Gemeenteblad van Rijssen-Holten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijssen-Holten | Gemeenteblad 2026, 382646 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijssen-Holten | Gemeenteblad 2026, 382646 | beleidsregel |
Beleidsregels aanvraag transportcapaciteit en prioriteit woningbouw- en onderwijsprojecten gemeente Rijssen-Holten 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten; gelet op artikel 160, eerste lid, aanhef en onder d, van de Gemeentewet, artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 7.21 tot en met 7.23, en tabel 3 en 4 van bijlage 3, van de Systeemcode elektriciteit 2026; besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:
Beleidsregels aanvraag transportcapaciteit en prioriteit woningbouw- en onderwijsprojecten gemeente Rijssen-Holten 2026.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
energieplan: een door de projectontwikkelaar opgesteld en door de gemeente geaccepteerd document waarin de energievoorziening van een gebiedsontwikkeling wordt beschreven, waaronder maatregelen voor energiebesparing, duurzame opwekking, energieopslag, piekreductie, slimme energiesturing en beperking van de belasting van het elektriciteitsnet;
Artikel 5. Procedure verzoek opname volgordelijst
Opname van een project op de volgordelijst resulteert in een inspanningsverplichting van de gemeente om zich aantoonbaar in te spannen om transportcapaciteit voor het betreffende project te verkrijgen bij de netbeheerder, zonder dat de gemeente de beschikbaarheid of toewijzing van prioritering en transportcapaciteit garandeert.
Artikel 13 Rechtsbescherming en voorgenomen volgordelijst
Door indiening van een verzoek als bedoeld in artikel 6 stemt de projectontwikkelaar ermee in dat bezwaren tegen de voorgenomen volgordelijst in beginsel binnen de in het tweede lid genoemde termijn aan de gemeente kenbaar worden gemaakt en, indien gewenst, aan de bevoegde burgerlijke rechter worden voorgelegd, zodat geschillen zoveel mogelijk vóór vaststelling van de definitieve volgordelijst kunnen worden beslecht.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 augustus 2026.
H.G. Tukker
Secretaris,
J.C.R. van Houdt
Burgemeester
Toelichting beleidsregels aanvraag transportcapaciteit en prioriteit woningbouw- en onderwijsprojecten gemeente Rijssen-Holten 2026
Toelichting bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten tot vaststelling van de Beleidsregels aanvraag transportcapaciteit en prioriteit woningbouw- en onderwijsprojecten gemeente Rijssen-Holten 2026.
Met deze beleidsregels geeft de gemeente Rijssen-Holten invulling aan de wijze waarop zij omgaat met haar op grond van de Systeemcode Elektriciteit 2026 en de Energiewet bestaande bevoegdheid om transportcapaciteitsverzoeken en prioriteringsverzoeken in te dienen voor de functies woon- en onderwijsbehoefte bij de netbeheerder.
Netbeheerders hebben onvoldoende elektriciteitstransportcapaciteit om alle aanvragen voor nieuwe of zwaardere aansluitingen te voldoen. Voor onder andere woningbouw- en onderwijsprojecten heeft dit concrete gevolgen. Projecten die planologisch gereed zijn, komen niet van de grond door een gebrek aan beschikbare aansluitingen. In veel regio’s dreigen projecten vertraging op te lopen of te stranden.
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft op 2 december 2025 het Codebesluit prioriteringsruimte transportverzoeken vastgesteld (gepubliceerd in Staatscourant 2025, nr. 42323, in werking getreden op 1 januari 2026). Dit Codebesluit verplicht netbeheerders om in congestiegebieden af te wijken van het 'first come, first served'-beginsel en in plaats daarvan te werken met landelijke voorrangsregels op basis van maatschappelijk belang. Binnen de prioritering categorieën 2 en 3, evenals voor niet-prioritaire partijen, blijft ‘first come, first served’ bestaan, waarbij de datum van aanvraag van transportcapaciteit leidend is. Dit kader is later opgenomen in de Systeemcode Elektriciteit 2026 en aangevuld tot het nu geldend recht.
