Gemeenteblad van Almere
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Almere | Gemeenteblad 2026, 376629 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Almere | Gemeenteblad 2026, 376629 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027-2030
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:
Onderwijsachterstanden: een situatie waarbij leerlingen door ongunstige omgevingskenmerken slechter presteren op school dan ze bij een gunstigere situatie zouden kunnen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek meet onderwijsachterstanden door een onderwijsscore per leerling te berekenen waarin de omgevingskenmerken worden weergegeven. De onderwijsscore per leerling wordt jaarlijks vertaald naar een score per gemeente.
Hoofdstuk 2. Pijler Vroeg- en Voorschoolse Educatie (VVE)
Paragraaf 2.1. Inhoudelijke bepalingen
Het doel van deze pijler is om de uitvoering van voorschoolse educatie op voorscholen mogelijk te maken.
Paragraaf 2.2. Subsidie kindplaats
Artikel 5.2. Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de verwachte verdeling van de bezetting over deze kindplaatsen, op basis van de registratie in de overdrachtsdocumenten (peildatum: 1 oktober). Omdat dit in de praktijk kan afwijken, mag met de besteding van de subsidie met de subsidiebedragen tussen de kindplaatsen van lid 1 sub a t/m c worden geschoven.
Het college stelt een vast subsidiebedrag per uur voor maximaal 320 uur per locatie beschikbaar voor de inzet van een ambulante (derde) pedagogisch professional. De locaties waar de ambulante pedagogisch professional wordt ingezet dienen elk voor ten minste 70% te bestaan uit doelgroepkinderen (peildatum: 1 oktober van het voorgaande subsidiejaar). Het percentage wordt berekend op basis van het aantal geplaatste doelgroeppeuters per dag per locatie.
Per locatie stelt het college een vast subsidiebedrag beschikbaar voor de bekostiging van de extra inzet die nodig is om volgens de Basisstructuur voor Ondersteuning (BvO) te werken. Het betreft taken die zijn opgenomen in de Werkwijze Basisstructuur voor Ondersteuning, aangereikte instrumenten en de daarbij behorende taakomschrijving. Voor de extra inzet wordt uitgegaan van 30 uren per locatie per jaar.
Voor de subsidiebedragen uit lid 3 geldt voor peutergroepen in de dagopvang een minimum van twee doelgroeppeuters. Dat wil zeggen dat deze subsidiebedragen voor ten minste twee doelgroeppeuters per peutergroep worden beschikt, ook als het werkelijke aantal lager ligt. Houder is verplicht op deze groepen een pedagogisch beleidsmedewerker VE voor tenminste 20 uren per jaar in te zetten.
Artikel 5.3. Subsidieuitkering
Bevoorschotting vindt maandelijks plaats per de 1e van de maand op basis van het aantal bezette VE-kindplaatsen zoals vastgelegd in het toeleidings- en overdrachtsinstrument. Peildatum van het aantal bezette kindplaatsen is de 15e dag van de voorgaande maand.
De hoogte van de ouderbijdrage voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag wordt door de houder bepaald op basis van de inkomensgroep van de ouders. De inkomensgroep wordt bepaald op basis van de door ouders te overleggen Inkomensverklaringen (IB60) en eventueel aanvullende documenten, zoals bedoeld in artikel 5.5.
Artikel 5.5. Toetsing recht op een gesubsidieerde kindplaats
Voor het toetsen of een kind in aanmerking komt voor een gesubsidieerde kindplaats, dient de houder vast te stellen of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag. Dit doet de houder aan de hand van de ondertekende ‘Verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag’, in combinatie met een Inkomensverklaring (IB60) van (bei)de ouder(s).
Als ouders aangeven dat het verwachte verzamelinkomen over het subsidiejaar wijzigt ten opzichte van het verzamelinkomen dat is aangegeven op de Inkomensverklaring(en) (IB60) dan kunnen zij deze verklaring(en) aanvullen met documenten waaruit de hoogte van het verwachte verzamelinkomen over het subsidiejaar blijkt. Dit kunnen zijn:
Uit de documenten dient te blijken dat de inkomenswijziging in ieder geval geldt voor de eerste maand van plaatsing op een kindplaats.
Als op de inkomensverklaring (IB60) is vermeld ‘geen inkomensgegevens bekend’ kan een kind toch geplaatst worden en ontvangt houder subsidie voor deze kindplaats. In dit geval blijkt het verwachte verzamelinkomen over het subsidiejaar uit documenten als:
Uit de documenten dient te blijken dat de inkomenswijziging structureel is, en in ieder geval geldt voor de eerste maand van plaatsing van het kind op een kindplaats.
Het college verstrekt uitsluitend subsidie kindplaats aan een houder met één of meer locaties die in de gemeente Almere zijn geregistreerd in het LRK voor één of meer van de activiteiten die zijn opgenomen in artikel 5.1. lid 1 t/m 4.
