Gemeenteblad van Oldenzaal
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oldenzaal | Gemeenteblad 2026, 410686 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Oldenzaal | Gemeenteblad 2026, 410686 | beleidsregel |
Beleidsregels algemene en bijzondere Bijstand gemeente Oldenzaal 2026
Het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal;
gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 31 tweede lid onderdeel s, 35, 41 elfde lid, 43a eerste lid, en 44 vijfde lid van de Participatiewet en de artikelen 15a eerste lid, en 16a vierde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
vast te stellen: Beleidsregels algemene en bijzondere Bijstand gemeente Oldenzaal 2026
Hoofdstuk 2 – Algemene Bijstand
Artikel 4. Toekenning met terugwerkende kracht
In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf een dag die maximaal drie maanden vóór de meldingsdatum ligt. Er moet dan wel sprake zijn van individuele omstandigheden die rechtvaardigen dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld óf die er op wijzen dat het ernstige gevolgen voor belanghebbende heeft als de bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend.
Artikel 5. Aanvulling op jongerennorm
Artikel 6. Bijzonderheden i.v.m. zorgbehoefte
De kostendelersnorm wordt niet toegepast als er sprake is van het tijdelijk gebruik maken van een hoofdverblijf elders vanwege het leveren van mantelzorg bij een zorgbehoefte (conform artikel 22a lid 4 Pw). Onder tijdelijk wordt de duur van maximaal 6 maanden verstaan, waarbij het college eenmalig kan verlengen met maximaal 6 maanden als de mantelzorgsituatie voortduurt en noodzakelijk is.
Er bestaat geen volledige lijst van bijzondere kostensoorten. Deze kosten vloeien immers voort uit een bijzondere omstandigheid. Hieronder worden enkele kostensoorten benoemd die inkadering noodzakelijk maken.
Van bijzondere omstandigheden voor het recht op woonkostentoeslag is sprake als:
een inwoner een woning boven de huurtoeslaggrens huurt en daarbij huurtoeslag ontvangt dat berekend is o.b.v. de huurgrens, maar de resterende huurlasten niet meer op kan brengen vanwege een bijzondere situatie. Hiervoor kan maximaal 6 maanden een woonkostentoeslag worden verleend ter hoogte van het deel dat boven de huurtoeslaggrens ligt, met de volgende aanvullende verplichtingen:
een inwoner een eigen woning bewoont en de woonlasten (minus de belastingteruggave en rijkssubsidie) hoger zijn dan de maximale huurgrens. Dan kan maximaal 12 maanden een woonkostentoeslag worden verleend met de verplichting om de eigen woning binnen 1 maand na aanvraag te koop aan te bieden bij een erkend makelaar. De termijn kan steeds met 6 maanden verlengd worden, als buiten eigen toedoen nog geen goedkopere huisvesting is gevonden. Bij de hoogte van de woonkostentoeslag wordt rekening gehouden met de verplichte woonlasten zoals: hypotheek, hypotheekrente, opstalverzekering, VVE. Onderhoudskosten vallen hier niet onder. In de vergoedingenlijst is de berekening nader beschreven en worden de bedragen jaarlijks geïndexeerd.
Artikel 20. Doorbetaling huur (woonlasten) bij verblijf in detentie
In afwijking van artikel 13 lid 1 onder a van de wet kan het college voor doorbetaling van de vaste lasten bijzondere bijstand verstrekken voor zover de inwoner die in detentie zit deze kosten aantoonbaar niet over de hele detentieperiode zelf kan betalen en als er sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het noodzakelijk is dat de woning wel wordt aangehouden.
Vastgesteld op 25 augustus 2026.
Het college van burgemeester en wethouders
de secretaris
de burgemeester
Toelichting behorende bij de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand 2026
(vastgesteld bij besluit van college van INTB-26-07287 d.d. 25 augustus 2026)
Hoofdstuk 1 – Begripsbepalingen
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit artikel worden omschrijvingen gegeven van begrippen die in de beleidsregels voorkomen, en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. Bij het omschrijven van de begrippen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in de Participatiewet.
