Gemeenteblad van Urk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Urk | Gemeenteblad 2026, 410837 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Urk | Gemeenteblad 2026, 410837 | beleidsregel |
Beleidsregels tot wijziging van de Beleidsregels Participatiewet, minima regelingen en Wet schuldhulpverlening gemeente Urk 2024
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Urk;
Artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht en de wijzigingen in de Participatiewet door de Participatiewet in balans;
Dat het college het wenselijk vindt om aan te geven hoe er wordt omgegaan met de wijzigingen in de Participatiewet.
Beleidsregels tot wijziging van de Beleidsregels Participatiewet, minima regelingen en Wet schuldhulpverlening gemeente Urk 2024.
Hoofdstuk 3 en 4 van de Beleidsregels Participatiewet, minima regelingen en Wet schuldhulpverlening gemeente Urk 2024 komen als volgt te luiden:
Hoofdstuk 3 Ingangsdatum, aanpassen en afstemmen uitkering
3.1 Ingangsdatum uitkering (algemene bijstand)
Er bestaat geen recht op bijstand voor zover deze dag ligt voor de dag waarop de inwoner zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dit geldt als hoofdregel.
3.1.1 Afwijzing aanvraag Bbz, IOAW/Z
Een uitkering op grond van de Bbz, IOAW/Z kan worden afgewezen. In dat geval kent het college een bijstandsuitkering toe met ingang van de meldingsdatum voor de afgewezen uitkering. De inwoner zal zich wel onverwijld moeten melden.
3.1.2 Afwijken van de hoofdregel
Aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend
Het komt echter voor dat de inwoner, doordat hij eerst in afwachting was van de beslissing op de aanvraag voor een andere uitkering, de bijstandsuitkering pas later aanvraagt. In afwijking van artikel 44 lid 1 PW wordt de bijstand verleend met ingang van de datum van de aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Nabestaandenwet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of de Wajong indien die aanvraag werd afgewezen en de inwoner de aanvraag voor bijstand binnen 5 werkdagen dagen nadat de inwoner bekend is geworden (of had kunnen zijn) met de afwijzing.
3.1.3 Situaties op basis van jurisprudentie
In de toelichting op art. 44 lid 5 PW is door de wetgever expliciet aangegeven geen afstand te nemen van de jurisprudentie over de terugwerkende kracht bij bijzondere omstandigheden. Het gaat om jurisprudentie over:
3.2 Aanvraag indienen en gebruik gegevens
In alle gevallen waarin art. 41 lid 4 PW (zoekperiode jongeren) niet van toepassing is, stelt het college inwoners na de melding onverwijld in de gelegenheid een aanvraag in te dienen.
Gebruik gegevens eerdere uitkering
Het kan college kan gebruikmaken van de gegevens van de eerdere uitkering bij inwoners die na beëindiging van de inkomsten uit arbeid opnieuw bijstand aanvragen (herinstromers). Het gaat om de situatie waarin andere gegevens ongewijzigd zijn ten opzichte van de eerdere uitkering. En er geen andere wijzigingen zijn die van belang zijn voor het recht op een uitkering. Het college hanteert een periode van 6 maanden.
Einde eerdere uitkering andere reden
Is de eerdere uitkering om een andere reden beëindigd, dan wordt het recht op bijstand vastgesteld volgens de reguliere procedure. Denk bijvoorbeeld aan een beëindiging op grond van de ontvangst van middelen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
3.3 Uitkering toekennen met terugwerkende kracht
Het college kan een uitkering met terugwerkende kracht toekennen. Dat kan met maximaal drie maanden. Er moet wel recht op een uitkering bestaan. Deze bevoegdheid is volgens de wetgever bedoeld om bestaansonzekerheid weg te nemen en te voorkomen dat inwoners onnodig in de schulden terechtkomen.
Individuele omstandigheden zijn bepalend
De individuele omstandigheden hebben betrekking op de reden van een te late melding en/of de gevolgen van de late melding. Het moet gaan om een situatie waarbij het niet met terugwerkende kracht toekennen van een uitkering (ernstige) gevolgen heeft voor de inwoner. Bijvoorbeeld:
De mogelijkheid om met terugwerkende kracht bijzondere bijstand toe te kennen is opgenomen in hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. Daarmee wordt ook ondervangen dat schulden aanleiding zijn om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.
3.4 Verlaging uitkering in verband met woonsituatie (algemene bijstand)
Het college verlaagt de uitkering met 20% van de gehuwdennorm als de inwoner een woning bewoont waarvoor geen woonkosten verschuldigd zijn. Bijvoorbeeld een kraakpand. Betaalt de inwoner niet zelf maar iemand anders de huur of hypotheeklasten, dan wordt de bijstand afgestemd op grond van art. 18 lid 1 PW. Zie verder 3.6 van deze beleidsregels.
