebouwde kom van Maasbree. Het projectgebied bevindt zich te midden van bestaande woningbouw, in een oksel tussen wegen die nu nog als sportveld is aangewezen.
Cumulatie met andere projecten
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Daarvoor is de onderlinge afstand te groot. Er zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling.
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving zal plaatsvinden op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. De appartementen worden gerealiseerd met steenachtige materialen, staal en hout. Grondstoffen die niet bijzonder schaars zijn. Wat betreft energie stimuleert de gemeente het gebruik van duurzame (energie)systemen. De woningen worden gasloos uitgevoerd.
De productie van afvalstoffen
Bij de beoogde herontwikkeling worden geen stoffen, methoden of technologieën gebruikt waardoor afvalstoffen of emissies vrijkomen.
Verontreiniging en hinder
Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en trillingen gedurende de dagperiode. Beoogd wordt dit tot een minimum te beperken.
Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën
Woningen zijn geen risicobron. Er zijn geen belemmeringen vanuit het plaatsgebonden risico ten aanzien van activiteiten, transportassen en buisleidingen.
Plaats van de activiteit
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn,
moet in het bijzonder in overweging worden genomen:
het bestaande grondgebruik;
de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;
het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige gebieden, in dit geval Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Binnen het projectgebied is in de huidige situatie sprake van een sportfunctie. Er is geen sprake van een kwetsbare locatie. Binnen het projectgebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel effect hebben op het project. Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert.
Kenmerken van de potentiële effecten
Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar:
het bereik van het effect
het grensoverschrijdende karakter van het effect
de waarschijnlijkheid van het effect
de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het project
Het bereik van het effect betreft de zeer nabije directe omgeving van het projectgebied. Er is geen sprake van een grensoverschrijdende karakter van de ontwikkeling. Uit deze motivering en de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving zeer klein is. Hierna wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.
Er is in voldoende mate inzicht verkregen in de milieugevolgen van de beoogde herontwikkeling van het woningbouwplan. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’. De effecten blijven beperkt tot het projectgebied en de directe omgeving daarvan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.- procedure.
Het aspect ‘m.e.r.’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplanvoor realisatie van dit plan.
In artikel 5.37 Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van een plan voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het projectgebied is gelegen binnen het beheergebied van Waterschap Limburg.
Het waterplan behorend bij deze ontwikkeling is in de bijlage bij deze motivering opgenomen. In dit waterplan is het waterschapsbeleid beleid opgenomen.
Door Pouderoyen-Tonnaer is een waterplan voor deze ontwikkeling opgesteld op basis van een daarvoor uitgevoerd infiltratieonderzoek.
‘Uit de gemeten doorlatendheden blijkt, dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van het bouwplan Meuleveld te Maasbree. Het infiltreren zou op basis van de uitgevoerde testen, direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden. Een gereguleerde voeding/afvloeiing middels een wadi is daarbij opportuun.’
In navolging van het infiltratieonderzoek is het waterplan opgesteld. Dit waterplan met projectnummer POU250267.002.001/ASA en datum 4 maart 2026 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusie uit dit waterplan is hierna opgenomen.
‘Uit voorliggende waterparagraaf blijkt duidelijk dat diverse regelgeving voor wat betreft de waterhuishouding van toepassing is binnen het projectgebied. Uit de diverse beleidstukken (nationaal, provinciaal, gemeentelijk en van het waterschap) blijkt dat het voornemen plaatsvindt in een gebied zonder waterschapsbelangen.
De te verwerken hoeveelheid hemelwater dient op basis van de uitgangspunten van de gemeente Peel en Maas 1.463,15 m³ te bedragen. Uit de onderzoeken blijkt dat de waterdoorlatendheid van de ondiepe ondergrond goed is (1,56 – 4,60 m/dag).
Het hemelwater kan dan ook worden opgevangen in een aantal voorzieningen met voldoende capaciteit waarna het kan infiltreren in de ondiepe bodem. Uit de (worst-case)berekeningen blijkt dat deze voorziening een leeglooptijd heeft van 0,53 dag = 12,64 uur.
Gelet op het waterplan behoeft als gevolg van het realiseren van onderhavig bouwplan geen problemen te worden verwacht met betrekking tot het aspect waterhuishouding.’
In het plan Meuleveld is veel aandacht voor hemelwaterberging. Binnen het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met ruimte voor de opvang van hemelwater. Aan de voorzijde zijn in totaal vijf voorzieningen ingetekend waarin het hemelwater kan worden opgevangen en kan infiltreren in de bodem. Navolgende figuur geeft de hemelwatervoorzieningen binnen het projectgebied weer.
