Wijziging Verordening Kwaliteit Leefomgeving 2023

De raad van de gemeente Enschede,

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2025, nummer 2500030550;

 

gelet op de artikelen 147 en 149 Gemeentewet, artikel 4.1 en 4.2 Omgevingswet en artikel 10.63 Wet milieubeheer,

 

besluit vast te stellen:

 

De Verordening tot wijziging van de Verordening Kwaliteit Leefomgeving 2023.

 

Artikel I

De Verordening Kwaliteit Leefomgeving 2023 wordt als volgt gewijzigd:

 

A. Artikel 10.4, aanhef en onderdeel a, komen na aanpassing als volgt te luiden:

 

Artikel 10.4: Algemene regels

Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van het milieu nadere regels vaststellen.

a. voor het verbranden van niet ingezamelde of afgegeven afvalstoffen in de open lucht of anderszins in de open lucht vuur aanleggen of stoken;

 

B. Artikel 10.6, Meldingsplicht, komt te vervallen:

 

Artikel 10.6: Vervallen

 

C. Artikel 10.8 komt na aanpassing als volgt te luiden:

 

Artikel 10.8: Omgevingsvergunning

Voor het verrichten van de volgende activiteiten is een omgevingsvergunning vereist:

a. het buiten een daartoe bestemde voorziening storten van afvalstoffen (artikel 10.22 van deze Verordening).

 

D. Artikel 10.10 komt na aanpassing als volgt te luiden:

 

Artikel 10.10: Verbod afvalstoffen te verbranden in de open lucht of anderszins in de open lucht vuur te stoken

  • 1.

    Het is verboden niet ingezamelde of afgegeven afvalstoffen te verbranden in de open lucht of anderszins in de open lucht vuur aan te leggen, te stoken, in stand te houden of te hebben.

  • 2.

    Het verbod als bedoeld in lid 1 geldt niet indien sprake is van:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven (indien geen afvalstoffen worden verbrand);

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden en geen gevaar, overlast of hinder wordt veroorzaakt voor de omgeving.

  • 3.

    Vervallen.

  • 4.

    Het college kan in het belang van de bescherming van de openbare orde en veiligheid, de bescherming van de volksgezondheid of de bescherming van het milieu nadere regels vaststellen voor het verbranden van afvalstoffen in de open lucht of voor het anderszins in de open lucht vuur aanleggen of stoken.

  • 5.

    Vervallen.

  • 6.

    Vervallen.

  • 7.

    Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

 

E. Na artikel 10.10 worden de nieuwe artikelen 10.10a t/m 10.10k ingevoegd:

 

Artikel 10.10a: Definities

  • 1.

    Afgegeven takken- en snoeiafval: takken- en snoeiafval dat door iemand is afgegeven om buiten zijn eigen terrein te verbranden. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om het afgeven van snoeihout voor de brandstapel van een paasvuur, het afgeven van snoeihout bij een afvalbrengpunt of het afgeven van snoeihout aan de buurman.

  • 2.

    Evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak als bedoeld in artikel 2.24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Enschede 2009.

  • 3.

    Ingezameld takken- en snoeiafval: takken- en snoeiafval dat door iemand of een bedrijf is opgehaald om op een specifieke locatie te verbranden. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om inzamelen van snoeihout voor de brandstapel van een paasvuur of om inzamelen van snoeihout door een gespecialiseerd afvalverwerkingsbedrijf.

  • 4.

    Openbaar toegankelijk paasvuur: paasvuur wat voor een ieder vrij toegankelijk is, al dan niet op vertoon van een toegangsbewijs.

  • 5.

    Paasvuur: een locatiegebonden vreugdevuur, dat bij wijze van traditie ter gelegenheid van Pasen wordt ontstoken.

  • 6.

    Niet openbaar toegankelijk paasvuur: een besloten paasvuur wat niet voor een ieder vrij toegankelijk is maar alleen voor een specifieke en beperkte groep personen op persoonlijke uitnodiging van degene die het paasvuur organiseert.

  • 7.

    Takken- en snoeiafval: afval afkomstig na onderhoudswerkzaamheden in tuinen, parken, plantsoenen en bosgebieden dat alleen bestaat uit takken, blad of stammen.

 

Artikel 10.10b: Toepassingsbereik

  • 1.

    De regels in de artikelen 10.10a tot en met 10.10l zijn uitsluitend van toepassing op het in de open lucht verbranden van niet ingezameld of niet afgegeven droog, onbehandeld takken- en snoeiafval en paasvuren.

