Gemeenteblad van Raalte
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Raalte | Gemeenteblad 2026, 413562 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Raalte | Gemeenteblad 2026, 413562 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De wijziging van het omgevingsplan gericht op Schoonhetenseweg 36 zoals vermeld in Bijlage A van dit besluit als ontwerp vast te stellen.
De ontwerpwijziging van het "Omgevingsplan gemeente Raalte" gericht op de locatie 'Schoonhetenseweg 36' te publiceren.
Het omgevingsplan vanaf 03‑09‑2026 gedurende een periode van 6 weken open te stellen voor zienswijzen. De onderbouwing van deze wijziging wordt omschreven in de Motivering.
Aldus vastgesteld door Gemeente Raalte op 25 augustus 2026
door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte.
A
Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
B
Het opschrift van hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Het opschrift van hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Het opschrift van hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
E
Het opschrift van hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Het opschrift van hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
G
Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
H
Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Het opschrift van hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
J
Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
K
Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Het opschrift van hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Het opschrift van hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Het opschrift van hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Het opschrift van hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Het opschrift van hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Voor titel 20.1 wordt een titel ingevoegd, luidende:
De locatie Schoonhetenseweg 36 - brandvoorschriftengebied is aangewezen als brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 lid 2 sub a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De locatie Schoonhetenseweg 36 - bodemfunctieklasse landbouw - natuur is aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse landbouw/natuur zoals bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De locatie Schoonhetenseweg 36 - te verwachten archeologisch monument is aangewezen als aantoonbaar te verwachten archeologisch monument.
De locatie Schoonhetenseweg 36 - karakteristiek is aangewezen als karakteristiek. De karakteristieke waarden zijn omschreven in de bijlage Karakteristieke panden gemeente Raalte.
De locatie Schoonhetenseweg 36 - landschappelijk waardevol gebied is aangewezen als landschappelijk waardevol gebied:.
De locatie Schoonhetenseweg 36 bepaalt het gebied waarbinnen de regels in deze titel van toepassing zijn. Dit gebied kent eigen regels om een ontwikkeling mogelijk te maken, voordat deze ontwikkeling kan worden opgenomen in de hoofdstructuur van het omgevingsplan.
De locatie Schoonhetenseweg 36 - voormalige bedrijfsbebouwing is aangewezen als locatie met voormalige bedrijfsbebouwing: voorheen behorende bij een (agrarisch) bedrijf.
De locatie Schoonhetenseweg 36 - driftreducerende voorziening is aangewezen als locatie voor een driftreducerende voorziening.
Artikel 20.9 Regels voor alle gebruiksactiviteiten - toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken op de locatie Schoonhetenseweg 36.
Artikel 20.10 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod
Het is verboden gronden en bouwwerken anders te gebruiken dan is toegestaan in AFDELING 20.1.2.
Artikel 20.11 Ondergeschikte activiteiten
Ondergeschikt aan de ter plaatse toegestane gebruiksactiviteiten is het gebruik van de volgende voorzieningen toegestaan:
Artikel 20.12 Voldoende parkeergelegenheid
Een wijziging van het gebruik binnen de in dit omgevingsplan op de locatie toegestane activiteiten met als gevolg een toename van de parkeer- of stallingsbehoefte is alleen toegestaan als wordt voorzien in voldoende parkeer- en stallingsplaatsen volgens de Nota Parkeren en stallen Raalte 2025;
De parkeer- en stallingsplaatsen die voor het voldoen aan 20.12 eerste lid in aanmerking zijn genomen, worden in stand gehouden.
Artikel 20.13 Gebruik bodemgevoelig gebouw - informatieplicht
Bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de afronding van de bouwactiviteit en nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, zoals bedoeld in artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn getroffen.
Artikel 20.14 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor agrarische activiteiten op de locatie Schoonhetenseweg 36 - gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod.
Artikel 20.15 Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - verbod
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij agrarische activiteiten is verboden.
Artikel 20.16 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op agrarische activiteiten op de locatie Schoonhetenseweg 36 - agrarische activiteiten - toegestaan.
Onder agrarische activiteiten wordt verstaan:
het ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf houden en weiden van vee;
het ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf telen van gewas op open grond;
hobbymatig agrarisch gebruik van gronden en bouwwerken;
het gebruiken van bestaande paardenbakken voor hobbymatige paardrijactiviteiten in de openlucht.
Onder agrarische activiteiten wordt niet verstaan:
telen van tuin- en potplanten op open grond, in potten of in containers;
telen van bomen op open grond, in potten of in containers;
telen van fruit op open grond;
telen van gewas (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;
telen van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht.
Artikel 20.18 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op agrarische sierteeltactiviteiten op de locatie Schoonhetenseweg 36 - agrarische sierteeltactiviteiten - toegestaan
Onder agrarische sierteeltactiviteiten wordt verstaan:
Artikel 20.19 Agrarische sierteeltactiviteiten - toegestaan
Agrarische sierteeltactiviteiten zijn toegestaan.
