Gemeenteblad van Zuidplas
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuidplas | Gemeenteblad 2026, 38268 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuidplas | Gemeenteblad 2026, 38268 | beleidsregel |
Nota Parkeernormen 2026 Gemeente Zuidplas
1.1. Herziening beleid voor parkeren in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen
De aankomende jaren blijven er in onze gemeente nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Onze bestaande dorpen worden verder verdicht, ook bouwen we aan een heel nieuw dorp. Iedere ontwikkeling brengt een mobiliteitsopgave met zich mee. Nieuwe bewoners, bezoekers en werknemers moeten en willen zichzelf kunnen verplaatsen. Het voorzien in een passende mobiliteitsoplossing is onlosmakelijk verbonden met iedere ruimtelijke ontwikkeling die plaatsvindt.
Voor het oplossen van de mobiliteitsopgave bevat onze mobiliteitsvisie het uitgangspunt ‘eerst bewegen, dan bouwen’. Wij hebben, om concreet met deze ambitie aan de slag te kunnen gaan, ons beleid voor fiets- en autoparkeren binnen ruimtelijke ontwikkelingen geactualiseerd. Deze Nota Parkeernormen 2026 vormt het resultaat van deze actualisering. Hieronder wordt een toelichting gegeven op de drie aanleidingen voor het uitvoeren van de actualisatie.
Mobiliteitsvisie Zuidplas: parkeernormen die passen bij de locatie
De mobiliteitsvisie bevat een kaderstellend uitgangspunt voor hoe het parkeren in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt opgelost. De visie stelt dat wij het aanbod van parkeerplaatsen meer in lijn willen brengen met de werkelijke vraag naar parkeerruimte. De parkeernormen worden om die reden mede gebaseerd op het autobezit van de toekomstige bewoners, aangevuld met cijfers over autogebruik. Inzicht in het autobezit wordt verkregen op basis van provinciale gegevens1. Niet alle auto’s die door bewoners worden gebruikt, en in de woonomgeving parkeerdruk veroorzaken, zijn in de provinciale gegevens opgenomen. Dit gaat over private lease auto’s en bedrijfsauto’s. Om die reden vullen wij de provinciale gegevens aan met cijfers over deze soorten auto’s. Zo hebben we een compleet beeld van de totale bewonersparkeerbehoefte en kunnen we in ontwikkelingen voor het juiste aantal parkeerplaatsen zorgen.
Provinciale sturing op parkeernormen
Het vaststellen van fiets- en autoparkeernormen is in de kern een verantwoordelijkheid van de gemeente. Om de mobiliteit binnen de provincie Zuid-Holland te verduurzamen en de bouw van extra woningen te versnellen, heeft de provincie als bestuursorgaan beleid over parkeernormen opgesteld. De Zuid-Hollandse Omgevingsverordening2, een verordening waarin de provinciale regels voor de leefomgeving zijn opgenomen, bevat een parkeernormering. Deze parkeernormen richten zich op woningbouw in een stationsomgeving, de sociale huursector en woningbouw die plaatsvindt op grote buitenstedelijke bouwlocaties.
Vanuit de provinciale omgevingsverordening geldt voor de bovenstaande vormen van woningbouw een bepaalde parkeernorm, tenzij de gemeente beleid hanteert dat op de lokale situatie is afgestemd.
Dit beleid moet gebaseerd zijn op objectieve gegevens over autobezit per woningtype of woonoppervlak.
Belangrijk onderdeel van deze nota parkeernormen is het onderbouwen van de hoogte van de parkeernormen op basis van het werkelijke autobezit in onze gemeente, aangevuld met cijfers over autogebruik.
Actualisatie CROW fiets- en autoparkeerkencijfers
De fiets- en autoparkeernormen zoals uitgewerkt in deze nota parkeernormen zijn gebaseerd op de fiets- en autoparkeerkencijfers van CROW. CROW is een landelijk kennisplatform voor onder andere infrastructuur, mobiliteit en parkeren. In januari 2025 heeft CROW geactualiseerde fietsparkeerkencijfers uitgebracht, voor de autoparkeerkencijfers heeft in juli 2024 een actualisatie plaatsgevonden. Bij beide actualisaties zijn belangrijke wijzigingen doorgevoerd; zoals een verlaagd autoparkeerkencijfer voor bezoekersparkeren bij woonfuncties. Met deze nota parkeernormen sluiten wij aan bij de op dit moment meest recente landelijke richtlijnen.
Een parkeernorm is een getal dat aangeeft hoeveel fiets- en autoparkeerplaatsen nodig zijn voor een functie binnen een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Bij de parkeernorm horen rekenregels en regels over de manier waarop de normering moet worden toegepast. Toepassing van de parkeernorm leidt tot een fiets- en autoparkeereis. De fiets- en autoparkeereis staat voor het aantal parkeerplaatsen dat voor zowel de fiets als de auto beschikbaar moet worden gesteld voor de desbetreffende ontwikkeling. Het niet volledig oplossen van de fiets- of autoparkeereis kan leiden tot een weigeringsgrond voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
In hoofdstuk 2 zijn de bovenliggende uitgangspunten opgenomen die op deze nota parkeernormen van toepassing zijn. In hoofdstuk 3 is het juridisch kader uitgewerkt dat voor deze nota parkeernormen geldt. In dit hoofdstuk is onder andere de overgangsregeling voor lopende ontwikkelingen opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de totstandkoming van de fietsparkeernormen. Voor de autoparkeernormen is dit in hoofdstuk 5 toegelicht.
Het stappenplan op basis waarvan de fiets- en autoparkeereis wordt bepaald is in hoofdstuk 6 uitgewerkt. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 stilgestaan bij het vastleggen van de parkeeroplossing die voor een ontwikkeling is gevormd. Tabel 1 geeft een overzicht van de bijlagen die een integraal onderdeel uitmaken van deze nota parkeernormen.
2. Bovenliggende uitgangspunten
2.1. Toepassing van het STOMP-principe
De mobiliteitsvisie stelt dat het STOMP-principe leidend is voor de manier waarop de mobiliteitsopgave in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt aangepakt. Het STOMP-principe brengt een voorkeursvolgorde aan in de manier waarop mensen zich verplaatsen; Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobility as a service en tenslotte gebruik van de Privéauto. Bij het ontwerpen van een passende mobiliteitsoplossing wordt deze volgorde centraal gezet.
Gezien vanuit ruimtelijke ontwikkelingen ligt er een grote kans om met het STOMP-principe aan de slag te gaan. Een ontwikkeling gaat in veel gevallen namelijk over een nieuwe situatie. Dit betekent dat sprake is van een verandermoment: een moment waarop mensen kunnen worden gestimuleerd om andere, meer duurzame, mobiliteitskeuzes te overwegen. Dit kan voor toekomstige bewoners, die bewust voor een bepaalde woonvorm of woonconcept kiezen, bijvoorbeeld betekenen dat zij afstand van een tweede auto doen en overstappen op gebruik van een deelauto. Vanuit deze nota parkeernormen wordt een bijdrage geleverd aan het STOMP-principe door het mogelijk maken van reducties op de parkeerbehoefte bij inzet op duurzame mobiliteitsconcepten.
2.2. Parkeernormen die passen bij de locatie
Voor parkeernormen geldt in algemene zin dat er onderscheid kan worden gemaakt tussen twee soorten parkeernormen: faciliterende en -vraagsturende parkeernormen. In de mobiliteitsvisie hebben wij gekozen voor ‘parkeernormen die passen bij de locatie’. Een parkeernorm die bij de locatie past heeft een faciliterende doelstelling. Het is een parkeernorm waarmee een zo realistisch mogelijke prognose wordt gemaakt van de werkelijke vraag naar parkeerplaatsen onder de toekomstige gebruikers van de nieuwe ontwikkeling of functie. Gegevens over autobezit in onze dorpen, aangevuld met cijfers over autogebruik, spelen een belangrijke rol in het onderbouwen van de hoogte van de faciliterende parkeernorm.
Belangrijk onderdeel van het stappenplan op basis waarvan de autoparkeereis wordt bepaald is de mobiliteitscorrectie. De mobiliteitscorrectie is een aanpak waarmee de inzet van een of meerdere mobiliteitsconcepten kan leiden tot een vermindering van het aantal benodigde autoparkeerplaatsen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een mobiliteitsconcept leidt tot een afname van het autobezit en -gebruik onder de toekomstige bewoners. Inzetten op mobiliteitsconcepten legt een grote verantwoordelijkheid neer bij de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen dat een in te zetten mobiliteitsconcept aansluit bij de behoeften van eindgebruikers. De beschikbaarheid van het concept moet voor een langere tijd zijn gegarandeerd. De mobiliteitscorrectie is uitgewerkt in paragraaf 6.2.1.
