Gemeenteblad van Deventer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Deventer | Gemeenteblad 2026, 406219 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Deventer | Gemeenteblad 2026, 406219 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het ontwerpwijzigingsbesluit van het omgevingsplan gemeente Deventer - basisregeling Bathmen vrij te geven voor ter inzagelegging.
Geen milieueffectrapportage op te stellen, omdat voor het plan geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.
Het ontwerpwijzigingsbesluit - basisregeling Bathmen - gedurende een periode van zes weken ter inzage te leggen. Een onderbouwing van deze wijziging wordt omschreven in de Motivering. De startdatum en informatie over de mogelijkheid om te reageren worden bekendgemaakt in de kennisgeving in het gemeenteblad.
Dit besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
A
Hoofdstuk 1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan, zoals ze luidden op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
De overgedragen rijksregels, zoals opgenomen in HOOFDSTUK 22, die gelden in het ambtsgebied, worden bij wijzigingen van dit omgevingsplan overgezet naar een hoofdstuk in het definitieve omgevingsplan en worden opgenomen binnen de locatie nieuw deel Omgevingsplan.
De overgedragen rijksregels, zoals opgenomen in HOOFDSTUK 22, die zijn overgezet naar het definitieve deel omgevingsplan blijven eveneens in HOOFDSTUK 22 opgenomen, maar worden opgenomen binnen de locatie bruidsschat.
B
Hoofdstuk 3 wordt geplaatst na hoofdstuk 1. Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Hoofdstuk 2 wordt geplaatst na hoofdstuk 3. Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
D
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het gebied archeologische waarde - 2 gelden regels ter bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden.
In het gebied archeologische waarde - 3 gelden regels ter bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden.
In het gebied archeologische waarde - 4 gelden regels ter bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden.
In het gebied archeologische waarde - 5 gelden regels ter bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische verwachtingswaarden.
De locatie gemeentelijk monument is aangewezen als gemeentelijk monument.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebiedstype - groen.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype - groen hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van:
groenvoorzieningen, zoals bermen en beplanting, parken en plantsoenen;
voet- en fietspaden;
pleinen;
in- en uitritten;
speelvoorzieningen, waaronder begrepen (jeugd- en jongeren)ontmoetingsplaatsen;
waterlopen en waterpartijen, met de daarbij behorende bruggen, steigers, dammen, duikers, kades, taluds, beschoeiingen, faunapassages e.d.;
waterhuishoudkundige voorzieningen.
In aanvulling op het eerste lid zijn ter plaatse van gebiedstype - groen de volgende aan lid 1 ondergeschikte gebruiksdoelen toegestaan:
nutsvoorzieningen, waaronder ook begrepen voorzieningen ten behoeve van (de opwekking van) duurzame energie;
geluidwerende voorzieningen;
kunstobjecten.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebiedstype - railverkeer.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype railverkeer hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van:
spoorwegen, met daarbij behorende spoorwegovergangen, bruggen, viaducten, tunnels, hellingen, taluds en soortgelijke voorzieningen;
wegen, voet- en fietspaden, verhardingen;
parkeervoorzieningen;
verblijfsvoorzieningen, waaronder pleinen en perrons;
groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
waterlopen en waterpartijen, met de daarbij behorende bruggen, steigers, dammen, duikers, kades, taluds, beschoeiingen, faunapassages e.d.;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
In aanvulling op het eerste lid zijn ter plaatse van het gebiedstype railverkeer de volgende aan artikel 4.13, eerste lid onderschikte gebruiksdoelen toegestaan:
nutsvoorzieningen, waaronder ook begrepen voorzieningen ten behoeve van de opwekking van duurzame energie;
geluidwerende voorzieningen;
kunstobjecten.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebiedstype verkeer.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype verkeer hebben als gebruiksdoel het realiseren, in stand houden en gebruiken van:
wegen, straten, pleinen, voet- en rijwielpaden, uitwegen, met bijbehorende civiele kunstwerken zoals bruggen, viaducten, tunnels, hellingen en taluds;
parkeervoorzieningen;
groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
speelvoorzieningen, waaronder begrepen (jeugd- en jongeren)ontmoetingsplaatsen;
waterlopen en waterpartijen, met de daarbij behorende bruggen, steigers, dammen, duikers, kades, taluds, beschoeiingen, faunapassages e.d.;
waterhuishoudkundige voorzieningen;
In aanvulling op het eerste lid zijn ter plaatse van het gebiedstype verkeer de volgende aanartikel 4.16, eerste lid ondergeschikte gebruiksdoelen toegestaan:
nutsvoorzieningen waaronder ook begrepen voorzieningen ten behoeve (van de opwekking) van duurzame energie;
geluidswerende voorzieningen;
kunstobjecten;
reclame-uitingen.
Deze paragraaf is van toepassing op het gebiedstype landschappelijke waarden.
Er zijn landschappelijke waarden aanwezig in het gebiedstype Landschappelijke waarden.
De gronden waar landschappelijke waarden aanwezig zijn hebben als gebruiksdoel het behoud, versterking en ontwikkeling van de landschappelijke waarden, zoals deze tot uitdrukking komen in:
Deze paragraaf is van toepassing op de locatie groeiplaats boom.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van de groeiplaats boom hebben als gebruiksdoel:
Deze paragraaf is van toepassing op het gebiedstype natuur.
De gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype natuur hebben als gebruiksdoel:
De locatie brandvoorschriftengebied is aangewezen als een brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14, lid 2 onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De locatie explosievoorschriftgebied is aangewezen als een explosievoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14, lid 2 onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De locatie 'bodemfunctieklasse wonen' is aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse wonen zoals bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De locatie 'bodemfunctieklasse landbouw/natuur' is aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse landbouw/natuur zoals bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
E
Het opschrift van hoofdstuk 5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
F
Hoofdstuk 6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken.
Gebruiksactiviteiten anders dan toegestaan in HOOFDSTUK 6 zijn verboden, met uitzondering van bestaande gebruiksactiviteiten.
Onder bestaande gebruiksactiviteiten wordt verstaan: het bestaande, rechtmatige gebruik van gronden en bouwwerken zoals aanwezig op het moment van inwerkingtreding van het omgevingsplan, dan wel het gebruik in overeenstemming met een omgevingsvergunning waarbij is afgeweken van het omgevingsplan, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.
Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.
Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 6.5 Parkeernormering auto's
Het gebruik van gronden en bouwwerken zoals bepaald in HOOFDSTUK 6 is toegestaan als wordt voorzien in voldoende parkeerruimte voor auto's volgens de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer (2015) en de 'Nota Parkeernormen 2013' van de gemeente Deventer.
Als de in artikel 6.5, eerste lid bedoelde beleidsregels en de 'Nota parkeernormen' worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
Artikel 6.6 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende parkeercapaciteit auto's - vergunningplicht
In afwijking van artikel 6.5 geldt dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij voor auto's niet voldaan wordt aan de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer' (2015) en de 'Nota Parkeernormen 2013' van de gemeente Deventer.
Artikel 6.7 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende parkeercapaciteit auto's - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 wordt verleend als:
Artikel 6.8 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende parkeercapaciteit auto's - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 6.9 Parkeernormering fietsen
Het gebruik van gronden en bouwwerken zoals bepaald in HOOFDSTUK 6 is toegestaan als wordt voorzien in voldoende parkeerruimte voor fietsen volgens de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer (2015) en de 'Nota Parkeernormen 2013' van de gemeente Deventer.
Als de in artikel 6.9, eerste lid bedoelde beleidsregels en de 'Nota parkeernormen' worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
Artikel 6.10 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende parkeercapaciteit fietsen - vergunningplicht
In afwijking van artikel 6.9 geldt dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij voor fietsen niet voldaan wordt aan de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer' (2015) en de 'Nota Parkeernormen 2013' van de gemeente Deventer.
Artikel 6.11 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende parkeercapaciteit fietsen - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.10 wordt verleend als
Artikel 6.12 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende parkeercapaciteit fietsen - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.10 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Artikel 6.13 Laden en lossen - algemeen
Gebruiksactiviteiten waarbij sprake is van een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen zijn alleen toegestaan als in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen overeenkomstig de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer' (2015) en de 'Nota parkeernormen 2013'.
Als de in artikel 6.13, eerste lid bedoelde beleidsregels en de 'Nota parkeernormen' worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
Artikel 6.14 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende ruimte voor laden en lossen - vergunningplicht
In afwijking van artikel 6.13 geldt dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het gebruik van gronden en bouwwerken waarbij een behoefte bestaat aan ruimte voor laden en lossen van goederen, waarbij niet voldaan wordt aan de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer' (2015) en de 'Nota Parkeernormen 2013' van de gemeente Deventer.
Artikel 6.15 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende ruimte voor laden en lossen - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.14 wordt verleend als:
Artikel 6.16 Gebruiksactiviteiten met onvoldoende ruimte voor laden en lossen - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.14 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Als voor een omgevingsplanactiviteit gebruik, zoals opgenomen in HOOFDSTUK 6, geen specifieke aanvraagvereisten zijn opgenomen behorende bij de vergunningplicht van die omgevingsplanactiviteit, worden bij de aanvraag daarvan de volgende gegevens verstrekt:
het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop indien van toepassing:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
Artikel 6.18 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype - groen.
Artikel 6.19 Activiteiten binnen gebiedstype groen - toegestaan
Gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype groen mogen worden gebruikt op een wijze die, gelet op de inrichting en naar het oordeel van het bevoegd gezag, passend is bij het gebruiksdoel zoals omschreven in artikel 4.10.
Artikel 6.20 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype verkeer.
Artikel 6.21 Activiteiten binnen gebiedstype verkeer - toegestaan
Gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype verkeer mogen worden gebruikt op een wijze die, gelet op de inrichting en naar het oordeel van het bevoegd gezag, passend is bij het gebruiksdoel zoals omschreven in artikel 4.16.
Artikel 6.22 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype gebiedstype - railverkeer.
Artikel 6.23 Activiteiten binnen gebiedstype railverkeer - toegestaan
Gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype railverkeer mogen worden gebruikt op een wijze die, gelet op de inrichting en naar het oordeel van het bevoegd gezag, passend is bij het gebruiksdoel zoals opgenomen in artikel 4.13.
Artikel 6.24 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype landschappelijke waarden.
Artikel 6.25 Activiteiten binnen gebiedstype landschappelijke waarden - toegestaan
Gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype landschappelijke waarden mogen worden gebruikt op een wijze die, gelet op de inrichting en naar het oordeel van het bevoegd gezag, passend is bij het gebruiksdoel zoals omschreven in artikel 4.19.
Artikel 6.26 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype natuur.
Artikel 6.27 Activiteiten binnen gebiedstype natuur - toegestaan
Gronden en bouwwerken ter plaatse van het gebiedstype natuur mogen worden gebruikt op een wijze die, gelet op de inrichting en naar het oordeel van het bevoegd gezag, passend is bij het gebruiksdoel zoals omschreven in artikel 4.25.
In aanvulling op artikel 6.27, eerste lid zijn binnen het gebiedstype natuur ook activiteiten toegestaan ten behoeve van de houtoogst.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken op de locatie akkker- en vollegrondstuinbouw - toegestaan.
Onder akker- en vollegrondstuinbouw als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sierteelt, fruitteelt en boomkwekerij.
Akker- en vollegrondstuinbouw zijn toegestaan.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken op de locatie grondgebonden veehouderij - toegestaan.
Onder grondgebonden veehouderij als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder tevens een paardenfokkerij wordt verstaan.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken op de locatie sierteelt en boomkwekerij - toegestaan.
Onder sierteelt en boomkwekerij als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen in open grond, in potten of in containers, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en gebouwen ter plaatse van de locatie fruitteelt - toegestaan.
Onder fruitteelt als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan de teelt van fruit op open grond.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en gebouwen ter plaatse van de locatie intensieve kwekerij - toegestaan.
Onder intensieve kwekerij als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) (nagenoeg) zonder gebruik te maken van daglicht.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en gebouwen ter plaatse van de locatie 'buitenopslag bij agrarische bedrijven - toegestaan'.
Buitenopslag ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruiken van gronden en bouwwerken op de locatie 'hobbymatige agrarische activiteiten - toegestaan'.
Onder hobbymatige agrarische activiteiten als bedoeld in deze subparagraaf worden verstaan:
Hobbymatige agrarische activiteiten zijn toegestaan op een wijze die, gelet op de inrichting en naar het oordeel van het bevoegd gezag, passen bij het ter plaatse geldende gebruiksdoel als bedoeld in artikel 4.19 en toegestane activiteiten als bedoeld in artikel 6.25.
Artikel 6.42 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie ambachtelijk bedrijf - begane grond - toegestaan.
Onder ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, als bedoeld in deze subparagraaf, wordt verstaan:
bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV
Artikel 6.43 Ambachtelijk bedrijf - begane grond - toegestaan
Ambachtelijke bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.44 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie ambachtelijk bedrijf - begane grond - vergunningplicht.
Onder ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, als bedoeld in deze subparagraaf, wordt verstaan:
bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV
Artikel 6.45 Ambachtelijk bedrijf - begane grond - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor andere ambachtelijke bedrijfsactiviteiten dan zoals bedoeld in bijlage IV.