De Systeemcode Elektriciteit 2026 onderscheidt drie prioriteitscategorieën:
Vanaf 1 juli 2026 worden groot- en kleinverbruikers in één en dezelfde rangorde beoordeeld. Er is geen overgangsperiode voorzien: alle aanvragen worden vanaf dat moment aan de nieuwe voorrangsregels getoetst.
Gemeenten kunnen vanaf 1 oktober 2026 gebruikmaken van de werkwijze ‘Eerder aanvragen in het planproces’. Deze werkwijze stelt gemeenten in staat om al in een vroeg planningsstadium transportcapaciteit te reserveren voor woningbouw en onderwijs, ook al voordat een ontwikkelaar definitief betrokken is. De bewijsvereisten voor dit aanvragen zijn hiervoor specifiek op gemeenten toegesneden (tabel 4 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026).
Als aanvrager van transportcapaciteit ten behoeve van derden, bevindt de gemeente zich in een dubbele rechtsrelatie. Enerzijds als contractpartij jegens de netbeheerder, anderzijds met projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers die aanspraak maken op die capaciteit. Hoewel het aanvragen van transportcapaciteit een privaatrechtelijke bevoegdheid is, moet de gemeente daarbij op grond van artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, en met name het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in de Didam-arresten (ECLI:NL:HR:2021:1778 en ECLI:NL:HR:2024:1661).
Gemeenten zijn opgeroepen vóór 1 oktober 2026 beleidsregels vast te stellen, zodat aanvragen op die datum gereed zijn voor indiening. De onderhavige beleidsregels zijn opgesteld om een juridisch houdbaar vertrekpunt te bieden voor de inrichting van de gemeentelijke aanvraagrol.
De doelstelling van deze beleidsregels is om de gemeentelijke bevoegdheid tot het aanvragen van transportcapaciteit voor woningbouw- en onderwijsprojecten op een transparante, objectieve en niet-discriminatoire wijze in te richten.
Verhouding tot andere regelgeving
De beleidsregels zijn vastgesteld op grond van:
Artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek: een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiek recht. Hieruit vloeit de verplichting voort het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen bij privaatrechtelijk handelen.
Bij het opstellen van deze beleidsregels is geen inspraakprocedure gevolgd. De aansprakelijkheidsrisico’s voor de gemeente als gevolg van het niet tijdig vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de aanvraag van prioriteit voor transportcapaciteit maken dat sprake is van spoedeisend belang bij het vaststellen van deze beleidsregels, waardoor inspraak niet kon worden afgewacht.
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht.
De begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Energiewet en de Systeemcode elektriciteit 2026. De in die regelingen gedefinieerde begrippen worden dan ook niet opnieuw gedefinieerd in deze beleidsregels.
De definitie van ‘project’ volgt tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode elektriciteit 2026. Als een project meerdere fases bevat dan wordt elke fase op grond van deze definitie als afzonderlijk project beschouwd. Dit sluit aan bij de systematiek van de Systeemcode elektriciteit 2026, op basis waarvan voor elke fase een afzonderlijke aanvraag wordt ingediend.
Door het toepassingsbereik helder af te baken wordt voorkomen dat deze beleidsregels worden toegepast op situaties waarvoor zij niet zijn geschreven. De gemeente vervult bij de werkwijze ‘Eerder aanvragen’ een intermediaire rol tussen netbeheerder en marktpartijen. Deze intermediaire positie brengt een dubbele rechtsrelatie mee: enerzijds met de netbeheerder als contractspartij voor transportcapaciteit, anderzijds met projectontwikkelaars die aanspraak maken op die capaciteit. Artikel 2 bakent af op welke beslissingen de beleidsregels van toepassing zijn. Het gaat om realisatie van de basisbehoeften woonbehoefte en onderwijsbehoefte als bedoeld in tabel 3 van bijlage 3 van de Systeemcode Elektriciteit 2026. In dat kader hanteert de gemeente een volgordelijst, waarop projecten geplaatst worden met het oog op het indienen van een transportverzoek en prioriteringsverzoek bij de netbeheerder. De regels hebben daarmee ook betrekking op de keuze om projecten niet op de volgordelijst te plaatsen.