2.4. De initiatiefnemer is verantwoordelijk
Elke ontwikkeling heeft een initiatiefnemer. Dit kan een lokale ondernemer zijn die zijn winkelpand wil uitbreiden, een projectontwikkelaar die een appartementencomplex wil ontwikkelen of een particuliere initiatiefnemer. De gemeente Zuidplas kan zelf ook initiatiefnemer zijn, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van sociaal-maatschappelijke functies. Voor alle ontwikkelingen geldt dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het bieden van een goede, toekomstbestendige oplossing voor het parkeren van fietsen en auto’s. In het proces van de totstandkoming van deze oplossing heeft de gemeente Zuidplas een toetsende en adviserende rol. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor alle ruimtelijke onderbouwingen, waaronder het opstellen van de parkeerbalans.
2.5. De richtlijnen van CROW als basis
De fiets- en autoparkeernormen zoals uitgewerkt in deze nota parkeernormen zijn gebaseerd op de fiets- en autoparkeerkencijfers van CROW. CROW is een landelijk kennisplatform voor onder andere infrastructuur, mobiliteit en parkeren. De parkeerkencijfers van CROW zijn richtlijnen en worden door veel Nederlandse gemeenten als uitgangspunt gebruikt voor het bepalen van parkeernormen.
2.6. Parkeren op eigen terrein als uitgangspunt
Wij passen in deze nota parkeernormen het uitgangspunt toe dat bij een ruimtelijke ontwikkeling de volledige vraag naar fiets- en autoparkeerplaatsen op eigen terrein moet worden opgelost. Eigen terrein is gedefinieerd als grond waarover de initiatiefnemer kan beschikken ter plaatse van de ontwikkeling of in de directe nabijheid hiervan (binnen de maximaal acceptabele loopafstand, zie paragraaf 6.2.4). Als het parkeren niet volledig op eigen terrein kan worden opgelost, dan kan de initiatiefnemer alternatieve oplossingen onderzoeken. Paragraaf 6.3 bevat hier de kaders voor.
2.7. De parkeeroplossing goed vastleggen
Voor iedere ontwikkeling geldt dat de parkeeroplossing in de omgevingsvergunning wordt vastgelegd.
De omgevingsvergunning is het publiekrechtelijke instrument voor de vastlegging en instandhouding van de gevormde parkeeroplossing. Het vastleggen van de parkeeroplossing biedt duidelijkheid en rechtszekerheid richting de toekomst. Indien mogelijk kunnen onderdelen van de parkeeroplossing ook privaatrechtelijk worden geborgd. Een anterieure overeenkomst is hier de meest geschikte vorm voor. In hoofdstuk 7 wordt nader ingegaan op het vastleggen van de parkeeroplossing.
2.8. De Nota Maatwerk Parkeren Middengebied 2024 blijft van kracht
Voor het Middengebied, het gebied waarin het nieuwe dorp Cortelande wordt ontwikkeld, is een apart kader voor parkeren vastgesteld. Dit is de Nota Maatwerk Parkeren Middengebied 20243. De nota maatwerk is opgesteld omdat de Nota Parkeernormen 2019 voor een deel niet het gewenste uitgangspunt vormde voor de ontwikkeling van Cortelande.
Onderzocht is of de nota maatwerk geïntegreerd kon worden in deze nota parkeernormen. Wij zijn hierbij tot de conclusie gekomen dat het op dit moment niet logisch is om de integratie plaats te laten vinden. Reden hiervoor is de fase waarin de planvorming van Cortelande zich op dit moment bevindt en de specifiek op het nieuwe dorp gerichte beleidsuitgangspunten voor mobiliteit en parkeren. Bij een eventuele toekomstige actualisatie van de nota parkeernormen wordt opnieuw de afweging gemaakt of het integreren van de twee beleidskaders al dan niet wenselijk is.
3.1. Wanneer geldt dit beleid?
Deze nota parkeernormen is van toepassing op aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 1 onder a van de Omgevingswet. Onder de omgevingsplanactiviteit worden op basis van de Omgevingswet de drie volgende activiteiten verstaan:
Naast de bovenstaande activiteiten geldt deze nota parkeernormen ook voor situaties waarin er sprake is van een wijziging van het omgevingsplan.
3.2. Parapluherziening Parkeren
Deze nota parkeernormen is van toepassing op het omgevingsplan via de Parapluherziening Parkeren, vastgesteld door de gemeenteraad op 15 mei 20184. De parapluherziening is een bestemmingsplan dat van toepassing is op een groot aantal bestemmingsplannen.
In artikel 3.1 van de parapluherziening is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden alleen wordt verleend indien bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto’s. Om te bepalen of wordt voorzien in voldoende parkeerruimte gelden de parkeernormen, zoals vastgelegd in de Beleidsnota Parkeernormen of diens rechtsopvolger. Deze Nota Parkeernormen 2026 is de rechtsopvolger van de Beleidsnota Parkeernormen en is daarmee via de parapluherziening van toepassing op alle bestemmingsplannen die onder de parapluherziening vallen.
Deze nota parkeernormen geldt ook voor andere (nieuwere) bestemmingsplannen, vastgesteld door de gemeenteraad na 15 mei 2018, waarbij in de planregels de rechtsopvolger van de Beleidsnota Parkeernormen van toepassing is verklaard.
3.3. Overgang van het oude naar het nieuwe beleid
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een langere doorlooptijd hebben. Een overgangsregeling is van belang om bij de overgang van het oude naar het nieuwe beleid duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden aan initiatiefnemers en belanghebbenden. Deze overgangsregeling is alleen van toepassing op ontwikkelingen die in het ruimtelijk planvormingsproces tenminste de fase van indienen concept verzoek omgevingsvergunning (de intake tafel) zijn gepasseerd. De overgangsregeling luidt:
‘De Nota Parkeernormen 2019, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 5 november 2019, wordt ingetrokken bij de inwerkingtreding van de Nota Parkeernormen 2026. Een verzoek of aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor deze datum, of in gevallen waarbij de gemeente Zuidplas een privaatrechtelijke overeenkomst met een wederpartij heeft gesloten (bijvoorbeeld binnen een tender procedure), waarin de toepassing van de Nota Parkeernormen 2019 is vastgelegd en de toepassing hiervan voor de aanvrager gunstiger is, worden op basis van de Nota Parkeernormen 2019 beoordeeld’.
In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarover een bestuursorgaan beschikt. Deze nota parkeernormen bevat een hardheidsclausule die gebaseerd is op de hardheidsclausule uit de Awb. De hardheidsclausule luidt:
‘Het college van burgemeester en wethouders handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden of de initiatiefnemer gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.’
4.1. Bepaling van de fietsparkeernormen
Als basis voor onze fietsparkeernormen kiezen wij voor de meest recente CROW fietsparkeerkencijfers. Deze kencijfers zijn opgenomen in de publicatie: fietsparkeerkencijfers 2025, basis voor parkeernormering, uitgebracht in januari 2025. Deze paragraaf licht toe hoe de CROW kencijfers zijn vertaald in parkeernormen die bij onze gemeente aansluiten.
Huidig fietsgebruik in combinatie met de ambitie om het fietsgebruik te vergroten
In de bepaling van de hoogte van de fietsparkeernormen hebben twee aspecten een belangrijke rol gespeeld: het huidige fietsgebruik in onze gemeente en de in de mobiliteitsvisie uitgesproken ambitie rond het stimuleren en vergroten van het fietsgebruik. Op basis hiervan is een gemotiveerde keuze gemaakt binnen de gegeven bandbreedtes van de CROW fietsparkeerkencijfers. De kencijfers bevatten een minimum en maximum bandbreedte.
Cijfers over het gebruik van de fiets zijn beperkt beschikbaar. CROW Fietsberaad deelt de gemeente Zuidplas in als een gemeente met een laag tot gemiddeld fietsgebruik. Mede vanuit de ambitie om het fietsgebruik te stimuleren is ervoor gekozen om de gemiddelde bandbreedte van de CROW parkeerkencijfers aan te houden als de fietsparkeernorm die voor een functie geldt. In bijlage 2 zijn op basis van dit uitgangspunt de fietsparkeernormen bepaald.
4.2. Kwaliteitseisen fietsparkeren
Fietsparkeerplaatsen die voor een ontwikkeling worden aangelegd moeten aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Bijlage 6 bevat de kwaliteitseisen die vanuit deze nota parkeernormen worden gesteld. Met deze eisen zijn de bruikbaarheid en het gewenste kwaliteitsniveau van fietsparkeervoorzieningen gewaarborgd.