Artikel 20.20 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op agrarische boomteeltactiviteiten op de locatie Schoonhetenseweg 36 - agrarische boomteeltactiviteiten - toegestaan.
Onder agrarische boomteeltactiviteiten wordt verstaan:
Artikel 20.21 Agrarische boomteeltactiviteiten - toegestaan
Agrarische boomteeltactiviteiten zijn toegestaan.
Artikel 20.22 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op agrarische fruitteeltactiviteiten op de locatie Schoonhetenseweg 36 - agrarische fruitteeltactiviteiten - toegestaan.
Onder agrarische fruitteeltactiviteiten wordt verstaan:
Artikel 20.23 Agrarische fruitteeltactiviteiten - toegestaan
Agrarische fruitteeltactiviteiten zijn toegestaan.
Artikel 20.24 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor kleinschalige evenementenactiviteiten ter plaatse van de locatie Schoonhetenseweg 36.
Onder kleinschalige evenementenactiviteiten wordt verstaan: lokale evenementen op dorps/wijk- en buurtniveau. Deze evenementen dragen in belangrijke mate bij aan de binding tussen inwoners. Deze evenementen zijn vooral gericht op participatie, ontmoeting tussen inwoners en toeristisch-recreatieve promotie van de dorpen, bijvoorbeeld een straat-/buurtfeest, een kleine kortdurende sport-/speelactiviteit of een braderie.
Onder kleinschalige evenementenactiviteiten wordt niet verstaan: evenementenactiviteiten waarbij motorvoertuigen onderdeel zijn van de evenementenactiviteit.
Artikel 20.25 Kleinschalige evenementenactiviteiten - toegestaan
Kleinschalige evenementenactiviteiten zijn toegestaan.
Artikel 20.26 Voorwaarde tijdsduur evenement
Kleinschalige evenementenactiviteiten mogen plaatsvinden op:
maandag t/m donderdag tussen 07:00 uur en 23:00 uur indien de volgende dag een werkdag is, of tussen 07:00 uur en 01:00 uur indien de volgende dag een officiële feestdag is;
vrijdag en zaterdag tussen 07:00 uur en 01:00 uur;
zondag tussen 13:00 uur en 23:00 uur indien de volgende dag een werkdag is, of tussen 13:00 uur en 01:00 uur indien de volgende dag een officiële feestdag is;
Artikel 20.27 Voorwaarde versterkt geluid
Kleinschalige evenementenactiviteiten mogen binnen de tijdsstippen als in artikel 20.26 worden voorzien van versterkt muziek-/ en stemgeluid mits;
Artikel 20.28 Voorwaarde maximaal aantal evenementendagen
Het is toegestaan om op maximaal 12 dagen in het kalenderjaar kleinschalige evenementenactiviteiten uit te voeren binnen de omgeving van één en dezelfde woning.
Artikel 20.30 Zelfstandige woonactiviteiten in vrijstaande bijbehorende bouwwerken - verbod
Het is verboden vrijstaande bijbehorende bouwwerken te gebruiken voor zelfstandige woonactiviteiten.
Artikel 20.31 Overbewoning - verbod [22.16]
Met het oog op het beschermen van de gezondheid van bewoners wordt:
Een woning: of bedrijfswoning niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en
een woonwagen niet bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.
Artikel 20.32 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor wonen op de locatie Schoonhetenseweg 36 - wonen - toegestaan.
Artikel 20.33 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor wonen op de locatie Schoonhetenseweg 36 - wonen - toegestaan.
Onder wonen wordt verstaan: het huisvesten van één huishouden in één woning:.
Artikel 20.35 Driftreducerende voorziening - gebod
Wonen is slechts toegestaan indien op de locatie Schoonhetenseweg 36 - driftreducerende voorziening over de gehele lengte van deze locatie een beukenhaag (fagus sylvatica) wordt aangeplant en in stand wordt gehouden die voldoet aan de volgende voorwaarden:
ten minste 2 meter hoog;
ten minste 1 meter breed;
aaneengesloten;
bladdicht; en
geplant in een dubbele rij met een dichtheid van minimaal 4 stuks per strekkende meter.
Artikel 20.36 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op de locatie Schoonhetenseweg 36 - nevenactiviteiten bij woningen in het buitengebied.
Artikel 20.37 Nevenactiviteiten bij woningen in het buitengebied - toegestaan
Het gebruik van bouwwerken ten behoeve van nevenactiviteiten: bij woningen in het buitengebied is toegestaan als:
de oppervlakte aan bestaande bebouwing wat wordt gebruikt voor:
verkoop-aan-huis van streekeigen agrarische producten maximaal 100m2 bedraagt;
inpandige opslag en stalling maximaal 500m2 bedraagt;
ambachtelijke be- of verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk of klompenmakerij) maximaal 200m2 bedraagt;
kano-, boot- of fietsverhuur maximaal 100m2 bedraagt.
Artikel 20.38 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het exploiteren van een bed and breakfast bij een woning of agrarische bedrijfswoning op de locatie Schoonhetenseweg 36 - bed and breakfast - toegestaan.