De rol die de gemeente heeft op grond van de Systeemcode Elektriciteit 2026 betreft het uitoefenen van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het gaat om het contracteren van transportcapaciteit met de netbeheerder. Dit is het sluiten van een overeenkomst. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht is geen sprake. Besluiten ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn uitgesloten van de mogelijkheid van bezwaar en beroep (artikel 8:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Eventuele conflicten zullen aan de civiele rechter moeten worden voorgelegd. De gemeente oefent de bevoegdheid tot het aanvragen van transportcapaciteit bij de netbeheerder uit als een privaatrechtelijke bevoegdheid en is daarbij gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur op grond van artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de wettelijke grondslag van het gelijkheidsbeginsel in de Didam-jurisprudentie.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
De Hoge Raad heeft in het Didam-I arrest (26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778) bepaald dat overheden bij vervreemding van onroerend goed het gelijkheidsbeginsel in acht moeten nemen en gelijke kansen aan potentiële gegadigden moeten bieden. In het Didam-II arrest (15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661) heeft de Hoge Raad deze lijn aangescherpt en de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur – waaronder zorgvuldigheid, gelijkheid, evenredigheid en motivering – ook buiten de context van gronduitgifte bevestigd. Artikel 14 van Boek 3 van het Burgerlijk wetboek bepaalt dat een bevoegdheid krachtens burgerlijk recht niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven recht.
De gemeente handelt bij het aanvragen van prioriteit en transportcapaciteit privaatrechtelijk, maar is desondanks als bestuursorgaan gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het gelijkheidsbeginsel verplicht de gemeente niet tot een formele aanbesteding, maar wel tot een openbare, transparante procedure met vooraf bekendgemaakte, objectieve en toetsbare criteria.
De beleidsregels hebben tot doel uitwerking te geven aan deze plichten. Zo dragen deze beleidsregels bij aan de realisatie van woningen en onderwijs in congestiegebieden binnen de kaders waaraan de gemeente moet voldoen.
Artikel 4. Gelijke behandeling projecten
De gelijke behandeling van gemeentelijke en private projecten is een cruciaal element van de Didam-doctrine. Artikel 4 borgt het gelijkheidsbeginsel door expliciet te bepalen dat gemeentelijke projecten niet worden bevoordeeld en dat de gemeente transparant is over de motivering van de rangorde van eigen projecten ten opzichte van projecten van projectontwikkelaars.
Artikel 5. Procedure verzoek opname volgordelijst
Het bieden van een transparante verdelingsprocedure, door vooraf kenbaar te maken wanneer een verzoek kan worden in gediend vormt een belangrijk element van de Didam-doctrine. De beleidsregels voorzien in een transparante selectieprocedure, waarbij artikel 5 voorziet in het vooraf kenbaar maken van het proces en de daaraan verbonden tijdvakken.
Door de aanvraagperiode direct te koppelen aan de publicatie van de beleidsregels is voor iedere projectontwikkelaar onmiddellijk duidelijk wanneer een verzoek kan worden ingediend. Door het benoemen van een concrete einddatum kan er ook geen misverstand bestaan over voor welke datum het verzoek moet worden ingediend om in aanmerking te komen voor plaatsing op de volgordelijst.
De gemeente gaat uitsluitend een inspanningsverplichting aan jegens de projectontwikkelaar. Bij een resultaatsverplichting zou de gemeente instaan voor de daadwerkelijke toewijzing van transportcapaciteit, waarbij aansprakelijkheid op grond van wanprestatie open zou staan bij niet levering. Dat is niet mogelijk, nu niet de gemeente, maar de netbeheerder daarover gaat.
Artikel 6. Opname op de volgordelijst op verzoek projectontwikkelaar
Een helder aanvraagproces is essentieel voor een rechtmatige uitvoering. Artikel 6 regelt daarom de aanvraagprocedure en bepaalt de informatiestroom tussen de projectontwikkelaar en de gemeente die de basis vormt voor de rangschikking.
Voor de aanvraag van transportcapaciteit en prioritering moeten gemeenten zorgen voor een volledig projectdossier dat kan worden ingediend bij de netbeheerder. Van de projectontwikkelaar die de gemeente verzoekt om een project op de volgordelijst te zetten met het oog op het doen van een transportverzoek en prioriteringsverzoek wordt verwacht dan hij daartoe de noodzakelijke informatie aanlevert.