Artikel 6.46 Ambachtelijk bedrijf - begane grond - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.45, voor het toestaan van andere ambachtelijke bedrijfsactiviteiten dan zoals opgenomen in bijlage IV, wordt verleend als:
het ambachtelijke bedrijfsactiviteiten betreft die gezien de gevolgen daarvan voor de omgeving redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met ambachtelijke bedrijfsactiviteiten die ter plaatse zijn toegelaten krachtens artikel 6.43;
de ambachtelijke bedrijfsactiviteiten plaatsvinden op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag);
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Artikel 6.47 Ambachtelijk bedrijf - begane grond - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.45 worden in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de gevolgen van de bedrijfsactiviteiten voor de omgeving en;
een motivering waarom deze bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten die ter plaatse zijn toegelaten krachtens artikel 6.43.
Artikel 6.48 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie aannemersbedrijf - toegestaan.
Artikel 6.49 Aannemersbedrijf - toegestaan
Een aannemersbedrijf is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.50 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie autobedrijf - toegestaan.
Artikel 6.51 Autobedrijf - toegestaan
Een autobedrijf is toegestaan met daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.52 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie bedrijf - categorie 1 - toegestaan.
Onder bedrijfsactiviteiten in categorie 1, als bedoeld in deze subparagraaf, wordt verstaan:
bedrijfsactiviteiten die behoren tot categorie 1 zoals is opgenomen in bijlage III.
Artikel 6.53 Bedrijf - categorie 1 toegestaan
Een bedrijf in milieucategorie 1 is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.54 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie bedrijf - categorie 2 - toegestaan.
Onder bedrijfsactiviteiten in categorie 2, als bedoeld in deze subparagraaf, wordt verstaan:
bedrijfsactiviteiten die behoren tot categorie 2 zoals is opgenomen in bijlage III.
Artikel 6.55 Bedrijf - categorie 2 toegestaan
Een bedrijf in milieucategorie 1 of 2 is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.56 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie bedrijf afwijkende categorie - vergunningplicht.
De categorieën zoals bedoeld in deze subparagraaf zijn opgenomen in bijlage III.
Artikel 6.57 Bedrijf afwijkende categorie - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor bedrijfsactiviteiten:
die niet zijn opgenomen in bijlage III; of
in een andere categorie dan ter plaatse zijn toegelaten.
Artikel 6.58 Bedrijf afwijkende categorie - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.57 wordt verleend als:
het bedrijfsactiviteiten betreft die gezien de gevolgen daarvan voor de omgeving redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten die ter plaatse zijn toegelaten krachtens artikel 6.53 of artikel 6.55;
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
Artikel 6.59 Bedrijf afwijkende categorie - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.57 worden in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de gevolgen van de bedrijfsactiviteiten voor de omgeving en;
een motivering waarom deze bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kunnen worden gelijkgesteld met bedrijfsactiviteiten die ter plaatse zijn toegelaten krachtens artikel 6.53 of artikel 6.55;
Artikel 6.60 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie cateringbedrijf - toegestaan.
Artikel 6.61 Cateringbedrijf - toegestaan
Een cateringbedrijf is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.62 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie installatiebedrijf - toegestaan.
Artikel 6.63 Installatiebedrijf - toegestaan
Een installatiebedrijf is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.64 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie schildersbedrijf - toegestaan.
Artikel 6.65 Schildersbedrijf - toegestaan
Een schildersbedrijf is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.66 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie smederij - toegestaan.
Artikel 6.67 Smederij - toegestaan
Een smederij is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.68 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie transportbedrijf - toegestaan.
Artikel 6.69 Transportbedrijf - toegestaan
Een transportbedrijf is toegestaan, met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 6.70 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken, op de locatie culturele activiteiten - begane grond - toegestaan.
Onder culturele activiteiten worden de volgende activiteiten verstaan:
Artikel 6.71 Culturele activiteiten - begane grond - toegestaan
Culturele activiteiten zijn toegestaan op de gronden en op de begane grond (eerste bouwlaag) van bouwwerken.
Artikel 6.72 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie ontspanningsactiviteiten - begane grond - toegestaan.
Onder ontspanningsactiviteiten worden de volgende activiteiten verstaan:
Artikel 6.73 Ontspanningsactiviteiten - begane grond - toegestaan
Ontspanningsactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en op de begane grond (eerste bouwlaag) van bouwwerken.
Artikel 6.74 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie wellness - toegestaan.
Artikel 6.76 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden op de locatie volkstuin - activiteiten - vergunningplicht.
Artikel 6.77 Volkstuin-activiteiten - vergunningsplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken als volkstuin, moestuin en/of schooltuin.
Artikel 6.78 Volkstuin-activiteiten - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning voor gebruiken van gronden als volkstuin, moestuin en/of schooltuin, als bedoeld in artikel 6.77, wordt verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
het gebruiksdoel van het gebiedstype groen zoals bedoeld in artikel 4.10;
het straat- en bebouwingsbeeld;
de woonsituatie;
de verkeersveiligheid;
de milieusituatie;
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
de parkeersituatie;
de sociale veiligheid.
Artikel 6.79 Volkstuin-activiteiten - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.77 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de gevolgen van de volkstuin-activiteiten voor de omgeving zoals bedoeld in artikel 6.78.
Artikel 6.80 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie detailhandel - toegestaan.
Artikel 6.82 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie detailhandel - begane grond - toegestaan.
Artikel 6.83 Detailhandelsactiviteiten - begane grond - toegestaan
Detailhandelsactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.84 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG - toegestaan.
Artikel 6.85 Verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG - toegestaan
Een verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG is toegestaan.
Artikel 6.86 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie dienstverlening - toegestaan.
Artikel 6.87 Dienstverleningsactiviteiten - toegestaan
Dienstverleningsactiviteiten zijn toegestaan.
Artikel 6.88 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie dienstverlening - begane grond - toegestaan.
Artikel 6.89 Dienstverleningsactiviteiten - begane grond - toegestaan
Dienstverleningsactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.90 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie horeca categorie 1a - toegestaan.
Onder horeca-activiteiten wordt verstaan:
de activiteiten zoals opgenomen in bijlage VI (Staat van horeca-activiteiten);
bijbehorende voorzieningen, zoals een terras.
Artikel 6.91 Horeca-activiteiten categorie 1a - toegestaan
Horeca activiteiten in de categorie 1a, 1b, 2a, 2b of 3a zijn toegestaan onder de voorwaarde dat er sprake is van maximaal één horecabedrijf.
Artikel 6.92 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie horeca categorie 2a - toegestaan.
Onder horeca-activiteiten wordt verstaan:
de activiteiten zoals opgenomen in bijlage VI (Staat van horeca-activiteiten);
bijbehorende voorzieningen, zoals een terras.
Artikel 6.93 Horeca-activiteiten categorie 2a - toegestaan
Horeca activiteiten in de categorie 2a, 2b of 3a zijn toegestaan.
Artikel 6.94 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie horeca categorie 2b - toegestaan.
Onder horeca-activiteiten wordt verstaan:
de activiteiten zoals opgenomen in bijlage VI (Staat van horeca-activiteiten);
bijbehorende voorzieningen, zoals een terras.
Artikel 6.95 Horeca-activiteiten categorie 2b - toegestaan
Horeca activiteiten in de categorie 2b of 3a zijn toegestaan.
Artikel 6.96 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie horeca categorie 3a - begane grond - toegestaan.
Onder horeca-activiteiten wordt verstaan:
de activiteiten zoals opgenomen in bijlage VI (Staat van horeca-activiteiten);
bijbehorende voorzieningen, zoals een terras.
Artikel 6.97 Horeca-activiteiten categorie 3a - begane grond - toegestaan
Horeca activiteiten in de categorie 3a zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.98 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie kookstudio - toegestaan.
Artikel 6.100 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie kantoor - toegestaan.
Artikel 6.102 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie kantoor - begane grond - toegestaan.
Artikel 6.103 Kantooractiviteiten - begane grond - toegestaan
Kantooractiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.104 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie welzijnsactiviteiten - toegestaan.
Onder welzijnsactiviteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, van het maatschappelijk functioneren, zelfredzaamheid en participatie van inwoners;
Voorbeelden van welzijnsactiviteiten zijn onder andere:
Artikel 6.106 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie welzijnsactiviteiten - begane grond - toegestaan.
Onder welzijnsactiviteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, van het maatschappelijk functioneren, zelfredzaamheid en participatie van inwoners;
Voorbeelden van welzijnsactiviteiten zijn onder andere:
Artikel 6.107 Welzijnsactiviteiten - begane grond - toegestaan
Welzijnsactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.108 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie sociaal-medische activiteiten - toegestaan.
Onder sociaal-medische activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, behouden of herstellen van de geestelijke gezondheid;
Voorbeelden van sociaal-medische activiteiten zijn onder andere:
Geestelijke gezondheidszorg (GGZ);
Verslavingszorg;
WMO-dagbesteding (activiteiten combineren zorg, begeleiding en soms lichte vormen van arbeidstraining of therapie);
Maatschappelijk werk (gericht op ondersteuning van mensen met structurele beperkingen die langdurige problemen ervaren bij participatie en zelfredzaamheid).
Artikel 6.109 Sociaal-medische activiteiten - toegestaan
Sociaal-medische activiteiten zijn toegestaan, uitgezonderd activiteiten met nachtverblijf.
Artikel 6.110 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie sociaal-medische activiteiten - begane grond - toegestaan.
Onder sociaal-medische activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, behouden of herstellen van de geestelijke gezondheid;
Voorbeelden van sociaal-medische activiteiten zijn onder andere:
Geestelijke gezondheidszorg (GGZ);
Verslavingszorg
WMO-dagbesteding (activiteiten combineren zorg, begeleiding en soms lichte vormen van arbeidstraining of therapie)
Maatschappelijk werk (gericht op ondersteuning van mensen met structurele beperkingen die langdurige problemen ervaren bij participatie en zelfredzaamheid)
Artikel 6.111 Sociaal-medische activiteiten - begane grond - toegestaan
Sociaal-medische activiteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag), uitgezonderd activiteiten met nachtverblijf.
Artikel 6.112 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie sociaal-medische activiteiten - vergunningplicht.
Onder sociaal-medische activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, behouden of herstellen van de geestelijke gezondheid;
Voorbeelden van sociaal-medische activiteiten zijn onder andere:
Geestelijke gezondheidszorg (GGZ);
Verslavingszorg
WMO-dagbesteding (activiteiten combineren zorg, begeleiding en soms lichte vormen van arbeidstraining of therapie)
Maatschappelijk werk (gericht op ondersteuning van mensen met structurele beperkingen die langdurige problemen ervaren bij participatie en zelfredzaamheid)
Artikel 6.113 Sociaal-medische activiteiten - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning sociaal-medische activiteiten inclusief nachtverblijf uit te voeren.
Artikel 6.114 Sociaal-medische activiteiten - vergunningplicht - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.113, voor het uitvoeren van sociaal-medische activiteiten inclusief nachtverblijf, wordt verleend als:
Artikel 6.115 Sociaal-medische activiteiten - vergunningplicht - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.113 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een door een deskundige uitgevoerd rapport waaruit blijkt dat de activiteit inclusief nachtverblijf qua milieusituatie passend is op deze locatie; en
een beschrijving van de gevolgen van de activiteiten voor de omgeving zoals bedoeld in artikel 6.114.
Artikel 6.116 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie (para)medische activiteiten - toegestaan.
Onder (para)medische activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, behouden of herstellen van de lichamelijke gezondheid;
onder (para)medische activiteiten zoals bedoeld in deze paragraaf wordt niet verstaan een ziekenhuis.
Voorbeelden van (para)medische activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.117 (Para)medische activiteiten - toegestaan
(Para)medische activiteiten zijn toegestaan, uitgezonderd activiteiten met nachtverblijf.
Artikel 6.118 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van (Para)medische activiteiten op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag) op de locatie (para)medische activiteiten - begane grond - toegestaan.
Onder (para)medische activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, behouden of herstellen van de lichamelijke gezondheid;
onder (para)medische activiteiten zoals bedoeld in deze paragraaf wordt niet verstaan een ziekenhuis.
Voorbeelden van (para)medische activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.119 (Para)medische activiteiten - begane grond - toegestaan
(Para)medische activiteiten zijn toegestaan, op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag), uitgezonderd activiteiten met nachtverblijf.
Artikel 6.120 Toepassingsbereik (para)medische activiteiten - vergunningplicht.
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie (para)medische activiteiten - vergunningplicht.
Onder (para)medische activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten op het bevorderen, behouden of herstellen van de lichamelijke gezondheid;
onder (para)medische activiteiten zoals bedoeld in deze paragraaf wordt niet verstaan een ziekenhuis.
Voorbeelden van (para)medische activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.121 (Para)medische activiteiten - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning (para)medische activiteiten inclusief nachtverblijf uit te voeren.
Artikel 6.122 (Para)medische activiteiten - vergunningplicht - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.121, voor het uitvoeren van (para)medische activiteiten inclusief nachtverblijf, wordt verleend als:
Artikel 6.123 (Para)medische activiteiten - vergunningplicht - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.121 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een door een deskundige uitgevoerd rapport waaruit blijkt dat de activiteit inclusief nachtverblijf qua milieusituatie passend is op deze locatie; en
een beschrijving van de gevolgen van de activiteiten voor de omgeving zoals bedoeld in artikel 6.122.
Artikel 6.124 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie sociaal-culturele activiteiten - toegestaan.