  • 2.

    De in lid 1 genoemde regels gelden alleen voor het werkingsgebied ‘landelijk gebied’, zoals weergegeven in groene kleur op de verbeelding in bijlage 1 bij deze regels.

 

Artikel 10.10c: Algemene stookontheffing

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verlenen met toepassing van artikel 10.63, 1e lid van de Wet milieubeheer een algemene stookontheffing voor het verbranden van takken- en snoeiafval als bedoeld in artikel 10.10b.

  • 2.

    De in lid 1 genoemde algemene stookontheffing wordt verleend onder de hierna genoemde voorwaarden:

    • a.

      de algemene stookontheffing geldt voor telkens de periode van 21 september tot en met 21 maart;

    • b.

      van de algemene stookontheffing mag maximaal 5 x per jaar gebruik worden gemaakt;

    • c.

      de algemene stookontheffing geldt niet op zondagen en algemeen erkende feestdagen.

 

Artikel 10.10d: Locatie en opbouw van de brandstapel en aan te houden veiligheidsafstanden

  • 1.

    Het opbouwen en verbranden moet plaatsvinden op een terrein dat vrij is van brandbare objecten en op een onbrandbare ondergrond.

  • 2.

    Bij een brandstapel dienen de in tabel 1 in bijlage 2 bij deze regels genoemde veiligheidsafstanden in acht te worden genomen.

 

Artikel 10.10e: Verbranden van takken- en snoeiafval

  • 1.

    De inhoud van de brandstapel mag per keer niet meer bedragen dan 150 m3.

  • 2.

    Verbranden van takken- en snoeiafval mag alleen plaatsvinden tussen zonsopkomst en zonsondergang.

  • 3.

    Bij het verbranden van takken- en snoeiafval wordt de algemene zorgplicht in artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet in acht genomen.

  • 4.

    Het te verbranden materiaal moet volledig verbranden en mag niet smeulen.

  • 5.

    Het is verboden afgegeven of ingezameld takken- en snoeiafval aan de brandstapel toe te voegen.

  • 6.

    Voor het aanmaken van het vuur mag geen gebruik worden gemaakt van vloeibare brandstoffen.

  • 7.

    De aanwezigheid van andere brandbare stoffen en/of afval dan takken- en snoeiafval in de brandstapel of op en/of bij de stookplaats valt onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het perceel en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde.

 

Artikel 10.10f: Beëindiging van het verbranden

  • 1.

    Voor het verlaten van het terrein moet het vuur geheel worden gedoofd en de verbrandingsresten met een laag zand worden afgedekt. Voorkomen dient te worden dat vonken elders terecht kunnen komen.

  • 2.

    Eventuele resten niet verbrand materiaal, anders dan asresten van verbrand takken- en snoeiafval, moeten binnen 5 dagen na de verbranding worden verwijderd en afgevoerd naar een erkend afvalinzameling- of verwerkingsbedrijf.

  • 3.

    De stookplaats dient na beëindiging van de verbranding zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat te worden hersteld.

  • 4.

    Het afvoeren van niet verbrand materiaal als bedoeld in lid 2 valt onder de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het perceel en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde.

 

Artikel 10.10g: Verbod tot verbranding en stookverbod

  • 1.

    Er mag geen verbranding plaatsvinden:

    • a.

      bij windkracht 5 Beaufort of meer (de windsnelheid bedraagt dan meer dan 8 m/s);

    • b.

      bij droogte, in geval voor de regio Twente de status Fase 2, “extra alert”, geldt, zoals kenbaar gemaakt op de website www.natuurbrandrisico.nl van de gezamenlijke veiligheidsregio’s.

    • c.

      bij andere onvoorziene extreme weersomstandigheden, zoals mist, zware en langdurige regenval of ander (dreigend) noodweer.

  • 2.

    Er mag geen verbranding plaatsvinden van andere afvalstoffen dan takken- en snoeiafval als bedoeld in artikel 10.10b, lid 1.

  • 3.

    Er mag geen verbranding plaatsvinden als er in de brandstapel wordt genesteld door vogels en/of wordt gehuisd door andere dieren.

 

Artikel 10.10h: Toezicht

  • 1.

    De verbranding vindt plaats onder verantwoordelijkheid en continu toezicht van de eigenaar van het perceel waarop de verbranding plaatsvindt en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde.

  • 2.

