Gemeenteblad van Rijswijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijswijk | Gemeenteblad 2026, 37886 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijswijk | Gemeenteblad 2026, 37886 | beleidsregel |
Nota reserves, voorzieningen en weerstandsvermogen 2025
Reserves en voorzieningen zijn belangrijk voor een gemeente. Een goede reservepositie is afgestemd op de risico’s waarmee de gemeente te maken kan krijgen en ook op de ambities die de gemeente wil realiseren. Geld kan maar één keer worden uitgegeven. Daarom is het ook belangrijk om geld voor verwachte toekomstige verplichtingen met enige onzekerheid apart te zetten in de vorm van een voorziening.
In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) en in de Financiële verordening Rijswijk 2023 (hierna: de verordening) zijn regels opgenomen over reserves en voorzieningen.
In deze nota reserves, voorzieningen en weerstandsvermogen zijn zowel de wettelijke als de gemeentelijke regels bij elkaar gebracht en, indien nodig, nog verder uitgewerkt of toegelicht.
In hoofdstuk 2 staat een korte toelichting op de bepalingen in het BBV die het meest relevant zijn voor de gemeenteraad, het college en de overige gebruikers van de nota reserves en voorziening.
Hoofdstuk 3 bevat de wettelijke én gemeentelijke afspraken over reserves. De afspraken die gaan over de voorzieningen staan in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het weerstandsvermogen en risicomanagement besproken. Hiermee vervalt ook de aparte huidige nota weerstandsvermogen en risicobeheersing die door de raad is vastgesteld op 17 december 202131. Hoofdstuk 6 gaat over de relaties tussen reserves en voorzieningen aan de ene kant, en aan de andere kant het weerstandsvermogen, alsmede de gevolgen voor de daaruit voortvloeiende relevante ratio’s.
2. Landelijke regelgeving voor reserves en voorzieningen
Een aanzienlijk deel van het reserve- en voorzieningenbeleid ligt vast in het BBV. Deze regels vormen het uitgangspunt voor deze nota. De gemeenteraad bepaalt hoe deze regels verder worden ingevuld. In dit hoofdstuk lichten we de meest relevante bepalingen toe.
Het eigen vermogen is het resultaat van het totaal van alle activa (debetzijde balans) verminderd met alle schulden (creditzijde balans). Het bestaat uit de algemene reserve, eventuele bestemmingsreserves en het gerealiseerde resultaat van baten verminderd met de lasten in de jaarrekening. Het gerealiseerde resultaat wordt als afzonderlijk onderdeel getoond in de jaarrekening. Schematisch ziet dit er zo uit:
Reserves zijn onderdeel van het eigen vermogen en er zijn twee soorten te onderscheiden.
De algemene reserve dient voor:
Daarnaast is het mogelijk bestemmingsreserves in te stellen. Een bestemmingsreserve is bijvoorbeeld een reserve ter dekking van kapitaallasten (dit zijn afschrijvingen en rente). De raad kan natuurlijk de bestemming wel wijzigen maar dan zullen de kapitaallasten rechtstreeks op de exploitatie drukken. Daarnaast kan ook een egalisatiereserve ingesteld worden. Het is aan de raad om te besluiten een bestemmingsreserve in te stellen, op te heffen of de bestemming te wijzen en de omvang te bepalen.
Voorzieningen vallen onder het vreemd vermogen van de gemeente. Bij voorzieningen heeft de Raad geen expliciete keuzemogelijkheid. Er is een verplichtend karakter. Het gaat om gebeurtenissen waarvan het waarschijnlijk is dat die in de toekomst geld gaan kosten, zoals verliezen, risico’s en verplichtingen die redelijkerwijze zijn in te schatten. De onzekerheid kan betrekking hebben op de omvang van het bedrag en/of het voordoen van de gebeurtenis. Dit geld moet beschikbaar zijn in de voorziening. Een uitzondering hierop is de keuze voor een kostenegalisatievoorziening. Hier moet dan verplicht een geldig beheerplan aanwezig zijn.
Het verschil tussen een reserve en voorziening zit hem dus in het vrije respectievelijk het verplichte karakter.
Reservemutaties zijn onderdeel van de resultaatbestemming. Dat betekent dat zij niet ten laste komen van de exploitatie.
Bij een positief eindsaldo van het boekjaar kan de raad besluiten een bedrag van dit resultaat toe te voegen aan een ingestelde bestemmingsreserve of deze bestemmingsreserve in te stellen. Bij een negatief eindsaldo kan dit natuurlijk ook maar zal het eigen vermogen verminderen.
