U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Omgevingsplan gemeente Rucphen

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Rucphen heeft het ontwerp van de wijziging van het ”Omgevingsplan gemeente Rucphen” vrijgegeven voor de terinzagelegging.

De wijziging van het Omgevingsplan gemeente Rucphen wordt op een later moment vastgesteld. 

Wijzigartikel I

De tekst van het ”Omgevingsplan gemeente Rucphen” wordt vervangen zoals gegeven in Bijlage A Ontwerp wijziging Omgevingsplan Rucphen - De Leijvelden te Rucphen van dit Besluit.

Artikel II

Van de terinzagelegging, de termijn voor terinzagelegging en de mogelijkheid om te reageren wordt kennis gegeven in het gemeenteblad.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, 25 augustus 2026

Bijlage A Ontwerp wijziging Omgevingsplan Rucphen - De Leijvelden te Rucphen

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.

B

Na hoofdstuk 22 worden drie hoofdstukken ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 23 De Leijvelden

Titel 23.1 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 23.1.1 Functies
Artikel 23.1 Groen

Er is een gebied aangewezen voor de functie H23 - Groen.

Artikel 23.2 Verkeer

Er is een gebied aangewezen voor de functie H23 - Verkeer.

Artikel 23.3 Wonen

Er is een gebied aangewezen voor de functie H23 - Wonen.

Afdeling 23.1.2 Erfgoed
Artikel 23.4 Archeologische waarden

Het gebied H23 - Archeologie 2 is behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de instandhouding, bescherming en het behoud van archeologische waarden of verwachtingswaarden.

Afdeling 23.1.3 Luchtvaart
Artikel 23.5 Luchtvaartverkeerzone

Het gebied H23 - Luchtvaartverkeerzone 3 is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, tevens aangewezen voor de bescherming van de vliegveiligheid in verband met de ligging binnen de obestakelbeheervlakken vanwege het luchtvaartverkeer.

Artikel 23.6 Obstakelbeheerzone

Het gebied H23 - Obstakelbeheerzone is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, tevens aangewezen voor de bescherming van het radarverstoringsgebied van Vliegbasis Woensdrecht en radarstation Herwijnen, teneinde de verstoring van het radarbeeld te voorkomen en ter bescherming van de obstakelbeheerzones van Vliegbasis Woensdrecht.

Afdeling 23.1.4 Milieu
Artikel 23.7 Gezamenlijk geluid

Het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bedraagt maximaal de, ter plaatse van het gebied H23 - Gezamenlijk geluid aangegeven, waarde.

Titel 23.2 Thematische activiteiten

Afdeling 23.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 23.8 Voorrangsbepaling

Daar waar de regels in hoofdstuk 23 strijdig zijn met hetgeen geregeld is in hoofdstuk 22 gaat de regeling uit hoofdstuk 23 voor.

Afdeling 23.2.2 Gebruik
Paragraaf 23.2.2.1 Gebruik - Algemeen

Artikel 23.9 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling gelden voor het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebied H23 - De Leijvelden.

Artikel 23.10 Verboden gebruik

Ter plaatse van het gebied H23 - De Leijvelden zijn gebruiksactiviteiten anders dan toegestaan op grond van afdeling 23.2 niet toegestaan.

Paragraaf 23.2.2.2 Groen

Artikel 23.11 Toepassingbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van groenvoorzieningen ter plaatse van het gebied H23 - Groen.

Artikel 23.12 Toegestaan

Ter plaatse van het gebied H23 - Groen is het toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a.

    langzaamverkeersroutes, park, plantsoen, bermstroken, bermsloten, paden, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen;

  • b.

    extensief recreatief gebruik;

  • c.

    water ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen; en

  • d.

    nutsvoorzieningen en andere tot de functie behorende voorzieningen.

Paragraaf 23.2.2.3 Verkeer

Artikel 23.13 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor verkeer ter plaatse van het gebied H23 - Verkeer.