Een volledig projectdossier bevat voor het onderdeel transportcapaciteit ten minste:
Aanvragen van prioritering volgens het prioriteringskader
Een volledig projectdossier bevat voor de aanvraag van prioritering (overeenkomstig tabel 4 van bijlage 3 Systeemcode Elektriciteit 2026) de volgende bewijsstukken die per subfunctie als volgt zijn vereist:
Woningbouw — collectieve woonvormen:
Onderwijs – voortgezet onderwijs
Indien voor het project op grond van de Omgevingswet een instructie als bedoeld in artikel 2.33 van de Omgevingswet is gegeven door Gedeputeerde Staten van de Provincie, dan wel het project valt onder instructieregels van de provinciale omgevingsverordening (artikel 2.22 jo. artikel 2.6 van de Omgevingswet), of voor het project een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet door de Provincie is genomen, dient de aanvrager bij het projectdossier aan te tonen dat het project in overeenstemming is met deze provinciale besluiten dan wel dat de vereiste afstemming met of toestemming van Gedeputeerde Staten heeft plaatsgevonden.
Projectontwikkelaars met een concreet plan voor het realiseren van woon- of onderwijsprojecten kunnen hun plan aanmelden bij de gemeente via een vooraanmelding. Dit kan via het duurzaam@rijssen-holten.nl. Na de vooraanmelding ontvangt de projectontwikkelaar een digitale vragenlijst waar alle gevraagde gegevens op kunnen worden ingevuld. Dit sluit aan bij de systematiek van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer.
Een verzoek dat onvolledig is wordt niet in behandeling genomen. De gemeente stelt de projectontwikkelaar hiervan schriftelijk in kennis, waarbij ook wordt aangegeven in hoeverre het nog mogelijk is alsnog een volledig verzoek in te dienen. Dit is alleen mogelijk als de in artikel 5, tweede lid genoemde termijn voor het indienen van een verzoek nog niet is verstreken.
De bestuursverklaring is het centrale bewijsstuk van het prioriteringsverzoek. Deze stelt de netbeheerder in staat te toetsen of het verzoek daadwerkelijk betrekking heeft op een prioriteitswaardige activiteit en of de gevraagde transportcapaciteit noodzakelijk en reëel is. Zonder deugdelijk ingevulde bestuursverklaring is het verzoek incompleet en zal de netbeheerder het prioriteringsverzoek afwijzen. De elementen in artikel 8 zijn cumulatief: alle onderdelen moeten zijn opgenomen. De eisen komen overeen met de eisen die zijn opgenomen in artikel 7.21, derde en vierde lid van de Systeemcode Elektriciteit 2026.
De Systeemcode Elektriciteit 2026 stelt dat partijen in de bestuursverklaring moeten onderbouwen dat de gevraagde transportcapaciteit nodig is voor de uitoefening van hun geprioriteerde taken, dat de capaciteit noodzakelijk is om te starten, en dat de activiteit op korte termijn na toekenning zal aanvangen. De elementen uit artikel 8 corresponderen rechtstreeks met deze Systeemcode Elektriciteit 2026-vereisten.
Artikel 9. Rangordebepaling volgordelijst
De afwegingscriteria vormen de kern van deze beleidsregels. Zij bepalen de volgorde op de volgordelijst en dienen objectief, toetsbaar en redelijk te zijn. Dit zijn de drie eisen die de Didam-jurisprudentie stelt aan selectiecriteria.
Artikel 9 beschrijft de werkwijze van prioriteren aan de hand van het opgestelde afwegingskader, zoals opgenomen in bijlage 1.
Stap 1 – Voorwaardelijke criteria
Projecten worden getoetst aan de eisen voor het indienen van een compleet project zoals beschreven in artikel 6, 7 en 8 van de beleidsregels. Hierbij is een volledig projectdossier beschikbaar en, indien van toepassing, een schriftelijke verklaring van de projectontwikkelaar over het voldoen aan de financiële verplichting ten aanzien van de netaansluiting. Wanneer deze informatie op de in artikel 5, tweede lid genoemde datum niet bij de gemeente aangeleverd is, zal dat project niet worden meegenomen in de vervolgstappen voor rangschikking.