Een trend in onze gemeente en breder in Nederland is de toenemende vergrijzing. Op 1 januari 2025 behoorde 19,2% van de inwoners van de gemeente Zuidplas volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek5 (hierna: CBS) tot de doelgroep ouderen (65 jaar of ouder). Landelijk gezien ligt het percentage ouderen volgens CBS op 20,8%, waarmee het aantal ouderen in Zuidplas iets onder het landelijk gemiddelde ligt.
Vanuit artikel 4.171 van het Besluit bouwwerken leefomgeving6 wordt voor ruimtelijke ontwikkelingen een eis gesteld aan de realisatie van een bergruimte voor scootmobielen. Met het oog op de vergrijzing zien wij er in planvormingsprocessen expliciet op toe dat initiatiefnemers aan deze eis voldoen.
5.1. Bepaling van de autoparkeernormen
Als basis voor onze autoparkeernormen kiezen wij voor de meest recente CROW autoparkeerkencijfers. Deze kencijfers zijn opgenomen in de publicatie 744: parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering, uitgebracht in juli 2024. Deze paragraaf licht toe hoe de CROW kencijfers zijn vertaald in parkeernormen die bij onze gemeente aansluiten.
De gemeente Zuidplas is in deze nota parkeernormen in vier verschillende zones ingedeeld. In iedere zone kan de parkeernorm verschillend zijn. In bijlage 1 is de gebiedsindeling op een kaart ingetekend. In tabel 2 zijn de zones opgenomen en wordt per zone een omschrijving gegeven. In overeenstemming met het uitgangspunt uit paragraaf 2.8 is deze nota parkeernormen niet van toepassing op het Middengebied. In bijlage 1 is dit gebied blanco ingetekend, waarbij de grenzen van het bestemmingsplan zijn aangehouden.
Een belangrijke stap binnen het kalibreren van de CROW parkeerkencijfers tot parkeernormen is het bepalen van de stedelijkheidsgraad van de gemeente Zuidplas. Volgens de CBS gegevens had onze gemeente in 2025 gezien over de gehele gemeente een gemiddelde stedelijkheid van 1.219 adressen per vierkante kilometer. Binnen de CBS categorisering voor de stedelijkheid van gebieden betekent dit dat de gemeente een matig stedelijk karakter heeft. In een matig stedelijk gebied ligt de stedelijkheid tussen de 1.000 en 1.500 adressen per vierkante kilometer.
5.1.3. Keuze binnen bandbreedtes CROW parkeerkencijfers
De CROW parkeerkencijfers worden per functie weergegeven als een bandbreedte met een minimum en maximum kencijfer. Binnen de bandbreedtes van de CROW parkeerkencijfers hebben wij voor de bepaling van onze parkeernormen gemotiveerde keuzes gemaakt. Deze keuzes sluiten aan bij het in paragraaf 2.2 beschreven uitgangspunt ‘parkeernormen die passen bij de locatie’. Het actuele autobezit, aangevuld met cijfers over autogebruik, dat in wijken en buurten wordt gezien is leidend geweest voor het per zone afstemmen van de parkeernormen.
Het actuele autobezit in onze gemeente kan op basis van de provinciale gegevens worden vastgesteld. Uit deze gegevens blijkt dat het gemiddeld autobezit in de gemeente Zuidplas in december 2022 lag op 1,40 auto’s per huishouden, dit is inclusief een correctie van 4% voor private lease auto’s en bestelauto’s. Zit zijn auto’s die door bewoners worden gebruikt welke niet in de provinciale gegevens zijn opgenomen. Landelijk gezien lag het gemiddeld autobezit in ditzelfde jaar op 1,08 auto’s per huishouden, voor de gehele provincie Zuid-Holland lag het autobezit gemiddeld onder de 1 auto per huishouden. Het autobezit in de gemeente Zuidplas ligt hiermee ruim boven het landelijk en provinciaal gemiddelde.
Op basis van de gegevens over autobezit is per zone een keuze gemaakt binnen de bandbreedtes van de CROW parkeerkencijfers. Deze keuzes zijn opgenomen in tabel 3. Voor de volledigheid is hierbij ook de stedelijke zone vermeld die binnen de systematiek van CROW is aangehouden (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied). De parkeernormen voor woonfuncties vormen voor een deel een directe doorvertaling van de provinciale gegevens over autobezit. In bijlage 9 wordt dit nader toegelicht.
Tabel 3 Keuze binnen bandbreedte CROW parkeerkencijfers, per zone
5.2. Autoparkeernormen voor verschillende functies
Bijlage 3 van deze nota parkeernormen bevat parkeernormen voor uiteenlopende functies, onder andere voor: woonfuncties, verschillende soorten bedrijvigheid, winkelfuncties en maatschappelijke functies. Als voor een geplande functie geen parkeernorm is opgenomen, dan moet de parkeernorm worden gehanteerd die voor de meest vergelijkbare functie geldt. Als dit niet mogelijk blijkt te zijn, dan moet de initiatiefnemer hier contact met de gemeente over opnemen. De initiatiefnemer doet hierbij een voorstel voor de toe te passen parkeernorm, waarna wij beoordelen of dit een juist uitgangspunt is voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de desbetreffende functie.
Deze nota parkeernormen maakt onderscheid tussen parkeernormen voor verschillende soorten woonfuncties. Voor woonfuncties geldt het aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte (afgekort tot bvo) of het woningtype (zoals vrijstaand, een tussen/hoekwoning of aanleunwoning) als uitgangspunt voor de geldende parkeernorm.
Norm voor bezoekersparkeren bij woonfuncties
Bij de ontwikkeling van woonfuncties moet er naast parkeerruimte voor de toekomstige bewoners ook voldoende parkeerruimte voor bezoekers van bewoners worden aangebracht. Het aantal benodigde bezoekersparkeerplaatsen wordt bepaald op basis van de bezoekersparkeernorm. De hoogte van de bezoekersparkeernorm verschilt per zone. Conform de richtlijnen van CROW geldt per zone de bezoekersparkeernorm zoals in tabel 4 opgenomen.
Voor diverse niet-woonfuncties zijn parkeernormen vastgesteld. Voor veel niet-woonfuncties wordt de parkeernorm uitgedrukt in de eenheid ‘per 100 vierkante meter bruto vloeroppervlakte (bvo)’. Voor sommige functies geldt dat de parkeernorm op een andere manier wordt uitgedrukt, voor een huisartsenpraktijk is dit bijvoorbeeld per behandelkamer en voor een middelbare school per 100 leerlingen.
Norm voor bezoekersparkeren bij overige functies
Bij niet-woonfuncties moeten parkeerplaatsen voor bezoekers worden aangebracht. Het aantal bezoekersparkeerplaatsen dat voor een functie nodig is wordt bepaald door toepassing van een bezoekerspercentage. Deze percentages zijn per functie verschillend en opgenomen in bijlage 3. De percentages geven per functie de verhouding weer tussen de parkeerbehoefte van vaste gebruikers en bezoekers. Het bezoekerspercentage wordt in een parkeerbalans toegepast, waarmee op basis van de parkeernorm het aantal bezoekersparkeerplaatsen wordt bepaald en aantal parkeerplaatsen voor vaste gebruikers.
5.3. Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen
Het aantal elektrische auto’s in Nederland en in onze gemeente zal de aankomende jaren verder toenemen. Hierdoor stijgt de vraag naar laadinfrastructuur. Om deze opgave in te vullen zijn wij als gemeente onder andere aangesloten bij de Regionale Aanpak Laadinfrastructuur Zuidwest. Voor ruimtelijke ontwikkelingen hanteren wij voor de aanleg van laadinfrastructuur eisen gebaseerd op de eisen zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
De eisen die vanuit deze nota parkeernormen gelden voor de aanleg van laadinfrastructuur voor gebouwen zijn:
Een gebouw, anders dan een woongebouw, met een parkeergelegenheid in het bouwwerk of buiten het bouwwerk op hetzelfde bouwwerkperceel, met meer dan tien parkeerplaatsen, heeft ten minste oplaadpunten voor een op de twintig parkeerplaatsen en leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ten minste een op de vijf parkeerplaatsen.
Laadinfrastructuur voor grondgebonden woningen en overige functies
CROW publicatie 744 bevat richtlijnen voor de aanleg van laadinfrastructuur bij grondgebonden woningen en overige functies. CROW geeft ten opzichte van het parkeerkencijfer een richtlijn voor het aandeel oplaadpunten. In de gemeente Zuidplas passen wij deze richtlijnen toe.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat er voor gehandicapten voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Gehandicapten zijn mensen die als gevolg van een lichamelijke beperking niet ver kunnen lopen. Zij hebben een officiële gehandicaptenparkeerkaart (bestuurder of passagier). In onze gemeente geldt conform de landelijke richtlijnen het uitgangspunt dat, bij de ontwikkeling van sociaal-maatschappelijke functies met een parkeervraag van meer dan 15 parkeerplaatsen, ten minste 2% van die vraag moet zijn ingericht als algemene gehandicaptenparkeerplaats, met een minimum van 1. De loopafstand tussen de gehandicaptenparkeerplaats en de ingang van het bestemmingsadres mag maximaal 100 meter bedragen.