Artikel 23.14 Toegestaan

Ter plaatse van het gebied H23 - Verkeer is het toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a.

    straten, voet- en fietspaden, woonerven, rabatten, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, terrassen;

  • b.

    water ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds, oevers, bruggen; en

  • c.

    nutsvoorzieningen en andere tot de functie behorende voorzieningen.

Paragraaf 23.2.2.4 Wonen

SubParagraaf 23.2.2.4.1 Wonen - Algemeen

Artikel 23.15 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen ter plaatse van het gebied H23 - Wonen.

Artikel 23.16 Toegestaan

Ter plaatse van het gebied H23 - Wonen is het toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a.

    wonen door één huishouden in een woning;

  • b.

    bijbehorende voorzieningen zoals wegen, paden, pleinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en andere tot de functie behorende voorzieningen;

  • c.

    nutsvoorzieningen.

Artikel 23.17 Verboden gebruik

  • 1.

    Ter plaatse van het gebied H23 - Wonen is het gebruik van gronden voor andere vormen van wonen dan de huisvesting van één afzonderlijk huishouden per woning, zoals bedrijfsmatige kamerverhuur of de huisvesting van (groepen) personen die geen huishouden vormen niet toegestaan

  • 2.

    Ter plaatse van het gebied H23 - Wonen is het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning of als afhankelijke woonruimte niet toegestaan.

  • 3.

    Ter plaatse van het gebied H23 - Milieuzone is het gebruik van bouwwerken ten behoeve van een geluidgevoelige functie niet toegestaan.

SubParagraaf 23.2.2.4.2 Beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis

Artikel 23.18 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken voor wonen ter plaatse van het gebied H23 - Wonen.

Artikel 23.19 Vergunningsplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bijbehorende bouwwerken uit te oefenen.

Artikel 23.20 Beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 23.19 Vergunningsplicht alleen verleend als:

  • a.

    het gebruik een kleinschalig karakter heeft en behoudt;

  • b.

    door de uitoefening van de activiteiten het uiterlijk van de woning niet zodanig wijzigt dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest;

  • c.

    de vloeroppervlakte van de activiteiten in de woning en bijbehorende bouwwerken gezamenlijk maximaal 50 m² bedraagt;

  • d.

    de activiteiten niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn op grond van milieuwetgeving;

  • e.

    degene die de activiteiten in de woning en/of bijbehorende bouwwerken uitvoert tevens de bewoner van de woning is;

  • f.

    de activiteit(en) niet leid(en) tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of verkeersonveilige situaties dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;

  • g.

    de uitoefening van detailhandel niet is toegestaan, uitgezonderd als ondergeschikte nevenactiviteit gerelateerd aan de desbetreffende activiteit(en);

  • h.

    er geen buitenopslag plaatsvindt;

  • i.

    gebruik niet leidt tot afbreuk en belemmering van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bebouwing;

  • j.

    de uitoefening van seksinrichtingen niet is toegestaan;

  • k.

    de uitoefening van horeca-activiteiten niet is toegestaan;

  • l.

    in afwijking van het bepaalde onder k is een bed and breakfast accommodatie toegestaan, met dien verstande dat:

    • 1.

      het aantal personen dat tegelijkertijd van een bed and breakfast accommodatie gebruik kan maken maximaal 10 bedraagt;

    • 2.

      de vloeroppervlakte van de bed and breakfast bedraagt maximaal 40% van het totale woonoppervlak;

    • 3.

      er maximaal 4 bed and breakfast kamers gerealiseerd mogen worden. Hiervan mogen maximaal 2 bed and breakfast kamers in een bestaand bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden voor in totaal maximaal 4 personen;

    • 4.

      de bed and breakfast niet mag worden gevestigd in of bij een mantelzorgwoning;

    • 5.

      in een voormalige mantelzorgwoning kan een bed and breakfast gerealiseerd worden wanneer deze is opgericht in een bestaand bijbehorend bouwwerk en de keukenvoorziening verwijderd is waarbij een pantry wel toegestaan is;

    • 6.

      de bed and breakfast accommodatie niet mag worden gebruikt voor de huisvesting van seizoensarbeiders of andere vormen van huisvesting.