Stap 2 – Rangschikking op start bouwjaar
Van 1 tot en met 23 oktober 2026 geldt dat gemeenten eenmalig hun aanvragen gecoördineerd kunnen indienen. Dit gaat in tijdsblokken op basis van het startbouwjaar, omdat dit in de praktijk de meest gangbare datum is voor het moment waarop netcapaciteit wordt aangevraagd en nodig is.
Wanneer binnen een tijdsblok meer woningbouw- en onderwijsprojecten worden aangemeld is een nadere rangordebepaling noodzakelijk. Het afwegingskader heeft als doel om op een objectieve, transparante en reproduceerbare wijze te bepalen welke projecten het eerst voor indiening bij de netbeheerder in aanmerking komen.
Het afwegingskader kent vier criteria:
De criteria zijn zo gekozen dat enerzijds prioriteit wordt gegeven aan projecten die op korte termijn realiseerbaar zijn en anderzijds aan projecten die een belangrijke bijdrage leveren aan gemeentelijke beleidsdoelen op het gebied van woningbouw, leefbaarheid en energietransitie.
Wanneer twee projecten een gelijke totaalscore behalen, krijgt het project met de hoogste score op het criterium Realisatiestatus voorrang. Hiermee wordt prioriteit gegeven aan projecten met de grootste kans op daadwerkelijke en tijdige realisatie. Indien ook deze score gelijk is, is de score op het criterium Volkshuisvestelijke bijdrage doorslaggevend.
Het criterium realisatiestatus beoordeelt hoe ver een woningbouw- of onderwijsproject is gevorderd in het planologische, juridische en organisatorische proces. De beschikbaarheid van netcapaciteit is schaars. Om te voorkomen dat capaciteit wordt gereserveerd voor plannen die mogelijk niet tot uitvoering komen, wordt voorrang gegeven aan projecten waarvan de haalbaarheid en uitvoerbaarheid al in belangrijke mate zijn aangetoond.
Naarmate een project verder is gevorderd, zijn de risico's op vertraging, wijziging of uitval kleiner. Om die reden worden projecten met een verleende omgevingsvergunning het hoogst gewaardeerd. Ook projecten waarvoor een omgevingsplanprocedure is gestart of waarvoor bindende afspraken met de gemeente zijn gemaakt, ontvangen een hogere score dan projecten die zich nog in de initiatief- of verkenningsfase bevinden.
De toegekende punten weerspiegelen daarmee de verwachte realisatiezekerheid van een project.
B. Volkshuisvestelijke bijdrage
Met dit criterium wordt beoordeeld in hoeverre een woningbouwproject bijdraagt aan de gemeentelijke en regionale woningbouwopgave. Projecten die zijn opgenomen in de Woondeal maken onderdeel uit van regionale en nationale afspraken over de realisatie van woningen. Deze projecten dragen direct bij aan de afgesproken woningbouwproductie en ontvangen daarom extra punten. Daarnaast wordt een aanvullende waardering toegekend aan projecten waarbij een toegelaten instelling (woningcorporatie) betrokken is. Woningcorporaties spelen een belangrijke rol bij de realisatie van betaalbare huurwoningen en het huisvesten van doelgroepen waarvoor de woningmarkt onvoldoende aanbod biedt.
Het criterium stimuleert daarmee ontwikkelingen die bijdragen aan een evenwichtige woningvoorraad en de uitvoering van de gemeentelijke woonopgave.
C. Maatschappelijke voorzieningen
Nieuwe woningbouwprojecten hebben invloed op de leefomgeving en de vraag naar voorzieningen. Dit criterium beoordeelt daarom in welke mate een ontwikkeling bijdraagt aan een complete en leefbare woonomgeving. Onder maatschappelijke voorzieningen worden functies verstaan die de dagelijkse leefbaarheid, gezondheid en sociale cohesie ondersteunen, zoals onderwijsvoorzieningen, eerstelijns zorgvoorzieningen en ontmoetings- of wijkvoorzieningen.