Onder een bed and breakfast wordt verstaan: een aan de woonactiviteit ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt binnen de woning of agrarische bedrijfswoning.
Onder het exploiteren van een bed and breakfast wordt niet verstaan: het aanbieden van overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur.
Artikel 20.39 Bed and breakfast - toegestaan
Een bed and breakfast is ondergeschikt aan de woonfunctie van de woning of agrarische bedrijfswoning toegestaan.
Artikel 20.40 Voorwaarde aantal slaapplekken
Het aantal slaapplekken ten behoeve van een bed and breakfast bedraagt ten hoogste 10.
Subsubparagraaf 20.1.2.5.2.2 Ondergeschikte recreatieactiviteiten bij agrarische locaties - toegestaan
Artikel 20.41 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie Schoonhetenseweg 36 - agrarische activiteiten - toegestaan.
Artikel 20.42 Ondergeschikte activiteiten - toegestaan
Ondergeschikt aan de ter plaatse toegestane agrarische activiteiten zijn de volgende activiteiten toegestaan:
Artikel 20.43 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken voor een ondergeschikt beroep of bedrijf aan huis bij een woning of bedrijfswoning op de locatie Schoonhetenseweg 36 - wonen - toegestaan.
Artikel 20.44 Beroep of bedrijf aan huis – toegestaan
Een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan als:
dit door de bewoner van de woning of bedrijfswoning zelf wordt uitgeoefend;
de totale bedrijfsvloeroppervlakte t.b.v. beroep of bedrijf aan huis niet meer bedraagt dan 35% van de bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 100m2;
dit geen onevenredige hinder voor omwonenden of een onevenredige parkeerdruk tot gevolg heeft;
het geen horeca of detailhandel betreft, tenzij het gaat om een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en in direct verband met het beroep of bedrijf aan huis.
Artikel 20.45 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken op de locatie Schoonhetenseweg 36.
Artikel 20.46 Bouwactiviteiten - verbod
Bouwactiviteiten anders dan zoals opgenomen in 20.1.3 zijn verboden.
Artikel 20.47 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 20.48 Bouwen in te verwachten archeologisch monument - bijzondere aanvraagvereisten
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 22.26 voor een hoofdgebouw op de locatie Schoonhetenseweg 36 - te verwachten archeologisch monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie naar oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, dat is gebaseerd op:
funderingstekeningen;
als er sprake is van opgravingen, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of proefputtenonderzoek: een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE);
als er sprake is van booronderzoek: een door burgemeester en wethouders goedgekeurd plan van aanpak voor het booronderzoek;
als er sprake van een te verwachten archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.
Artikel 20.49 Bouwen in te verwachten archeologisch monument - beoordelingsregel maximale maatvoering
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw als bedoeld in artikel artikel 22.26 wordt alleen verleend:
als niet dieper wordt gegraven dan de op de locatie Schoonhetenseweg 36 - maximum diepte activiteiten in te verwachten archeologisch monument aangegeven diepte;
als niet groter wordt gebouwd dan de op de locatie Schoonhetenseweg 36 - maximum oppervlakte activiteiten in te verwachten archeologisch monument aangegeven oppervlakte;
als dieper wordt gebouwd en groter wordt gebouwd dan aangegeven in dit artikel:
als wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 20.50.
Artikel 20.50 Bouwen in te verwachten archeologisch monument - beoordelingsregel overschrijden maatvoering
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als:
uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument naar oordeel van burgemeester en wethouders niet of niet onevenredig wordt geschaad;
de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden.
Artikel 20.51 Bouwen in te verwachten archeologisch monument - voorschriften
Aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een te verwachten archeologisch monument kunnen, in het belang van archeologische monumentenzorg, in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;
het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;
het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en
het verrichten van een opgraving, daaronder mede begrepen een archeologische begeleiding, op een bepaalde wijze, als die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.
Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten waarvan op grond van artikel 22.26 een vergunningplicht geldt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeer- en stallingsplaatsen volgens de op het tijdstip van ontvangst van de aanvraag geldende beleidsregels voor parkeren en stallen.
De parkeer- en stallingsplaatsen die voor het voldoen aan deze verplichting in aanmerking zijn genomen, worden in stand gehouden.
Artikel 20.54 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van hoofdgebouwen op de locatie Schoonhetenseweg 36 - hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht.
Artikel 20.55 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregel maximale inhoud
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als de inhoud van de woning maximaal 750 m3 bedraagt.
Artikel 20.56 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregel afstand tot de zijdelingse perceelsgrens
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als de afstand van de zijgevel van een hoofdgebouw, waar deze niet aan een ander hoofdgebouw is aangebouwd, tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt.
Artikel 20.57 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregel maximum bouwhoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor het bouwen van een hoofdgebouw, op de locatie Schoonhetenseweg 36 - maximum bouwhoogte hoofdgebouw alleen verleend als de bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven bouwhoogte bedraagt.