Structureel en reëel begrotingsevenwicht
Daaruit vloeit voort dat toevoegingen aan en onttrekkingen uit de reserves altijd incidenteel zijn. Twee uitzonderingen:
Toevoegingen aan voorzieningen zijn juist wel onderdeel van de exploitatie. De daadwerkelijke uitgaven worden rechtsreeks ten laste van de voorziening op de balans geboekt en deze boeking loopt dus niet via de exploitatie. Reden hiervan is dat de kosten moeten worden toegerekend aan de jaren waar zij betrekking op hebben.
In het kader van het begrotingsevenwicht zijn mutaties van onderhoudsvoorzieningen structureel. Mutaties in bestemmingsreserves hebben een incidenteel karakter, met uitzondering van dekkingsreserves voor de kapitaallasten.
Tot slot een overzicht van de verschillende functies van reserves. Functies zijn (al dan niet in combinatie):
Samenvattend ziet dit er als volgt uit:
|
Incidenteel karakter2 |
|
|
Na opheffen zijn de resterende middelen onderdeel van de resultaatbestemming in de exploitatie |
Na opheffen komen de resterende middelen op het betreffende taakveld |
|
Rentetoevoeging niet toegestaan tenzij sprake is van contante waarde |
|
Reserves zijn er om te sparen voor incidentele zaken die niet direct in de exploitatie opgevangen kunnen worden. Reserves kunnen onderverdeeld worden in de algemene reserve en bestemmingsreserves. Hieronder lichten we de rubrieken toe.
Een gemeente heeft altijd een algemene reserve nodig. Deze reserve dient als buffer voor financiële tegenvallers, onvoorziene risico’s en eventuele tekorten van een jaarrekening. De algemene reserve wordt onder andere gevoed door gerealiseerde positieve jaarresultaten.
De algemene reserve is het belangrijkste onderdeel van het gemeentelijke weerstandsvermogen. Dit is de financiële ruimte die er beschikbaar is om eventuele calamiteiten of risico’s op te kunnen vangen.
Twee keer per jaar actualiseren we de omvang van het weerstandsvermogen en de omvang van de risico’s. Dat gebeurt in de paragraaf “weerstandsvermogen en risicobeheersing” van de begroting en van de jaarrekening.
Naast de algemene reserve kan de gemeenteraad bestemmingsreserves instellen. Er zijn drie soorten:
Een doelreserve is bedoeld voor een specifiek doel, zoals kosten voor onderzoek en/of voorbereiding voor een investering die mogelijk in de toekomst gedaan wordt.
Met een egalisatiereserve kunnen kosten en of baten die jaarlijks in hoogte fluctueren gelijkmatiger over de begrotingsjaren verdeeld worden. Voorbeelden hiervan zijn legesopbrengsten of open einde regelingen.
Reserve voor de dekking van (een gedeelte van de) afschrijvingslasten
Dit is een reserve waaruit de afschrijvingslasten van een specifieke investering (van het afgesproken deel) gedekt worden. De onttrekkingen uit deze reserve worden als structureel aangemerkt. Voorwaarden is dat de looptijd van de reserve gelijk is aan de termijn van de afschrijvingsperiode.
Afspraken over reserves in Rijswijk
Een reserve mag niet negatief3 zijn.
Deze afspraken hebben als doel alleen reserves te houden die een realistisch en specifiek doel hebben dat haalbaar is. De hoeveelheid en omvang van reserves bepaalt namelijk het eigen vermogen en daarmee de solvabiliteitratio. Tevens wordt de algemene reserve en reserves die dienen als buffer gebruikt voor bepaling van het de benodigde weerstandscapaciteit getoond in de verplichte paragraaf “weerstandsvermogen en risicobeheersing” van de jaarrekening en de begroting. In het hoofdstuk weerstandsvermogen en risicomanagement wordt daar verder op ingegaan.
4. Afspraken over de voorzieningen
Voorzieningen zijn er om geld opzij te zetten voor het betalen van een risico of verplichting waarvan zeker is dat het zich voordoet maar waarvan de omvang en/of het tijdstip van optreden nog onzeker is. In een aantal gevallen is het vormen van een voorziening een wettelijke plicht. Er zijn ook voorzieningen waar de gemeenteraad een keuze heeft om ze in te stellen waarbij een onderliggend beheerplan wordt opgesteld.
Wettelijk verplichte voorziening
Het instellen van een voorziening is verplicht als er sprake is een van onderstaande situaties:
De omvang van bestaande risico’s ter zake bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen zijn redelijkerwijs in te schatten op de balansdatum.
Als de omvang van een risico is in te schatten, moet dit geld worden opgenomen in een voorziening. Als de omvang niet in te schatten is, dan is het risico-onderdeel van de gemeentelijke risico-inventarisatie.