Hoofdstuk 2 – Algemene bijstand
Artikel 2. Aanvraag jongeren en zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of jongeren die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, is een elfde lid toegevoegd, waardoor het college aanvragen vóór het verstrijken van de zoektermijn in behandeling kan nemen. In artikel 2 zijn groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief.
Artikel 3. Vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a Participatiewet.
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen maximaal twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 4. Toekenning met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid van de Participatiewet.
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 4647) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
In dit lid worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen a en d geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen b, c en e geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden of om problemen die door financiële omstandigheden kunnen worden veroorzaakt, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5. Aanvulling op jongerennorm
Voor bijstandsbehoeftige jongeren van 18 tot 21 jaar is er de jongerennorm uit artikel 20 lid 1 en 2 Pw. Deze normen zijn afgeleid van de kinderbijslagbedragen. De meeste jongmeerderjarigen van 18, 19 en 20 zullen nog bij (één van) hun ouders wonen, en hebben hierdoor geen of weinig kosten voor levensonderhoud. In de meeste situaties wordt de jongerennorm daarmee toereikend geacht om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Mede omdat de ouders een onderhoudsplicht plicht hebben totdat hun kind 21 jaar is (artikel 1:395a BW).
In lid 2 is geregeld dat er een aanvulling op de jongerennorm verstrekt kan worden als de jongere aantoonbare noodzakelijke kosten heeft die hoger zijn dan de jongerennorm (bijvoorbeeld omdat de jongere zelfstandig woont). Voor het recht op aanvulling wordt eerst onderzocht in hoeverre de onderhoudsplicht van de ouders te gelde gemaakt kan worden. M.u.v. de situaties van lid 3. In die situaties doen we geen onderzoek en gaan we ervan uit dat de onderhoudsplicht niet te gelde gemaakt kan worden. Echter heel zelden wordt zak- en kleedgeld verstrekt o.g.v. de jeugdwet aan jongeren die in een instelling verblijven. Om dubbele betaling te voorkomen vanuit twee verschillende wetten, stemmen we de verstrekking in dit soort gevallen af met team jeugd.
Als er geen beroep op de ouders mogelijk is, dan kan de jongerennorm verhoogd worden met de standaard aanvulling van artikel 20 lid 3 Pw.
Blijkt uit onderzoek echter dat ook de jongerennorm + aanvulling art 20 lid 3 Pw samen ook onvoldoende is om in levensonderhoud te voorzien? Dan kan de algemene bijstand op grond van artikel 18 afgestemd worden op de situatie, maar mag dit nooit hoger zijn dan de 21-jarigen norm in een vergelijkbare situatie (artikel 20 lid 4 Pw). Dat betekent dat er een begrenzing is op de hoogte van de aanvulling en er situaties kunnen zijn waarin de aanvulling moet worden verlaagd. Denk aan samenwoning met een partner van 21 jaar of ouder óf een situatie waarbij sprake is van kostendelers. Het toepassen van het standaardbedrag zou in die gevallen betekenen dat de (gezamenlijke) norm + ophoging boven de bijstandsnorm van artikel 21 uitkomt, en dat is niet de bedoeling (conform artikel 20 lid 4 Pw).
Artikel 6. Bijzonderheden i.v.m. zorgbehoefte
In de Participatiewet zijn wijzigingen aangebracht waardoor er meer ruimte is gekomen voor het verrichten van ontvangen van mantelzorg zonder dat dit gevolgen heeft voor de bijstandsuitkering.
In hoofdlijnen zijn dat de volgende aanpassingen:
De zorgbehoefte zal moeten blijken uit een Wlz/Wmo-indicatie of uit onderzoek van een onafhankelijk medisch deskundige van bijvoorbeeld A&K.
Bij de vermogensvaststelling wordt de waarde van één auto tot maximaal € 7.000 buiten beschouwing gelaten. De waarde wordt bepaald op grond van de ANWB koerslijst.
In dit artikel zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de Wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt’.
Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten:
als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).
Op grond van artikel 31 lid 2 onder m Pw worden giften en kostenbesparende bijdragen buiten beschouwing gelaten als dit (gezamenlijk) minder bedraagt dan het genoemde bedrag (Voor 2026 = € 1.200).