Artikel 20.58 Hoofdgebouw bouwen – beoordelingsregel maximum goothoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor het bouwen van een hoofdgebouw, op de locatie 'Schoonhetenseweg 36 - maximum goothoogte hoofdgebouw' alleen verleend als de goothoogte van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven goothoogte bedraagt.
Artikel 20.59 Hoofdgebouw bouwen – beoordelingsregel minimum dakhelling
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als de dakhelling minimaal 20 graden bedraagt.
Artikel 20.60 Hoofdgebouw bouwen – beoordelingsregel maximum dakhelling
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als de dakhelling maximaal 60 graden bedraagt.
Artikel 20.61 Hoofdgebouw bouwen – beoordelingsregel vrijstaande woning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor het bouwen van een hoofdgebouw, op de locatie Schoonhetenseweg 36 - vrijstaande woning alleen verleend als het hoofdgebouw een vrijstaande woning: betreft.
Artikel 20.62 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregel vervangende nieuwbouw
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt bij vervangende nieuwbouw alleen verleend als het aantal woning: niet toeneemt.
Artikel 20.63 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk die kan worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw op de locatie 'Schoonhetenseweg 36 - bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht'.
Artikel 20.64 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen – meldingsplicht
Het is verboden zonder voorafgaande melding een bijbehorend bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken als het bijbehorend bouwwerk aangemerkt kan worden als bodemgevoelig gebouw.
De bouwactiviteit als bedoeld in artikel 20.64, eerste lid, wordt tenminste vier weken voorafgaand aan de start van de bouwactiviteit gemeld bij het college.
Artikel 20.65 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen – indieningsvereisten
Een melding is ondertekend en bevat ten minste:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
de dagtekening; en
bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
Artikel 20.66 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen - voorwaarde locatie
De locatie van een bijbehorend bouwwerk die kan worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw in de bebouwde kom bevindt zich 1 meter achter het verlengde van de voorgevel(s) van het hoofdgebouw.
De locatie van een bijbehorend bouwwerk die kan worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw buiten de bebouwde kom bevindt zich achter het verlengde van de voorgevel(s) van het hoofdgebouw. De locatie van een bijbehorend bouwwerk bevind zich in of minstens 1 meter uit de perceelsgrens.
Artikel 20.67 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde oppervlakte
De maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, bijbehorende bouwwerken die kunnen worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw en overkappingen is 150 m2 .
Artikel 20.68 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde bouwhoogte
De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet hoger zijn dan:
Artikel 20.69 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde goothoogte
De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal 3 m.
Artikel 20.70 Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde dakhelling
De dakhelling van een bijbehorend bouwwerk bedraagt niet minder dan 25 en niet meer dan 60 graden, met dien verstande dat:
Artikel 20.71 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of overkapping op de locatie ‘Schoonhetenseweg 36 - bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan'.
Onder een bijbehorend bouwwerk wordt niet verstaan een bijbehorend bouwwerk dat kan worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw.
Artikel 20.72 Bijbehorend bouwwerk bouwen – toegestaan
Op de locatie 'Schoonhetenseweg 36 - bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan' is het bouwen van een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of overkapping toegestaan zonder omgevingsvergunning, als wordt voldaan aan de artikelen in deze paragraaf.
Artikel 20.73 Bijbehorend bouwwerk bouwen - voorwaarde locatie
De locatie van een bijbehorend bouwwerk bevindt zich achter het verlengde van de voorgevel(s) van het hoofdgebouw.
De locatie van een bijbehorend bouwwerk bevind zich in of minstens 1 meter uit de perceelsgrens.
Artikel 20.74 Bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde oppervlakte
De maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, bijbehorende bouwwerken die kunnen worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw en overkappingen is 150 m2 .
Artikel 20.75 Bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde bouwhoogte
De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet hoger zijn dan:
Artikel 20.76 Bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde goothoogte
De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bedraagt maximaal 3 m.
Artikel 20.77 Bijbehorend bouwwerk bouwen – voorwaarde dakhelling
De dakhelling van een bijbehorend bouwwerk bedraagt niet minder dan 25 en niet meer dan 60 graden, met dien verstande dat:
Artikel 20.78 Bijbehorend bouwwerk bouwen - voorwaarde bouwhoogte overkapping
De bouwhoogte van een overkapping mag niet hoger zijn dan 3.25 m.
Artikel 20.79 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de locatie 'Schoonhetenseweg 36 - bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht'.
Artikel 20.80 Bijbehorend bouwwerk bouwen - beoordelingsregel serre en erker in het voorerfgebied
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een serre of erker in het voorerfgebied wordt alleen verleend als:
de erker of serre gelegen is voor de voorgevel en aansluitend aan het hoofdgebouw;
de afstand van de erker of serre tot de vrijstaande perceelsgrens: niet minder bedraagt dan 4 m;
de breedte van de erker of serre maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel van het aansluitende hoofdgebouw betreft;
de gezamenlijke oppervlakte aan erkers en serres niet meer dan 5 m² bedraagt;
de horizontale diepte van de erker of serre maximaal 2 m bedraagt.
