Gemeenteblad van Montfoort
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2026, 382828 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2026, 382828 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Dit besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
A
Hoofdstuk 21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in AFDELING 21.2 en AFDELING 21.3.
Aandachtsgebied – molenbiotoop 100 meter: de zone van 100 meter afstand tot het middelpunt van de molen, waarbinnen de windvang en de werking van de molen worden beschermd.
Aandachtsgebied – molenbiotoop 400 meter: de zone vanaf de grens van de vrijwaringszone-molenbiotoop 100 meter tot 400 meter afstand tot het middelpunt van de molen, waarbinnen de windvang en de werking van de molen worden beschermd.
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten binnen een molenbiotoop zoals geometrisch begrenst in de omgevingsplan.
De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:
het beschermen van de windvang van de molen;
het behoud van de molen als werktuig;
het behoud van de landschappelijke, cultuurhistorische en beeldbepalende waarde van de molen;
het voorkomen van activiteiten die het functioneren, de zichtbaarheid of de belevingswaarde van de molen onevenredig aantasten.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het aandachtsgebied – molenbiotoop 100 meter een bouwwerk te bouwen waarvan de hoogte, in meters ten opzichte van NAP, meer bedraagt dan de onderste punt, in meters ten opzichte van NAP, van de verticaal staande wiek.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning binnen het aandachtsgebied– molenbiotoop 400 meter een bouwwerk te bouwen waarvan de hoogte, in meters ten opzichte van NAP, meer bedraagt dan de hoogte van de onderste punt, in meters ten opzichte van NAP, van de verticaal staande wiek dan 1:30 van de afstand gemeten tussen het op te richten bouwwerk en het middelpunt van de molen.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.5, eerste lid of artikel 21.5, tweede lid wordt alleen verleend als:
uit een onderzoek naar de windvang van de molen blijkt dat de te verwachten directe of indirecte gevolgen door windbelemmering het huidige en het toekomstige functioneren van de molen als werktuig niet beperkt; en
de waarde van de molen als landschapselement en de cultuurhistorische waarde, niet onevenredig in gevaar worden gebracht.
ashoogte: de hoogte van een windturbine, gemeten vanaf het peil tot aan het middelpunt van de rotor of de wieken van de windturbine;
bedrijfsmatige kleine windturbine: een windturbine met een ashoogte van ten hoogste 20 m die elektriciteit opwekt ten behoeve van een bedrijfsmatige, agrarische, maatschappelijke of andere niet uitsluitend op wonen gerichte activiteit;
beoordelingspunt: een punt op de gevel van een geluidgevoelig gebouw van derden waar het geluid vanwege de windturbine wordt beoordeeld;
geluidgevoelig gebouw van derden: een geluidgevoelig gebouw dat geen functionele binding heeft met de bedrijfsmatige kleine windturbine of met de activiteit waarvoor de windturbine elektriciteit opwekt;
tonaal karakter: het karakter van geluid waarbij sprake is van een afzonderlijk waarneembare toon, vastgesteld volgens de kritische-bandbreedtemethode van ISO 1996-2:2017, bijlage J.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bedrijfsmatige kleine windturbine te bouwen, te plaatsen, te vervangen, te wijzigen, in stand te houden of in werking te hebben.
Onder wijzigen wordt in ieder geval verstaan een wijziging van:
Het verbod, bedoeld in artikel 21.7, eerste lid, geldt niet voor regulier onderhoud of reparatie waarbij de kenmerken, bedoeld in het tweede lid, niet wijzigen.
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.7, eerste lid worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een situatietekening met de exacte locatie van de windturbine;
een tekening met daarin aangegeven: de ashoogte, tiphoogte;
een opgave van de rotordiameter; het type, het vermogen en de bedrijfsinstellingen van de windturbine;
een overzicht van alle geluidgevoelige gebouwen van derden binnen een afstand van 500 m van de windturbine;
een berekening van de afstand tussen de windturbine en de dichtstbijzijnde gevel van geluidgevoelige gebouwen van derden;
een akoestisch onderzoek waaruit blijkt dat wordt voldaan aan artikel 21.11, tweede lid;
gegevens over het geluidvermogen van de windturbine, gebaseerd op een geluidmeting of op gegevens van de leverancier;
een beoordeling of sprake kan zijn van tonaal geluid;
een beschrijving van maatregelen of instellingen waarmee geluidhinder, tonaal geluid, slagschaduw en lichtschittering worden voorkomen of beperkt;
een onderhouds- en beheerplan voor het voorkomen van afwijkend, tonaal of laagfrequent geluid door slijtage, defecten of verkeerde afstelling.