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18 van de Wet. Dit is nu lid 8, maar wordt in later in 2026 het 13e lid). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, maar kunnen wel leiden tot verlaging (=afstemmen) van de algemene bijstand vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen echter ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar (artikel 31 lid 2 onder m Pw).
Dat betekent dat afstemming van de uitkering pas aan de orde is als de kostenbesparende bijdragen samen (en met eventuele andere giften) meer bedragen dan € 1.200.
In artikel 31 2e lid onder s Pw is geregeld dat een gift niet als middel wordt gezien als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening.
Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuld-regeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt.
In het eerste lid van artikel 7 van deze beleidsregels zijn een aantal omstandigheden genoemd waarvan het college het in ieder geval verantwoord vindt dat deze gift niet als middel gezien wordt.
Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. In onderdeel e gaat het om andere bijdragen die niet tot een kostenbesparing leiden. Deze andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden.
Hoofdstuk 3 – Bijzondere bijstand
Hoofdregel voor bijstandsverlening is dat dit verleend kan worden vanaf de dag dat hierop recht bestaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag van aanvraag (artikel 44 lid 1 Pw). Voor bijzondere bijstand is in dit eerste lid bepaald dat dit verruimd wordt áls de aanvraag binnen 1 maand is ingediend nadat de kosten zijn gemaakt of duidelijk is geworden wat de kosten zijn die voor eigen rekening blijven én de noodzaak van de kosten nog kan worden vastgesteld. Voor deze mogelijkheid van terugwerkende kracht hoeft geen sprake te zijn van individuele omstandigheden zoals dat voor de verruiming van lid 2 wel geldt.
Lid 2 geeft vervolgens de mogelijkheid om bijstand maximaal 3 maand met terugwerkende kracht toe te kennen als er sprake is van individuele omstandigheden. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen van artikel 4 van deze beleidsregels. Terugwerkende kracht is echter niet mogelijk als het aanvragen voor verhuis- en of inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen betreft. Dergelijke aanvragen moeten ingediend worden alvorens de kosten worden gemaakt.
Artikel 10. Beoordelingskader bijzondere bijstand
Voor het recht op bijzondere bijstand gelden allereerst de algemene voorwaarden voor bijstand zoals genoemd in artikel 11 tot en met 16 Pw. Dat betekent dat je tot de kring van rechthebbenden moet behoren (art. 11 en 13 Pw), dat bepaalde kosten zijn uitgesloten (art. 14 Pw) en dat er dat er geen voorliggende voorziening is (art. 15 Pw).
Ten aanzien van een voorliggende voorziening geldt dat er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passen te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Onder voorliggende voorziening wordt verstaan elke voorziening buiten de Participatiewet waarop aanspraak bestaat ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
Hieruit volgt dat bijzondere bijstand kan worden verstrekt als een voorziening noodzakelijk is, maar een voorliggende voorziening toch geen vergoeding geeft (bijvoorbeeld om budgettaire reden). Als de voorliggende voorziening de kosten echter als niet noodzakelijk beschouwt, dan bestaat er in principe ook geen recht op bijzondere bijstand.
Als een aanvraag bijzondere bijstand wordt afgewezen omdat de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, dan dient vast te staan dat de aanvrager ook daadwerkelijk een beroep kan doen op deze voorliggende voorziening. Als de aanvrager bijvoorbeeld niet meer kan aanvragen bij de voorliggende voorziening omdat hij te laat is, dan kan de aanvraag niet worden afgewezen met de motivering dat hij een beroep kan doen op een voorliggende voorziening. Onderzocht moet dan worden of de aanvrager verwijtbaar heeft gehandeld en of de bijzondere bijstand daarom ook moet worden afgewezen. Daarnaast kan bezien worden of de bijzondere bijstand als lening verstrekt moet worden
Pas als blijkt dat er geen voorliggende voorziening is worden de volgende dwingende beoordelingsvragen gesteld conform de voorwaarden van artikel 35 Pw:
Artikel 11. In aanmerking te nemen inkomen
Voor de vaststelling van het aanwezige inkomen waarmee de kosten mogelijk voldaan kunnen worden, wordt aansluiting gezocht bij de middelen van artikel 31, 32 en 33 van de Participatiewet. Dat betekent dat vermogens- of inkomensbestanddelen die op grond van artikel 31 lid 2 van de wet niet tot de middelen worden gerekend ook niet in aanmerking genomen worden voor bijzondere bijstand. Vrijlatingsbepalingen van artikel 34 van de wet blijven buiten beschouwing van de inkomstenbeoordeling.