Artikel 20.81 Bijbehorend bouwwerk bouwen – beoordelingsregel balkon
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.88 voor een balkon wordt alleen verleend als:
de afstand van het balkon tot de perceelsgrens niet minder bedraagt dan 4 m;
de breedte van het balkon maximaal 2/3 van de breedte van de voorgevel van het aansluitende hoofdgebouw betreft;
de horizontale diepte van het balkon maximaal 1,5 m bedraagt;
de gezamenlijke oppervlakte van het balkon niet meer dan 5 m² bedraagt.
Subsubparagraaf 20.1.3.4.2.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen gebiedsaanwijzing voormalige bedrijfsbebouwing – vergunningplicht
Artikel 20.82 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bijbehorende bouwwerken ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing: op de locatie ‘Schoonhetenseweg 36 - voormalige bedrijfsbebouwing’.
Artikel 20.83 Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen gebiedsaanwijzing voormalige bedrijfsbebouwing – beoordelingsregel beperking toepassing
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor een bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing, alleen verleend als er geen toepassing is gegeven aan een eerder verleende omgevingsvergunning voor het vervangen van bedrijfsbebouwing.
Artikel 20.84 Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen gebiedsaanwijzing voormalige bedrijfsbebouwing – beoordelingsregel oppervlakte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor een bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing, alleen verleend als de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing voldoet aan de volgende voorwaarden:
Artikel 20.85 Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen gebiedsaanwijzing voormalige bedrijfsbebouwing – beoordelingsregel bouwhoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor een bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing, alleen verleend als de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing maximaal de bouwhoogte bedraagt van de te vervangen voormalige bedrijfsbebouwing.
Artikel 20.86 Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen gebiedsaanwijzing voormalige bedrijfsbebouwing – beoordelingsregel goothoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor een bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing, alleen verleend als de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing maximaal de goothoogte bedraagt van de te vervangen voormalige bedrijfsbebouwing.
Artikel 20.87 Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen gebiedsaanwijzing voormalige bedrijfsbebouwing – beoordelingsregel landschappelijke inpassing
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt, voor een bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing, alleen verleend voor een bijbehorend bouwwerk wat groter is dan 250m2 als het bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing volgens het Landschapsontwikkelingsplan Salland.
Artikel 20.88 Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen gebiedsaanwijzing voormalige bedrijfsbebouwing – voorschriften landschappelijke inpassing
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26, voor een bijbehorend bouwwerk ter vervanging van voormalige bedrijfsbebouwing wat groter is dan 250m2 kunnen, in het belang van het behoud van de landschappelijke waarden, in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:
Artikel 20.89 Toepassingsbereik
Deze subsubparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op de locatie 'Schoonhetenseweg 36 - bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – toegestaan'.
Artikel 20.90 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – toegestaan
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen, in stand te houden en te gebruiken, geldt niet voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde zoals opgenomen in deze subsubparagraaf.
Artikel 20.91 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - sport- en speeltoestellen (22.27 d)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- of speeltoestel is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
Artikel 20.92 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – zwembad, bubbelbad, vijver (22.27 e)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
Artikel 20.93 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – erf- of perceelafscheiding (22.27 f en 22.36 b)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Artikel 20.94 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - bouwwerk voor agrarische bedrijfsvoering (22.27 g)
Het is toegestaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde, te bouwen in het achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering als:
Artikel 20.95 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – buisleidingen (22.27 h)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is, is toegestaan.
Artikel 20.96 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - overig bouwwerk
Het bouwen van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde op de locatie ‘Schoonhetenseweg 36 - bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – toegestaan’ is toegestaan, indien de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt.
Artikel 20.97 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op de locatie 'Schoonhetenseweg 36 - bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - vergunningplicht.
Artikel 20.98 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – paardenbak
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een paardenbak: wordt alleen verleend als:
de paardenbak: gelegen is in of aansluitend aan een woonlocatie: is toegestaan of in of aansluitend aan een agrarische bedrijfslocatie:;
de oppervlakte van de paardenbak: maximaal 1200m2 bedraagt;
de afstand tussen de paardenbak: en een agrarische bedrijfslocatie:, andere bedrijfslocatie of een andere woonlocatie: ten minste 25m bedraagt;
de paardenbak: wordt voorzien van goede landschappelijke inpassing; mits
er geen sprake is van een bestaande paardenbak: aansluitend aan de eigen locatie waar wonen is toegestaan of de eigen agrarische bedrijfslocatie:.