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij geluidgevoelige gebouwen van derden, waarvoor aan geldt dat:
de windturbine voldoet aan de afstandsnorm van artikel 21.11, eerste lid;
de windturbine voldoet aan de geluidnormen van artikel 21.11, tweede lid;
aangetoond is dat het geluid van de windturbine geen tonaal karakter heeft als bedoeld in artikel 21.11, derde lid;
slagschaduw en lichtschittering voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt.
Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden over:
Nadere voorschriften voor afstanden
De afstand tussen een bedrijfsmatige kleine windturbine en de gevel van een geluidgevoelig gebouw van derden bedraagt ten minste vier keer de ashoogte van de windturbine, met een minimum van 100 m.
De afstand, bedoeld in het eerste lid, geldt voor zowel grondgebonden als gebouwgebonden windturbines.
De afstand wordt gemeten vanaf de verticale projectie van het middelpunt van de rotor of de wieken van de windturbine op het maaiveld tot de dichtstbijzijnde gevel van het geluidgevoelige gebouw van derden.
Voor een standplaats voor een woonwagen of een ligplaats voor een woonschip wordt de afstand gemeten tot de begrenzing van de standplaats of ligplaats.
Nadere voorwaarden voor geluid
Het geluid door een bedrijfsmatige kleine windturbine bedraagt op een geluidgevoelig gebouw van derden ten hoogste:
Als op dezelfde locatie of binnen dezelfde bedrijfsmatige activiteit meerdere bedrijfsmatige kleine windturbines aanwezig zijn, gelden de waarden, bedoeld in het eerste lid, voor de gezamenlijke geluidbelasting van die windturbines.
Het voor de berekening relevante geluidvermogen van de windturbine wordt bepaald aan de hand van:
Indien tonaliteit niet kan worden uitgesloten, wordt bij de beoordeling van het jaargemiddelde geluidniveau Lden een toeslag van 5 dB toegepast.
Nadere voorwaarden voor tonaal karakter
Het geluid van een bedrijfsmatige kleine windturbine mag op een beoordelingspunt geen tonaal karakter hebben.
De tonaliteit wordt vastgesteld volgens de kritische-bandbreedtemethode van ISO 1996-2:2017, bijlage J.
Een meting naar tonaliteit vindt plaats op of nabij het beoordelingspunt en onder representatieve bedrijfs- en weersomstandigheden.
Als tonaliteit is aangetoond, wordt de windturbine niet in werking gehouden, tenzij door terugregeling, aanpassing, onderhoud of andere maatregelen is gewaarborgd dat, incl. opslag artikel 21.11, tweede lid onder d voldaan wordt aan artikel 21.11, tweede lid onder a.
Degene die de windturbine in werking heeft, toont op verzoek van het college van burgemeester en wethouders met een rapport van een deskundige aan dat het tonale karakter is weggenomen.
Registratie en onderhoud
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bouwhoogte van een bedrijfsmatige kleine windturbine te vergroten van meer dan 20 m tot ten hoogste 30 m, tenzij, in aanvulling op de beoordelingsregels van artikel 21.9, voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
de stroomleverantie van de windmolen (nagenoeg) geheel ten dienste van het bedrijf is;
de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige zichtlijnen en andere landschappelijke waarden, natuur en cultuurhistorie waaronder ook die van de aangrenzende gronden;
ter bepaling van het bedoelde in dit lid onder b alvorens omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag eerst schriftelijk advies kan inwinnen bij een landschapsdeskundige met de vraag of de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
binnen 100 meter van stiltegebieden, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Utrecht, is een bedrijfsgebonden windmolen met een bouwhoogte hoger dan 20 m niet toegestaan;
er dient te worden aangetoond dat de windmolen aan alle relevante wet- en regelgeving voldoet, waarbij in ieder geval geldt dat de windmolen voldoet aan de eisen van het Tijdelijk deel Omgevingsplan Montfoort, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en indien van toepassing de "Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk";
afstanden tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen dienen te voldoen aan de "Handreiking risicozonering windturbines".
Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.13, eerste lid worden in ieder geval de gegevens en bescheiden verstrekt als bedoeld in artikel 21.8.
Aan een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.13, eerste lid kunnen nadere voorschriften worden verbonden zoals bedoeld in artikel 21.10 en artikel 21.11.
Bestaande bedrijfsmatige kleine windturbines
artikel 21.7, eerste lid is niet van toepassing op een bedrijfsmatige kleine windturbine die rechtmatig aanwezig en in werking was op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, zolang de windturbine niet wordt vervangen, verplaatst of gewijzigd.
artikel 21.11 is niet van toepassing op een bedrijfsmatige kleine windturbine als bedoeld in het eerste lid, zolang de windturbine niet wordt vervangen, verplaatst of gewijzigd.
Bij vervanging, verplaatsing of wijziging van een bestaande bedrijfsmatige kleine windturbine moet volledig worden voldaan aan dit hoofdstuk.
B
Na bijlage I wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
C
Na sectie 1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel regelt de verhouding tussen hoofdstuk 21 en de algemene regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voor zover de regels uit afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, of afdeling 22.3 strijdig zijn met de specifieke regels voor de molenbiotoop of bedrijfsmatige kleine windturbines, gaan de regels van hoofdstuk 21 voor. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende regelingen naast elkaar tot tegenstrijdige uitkomsten leiden.
Het eerste lid omschrijft het aandachtsgebied binnen 100 meter van het middelpunt van de molen. Binnen deze zone is vanwege de korte afstand een directe bescherming van de windvang en de werking van de molen noodzakelijk.
Het tweede lid omschrijft het aansluitende aandachtsgebied tot 400 meter van het middelpunt van de molen. Ook binnen deze zone kunnen bouwwerken de windvang en het functioneren van de molen beïnvloeden, waarbij de aanvaardbare bouwhoogte mede afhankelijk is van de afstand tot de molen.
Dit artikel begrenst het werkingsgebied van de regels voor de molenbiotoop. De regels gelden uitsluitend voor activiteiten binnen de geometrisch begrensde molenbiotoop rond molen De Valk.
Dit artikel benoemt de belangen die met de molenbiotoopregeling worden beschermd. Het gaat om het behoud van voldoende windvang en de bruikbaarheid van de molen als werktuig, maar ook om de landschappelijke, cultuurhistorische en beeldbepalende betekenis van de molen. Daarnaast wordt voorkomen dat activiteiten het functioneren, de zichtbaarheid of de belevingswaarde van de molen onevenredig aantasten.
Het eerste lid bevat een vergunningplicht voor bouwwerken binnen het aandachtsgebied van 100 meter die hoger zijn dan de onderste punt van de verticaal staande wiek. Door deze vaste hoogtebeperking wordt de meest kwetsbare zone direct rond de molen beschermd.
Het tweede lid bevat een vergunningplicht voor hogere bouwwerken in het aandachtsgebied tot 400 meter. De toegestane hoogte loopt op naarmate de afstand tot de molen groter wordt, volgens de verhouding van 1 op 30. Hiermee wordt rekening gehouden met de afnemende invloed van een bouwwerk op grotere afstand.
Het derde lid bevat de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning. Met een specifiek onderzoek moet worden aangetoond dat de windvang niet zodanig wordt belemmerd dat het huidige of toekomstige functioneren van de molen als werktuig wordt beperkt. Daarnaast mogen de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de molen niet onevenredig worden aangetast. De vergunningplicht biedt daarmee ruimte voor maatwerk zonder de beschermde waarden uit het oog te verliezen.
Het eerste lid bepaalt hoe de ashoogte van een windturbine wordt gemeten. Deze maat is van belang voor de maximale omvang van de windturbine en voor de toepassing van de afstandsnorm.