Onder sociaal-culturele activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich vanuit een maatschappelijk oogpunt richten op ontmoeting, cultuur, recreatie en educatie;
activiteiten die zich richten op groepen van mensen met een gemeenschappelijk doel waarbij sociale binding, vrijwilligerswerk en gemeenschapsvorming centraal staan;
Voorbeelden van sociaal-culturele activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.125 Sociaal-culturele activiteiten - toegestaan
Sociaal-culturele activiteiten zijn toegestaan.
Artikel 6.126 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie sociaal-culturele activiteiten - begane grond - toegestaan.
Onder sociaal-culturele activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich vanuit een maatschappelijk oogpunt richten op ontmoeting, cultuur, recreatie en educatie;
activiteiten die zich richten op groepen van mensen met een gemeenschappelijk doel waarbij sociale binding, vrijwilligerswerk en gemeenschapsvorming centraal staan;
Voorbeelden van sociaal-culturele activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.127 Sociaal-culturele activiteiten - begane grond - toegestaan
Sociaal-culturele activiteiten zijn toegestaan, op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.128 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie educatieve activiteiten - toegestaan.
Onder educatieve activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zijn gericht op het formeel en informeel leren en kennis overdragen aan kinderen, jongeren en volwassenen;
Voorbeelden van educatieve activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.130 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie educatieve activiteiten - begane grond - toegestaan.
Onder educatieve activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zijn gericht op het formeel en informeel leren en kennis overdragen aan kinderen, jongeren en volwassenen;
Voorbeelden van educatieve activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.131 Educatieve activiteiten - begane grond - toegestaan
Educatieve activiteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.132 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie educatieve activiteiten - vergunningplicht.
Onder educatieve activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zijn gericht op het formeel en informeel leren en kennis overdragen aan kinderen, jongeren en volwassenen;
Voorbeelden van educatieve activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.133 Educatieve activiteiten - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning educatieve activiteiten uit te voeren.
Artikel 6.134 Educatieve activiteiten - vergunningplicht - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.133, voor het uitvoeren van educatieve activiteiten wordt verleend als:
Artikel 6.135 Educatieve activiteiten - vergunningplicht - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.133 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een door een deskundige uitgevoerd rapport waaruit blijkt dat de activiteit inclusief nachtverblijf qua milieusituatie passend is op deze locatie; en
een beschrijving van de gevolgen van de activiteiten voor de omgeving zoals bedoeld in artikel 6.134.
Artikel 6.136 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie kinderopvangactiviteiten - toegestaan.
Onder kinderopvangactiviteiten wordt verstaan:
Artikel 6.138 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie kinderopvangactiviteiten - begane grond - toegestaan.
Onder kinderopvangactiviteiten wordt verstaan:
Artikel 6.139 Kinderopvangactiviteiten - begane grond - toegestaan
Kinderopvangactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.140 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie kinderopvangactiviteiten - vergunningplicht.
Onder kinderopvangactiviteiten wordt verstaan:
Artikel 6.141 Kinderopvangactiviteiten - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning kinderopvangactiviteiten uit te voeren.
Artikel 6.142 Kinderopvangactiviteiten - vergunningplicht - beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.141, voor het uitvoeren van kinderopvangactiviteiten wordt verleend als:
Artikel 6.143 Kinderopvangactiviteiten - vergunningplicht - specifieke aanvraagvereisten
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.141 worden, in aanvulling op artikel 6.17 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een door een deskundige uitgevoerd rapport waaruit blijkt dat de activiteit inclusief nachtverblijf qua milieusituatie passend is op deze locatie; en
een beschrijving van de gevolgen van de activiteiten voor de omgeving zoals bedoeld in artikel 6.142.
Artikel 6.144 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten - toegestaan.
Onder religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten een visie of filosofie op het leven, voortvloeiend uit religieuze oriëntaties, culturele tradities of persoonlijke, seculiere opvattingen;
Voorbeelden van religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.145 Religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten - toegestaan
Religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten zijn toegestaan.
Artikel 6.146 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten - begane grond - toegestaan.
Onder religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten wordt verstaan:
activiteiten die zich richten een visie of filosofie op het leven, voortvloeiend uit religieuze oriëntaties, culturele tradities of persoonlijke, seculiere opvattingen;
Voorbeelden van religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten zijn onder andere:
Artikel 6.147 Religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten - begane grond - toegestaan
Religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.148 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie openbare dienstverleningsactiviteiten - toegestaan.
Onder openbare dienstverleningsactiviteiten wordt verstaan:
activiteiten waar burgers gebruik maken van overheidsdiensten of publieke instellingen voor informatie, hulp of transacties;
Voorbeelden van openbare dienstverleningsactiviteiten zijn onder andere:
Artikel 6.149 Openbare dienstverleningsactiviteiten - toegestaan
Openbare dienstverleningsactiviteiten zijn toegestaan.
Artikel 6.150 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie openbare dienstverleningsactiviteiten - begane grond - toegestaan.
Onder openbare dienstverleningsactiviteiten wordt verstaan:
activiteiten waar burgers gebruik maken van overheidsdiensten of publieke instellingen voor informatie, hulp of transacties;
Voorbeelden van openbare dienstverleningsactiviteiten zijn onder andere:
Artikel 6.151 Openbare dienstverleningsactiviteiten - begane grond - toegestaan
Openbare dienstverleningsactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Artikel 6.152 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie wonen in een zorgwoning - toegestaan.
Onder wonen in een zorgwoning wordt verstaan:
de huisvesting van bepaalde categorieën van de bevolking, zoals ouderen, jongeren of mensen met een beperking, waarbij de mate en de vorm van de geboden zorg en ondersteuning aan de bewoners dusdanig is dat niet langer gesproken kan worden van zelfstandige bewoning, maar die wel aanvaardbaar is in de woonomgeving.
Artikel 6.154 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie begraafplaats - toegestaan.
Onder activiteiten die horen bij een begraafplaats worden verstaan:
Deze subparagraaf is van toepassing het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie nutsactiviteiten - toegestaan.
Onder nutsactiviteiten zoals bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: activiteiten ten behoeve van nutsvoorzieningen.
Artikel 6.158 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie extensieve dagrecreatie - toegestaan.
Onder extensieve dagrecreatie wordt verstaan niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen, natuurobservatie en natuurspeelplaatsen.
Artikel 6.159 Extensieve dagrecreatie - toegestaan
extensieve dagrecreatie is toegestaan.
Artikel 6.160 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie sport - toegestaan.
Onder sportactiviteiten wordt verstaan:
het geheel van lichamelijke activiteiten dat is gericht op het verbeteren of handhaven van de lichamelijke conditie en algemene gezondheid en welzijn, zoals voetbalverenigingen, tennisbanen en sportscholen.
Onder sportactiviteiten wordt niet verstaan:
Artikel 6.162 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing het gebruik van gronden en bouwwerken op de begane grond op de locatie sport - begane grond - toegestaan.
Onder sportactiviteiten wordt verstaan:
het geheel van lichamelijke activiteiten dat is gericht op het verbeteren of handhaven van de lichamelijke conditie en algemene gezondheid en welzijn, zoals voetbalverenigingen, tennisbanen en sportscholen.
Onder sportactiviteiten wordt niet verstaan:
Artikel 6.163 Sportactiviteiten - begane grond - toegestaan
Sportactiviteiten zijn toegestaan op de gronden en binnen bouwwerken alleen op de begane grond (eerste bouwlaag).
Deze paragraaf is van toepassing op de locaties wonen - grondgebonden - toegestaan, wonen - gestapeld - toegestaan, wonen in een bedrijfswoning - toegestaan en wonen in een zorgwoning - toegestaan.
Met het oog op het beschermen van de bewoners wordt:
Het gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg is toegestaan.
In afwijking van artikel 6.166, eerste lid is het gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg niet toegestaan als het bouwwerk zich bevindt op een locatie zoals bedoeld in artikel 7.11.
Artikel 6.167 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie wonen - grondgebonden - toegestaan.
Artikel 6.168 Wonen - grondgebonden - toegestaan
Het wonen is toegestaan, met dien verstande dat het gaat om het wonen in een grondgebonden woning.
Artikel 6.169 Wonen - grondgebonden - aantal wooneenheden
Het aantal woningen bedraagt maximaal het aangegeven aantal.
Artikel 6.170 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie wonen - gestapeld - toegestaan.
Artikel 6.171 Wonen - gestapeld - toegestaan
Het wonen is toegestaan, met dien verstande dat het gaat om het wonen in een gestapelde woning.
Artikel 6.172 Wonen - gestapeld - aantal wooneenheden
Het aantal woningen bedraagt maximaal het aangegeven aantal.
Artikel 6.173 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie wonen in een bedrijfswoning - toegestaan.
Artikel 6.174 Wonen in een bedrijfswoning - toegestaan
Het wonen is toegestaan, met dien verstande dat het gaat om het wonen in een bedrijfswoning.
Artikel 6.175 Wonen in een bedrijfswoning - maximaal aantal wooneenheden
Het aantal bedrijfswoningen bedraagt maximaal het op de locatie 'maximum aantal wooneenheden bedrijfswoning' aangeven aantal.
Artikel 6.176 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie garagebox - toegestaan.
Onder garagebox activiteiten wordt verstaan:
het gebruik van een opslagruimte voor particulier gebruik, ten behoeve van de stalling van motorvoertuigen en de opslag van huisraad.
Onder garagebox activiteiten wordt niet verstaan:
Artikel 6.178 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie nieuw deel Omgevingsplan.
Artikel 6.179 Bijbehorende voorzieningen - toegestaan
Bij de ter plaatse toegestane gebruiksactiviteiten zijn de volgende bijbehorende voorzieningen toegestaan:
Artikel 6.180 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie beroep en bedrijf aan huis - stad en dorpen - toegestaan.
Artikel 6.181 Beroep en/of bedrijf aan huis - stad en dorpen - toegestaan
Ondersteunende en ondergeschikte beroeps en/of bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de beroeps- en/of bedrijfsactiviteit dient qua aard, milieubelasting en uitstraling te passen in een woonomgeving;
de beroeps- en/of bedrijfsactiviteit mag geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte hebben;
maximaal 35% van de vloeroppervlakte van de woning, met inbegrip van de gerealiseerde bijbehorende bouwwerken, en ten hoogste 50m2, mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsactiviteit;
er mogen geen detailhandel- of groothandelsactiviteiten plaatsvinden;
er mogen geen horeca-activiteiten plaatsvinden;
de beroeps- en/of bedrijfsactiviteit dient door een bewoner van de woning te worden uitgeoefend.
In afwijking van artikel 6.181, eerste lid onder d, is ondergeschikte detailhandel toegestaan.
In afwijking van artikel 6.181, eerste lid onder e, is een Bed and Breakfast-voorziening toegestaan, onder de volgende voorwaarden:
de toeristisch recreatieve overnachtingsmogelijkheid functioneert niet als zelfstandige wooneenheid;
de realisatie van een aparte kookgelegenheid is niet toegestaan;
het authentieke uiterlijk of de verschijningsvorm van de woning wordt gehandhaafd;
het aantal bedden ten dienste van de Bed and Breakfast-voorziening bedraagt maximaal 4.
Artikel 6.182 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken op de locatie kleinschalige kinderopvang - toegestaan.
Onder kleinschalige kinderopvang wordt verstaan:
het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint, bestaande uit gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen gastouderopvang en kleinschalig peuterspeelzaalwerk.
Artikel 6.183 Kleinschalige kinderopvang - toegestaan
Kleinschalige kinderopvang is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
de activiteiten zijn ondergeschikt aan de woonactiviteit;
het maximaal aantal kinderen dat tegelijkertijd mag worden opgevangen is 6;
de activiteiten passen qua aard, milieubelasting en uitstraling in een woonomgeving;
er is geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer;
er is geen nadelige toename van de parkeerbehoefte.
Artikel 6.184 Toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerkende op de locatie ondergeschikte horeca - toegestaan.
Onder ondergeschikte horeca-activiteiten wordt verstaan een vorm van horeca-activiteiten:
waarvan de exploitatie normaliter géén aantasting van het woon- en leefklimaat kan veroorzaken en geen druk op de openbare orde met zich mee kan brengen; en
die geëxploiteerd worden als ondersteuning aan de ter plaatse toegelaten gebruiksactiviteiten.
zoals opgenomen in bijlage VI (Staat van horeca-activiteiten) als horeca-categorie 3b;
Artikel 6.185 Ondergeschikte horeca-activiteiten - toegestaan
Op de locatie ondergeschikte horeca-activiteiten - toegestaan zijn ondergeschikte horeca-activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden:
de oppervlakte die wordt gebruikt voor horeca-activiteiten is maximaal 15% van de bedrijfsvloeroppervlakte van andere op deze locatie toegelaten gebruiksactiviteiten;
er is geen aparte toegang voor het horecagedeelte;
het exploiteren van een terras is alleen toegestaan ten behoeve van openbare inrichtingen die zijn aan te merken als sportkantine of zorginstelling.
G
Na hoofdstuk 6 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Artikel 7.1 Regels voor alle bouwactiviteiten - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken op de locatie nieuw deel Omgevingsplan.
Artikel 7.2 Verboden bouwactiviteiten
Bouwactiviteiten anders dan opgenomen in HOOFDSTUK 7 zijn verboden.