Afdeling 23.2.3 Bouwen
Paragraaf 23.2.3.1 Bouwen - Algemeen

Artikel 23.21 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing op het bouwen en het in stand houden van bouwwerken ter plaatse van H23 - De Leijvelden.

Artikel 23.22 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven,blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 23.23 Meetbepaling

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • a.

    afstanden van gebouwen onderling, alsmede afstanden van gebouwen tot de bouwperceelsgrens worden gemeten vanaf de zijgevel van een gebouw;

  • b.

    het bebouwde oppervlakte van een bouwperceel of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een bouwperceel/terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in deze regels anders is bepaald;

  • c.

    de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen, zoals goten van dakkapellen niet meegerekend;

  • d.

    de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouw- onderdelen zoals schoorstenen, antennes, airco-units en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

  • e.

    de breedte en diepte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat;

  • f.

    de oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

  • g.

    de dakhelling wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

Artikel 23.24 Ondergeschikte bouwdelen

Bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, portalen, balkons en overstekende daken, worde bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, dan wel functiegrenzen niet meer dan 1,50 meter bedraagt.

Artikel 23.25 Beoordelingsregels parkeren

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan toetst het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a.

    bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een bouwwerk dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient tenminste te worden voldaan aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' d.d. 31 mei 2017.

  • b.

    indien de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017', d.d. 31 mei 2017, als bedoeld onder a gedurende de planperiode van dit omgevingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning getoetst aan deze wijziging.

  • c.

    parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.

Artikel 23.26 Beoordelingsregels uiterlijk van bouwwerken

Het uiterlijk van bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

Artikel 23.27 Beoordelingsregels archeologische waarden

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan, geldt voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende functies dat, met inachtneming van de daarvoor geldende regels, uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van het gebied H23 - Archeologie 2, indien het plan betreft:

  • a.

    vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde, waarbij de verstoorde oppervlakte, voor zover gelegen op of onder maaiveld, niet wordt uitgebreid en/of gebruik wordt gemaakt van de diepte van de bestaande fundering zonder daarbij de bestaande fundering dieper uit te graven;

  • b.

    gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die niet leiden tot een verstoring dieper dan 0,50 meter ten opzichte van het maaiveld en met een oppervlakte kleiner dan 100 m2;

  • c.

    gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die leiden tot een verstoring dieper dan 0,50 meter ten opzichte van het maaiveld en met een oppervlakte groter dan 100 m2, mits de indiener bij de omgevingsvergunning- aanvraag ter beoordeling een archeologisch rapport overlegt van een ter zake deskundige namelijk een hiertoe gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

    • 1.

      indien dit een gravend archeologisch onderzoek betreft, het verplicht is om een Programma van Eisen conform de vigerende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag, en;

    • 2.

      het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of;

    • 3.

      de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of;

    • 4.

      geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad.

  • d.

    in de situatie als bedoeld onder c, kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden:

    • 1.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, of;

    • 2.

      de verplichting tot het doen van opgravingen, (hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht); of

    • 3.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige, namelijk een hiertoe gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet, die in het bezit is van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht).

  • e.

    bij de beoordeling van archeologische rapporten, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA, vastgesteld door het bevoegd gezag van de gemeente Rucphen.

Artikel 23.28 Beoordelingsregels luchtvaartverkeerzone

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden mag, al dan niet in afwijking van het bepaalde bij de andere functies, de bouwhoogte van een bouwwerk ter plaatse van het gebied H23 - Luchtvaartverkeerzone 3 niet meer bedragen dan 54,14 m boven NAP.

Artikel 23.29 Beoordelingsregels obstakelbeheerzone

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden, in afwijking van het bepaalde bij de andere functies ter plaatse van het gebied H23 - Obstakelbeheerzone:

  • a.

    mogen geen bouwwerken worden gebouwd met een hoogte van meer dan 88 meter;

  • b.

    geldt voor windturbines, in aanvulling op het bepaalde onder a en naast de bouwregels zoals opgenomen in paragraaf 23.2.3, dat geen windturbines mogen worden opgericht met een tiphoogte hoger dan 90 meter + NAP.