Wanneer er een functie wordt ontwikkeld waarbij sprake is van laden en lossen moet een geschikte laad- en losvoorziening worden gemaakt. Het voertuig waarmee geladen en gelost gaat worden is hierbij maatgevend. Laden en lossen moet volledig op eigen terrein plaatsvinden.
Bij bijzondere omstandigheden kan het college van burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van de eis dat de laad- en losvoorziening op eigen terrein moet worden aangebracht. Het college beoordeelt, als de initiatiefnemer heeft aangetoond dat er op eigen terrein geen geschikte laad- en losvoorziening kan worden aangebracht, of in de openbare ruimte een ruimtelijk inpasbaar en veilig alternatief mogelijk is.
6.1. Van parkeernorm naar parkeereis
De parkeernormen worden toegepast op basis van een vastgesteld stappenplan. In Figuur 1 is het stappenplan schematisch weergegeven. Het stappenplan leidt tot de bepaling van de fiets- en autoparkeereis voor de desbetreffende ruimtelijke ontwikkeling of functie. Dit is het aantal fiets- en autoparkeerplaatsen dat fysiek beschikbaar moet worden gesteld. In paragraaf 6.2 worden de belangrijkste uitgangspunten van het stappenplan toegelicht. In paragraaf 6.3 is iedere stap binnen het stappenplan uitgewerkt.
Figuur 1 Schematische weergave stappenplan toepassing parkeernormen
Het stappenplan geldt voor fiets- en autoparkeren
Het stappenplan voor het toepassen van de parkeernorm geldt in de basis voor fiets- en autoparkeren. Tegelijkertijd geldt dat sommige stappen die op autoparkeren van toepassing zijn, niet of minder voor fietsparkeren gelden. Concreet zijn stap 2 (mobiliteitscorrectie) en stap 5 (parkeerplaatsen privaat) niet op fietsparkeren van toepassing.
Het stappenplan in figuur 1 bevat de ‘toets dubbelgebruik per stap 4 t/m 6’. Dubbelgebruik is van toepassing op ontwikkelingen waarin verschillende functies worden gerealiseerd. De doelgroepen die bij deze functies horen hebben ieder een eigen aanwezigheid gedurende de week. Van de doelgroep bewoners is overdag een deel niet thuis. Bedrijven hebben op ditzelfde moment juist hun maximale parkeerbehoefte. Als gevolg hiervan kunnen er in een ontwikkeling waarin beide doelgroepen voorkomen kansen ontstaan om parkeerplaatsen ‘dubbel’ te gebruiken. Dubbelgebruik geldt voor fiets- en autoparkeren.
De mogelijkheden tot het ‘dubbel’ gebruiken van parkeerplaatsen worden inzichtelijk gemaakt door het opstellen van een parkeerbalans en de toepassing van aanwezigheidspercentages. In paragraaf 6.2.3 zijn de uitgangspunten opgenomen die gelden voor het toepassen van dubbelgebruik. Hierin is opgenomen dat de toets dubbelgebruik per verschijningsvorm (van het parkeeraanbod) moet worden uitgevoerd. De reden hiervoor is dat in een ontwikkeling doelgroepen toegewezen kunnen worden aan bepaalde parkeervoorzieningen, met mogelijke consequenties voor het dubbelgebruik.
6.2. Uitgangspunten toepassingskader
Zoals opgenomen in paragraaf 2.3 wordt vanuit deze nota parkeernormen een bijdrage geleverd aan een duurzame totstandkoming van ruimtelijke ontwikkelingen. Dit gebeurt onder meer door het mogelijk maken van een mobiliteitscorrectie. De mobiliteitscorrectie geldt voor ontwikkelingen die aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor de mobiliteitscorrectie passen wij de volgende uitgangspunten toe:
Parkeerplaatsen die niet worden aangelegd door toepassing van de mobiliteitscorrectie moeten binnen de contouren van de ontwikkeling als een ruimtelijke reservering zijn aangewezen. Deze reservering kan bijvoorbeeld als groen worden ingericht. Indien het autobezit onder de bewoners in de praktijk hoger blijkt te zijn dan verondersteld, dan moet de reservering met parkeerplaatsen worden ingevuld.
Op het moment dat de initiatiefnemer een autodeelconcept wil inzetten, dan gelden hiervoor bepaalde eisen en randvoorwaarden. Deze eisen en randvoorwaarden zijn tot stand gekomen op basis van de meest actuele landelijke inzichten. Als deze inzichten in de loop der tijd wijzigen, dan sluit de gemeente Zuidplas zich hierbij aan. De eisen en randvoorwaarden die gelden voor de inzet van een autodeelconcept zijn:
6.2.2. Salderen bij het verdwijnen van bestaande functies
Als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling kunnen bestaande functies komen te vervallen. Als een functie vervalt, dan verdwijnt daarmee ook de theoretische, op basis van parkeernormen bepaalde, parkeerbehoefte die bij deze functie hoorde. Wij willen voorkomen dat er in de openbare ruimte leegstaande parkeerplaatsen ontstaan door het verdwijnen van bestaande functies. Om die reden wordt de parkeerbehoefte van een functie die komt te vervallen, in mindering gebracht op de parkeerbehoefte van de nieuwe functie(s). Dit principe wordt salderen genoemd.
Salderen betekent dus het verrekenen van de parkeerbehoefte van de nieuw te realiseren functie(s) met de theoretische parkeerbehoefte van een bestaande of reeds vervallen functie. Salderen is van toepassing op fiets- en autoparkeren. Wij hanteren de volgende uitgangspunten voor salderen:
Voor de ontwikkeling wordt een omgevingsvergunning aangevraagd, of een wijziging van het omgevingsplan mogelijk gemaakt, tot maximaal twee jaar nadat de laatste vergunde functie is vervallen, aan te tonen door de initiatiefnemer. Saldering is niet toegestaan indien de locatie waar de functiewijziging betrekking op heeft, gedurende een aaneengesloten periode van 2 jaar voorafgaand aan de aanvraag niet conform de laatst toegestane functie in gebruik is geweest of gedurende die periode leeg heeft gestaan.
Parkeerplaatsen die worden gesaldeerd, gelegen op eigen terrein of in de openbare ruimte, moeten in stand worden gehouden. Indien de ligging van de parkeerplaatsen wordt gewijzigd, dan moeten in de eindsituatie de parkeerplaatsen binnen de maximaal acceptabele loopafstand liggen (zie paragraaf 6.2.5).
De parkeerbehoefte van de verdwenen functie(s) wordt bepaald door toepassing van de geldende autoparkeernormen (zie bijlage 3). De parkeerbehoefte die kan worden gesaldeerd wordt per dagdeel berekend op basis van aanwezigheidspercentages (zie bijlage 4). Het dagdeel waarop de toename van de parkeerbehoefte maximaal is, geldt als de nieuwe maatgevende parkeerbehoefte van de ontwikkeling. Bijlage 7 bevat een rekenvoorbeeld waarmee de werkwijze van het salderen wordt verduidelijkt.
Binnen een ruimtelijke ontwikkeling kunnen meerdere functies worden gerealiseerd. Iedere functie trekt zijn eigen gebruikers aan; bewoners, bezoekers van bewoners, werknemers en bijvoorbeeld bezoekers van bedrijven of instellingen. Iedere doelgroep is op verschillende momenten van de dag/week aanwezig. Bij combinaties van meerdere functies in één ontwikkeling ontstaat de mogelijkheid om dezelfde parkeerplaatsen voor meerdere doelgroepen in te zetten. Overdag maakt bijvoorbeeld een kantoormedewerker gebruik van een parkeerplaats, in de avond en nacht is diezelfde parkeerplaats beschikbaar voor een bewoner. Dit principe staat bekend als dubbelgebruik.
Om de kansen op het vlak van dubbelgebruik te onderzoeken moet voor ieder ontwikkeling, ook voor ontwikkelingen waarin enkel woonfuncties worden gerealiseerd, een parkeerbalans worden opgesteld. In een parkeerbalans wordt op basis van de aanwezigheidspercentages zoals opgenomen in bijlage 4 de parkeerbehoefte van iedere geplande functie voor verschillende dagdelen berekend. Aan de hand van deze percentages wordt in de parkeerbalans het dagdeel vastgesteld waarop de gezamenlijke parkeerbehoefte van de functies het hoogste is. Dit moment wordt de maatgevende parkeerbehoefte genoemd. In bijlage 7 is een rekenvoorbeeld opgenomen waarin op basis van dubbelgebruik de maatgevende parkeerbehoefte is bepaald. Wanneer voor een functie geen geschikt aanwezigheidspercentage is opgenomen, dan moet het percentage worden gehanteerd dat geldt voor de meest vergelijkbare functie.