3.5 Bijstandsnorm bij verblijf inrichting
Voor de inwoner die verblijft in een inrichting bedoeld in art. 1 onder f PW geldt een afwijkende bijstandsnorm; de zak- en kleedgeldnorm. Een voorbeeld van een inrichting is een ziekenhuis of GGZ-instelling.
Zolang de inwoner tijdelijk in de inrichting verblijft en de wil heeft of blijft hebben om naar zijn woning in Urk terug te keren, blijft de gemeente Urk de uitkering verstrekken.
Een inwoner kan ook wisselend thuis en in een inrichting verblijven; een paar dagen per week thuis en een aantal dagen per week in de inrichting. In die gevallen wordt de bijstandsnorm niet aangepast naar de zak- en kleedgeldnorm tot het moment dat de inwoner volledig in de inrichting verblijft.
3.5.1 Ingangsdatum aanpassen uitkering
Het college gaat niet direct na de opname in een inrichting over tot het aanpassen van de bijstandsnorm naar de zak- en kleedgeldnorm. Het is afhankelijk van de woonsituatie:
Heeft de inwoner eigen huisvesting (als huurder of eigen huisbezitter), dan gaat de zak- en kleedgeldnorm in op de eerste dag van de derde maand volgend op de opname.
Is de inwoner inwonend bij een ander, dan gaat de zak- en kleedgeldnorm in op de eerste dag van de maand volgend op de maand van de opname.
Bijzondere bijstand doorbetaling vaste woonlasten
In hoofdstuk 5 van deze beleidsregels staan de mogelijkheden genoemd over de doorbetaling van (vaste) woonlasten zo lang het verblijf in de inrichting tijdelijk is.
3.6 Afstemmen van de uitkering (algemene bijstand)
Het college is verplicht om de uitkering af te stemmen (verhogen of verlagen) in zeer bijzondere situaties. Uit de jurisprudentie blijkt dat niet snel sprake is van zo’n situatie.
3.6.1 Verhogen van de uitkering
Het college verhoogt niet de wettelijke bijstandsnormen, tenzij het om de bijstandsnorm gaat van art. 24 PW (gehuwden met een niet-rechthebbende echtgenoot). Ook bij toepassing van de kostendelersnorm, wordt de uitkering niet verhoogd. Om voor een verhoging van de uitkering in aanmerking te komen stelt het college vast of de inwoner hogere of noodzakelijke extra kosten van bestaan heeft en niet in staat is om in deze kosten te voorzien (bijv. CRVB:2025:906). Het gaat vaak om situaties waarin de rechthebbende inwoner (met een niet rechthebbende partner) niet de verhoging van het kindgebonden budget van de Belastingdienst-Toeslagen ontvangt (alo-kop). Sinds 1 januari 2026 is het partnerbegrip in de Awir gewijzigd. Dat heeft tot gevolg dat vluchtelingen met een nareizende partner en gehuwden met een partner in detentie aanspraak kunnen maken op de alo-kop.
3.6.2 Verlagen van de uitkering
Het afstemmen van de uitkering in de zin van verlagen is alleen toegestaan als sprake is van een substantiële besparing. Ee sobere levensstijl is geen aanleiding in de uitkering te verlagen. Het moet gaan om de feitelijke behoefte aan algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die de inwoner normaal gesproken ook volledig uit zijn eigen inkomen zou moeten betalen. Denk aan de (substantiële) besparing in de kosten van: huur, energiekosten, zorgverzekeringspremie en boodschappen (CRVB:2014:705, CRVB:2016:1662, CRVB:2021:1918, CRVB:2026:136).
Art. 18 lid 8* PW bepaalt dat de som van (giften en) besparingen tot een bedrag € 1.200,00 per kalenderjaar geen besparing zijn en kunnen om die reden niet leiden tot afstemming (verlaging) van de bijstand op grond van art. 18 lid 1 PW. Zie ook 4.2.2 van deze beleidsregels.
De inwoner hoeft besparingen (al dan niet samen met giften) die lager zijn dan € 1.200,00 per kalenderjaar niet uit zichzelf te melden bij het college. Alleen als het college om informatie vraagt over besparingen, dan moet de inwoner daar gehoor aan geven. Doet de inwoner dat niet, dan schendt hij de inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 PW). Het college doet dan onderzoek of het recht op bijstand nog kan worden vastgesteld.