Artikel 7.3 Verbod bouwactiviteiten in strijd met gebruiksactiviteiten
Het is verboden bouwactiviteiten uit te voeren waarbij het gebruik van het te bouwen bouwwerk niet is toegestaan volgens het bepaalde in HOOFDSTUK 6.
Artikel 7.4 Eerbiedigende werking
Een bouwwerk dat op moment van inwerkingtreding van de wijziging van deze regeling:
legaal aanwezig was op grond van een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen;
legaal aanwezig was op grond van een algemene regel dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen nodig was;
in aanbouw is op grond van een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen;
in aanbouw is op grond van een algemene regel dat geen omgevingsvergunning voor het bouwen nodig was; of
gebouwd kan worden op grond van een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen,
is in overeenstemming met dit omgevingsplan.
Artikel 7.5 Algemene afbakeningseisen (artikel 22.23 a bruidsschat)
Paragrafen § 7.1.2.1, § 7.5.1, § 7.6.2 en § 7.7.1 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd, in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Artikel 7.6 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7.7 Meetbepalingen (artikel 22.24 bruidsschat aangevuld met wijze van meten uit bp)
De waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, worden als volgt gemeten:
de afstand tussen bouwwerken onderling: hemelsbreed daar waar deze afstand het kleinst is;
de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen: hemelsbreed daar waar deze afstand het kleinst is;
de afstand tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel (zijdelingse bouwperceelgrens) en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw: hemelsbreed daar waar die afstand het kleinst is;
de bouwhoogte van een bouwwerk: loodrecht vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
de diepte van een aan- of uitbouw: hemelsbreed vanaf de gevel van het hoofdgebouw, waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd;
de dakhelling: de helling van het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
de goothoogte van een bouwwerk: loodrecht vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
de inhoud van een bouwwerk, niet zijnde een recreatiewoning: de inhoud tussen de bovenkant van de begane grondvloer, de binnenzijde van de buitenmuren en/of scheidingsmuren en de binnenzijde van daken en dakkapellen;
de inhoud van een recreatiewoning: tussen de bovenkant van de begane grondvloer, de binnenzijde van de buitenmuren en/of scheidingsmuren en de binnenzijde van daken en dakkapellen, met dien verstande dat wanneer sprake is van een kelder gemeten dient te worden tussen de bovenkant van de vloer van de kelder, de binnenzijde van de buitenmuren (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de binnenzijde van daken en dakkapellen;
de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Artikel 7.8 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil (artikel 22.5 bruidsschat)
Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bouwwerken is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:
Artikel 7.9 Repressieve welstandseisen (artikel 22.7 bruidsschat lid 1)
Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel op 31 december 2023 gold:
Artikel 7.10 Inperking bouwactiviteiten vanwege cultureel erfgoed [22.27 en 22.38 bruidsschat]
Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn (sub)paragrafen § 7.1.2.1, § 7.5.1, § 7.6.2 en § 7.7.1 niet van toepassing.
Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument zijn (sub)paragrafen § 7.5.1, en § 7.6.2 niet van toepassing.
Artikel 7.11 Inperking bouwactiviteiten vanwege externe veiligheid [22.39 bruidsschat]
De regels zoals opgenomen in paragraaf § 7.5.1.1 en § 7.6.2 zijn niet van toepassing op een bouwactiviteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
Artikel 7.12 Bluswatervoorziening (artikel 22.13 bruidsschat)
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.
De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.
De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
Artikel 7.13 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten (artikel 22.14 bruidsschat)
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.
Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:
Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 7.14 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen (artikel 22.15 bruidsschat)
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.
Het eerste lid is niet van toepassing:
op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;
op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;
op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of
als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.
De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 meter.
Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 7.11, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.
Artikel 7.15 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit (artikel 22.8 bruidsschat)Aansluiting op distributienet voor elektriciteit (artikel 22.8 bruidsschat)
Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als:
Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.
Artikel 7.16 Aansluiting op distributienet voor gas (artikel 22.9 bruidsschat)
Artikel 7.18 Aansluiting op distributienet voor drinkwater (artikel 22.11 bruidsschat)
Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als:
Artikel 7.19 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater (artikel 22.12 bruidsschat)
[Gereserveerd]
Artikel 7.20 Veranderen bouwwerk - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het veranderen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op de locatie veranderen bouwwerk - toegestaan.
Artikel 7.21 Veranderen bouwwerk - toegestaan
Het veranderen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende eisen:
Artikel 7.22 Maximum bebouwingspercentage bouwwerken - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken op de locatie 'maximum bebouwingspercentage'.
Artikel 7.23 Maximum bebouwingspercentage bouwwerken
Het totale bebouwingspercentage bedraagt maximaal het aangegeven percentage.
Artikel 7.24 Onderdoorgang - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk op de locatie onderdoorgang.
Bij het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk wordt op de locatie onderdoorgang de bestaande onderdoorgang gehandhaafd, met dien verstande dat een draagconstructie ten behoeve van het hoofdgebouw wel is toegestaan.
Artikel 7.26 Bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
Artikel 7.27 Bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.28 Waarden voor de toelaatbare kwaliteit bodem (22.30 bruidsschat)
De waarden van de toelaatbare kwaliteit van de bodem zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.
Het zinsdeel 'in meer dan 25 m3 bodemvolume' in artikel 7.28, tweede lid is niet van toepassing als het gaat om de aanwezigheid van asbest.
Artikel 7.29 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (art. 22.35 bruidsschat)
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een voorafgaand bodemonderzoek zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
als de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, zoals bedoeld in artikel 7.28 wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.
De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML conform de vigerende versie van het protocol SIKB0101.
Artikel 7.30 Specifieke beoordelingsregels: maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit (22.29 lid 1 c en 22.30 en 22.31 bruidsschat)
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, op een locatie waar sprake is van een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 7.28 wordt alleen verleend als:
Het bevoegd gezag kan, in afwijking van artikel 7.30, eerste lid, bij een kleinschalige ontwikkeling bepalen dat sanerende maatregelen niet nodig zijn, mits de MTR-waarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage Vb en bijlage XIIIb van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt overschreden.
Het bevoegd gezag kan, met het oog op voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning als zij van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Artikel 7.31 In gebruik nemen bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie
Een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, dat is toegelaten met toepassing van artikel 7.27, wordt pas in gebruik genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over, en in afwijking van artikel 5.89l van het Besluit kwaliteit leefomgeving, schriftelijk heeft ingestemd met de wijze waarop er één of meerdere sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen zijn, als bedoeld in artikel 7.30, in de vorm van een rapport.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een woonschip of woonwagen, met dien verstande dat dat lid alleen geldt voor de tuin of het terrein aangrenzend aan het woonschip of de woonwagen.
Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk benodigd is volgens de bepalingen in HOOFDSTUK 7.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een opgave van de bouwkosten;
het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;
een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;
een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2023:
tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van aangrenzende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:
de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 7.28, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 7.28, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 7.28, redelijkerwijs is uit te sluiten; en
overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.
Deze afdeling is van toepassing op bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk benodigd is volgens de bepalingen in HOOFDSTUK 7.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft het bouwen, in stand houden of gebruiken van een bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2023;
Het eerste lid is niet van toepassing als:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen, in stand houden of gebruiken van een bouwwerk op de locatie 'sporthal Bathmen', wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk past binnen de kaders voor de ruimtelijke kwaliteit, zoals opgenomen in bijlage VIII.
Bij de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken onder artikel 7.36, eerste lid gaat het zowel om het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan.
De beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken onder artikel 7.36, eerste lid is niet vereist voor een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is.
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw op de locatie hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie 'voorgevelbouwgrens' alleen verleend als de voorgevel van een hoofdgebouw in de voorgevelbouwgrens wordt gebouwd.
Als de voorgevel van een hoofdgebouw achter de voorgevel-bouwgrens wordt gebouwd kan, in afwijking van het eerste lid, de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw ook worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie 'maximale bouwhoogte hoofdgebouw' alleen verleend als de bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven hoogte is.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie 'maximale goothoogte hoofdgebouw' alleen verleend als de goothoogte van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven goothoogte is.
Ten behoeve van de realisering van een dakopbouw wordt, in afwijking van artikel 7.41, de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw op de locatie 'dakopbouw - vergunningplicht' ook verleend als:
de dakopbouw wordt gebouwd aan de achterzijde van het hoofdgebouw;
de goothoogte ten hoogste 2 meter hoger is ten opzichte van de maximaal toegestane goothoogte; en
de bouwhoogte niet hoger is dan de maximaal toegestane bouwhoogte zoals opgenomen in artikel 7.40.
Ten behoeve van de realisering van een dakopbouw aan de voor- en achterzijde van het hoofdgebouw kan, in afwijking van artikel 7.41, de omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw ook worden verleend als:
de dakopbouw bij vrijstaande en 2-onder-1-kap woningen in de breedte een ondergeschikte toevoeging aan het dakvlak is;
de dakopbouw, gemeten vanaf de voet van de dakopbouw tot aan de goot, niet hoger is dan 1,50 m;
de dakhelling gelijk is aan de bestaande dakhelling;
de goothoogte met niet meer dan 2 meter wordt verhoogd ten opzichte van de maximaal toegestane goothoogte; en
de bouwhoogte niet hoger is dan de maximaal toegestane bouwhoogte zoals opgenomen in artikel 7.40.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie 'maximale dakhelling hoofdgebouw' alleen verleend als de dakhelling van het hoofdgebouw maximaal de aangegeven dakhelling bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie 'minimale dakhelling hoofdgebouw' alleen verleend als de dakhelling van het hoofdgebouw minimaal de aangegeven dakhelling bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7.44 (minimale dakhelling), verleend als:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie ‘dakvorm hoofdgebouw - vergunningplicht' alleen verleend als:
het dak wordt afgedekt met twee hellende dakvlakken, waarbij aan de minimale en maximale dakhelling zoals opgenomen in artikel 7.43 en artikel 7.44 wordt voldaan; of
de dakvorm niet voldoet aan de voorwaarden onder a, maar wel gelijk is aan de bestaande dakvorm; of
sprake is van een andere dakvorm en geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie ‘bestaande maatvoering hoofdgebouw' alleen verleend als de goothoogte, de bouwhoogte en de dakhelling van het hoofdgebouw gelijk zijn aan de bestaande maten.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 wordt op de locatie 'maximaal aantal wooneenheden' alleen verleend als het maximaal aantal wooneenheden niet wordt overschreden.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.37 wordt op de locatie 'onderdoorgang' alleen verleend als tot de bestaande doorgangshoogte niet wordt gebouwd, met dien verstande dat een draagconstructie ten behoeve van het hoofdgebouw wel is toegestaan.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.38 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoofdgebouw op de locatie 'duurzaamheidsmaatregel - vergunningplicht' wordt ook verleend als:
door het aanbrengen van dakisolatie aan de buitenkant van het dak, de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw wordt overschreden met maximaal 0,25 meter;
of door het aanbrengen van gevelisolatie in de vorm van een voorzetgevel of gelijkwaardig alternatief bij een bestaand hoofdgebouw de locatie ‘hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht' met maximaal 0,25 meter wordt overschreden.
artikel 7.50, eerste lid is niet van toepassing als een hoofdgebouw:
Artikel 7.51 Gebouw bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van gebouwen op de locatie 'gebouw bouwen - toegestaan'.
Artikel 7.52 Gebouw bouwen - toegestaan
Ter plaatse van de locatie 'gebouw bouwen - toegestaan' is het bouwen van een gebouw toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
de totale oppervlakte van gebouwen op de locatie ‘gebouw bouwen - toegestaan' is niet meer dan 50m2;
de bouwhoogte is niet hoger dan 5 meter;
de goothoogte is niet hoger dan 3 meter;
Artikel 7.53 Speelvoorziening bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een speelvoorziening op de locatie speelvoorziening bouwen - toegestaan.
Artikel 7.54 Speelvoorziening bouwen - toegestaan
Ter plaatse van de locatie 'speelvoorziening bouwen - toegestaan' is het bouwen van een speelvoorziening toegestaan, indien het gebouw voldoet aan de volgende eisen:
Artikel 7.55 Nutsvoorziening bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van nutsvoorzieningen op de locatie nutsvoorziening bouwen - toegestaan.
Artikel 7.56 Nutsvoorziening bouwen - toegestaan
Ter plaatse van de locatie 'nutsvoorziening bouwen - toegestaan' is het bouwen van een nutsvoorziening toegestaan, indien het gebouw voldoet aan de volgende eisen:
bouwhoogte maximaal 4 meter;
indien er een bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 geldt, wordt deze niet overschreden.
Deze afdeling is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van gebouwen op de locatie ‘gebouw bouwen - vergunningplicht’, tenzij paragraaf § 7.5.1 van toepassing is.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.58 wordt alleen verleend als de afstand van het gebouw tot in ieder geval één zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 3 m bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.58 wordt alleen verleend als de bouwhoogte van het gebouw maximaal de op de locatie 'maximale bouwhoogte gebouw' aangegeven bouwhoogte bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.58 wordt alleen verleend als de goothoogte van het gebouw maximaal de op de locatie 'maximum goothoogte gebouw' aangegeven goothoogte bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.58 wordt op de locatie 'sporthal Bathmen' alleen verleend als natuurinclusief wordt gebouwd en voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
er worden minimaal 15 punten behaald door de uitvoering van maatregelen uit bijlage VII;
de aanvraag bevat door het bevoegd gezag goedgekeurd een inrichtings-/uitvoeringsplan waaruit blijkt welke maatregelen worden gerealiseerd;
in de vergunning wordt vastgelegd dat de maatregelen uit het inrichtings-/uitvoeringsplan voor natuurinclusief bouwen uiterlijk binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de bouw van het gebouw gerealiseerd worden en vervolgens duurzaam in stand worden gehouden.