Artikel 20.99 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen – lichtmast bij een paardenbak
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 voor een lichtmast bij een paardenbak wordt alleen verleend als:
Artikel 20.100 Adviesverplichting
Voordat op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een paardenbak als bedoeld in artikel 20.98 kan worden besloten, wint het college betreffende de goede landschappelijke inpassing en met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties schriftelijk advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
Aan de omgevingsvergunning voor een paardenbak als bedoeld in artikel 20.98 kan het college ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing en met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de volgende voorschriften verbinden:
Artikel 20.102 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten op de locatie 'Schoonhetenseweg 36'
Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in deze afdeling wordt verstaan:
Artikel 20.103 Aanlegactiviteiten uitvoeren – toegestaan
Aanlegactiviteiten die in overeenstemming zijn met de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in AFDELING 20.1.2 zijn toegestaan, tenzij het aanlegactiviteiten betreft waarvoor op grond van dit omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.
In afwijking van het bepaalde in artikel 20.99, eerste lid zijn aanlegactiviteiten ook toegestaan als het aanlegactiviteiten betreft in verband met:
Artikel 20.104 Regels voor alle aanlegactiviteiten - algemene aanvraagvereisten [22.284 lid 1]
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een aanlegactiviteit worden, als op grond van dit hoofdstuk een vergunningplicht geldt, gegevens en bescheiden verstrekt over:
Artikel 20.105 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie ‘Schoonhetenseweg 36 - te verwachten archeologisch monument'.
Onder aanlegactiviteiten in deze paragraaf wordt verstaan:
diepwortelende beplanting aanbrengen;
drainage aanleggen;
grondverzetactiviteiten: uitvoeren;
kabels en leidingen aanleggen;
oppervlakteverharding aanbrengen;
watergangen of -partijen graven, herprofileren of dempen;
waterpeil aanpassen.
Artikel 20.106 Aanlegactiviteiten in te verwachten archeologisch monument – toegestaan
Het uitvoeren van aanlegactiviteiten is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende leden.
Bij het uitvoeren van aanlegactiviteiten wordt de grond niet dieper geroerd dan de aangegeven waarde ter plaatse van de locatie ‘Schoonhetenseweg 36 - maximum diepte activiteiten in te verwachten archeologisch monument'.
Bij het uitvoeren van aanlegactiviteiten wordt geen grotere oppervlakte geroerd dan de aangegeven waarde ter plaatse van de locatie 'Schoonhetenseweg 36 - maximum oppervlakte activiteiten in te verwachten archeologisch monument'.
De aanlegactiviteiten worden niet uitgevoerd als op het aangrenzende terrein op een afstand van minder dan 25 m van het onderhavige terrein in de periode van 24 maanden voorafgaand aan de start van de voorgenomen aanlegactiviteiten de vrijstelling als bedoeld in het derde lid op dat aangrenzende terrein toegepast is.
Artikel 20.107 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie ‘Schoonhetenseweg 36 - te verwachten archeologisch monument' tenzij uitvoering kan worden gegeven aan Subparagraaf 20.1.4.2.1.
Onder aanlegactiviteiten in deze paragraaf wordt verstaan:
Artikel 20.108 Aanlegactiviteiten in te verwachten archeologisch monument – vergunningplicht
Het uitvoeren van aanlegactiviteiten in een te verwachten archeologisch monument is verboden zonder omgevingsvergunning.
Artikel 20.109 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.108 wordt alleen verleend als:
de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld; en
archeologische waarden door het uitvoeren van de aanlegactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; of
er geen archeologische waarden zijn.
Artikel 20.110 Aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.108 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een archeologisch rapport;
een situatietekening met de plek waar de activiteiten plaatsvinden;
een tekening met aangeduid tot welke diepte en tot welk oppervlak de activiteiten plaatsvinden;
een rapport hoe de activiteiten worden uitgevoerd en welke maatregelen er worden genomen om de archeologische waarden te beschermen.
Artikel 20.111 Adviesverplichting
Voordat op de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.108 kan worden besloten, wint het college schriftelijk advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.108 kan het college de volgende voorschriften verbinden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE);
de verplichting de uitvoering van de werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
Artikel 20.113 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie ‘Schoonhetenseweg 36 - landschappelijk waardevol gebied'.
Onder aanlegactiviteiten in deze paragraaf wordt verstaan:
Artikel 20.114 Aanlegactiviteiten in landschappelijk waardevol gebied – vergunningplicht
Het uitvoeren van aanlegactiviteiten in landschappelijk waardevol gebied is verboden zonder omgevingsvergunning.
Artikel 20.115 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.114 wordt alleen verleend als:
Artikel 20.116 Adviesverplichting
Voordat op de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.114 kan worden besloten, wint het college schriftelijk advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige.
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.114 kan het college de volgende voorschriften verbinden:
In de gevallen waarin dit plan voorziet, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij één of meer bij naam genoemde bestuursorganen of instanties, alvorens te besluiten op een aanvraag omgevingsvergunning of het wijzigen van het omgevingsplan.
Het advies wordt gevraagd met het oog op het waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De in deze afdeling opgenomen bepalingen geven aan in welke gevallen en bij welke instanties advies wordt ingewonnen, en op welke gronden dit geschiedt.