Omdat dergelijke voorzieningen vaak een structurele meerwaarde hebben voor de gehele wijk of kern, ontvangen projecten die deze functies realiseren of mogelijk maken aanvullende punten.
Om de uitvoerbaarheid en objectiviteit van het criterium te waarborgen, worden uitsluitend voorzieningen meegewogen die zijn vastgelegd in een vastgesteld stedenbouwkundig plan, exploitatieovereenkomst, anterieure overeenkomst of een vergelijkbaar juridisch bindend document.
D. Energiebewuste gebiedsontwikkeling
Met dit criterium wordt invulling gegeven aan de ambitie om woningbouw- en onderwijsontwikkelingen beter af te stemmen op de beschikbare energie-infrastructuur en de energietransitie. Nieuwe woongebieden kunnen een aanzienlijke belasting vormen voor het elektriciteitsnet. Het toepassen van slimme energieoplossingen kan deze belasting beperken en bijdragen aan een efficiënter gebruik van de beschikbare transportcapaciteit.
Punten worden daarom toegekend aan projecten waarin aantoonbaar maatregelen zijn opgenomen die energievraag en piekbelasting beperken om het elektriciteitsnet te ontlasten.
Voorbeelden hiervan zijn energiehubs, collectieve energieopslagsystemen en slimme sturingsmaatregelen die vraag en aanbod van elektriciteit beter op elkaar afstemmen. Om te voorkomen dat alleen ambities worden meegewogen, worden uitsluitend maatregelen beoordeeld die zijn vastgelegd in een vastgesteld stedenbouwkundig plan, exploitatieovereenkomst, anterieure overeenkomst, energieplan of een vergelijkbaar juridisch bindend document.
Artikel 10. Loting bij gelijke rangordebepaling volgordelijst
Loting als tiebreaker is noodzakelijk om te voorkomen dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. De overgangsperiode bij de werkwijze ‘Eerder aanvragen’ brengt een specifiek risico mee: als alle projecten gelijktijdig worden ingediend en de selectiecriteria geen onderscheid bieden, kan loting als enige objectieve methode gelden. Loting is een door de rechtspraak erkende en objectieve methode bij gelijkwaardigheid van aanvragen. De openbaarheid van de loting is vereist om de transparantie te waarborgen en bezwaren te voorkomen.
De trekking kan digitaal uitgevoerd worden door een onafhankelijk systeem in aanwezigheid van een onafhankelijke getuige. De onafhankelijke getuige hoeft niet een notaris te zijn. De aanwezigheid van een onafhankelijke getuige neemt elke schijn van partijdigheid van de gemeente weg. De uitslag moet vastgelegd worden in een officieel proces-verbaal. Alle deelnemers worden individueel geïnformeerd over de uitslag en krijgen transparantie over hoe het proces is verlopen. Zij worden ook uitgenodigd om de loting bij te wonen.
Artikel 13. Rechtsbescherming en voorgenomen volgordelijst
Het aanvragen van transportcapaciteit is een privaatrechtelijke rechtshandeling van de gemeente op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet. De volgordebeslissing is een handeling ter voorbereiding van die rechtshandeling. Van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook geen sprake. Bestuursrechtelijk bezwaar en beroep staan niet open voor de projectontwikkelaar. Er wordt desondanks gekozen om projectontwikkelaars de mogelijkheid te bieden een reactie te geven op de voorgenomen volgordelijst. Binnen acht werkdagen na het delen van de voorgenomen volgordelijst heeft de projectontwikkelaar de mogelijkheid om schriftelijk een zienswijze in te dienen. Gedurende dezelfde termijn kan de projectontwikkelaar desgewenst een voorlopige voorziening aanvragen bij de bevoegde burgerlijke rechter.
Na afloop van de termijn beoordeelt het college de ontvangen zienswijzen en stelt de definitieve volgordelijst vast als bedoeld in artikel 12 van deze beleidsregels.