Het projectgebied is in de huidige situatie onbebouwd. Voor de aanleg van 86 nieuwe woningen worden voorzieningen voor afvoer van afvalwater aangelegd.
Het aspect ‘water’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde afwijking van het omgevingsplan. Met het aspect water is rekening gehouden in de landschappelijke en stedenbouwkundige uitwerking. Er worden geen problemen voor de omgang met hemelwater verwacht.
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed, voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan.
In het Bkl staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
verplaatsing van beschermde monumenten;
gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Op grond van het omgevingsplan geldt binnen het projectgebied de waarde ‘Waarde – Archeologie 4’. De regels van deze waarde-aanduiding schrijven archeologisch onderzoek voor bij bodemverstoring dieper dan 40 centimeter en met een groter oppervlak dan 250 m2. Binnen het projectgebied vindt met de realisatie van het bouwplan overschrijding van deze waarden plaats. De beleidskaart van de gemeente Peel en Maas geeft grotendeels een hoge archeologische verwachtingswaarde voor het projectgebied. Archeologisch vooronderzoek is noodzakelijk voor deze ontwikkeling.
Door RAAP is een Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase uitgevoerd. Op grond van het verrichte archeologische onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
‘Resultaten
Het projectgebied bevindt zich in het noord-limburgse dekzandgebied. Het ligt op een hoog gelegen dekzandrug. Op deze dekzandrug heeft zich een hoge zwarte enkeerdgrond gevormd, ook wel plaggendek, of esdek genoemd, met daaronder een inspoelingslaag en ter plaatse van twee boringen resten van een podzolprofiel.
Het projectgebied en de directe omgeving kent een rijke archeologie. Circa 20 m ten oosten daarvan ligt de historische kern (uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd) van Maasbree: een archeologisch monument van hoge waarde. In en rondom het projectgebied heeft een karterend booronderzoek plaatsgevonden, dat heeft geresulteerd in een proefsleuvenonderzoek direct ten noorden en oosten van het projectgebied. Dit leverde sporen en vondsten op uit het neolithicum, de ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en de nieuwe tijd.
In het projectgebied is er geen sprake van een gradiëntzone. Ook zijn er bij eerder onderzoek in en in de omgeving van het projectgebied geen werktuigen van jager-verzamelaars gevonden. Derhalve geldt er lage verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars. Vanwege de aanwezigheid van een esdek, en de bekende archeologische resten vanaf het neolithicum in en direct rondom het projectgebied, geldt er een hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers. Denk daarbij aan resten van bewoning, begraving, ambacht, landbouw en infrastructuur.
Advies
Rekening houdend met een buffer van 30 cm, kunnen bodemingrepen dieper dan 50 cm resulteren in de aantasting van eventueel aanwezig archeologische resten. Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm wordt er een archeologisch proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de geplande bodemingrepen aangeraden.
In navolging van dit onderzoek is vervolgonderzoek op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen uitgevoerd. Dit onderzoek, uitgevoerd door RAAP, met rapportnummer 0925-6229 en datum 5 maart 2026 behoort als bijlage bij deze motivering. De conclusies uit dit onderzoek zijn hierna samengevat opgenomen.
Resultaten
Het plangebied werd onderzocht middels 21 proefsleuven met een gezamenlijk oppervlakte van 2.221,49 m². Het plangebied ligt in het Noord-Limburgse dekzandgebied ter plaatse van een dekzandrug. Vanwege de hoge en droge gunstige ligging, en het voorkomen van relatief lemig dekzand, is het van oudsher een gunstige locatie om te wonen en aan landbouw te doen. Het is dan ook logisch dat er hoge zwarte enkeerdgronden voorkomen, die getypeerd worden door een dik humeus plaggendek (ook wel esdek genoemd), dat in het plangebied tussen 0,6 en 1,3 m dik is. Onder het plaggendek komt, met uitzondering van het uiterste noordwesten van het plangebied, een oudere middeleeuwse akkerlaag voor (doorgaans tussen 0,2 en 0,45 m dik), die sterk gebioturbeerd is (moderpodzol). De akkerlaag en de bioturbatielaag (moder B-horizont) werden tijdens onderhavig onderzoek samen gedocumenteerd als S8000, omdat er onderling geen onderscheid te maken was.