Een archeologisch deskundige is adviseur bij de beoordeling van het bij de aanvraag omgevingsvergunning overlegde archeologisch rapport, op de locatie Schoonhetenseweg 36 - te verwachten archeologisch monument.
Deze paragraaf is van toepassing op het bestaande gebruik van gronden en bouwwerken dat niet in overeenstemming is met de regels als bedoeld in AFDELING 20.1.2.
Gebruiksactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels in AFDELING 20.1.2 zijn toegestaan tot 10 jaar na het tijdstip waarop de regels uit AFDELING 20.1.2 op die locatie in werking zijn zijn getreden, mits die gebruiksactiviteiten voorafgaand aan dat tijdstip vergunningvrij konden worden uitgeoefend of vergund zijn.
Een wijziging van de gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 20.121, eerste lid is alleen toegestaan als de afwijking ten opzichte van de toegestane gebruiksactiviteiten op grond van AFDELING 20.1.2 op die locatie naar aard en omvang wordt verkleind.
Als een gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 20.121, eerste lid voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dat gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Artikel 20.122 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden of gebruiken van bouwwerken die niet in overeenstemming zijn met de regels als bedoeld in AFDELING 20.1.3 ter plaatse van de locatie 'Schoonhetenseweg 36'.
Artikel 20.123 Overgangsrecht bouwwerken zonder termijn
Bouwwerken die niet in overeenstemming zijn met de regels in AFDELING 20.1.3 zijn toegestaan, mits die bouwwerken voorafgaand aan dat tijdstip vergunningvrij zijn gerealiseerd of vergund.
De bouwwerken als bedoeld in artikel 20.123, eerste lid mogen:
gedeeltelijk worden vernieuwd of verander als de afwijking van de regels als bedoeld in AFDELING 20.1.3 naar aard en omvang niet wordt vergroot; of
na het teniet gaan vanwege een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd als de afwijking van de regels als bedoeld in AFDELING 20.1.3 naar aard en omvang niet wordt vergroot en als de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk geheel of gedeeltelijk is tenietgedaan.
U
Titel 20.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Het opschrift van artikel 20.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van artikel 20.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Het opschrift van artikel 20.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Het opschrift van hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Artikel 22.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.
Het eerste lid is niet van toepassing:
als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;
als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of
op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.
Dit artikel is
De bovenstaande leden zijn van toepassing tot 1 december 2023.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing;
Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52, eerste t/m vierde lid niet van toepassing.
AA
Artikel 22.52a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.
Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, artikel 22.52 niet van toepassing.
[Vervallen]
BB
Lid 1. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 2. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 3. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 4. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Lid 5. wordt verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. Artikel 22.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
[Red: Lid 1. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]
Dit
Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel iszijn van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
[Red: Lid 2. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]
Dit
Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
[Red: Lid 3. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]
Dit
Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 eerste of tweede lid of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
[Red: Lid 4. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
[Red: Lid 5. verplaatst van artikel 22.61a naar artikel 22.61. ]
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
CC
Artikel 22.61a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Artikel 22.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.
EE
Artikel 22.62a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Vervallen]
FF
Subparagraaf 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
GG
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0177/2026/034c1b6f60ba4a62ab1a7f8df55e98cb/nld@2026‑07‑15;08025257
/join/id/regdata/gm0177/2026/f36987a9f56846b68d13482dc6915c15/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/6a5c6904c5894a8cbf4466007247fda1/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/4c125eb2c9774c31a09da52e9e7e497e/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/e920e30942a54c7f87482666d6e68cef/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/db0a1ee402924e64ba264d48cae21313/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/aeabcc2d5c664d3aaf8801f688a82be1/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/1b2c043768bf44f9b1781534ef1f5d89/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/579f397c0281457ab0b251416ffce454/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/a668205af283416b9aaa8af6f1cdfc41/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/c3f225f949b4420da719a17fa492dce3/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/9439be72e5c34703b5bf3c6ccfba4c7c/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/8f3a5a209a8f4633818904dd8a430f9d/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/8dd78617c7e4460ebc71a553af7e464b/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/616d87968dff4b57ad7530f65da84a67/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/0d9e3de5a68e40a2a5dfe0a2d102cab0/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/80a4d466b1c54b4a81e77d34cd5b5d29/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/78f2e458baf5469d96f5f62d3c03e885/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/6df851307e1744939099862d415e0bfa/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/0bfd75c598594d13a0303d43419fa84b/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/b778adb1dcfc45d696cbf5b01d1aaf63/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/109248b8731d49098f405f7f0d9ff1f7/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/0608207e72e6498b96e9ea4ed741aee5/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/ce1e80a2a8894aef8c44816b2f8f0e46/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/649a5b20f71c4786820fa031b4a90af6/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/3353fcedf41544c0aaa0a89b5d20f740/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/5d4b5f2a853e4fe7925135f104997acb/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/601d85e79b6346ddbb20bfc5371ddd17/nld@2026‑08‑31;18462894
HH
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
Locatie waar een agrarisch bedrijf wordt uitgevoerd en waar agrarische bedrijfsgebouwen kunnen worden opgericht.