Bij de toepassing van de regels in AFDELING 7.6 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Voor de toepassing van de paragrafen § 7.6.2, § 7.6.3 en § 7.6.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.
De regels zoals opgenomen in § 7.6.2 zijn niet van toepassing op een (hoofd)gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld.
Artikel 7.66 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een bodemgevoelig gebouw, op de locatie 'bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - toegestaan'.
Artikel 7.67 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - toegestaan
Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde een overkapping of bodemgevoelig gebouw, bij een hoofdgebouw is toegestaan zonder omgevingsvergunning, indien het voldoet aan de volgende eisen:
op de grond staand;
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;
het maximum bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 wordt niet overschreden;
de goothoogte van een aan het hoofdgebouw gebouwd bijbehorend bouwwerk is:
De bouwhoogte van een aan het hoofdgebouw gebouwd bijbehorend bouwwerk is:
de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is maximaal 3 meter;
de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is maximaal 5 meter;
de afstand van een bijbehorend bouwwerk tot de onbebouwde zijdelingse bouwperceelgrens is minstens:
In aanvulling op artikel 7.67, eerste lid geldt op de locatie 'maximale oppervlakte bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw - toegestaan' dat de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken:
Artikel 7.68 Bijbehorend bouwwerk bij een gebouw bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bijbehorende bouwwerken bij een gebouw op de locatie 'bijbehorend bouwwerk bij een gebouw bouwen - toegestaan'.
Artikel 7.69 Bijbehorend bouwwerk bij een gebouw bouwen - toegestaan
Het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een gebouw, niet zijnde een overkapping, is toegestaan indien het voldoet aan de volgende eisen:
op de grond staand;
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag;
geen bodemgevoelig gebouw;
het maximum bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 wordt niet overschreden;
de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 0,50 m boven vloer van de eerste verdieping van het gebouw, tot een maximum van 3,5 meter;
de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is niet hoger dan 1,5 m onder verdiepingsvloer van het gebouw, tot een maximum van 6 meter;
de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is maximaal 3 meter
de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is maximaal 5 meter;
de afstand van een bijbehorend bouwwerk tot de onbebouwde zijdelingse bouwperceelgrens is minstens:
In aanvulling op artikel artikel 7.69, eerste lid geldt op de locatie maximale oppervlakte bijbehorend bouwwerk dat de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken:
Artikel 7.70 Dakkapel bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel ter plaatse van de locatie 'dakkapel bouwen - vergunningplicht'.
Artikel 7.71 Dakkapel bouwen - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een dakkapel te bouwen, in stand te houden en te gebruiken, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in § 7.6.2.
Artikel 7.72 Dakkapel bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.71, voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een dakkapel, wordt alleen verleend als:
Artikel 7.73 Erker, entreepartij of balkon bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een een erker, entreepartij of balkon ter plaatse van de locatie 'erker, entreepartij of balkon bouwen - vergunningplicht'.
Artikel 7.74 Erker, entreepartij of balkon bouwen - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een erker, entreepartij of balkon te bouwen, in stand te houden en te gebruiken, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in § 7.6.2.
Artikel 7.75 Erker, entreepartij of balkon bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.74 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erker, entreepartij of balkon wordt alleen verleend als:
de diepte niet meer dan 1,5 m bedraagt;
de goothoogte niet meer dan 3,5 m of 0,5 m boven de vloer van de eerste verdieping van de woning, bedraagt;
de oppervlakte niet meer dan 6 m2 bedraagt;
de breedte niet meer dan 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt; en
de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied niet minder dan 2,5 m bedraagt.
Artikel 7.76 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw ter plaatse van de locatie 'bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht'.
Artikel 7.77 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen, in stand te houden en te gebruiken, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in § 7.6.2.
Artikel 7.78 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel afstand tot onbebouwde zijdelingse bouwperceelgrens
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.77 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk op minder dan een meter van de perceelsgrens op bouwpercelen met een oppervlakte vanaf 300 m2 wordt alleen verleend als:
Artikel 7.79 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel maximale oppervlakte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.77 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk wordt verleend als:
de oppervlakte van het bijbehorend bouwwerk maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximale oppervlakte bijbehorend bouwwerk' aangegeven oppervlakte is.
Artikel 7.80 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel maximale goothoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.77 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk wordt verleend als:
de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximale goothoogte bijbehorend bouwwerk' aangegeven goothoogte is.
Artikel 7.81 Bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel maximale bouwhoogte
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.77 voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk wordt verleend als:
de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximale bouwhoogte bijbehorend bouwwerk' aangegeven bouwhoogte is.
Artikel 7.82 Overkapping bij een hoofdgebouw bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een overkapping bij een hoofdgebouw op de locatie 'overkapping bij een woning bouwen - toegestaan'.
Artikel 7.83 Overkapping bij een hoofdgebouw bouwen - toegestaan
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een overkapping bij een hoofdgebouw is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
op de grond staand;
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken inclusief overkappingen:
bedraagt niet meer dan 75 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 500 m2;
bedraagt niet meer dan 100 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte van 500 m2 tot 1000 m2;
bedraagt niet meer dan 150 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte van 1000 m2 of meer; en
het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 wordt niet overschreden.
de bouwhoogte van een overkapping is maximaal 3 meter.
Artikel 7.84 Overkapping bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een overkapping op de locatie 'overkapping bouwen - toegestaan'.
Artikel 7.85 Overkapping bouwen - toegestaan
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een overkapping is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
op de grond staand;
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
de oppervlakte is maximaal 30m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 niet wordt overschreden;
de bouwhoogte van een overkapping is maximaal 3 meter.
Artikel 7.86 Sport- of speeltoestel bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een sport- en speeltoestel op de locatie 'sport- en speeltoestel bouwen - toegestaan'
Artikel 7.87 Sport- of speeltoestel bouwen - toegestaan (22.27 d)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk voor een sport- of speeltoestel is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
Artikel 7.88 Zwembad, bubbelbad, vijver bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of vijver op de locatie 'zwembad, bubbelbad, vijver bouwen - toegestaan'
Artikel 7.89 Zwembad, bubbelbad, vijver bouwen - toegestaan (22.27 e)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver bij een woning is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
op de grond staand;
niet voorzien van een overkapping.
Artikel 7.90 Erf- of terreinafscheiding bouwen - toegestaan - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of terreinafscheiding op de locatie 'erf- of perceelafscheiding bouwen - toegestaan'.
Artikel 7.91 Erf- of terreinafscheiding bouwen - toegestaan (22.27 f en 22.36 b)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of terreinafscheiding is toegestaan, indien het voldoet aan de volgende eisen:
hoger dan 1 m, maar niet hoger dan 2 m;
op een erf of perceel waarop al een hoofdgebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
achter de lijn die loopt langs de voorkant van dat hoofdgebouw en vanaf daar evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen.
Artikel 7.92 Buisleiding bouwen - toegestaan (22.27 h) - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding op de locatie 'buisleiding bouwen - toegestaan'.
Artikel 7.93 Buisleiding bouwen - toegestaan (22.27 h)
Het bouwen, in stand houden en gebruiken van een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is, is toegestaan.
Artikel 7.94 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, geen gebouw zijnde op de locatie 'bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - vergunningplicht' tenzij § 7.7.1 van toepassing is.
De artikelen in deze subparagraaf zijn alleen van toepassing op bouwwerken, geen gebouw zijnde die niet elders in dit hoofdstuk zijn gereguleerd.
Artikel 7.95 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk, geen gebouw zijnde te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.96 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.95 voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, geen gebouw zijnde, wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximale bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde' aangegeven hoogte is.
Artikel 7.97 Lichtmast bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een lichtmast op de locatie 'lichtmast bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.98 Lichtmast bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een lichtmast te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.99 Lichtmast bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.98 voor het bouwen van lichtmasten wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximale bouwhoogte lichtmast' aangegeven hoogte is.
Artikel 7.100 Lichtmast bouwen - vergunningplicht - specifieke aanvraagvereisten sportveld Bathmen
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.98 op de locatie 'sporthal Bathmen' wordt, in aanvulling op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in artikel 7.33, een lichthinderonderzoek aangeleverd, waarmee wordt aangetoond dat de grenswaarden zoals bedoeld in artikel 7.101 door de te bouwen lichtmasten niet wordt overschreden.
Artikel 7.101 Lichtmast bouwen - vergunningplicht - aanvullende beoordelingsregel sportveld Bathmen
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.98 voor het bouwen van een lichtmast wordt op de locatie 'sporthal Bathmen' alleen verleend als de bijdrage aan eventuele lichthinder door de lichtmasten op bestaande omliggende woningen niet meer bedraagt dan de grenswaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Artikel 7.102 Paal of mast bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een paal of mast, niet zijnde een lichtmast, op de locatie 'paal of mast bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.103 Paal of mast bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een paal of een mast te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.104 Paal of mast bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.103 voor het bouwen van een paal of mast wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximale bouwhoogte paal of mast' aangegeven hoogte is.
Artikel 7.105 Antennemast bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een antennemast op de locatie 'antennemast bouwen - vergunningplicht', tenzij § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.106 Antennemast bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een antennemast te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.107 Antennemast bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.106 voor het bouwen van een antennemast wordt alleen verleend als de bouwhoogte niet hoger is dan 45 meter.
Artikel 7.108 Erf- en terreinafscheiding bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- en terreinafscheiding op de locatie 'erf- of perceelafscheiding bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.109 Erf- en terreinafscheiding bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een erf- en terreinafscheiding te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.110 Erf- en terreinafscheiding bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.95 voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de locatie maximale bouwhoogte erf-of terreinafscheiding aangegeven hoogte is.
Artikel 7.111 Ballenvanger bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een ballenvanger op de locatie 'ballenvanger bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.112 Ballenvanger bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een ballenvanger te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.113 Ballenvanger bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.95 voor het bouwen van een ballenvanger wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximum bouwhoogte ballenvanger' aangegeven hoogte is.
Artikel 7.114 Kunstobject bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een kunstobject op de locatie 'kunstobject bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.115 Kunstobject bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kunstobject te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.116 Kunstobject bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.115 voor het bouwen van een kunstwerk wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de ter plaatse van de locatie 'maximale bouwhoogte kunstobject' aangegeven hoogte is.
Artikel 7.117 Overkapping bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een overkapping en/of carport bij een hoofdgebouw op de locatie 'overkapping bij een woning bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.118 Overkapping bij een hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overkapping en/of carport bij een hoofdgebouw te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.119 Overkapping bij een hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.118 voor het bouwen van een overkappingen/of carport bij een hoofdgebouw wordt alleen verleend als:
deze ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn wordt gebouwd;
de bouwhoogte maximaal 3 meter is;
de oppervlakte maximaal 30 m2 is, met dien verstande dat het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 niet wordt overschreden.
Artikel 7.120 Overkapping bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een overkapping en/of carport op de locatie 'overkapping bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.121 Overkapping bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een overkapping en/of carport te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.122 Overkapping bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.121 voor het bouwen van een overkapping en/of carport wordt alleen verleend als:
deze ten minste 1 m achter de voorgevelrooilijn wordt gebouwd;
de bouwhoogte maximaal 3 meter is;
de oppervlakte niet meer is dan 30 m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 niet wordt overschreden.
Artikel 7.123 Tribune bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een tribune op de locatie 'tribune bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.124 Tribune bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een tribune te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.125 Tribune bouwen vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.124 voor het bouwen van een tribune op de locatie [tribune bouwen] wordt alleen verleend als:
de bouwhoogte maximaal 6 meter is;
het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 niet wordt overschreden.
Artikel 7.126 Geluidwerende voorziening bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een geluidwerende voorziening op de locatie ‘geluidwerende voorziening bouwen - vergunningplicht' tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.127 Geluidwerende voorziening bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een geluidwerende voorziening te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.128 Geluidwerende voorziening bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.127 voor het bouwen van een geluidwerende voorziening wordt alleen verleend als:
de bouwhoogte maximaal 7 meter is;
het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 niet wordt overschreden.
Artikel 7.129 Technische installatie bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een technische installatie op de locatie 'technische installatie bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.130 Technische installatie bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een technische installatie te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.131 Technische installatie bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.130 voor het bouwen van een technische installatie wordt alleen verleend als:
de bouwhoogte maximaal 9 meter is;
het bebouwingspercentage zoals opgenomen in artikel 7.23 niet wordt overschreden.
Artikel 7.132 Hoogzit bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een hoogzit op de locatie 'hoogzit bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.133 Hoogzit bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoogzit te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.134 Hoogzit bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.133 voor het bouwen van een hoogzit wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal 8 meter is.
Artikel 7.135 Schoorsteen bouwen - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen, in stand houden en gebruiken van een schoorsteen op de locatie 'schoorsteen bouwen - vergunningplicht', tenzij paragraaf § 7.7.1 van toepassing is.
Artikel 7.136 Schoorsteen bouwen - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een schoorsteen te bouwen, in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 7.137 Schoorsteen bouwen - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.136 voor het bouwen van een schoorsteen wordt alleen verleend als de bouwhoogte maximaal de bestaande hoogte is.