Paragraaf 23.2.3.2 Hoofdgebouw

Artikel 23.30 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het bouwen en het in stand houden van gebouwen ter plaatse van H23 - De Leijvelden.

Artikel 23.31 Beoordelingsregels hoofdgebouw binnen H23 - Wonen

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt ter plaatse van het gebied H23 - Wonen verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a.

    hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het gebied H23 - Bouwvlak worden opgericht;

  • b.

    het maximaal aantal woningen in het gebied H23 - De Leijvelden mag maximaal 265 bedragen, met dien verstande dat het aantal woningen ter plaatse van het gebied H23 - aantal woningen maximaal het aantal aangegeven woningen mag bedragen;

  • c.

    aaneengebouwde hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van het gebied H23 - Aaneengebouwd worden opgericht;

  • d.

    gestapelde woningen in meer dan 3 bouwlagen mogen uitsluitend ter plaatse van het gebied H23 - Gestapeld worden opgericht;

  • e.

    gestapelde woningen in maximaal 3 bouwlagen mogen uitsluitend ter plaatse van het gebied H23 - Gestapeld 2 worden opgericht waarbij het maximale aantal gestapelde woningen maximaal 18 mag bedragen en de goothoogte maximaal 11 meter mag bedragen;

  • f.

    twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van het gebied H23 - Twee-aaneen worden opgericht;

  • g.

    vrijstaande hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van het gebied H23 - Vrijstaand worden opgericht;

  • h.

    hoofdgebouwen worden met de voorgevel gebouwd in de naar de openbare ruimte gekeerde grens van het gebied H23 - Bouwvlak of maximaal 2 meter daarachter;

  • i.

    de goothoogte van hoofdgebouwen mag maximaal de ter plaatse van het gebied H23 - maximum goothoogte aangegeven goothoogte bedragen;

  • j.

    de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag maximaal de ter plaatse van het gebied H23 - maximum bouwhoogte aangegeven bouwhoogte bedragen;

  • k.

    de diepte van aaneengebouwde hoofdgebouwen mag maximaal 12 meter bedragen;

  • l.

    de diepte van vrijstaande hoofdgebouwen en twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen mag maximaal 15 meter bedragen;

  • m.

    uitsluitend voor nultredenwoningen is, in afwijking van het bepaalde onder l en m, een diepte van een hoofdgebouw van maximaal 18 meter toegestaan; daarbij gelden de volgende voorwaarden:

    • 1.

      deze diepte geldt voor ten hoogste 75% van de breedte van het hoofdgebouw; en

    • 2.

      de extra diepte bestaat uit ten hoogste 1 bouwlaag zonder kap;

  • n.

    de dakhelling mag bij toepassing van hellende dakvlakken maximaal 65º bedragen;

  • o.

    de afstand van een hoofdgebouw, een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meegerekend, tot de zijdelingse perceelsgrens, mag bedragen ter plaatse van het gebied:

  • p.

    in afwijking van het bepaalde onder o is voor nultredenwoningen de afstand van een hoofdgebouw, een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meegerekend, tot de zijdelingse perceelsgrens niet nader bepaald.

Paragraaf 23.2.3.3 Bijbehorend bouwwerk

Artikel 23.32 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het bouwen en het in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van H23 - De Leijvelden.