Onder de oude akkerlaag / moder B-horizont werd in de top van het ongeroerde dekzand (doorgaans de C-horizont) archeologische sporen gedocumenteerd, bestaande uit negen paalkuilen, een kuil en drie greppels. De aangetroffen paalkuilen en kuil werden geïnterpreteerd als nederzettingsresten uit de periode ijzertijd t/m Romeinse tijd. Ze werden gedateerd op basis van de oudste vondsten uit de middeleeuwse akkerlaag (opspit). De nederzettingsresten werden verspreid in het gebied aangetroffen (WP 4, 21, 27 en 28) en sluiten aan bij eerdere bevindingen van archeologisch onderzoek in de directe omgeving. Het plangebied maakte wellicht deel uit van een ruimer gebied waar verspreide bewoning (erven) aanwezig was. Concrete erven kunnen op basis van de summiere resultaten niet (meer) begrensd worden. Een aanzienlijk deel van het bodemarchief is namelijk opgenomen in de latere akkerlaag (en wellicht ook het plaggendek). Daarnaast zijn ook verspreid in het gebied drie ondiepe NZ georiënteerde greppels aangetroffen, met een gelijkaardige grijsbruine vulling als de akkerlaag.
De greppels worden op basis van geassocieerd aardewerk gedateerd in de periode 950-1250, net zoals het meeste middeleeuwse aardewerk uit de akkerlaag. Ze worden daarom in verband gebracht met de middeleeuwse ontginning van het gebied, die in de genoemde periode zal zijn gestart. Het is hierbij aannemelijk dat in de ijzertijd en/of Romeinse tijd hier ook al werd geakkerd, maar wellicht zijn de oudste akkerlagen of cultuurlagen opgenomen in de middeleeuwse akkerlaag. De jongste middeleeuwse vondsten in de akkerlaag tonen aan dat deze tot in de 13e eeuw in gebruik moet zijn geweest. Vanaf de late middeleeuwen is geleidelijk aan het humeuze plaggendek opgeworpen.
De resultaten van onderhavig proefsleuvenonderzoek sluiten aan bij de bevindingen van eerder uitgevoerde proefsleuvenonderzoek in de directe omgeving. Op basis van het aanwezige vondstmateriaal in de greppels en de akkerlaag, werden deze nu wel in de middeleeuwen gedateerd, en niet meer in de periode ijzertijd t/m Romeinse tijd. De vooropgestelde hoge archeologische verwachting voor het plangebied kon door de aanwezigheid van archeologische (nederzettings)resten worden bevestigd, alleen bleek de gaafheid van de bodem door de aanwezigheid van een relatief dikke akkerlaag en sterke bioturbatie tegen te vallen.
Conclusie is, gezien de verspreide aanwezigheid van sporen in het gebied alsook het ondiepe karakter van de sporen, dat een aanzienlijk deel van de oorspronkelijke sporen is opgenomen in de akkerlaag / moder B-horizont. Vanwege de slechte gaafheid scoort de vindplaats zowel voor fysieke als inhoudelijke kwaliteit niet bovengemiddeld, en worden de resten als niet-behoudenswaardig gewaardeerd.
Advies
Vanwege het uitblijven van een behoudenswaardige vindplaats wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Er wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.
Op basis van het uitgevoerd onderzoek kan het projectgebied worden vrijgegeven voor archeologie. Archeologische resten kunnen nooit worden uitgesloten: indien bij de uitvoering van de werkzaamheden tegen alle verwachtingen in toch archeologische resten (grondsporen, vondsten) worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Deze vondstmelding dient dan zo spoedig mogelijk te gebeuren.
Het projectgebied is in de huidige situatie aanwezen als sportveld en momenteel in gebruik als akkerland. Uit gegevens van de Provincie Limburg (Cultuurhistorische Waardenkaart) blijkt dat de omgeving van het projectgebied enige cultuurhistorische waarde heeft. De omgeving kent een sinds 1830 matig veranderd verkavelingspatroon. Daarnaast blijkt dat het tracé van de Westeringlaan te stammen uit de periode voor 1806. Middels het plan worden geen ingrijpende aanpassingen aan deze bestaande structuren beoogd. Binnen het projectgebied is een groenstructuur aanwezig die behouden blijft en versterkt wordt met deze ontwikkeling. Door dit plan gaan derhalve geen belangrijke cultuurhistorische waarden verloren.
Het aspect ‘cultureel erfgoed’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van dit plan.
Ter bescherming van de natuur zijn in Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten-/diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en deHabitatrichtlijn (92/43/EEG).
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk.
Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren óf er soorten aanwezig zijn en indien aanwezig, welke soorten dat zijn.