Er is sprake van toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35,eerste lid, onder b van de BBV 4 . Voorbeeld hiervan is de rioolheffing.
Wanneer er sprake is van activiteiten waar de kosten onregelmatig gespreid zijn over de begrotingsjaren kan de gemeenteraad kiezen om hier een voorzienig voor in te stellen. Dit komt vaak voor bij het groot onderhoud van kapitaalgoederen zoals wegen, waterwegen, riolering en gebouwen. De raad kan in deze gevallen ook besluiten om de kosten in de meerjarenraming op te nemen (exploitatie) of om de kosten te egaliseren met behulp van een reserve.
Als de keuze van de raad valt op een egalisatievoorziening dan kan deze alleen worden ingesteld en gevoed op basis van een actueel beheerplan van het desbetreffende kapitaalgoed. Om een beheerplan actueel te houden moet uiterlijk in juli voorafgaand aan het jaar dat de planning van het beheerplan eindigt, een nieuw plan door de raad worden vastgesteld. Hierdoor kunnen de financiële effecten van dat plan tijdig worden meegenomen in de begroting van het nieuwe jaar. In het beheerplan wordt tevens vermeld welke wijze van indexatie wordt gehanteerd.
Mutaties ten gunste van onderhoudsvoorzieningen hebben een structureel karakter. Mutaties in bestemmingsreserves onderhoud zijn incidenteel.
5. Weerstandsvermogen en risicomanagement
De paragraaf “weerstandsvermogen en risicobeheersing” is één van de verplicht op te nemen paragrafen in de begroting en het jaarverslag volgens de artikelen 9 en 26 van het BBV. In deze paragraaf wordt risico’s getoond waarvoor een weerstandsvermogen is vereist. De risico’s en het vereiste weerstandsvermogen hangen samen met de reserves, voorzieningen en het risicomanagement. In dit hoofdstuk worden de verbanden uitgelegd en worden afspraken vermeld.
Een risico is te omschrijven als een interne of externe onzekere gebeurtenis die het behalen van de strategie of doelstellingen van Rijswijk negatief kan beïnvloeden. Het betreft dus een bepaalde mate van het voordoen van een kans.
Hier ligt een verband met voorzieningen. Die kunnen worden gevormd als er gegronde redenen voor zijn met een deugdelijke onderbouwing en het bedrag betrouwbaar te schatten is. Deze onzekere gebeurtenissen worden dus op andere wijze ‘gedekt’ door een post op de balans te boeken onder voorzieningen. Zoals hierboven getoond, is dit een schuld, en dus vreemd vermogen.
Het risicomanagement laat zich definiëren als het systematisch opzetten, uitvoeren en bewaken van het tijdig waarnemen, prioriteren en analyseren van risico’s en daarvoor maatregelen te bedenken en uit te voeren. De risico’s kennen vele verdeelsoorten die we hier niet noemen. Belangrijk is te onderkennen dat risico’s direct of indirect een nadelig financieel en/of andere nadelige effecten kunnen hebben. Het is voor de bestuurders belangrijk beide risico’s tijdig en volledig in beeld te hebben om daarop adequaat te kunnen reageren.
Niet alle risico’s komen in aanmerking. Bepaalde risico’s zijn verzekerbaar. Kleine risico’s (< € 60k) kunnen volstaan met acceptatie van de kans.
Voor het inventariseren en beheersen zijn meerdere methoden mogelijk. Rijswijk legt risico’s vast in de risicomanagementapplicatie NARIS. Deze maakt gebruik van de zogenaamde “Monte-Carlo” simulatie.
Deze methode gaat ervan uit dat niet alle risico’s zich tegelijk zullen voordoen en levert als resultaat een ‘top 10’ op van risico’s. De uitkomst van deze simulatie wordt per specifiek risico onder andere beïnvloedt door de opgegeven kans, het percentage, het bedrag en de aard van het risico. In de hierboven genoemde paragraaf staat standaard een meer uitgebreide toelichting.
Het is dus belangrijk dat jaarlijks vóór het vaststellen van de begroting en de jaarrekening alle vastgelegde risico’s in NARIS worden gecontroleerd op juistheid, volledigheid en actualiteit. Want dan levert de simulatie het meest zuivere resultaat op. En dat heeft weer gevolgen voor de te bepalen omvang van de benodigde weerstandscapaciteit.