Artikel 23.33 Beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk binnen H23 - Wonen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied H23 - Wonen:

  • a.

    bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd binnen het gebied H23 - Bouwvlak en op het bouwperceel van de hoofdgebouwen, met dien verstande dat de bijbehorende bouwwerken minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevellijn worden opgericht;

  • b.

    in afwijking van het bepaalde onder a mogen erkers, balkons of luifels ten behoeve van aangrenzende hoofdgebouwen worden gebouwd, mits:

    • 1.

      de horizontale diepte van de uitbreiding niet meer bedraagt dan 1,50 meter;

    • 2.

      de afstand tot de functiegrens niet minder bedraagt dan 2,00 meter;

    • 3.

      de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 meter;

    • 4.

      de oppervlakte van de erker niet meer bedraagt dan 6,00 m2;

  • c.

    de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel van de hoofdgebouwen bedraagt, overkappingen meegerekend, per bouwperceel maximaal 100 m2, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken maximaal 50% van het oppervlak van het bouwperceel bedraagt;

  • d.

    de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3,50 meter;

  • e.

    de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 6,00 meter;

  • f.

    de dakhelling bedraagt bij toepassing van hellende dakvlakken maximaal 65º.

Paragraaf 23.2.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Artikel 23.34 Toepassingsbereik

De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op het bouwen en het in stand houden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van H23 - De Leijvelden.

Artikel 23.35 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen H23 - Wonen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van het gebied H23 - Wonen:

  • a.

    de bouwhoogte van pergola's, tuinmeubilair, speeltoestellen en lichtmasten bedraagt maximaal 2,5 meter;

  • b.

    de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 6 meter, waarbij maximaal één vlaggenmast per erf is toegestaan;

  • c.

    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevellijn maximaal 1 meter;

  • d.

    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt in het achtererfgebied maximaal 2 meter;

  • e.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 meter.

Artikel 23.36 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen H23 - Groen en H23 - Verkeer

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: ter plaatse van het gebied H23 - Groen en H23 - Verkeer:

  • a.

    de bouwhoogte van antennes bedraagt maximaal 5 meter;

  • b.

    de bouwhoogte van openbare nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 3 meter;

  • c.

    de bouwhoogte van speeltoestellen bedraagt maximaal 4 meter;

  • d.

    de bouwhoogte van masten bedraagt maximaal 8 meter;

  • e.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 meter.

Afdeling 23.2.4 Werken en werkzaamheden
Paragraaf 23.2.4.1 Werken en werkzaamheden - Algemeen

Artikel 23.37 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing op werken en werkzaamheden ter plaatse van H23 - De Leijvelden.

Paragraaf 23.2.4.2 Archeologische waarden

Artikel 23.38 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ter plaatse van het gebied H23 - Archeologie 2.

Artikel 23.39 Omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden binnen archeologische waarden

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in de gronden ter plaatse van het gebied H23 - Archeologie 2 de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren die dieper reiken dan 0,5 meter onder maaiveld en een oppervlakte van 100 m² of meer verstoren:

    • a.

      het ontgronden, ontginnen, vergraven, afgraven, verwijderen van bestaande funderingen, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen van gronden;

    • b.

      het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage;

    • c.

      het verlagen of verhogen van het waterpeil;

    • d.

      het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen;

    • e.

      het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen van gronden en het vellen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd;

    • f.

      het doen van opgravingen in het kader van archeologisch onderzoek, tenzij verricht door een ter zake deskundige, namelijk een hiertoe gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet, die in het bezit is van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor activiteiten die:

    • a.

      reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;

    • b.

      mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

    • c.

      worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop Artikel 23.27 van toepassing is;

    • d.

      ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;

    • e.

      worden uitgevoerd op de plaats van een verwijderde of nog te verwijderen fundering waarbij geen diepere verstoringen worden veroorzaakt;

    • f.

      worden uitgevoerd in het kader van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen alsmede werken en/of werkzaamheden binnen de bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte.

Artikel 23.40 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

  • a.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden als bedoeld in Artikel 23.39 verleend als de indiener bij de omgevingsvergunningsaanvraag een archeologisch rapport overlegt van een ter zake deskundige, namelijk een hiertoe gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet, waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

    • 1.

      indien dit een gravend archeologisch onderzoek betreft, het verplicht is om een Programma van Eisen conform de vigerende KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag, en;

    • 2.

      het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of;

    • 3.

      de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of;

    • 4.

      geen archeologische waarden te verwachten zijn of kunnen worden geschaad.

  • b.