Hoofdstuk 4 Middelen, vrijlating, inkomen en vermogen
Het begrip middelen staat centraal in de bijstandsverlening. Het college beoordeelt:
4.2 Wordt het middel vrijgelaten?
Is sprake van een middel, dan beoordeelt het college of het middel kan worden vrijgelaten. En zo ja, onder welke voorwaarden.
Sinds 1 januari 2026 geldt een wettelijke vrijlating van giften tot een bedrag van € 1.200,00 per kalenderjaar. Het gaat bij giften om geldbedragen die de inwoner contant of op de bankrekening ontvangt van anderen ter vrije besteding zonder dat er een tegenprestatie tegenover staat. De vrijlating per kalenderjaar geldt per gezin en niet persoon van een gezin.
De inwoner hoeft giften die lager zijn dan € 1.200,00 per kalenderjaar niet uit zichzelf te melden bij het college. Alleen als het college om informatie vraagt over giften, dan moet de inwoner daar gehoor aan geven. Doet de inwoner dat niet, dan schendt hij de inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 PW).
Gaat het om ‘giften in natura’, die voor de inwoner door een ander aan een derde worden betaald, dan vallen die besparende bedragen ook onder het maximale vrijlatingsbedrag van € 1.200,00 per kalenderjaar. De vrijlating van besparingen per kalenderjaar geldt per gezin en niet persoon van een gezin. Zie verder 3.6.2 van deze beleidsregels.
4.2.3 Vrijlating giften en schadevergoedingen
Het bedrag van giften kan per kalenderjaar meer zijn dan de wettelijke vrijlating van € 1.200,00. Het college beoordeelt of het meerdere, uit het oogpunt van bijstandsverlening, kan worden vrijgelaten.
Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ
De schadevergoedingen zoals hier bedoeld zijn niet de vergoedingen die op grond van art. 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ zijn vrijgelaten.
Immateriële schadevergoeding (letselschade)
Bij de ontvangst van een immateriële schadevergoeding (letselschade) hanteert het college het uitgangspunt van de statistische leeftijd. Dat is de leeftijd gebaseerd op de levensverwachting naar geslacht en leeftijd van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Een immateriële letselschadevergoeding is in beginsel bedoeld voor het resterende deel van het leven van de betrokkene om steeds tegemoet te komen aan de gevolgen van het blijvende letsel. Het ontvangen bedrag wordt gedeeld door het aantal jaren waarin een betrokkene naar verwachting te leven heeft (CRVB:2023:909). Een bedrag van € 125,00 per maand kan als redelijk bedrag worden aangemerkt dat wordt vrijgelaten (CRVB:2026:132). De ontvangst van deze middelen moet de inwoner melden bij het college (art. 17 lid 1 PW).
Terugvordering achteraf ontvangen middelen
Het deel van het bedrag van de immateriële schadevergoeding per jaar dat niet wordt vrijgelaten, kan het college terugvorderen (art. 58 lid 2 onder f sub 1°PW). Zie achteraf ontvangen middelen in 4.9 van deze beleidsregels.
Materiële schadevergoeding (letselschade)
Bij een materiële schadevergoeding in de vorm van inkomensderving ligt het anders. Zie achteraf ontvangen middelen in 4.9 van deze beleidsregels.
In de PW is geen limitatieve opsomming opgenomen wat onder inkomen wordt verstaan. Verder blijkt uit de jurisprudentie wanneer een middel als inkomen wordt aangemerkt. Ook mag het college uitgaan vooronderstellingen, dat volgt ook uit de jurisprudentie. Het moet verder gaan om middelen die betrekking hebben op een periode waarover een uitkering is of zal worden verstrekt.
4.3.1 Verrekening van inkomsten
Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de uitkering (art. 58 lid 4 PW).
De regels over de inkomstenvrijlating zijn opgenomen in 2.15 van deze beleidsregels.
4.3.2 Voorlopige teruggave Belastingdienst
De voorlopige teruggave (VT) van de Belastingdienst wordt aangemerkt als inkomen en in mindering gebracht op de uitkering. Als duidelijk is dat de inwoner aanspraak heeft op een VT, dan gaat het college er van uit dat de inwoner hier redelijkerwijs over kan beschikken. Alleen in uitzonderingssituatie wordt de verplichting opgelegd de VT aan te vragen (art. 55 PW). De inwoner zal uiterlijk binnen drie maanden aan deze verplichting moeten voldoen.