    De eigenaar van het perceel waarop de verbranding plaatsvindt en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde degene is verplicht al het mogelijke te doen en na te laten dat redelijkerwijs kan worden gevraagd om letsel, gevaar, schade of hinder ten gevolge van het verbranden te voorkomen en/of te beperken.

  • 3.

    De in lid 1 en 2 genoemde verplichtingen gelden totdat het vuur volledig is gedoofd en eventueel niet verbrand materiaal is afgevoerd overeenkomstig artikel 10.10f, lid 2.

 

Artikel 10.10i: Aanvullende en afwijkende regels voor paasvuren

  • 1.

    Het bepaalde in de artikelen 10.10a tot en met 10.10h is van overeenkomstige toepassing voor paasvuren.

  • 2.

    De periode in artikel 10.10c, lid 2 onderdeel a., geldt niet voor het verbranden van een paasvuur.

  • 3.

    Het maximum aantal in artikel 10.10c, lid 2 onderdeel b., geldt niet voor het verbranden van een paasvuur.

  • 4.

    Het verbod in artikel 10.10c, lid 2 onderdeel c., geldt niet voor het verbranden van een paasvuur.

  • 5.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 10.10e, lid 1, bedraagt de inhoud van de brandstapel voor een paasvuur niet meer dan 500 m3.

  • 6.

    De periode in artikel 10.10e, lid 2, geldt niet voor het verbranden van een paasvuur.

  • 7.

    Een paasvuur dat niet ontstoken kan worden (bijvoorbeeld vanwege een stookverbod als bedoeld in artikel 10.10g, lid 1), moet binnen 14 kalenderdagen na de geplande datum van branden zijn opgeruimd. De melder dan wel de in artikel 10.10k, lid 1, bedoelde verantwoordelijke persoon draagt op eigen kosten zorg voor het verwijderen en afvoeren van niet verbrand stookmateriaal naar een erkend afvalinzameling- of verwerkingsbedrijf.

  • 8.

    Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in lid 7 besluiten dat een paasvuur dat niet ontstoken kan worden op een ander tijdstip alsnog ontstoken mag worden. Voorwaarde daarvoor is wel dat de belemmeringen voor het oorspronkelijke stookverbod zijn opgeheven en de Veiligheidsregio Twente daarvoor een positief advies heeft afgegeven.

 

Artikel 10.10j: Opbouw en verbranden van paasvuren en veiligheidsafstanden

  • 1.

    De verbranding van een paasvuur vindt plaats onder verantwoordelijkheid en continu toezicht van de eigenaar van het perceel waarop de verbranding plaatsvindt en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde.

  • 2.

    Een paasvuur mag maximaal 28 kalenderdagen voor het branden opgebouwd worden.

  • 3.

    Het in artikel 10.10e, lid 5, genoemde verbod op het verbranden van takken- en snoeiafval van derden geldt niet voor een openbaar toegankelijk paasvuur.

  • 4.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 10.10d, lid 2, gelden voor een paasvuur ter voorkoming van vliegvuur ook de in tabel 2 in bijlage 2 bij deze regels genoemde, aan de hoogte van de brandstapel gerelateerde veiligheidsafstanden.

  • 5.

    Indien voor een object in zowel tabel 1 als tabel 2 in bijlage 2 bij deze regels aan te houden veiligheidsafstanden zijn opgenomen, dan geldt bij een paasvuur voor dat object de grootste aan te houden veiligheidsafstand.

 

Artikel 10.10k: Afwijken van stookverbod

  • 1.

    Het verbod in artikel 10.10g, lid 1 onder a. en b., geldt niet voor een openbaar toegankelijk paasvuur waarvoor een evenementenvergunning en eventuele noodzakelijke omgevingsvergunning(en) is of zijn verleend en door de Veiligheidsregio Twente een positief advies is afgegeven.

  • 2.

    In aanvulling op het bepaalde in lid 1 en in artikel 10.10g, lid 1, mag er ook geen verbranding van een paasvuur plaatsvinden als voor het betreffende paasvuur tevens een of meer van de hierna genoemde andere toestemmingen vereist is en deze niet is/zijn verleend:

    • a.

      evenementenvergunning of -melding;

    • b.

      omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

    • c.

      omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit verbranden van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.40e, 1e lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);

    • d.

      omgevingsvergunning voor een flora & fauna activiteit;

    • e.

      omgevingsvergunning voor een natura 2000 activiteit.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen respectievelijk de burgemeester kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 2, afwijken van het verbod in artikel 10.10g, lid 1 onder a. en b., voor het toestaan van een openbaar toegankelijk paasvuur door het stellen van maatwerkvoorschriften respectievelijk door het opnemen van voorschriften in een evenementenvergunning.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders geven, respectievelijk de burgemeester geeft, alleen toepassing aan de in lid 3 genoemde afwijkingsbevoegdheid in geval van een deugdelijk integraal veiligheidsplan en een positief advies van de Veiligheidsregio Twente.