    In de situatie als bedoeld onder a kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden:

    • 1.

      de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden, of;

    • 2.

      de verplichting tot het doen van opgravingen (hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht); of

    • 3.

      de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige, namelijk een hiertoe gecertificeerde archeologische instantie conform de Erfgoedwet, die in het bezit is van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht).

  • c.

    Bij de beoordeling van archeologische rapporten als bedoeld onder a, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA, vastgesteld door het bevoegd gezag van de gemeente Rucphen.

Hoofdstuk 24

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 25

[Gereserveerd]

C

Het opschrift van hoofdstuk 23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 23 26 SLOTBEPALINGEN

D

Het opschrift van artikel 23.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 23.1 26.1 (citeertitel)

E

Na het lichaam wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage I Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

Beroeps en/of bedrijfsmatige activiteiten:

Activiteiten die worden verricht in het kader van een beroep of bedrijf, gericht op het leveren van goederen of diensten in het economische verkeer, doorgaans met een zekere continuïteit en (al dan niet) winstoogmerk.

Bouwperceel:

Een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

Nultredenwoning:

Een zelfstandige woning, waarbij de primaire woonfuncties (in ieder geval de woonkamer, de keuken, de hoofdslaapkamer en de badkamer met toilet) op de begane grond (het entreeniveau) zijn gesitueerd, en die zonder trappen van buitenaf en intern bereikbaar en bruikbaar zijn.

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

test:

test

Voorgevellijn:

Een denkbeeldige lijn die direct langs een voorgevel van een gebouw of in het verlengde ervan ligt.

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

F

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

[Vervallen]

G

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Geografische Informatieobjecten

Deze regeling bevat geen GIO informatie.

H23 - Aaneengebouwd

/join/id/regdata/gm0840/2026/1fe5573f0ac048e6a0cf310ee3f9c974/nld@2026‑08‑26;99dd7ee221c449c28dffbf195ef5f80d

H23 - aantal woningen

/join/id/regdata/gm0840/2026/dd04328ba21a40029343719973bba264/nld@2026‑08‑26;35486754e9fe48ed85826ac61b95e301

H23 - Archeologie 2

/join/id/regdata/gm0840/2026/8db96cba6af94272bb96ffdd8c4447ed/nld@2026‑08‑26;39510f14120e4743920a8033be74cc83

H23 - Bouwvlak

/join/id/regdata/gm0840/2026/200bcea8c25d4dcca1a2bc34621314c7/nld@2026‑08‑26;194037972ef948399ce16e56cf4e3130

H23 - De Leijvelden

/join/id/regdata/gm0840/2026/c5605bd31b0943729eaf6f06ecb08398/nld@2026‑08‑26;15bcfc3427d14d6e867f3e9081805200

H23 - Gestapeld

/join/id/regdata/gm0840/2026/ed97605e2bc04a0eb802e3cbbedac470/nld@2026‑08‑26;2c23dd231a75403f8c48aaca880f4bcd

H23 - Gestapeld 2

/join/id/regdata/gm0840/2026/00044652f8c34fafb918094a0fdc92e6/nld@2026‑08‑26;70ba7f8f9a084cdda980fa3eb6411052

H23 - gezamenlijk geluid

/join/id/regdata/gm0840/2026/caae7ecdae7d438eb05e24cd1559e945/nld@2026‑08‑26;64abc7fe621f43c68552ce9ac7c3442b

H23 - Groen

/join/id/regdata/gm0840/2026/ba7c4bac780f423788f3f4057e6fe0bf/nld@2026‑08‑26;fa126b1c8ad942739f09c7588bfab949

H23 - Luchtvaartverkeerzone 3

/join/id/regdata/gm0840/2026/de470ffc168644478672b747355c181b/nld@2026‑08‑26;64c8b7d0ece34c2788f68cadd057b989

H23 - maximum bouwhoogte

/join/id/regdata/gm0840/2026/89e141f294fe4e56b36595aec0a4ca01/nld@2026‑08‑26;a86d01a934c94cff8ec03e6a43088fdc