Bijlage 1 Afwegingskader aanvraag transportcapaciteit en prioriteit woningbouw- en onderwijsprojecten Rijssen-Holten 2026
Dit afwegingskader ondersteunt het college bij het objectief en transparant bepalen welke woningbouw- en onderwijsprojecten in aanmerking komen voor een aanvraag van transportcapaciteit binnen het ACM-prioriteringskader. Het kader sluit aan bij de geldende uitgangspunten van de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de landelijke werkwijze ‘Eerder Aanvragen’. Woningbouw- en onderwijsprojecten kunnen uiterlijk tien jaar vóór de geplande oplevering worden aangemeld, mits sprake is van een voldoende concreet en uitvoerbaar project.
Stap 1. Voorwaardelijke criteria
Stap 2. Rangschikking op start bouwjaar
Van 1 tot en met 23 oktober 2026 geldt dat gemeenten eenmalig hun aanvragen gecoördineerd kunnen indienen bij de netbeheerder. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) verzoekt dit te doen in tijdsblokken op basis van het startbouwjaar, omdat dit in de praktijk tot nu toe de meest gangbare datum is voor het moment waarop netcapaciteit wordt aangevraagd en nodig is. Daarnaast biedt het startbouwjaar gemeenten de beste juridische en planmatige onderbouwing voor de aanvraag. Daarbij blijft als harde voorwaarde gelden dat de definitieve aansluiting uiterlijk in 2036 plaatsvindt. De tijdsblokken zijn:
Projecten die voldoen aan de voorwaardelijke criteria zullen worden ingedeeld op basis van start bouwjaar en ook in dat daarvoor bestemde tijdsblok worden ingediend.
Projecten die voldoen aan de voorwaardelijke criteria en die binnen hetzelfde tijdsblok vallen worden getoetst op basis van het volgende afwegingskader om de volgorde van indiening in dat tijdsblok te bepalen:
Indien twee projecten dezelfde score behalen, gaat het project met de hoogste score op criterium A (Realisatiestatus) voor. Wanneer ook deze score gelijk is, gaat het project met de hoogste score op criterium B (Volkshuisvestelijke bijdrage) voor.
De realisatiestatus van een project is de mate waarin een project planologisch, juridisch en organisatorisch is gevorderd en daarmee de kans op daadwerkelijke realisatie. Hoe verder een project is uitgewerkt en vastgelegd, hoe hoger de realisatiestatus.
B. Volkshuisvestelijke bijdrage
De volkshuisvestelijke bijdrage van een project is de mate waarin een woningbouwproject bijdraagt aan de gemeentelijke en regionale woonopgave.
C. Maatschappelijke voorzieningen
De aanwezigheid van maatschappelijke voorzieningen bij de ontwikkeling van een project ziet op de mate waarin een project zelf maatschappelijke functies omvat of direct bijdraagt aan voorzieningen die noodzakelijk zijn voor een leefbare woonomgeving. Maatregelen moeten zijn vastgelegd in een vastgesteld stedenbouwkundig plan, exploitatieovereenkomst, anterieure overeenkomst of een vergelijkbaar juridisch document.
D. Energiebewuste gebiedsontwikkeling
Een gebiedsontwikkeling waarbij aantoonbaar maatregelen worden getroffen om de energievraag te beperken, duurzame energie lokaal op te wekken en te benutten, energieopslag en slimme energiesturing toe te passen om de impact op het elektriciteitsnet te verminderen. Het doel is een toekomstbestendige ontwikkeling die past binnen de beschikbare netcapaciteit en die het elektriciteitsnetwerk zo min mogelijk belast. Maatregelen moeten zijn vastgelegd in een vastgesteld stedenbouwkundig plan, exploitatieovereenkomst, energieplan of een vergelijkbaar juridisch document.
Een projectdossier bevat minimaal:
Van een volledig projectdossier is sprake wanneer voldoende informatie beschikbaar is om de concreetheid, uitvoerbaarheid en planning van het project te beoordelen. Het dossier bevat in ieder geval projectgegevens, planning en fasering, woningbouwprogramma, planologische en juridische status, financiële en organisatorische uitvoerbaarheid, gegevens over netcapaciteit en energie, eventuele maatschappelijke voorzieningen en de relevante onderbouwende documenten.
Bijlage 2. Concept verklaring financiële verplichting netaansluiting
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-382646.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.