Artikel II

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening vervallen de eerder door het college op 1 februari 2021 vastgestelde Nadere Regels verbranden van afvalstoffen en stoken en de op 9 maart 2021 vastgestelde algemene stookontheffing.

Artikel III

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking in het Gemeenteblad.

 

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 januari 2026.

de griffier, J.J. Ligteringen

de voorzitter, R.W. Bleker

Artikelsgewijze toelichting wijzigingsverordening Verordening Kwaliteit Leefomgeving 2023

 

Toelichting wijzigen artikel 10.4, aanhef:

In de aanhef van artikel 10.4 staat nu nog dat het college nadere regels kan stellen in het belang van de bescherming van flora en fauna. Gemeente is echter geen bevoegd gezag voor soortenbescherming en kan dus geen regels stellen in het belang van de bescherming van flora en fauna. Gemeente is wel bevoegd gezag voor de bescherming van het milieu maar in de VKL ontbreekt nu nog de mogelijkheid om in het belang van de bescherming van het milieu nadere regels te kunnen stellen. Daarom is in de aanhef van artikel 10.4 ‘bescherming van flora en fauna’ verwijderd en ‘bescherming van het milieu’ toegevoegd.

 

Toelichting wijzigen artikel 10.4, onderdeel a:

In artikel 10.4, onderdeel a. wordt nu nog verwezen naar het begrip ‘inrichting’ als bedoeld in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en voor de situatie na inwerkingtreding van de Omgevingswet naar het begrip ’activiteit in de zin van de Omgevingswet’. Die verwijzingen zijn niet meer actueel en correct. Onder de Omgevingswet is geen sprake meer van ‘inrichting’ maar van ‘milieubelastende activiteiten’. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ook artikel 10.2 Wet milieubeheer gewijzigd. Het verbranden van afvalstoffen in de open lucht is nu een milieubelastende activiteit als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), tenzij het gaat om het verbranden van niet afgegeven of niet ingezameld huishoudelijk afval. In dat geval blijft de Wet milieubeheer van toepassing en valt de activiteit niet onder de Omgevingswet. De nadere regels in artikel 10.4, onderdeel a zijn alleen van toepassing op de situatie dat het verbranden van afvalstoffen in de open lucht geen milieubelastende activiteit is als bedoeld in het Bal.

 

Toelichting vervallen artikel 10.6:

De meldplicht voor het branden van een paasvuur vervalt, daarom komt artikel 10.6 te vervallen.

 

Toelichting wijzigen artikel 10.8:

In artikel 10.8 staat nu nog dat een omgevingsvergunning is vereist voor het in afwijking van de algemene regels verbranden van afvalstoffen en het stoken van een vuur. Dat is niet meer actueel en correct. Voor het verbranden van afvalstoffen als bedoeld in het Bal bevat het Bal zelf een omgevingsvergunningplicht. Het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in de Wet milieubeheer valt niet onder de Omgevingswet en daarvoor kan dus geen omgevingsvergunningplicht gelden. Daarvoor en ook voor het stoken van vuur bevat de Wet milieubeheer in artikel 10.63 de bevoegdheid voor het college om een ontheffing te verlenen van het stookverbod.

 

Toelichting wijzigen artikel 10.10:

Voor de aanpassingen in de titel, het eerste lid en het vierde lid wordt verwezen naar de toelichting als beschreven bij de wijzigingen van artikel 10.4. Lid 3 vervalt omdat de Nadere Regels komen te vervallen. Lid 5 en lid 6 vervallen omdat geen sprake is van een omgevingsvergunningplicht op grond van de VKL. Zie verder ook de toelichting als beschreven bij de wijziging van artikel 10.8. In lid 7 wordt nu behalve naar het Wetboek van Strafrecht ook verwezen naar de provinciale milieuverordening. Deze bestaat al enige jaren niet meer en de rechtsopvolger ervan (provinciale omgevingsverordening) bevat geen regels over het verbranden van afvalstoffen in de open lucht of voor het stoken van vuur.