6.2.4. Vrijstelling voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen
Het stappenplan voor het toepassen van de autoparkeernormen bevat een vrijstellingsmogelijkheid voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen. Een ontwikkeling is kleinschalig wanneer de autoparkeervraag van de ontwikkeling of functie maximaal drie parkeerplaatsen bedraagt. Reducties op de parkeervraag als gevolg van een eventuele mobiliteitscorrectie, salderen en dubbelgebruik zijn hierbij reeds in mindering gebracht.
Wanneer een ontwikkeling als kleinschalig wordt aangemerkt, dan kan de initiatiefnemer ervoor kiezen om gebruik te maken van de vrijstellingsmogelijkheid. Gebruik van de vrijstelling betekent dat in eerste instantie de eis vervalt om de parkeervraag op eigen terrein op te lossen. Onderzocht wordt of de parkeervraag van maximaal drie parkeerplaatsen in de openbare ruimte kan worden opgelost. Hiervoor gelden de uitgangspunten zoals opgenomen in paragraaf 6.3.6. Als blijkt dat er in de openbare ruimte onvoldoende restcapaciteit aanwezig is, dan vervalt daarmee de vrijstellingsmogelijkheid.
6.2.5. Maximaal acceptabele loopafstanden
Binnen het stappenplan bestaat de mogelijkheid om parkeerplaatsen op enige loopafstand van een ontwikkellocatie aan te leggen. Om de bruikbaarheid en aantrekkelijkheid van deze parkeerplaatsen te waarborgen hanteren wij maximaal acceptabele loopafstanden. De loopafstanden kunnen per gebied en per type functie verschillend zijn. De loopafstanden voor fietsparkeren zijn opgenomen in tabel 5 en voor autoparkeren in tabel 6.
Een loopafstand wordt gemeten als de kortst mogelijke looproute, gemeten vanaf de voetgangersingang van de parkeervoorziening tot de ingang van het bestemmingsadres. Voor het meten van de loopafstand wordt gebruik gemaakt van een online routenavigatiesysteem (bijvoorbeeld via Google Maps).
6.2.6. Omrekenfactoren voor parkeren op eigen terrein
Zoals opgenomen in paragraaf 2.6 geldt binnen deze nota parkeernormen het uitgangspunt dat de fiets- en autoparkeervraag van een ruimtelijke ontwikkeling volledig op eigen terrein moet worden opgelost. Voor autoparkeren geldt dat een parkeerplaats op eigen terrein verschillende verschijningsvormen kan hebben; bijvoorbeeld een parkeergarage onder het gebouw, een oprit of een aan de woning verbonden garage. Omdat in de praktijk blijkt dat parkeerplaatsen op eigen terrein niet volledig worden benut voor het parkeren van de auto, bevat deze beleidsnota zogeheten omrekenfactoren (zie bijlage 5). De omrekenfactoren geven per type parkeervoorziening een praktische parkeercapaciteit en een berekeningsaantal. Een enkele oprit zonder garage heeft bijvoorbeeld een praktische capaciteit van 1 parkeerplaats, het berekeningsaantal is 0,8 parkeerplaats. In een parkeerbalans moet het berekeningsaantal worden toegepast.
6.2.7. Compensatie van vervallen parkeerplaatsen
Wanneer er door een ruimtelijke ontwikkeling openbare fiets- en/of autoparkeerplaatsen komen te vervallen, dan moeten deze in de openbare ruimte worden gecompenseerd binnen de maximale loopafstand die voor de desbetreffende functie geldt (zie paragraaf 6.2.4). De kosten die gepaard gaan met de aanleg van deze parkeerplaats(en) zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Bij het doorlopen van het stappenplan moeten verschillende berekeningen worden gemaakt. Bij de vaststelling van de fiets- en autoparkeervraag wordt op hele parkeerplaatsen afgerond. Dit betekent dat een aantal parkeerplaatsen kleiner of gelijk aan 0,49 naar beneden wordt afgerond en groter of gelijk aan 0,50 naar boven wordt afgerond. Indien van toepassing vindt de afronding per verschijningsvorm van het parkeeraanbod (eigen terrein, privaat en openbaar) plaats.
6.3. Stappenplan toepassen parkeernormen
6.3.1. Stap 1: de normatieve parkeerbehoefte berekenen
De normatieve parkeerbehoefte vormt het uitgangspunt voor de bepaling van het aantal benodigde fiets- en autoparkeerplaatsen voor een ontwikkeling. De normatieve parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de fietsparkeernormen in bijlage 2 en de autoparkeernormen in bijlage 3. De gebiedsindeling zoals opgenomen in bijlage 1 is hierbij leidend. Om de normatieve parkeerbehoefte te berekenen moet voor iedere geplande functie, of voor de uitbreiding van een bestaande functie, de berekening ‘programma * parkeernorm’ worden uitgevoerd.
Resultaat stap 1: voor alle functies die binnen de ontwikkeling worden gerealiseerd is de normatieve parkeerbehoefte bepaald.
6.3.2. Stap 2: mobiliteitscorrectie
Een woningbouwontwikkeling of het gedeelte van een breder ruimtelijk programma bestaande uit woonfuncties kan in aanmerking komen voor een mobiliteitscorrectie. De eisen en randvoorwaarden die hiervoor gelden zijn opgenomen in paragraaf 6.2.1. Als een ontwikkeling voor een mobiliteitscorrectie in aanmerking komt, dan wordt in deze tweede stap het effect hiervan op de normatieve autoparkeerbehoefte berekend. Bij de inzet van een autodeelconcept is het effect hiervan op de parkeerbehoefte afhankelijk van het aantal deelauto’s dat wordt ingezet. Vanuit deze nota parkeernormen is de correctie op maximaal tien procent van de bewonersparkeerbehoefte bepaald.
Resultaat stap 2: indien van toepassing is de mobiliteitscorrectie in mindering gebracht op de normatieve autoparkeerbehoefte uit stap 1.
6.3.3. Stap 3: een bestaande parkeerbehoefte salderen
Bij het salderen van de fiets- en autoparkeerbehoefte van een bestaande of reeds vervallen functie moeten aanwezigheidspercentages en voor autoparkeren de geldende omrekenfactoren voor parkeren op eigen terrein worden toegepast. Per dagdeel moet de parkeerbehoefte van de bestaande te vervallen en nieuwe functie(s) worden berekend en gesaldeerd. Het dagdeel waarop de toename van de parkeerbehoefte maximaal is, geldt als de nieuwe maatgevende parkeerbehoefte van de ontwikkeling. Bijlage 7 bevat een rekenvoorbeeld waarmee de werkwijze van het salderen wordt verduidelijkt.
Resultaat stap 3: indien van toepassing is de parkeerbehoefte van één of meerdere bestaande of reeds vervallen functies op de juiste wijze in mindering gebracht op de normatieve fiets- en autoparkeerbehoefte uit stap 1 of de gereduceerde normatieve autoparkeerbehoefte uit stap 2.
Vaststelling parkeervraag ruimtelijke ontwikkeling en beoordeling vrijstellingsmogelijkheid
Nadat stap 1 t/m 3 van het stappenplan zijn doorlopen kan de (gereduceerde) fiets- en autoparkeervraag van de ontwikkeling worden vastgesteld. Vervolgens wordt in stap 4 t/m 6 door de initiatiefnemer onderzocht welke parkeervoorzieningen beschikbaar worden gesteld om in de parkeervraag te kunnen voorzien. Na vaststelling van de autoparkeervraag wordt beoordeeld of de vrijstelling voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen van toepassing is.
6.3.4. Stap 4: aanleg parkeerplaatsen op eigen terrein
Zoals opgenomen in paragraaf 2.6 geldt binnen deze nota parkeernormen het uitgangspunt dat de volledige vraag naar fiets- en autoparkeerplaatsen op eigen terrein moet worden opgelost. Daarom moet in de eerste plaats door de initiatiefnemer worden vastgesteld hoeveel parkeerplaatsen er op eigen terrein kunnen worden aangelegd. Indien van toepassing moeten hierbij de omrekenfactoren voor parkeren op eigen terrein worden toegepast (zie bijlage 5).
Resultaat stap 4: het aantal fiets- en autoparkeerplaatsen dat op eigen terrein wordt aangelegd voor de ontwikkeling is bepaald en in mindering gebracht op de vastgestelde parkeervraag.