Einde bijstand pensioengerechtigde leeftijd
Na einde bijstand kan de inwoner met terugwerkende kracht aanspraak maken op de ouderenkorting en eventueel de alleenstaande ouderenkorting over het jaar waarin hij/zij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het gaat om inkomsten die betrekking hebben op een periode van bijstandsverlening waar bij de verlening van bijstand rekening gehouden had moeten worden. Deze kortingen kunnen echter niet meer verrekend worden met de bijstand. Het college vordert de eventueel te veel ontvangen bijstand niet van de inwoner(s) terug.
Om het vermogen van de inwoner te kunnen vaststellen, is het noodzakelijk om de waarde van de bezittingen te berekenen verminderd met de aanwezige schulden. Dit wordt afgezet tegen de actuele vermogensgrens die van toepassing is.
4.5 Vaststellen vermogen aanvraag uitkering
Het gaat niet alleen om bezittingen waarover de inwoner beschikt maar ook om bezittingen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Voorbeelden zijn: bankrekeningen op naam (CRVB:2020:1347), saldi van rekeningen van ten laste komend kinderen (CRVB:2019:1534), onroerend goed op naam (CRVB:2018:288) en auto op naam (CRVB:2025:1405).
4.5.1 Kan het college het recht vaststellen
Het college bepaalt welke gegevens of verklaringen de inwoner moet overleggen om het recht op een uitkering te kunnen vaststellen (art. 53a lid 1 PW). Het kan voorkomen dat een uitkering van de inwoner eerder is beëindigd op grond van een overschrijding van de actuele vermogensgrens. Het college beoordeelt of de inwoner verantwoord heeft ingeteerd.
4.5.2 Aantoonbaar verantwoorde besteding
Het college stelt het vermogen vast op basis van de noodzakelijke gegevens en beoordeelt of de inwoner op een verantwoorde manier ingeteerd op het vermogen. Het college verstaat onder een verantwoorde intering anderhalf keer de geldende bijstandsnorm. Is de inwoner binnen deze norm gebleven, dan heeft de inwoner verantwoord ingeteerd. Het college kan daarnaast ook nog rekening houden met de besteding van het vermogen voor de aanschaf van noodzakelijke inrichtingskosten ingeval van een echtscheiding of het verbreken van de samenwoning.
4.5.3 Aantoonbaar niet verantwoorde besteding
Is er niet binnen de hiervoor genoemde norm gebleven, dan heeft de inwoner onverantwoord ingeteerd als daardoor eerder dan nodig een beroep op een uitkering wordt gedaan. Dat heeft gevolgen voor de toe te kennen uitkering als dat de inwoner te verwijten valt.
4.5.4 Maatregel en/of uitkering als geldlening
Het college kan op de uitkering een maatregel toepassen conform de verordening. Of het college kan daarnaast de uitkering verstrekken in de vorm van een geldlening op de grond van tekortschietend besef voor de verantwoordelijkheid in het bestaan (art. 48 lid 2 PW).
Bij een benadeling tot € 10.000,00 wordt alleen een maatregel opgelegd. Als de benadeling meer bedraagt dan € 10.000,00 dan wordt naast de maatregel, de bijstand ook als geldlening verstrekt. De omvang van de geldlening is afhankelijk van de periode dat de inwoner met het bedrag boven de € 10.000,00 nog in zijn eigen levensonderhoud had kunnen voorzien. Voor de berekening van deze periode geldt als uitgangspunt een intering van anderhalf maal de norm. Als uit de berekening blijkt dat dit bijvoorbeeld een periode van zes maanden betreft, dan wordt de bijstand over de eerste zes maanden als geldlening verstrekt.
4.6 Ontvangst vermogen tijdens uitkeringsperiode
Bij de ontvangst van vermogen tijdens de uitkeringsperiode stelt het college het vermogen opnieuw vast. Er wordt gekeken naar de actuele vermogenspositie op het moment van de ontvangst; verminderd met de eventuele (nieuwe) schulden. Het gevolg kan zijn dat het vrij te laten vermogen wordt overschreden. In dat geval wordt de uitkering beëindigd.
De inwoner hoeft ontvangsten van vermogen niet uit zichzelf te melden zolang het totale vermogen beneden de geldende vermogensgrens blijft. Alleen als het college om informatie vraagt over ontvangsten van vermogen, dan moet de inwoner daar gehoor aan geven. Doet de inwoner dat niet, dan schendt hij de inlichtingenverplichting (art. 17 lid 1 PW).
De inwoner zal moeten interen op het meerdere boven die grens. Pas daarna kan opnieuw een aanvraag worden gedaan. Bij deze nieuwe aanvraag beoordeelt het college of de inwoner op een verantwoorde manier heeft ingeteerd op het vermogen. In 4.5 van deze beleidsregels staat welke situaties zich kunnen voordoen.