 

Algemene toelichting ingevoegde nieuwe artikelen 10.10a t/m 10.10k:

De regels in de artikelen 10.10a t/m 10.10l stonden in de Nadere Regels verbranden van afvalstoffen en stoken en in de algemene stookontheffing. Deze regels sloten redactioneel en inhoudelijk onvoldoende op elkaar aan en spraken elkaar ook op onderdelen onbedoeld tegen. Met als gevolg dat je steeds heen en weer moest bladeren tussen de regels in de VKL, de nadere regels en de algemene stookontheffing om een compleet beeld van de regeling te krijgen. Daarom zijn de regels samengevoegd tot één logisch en eensluidend geheel in de VKL zelf en waar nodig aangepast aan de Omgevingswet en de gewijzigde Wet milieubeheer. De regels zijn waar nodig ook aangepast aan het landelijk beleid voor circulair materiaalgebruik (Circulair Materialenplan, de rechtsopvolger van het Landelijk Afvalbeheerplan LAP3) en het gemeentelijk beleid voor circulair afvalbeheer in de Grondstoffenvisie 2025.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10a:

Dit artikel bevat de relevante definities, voor een goed begrip en uitvoering van de regels.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10b:

Dit artikel regelt het toepassingsbereik van de nieuw ingevoegde regels. Deze regels gelden alleen voor het in de open lucht verbranden van droog, onbehandeld takken- en snoeihout dat niet is afgegeven door iemand anders dan degene die het hout verbrandt en niet is ingezameld door een erkende afvalverwerker. Deze regels gelden alleen in het landelijk gebied van de gemeente Enschede.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10c:

Dit artikel regelt de algemene stookontheffing op grond van artikel 10.63, 1e lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat artikel geldt sinds de wetswijziging van 1 januari 2024. Het verbranden van takken- en snoeihout dat niet is afgegeven of ingezameld valt in de Wet milieubeheer onder het verbranden van huishoudelijk afval en dat is niet toegestaan. Burgemeester en wethouders kunnen onder in de wet genoemde voorwaarden ontheffing verlenen van dat verbod. Met deze regels geven burgemeester en wethouders generiek invulling aan die ontheffingsbevoegdheid.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10d:

Dit artikel regelt dat het verbranden van takken- en snoeiafval met toepassing van de algemene stookontheffing alleen mag plaatsvinden op een terrein dat een onbrandbare ondergrond heeft en vrij is van brandbare objecten als woningen, bomen en brandbare voorwerpen. Bij het verbranden moeten de in tabel 1 in bijlage 2 genoemde veiligheidsafstanden worden aangehouden.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10e:

Dit artikel regelt de voorwaarden die gelden voor het mogen verbranden van takken- en snoeiafval met toepassing van de algemene stookontheffing. Verbranding mag alleen plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang, jaarlijks alleen in de periode van 21 september tot en met 21 maart en met een maximum hoeveelheid van 150 m3 per keer. In artikel 10.10i is geregeld dat de in dit artikel genoemde periodes en hoeveelheid niet gelden voor paasvuren.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10f:

Dit artikel regelt de voorwaarden die gelden voor het beëindigen van de verbranding. Het vuur moet voor het verlaten van het terrein geheel zijn gedoofd en de verbrandingsresten moeten met een laag zand worden afgedekt. De stookplaats moet na afloop zoveel mogelijk weer geschikt worden gemaakt voor het normale gebruik van het terrein.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10g:

Dit artikel regelt de situaties waarin het verboden is om te verbranden. Verbranding mag om veiligheidsredenen niet plaatsvinden bij harde wind van windkracht 5 of meer en bij extreme droogte. Van extreme droogte is sprake als op de website www.natuurbrandrisico.nl voor de regio Twente de status ‘Fase 2, extra alert’ geldt. Verbranding mag ook niet plaatsvinden bij extreme weersomstandigheden zoals dichte mist en zware langdurige regenval.

 

Toelichting nieuwe artikel 10.10h:

Dit artikel regelt de eisen voor het houden van toezicht op de verbranding. Toezicht moet tijdens het verbranden continu plaatsvinden en valt onder de verantwoordelijkheid van de terreineigenaar en/of de organisator van het paasvuur dan wel diens (schriftelijk) gemachtigde. De toezichtplicht geldt tot dat het vuur volledig gedoofd is en de verbrandingsresten met zand zijn afgedekt of afgevoerd naar een erkende afvalverwerker.