6.3.5. Stap 5: gebruik bestaande private parkeercapaciteit
In de directe omgeving van een ontwikkellocatie kan, op het moment dat de geplande functies tot hun parkeerbehoefte leiden, (gedeeltelijk) ongebruikte private parkeercapaciteit aanwezig zijn. Wanneer de vastgestelde parkeervraag niet volledig op eigen terrein kan worden opgelost, kan worden onderzocht of gebruik van nabijgelegen private parkeercapaciteit mogelijk is. Deze voorzieningen moeten liggen binnen de maximaal acceptabele loopafstanden liggen (zie paragraaf 6.2.4).
Het gebruik van eventuele private parkeerplaatsen dient voor ten minste tien jaar contractueel te worden vastgelegd, inclusief een kettingbeding. De initiatiefnemer moet aantonen hoe parkeerders (vaste gebruikers en bezoekers) toegang krijgen tot de private parkeervoorziening op de vereiste momenten van de dag/week en hoe de beschikbaarheid van de benodigde parkeerplaatsen is gewaarborgd.
Resultaat stap 5: indien van toepassing is het aantal private parkeerplaatsen dat door de initiatiefnemer wordt gekocht of gehuurd om de autoparkeervraag te lossen bepaald en in mindering gebracht op de resterende autoparkeervraag uit stap 4.
6.3.6. Stap 6: gebruik bestaande openbare parkeercapaciteit
De situatie kan zich voordoen dat het voor de initiatiefnemer niet mogelijk is om de vastgestelde parkeervraag op eigen terrein op te lossen, eventueel aangevuld met gebruik van private parkeercapaciteit. De initiatiefnemer kan dan onderzoeken of de resterende parkeervraag opgelost kan worden door gebruik te maken van bestaande openbare parkeercapaciteit. Om te voorkomen dat dit leidt tot een ongewenste stijging van de parkeerdruk hanteren wij het uitgangspunt dat de parkeerdruk in de eindsituatie (na afwenteling van de parkeervraag vanuit de ontwikkeling) maximaal 85% mag zijn.
Om te kunnen beoordelen of gebruik van openbare parkeercapaciteit mogelijk is, is een actueel beeld nodig van de bestaande parkeerdruk in het gebied rondom de ontwikkellocatie. De initiatiefnemer is primair verantwoordelijk voor het in kaart brengen van de parkeerdruk. Wanneer wij als gemeente over recent uitgevoerde parkeerdrukmetingen beschikken, dan stellen we deze gegevens beschikbaar voor gebruik door de initiatiefnemer. Een uitgevoerde parkeerdrukmeting mag niet ouder zijn dan twee jaar en moet naar het oordeel van de gemeente een representatieve weergave vormen van de actuele parkeersituatie.
Als er geen actueel beeld is van de parkeersituatie, dan moet de initiatiefnemer zelf een parkeerdrukmeting laten uitvoeren. Deze meting moet aan de volgende eisen voldoen:
De uitvoering van het parkeerdrukonderzoek moet met gemeente zijn afgestemd. Hierbij worden in ieder geval het onderzoeksgebied bepaald en de momenten van de dag/week waarop de metingen moeten plaatsvinden. Het onderzoek moet in ieder geval plaatsvinden op het maatgevende moment van de parkeerbehoefte die in de openbare ruimte wordt opgelost. Voor de begrenzing van het onderzoeksgebied gelden de maximaal acceptabele loopafstanden (zie paragraaf 6.2.4) als richtlijn.
Wij willen voorkomen dat dezelfde openbare parkeercapaciteit aan meerdere ontwikkelingen tegelijkertijd beschikbaar wordt gesteld. Om deze reden moet de initiatiefnemer bij de gemeente verifiëren of er in de omgeving van zijn ontwikkellocatie andere ontwikkelingen plaatsvinden, ontwikkelingen waarin mogelijk ook sprake is van gebruik van openbare parkeercapaciteit.
Resultaat stap 6: het aantal openbare parkeerplaatsen dat beschikbaar wordt gesteld voor de ontwikkeling is bepaald en in mindering gebracht op de resterende parkeervraag uit stap 5.
6.4. Concequenties niet oplossen van de parkeervraag
De situatie kan zich voordoen dat een initiatiefnemer er niet in slaagt om de vastgestelde fiets- en autoparkeervraag van zijn ontwikkeling volledig op te lossen. Dit kan een weigeringsgrond vormen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het vinden van een oplossing hiervoor.
In een bredere sociaal-maatschappelijke context is het voor onze gemeente van belang dat er ruimtelijke ontwikkelingen kunnen blijven plaatsvinden. Het niet (volledig) oplossen van de fiets- en autoparkeervraag kan een barrière vormen in de totstandkoming van een ontwikkeling. Zoals opgenomen in paragraaf 3.5 bevat deze nota parkeernormen een hardheidsclausule, waarmee het college van burgemeester en wethouders een gemotiveerde afwijking mogelijk kan maken.
Het college neemt een gemotiveerde afwijking alleen in overweging wanneer de initiatiefnemer het volledige stappenplan uit paragraaf 6.3 heeft doorlopen en daarmee de onmogelijkheid heeft aangetoond om de fiets- en autoparkeervraag op te kunnen lossen. De initiatiefnemer draagt bij de gemeente de argumentatie aan, waarna het college mede op basis hiervan een integrale belangenafweging maakt. Het college maakt hierbij een afweging tussen het maatschappelijk-economische belang van de totstandkoming van de ontwikkeling en een goede verdeling van de beschikbare openbare parkeerruimte.
7. Vastlegging parkeeroplossing
7.1. De parkeeroplossing vastleggen
Voor iedere ruimtelijke ontwikkeling wordt in de omgevingsvergunning vastgelegd welke fiets- en autoparkeereis bij de geplande functies hoort. In de omgevingsvergunning moet gemotiveerd worden hoe de parkeereis tot stand is gekomen en hoe in het minimaal benodigde aantal parkeerplaatsen wordt voorzien. Voor parkeren geldt dat in de omgevingsvergunning ten minste de volgende aspecten uitgewerkt moeten zijn:
7.1.1. Parkeerrechten vastleggen
Bij het vastleggen van de parkeeroplossing is in het bijzonder aandacht voor het borgen van de zogeheten parkeerrechten. Met het begrip parkeerrecht wordt bedoeld of er op een adres in de toekomst wel of geen parkeervergunning of -ontheffing kan worden aangevraagd. Het parkeerrecht heeft daarmee een directe relatie met de toepassing van parkeerregulering in de openbare ruimte. Het vastleggen van de parkeerrechten is vooral met het oog op de toekomst van belang. Voor het vastleggen van parkeerrechten maken wij onderscheid tussen twee scenario’s.
Scenario 1: parkeervraag volledig op eigen terrein of in private parkeervoorzieningen opgelost
In dit eerste scenario is de parkeereis volledig door de initiatiefnemer opgelost. Dit kan op eigen terrein zijn of door gebruik te maken van private parkeervoorzieningen. De parkeereis is in ieder geval niet opgelost door gebruik te maken van openbare parkeercapaciteit. Dit maakt dat alle adressen die tot de ontwikkeling behoren in dit scenario zijn uitgesloten van alle parkeerrechten.
Scenario 2: parkeervraag (deels) in de openbare ruimte opgelost
Belangrijk onderdeel van deze nota parkeernormen is het stappenplan dat een initiatiefnemer volgt om zijn parkeervraag op te kunnen lossen. Het stappenplan biedt de mogelijkheid om, onder gestelde voorwaarden, gebruik te maken van bestaande openbare parkeercapaciteit. In dit tweede scenario is (een deel van) de parkeervraag van een ontwikkeling in de openbare ruimte opgelost. Het in de openbare ruimte oplossen van een parkeervraag betekent dat bepaalde adressen parkeerrechten hebben. Via huisnummers of bouwnummers worden in de omgevingsvergunning de parkeerrechten vastgelegd.
7.2. Communicatie richting de eindgebruiker
Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft eindgebruikers. Dit is de (dagelijkse) gebruiker van de parkeeroplossing die voor de ontwikkeling is gevormd. Goede en tijdige communicatie richting eindgebruikers over de manier waarop het parkeren is opgelost is van groot belang.
Met de initiatiefnemer van een ontwikkeling en partijen die betrokken zijn bij de verkoop- en verhuur van woningen of andere functies maken wij afspraken over de wijze waarop over de parkeeroplossing wordt gecommuniceerd. Hierbij wordt vastgelegd wanneer de communicatie plaatsvindt en welke middelen hiervoor worden ingezet. Het opnemen van informatie over de parkeeroplossing in brochures voor de koop of verhuur vormt een basisvereiste. Uit deze brochures moet duidelijk blijken hoe het parkeren van fietsen en auto’s is opgelost.