Het be- of verwerken van agrarische producten die afkomstig zijn van het eigen bedrijf of het be- of verwerken van agrarische producten die afkomstig zijn uit de eigen regio.
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
Een percentage dat aangeeft in hoeverre de gegeven locatie maximaal mag worden bebouwd.
Een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, evenals verhuur, opslag en distributie van goederen.
De totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
College van burgermeester en wethouders.
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
Een:
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
Gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 20029 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
Het egaliseren, afgraven, ontgronden, ophogen of diepploegen van gronden.
Hier uw definitie
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
Een pand of erf die als kenmerkend voor de omgeving wordt gezien op basis van de volgende criteria:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
Een gebied met een toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid van gebiedskenmerken en de identiteit van onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
Ondergeschikte bedrijfsmatige activiteiten, anders dan een beroep of bedrijf aan huis, die uitgevoerd worden bij een bedrijf, agrarisch bedrijf of woning.
Een rijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten in de open lucht met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de boven te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining.
het niveau:
Het te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van agrarische producten aan particulieren, voor zover deze producten streekeigen zijn, op het eigen bedrijf zijn geteeld of het resultaat zijn van ambachtelijke be- of verwerking van agrarische producten.
Bebouwing die niet meer in gebruik is voor de uitoefening van een (agrarisch) bedrijf.
De perceelsgrens waar geen hoofdgebouw op is gepositioneerd.
Een eengezinswoning die vrij staat van hoofdgebouwen van derden.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
het bewonen van een woning:
een ruimte, of aaneengesloten complex van ruimten in één gebouw, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Locatie waar gewoond mag worden en waar bouwwerken ten behoeve van het wonen kunnen worden opgericht.
II
Na bijlage I worden vier bijlagen ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0177/2026/c66418ffeab84ab6bfe09b4b459c5471/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/bff8e00d9c164dc5a0ae10216d9f1b70/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/regdata/gm0177/2026/35dd5dca7fd14c6f9601c5933920601a/nld@2026‑08‑31;18462894
JJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.
Bijlage III bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
KK
Na sectie ' Begripsbepalingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Deze regel dient om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te handhaven. Het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen is in de stelregel niet acceptabel binnen 50 meter van gronden die agrarisch worden gebruikt. Een kortere afstand kan acceptabel worden bevonden indien er een voorziening aanwezig is en in stand wordt gehouden die drift (van gewasbeschermingsmiddelen) effectief tegengaat.
LL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor de hele afdeling 22.3.
Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.
Eerste lid
In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.
Tweede lid
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;
activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
Onderdeel a
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Onderdeel b
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdeling 22.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 22.18). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Onderdeel c
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Onderdeel d
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Onderdeel e
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Onderdeel f
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Onderdeel g
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Derde lid
Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.
Vierde lid
De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in paragraaf 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.
MM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.
De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.
Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.
De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.
Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.
Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in artikel 22.52, vierde lid, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van artikel 22.52a22.52, vijfde en zesde lid dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van artikel 22.52 of 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.
De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.
NN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.
Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.
Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.
Dit artikel bevat ook overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.
Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52, zesde lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het vijfde lid van het artikel, het eerste, tweede, derde en vierde lid op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.
Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.
Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.
OO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.
Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52a, tweede lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het artikel, artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.
Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.
Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.
[Vervallen]
PP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.
Activiteiten
Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.
Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.
Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.
Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.
Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte
Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben.
Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.
Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.
In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.
Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.
In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
Tweede lid, onderdeel b
Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.
Tweede lid, onderdeel c
Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.
In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.
Derde lid, onderdeel a
Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.
Derde lid, onderdeel b
Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.
Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.
Vierde lid
Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:
elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of
stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.
Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.
Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.
Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder
Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.
De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij artikel 22.44, derde lid.
Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.
RR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 22.46 worden verstrekt.
Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel hebben als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61 vierde, vijfde, zesde en zevende lid van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
SS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
[Vervallen]
TT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid
Activiteiten
Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in artikel 22.41, van dit omgevingsplan vallen.
Geurgevoelige objecten
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:
een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en
een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.
Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.
Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.
Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Tweede lid
Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.
UU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van artikel 22.97. De standaardwaarden uit artikel 22.98 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.
In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.
Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.
Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.
Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.
VV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1II bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
WW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage III.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
XX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De inhoud van de motivering is te vinden in de bijlage Motivering Schoonhetenseweg 36. De bijbehorende onderzoeken staan in de bijlagen Bodemonderzoek, Geuronderzoek en Luchtkwaliteitsonderzoek.
/join/id/pubdata/gm0177/2026/5c6baabb8da14b9c80a3688e7f484315/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/pubdata/gm0177/2026/b0e47fa5b1154a649612084d863252a5/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/pubdata/gm0177/2026/dc72daab9bd54558818c2ad6b668fb0d/nld@2026‑08‑31;18462894
/join/id/pubdata/gm0177/2026/e3a811bf423f4174b37cab9158c21d09/nld@2026‑08‑31;18462894
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-413562.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.