Paragraaf 2.3. Subsidie verrijking educatieve omgeving
Artikel 6.2. Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
Paragraaf 2.4. Subsidie versterking VVE-omgeving
Artikel 7.2. Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.
Paragraaf 3.3. Subsidie Taalbewustzijn
Artikel 12.2. Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.
Het college verstrekt uitsluitend subsidie taalbewustzijn aan maatschappelijke organisaties in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 12.1. lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn.
Artikel 12.4. Aanvullende verplichtingen
Aanvrager is verplicht tot het realiseren van cofinanciering van ten minste 25% van de subsidiabele kosten in de geraamde begroting. Cofinanciering kan zowel in-kind als financieel van aard zijn, en kan worden verstrekt door zowel de aanvrager als (een) andere organisatie(s).
Hoofdstuk 4. Pijler Kansengelijkheid
Paragraaf 4.3. Subsidie zomeronderwijs
Artikel 16.2. Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten.
Artikel 16.3. Aanvullende vereisten
De activiteiten die worden gesubsidieerd dienen plaats te vinden buiten schooltijd.
Paragraaf 4.4. Subsidie buitenschoolse activiteiten
Artikel 17.2. Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten.
Paragraaf 4.5. Subsidie toekomstoriëntatie
Artikel 18.2. Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten.
De volgende bepalingen zijn van toepassing op alle subsidies in deze regeling, tenzij anders aangegeven.
Artikel 20. (Niet) subsidiabele kosten
Voor alle subsidies niet berekend op basis van een vaststaand tarief, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
Artikel 24. Beoordelingscriteria
Voor de beoordeling van subsidieaanvragen die voldoen aan de artikelen 21 en 22, hanteert het college de volgende, opeenvolgend toe te passen verdelingsregels.
Artikel 25. Prioriteringscriteria
Bij gelijkheid binnen een prioriteringscategorie zoals bedoeld in artikel 24, lid 5 vindt beoordeling plaats aan de hand van een puntensysteem, zoals uitgewerkt in Bijlage 1 behorend bij deze regeling. Elk criterium heeft eenzelfde zwaarte in de totaalscore.
Artikel 27. Voorwaarden om in aanmerking te komen
De weigeringsgronden uit artikel 9 van de ASV en de voorwaarden in deze subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027–2030 blijven gelden. Daarnaast gelden de volgende voorwaarden:
Artikel 30. Vaststelling subsidie
De vaststelling van de subsidie door het college vindt plaats conform de bepalingen uit artikel 18 van de ASV.
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van deze regeling als strikte toepassing leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afwijking wordt gemotiveerd in de subsidiebeschikking.
Op subsidies die zijn verleend op grond van de Nadere regels subsidie Voorschoolse educatie Almere 2023-2026, blijven de bepalingen van die Nadere regels van toepassing, zoals die luidden onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van deze subsidieregeling, tot die subsidies zijn vastgesteld en onherroepelijk zijn afgewikkeld.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Almere op 23 juni 2026
de secretaris,
A. van Mazijk
de burgemeester,
W H.J.M. van der Loo
Bijlage 1 – Prioriteringscriteria
Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van vier criteria. De criteria worden hieronder puntsgewijs besproken. Per criterium is het maximaal aantal punten weergegeven. Er valt een maximum van 26 punten te behalen.
Criterium 1: Breedte van bijdrage aan de doelen in de LEA (maximaal 8 punten)
Met deze subsidieregeling wenst het college bij te dragen aan de LEA. De LEA kent vier maatschappelijke opgaven. Aanvrager draagt expliciet en inzichtelijk bij aan de opgaven. Uit de aanvraag blijkt op welke manier de activiteiten bijdragen aan de LEA. De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin deze bijdrage reëel, realistisch en navolgbaar is. Per opgave waaraan realistisch, reëel en navolgbaar wordt bijgedragen, worden 2 punten toegekend.
Criterium 2: Samenwerking met partners (maximaal 8 punten)
Het college wenst dat partners samen werken aan het terugdringen en voorkomen van onderwijsachterstanden. Aanvrager dient expliciet de samenwerking te zoeken met diverse partners in het domein in het uitvoeren van de activiteiten. Uit de aanvraag dient te blijken dat een duurzame samenwerking is of wordt opgebouwd, waarin – waar vereist – cofinanciering plaatsvind door samenwerkende partners.
Er worden 4 punten toegekend voor aanvragen waaruit de duurzame samenwerking blijkt. De aanvraag met het hoogste aantal samenwerkende partners ontvangt 4 aanvullende punten.