Als er sprake is van een geringe vermogensoverschrijding en de interingsperiode niet langer dan 30 dagen bedraagt, dan bestaat er alleen voor die periode (maand) geen recht op uitkering. Bij een aanvraag wordt de uitkering met ingang van de volgende maand toegekend. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 45 PW en de geldende jurisprudentie (zie ook bijv. CRVB:2017:4123, CRVB:2021:1040).
4.7 Vaststellen vermogen bij wijziging leefvorm
Wijzigt de leefvorm van de inwoner(s) dan heeft dat gevolgen voor het recht op bijstand. Gehuwden of daarmee gelijkgestelden kunnen elk aanspraak hebben op een uitkering volgens de norm van een alleenstaande (ouder). De actuele vermogensgrenzen verschillen per leefvorm. Het college stelt bij elke uitkering het vermogen vast (zie 4.5 van deze beleidsregels).
Alleenstaande ouder wordt alleenstaande
Wordt het jongste kind 18 jaar, dan wijzigt de uitkering van een alleenstaande ouder naar een alleenstaande. Er geldt een lagere actuele vermogensgrens. Is bij de (laatste) vermogensvaststelling het vermogen van het ten laste komende kind in aanmerking genomen, dan blijft dat deel bij de nieuwe vermogensvaststelling buiten beschouwing. De inwoner zal dat deel wel moeten overmaken op de bankrekening van het kind.
Art.31 lid 2 onder i en art. 34 lid 2 sub c PW
Bij de vaststelling van het vermogen blijft het vermogen dat tijdens de uitkering is gespaard buiten beschouwing. Dit geldt ook voor de rente die is ontvangen. De inwoner zal aannemelijk moeten maken dat gespaard is tijdens de uitkering met bewijsstukken die het college kan controleren. Bij gehuwden of daarmee gelijkgestelden geldt voor elk de helft. De inwoner zal het deel dat toekomt aan de ander (de ex-partner) moeten overmaken op de rekening van die ander.
Bezittingen in natura die algemeen gebruikelijk zijn worden niet meegerekend bij de vaststelling van het vermogen. Het gaat in ieder geval om de gebruikelijke inrichting van een woning.
Vrijlating waarde auto of motor
De waarde van een auto of motor tot een bedrag van € 3.000,00 blijft vrij bij de vaststelling van het vermogen. Het college stelt de waarde van een auto of motor vast op basis van de ANWB-koerslijst.
Vrijlating waarde caravan of boot
De waarde van een caravan of boot tot een bedrag van € 1.000,00 blijft vrij bij de vaststelling van het vermogen. Het college stelt de waarde van een caravan of boot vast op basis van een beschikbaar taxatierapport of de verzekerde waarde van de verzekeringspolis, tenzij dat geen reële waarde is. Het college kan onderzoek naar de marktwaarde van een vergelijkbare caravan of boot.
Geen vrijlating waarde antiek, kunst en sieraden
De genoemde vermogensbestanddelen worden niet als algemeen gebruikelijk gezien en naar hun aard als vermogen in aanmerking genomen.
Andere voorbeelden van vermogensbestanddelen
Er zijn meer voorbeelden van vermogensbestanddelen die bij de vermogensvaststelling in aanmerking worden genomen. Bijvoorbeeld: een dwangsom (CRVB:2014:1015), een prijs in de loterij (CRVB:2008:BC8540), het bezit van en/of fokken met paarden (CRVB:2009:BJ5864), een nog onverdeelde nalatenschap (CRVB:2012:BY4292), de verdeling van de gemeenschappelijke boedel (CRVB:2014:2135) en de inhoud van een safeloket op naam of bij volmacht (CRVB:2015:555).
Meerwaarde auto, motor, caravan of boot is vermogen
Het college rekent de meerwaarde boven de hiervoor geldende vrijlatingen tot het vermogen. Is het totale vermogen van de inwoner lager dan de actuele vermogensgrens? Dan bestaat er recht op algemene bijstand. Is het totale vermogen hoger, dan bestaat er geen recht op bijstand. De inwoner moet dan interen op zijn vermogen. Bij een nieuwe aanvraag beoordeelt het college of de inwoner dat op een verantwoorde manier heeft gedaan (zie 4.5 van deze beleidsregels).
4.9 Achteraf ontvangen middelen
Voorbeelden van achteraf ontvangen middelen zijn een erfenis of schadevergoeding. De ontvangst daarvan kan gevolgen hebben voor het recht op bijstand vanaf de peildatum. Dat beoordeelt het college na ontvangst van de erfenis of materiële schadevergoeding wegens bijvoorbeeld inkomensderving. Dat doet het college als volgt:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-410837.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.