H
Hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
I
Hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten op de locatie nieuw deel Omgevingsplan.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
De volgende aanlegactiviteiten zijn toegestaan zonder omgevingsvergunning:
activiteiten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van een bouwactiviteit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend op grond van HOOFDSTUK 7;
activiteiten in het kader van normaal beheer en onderhoud.
Het is verboden aanlegactiviteiten uit te voeren waarbij het gebruik van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden niet in overeenstemming is met het bepaalde in HOOFDSTUK 6.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een aanlegactiviteit worden, als op grond van dit hoofdstuk een vergunningplicht geldt, gegevens en bescheiden verstrekt over:
Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van grondverzetactiviteiten ter plaatse van de locaties groeiplaats boom en gebiedstype natuur en activiteit in archeologisch verwachtingsgebied tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 8.3.
Onder grondverzetactiviteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondverzetactiviteiten uit te voeren.
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van grondverzetactiviteiten als bedoeld in artikel 8.7 wordt ter plaatse van de locatie groeiplaats boom alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 wordt ter plaatse van de locatie gebiedstype natuur alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 wordt ter plaatse van de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied alleen verleend als voldaan wordt aan de regels in AFDELING 9.3:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.7 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
een door een deskundige uitgevoerd rapport waaruit blijkt dat het voortbestaan van de beeld- en sfeerbepalende boom of bomen niet wordt bedreigd;
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor het (historisch) ruimtelijk beeld van het betreffende gebied;
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor de aanwezige natuurwaarden van het betreffende gebied; en
in geval de activiteit plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied, gelden eveneens de specifieke aanvraagvereisten zoals opgenomen in artikel 9.19.
Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van kabel- en leidingactiviteiten ter plaatse van de locaties gebiedstype natuur en activiteit in archeologisch verwachtingsgebied, tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 8.3.
Onder kabel- en leidingactiviteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houden constructies, installaties en apparatuur.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning kabel- en leidingactiviteiten uit te voeren.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.15 wordt ter plaatse van de locatie gebiedstype natuur alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.15 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.15 wordt ter plaatse van de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied alleen verleend als voldaan wordt aan de regels in AFDELING 9.3:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.15 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor de aanwezige natuurwaarden van het betreffende gebied; en
in geval de activiteit plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied, gelden eveneens de specifieke aanvraagvereisten zoals opgenomen in artikel 9.19.
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van bomen en opgaande beplanting op de locatie gebiedstype natuur, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 8.3.
Onder het aanbrengen van bomen en opgaande beplanting als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bomen en opgaande beplanting aan te brengen.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.21 wordt ter plaatse van de locatie gebiedstype natuur alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.21 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.21 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
op de aanduiding zoals bedoeld onder a. een identificatie met een nummer van iedere boom of beplanting waarop de aanvraag betrekking heeft;
per genummerde boom of beplanting worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor de aanwezige natuurwaarden van het betreffende gebied.
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van diepwortelende beplanting op de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 8.3.
Onder het aanbrengen van diepwortelende beplanting als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning diepwortelende beplanting aan te brengen.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.26 wordt ter plaatse van de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied alleen verleend als voldaan wordt aan de regels in AFDELING 9.3:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.26 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
op de aanduiding zoals bedoeld onder a. een identificatie met een nummer van iedere boom of beplanting waarop de aanvraag betrekking heeft;
per genummerde boom of beplanting worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
in geval de activiteit plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied, gelden eveneens de specifieke aanvraagvereisten zoals opgenomen in artikel 9.19.
Deze paragraaf is van toepassing op het rooien van bomen en opgaande beplanting op de locatie groeiplaats boom, gebiedstype natuur en activiteit in archeologisch verwachtingsgebied, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 8.3.
Onder het rooien van bomen en opgaande beplanting als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bomen en opgaande beplanting te rooien.
De omgevingsvergunning voor het kappen of rooien van een boom als bedoeld in artikel 8.30 wordt ter plaatse van de locatie groeiplaats boom alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.30 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.30 wordt ter plaatse van de locatie gebiedstype natuur alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.30 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.30 wordt ter plaatse van de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied alleen verleend als voldaan wordt aan de regels in AFDELING 9.3:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.30 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
op de aanduiding zoals bedoeld onder a. een identificatie met een nummer van iedere boom of beplanting waarop de aanvraag betrekking heeft;
per genummerde boom of beplanting worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een motivering waarom het nodig is om de betreffende boom of beplanting te rooien;
de soort houtopstand;
de locatie van de houtopstand;
de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en
de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor het (historisch) ruimtelijk beeld van het betreffende gebied;
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor de aanwezige natuurwaarden van het betreffende gebied; en
in geval de activiteit plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied, gelden eveneens de specifieke aanvraagvereisten zoals opgenomen in artikel 9.19.
Deze paragraaf is van toepassing op het kappen van bomen en opgaande beplanting op de locatie groeiplaats boom en de locatie gebiedstype natuur, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 8.3.
Onder het kappen van bomen en opgaande beplanting als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bomen en opgaande beplanting te kappen.
De omgevingsvergunning voor het kappen of rooien van een boom als bedoeld in artikel 8.38 wordt ter plaatse van de locatie groeiplaats boom alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.38 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.38 wordt ter plaatse van de locatie gebiedstype natuur alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.38 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.38 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
op de aanduiding zoals bedoeld onder a. een identificatie met een nummer van iedere boom of beplanting waarop de aanvraag betrekking heeft;
per genummerde boom of beplanting worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een motivering waarom het nodig is om de betreffende boom of beplanting te kappen;
de soort houtopstand;
de locatie van de houtopstand;
de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en
de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor het (historisch) ruimtelijk beeld van het betreffende gebied; en
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor de aanwezige natuurwaarden van het betreffende gebied.
Deze paragraaf is van toepassing op het aanbrengen van oppervlakteverharding ter plaatse van de locaties groeiplaats boom, gebiedstype natuur en activiteit in archeologisch verwachtingsgebied, tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 8.3.
Onder oppervlakteverharding aanbrengen als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: het aanleggen en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te brengen.
De omgevingsvergunning voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen als bedoeld in artikel 8.45 wordt ter plaatse van de locatie groeiplaats boom alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.45 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.45 wordt ter plaatse van de locatie gebiedstype natuur alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.45 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.45 wordt ter plaatse van de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied alleen verleend als voldaan wordt aan de regels in AFDELING 9.3:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.45 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
een door een deskundige uitgevoerd rapport waaruit blijkt dat het voortbestaan van de beeld- en sfeerbepalende boom of bomen niet wordt bedreigd;
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor het (historisch) ruimtelijk beeld van het betreffende gebied;
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor de aanwezige natuurwaarden van het betreffende gebied; en
in geval de activiteit plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied, gelden eveneens de specifieke aanvraagvereisten zoals opgenomen in artikel 9.19.
Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van een parkeervoorziening op de locatie gebiedstype - groen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 8.3.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een parkeervoorziening aan te leggen.
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.53 wordt verleend als:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.53 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Deze paragraaf is van toepassing op de locaties gebiedstype natuur en activiteit in archeologisch verwachtingsgebied, tenzij toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in artikel 8.3.
Onder het uitvoeren van waterhuishoudkundige activiteiten als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan:
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning waterhuishoudkundige activiteiten uit te voeren.
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.57 wordt ter plaatse van de locatie gebiedstype natuur alleen verleend als:
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.57 kunnen door het college in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.57 wordt ter plaatse van de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied alleen verleend als voldaan wordt aan de regels in AFDELING 9.3:
Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.57 worden, in aanvulling op artikel 8.5, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;
een beschrijving van de gevolgen van activiteit voor de aanwezige natuurwaarden van het betreffende gebied; en
in geval de activiteit plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied, gelden eveneens de specifieke aanvraagvereisten zoals opgenomen in artikel 9.19.
J
Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 9.1 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie activiteit in activiteit in archeologisch verwachtingsgebied.
Onder activiteiten in archeologisch verwachtingsgebied als bedoeld in deze paragraaf worden verstaan:
bouwactiviteiten zoals bedoeld in HOOFDSTUK 7;
aanlegactiviteiten zoals bedoeld in HOOFDSTUK 8;
sloopactiviteiten zoals bedoeld in HOOFDSTUK 10;
voor zover deze activiteiten de grond roeren.
Artikel 9.2 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - oogmerk
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
Artikel 9.3 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - toegestaan - toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied - toegestaan.
Artikel 9.4 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - toegestaan - maximale oppervlakte
Het uitvoeren van een activiteiten in archeologisch verwachtingsgebied is toegestaan voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
door het uitvoeren van de activiteit wordt niet meer oppervlakte verstoord dan is opgenomen in de norm maximale oppervlakte archeologie - toegestaan.
Artikel 9.5 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - toegestaan - maximale diepte
In afwijking van artikel 9.4 is het uitvoeren van een activiteit in archeologisch verwachtingsgebied eveneens toegestaan als:
de grond niet dieper wordt geroerd dan de norm diepte archeologie.
Artikel 9.6 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - toegestaan - overig
In aanvulling op artikel 9.4 en artikel 9.5 is het uitvoeren van activiteiten in archeologisch verwachtingsgebied eveneens toegestaan:
in het kader van het normale beheer en onderhoud;
in het kader van archeologisch onderzoek en/of het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
indien op basis van door een deskundige uitgevoerd bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische monumenten of waarden aanwezig zijn;
indien de activiteiten noodzakelijk zijn met het oog op het realiseren van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend;
indien de activiteiten al waren aangevangen op het moment van de inwerkingtreding van dit plan en waarvoor op dat moment geen vergunning vereist was;
activiteiten waaraan op grond van een omgevingsvergunning of ontgrondingvergunning is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan.
Artikel 9.7 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht - toepassingsbereik
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht.
Artikel 9.8 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht
Het uitvoeren van een activiteit in archeologisch verwachtingsgebied is verboden zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.
Artikel 9.9 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht - minimale diepte
De melding zoals bedoeld in artikel 9.8 is van toepassing als:
de grond dieper wordt geroerd dan de norm diepte archeologie.
Artikel 9.10 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht - minimale oppervlakte
De melding zoals bedoeld in artikel 9.8 is van toepassing als:
De oppervlakte van de verstoring groter is dan de norm minimale oppervlakte archeologie - meldingsplicht.
Artikel 9.11 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht - maximale oppervlakte
De melding zoals bedoeld in artikel 9.8 is van toepassing als:
de oppervlakte van de verstoring kleiner of gelijk is aan de norm maximale oppervlakte archeologie - meldingsplicht.
Artikel 9.12 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht - indieningsvereisten
Bij het melden van de grondverzetactiviteit wordt in ieder geval aangeleverd:
Artikel 9.13 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - meldingsplicht - archeologische waarneming
Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden moet door de initiatiefnemer de gelegenheid worden geboden voor een archeologische waarneming.
Artikel 9.14 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht - toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het uitvoeren van een grondverzetactiviteit ter plaatse van de locatie activiteit in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht, tenzij toepassing kan worden gegeven aan § 9.3.1.2 of § 9.3.1.3.
Artikel 9.15 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit uit te voeren in archeologisch verwachtingsgebied, met dien verstande dat de minimale diepte en de minimale oppervlakte zoals bedoeld in artikel 9.16 en artikel 9.17 van toepassing zijn.
Artikel 9.16 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht - minimale diepte
De vergunningplicht zoals bedoeld in artikel 9.15 is van toepassing als:
de grond dieper wordt geroerd dan de norm diepte archeologie.
Artikel 9.17 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht - minimale oppervlakte
De vergunningplicht zoals bedoeld in artikel 9.15 is van toepassing als:
door de activiteiten een oppervlakte wordt verstoord die groter is dan de norm minimale oppervlakte archeologie - vergunningplicht.
Artikel 9.18 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht - beoordelingsregel
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 9.15 voor het uitvoeren van een activiteit in archeologisch verwachtingsgebied wordt alleen verleend als:
Artikel 9.19 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht - aanvraagvereisten
Bij het aanvragen van de vergunning zoals bedoeld in artikel 9.15 wordt in ieder geval verstrekt:
Artikel 9.20 Activiteiten uitvoeren in archeologisch verwachtingsgebied - vergunningplicht - voorschriften
Indien uit het in artikel 9.19 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen een of meerdere van de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten of archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 van de Erfgoedwet;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
K
Het opschrift van hoofdstuk 10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
L
Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
M
Het opschrift van hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
N
Het opschrift van hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
O
Het opschrift van hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
P
Het opschrift van hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Q
Het opschrift van hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Het opschrift van hoofdstuk 17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Het opschrift van hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Het opschrift van hoofdstuk 19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
U
Het opschrift van hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat een regel in dit omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie en hiermee in strijd is.
Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat een regel in het omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Het eerste lid geldt niet voor het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan zoals het voorheen op die locatie van toepassing was, daaronder begrepen het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de overgangsbepalingen daarin.
Deze afdeling is van toepassing op het bouwen of in stand houden van bouwwerken die bestonden op het tijdstip dat een regel in dit omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie en hiermee in strijd is.
Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een regel in dit omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie:
Een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid mag:
De bepalingen in het artikel 21.4, eerste lid en tweede lid gelden niet voor een bouwwerk dat weliswaar bestaat op het tijdstip dat het omgevingsplan op de desbetreffende locatie van toepassing wordt, maar is gebouwd zonder vergunning en in strijd met de daarvoor geldende regels in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
W
Het opschrift van hoofdstuk 22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Afdeling 22.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in afdelingAFDELING 22.2, met uitzondering van paragraaf§ 22.2.7.3, en afdelingAFDELING 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.