Aldus besloten in de openbare vergadering van 13/01/2026
De raad voornoemd,
De griffier,
L.J. Ligtenberg
De voorzitter,
J.F. Weber
Gebiedsindeling uitsnede zone A (Nieuwerkerk a/d IJssel)
Gebiedsindeling uitsnede zone B (Moordrecht)
Gebiedsindeling uitsnede zone B (Zevenhuizen)
Hoofdgroep: wonen, bewoners (parkeernormen zijn exclusief de genoemde bezoekersparkeernormen, zie voor de bezoekersparkeernormen de tabel op de volgende pagina).
|
Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen) |
|||||
|
Kleine eenpersoonswoning (tiny house, meestal grondgebonden) |
Hoofdgroep: wonen, bezoekers van bewoners
Hoofdgroep: werken (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: winkelen en boodschappen doen (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
|
Groothandel specialist (bijvoorbeeld levensmiddelen, kantoorartikelen) |
||||||
Hoofdgroep: sport, cultuur en ontspanning (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: horeca en (verblijfs)recreatie (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: onderwijs (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Toelichting op betekenis ‘n.v.t.’ in tabellen parkeernormen
Bij bepaalde functies is in sommige zones de parkeernorm aangeduid als ‘n.v.t.’. Dit komt doordat het niet aannemelijk is dat deze functies in die zones worden gerealiseerd. Mocht dit toch het geval zijn, dan volgt de gemeente Zuidplas de werkwijze zoals beschreven in paragraaf 5.2 om een passende parkeernorm vast te stellen.
Hoofdgroep: wonen, bewoners (parkeernormen zijn exclusief de genoemde bezoekersparkeernormen, zie voor de bezoekersparkeernormen de onderstaande tabel).
|
Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen) |
|||||
|
Kleine eenpersoonswoning (tiny house, meestal grondgebonden) |
Hoofdgroep: wonen, bezoekers van bewoners
Hoofdgroep: werken (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: winkelen en boodschappen doen (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
|
Groothandel specialist (bijvoorbeeld levensmiddelen, kantoorartikelen) |
||||||
Hoofdgroep: sport, cultuur en ontspanning (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: horeca en (verblijfs)recreatie (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Hoofdgroep: onderwijs (parkeernormen zijn inclusief de genoemde bezoekerspercentages).
Bijlage 6: kwaliteitseisen parkeervoorzieningen
Het gebruik van een fietsenstalling hangt sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid en het comfort van de stalling. Ook de routing binnen de stalling, de sociale veiligheid en de afmeting van de fietsparkeerplaatsen beïnvloeden het gebruik, evenals de mogelijkheid om fietsen met afwijkende afmetingen te stallen. De Leidraad Fietsparkeren (CROW-publicatie 291), het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.5.5) en FietsParKeur gaan uitgebreid in op de kwaliteitsrichtlijnen voor fietsenstallingen. Hieronder zijn de belangrijkste kwaliteitseisen opgenomen voor het ontwerpen van een fietsenstalling in een ruimtelijke ontwikkeling.
De eisen voor de toegankelijkheid en bruikbaarheid van een collectieve fietsenstalling zijn:
De eisen voor de indeling en inrichting van een collectieve fietsenstalling zijn:
Een parkeersysteem waarin naast standaardfietsen ook fietsen passen met veel voorkomende afwijkende maten, heeft de voorkeur. Dan passen nagenoeg alle fietsen probleemloos op elke stallingsplek, ook die met een krat, bagagedrager vóór, breed stuur, brede banden, etc. Een andere mogelijkheid is een apart parkeervak, waarin afwijkende maten fietsen op hun standaard kunnen worden gestald.
Autoparkeerplaatsen die worden aangelegd voor een ruimtelijke ontwikkeling moeten aan kwaliteitseisen voldoen. Deze eisen waarborgen de bruikbaarheid van de parkeerplaatsen. Uitgangspunt in deze nota parkeernormen is dat de parkeervraag volledig op eigen terrein wordt opgelost. Voor parkeervoorzieningen die op eigen terrein worden gerealiseerd geldt de ontwerprichtlijn NEN 2443 als uitgangspunt. Bij toetsing van de omgevingsvergunning wordt beoordeeld of parkeervoorzieningen die op eigen terrein worden gerealiseerd voldoen aan NEN 2443 of de opvolger hiervan.
Bij de beoordeling van parkeervoorzieningen op basis van NEN 2443 toetst gemeente Zuidplas in het bijzonder of de voorzieningen op de volgende aspecten voldoen aan de ontwerprichtlijnen:
Wanneer in een parkeervoorziening bezoekersparkeren plaatsvindt dan gelden andere richtlijnen in vergelijking tot voorzieningen waarin alleen vaste gebruikers parkeren. De manier waarop bezoekers toegang krijgen tot de parkeervoorziening is een belangrijk criterium. Hoe passeren bezoekers een eventuele slagboom waarmee de parkeervoorziening is afgesloten?
In het geval van aanleg van parkeerplaatsen in de openbare ruimte moet voldaan worden aan het Handboek Inrichting Openbare Ruimte of de opvolger hiervan. Op specifieke ontwerpaspecten kan ook de ASVV 20217 of de opvolger hiervan van toepassing zijn. Parkeervakken in de openbare ruimte moeten voldoen aan de volgende afmetingseisen (lengte x breedte parkeervak):
In deze bijlage is een fictief rekenvoorbeeld uitgewerkt waarmee de beoogde toepassing van de fiets- en autoparkeernormen wordt toegelicht.
Verzameling van de relevante gegevens
De ruimtelijke ontwikkeling in dit rekenvoorbeeld wordt gerealiseerd in zone B. In de ontwikkeling worden de volgende functies gerealiseerd:
Naast de nieuw te realiseren functies verdwijnt er als gevolg van de ontwikkeling een bestaand café. De parkeerbehoefte van deze functie wordt in stap 3 gesaldeerd. Het bestaande café heeft de volgende eigenschappen:
Stap 1: de normatieve parkeerbehoefte berekenen
In de onderstaande tabellen is de normatieve fiets- en autoparkeerbehoefte van de ontwikkeling berekend. De parkeerbehoefte van vaste gebruikers (bewoners en werknemers) en bezoekers is hierbij apart berekend. De fiets- en autoparkeernorm voor een buurtsupermarkt bestaat voor 89% uit bezoekers en daarmee voor 11% uit de parkeerbehoefte van werknemers. Om te voorkomen dat de berekening in dit voorbeeld te complex wordt, is het onderscheid tussen werknemers en bezoekers alleen gemaakt voor het fietsparkeren bij de geplande buurtsupermarkt.
In deze stap is de mobiliteitscorrectie uitgewerkt. De initiatiefnemer zet in op het aanbieden van een autodeelconcept. Conform de uitgangspunten van deze nota parkeernormen kan de inzet van deelauto’s leiden tot een reductie van de bewonersparkeerbehoefte, maximaal 10% van die behoefte. Binnen de ontwikkeling ligt de normatieve bewonersparkeerbehoefte op (32,0 + 30,0 =) 62 parkeerplaatsen. Dit betekent dat van die behoefte (62 * 10% =) 6,2 parkeerplaatsen kunnen worden ingevuld met de inzet van deelauto’s. Op basis van de vervangingswaarde dat één deelauto vijf eigen auto’s vervangt, kiest de initiatiefnemer voor het inzetten van één deelauto. In de onderstaande tabel is opgenomen wat hiervan per dagdeel het effect is op de bewonersparkeerbehoefte.
Stap 3: het salderen van een bestaande parkeerbehoefte
Zoals beschreven verdwijnt als gevolg van de ontwikkeling een bestaand café. Deze functie heeft een oppervlakte van 300 m² bvo. Op basis van de autoparkeernorm van 6,0 per 100 m² bvo bedraagt de normatieve parkeerbehoefte van deze functie -18,0 autoparkeerplaatsen. Voor fietsparkeren is het salderen hier niet van toepassing. De normatieve parkeerbehoefte is met het aanwezigheidspercentage dat geldt voor horecafuncties omgerekend naar een parkeerbehoefte per dagdeel. In onderstaande tabel zijn de uitkomsten hiervan opgenomen. Uit de tabel blijkt dat op de werkdagnacht geen sprake is van een parkeerbehoefte die in mindering kan worden gebracht op de behoefte van de nieuwe functies. Op dit dagdeel kan niet worden gesaldeerd. Op andere dagdelen is wel sprake van een parkeerbehoefte die wordt gesaldeerd.