H23 - maximum goothoogte

/join/id/regdata/gm0840/2026/beec26d5f0224129b9ed3fd4fdfd6e1f/nld@2026‑08‑26;caa76429ae174d14b2baacbcf128b2df

H23 - Milieuzone

/join/id/regdata/gm0840/2026/c3c4baaab7ae430dbfb997054dba901e/nld@2026‑08‑26;f9d924dbb76c4497a9ab180471bc6a9f

H23 - Obstakelbeheerzone

/join/id/regdata/gm0840/2026/ea3f84171daf47f7b21fa0976dfe1d9e/nld@2026‑08‑26;e2d4c40811544f68bae9b00e04cda76a

H23 - Twee-aaneen

/join/id/regdata/gm0840/2026/ed0380cb0a4443acb600316ee62b89a1/nld@2026‑08‑26;6926a0850964445daf9473ad1e4990c9

H23 - Verkeer

/join/id/regdata/gm0840/2026/352ca451cc88494bb7b34584e324c568/nld@2026‑08‑26;07b2695caa9a4684a1cb79c8a880dc18

H23 - Vrijstaand

/join/id/regdata/gm0840/2026/b697924f342346d88cfdd7a3fd4a1451/nld@2026‑08‑26;b8b6490fc6364a03a09e176826de8333

H23 - Wonen

/join/id/regdata/gm0840/2026/c15489bda75b4b86a72abff9cbbd675e/nld@2026‑08‑26;5cb9d0d1d50d45bb830ff4041a22e2aa

H

Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage III Begripsbepalingen bij H23 en H24

1 Beroeps en/of bedrijfsmatige activiteiten

Activiteiten die worden verricht in het kader van een beroep of bedrijf, gericht op het leveren van goederen of diensten in het economische verkeer, doorgaans met een zekere continuïteit en (al dan niet) winstoogmerk.

2 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3 Nultredenwoning

Een zelfstandige woning  waarbij de primaire woonfuncties (in ieder geval de woonkamer, de keuken, de hoofdslaapkamer en de badkamer met toilet) op de begane grond (het entreeniveau) zijn gesitueerd, en die zonder trappen van buitenaf en intern bereikbaar en bruikbaar zijn.

4 Voorgevellijn

Een denkbeeldige lijn die direct langs een voorgevel van een gebouw of in het verlengde ervan ligt.

I

Het opschrift van toelichting wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting

J

Voor artikelgewijzetoelichting wordt een algemenetoelichting ingevoegd, luidende:

Algemene Toelichting

Toelichting De Leijvelden - Hoofdstuk 23

Toelichting De Leijvelden

Link naar de Toelichting

Toelichting De Leijvelden - Bijlage bij de toelichting

Link naar de Bijlage bij de toelichting

K

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstuk 22.

Bijlage I I Begripsbepalingen bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.

L

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.42 Oogmerken

Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikelArtikel 22.45.

Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema’s, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.

Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.

M

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Derde lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.

Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij artikelArtikel 22.56 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

N

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52a, tweede lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het artikel, artikel 22.52 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikelArtikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

O

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Activiteiten

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41, tweedeDivisie Tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

P

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij artikel 22.44, derdeDivisietekst Derde lid.

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

Q

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1I bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

R

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.138 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

S

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlageBijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

T

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikelArtikel 22.163.

U

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

V

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

W

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

X

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

Y

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

Z

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

AA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

BB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

CC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

Zie de toelichting bij artikelArtikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

DD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg en artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting op artikel Artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.

EE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Artikel 22.281 moet worden gelezen in samenhang met artikel 22.280 en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelicht bij artikelArtikel 22.280 vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met artikel 22.281 beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

FF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Artikel 22.282 biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 22.280 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals artikel 22.32 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de toelichting bij artikelArtikel 22.32.

GG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.303).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • het winnen van grondstoffen,

  • agrarische grondwerkzaamheden, en

  • activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

HH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.288.

II

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Tweede lid

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.288.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

JJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikelArtikel 22.288.

KK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Zoals hiervoor al toegelicht bij artikelArtikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.296. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.

Naar boven