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Voor dit project is door Aelmans Milieu een quickscan flora en fauna verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. Op grond van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken een aanbevelingen gedaan:
Conclusies en aanbevelingen
Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel Meuleveld te Maasbree kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen woningbouwontwikkeling een negatieve invloed heeft op beschermde soorten en natuurgebieden vanuit de Omgevingswet. Voorafgaand aan de ingreep zullen maatregelen genomen moeten worden zoals benoemd in de tabel 3 in hoofdstuk 5, waaronder een nader onderzoek naar de alpenwatersalamander, boombewonende vleermuizen, das en steenmarter (indien niet binnen de vrijstellingsperiode van de steenmarter gewerkt kan worden).
Voor de rugstreeppad wordt geadviseerd om tijdelijke plassen en poelen te voorkomen tijdens de geplande werkzaamheden. Dit om te voorkomen dat deze soort in deze tijdelijke plassen eieren kan afzetten.
Voor de geplande ingreep worden enkele bomen en struiken gerooid welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 11.37 van het Bal is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is zal er een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.
Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Een ecoloog kan voor aanvang van de geplande werkzaamheden het projectgebied na lopen en aanwezige amfibieën of grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omliggend gebied. Dit voorkomt dat deze dieren gedood worden door het werkverkeer. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden.
Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan de nieuwe woningbouwontwikkeling meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook aan het aanplanten van inheemse bomen en struiken én het gebruik van open bestrating.
In navolging van het uitgevoerde onderzoek vindt momenteel vervolgonderzoek plaats. De conclusies worden na gereedkoming van dit onderzoek samengevat opgenomen in deze motivering. Een tussenevaluatie met het uitgevoerd onderzoek en de conclusies tot dusver is opgenomen in de bijlagen bij deze motivering. De conclusies uit deze tussenevaluatie zijn hierna opgenomen.
Voorlopige conclusies nader onderzoek
Binnen het plangebied is een vaste verblijfsplaats aanwezig van een steenmarter. De das en alpenwatersalamander hebben geen vast habitat binnen het plangebied. Langs het plangebied is een verblijfsplaats van de rosse vleermuis aangetoond. Deze bomen blijven behouden waardoor de ontwikkeling (voorlopig) niet leidt tot een verlies aan verblijfsplaatsen van boombewonende vleermuizen. Het vleermuisonderzoek zal worden voortgezet in de periode 15 augustus t/m september. In oktober wordt verwacht dat de definitieve conclusies in een rapport worden opgeleverd.
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan Rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Bal). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Bal).
Het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel is het meest nabij het projectgebied gelegen Natura 2000-gebied. Dit gebied ligt op een afstand van circa 8 kilometer van het projectgebied. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van Natura 2000-gebieden ten opzichte van het projectgebied.
Het Limburgs Natuur Netwerk is niet gelegen in de directe nabijheid van het projectgebied. Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met de ligging van het Natuur Netwerk ten opzichte van het projectgebied.
Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op natuurgebieden (LNN/ Natura 2000).Er is dus geen sprake van een Natura 2000-activiteit. De ruimtelijke ontwikkeling leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie op de naburige Natura 2000 gebieden. Om te bepalen of dit het geval is, is een Aerius-berekening uitgevoerd.
Voortoets stikstof
Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
Ten behoeve van dit plan is door Pouderoyen-Tonnaer een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. De conclusie uit dit onderzoek luidt:
Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van het plan kunnen overige effecten voor Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Uit de stikstofberekeningen die gebaseerd zijn op worstcase uitgangspunten volgen geen stikstofdeposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar.
Significante nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen passende beoordeling vereist. De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan is uitvoerbaar ten aanzien van Natura 2000-gebieden.
Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnbvergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden.
Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen Rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen.
Bomenkap is slechts aan de orde in die gevallen dat de houtopstand niet behouden blijven en vindt plaats na een uitgevoerde bodeminventarisatie binnen het projectgebied. De bestaande bomenrij wordt versterkt. Per saldo is er met dit plan sprake van een substantiële toevoeging van houtopstanden.
Het aspect ‘natuur’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van dit plan.
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen;
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming en droogte.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.
Er wordt met ontwikkeling van plan Meuleveld onder andere ingezet op zoveel mogelijk eigen energie opwekken. Collectieve systemen kunnen piekverbruik beperken. Er wordt binnen het plan slechts verharding opgenomen waar dit noodzakelijk is. Het projectgebied wordt hoogwaardig groen ingericht, wat een positief effect heeft op het gebied tegen hittestress, hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd.
Het aspect ‘duurzaamheid en klimaat’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan ten behoeve van realisatie van dit plan.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken. Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.
Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd. De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen.
Het ontwerp voor het plan is opgesteld met als meegeven ontwerpvoorwaarde dat het ontwerp moet stimuleren tot wandelen, fietsen, spelen en ontmoeten in de openbare ruimte. De fysieke leefomgeving wordt zodanig gevormd dat deze bestaat uit een duurzaam ingerichte openbare ruimte met behoud van de lokale identiteit. Er is rekening gehouden met veiligheid, groen en er is een mogelijkheid tot een ommetje. Met dit worden nieuwe langzaamkeersontsluitingen gerealiseerd die de wijk aan de noord- en zuidzijde ook ontsluiten aan de kern Maasbree.
Het aspect ‘positieve gezondheid’ vormt geen belemmeringen voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan voor realisatie van dit plan.
Artikel 4.25 van het Omgevingsbesluit en artikel 16.15 van de Omgevingswet regelen samen het advies en de instemming van Gedeputeerde Staten. Dit plan is voor vooroverleg besproken met de Provincie Limburg en Waterschap Limburg. Dit plan past binnen de provinciale en gemeentelijke belangen.
Dit plan wordt gerealiseerd door wijziging van het omgevingsplan. De gemeente Peel en Maas heeft deze wijziging aangekondigd op hun website. Hier is ook de mogelijkheid opgenomen om middels een nieuwsbrief op de hoogte te blijven van dit plan. Ook is de omgevingsdialoog al gevoerd zoals omschreven in deze motivering.
Voor het omgevingsplan wordt een ontwerp omgevingsplan gemaakt. De gemeente publiceert dit. Het plan is tevens in te zien bij de publieksbalie van het Huis van de Gemeente
De gemeente beoordeeld ingekomen zienwijzen en stelt daarna dit plan vast.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: ‘Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.’
Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.
Het participatieproces kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
De gemeente Peel en Maas heeft een website voor dit woningbouwproject online waarop communicatie over dit plan plaatsvindt. Wie direct op de hoogte wil blijven over dit plan kan zich op deze website ook inschrijven voor de nieuwsbrief betreffende dit plan.
In 2025 en 2026 is gewerkt aan het ontwerp voor Meuleveld in Maasbree. In navolging van het ophalen van de wensen van inwoners (februari 2025), met een vragenlijst over woningwensen (juni 2025) en input uit de klankbordgroepen. De vragenlijst gaf goede informatie over wensen en wat mensen kunnen en willen betalen. Deze informatie is meegenomen in het ontwerp.
Daarnaast zijn meegenomen in het ontwerp: aandacht voor en behoud van groen en natuur, een plek om elkaar te ontmoeten, ruimte voor activiteiten voor jong en oud, verschillende wensen op het gebied van verkeer. Navolgende figuur geeft een beeld met het proces van totstandkoming van het ontwerp.
Het ontwerp werd gepresenteerd op een informatieavond op maandag 27 oktober 2025 die circa één maand voor aanvang van deze datum door de gemeente is gecommuniceerd. Met ongeveer 140 mensen, werd de bijeenkomst in de Vermaekerij goed bezocht. De informatieavond is opgenomen en terug te kijken op de projectwebsite. Na de algemene presentatie konden mensen hun vragen stellen bij verschillende thema-tafels. Ook Wonen Limburg en Stichting Knarrenhof waren aanwezig om vragen te beantwoorden. Op de website is ook een beeld van de gestelde vragen met antwoorden opgenomen. Veel mensen waren positief over het groene karakter van het woningbouwplan. Ook was men blij met de diversiteit aan woningtypen. Er werden enkele kritische vragen gesteld over de situering van de levensloopbestendige woningen in ene sociaal-maatschappelijke vorm en de hoogte van het appartementencomplex binnen het projectgebied.
Op 2 december 2025 vond een goedbezochte informatieavond plaats over de levensloopbestendige woningen binnen het plan Meuleveld in Maasbree. De avond werd georganiseerd door de kartrekkersgroep voor dit planonderdeel. Veel inwoners waren geïnteresseerd in dit woonconcept. Stichting Knarrenhof vertelde over de organisatie, de werkwijze en de planning voor de komende periode. Zo kregen bezoekers een goed beeld van het traject en hoe zij mee kunnen doen.
In navolging van de gesprekken en informatieavond is het plan nader uitgewerkt in deze motivering, de regels en de plankaart.
De gemeente Peel en Maas is initiatiefnemer van dit plan. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn het omgevingsplan, een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Eventuele nadeelcompensatie wordt via de wettelijk systematiek vergoed.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-415719.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.