Daarnaast zijn de volgende twee aanvullingen bepaald:
Artikel 12. In aanmerking te nemen vermogen
Voor de vaststelling van het aanwezige vermogen waarmee de kosten mogelijk voldaan kunnen worden, wordt aansluiting gezocht bij artikel 34 van de Participatiewet. Aanvullend hierop is bepaald dat de waarde van één auto tot maximaal € 7.000 buiten beschouwing blijft. De waarde wordt bepaald op grond van de ANWB koerslijst.
Artikel 13. Beoordelen draagkracht
Onder draagkracht wordt verstaan dat gedeelte van het inkomen en/of vermogen dat een bepaalde grens te boven gaat. Men wordt in staat geacht met de draagkracht een gedeelte van de kosten zelf te voldoen.
De draagkracht wordt vastgesteld voor een jaar en gaat in op datum aanvraag óf de ingangsdatum van de (periodieke) bijzondere bijstand. De draagkracht dient binnen het jaar te worden gebruikt. Als met terugwerkende kracht bijzondere bijstand wordt aangevraagd gaat de draagkracht in op de eerste van de maand waarin de kosten zijn gemaakt (dus ook met terugwerkende kracht).
Bij een inkomen tot 110% van de betreffende bijstandsnorm wordt geen draagkracht aanwezig geacht. Dat betekent dat de bijzondere kosten volledig met bijzondere bijstand kunnen worden vergoed. De betreffende bijstandsnorm wordt berekend met toepassing van het kostendelersprincipe (artikel 22a Participatiewet). Bedraagt het inkomen meer dan 110% van de bijstandsnorm, dan wordt de draagkracht vastgesteld op 25% van de inkomensoverschrijding. Dat houdt in dat 75% van het inkomen boven 110% van de betreffende bijstandsnorm wordt vrijgelaten.
Voor aanvragers die over een inkomen anders dan bijstand beschikken, zal hierdoor eerst een beoordeling van de kostendelersnorm plaats moeten vinden, voordat de draagkracht kan worden vastgesteld. Voor de berekening van de draagkracht kan gebruik worden gemaakt van het berekeningsmodel op de kennisbank.
Voor de beoordeling of er draagkracht uit vermogen is, wordt berekend óf en hoeveel de bezittingen minus de schulden meer bedragen dan de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 van de wet. Tenzij het kosten voor woninginrichting of woonlasten betreft. Hiervoor geldt een afwijkende vermogensvrijlating van twee keer de geldende bijstandsnorm.
Toepassen draagkracht bij periodieke bijstand
Als er sprake is van samenloop tussen periodieke bijzondere bijstand én draagkracht, dan wordt de draagkracht maandelijks voor 1/12e deel op de bijstand in mindering gebracht.
Samenloop draagkracht uit vermogen en inkomen
Als er sprake is van draagkracht uit zowel vermogen als inkomen, dan wordt eerst de draagkracht uit het vermogen ingezet om de kosten te voldoen.
Artikel 14. Wijzigen draagkracht
In beginsel wordt de eenmaal vastgestelde draagkracht niet gewijzigd. Alleen als zich in de loop van de vastgestelde periode ontwikkelingen voordoen, zoals het wegvallen of ontstaan van inkomstenbronnen kan tussentijdse herziening plaatsvinden.
Er wordt geen drempelbedrag toegepast zoals bedoeld in artikel 35 lid 2 van de Participatiewet.
Hoofdstuk 4 – Kostensoorten Artikel 16 t/m 22
De meest voorkomende kostensoorten zijn daar waar nodig toegelicht in de vergoedingenlijst en worden jaarlijks geïndexeerd met de actuele bedragen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-410686.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.