Het tweede lid omschrijft welke windturbines onder de regeling vallen. Het betreft kleine windturbines met een ashoogte van ten hoogste 20 meter die elektriciteit opwekken voor een bedrijfsmatige of andere niet uitsluitend op wonen gerichte activiteit.
Het derde lid omschrijft het beoordelingspunt op de gevel van een geluidgevoelig gebouw van derden. Op dit punt wordt de geluidbelasting van de windturbine beoordeeld.
Het vierde lid verduidelijkt welke geluidgevoelige gebouwen als gebouwen van derden worden beschouwd. Gebouwen met een functionele binding met de windturbine of de bijbehorende activiteit vallen niet onder deze begripsomschrijving.
Het vijfde lid omschrijft tonaal karakter. Een afzonderlijk waarneembare toon kan als extra hinderlijk worden ervaren en wordt daarom volgens een objectieve en reproduceerbare meetmethode vastgesteld.
Het eerste lid stelt een vergunningplicht in voor het bouwen, plaatsen, vervangen, wijzigen, in stand houden en in werking hebben van een bedrijfsmatige kleine windturbine. Hierdoor kunnen zowel de ruimtelijke inpassing als de gevolgen voor het woon- en leefklimaat vooraf en gedurende het gebruik worden beoordeeld.
Het tweede lid verduidelijkt welke veranderingen in ieder geval als wijziging worden aangemerkt. Het gaat om wijzigingen van technische of bedrijfsmatige kenmerken die gevolgen kunnen hebben voor geluid, slagschaduw of lichtschittering. Hiermee wordt voorkomen dat een vergunde situatie zonder nieuwe beoordeling wezenlijk wordt veranderd.
Het derde lid maakt een uitzondering voor regulier onderhoud en reparatie waarbij de relevante kenmerken van de windturbine niet wijzigen. Normaal beheer blijft hierdoor mogelijk zonder dat voor iedere onderhoudshandeling een nieuwe vergunning nodig is.
Het eerste lid bevat de gegevens en bescheiden die nodig zijn om een aanvraag volledig te kunnen beoordelen. De situatietekening en technische gegevens maken duidelijk waar en met welke kenmerken de windturbine wordt geplaatst. Het overzicht van geluidgevoelige gebouwen, de afstandsberekening en het akoestisch onderzoek zijn nodig om de gevolgen voor het woon- en leefklimaat te bepalen. De gegevens over tonaliteit, slagschaduw, lichtschittering en de voorgestelde maatregelen maken een gerichte beoordeling en het stellen van passende voorschriften mogelijk. Het onderhouds- en beheerplan is bedoeld om ook tijdens de bedrijfsduur afwijkend of hinderlijk geluid door slijtage, defecten of een onjuiste afstelling te voorkomen.
Dit artikel bevat het centrale beoordelingskader voor de omgevingsvergunning. De vergunning kan alleen worden verleend als bij geluidgevoelige gebouwen van derden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarvoor moet worden voldaan aan de afstands- en geluidnormen, mag het geluid geen tonaal karakter hebben en moeten slagschaduw en lichtschittering worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt. De voorwaarden worden in samenhang beoordeeld, zodat niet alleen aan afzonderlijke normen wordt getoetst maar ook aan de totale gevolgen voor de omgeving.
Dit artikel maakt het mogelijk om aan een omgevingsvergunning voorschriften te verbinden die zijn afgestemd op de concrete windturbine en de omgeving. Voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op toerental, bedrijfsuren, stilstandvoorzieningen, onderhoud, geluidmetingen, registratie en terugregeling. Daarmee kan hinder worden voorkomen of beperkt en kan worden geborgd dat de windturbine ook na ingebruikname aan de vergunning en de geldende normen blijft voldoen.
Het eerste lid bevat de afstandsnorm. De afstand tot een geluidgevoelig gebouw van derden bedraagt ten minste viermaal de ashoogte, met een absoluut minimum van 100 meter. De norm geldt voor zowel grondgebonden als gebouwgebonden windturbines. De meetwijze sluit aan bij de feitelijke positie van de rotor en houdt voor woonwagens en woonschepen rekening met de begrenzing van de standplaats of ligplaats. De afstandsnorm biedt een basisbescherming tegen hinder en ondersteunt een zorgvuldige ruimtelijke inpassing.