Criterium 3: Verrijking van het aanbod in de wijk (maximaal 5 punten)
Het college wenst dat subsidiegelden evenredig worden verdeeld over de verschillende wijken van Almere. Aanvrager dient in de aanvraag te expliciteren in welke wijk(en) de activiteiten plaatsvinden. De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin er in het voorgaande subsidiejaar subsidies voor onderwijsachterstandsbeleid zijn toegekend aan organisaties die activiteiten in de betreffende wijk(en) uitvoeren. De aanvraag voor activiteiten in een wijk met het laagste absolute bedrag aan subsidies ontvangt 5 punten. Als activiteiten in meerdere wijken plaatsvinden, wordt gekeken naar het laagste gemiddelde bedrag aan subsidies.
Criterium 4: Gemiddelde OAB-score op scholen (maximaal 5 punten)
Het college wenst dat subsidiegelden worden ingezet in wijken waar de noodzaak voor interventies en activiteiten hoog is. Aanvrager dient in de aanvraag te expliciteren in welke wijk(en) de activiteiten plaatsvinden. De aanvraag voor activiteiten in een wijk met de hoogste gemiddelde achterstandsscore (berekend door het CBS) op scholen ontvangt 5 punten. Als meerdere aanvragen dezelfde gemiddelde achterstandsscore hebben, ontvangen al deze aanvragen 2 punten.
Memorie van Toelichting – subsidieregeling onderwijsachterstanden
Als gemeente zetten we ons samen met partners voortdurend in om de kwaliteit van ons onderwijs te versterken. Zo bieden we ruimte aan ieder kind en iedere jongere om zichzelf te leren kennen, hun talenten te benutten en een eigen pad voor zichzelf te bewandelen. In de Lokale Educatieve Agenda 2024-2028 hebben we daarom afspraken gemaakt met elkaar. Samen zetten we ons in op vier maatschappelijke opgaven:
Naast deze maatschappelijke opgave, hebben we in Almere een duidelijke opgave omtrent onderwijsachterstanden. We zijn een stad die groeit, en in onze stad wonen kinderen met verschillende achtergronden. We zetten ons in om ervoor te zorgen dat alle kinderen in Almere dezelfde onderwijskansen kunnen benutten, ongeacht hun achtergrond en situatie. Hiervoor ontvangen we middelen vanuit het Rijk, de onderwijsachterstandsmiddelen.
De huidige Nadere regels Voorschoolse Educatie 2023–2026 lopen af per 31 december 2026. Dit maakt actualisatie van het subsidiekader noodzakelijk. Tegelijkertijd is er inhoudelijk aanleiding om het bestaande kader te verbreden en te versterken, zodat het beter aansluit bij het bredere onderwijsachterstandenbeleid (OAB) en de opgaven uit de Lokale Educatieve Agenda (LEA).
Uit recente analyses en onderzoeken naar de inzet van onderwijsachterstandsmiddelen blijkt dat de besteding van OABmiddelen in de praktijk versnipperd is en dat de samenhang met de LEAopgaven voor partners in de uitvoering beperkt zichtbaar is. Terwijl veel initiatieven op uitvoeringsniveau ontstaan, is de gezamenlijke koers – en de bijdrage aan stedelijke doelen – onvoldoende expliciet.
Daarnaast vraagt de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente op het gebied van onderwijsachterstanden, in het bijzonder het versterken van de Nederlandse taal, om een doelgerichter en transparanter subsidiekader. Ook ontwikkelingen in de financiering (zoals de Specifieke Uitkering (SPUK) OAB en de mogelijke toekomstige overgang naar het gemeentefonds) onderstrepen de noodzaak van een samenhangende, toekomstbestendige regeling.
Deze ontwikkelingen samen vormen de aanleiding om te komen tot één brede subsidieregeling onderwijsachterstanden, waarin VVE, taal en kansengelijkheid in onderlinge samenhang worden bezien.
Het doel van het opstellen van de nieuwe subsidieregeling onderwijsachterstanden is te komen tot een helder, samenhangend en toekomstbestendig subsidiekader dat bijdraagt aan het effectief terugdringen van onderwijsachterstanden in Almere én het realiseren van de gezamenlijke ambities uit de Lokale Educatieve Agenda (LEA), binnen de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente.
De regeling dient per 1 januari 2027 in werking te treden, aansluitend op het aflopen van de huidige Nadere regels Voorschoolse Educatie eind 2026.