De simulatie door NARIS levert dus van de ‘top 10’ risico’s een benodigd weerstandsvermogen waarbij het apart berekende benodigde weerstandsvermogen voor de grondexploitatie van Rijswijk Buiten wordt opgeteld. Met betrekking tot dit totale benodigde weerstandsvermogen wordt bepaald in hoeverre het beschikbare weerstandsvermogen voldoet.
Dit weerstandsvermogen is feitelijk een weergave van het eigen vermogen). Zoals hierboven uiteengezet is dat de optelsom van de algemene reserve, rekeningresultaat en de bestemmingsreserves zonder onderliggende harde verplichtingen (beklemming).
In een formule leidt dit tot de volgende ratio:
Nu wordt duidelijk wat het belang is van de omvang van het eigen vermogen en hoe dit ingezet wordt.
Hoe groter de ‘teller’ in de deling en lager de ‘noemer’, hoe groter (beter) de ratio. Om de waarde van de ratio’s weer te geven gelden de volgende kwalificaties:
Voor solvabiliteit geldt dus een ratio van minimaal 20% als voldoende. Dit geeft de verhouding weer tussen eigen en vreemd vermogen. Hiermee wordt geduid in welke mate een overheid aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Een percentage lager dan 20 kan erop duiden dat een gemeente zijn bezit (activa op de debetzijde balans) onevenredig zwaar heeft gefinancierd met schulden. De rentelasten van dergelijke schulden drukken op de exploitatie als lasten.
Om die reden is het belangrijk om voldoende eigen vermogen te houden in de vorm van een algemene reserve en eventuele bestemmingsreserves. Daarom is het van belang dat in de jaren waarin Rijswijk een solvabiliteitsratio van lager dan 20% heeft, dat college en de raad afspraken maken over het te hanteren aanvullend financieel beleid. Voor de weerstandsratio geldt 0,8 als minimale waarde.
De ratio’s fluctueren de afgelopen 10 jaren, maar blijven gemiddeld boven de minimale waarden. De ratio’s kunnen onder druk komen te staan door incidentele of structurele tegenvallers. Met name exogene oorzaken vormen lastig te besturen factoren.
Als daarbovenop een voorziening wordt ingesteld, verhoogd of aangevuld, daalt het eigen vermogen verder.
De dotatie vormt namelijk een last in de exploitatie waardoor het resultaat daarvan daalt.
Daarom is het dus belangrijk de algemene reserve structureel op een zodanig peil te houden dat de bovengenoemde ratio’s minimaal voldoende blijven voor een wendbare en weerbare financiële huishouding. Dit brengt mee dat er strak gestuurd moet worden op het te realiseren rekeningresultaat.
Voldoende eigen vermogen in relatie tot het vreemde vermogen is belangrijk voor toekomstige investeringen om te voorkomen dat te veel leningen worden aangegaan wat leidt tot stijgende kapitaallasten, zeker bij een stijging van de rente, prijsstijgingen en volumegroei.
Er dient terughoudend omgegaan te worden met het instellen van bestemmingsreserves. Weliswaar kan een bestemmingsreserve te allen tijde worden gewijzigd door de raad, maar als het een dekkingsreserve betreft of er zijn al verplichtingen aangegaan, dan is dat niet meer mogelijk. Deze worden aangeduid met beklemde reserves. Bovendien zou bij opheffing van bestemmingsreserves een zogenaamd “waterbed-effect” optreden. Het verhoogt de algemene reserve maar de doorlopende lasten drukken dan op de exploitatie van het lopende jaar en eventueel de jaren erna ten koste van het eindresultaat.
Hier ligt de verbinding tussen het beleid met betrekking tot, en de hoogte van de reserves en voorzieningen in relatie tot het weerstandsvermogen. Als de minimale waarden van bovengenoemde ratio’s namelijk niet gehaald worden, dan reageert de Provincie daarop. Het zijn geen dwingende normen maar het zijn wel signaleringswaarden voor de Provincie die aangeven hoe de financiële positie van Rijswijk ervoor staat. In het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader 2020 van de Provincies wordt in de toetsingslijst onder andere de volgende toetsen aangegeven:
Om een goede en strakke sturing mogelijk te maken worden hieronder de volgende afspraken voorgesteld, afspraken over weerstandsvermogen in Rijswijk
Met betrekking tot de afspraken onder punten c. en d. hangt het van de inhoudelijke reactie van de Provincie af welke consequenties volgen uit ratio’s die lager uitvallen. Zoals hierboven al aangegeven zijn dit geen harde normen van de Provincie maar signaleren zij wel dat de financiële positie van een gemeente niet goed is. Dat heeft gevolgen voor de druk van de totale lasten op een exploitatie en het noodzakelijke weerstandsvermogen. Hierbij spelen de vragen:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-37886.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.