 

Toelichting nieuwe artikelen 10.10i t/m 10.10k:

Deze artikelen regelen de aanvullende en afwijkende regels voor paasvuren. Voor paasvuren gelden op enkele uitzonderingen na dezelfde regels als voor het door particulieren in de open lucht mogen verbranden van takken- en snoeihout. Voor paasvuren geldt een maximum hoeveelheid van 500 m3 in plaats van 150 m3. Voor openbaar toegankelijke paasvuren geldt daarnaast dat wel is toegestaan dat ook takken- en snoeihout van andere personen dan de terreineigenaar of organisator mag worden verbrand. Ook geldt voor paasvuren dat ze buiten de periode 21 september – 21 maart mogen worden verbrand wanneer Pasen in dat jaar na 21 maart valt. Voor paasvuren gelden in aanvulling op de veiligheidsafstanden in tabel 1 in bijlage 2 ook de veiligheidsafstanden in tabel 2 in diezelfde bijlage. Indien voor een bepaald object in beide tabellen afstanden worden genoemd geldt voor dat object de grootste afstand als aan te houden veiligheidsafstand.

In aanvulling op het stookverbod in artikel 10.10g mag een paasvuur ook niet worden verbrand als voor het paasvuur een of meer omgevingsvergunningen en/of een evenementenvergunning of -melding noodzakelijk zijn en deze toestemmingen door het bevoegd gezag niet zijn verleend. Voor openbaar toegankelijke paasvuren waarvoor een evenementenvergunning is verleend kan door burgemeester en wethouders onder strikte voorwaarden worden afgeweken van het stookverbod in artikel 10.10g.

 

Bijlage 1 Werkingsgebied regels paasvuren en verbranden snoeiafval in open lucht

 

 

Bijlage 2 Veiligheidsafstanden behorende bij de artikelen 10.10d, lid 2 en 10.10k, lid 4

 

Tabel 1: Veiligheidsafstanden brandstapels:

De in tabel 1 genoemde veiligheidsafstanden gelden voor alle brandstapels, zijn aan de windkracht gerelateerd en worden horizontaal gemeten via de kortste weg tussen stookplaats en omgeving. De genoemde afstanden zijn afstanden die altijd minimaal moeten worden aangehouden tot de genoemde bouwwerken, infrastructuur en groenelementen.

Volume brandstapel in m³

5

10

15

20

25

30

40

50

100

200

300

400

500

Afstand in meters tot woningen en andere bouwwerken (ook tijdelijke) bij ≤3Bft

30

35

40

45

50

50

60

60

80

100

110

120

130

Afstand in meters tot woningen en andere bouwwerken (ook tijdelijke) bij 4Bft

60

75

85

95

100

100

120

120

160

200

225

250

275

Afstand in meters tot bos, heide, veen, rieten kap, opslag brandgevaarlijke stoffen bij ≤3Bft

100

100

100

100

100

100

110

120

150

200

225

250

250

Afstand in meters tot bos, heide, veen, rieten kap, opslag brandgevaarlijke stoffen bij 4Bft

200

200

200

200

200

200

225

250

300

400

450

500

500

Afstand in meters tot openbare weg, hoogspannings-masten bij ≤3Bft

25

30

35

35

40

45

50

50

65

85

95

100

110

Afstand in meters tot openbare weg, hoogspannings-masten bij 4Bft

30

60

70

75

85

90

100

100

130

170

190

200

225

Afstand in meters tot opgaande begroeiing, houtwallen bij ≤3Bft

25

30

35

35

40

45

50

50

65

85

95

100

110

Afstand in meters tot opgaande begroeiing, houtwallen bij 4Bft

50

60

70

75

85

90

100

100

130

170

190

200

225

 

Tabel 2: Aanvullende veiligheidsafstanden voor paasvuren ter voorkoming van vliegvuur

De in tabel 2 genoemde afstanden gelden voor paasvuren in aanvulling op de afstanden genoemd in tabel 1. Deze veiligheidsafstanden worden horizontaal gemeten via de kortste weg tussen stookplaats en omgeving. De genoemde afstanden zijn afstanden die altijd minimaal moeten worden aangehouden tot de genoemde bouwwerken, groenelementen en publiek.

Veiligheidsafstanden tot een paasvuur in meters.

Object

afstand in meters tot paasvuur

bouwwerk met pannendak

6 x hoogte paasvuur

bouwwerk met rieten dak

10 x hoogte paasvuur

Heide

10 x hoogte paasvuur

Bos

10 x hoogte paasvuur

(feest)tent

10 x hoogte paasvuur

Publiek

2 x hoogte paasvuur

 

Naar boven