De regels in afdelingAFDELING 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:
een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.
Voor de toepassing van de artikelenartikel 22.28, eerste lid en tweede lid, artikel 22.38, artikel 22.287, artikel 22.288, 22.290 tot en met 22.293artikel 22.290 en artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.
Het eerste lid is van toepassing:
als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en
als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.
De artikelen 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Y
Subparagraaf 22.2.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De artikelenartikel 22.27 en artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Bij de toepassing van de artikelenartikel 22.27 en artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.
Voor de toepassing van de paragrafen§ 22.2.7.2 en § 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
afstanden loodrecht;
hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en
maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
Z
Artikel 22.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
op de grond staand;
gelegen in achtererfgebied;
op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
niet hoger dan 5 m;
de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
voorzien van een plat dak;
gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;
een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied zonder het hoofdgebouw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:
een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of
een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
AA
Artikel 22.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf§ 22.2.4;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
BB
Artikel 22.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.
voor de dag van ontvangst van de aanvraag:
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet is werking is getreden of in beroep is vernietigd.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.
CC
Artikel 22.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van afdelingAFDELING 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:
voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;
de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:
bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en
bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en
uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:
een woonwagen;
een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of
een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;
het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel 22.27, onder f; en
het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.
DD
Artikel 22.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.
Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder a, buiten de bebouwde kom wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen:
Artikel 22.37, tweede lid, is alleen van toepassing als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dat lid niet voldoet aan de in artikel 22.36, onder a, onder 3°, gestelde eisen.
EE
Artikel 22.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:
op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;
op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of
op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:
artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;
artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van toepassing is;
artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of
artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.
FF
Artikel 22.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
wonen;
het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
een evenement:
het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.
Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf§ 22.3.7.
GG
Artikel 22.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelenartikel 22.44, artikel 22.49 en artikel 22.50 en de paragrafen§ 22.3.2 tot en met 22.3.26.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelenartikel 22.49 en artikel 22.50 en de paragrafen§ 22.3.2 tot en met 22.3.26.
Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.
Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
HH
Artikel 22.54 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf
§ 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en
op een niet-geluidgevoelige gevel.;
op een bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder niet als gevel werd beschouwd; en
een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:
het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of
spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.
Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:
II
Artikel 22.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
JJ
Artikel 22.56 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf§ 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:
KK
Artikel 22.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:
als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;
bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;
bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;
bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;
bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;
bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;
bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en
als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:
Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.
Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.
Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:
de waarden, bedoeld in de paragrafen § 22.3.4.2, § 22.3.4.3 en § 22.3.4.4; of
de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.
LL
Artikel 22.61a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.
Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:
tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;
het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;
in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;
geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;
geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;
geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;
geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en
geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;
Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.
Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;
gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:
een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en
gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
MM
Artikel 22.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen§ 22.3.4.3 en § 22.3.4.4.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.
NN
Artikel 22.64 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, artikel 22.63, derde lid en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.
|
|
07.00 – 21.00 uur |
21.00 – 07.00 uur |
|
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten |
50 dB(A) |
40 dB(A |
|
Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten |
70 dB(A) |
60 dB(A) |
De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.
OO
Artikel 22.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelenartikel 22.65, eerste lid, en 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.
PP
Artikel 22.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelenartikel 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:
Artikel 22.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelenartikel 22.63 tot en met 22.69 en artikel 22.71, blijft buiten beschouwing:
het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;
het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;
het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;
het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;
het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;
het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en
het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf§ 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelenartikel 22.63 tot en met 22.67 en artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelenartikel 22.63 tot en met 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:
RR
Artikel 22.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelenartikel 22.63, eerste lid, en 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.
SS
Artikel 22.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelenartikel 22.63 tot en met 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.
Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:
TT
Artikel 22.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De waarden, bedoeld in de in artikelenartikel 22.63 tot en met 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.
UU
Artikel 22.84 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van artikel 22.83 is deze paragraaf niet van toepassing op trillingen door een activiteit op een trillinggevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
VV
Subparagraaf 22.3.6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.
In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.
In afwijking van artikel 22.90, tweede lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.4 en artikel 22.245, ook van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat voor een duur van niet meer dan tien jaar is toegelaten:
In afwijking van artikel 22.90, eerste lid, zijn de waarden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
In afwijking van artikel 22.90, eerste lid zijn de waarden, bedoeld in § 22.3.6.2 en § 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in § 22.3.6.2 en § 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
De waarden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.4 en artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:
als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;
als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en
in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.
De waarden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.4 en artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.
Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in paragraaf§ 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in de paragrafen§ 22.3.6.2 en § 22.3.6.4 en artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:
op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of
eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.
WW
Artikel 22.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onverminderd de artikelenartikel 22.98 tot en met 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.
In afwijking van artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.
XX
Artikel 22.124 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in de artikelenartikel 22.122, tweede lid, en artikel 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in artikel 22.122, eerste lid, niet worden overschreden.
YY
Subparagraaf 22.3.7.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Artikel 22.171 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de artikelenartikel 22.174 en artikel 22.175, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:
Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.
AAA
Artikel 22.200 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw of geurgevoelig object waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
BBB
Artikel 22.215 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 22.214, tweede lid, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
In afwijking van artikel 22.214, eerste lid, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
In afwijking van artikel 22.214, eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c.
CCC
Artikel 22.270 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in de artikelenartikel 22.261 tot en met 22.269, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.
DDD
Na artikel 22.271 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Bij het bepalen en het beoordelen van het geluid door een weg of spoorweg als bedoeld in AFDELING 22.4 gelden de volgende regels:
onder het geluid door een weg of spoorweg wordt verstaan: het geluid door de aan te leggen of te wijzigen weg of spoorweg;
het geluid door een weg of spoorweg wordt bepaald:
voor het geluid door een gemeenteweg of waterschapsweg op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVe bij de Omgevingsregeling; en
voor het geluid door een lokale spoorweg die niet bij omgevingsverordening is aangewezen op een geluidgevoelig gebouw: volgens bijlage IVf bij de Omgevingsregeling.
voor een hogere waarde voor het geluid door een weg op de gevel van een geluidgevoelig gebouw die is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding wordt:
de aftrek opgesteld die bij het vaststellen van die hogere waarde is toegepast op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder; en
een hogere waarde in dB(A) omgerekend tot een waarde in dB, door de getalswaarde van die hogere waarde te verminderen met het verschil tussen de heersende waarde in dB(A) en de heersende waarde in dB, waarbij het verschil op een geheel getal wordt afgerond en waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het meest dichtbijgelegen even getal.
EEE
Artikel 22.272 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.
Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:
deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;
de snelheid wordt verlaagd;
een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;
de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
niet meer dan 50 52 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;
als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 1 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of
als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 51 dB: niet meer dan 2 1 dB meer dan de heersende waarde.
Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:
de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;
spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;
spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;
de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of
het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:
Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een geluidgevoelig gebouw:
waarin huisvesting in verband met mantelzorg alleen is toegelaten op grond van artikel 22.36, aanhef en onder a of c, van de bruidsschat; of
dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:
FFF
Artikel 22.274 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een akoestisch onderzoek naar:
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;
het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;
het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 1 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;
de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;
een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en
een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
GGG
Artikel 22.275 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.
In afwijking van artikel 22.275, eerste lid wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.272, eerste lid verleend als de grenswaarde 70 Lden alleen wordt overschreden op:
HHH
Artikel 22.278 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:
een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of van kracht is;
een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet van kracht is waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.;
voor de dag van ontvangst van de aanvraag:
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet is werking is getreden of in beroep is vernietigd.
In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht
III
Artikel 22.294 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een aanvraag als bedoeld in de artikelenartikel 22.290 tot en met 22.292 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:
Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.
Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.
Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:
balklagen:
geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;
houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en
bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.
JJJ
Artikel 22.295 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor de toepassing van hoofdstuk 22 wordt verstaan onder:
afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;
cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;
AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;
bedrijf gericht op de reparatie van en detailhandel in auto's en motorfietsen en bijbehorende onderdelen en accessoires, maar waar geen fabricage van auto's en motorfietsen zelf plaatsvindt;
achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;
het in procenten uitgedrukte deel van de nader in het plan aangegeven gronden dat ten hoogste mag worden bebouwd
een aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening, gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt. Hieronder wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur;
een unit als onderdeel van een bedrijfsverzamelgebouw, gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen;
een gebouw dat dient om verschillende of meerdere bedrijfsunits in te huisvesten;
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
Gebouw als bedoeld in artikel 5.89g Besluit kwaliteit leefomgeving.
BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;
BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;
gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;
collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;
een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw, en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;
niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen, natuurobservatie en natuurspeelplaatsen;
gebouw:
dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;
dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en
dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of
geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;
industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:
landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.
NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;
NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;
NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;
NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;
NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;
NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;
NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;
NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;
NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;
NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;
NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;
NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;
NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;
NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;
NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;
NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;
NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;
NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;
NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;
NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.
NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;
NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;
NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;
NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;
NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;
NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;
NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;
NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;
NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;
NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;
NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;
NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;
NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;
NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;
NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;
een gebouw bestemd voor opslag van goederen of voertuigen of voor ander bedrijfsmatig en/of hobbymatig gebruik door bedrijven of particulieren. Onder opslag- en/of garageboxen die gebruikt worden door bedrijven, worden niet de gebouwen bedoeld die een integraal onderdeel vormen van de bedrijfsactiviteiten van een op hetzelfde bouwperceel gelegen bedrijf;
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand;
Hier uw definitie
Grond waarop voor particulier gebruik op recreatieve wijze voedings- en siergewassen worden geteeld.
besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.