Vaststelling fiets- en autoparkeervraag
Nadat stap 1 t/m 3 van het stappenplan zijn doorlopen kan de (gereduceerde) fiets- en autoparkeervraag van de ontwikkeling worden vastgesteld. In de onderstaande tabellen is dit gebeurd. Hieruit blijkt dat de fietsparkeerbehoefte met 240 fietsparkeerplaatsen op de werkdagnacht maximaal is. De autoparkeerbehoefte is met afgerond 86 parkeerplaatsen op de werkdagmiddag maximaal.
Stap 4: aanleg parkeerplaatsen op eigen terrein
Om de fietsparkeervraag op te lossen realiseert de initiatiefnemer een gemeenschappelijke fietsenstalling met hierin de benodigde fietsparkeerplaatsen. Als gevolg van dubbelgebruik is het niet nodig om in de openbare ruimte extra fietsparkeerplaatsen aan te leggen. De initiatiefnemer kan op eigen terrein 40 autoparkeerplaatsen realiseren. Deze parkeerplaatsen zijn voor bewoners bestemd. Dit betekent dat niet de volledige parkeerbehoefte van het bouwplan op eigen terrein is opgelost. In de onderstaande tabel is per dagdeel de resterende parkeerbehoefte opgenomen.
Stap 5: gebruik bestaande private parkeercapaciteit
Om de resterende parkeervraag op te lossen zoekt de initiatiefnemer contact met de eigenaar van een nabijgelegen parkeerterrein. Dit terrein ligt binnen de maximaal acceptabele loopafstand. De initiatiefnemer wil op dit terrein parkeerplaatsen huren voor het oplossen van de parkeerbehoefte van het kantoor. De eigenaar van het terrein overlegt gegevens over de bezetting van het terrein op de werkdagochtend en -middag. Dit zijn de dagdelen met de hoogste parkeerbehoefte voor een kantoorfunctie. Uit deze gegevens blijkt dat er 15 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. De initiatiefnemer sluit een overeenkomst met de eigenaar voor het huren van deze 15 parkeerplaatsen. Dit contract voldoet aan de eisen die in deze nota parkeernormen zijn gesteld. In de onderstaande tabel is per dagdeel de resterende parkeerbehoefte opgenomen.
Toelichting toets dubbelgebruik
In de bovenstaande tabel is het effect op dubbelgebruik zichtbaar als parkeerplaatsen voor één doelgroep zijn bestemd, in dit geval private parkeerplaatsen bestemd voor het kantoor. Op de werkdagochtend en -middag heeft dit geen consequenties, omdat de parkeerbehoefte (33,0) groter is dan het aantal parkeerplaatsen (15). Voor andere dagdelen is dit effect er wel, bijvoorbeeld op de werkdagavond en koopavond. De parkeerbehoefte van het kantoor is op deze dagdelen 1,2 parkeerplaatsen en dat betekent dat het parkeerterrein dan grotendeels ongebruikt zal zijn. Zoals uit de tabel blijkt leidt dit ook tot een verschuiving van het maatgevende moment. De zaterdagmiddag is het nieuwe maatgevende moment geworden.
Stap 6: gebruik bestaande openbare parkeercapaciteit
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat, met de aanleg van 40 parkeerplaatsen op eigen terrein en het huren van 15 parkeerplaatsen op een nabijgelegen parkeerterrein, nog niet de volledige parkeervraag van de ontwikkeling is opgelost. De initiatiefnemer laat, in overleg met de gemeente Zuidplas, in de openbare ruimte een parkeeronderzoek uitvoeren. Het onderzoek vindt plaats op de dagdelen met de hoogste parkeerbehoefte: werkdagochtend, werkdagmiddag en de zaterdagmiddag. In het onderzoeksgebied liggen 150 openbare parkeerplaatsen. Op basis van het uitgangspunt dat de parkeerdruk in de eindsituatie maximaal 85% mag bedragen, is de maximale bezetting 120 parkeerplaatsen. Op basis van dit uitgangspunt en de resultaten van het parkeeronderzoek kan de beschikbare restcapaciteit worden bepaald. In de onderstaande tabel is dit gebeurd.
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de restcapaciteit in de openbare ruimte op alle dagdelen toereikend is om de resterende parkeervraag op te kunnen lossen. Hiermee is een toereikende parkeeroplossing voor de ontwikkeling gevormd.
Toelichting op functies in de parkeernormenlijst fiets (bijlage 2)
Toelichting op functies in de parkeernormenlijst auto (bijlage 3)
Bijlage 9: overzicht beleidsmatige wijzigingen
In deze bijlage is een overzicht opgenomen van de meest noemenswaardige beleidsmatige wijzigingen tussen de Nota Parkeernormen 2019 (het oude beleid) en deze Nota Parkeernormen 2026 (het nieuwe beleid).
Het oude beleid bevat een gebiedsindeling bestaande uit drie zones; A, B en C. In het nieuwe beleid zijn in de gebiedsindeling verschillende wijzigingen aangebracht. Een extra zone is toegevoegd om rekening te houden met een enigszins hogere autoafhankelijkheid in Moerkapelle. In het nieuwe beleid kent alleen Nieuwerkerk a/d IJssel een zone A, de omvang van deze zone is vergroot. Reden hiervoor is dat in een geografisch gezien groter gebied een lagere autoafhankelijkheid wordt gezien (als gevolg van de nabijheid van het treinstation en een hoger voorzieningenniveau). In de gebiedsindeling is het Middengebied volgens de begrenzing van het bestemmingsplan uitgezonderd en als een blanco gebied ingetekend.
In de hoogte van de parkeernormen zijn meerdere wijzigingen aangebracht. De belangrijkste wijzigingen worden hieronder toegelicht, inclusief een onderbouwing op hoofdlijnen.
Differentiatie parkeernormen woonfuncties
Het oude beleid maakt onderscheid tussen parkeernormen voor in totaal 15 woonfuncties. Het nieuwe beleid kent parkeernormen voor 22 verschillende woonfuncties. Het nieuwe beleid bevat meer differentiatie tussen de woonfuncties, met name binnen de sociale huur sector. Ook zijn parkeernormen toegevoegd voor enkele bijzondere woonfuncties.
Bewonersparkeernorm woonfuncties
De bewonersparkeernormen in het oude beleid waren gebaseerd op de CROW parkeerkencijfers uit 2018 (publicatie 381). De gehanteerde uitgangspunten waren een stedelijkheidsgraad van matig stedelijk, voor zone A een gemiddelde bandbreedtekeuze en voor zone B en C de maximum bandbreedte. In het nieuwe beleid zijn de bewonersparkeernormen gedeeltelijk gebaseerd op de provinciale gegevens over autobezit en voor een deel op de CROW parkeerkencijfers uit 2025 (publicatie 744). Reden hiervoor is dat uit het provinciale gegevensbestand niet voor alle woonfuncties een betrouwbaar autobezit cijfer naar voren komt. Ook zijn er woonfuncties die als zodanig niet in een zone voorkomen.
Bezoekersparkeernorm woonfuncties
Bij de actualisatie van de CROW parkeerkencijfers in juli 2025 is een belangrijke wijziging doorgevoerd in de hoogte van het bezoekersparkeerkencijfer voor woonfuncties. In het oude beleid lag de hoogte van de bezoekersparkeernorm in zone A op 0,2 parkeerplaats per woning, in zone B en C was de bezoekersnorm 0,3. In het nieuwe beleid worden bezoekersnormen gehanteerd die, uitgaande van de stedelijkheidsgraad matig stedelijk, overeenkomen met de richtlijnen van CROW.
Het oude beleid bevatte, net als het nieuwe beleid, de mogelijkheid om onder gestelde voorwaarden een correctie op de parkeerbehoefte toe te passen. Zowel in het oude als nieuwe beleid is deze correctie van toepassing wanneer een initiatiefnemer inzet op het aanbieden van een autodeelconcept. In het nieuwe beleid zijn extra eisen opgenomen waaraan het autodeelconcept moet voldoen.
In het oude beleid moest in zone A 50% van de correctie worden aangebracht als ruimtelijke reservering, in de overige zones was dit 100%. In het nieuwe beleid moet in alle zones de volledige correctie in de vorm van een ruimtelijke reservering zijn aangewezen.
Vrijstellingsmogelijkheid voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen
Het oude beleid bevatte een vrijstellingsmogelijkheid bij wijziging van gebruik, sloop of uitbreiding. Wanneer de (toename van de) parkeervraag maximaal 0,5 parkeerplaatsen bedroeg, werd vrijstelling verleend van de verplichting om de parkeervraag op te lossen. Het nieuwe beleid bevat een andere vrijstellingsmogelijkheid. Wanneer de (toename van de) parkeervraag maximaal drie parkeerplaatsen bedraagt, dan vervalt in eerste instantie de verplichting om de parkeervraag op eigen terrein op te lossen. Vervolgens wordt onderzocht of de parkeervraag in de openbare ruimte kan worden opgelost.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-38268.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.