Het tweede lid bevat de geluidnormen van ten hoogste 45 dB Lden en 39 dB Lnight. Bij meerdere windturbines binnen dezelfde locatie of activiteit wordt de gezamenlijke geluidbelasting beoordeeld. Het geluidvermogen moet worden gebaseerd op een representatieve meting of controleerbare gegevens van de leverancier. Wanneer tonaliteit niet kan worden uitgesloten, wordt een toeslag van 5 dB toegepast, omdat tonaal geluid als hinderlijker kan worden ervaren.
Het derde lid bevat aanvullende regels voor tonaal geluid. Op een beoordelingspunt mag geen tonaal karakter aanwezig zijn en de beoordeling vindt plaats volgens de aangewezen methode en onder representatieve omstandigheden. Als tonaliteit wordt vastgesteld, mag de windturbine alleen in werking blijven nadat maatregelen zijn getroffen waarmee zowel het tonale karakter wordt weggenomen als aan de geluidnorm wordt voldaan. Het bevoegd gezag kan verlangen dat dit met een deskundigenrapport wordt aangetoond.
Dit artikel verplicht degene die de windturbine in werking heeft om relevante bedrijfs-, onderhouds- en klachtgegevens te registreren. De registratie maakt het mogelijk om de feitelijke werking van de windturbine, eventuele wijzigingen en de opvolging van klachten te controleren. De gegevens worden ten minste vijf jaar bewaard en op verzoek aan het college verstrekt, zodat toezicht en handhaving ook over een langere periode mogelijk zijn.
Het eerste lid biedt de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning de bouwhoogte van een bedrijfsmatige kleine windturbine te vergroten tot ten hoogste 30 meter. Deze mogelijkheid geldt alleen als ook aan de beoordelingsregels van artikel 21.9 wordt voldaan. Daarnaast moet de opgewekte elektriciteit nagenoeg geheel ten dienste staan van het bedrijf en mogen landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast. Voor de beoordeling van de landschappelijke gevolgen kan advies van een landschapsdeskundige worden ingewonnen. Binnen 100 meter van een stiltegebied is een windturbine hoger dan 20 meter niet toegestaan. Verder moet worden voldaan aan de relevante regelgeving en moeten veilige afstanden tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen worden aangehouden. De regeling maakt een grotere windturbine daarmee alleen mogelijk na een brede beoordeling van de ruimtelijke, milieukundige en veiligheidsaspecten.
Het tweede lid bepaalt dat bij de aanvraag dezelfde gegevens en bescheiden worden verstrekt als bij een windturbine met een ashoogte tot 20 meter. Deze informatie is eveneens nodig om de grotere windturbine en de gevolgen daarvan volledig te kunnen beoordelen.
Het derde lid maakt duidelijk dat ook aan deze vergunning nadere voorschriften kunnen worden verbonden. De voorschriften uit de artikelen 21.10 en 21.11 kunnen worden ingezet om de werking van de windturbine te begrenzen en de naleving van de afstands-, geluid- en tonaliteitsregels te waarborgen.
Dit artikel bevat overgangsrecht voor bestaande bedrijfsmatige kleine windturbines. Rechtmatig aanwezige en in werking zijnde windturbines hoeven niet alsnog aan de nieuwe vergunningplicht en de nieuwe normen te voldoen zolang zij niet worden vervangen, verplaatst of gewijzigd. Zodra een bestaande windturbine wel wordt vervangen, verplaatst of gewijzigd, moet volledig aan hoofdstuk 21 worden voldaan. Hiermee worden bestaande rechten gerespecteerd en wordt tegelijk gewaarborgd dat toekomstige veranderingen aan de nieuwe beschermingsregels worden getoetst.
D
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 22.63, tweede lid, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.
Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.
Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.
Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.
Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.
Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.
Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.
Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.
Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.
Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.
Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.
Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.
De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.
Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.
Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.
Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van artikel 22.10, eerste lid, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.
In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.
De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.
Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-382828.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.