een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden
LLL
Na bijlage I worden zeven bijlagen ingevoegd, luidende:
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_cad882f528e148a98892cb391561851b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_b16aed25a07e47e3b4ed636f4f6e01bf/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_0236140bb0df439ea88ac7c67109b91c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_104b210ba75c4b0a9f6ee982512254eb/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_b9dc2616c9a84c5689d3e8d09406a47e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_76d915d6e5e24df8b4e8f976cfc3cd78/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_a499e84056e04f83aaab07052d49c483/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_f68fe21b0fe74aed9cc2858a95fb9924/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_7834d379e355486291a0e2b61833a8e1/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_ed608e7b6843419ea44edf37f9c1aaf9/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_59c7ddfd49004fb2aaf1c16c01c5114c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6cfafb2d97b648f0b1ae461d4a502ecb/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_91ec2867effc422cbef9ef461fd320b3/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_5bbbad55a9564c03ad736a89dc3c1944/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_4ef2db4e1f404c6c837b9fc18f22f7a5/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_4095ffb33aca40ebaddd2aacc861d7cd/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8ea82d4ff6294daaab7e51196dd3749e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_b2eebe29b4a94075ac21066955d1578c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_c2c79e02de374216a02d4359721b6ad5/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_e344e3dc4e344ab0a4e99149459dd73f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_e398260060cf4aefa41979c86bd2de0f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/beeldwaliteitplan_Sportvoorziening_Bathmen/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_9bb571813d314c0596b37843ecc46373/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8e806ef21aa64edfa136cdff1e8ab7ff/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_33aa436c3f7947d794bd1392c6106127/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_e8bc130bb6f446b5bc1ad79aeefdca71/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_2c84f122fa9f4a02a10b703226eb7183/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_b7b51252ce664e0b8955a5fb9225a1f3/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_f815dd9c44ba44c69ce89b053312f653/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_291cb8472d7a4b4885cb6fe7e644f399/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6c5d56555f414b5d99520ece5f55418f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_c17c5a03861a4bddaa5303de78c9fed8/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_04d2b1c05e804faaa7be03face8a1b2c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_60657f78f9664c6ab00f39fde9f5ff76/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_e5809a7a7d48460b8bd997a6ccc6d902/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_e4a959a906394536a076cd87b50f0cab/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_9325c44436ad44f2accfa2f5f43b925b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_a91d558612ba49cf98b9596c911b21ec/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_67379b3a1b5743b887b651050a341b13/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8eeee34d2d77426487944fb478c1e936/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_a6f349ed3fdb4057aae0a16eb194df7e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_84e2bd9adc04468985ac4532f5f8656f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_c3d04bc3ee6147c8a31b866ec2dd7af8/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_01a8948691c94d7fade04f9ba380ac9c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/norm_7c9e592ce7cb4bb9a4b50661d1b6d572/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_fb5a5abeec30443a9b7e8f80b4f4d479/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6b59b9b21ca6473199002dd59127b7f6/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_de2fcbf7d76f42eca82fa8a189d76528/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_0af04ed838b04e9ab7a7ac0b0bb0876e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_50a14681a70c472c8aba40fe61bfa1b2/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_d3d8a659f29342fea5e1f13bb833fe15/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_5547393bc50b4ef98d606085e90f6e56/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_2b8a183184d347018df54088f5f7262e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_cd629b31ec584a8281857be135228e1f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_42e9dd516a734e209bd1a4b455515871/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_68b709b2399745069855544287fea0e7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_d593af74070840c5b4ee699161fef700/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_f32c37d3c3624dfda5f7f55d070ed2c1/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6b960ae0f97e4585adf691b96cc2ca51/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_4394b785e7bb480b9a0f78ab2924672f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_5800836738f54d718b231c81c3cc9fec/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_3eee2dc57ff640e0828f4e5c2ab4e09e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_039b23cd71fc43ec92102d2eceea3bf0/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_0b7935f49bff4a1cbe7445c5746542e8/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_a04a350d4831468785b611da2b0b8ec7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_9693eafea899403593f089b010880798/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_9f06771b91a14e8faa6ac4fe79c6ba58/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_e73c79f8faae45a8947ad344e4c6d73b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6845300015ee4041b9897e85c6a6270e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8dba47e519054d128b7c63b12f1ab72c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8ab7eb1ea38843c19b426beaca966aea/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_2ebc67cf76fc42f4b393e6d6cceba58d/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_ad9440aaf38746ec8a4f736e9dc7799f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_882098b1da9c4df69dc445a92e2d7d96/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_ff74acf2bf23491f8988668b21d7403a/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_2b5c14c4e8c84ef0bebaa1792e066673/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_31b75f828d9844f0a9fd09cb436350e7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_70f5bc7686ae4c558a4a9b3845263c16/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_97b2653a95404f309f53409feecb083a/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_f7c1cda2610242a4bf3efa40983a75c4/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_14006da9e8ac4f51bbf8b107059ea1c0/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_0e6eb359539448cdaf111cad2f21e6f8/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_21db6914809b461181da0cebc3231f4c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_b49affbea67f4873a316e4f5d186b440/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_a7df599ec60748799d79658e25446dcc/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_40e268c1c343488aba0289cae6c6bebe/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_c8ca6d39adc94ab89eda1c994576bd8b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_92926b1b84ac41799806e6b2283d4de7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_12b95128c5374c2e8bb6e7948952c0c7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_38db836c2f4c48c8a0685b72ebc18caa/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_44fb73e4fd5a4951be9a197ba4bb0b7d/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_092b6fb9e39e455ca6db4fd22156506c/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_21173b9218584d168aa76ef0a66e3188/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_5b0cd26fb26a4be5bede0e357aa9e178/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_c47b18cbf8f8474faa2165cc4206db40/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_fd6b3b74369e40d4ab6e2766698eb56b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_4ca703cc72c8447289738ace6ef7b1a0/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/norm_61e2dfe46bb1463a9dc462008740dc1b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/norm_7d59062d32734146a00d4a561e3b7540/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_e24e2ba10d2f46408abbee79440c5fd7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_cffd741c5b674691aaf54a3304c84d8e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_9f9eb8fc02f3464da964d8f552702885/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_34ce3816664847948b5fb66fee8129eb/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8c117f9364a84577bc2c87fc342334dd/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_d2373092481e482a856ed973dc9b53e2/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_fbdc9ef9ea2a470b80b68f796f024db5/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/norm_bda30e6aef994f128125ffa8629d5f47/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/norm_3aa0efd9c0e64506a12e76f4f2dce33f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_f566de9141894a7c88d3d3e994b1c10b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_bc9cf9607b4e44bc80c54f4ac722ff75/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_64f1b5a8efc849938f40465132204f15/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_9f8158f215f5408db87107104ee4319b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_de11c5d952934642bb933231b396136b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_da20a37b969846b988c647649ddcaf9d/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_081823a8dd99480281053e6b719f8715/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_2c0381a8202a4db0a1a069b1822770a4/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_10d5d74b1a354874a00f8c9e9883ccb5/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8e69ed3e8e2c462e8c24336b7e93d17f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_0bdbc873b9044d68aa36b7cdc4ae07b9/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6b42bac2beb84b31a660433027fbe337/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_c1aef98a9e67430bab6ec223b74c0369/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/PuntenlijstNatuurinclusiefBouwenSporthalBathmen/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_c002d4c48cf3456ea92afdb14e63698a/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_fdc2b2085fa742dabc2e7abdd60ed3b2/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_074f0244908542edb9a2bdac5656cb4f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_140b5ceb96e9466292f18109fb4fdff1/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8f1e27c801394c29ad0805a5e224a392/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_03a946511f1b4bbfb15dc1ad0c9c766d/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_bb2b2a0da5954c878dc439bfe3ef859a/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_ea4d979c7cfc453296b68906df8b0835/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_a2d384c9d8414ae4b27d33d88ee8ccc7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_f40b08df04054fd89e5322315bded481/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_0a1afaae8a5f42d9b0d04564cfe5a45f/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_415592ddf34b47bba2a4404ba65dbd5a/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_d240015a8f14424d9d3b7d304f2742b2/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_82ab37c1e7da486f97e87a8253cef2e8/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_d192f5f4c4fe43ccbf687b2d6767bdbd/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_4f516de2229b4ef2926f738c3b9a939e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/Staat_van_horeca_activiteiten/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/Staat_van_ambachtelijke_bedrijfsactiviteiten/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/Staat_van_bedrijfsactiviteiten_incl__toelichting/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/Staat_van_beroeps_of_bedrijfsactiviteiten_aan_huis/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_d56339cce1c44df588453105d02b8e0e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_1e030f80c6e94449a2d8a8263e08abee/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_73344f9b226f49da8f7faa41ad716b11/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_3ea17c9cc4c744e9a4e1df7663a7c276/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6755825738804d25ae4ad061861ab220/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_7dd6b604e04148a39e4f449d48e5a18b/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_909b72bcce234676b8b393c479282f9e/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_6a89a84358ce4b5cb3950d6517c28cc6/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_f992d1301b604b7a840db0ed78b5d8ae/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_902fd9a74a2347c8b9bea6dcfe41eb09/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_bab311be1ee34447b028d5dfbc442cdd/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_b270427213c446d8b44e6c008a39b4db/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_573ed95a233340a6b57a6a628e899dd7/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_07523f68cbf845a69443d8cb84960667/nld@2026‑08‑27;1
/join/id/regdata/gm0150/2026/locatiegroep_8e57439827234dbda00ee91242433307/nld@2026‑08‑27;1
MMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid van dit artikel zijn de begripsbepalingen van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op hoofdstukHOOFDSTUK 22 van dit omgevingsplan. Het gaat om een zogenaamde statische verwijzing. Dat betekent dat latere wijzigingen van de begrippen in de Omgevingswet of de AMvB’s geen invloed hebben op de betekenis van de begrippen in hoofdstukHOOFDSTUK 22.
Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat de overige begripsbepalingen die voor hoofdstuk 22 nog nodig zijn in aanvulling op de begrippen van de wet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling.
NNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.
Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:
voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en
de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.
Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van afdelingAFDELING 22.2, met uitzondering van paragraaf§ 22.2.7.3, en afdelingAFDELING 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. Paragraaf§ 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als paragraaf§ 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.
Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in afdelingAFDELING 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van afdelingAFDELING 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.
Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van afdelingAFDELING 22.3 van dit omgevingsplan:
paragraaf
§ 22.3.2 Energiebesparing
paragraaf
§ 22.3.3 Zwerfafval
paragraaf
§ 22.3.4 Geluid
paragraaf
§ 22.3.5 Trillingen
paragraaf
§ 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel
paragraaf
§ 22.3.11 Uitwassen van beton
paragraaf
§ 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
paragraaf
§ 22.3.19 In werking hebben van een acculader
Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.
Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de artikelenartikel 22.28, eerste lid en tweede lid, artikel 22.38, artikel 22.287, artikel 22.288, 22.290 tot en met 22.293artikel 22.290 en artikel 22.295.
De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.
Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).
Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.
Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de artikelenartikel 22.28, artikel 22.38, artikel 22.276, artikel 22.277, 22.279 tot en met 22.282artikel 22.279 en artikel 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in artikel 22.2, eerste lid. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in artikel 22.2, tweede lid), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.
Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van de artikelenartikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.
Voor de toepassing van de artikelenartikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat – zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt – die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de artikelenartikel 22.27 en artikel 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de artikelenartikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.
Hoewel de achtergrond van de artikelenartikel 22.2 en artikel 22.3 vergelijkbaar is, heeft artikel 22.3 een iets andere opzet dan artikel 22.2. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in artikel 22.3 voor gekozen om de artikelenartikel 22.28, derde lid, en artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.
PPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van artikel 22.4 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of artikel 22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.
Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in artikel 22.7, tweede lid) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in artikel 22.2922.9, tweede lid, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.
De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor artikel 22.29.
QQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van de genoemde paragrafen wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt.
Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van artikel 22.27, aanhef en onder a, of artikel 22.36, aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.
RRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo’n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In artikel 22.27 van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In artikel 22.36 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. De artikelenartikel 22.28 en artikel 22.38 bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.
SSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.28 bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 22.27 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 22.28, vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 22.28, vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel 22.28, vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (artikel 22.28, vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 22.27 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 22.26 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.
In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikelenartikel 22.26 en artikel 22.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel (22.28) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed.
Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).
Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.
In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).
In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.
TTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is paragraaf§ 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.
De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.
Op grond van artikel 22.26 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.
Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.
Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
UUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.
Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (artikel 22.29, derde lid, en artikel 22.30).
Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.
VVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor de hele afdelingAFDELING 22.3.
Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.
In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.
De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.
Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.
Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.
Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.
Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:
Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.
Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.
Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.
Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.
De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.
Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.
Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.
Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat afdelingAFDELING 22.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (artikel 22.18). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.
Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.
Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.
Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.
Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van afdelingAFDELING 22.3 van dit omgevingsplan.
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.
De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in paragraaf§ 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting opbij artikel 22.45.
Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema’s, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.
Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.
XXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het
Artikel 22.47, eerste lid van artikel 22.47 regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.
YYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.
De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.
Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.
De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.
Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.
Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in artikel 22.52, vierde lid, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van artikel 22.52a, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van artikel 22.52 of artikel 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.
De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.
ZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van paragraaf§ 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.
Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In artikel 22.52a, tweede lid, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid van het artikelartikel 22.52, artikel 22.52eerste lid op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.
Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.
Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de toelichting bij artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.
AAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.
Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.
Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.
Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.
Het artikel 22.1, tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.
Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben.
Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.
Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.
In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.
Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.
In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.
Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.
In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.
Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.
Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.
Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.
Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:
Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.
Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De uitzondering in artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.
Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.
De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.
Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.
Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.
|
Geluidgevoelig gebouw |
Activiteiten |
|
|
al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet |
nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet |
|
|
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd |
de waarden voor geluid uit |
de waarden voor geluid uit |
|
in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd |
de waarden voor geluid uit |
de waarden voor geluid uit |
|
op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar |
de waarden voor geluid uit |
de waarden voor geluid uit |
|
in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar |
de waarden voor geluid uit |
de waarden voor geluid uit |
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.
De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.
Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.
Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.
De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. Zie ook de toelichting bij artikel 22.44, derde lid.
Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.
Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 22.60 en artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.
Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.
Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.
EEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.
Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt.
Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.
Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.
In het toepassingsbereik worden windparken met 3 of meer windturbines expliciet uitgesloten, omdat zij ook niet vallen onder paragraaf§ 22.3.4.3 over het geluid door windturbines.
FFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Het in de artikelenartikel 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingssplan zijn toegelaten èn voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.
De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.
Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.
Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.
Het gaat in deze paragraaf dus om:
landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:
zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en
paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.
Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder paragraaf§ 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.
Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.
IIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan artikelenartikel 22.98 en artikel 22.99 voldaan worden.
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.
In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage 1I bij dit omgevingsplan.
Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.
De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van artikel 22.98 gelden en naast de afstanden die op grond van de artikelenartikel 22.100 en artikel 22.101 gelden.
Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf§ 22.3.6.4 geregeld.
Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.
Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt artikel 22.240.
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.
Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In artikel 22.262 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in paragraaf§ 22.3.6.4 geregeld.
Bij het opslaan van minder dan 3 m3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.
De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.
NNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de artikelenartikel 22.114 tot en met 22.119, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.
Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:
In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal.
De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.
Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van paragraaf§ 22.3.6.5 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.
Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.
Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit paragraaf§ 22.3.6.2 (Geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden).
Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.
Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer «Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd» is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de toelichting opbij artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.
RRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 22.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op hoofdstukHOOFDSTUK 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in artikel 22.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in artikel 22.279 hierop aanvullend.
SSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 22.281 moet worden gelezen in samenhang met artikel 22.280 en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al toegelichttoelichting bij artikel 22.280 vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met artikel 22.281 beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
TTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in artikel 22.280 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.
De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.
In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.
De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van paragraaf§ 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.
De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.
De artikelenartikel 22.287 tot en met 22.295 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van artikel 22.295 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De artikelenartikel 22.287 tot en met 22.295 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit artikel 22.2 van dit omgevingsplan.
Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.
Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).
Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.
In artikel 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:
activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;
het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;
het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;
het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;
het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.
Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).
De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.
Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.
Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,
het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,
het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en
het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelenartikel 22.290, artikel 22.291 en artikel 22.292. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.
VVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van de artikelenartikel 22.287 tot en met 22.294 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.
WWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van het eerste lid moet aannemelijk worden gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dit aanvraagvereiste is opgenomen ter voorkoming van braakliggende terreinen in de beschermde historische structuur. Hiermee wordt het daadwerkelijk indienen van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht, bevorderd. Dergelijke plannen kunnen dan worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregels voor de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als een dergelijke beleidsregel. Dit volgt uit artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. De welstandsnota bevat criteria om te beoordelen of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als bij het vaststellen van het omgevingsplan de regels over het uiterlijk van bouwwerken wijzigen ten opzichte van de daarover in hoofdstukHOOFDSTUK 22 van dit omgevingsplan gestelde regels, kunnen gemeenten uiteraard ook de daarop betrekking hebbende beleidsregels wijzigen.
Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.
XXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zoals hiervoor al toegelichttoelichting bij artikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.296. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-406219.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.