De nieuwe subsidieregeling is gericht op drie belangrijke pijlers, Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), Taal en Kansengelijkheid. De drie pijlers hangen nauw met elkaar samen, maar kennen een eigen focus. Binnen de pijlers VVE, Taal en Kansengelijkheid subsidiëren we verschillende typen activiteiten. We gaan kort op elk van de drie pijlers in:
De pijler VVE richt zich op het mogelijk maken van voorschoolse educatie en het verrijken van voorschoolse educatie door activiteiten gericht op natuur, kunst en cultuur . De kinderopvang is een cruciale omgeving voor kinderen om een goede start te maken in het onderwijs. VVE zorgt ervoor dat kinderen met een risico op een (taal)achterstand spelenderwijs hun woordenschat vergroten, sociale vaardigheden versterken en hun cognitieve vaardigheden laten groeien. Zo versoepelen we voor deze kinderen de stap naar groep 1. We richten ons daarbij als gemeente op voorscholen; daar ligt onze wettelijke verantwoordelijkheid. Het primaat voor de vroegscholen ligt bij het onderwijs.
We subsidiëren daarom kindplaatsen voor kinderen met een VVE-indicatie. Ook subsidiëren we een derde pedagogisch professional, zodat kinderen de aandacht krijgen die ze nodig hebben. De gemeente Almere heeft aanvullend hierop gekozen voor het werken volgens de Basisstructuur voor Ondersteuning (BvO). Deze werkwijze vraagt om een expliciete, planmatige en cyclische ondersteuningsstructuur op locatieniveau, met vaste overlegmomenten, regievoering en multidisciplinaire afstemming. De uitvoering van deze structuur overstijgt de reguliere VE-taken en vraagt om aanvullende inzet van de kinderopvangorganisatie. Hiervoor stellen we ook een subsidiebedrag beschikbaar. Verder subsidiëren we de stedelijk coördinator voor het jonge kind en de wijkbijeenkomsten 0-12 jaar en het aanbieden van een kunst- en cultuuraanbod voor jonge kinderen.
We streven daarbij naar een kwalitatief sterk aanbod met de Almeerse stedelijke kwaliteitsschaal. Daarvoor laten we eens in de vier jaar onderzoek doen, evalueren we het VVE-beleid, en volgen we de ontwikkelingen meerjarig. Het doel is een bereik van 90% van de doelgroep.
Taal is een van de belangrijkste componenten in het tegengaan en voorkomen van onderwijsachterstanden. Taalachterstanden leiden snel tot onderwijsachterstanden. Daarom richten we ons in deze pijler op interventies gericht op taal. We stimuleren activiteiten die zorgen voor een taalrijke omgeving voor kinderen, zodat ze op jonge leeftijd in aanraking komen met taal in alle vormen. Ook stimuleren we het taalonderwijs voor nieuwkomers.
Onderwijsachterstanden hangen – naast taalachterstanden – ook samen met de sociaal-culturele omgeving van kinderen. In aanraking komen met natuur, kunst en cultuur draagt bij aan de sociale ontwikkeling van kinderen. In de pijler Kansengelijkheid richten we ons daarom op activiteiten die de leefomgeving van kinderen verrijkt. We richten ons daarbij op specifieke activiteiten waar we de meeste impact mee kunnen maken.
Het werken aan de drie pijlers draagt bij aan het realiseren van de maatschappelijke opgaves. De regeling kent daarbij een aantal uitgangspunten:
De subsidieregeling wordt expliciet gekoppeld aan de maatschappelijke opgaven uit de Lokale Educatieve Agenda (LEA), de Taalvisie en aan de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente op het gebied van onderwijsachterstanden. De maatschappelijke opgaven uit de LEA zijn daarom leidend voor de inzet van gemeentelijke OAB-middelen, en daarmee voor de subsidies. Elke subsidie die we verlenen, dient bij te dragen aan een of meerdere maatschappelijke opgaven, met bijzondere aandacht voor taalontwikkeling en met ruimte voor integrale oplossingen binnen de gezamenlijke LEA-koers. Daarom vragen we aan partners om te illustreren hoe zij met hun activiteiten bijdragen aan de maatschappelijke opgaven van de LEA en de Taalvisie. Daarmee zorgen we dat de LEA en de Taalvisie actief een plek krijgt binnen de activiteiten die we doen, en borgen we dat de LEA blijft leven bij de maatschappelijke partners op de werkvloer.
De subsidieregeling ondersteunt de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente binnen het onderwijsachterstandenbeleid, zoals vastgelegd in de Wet op het primair onderwijs en uitgewerkt in de LEA. De inzet van gemeentelijke OABmiddelen is aanvullend op – en geen vervanging van – verantwoordelijkheden en financiering van andere partijen, zoals schoolbesturen of beleidsdomeinen als jeugdhulp, armoedebestrijding en welzijn.
Subsidies zijn erop gericht om beleid en doelstellingen te realiseren. We stimuleren partners met subsidies om met hun activiteiten bij te dragen aan stedelijke doelen. Dit zijn activiteiten, die zonder een bijdrage van de gemeente niet kunnen worden gerealiseerd. We willen ons daarbij richten op die activiteiten die zorgen voor de meeste impact op stedelijke doelen, die we samen met partners nastreven.
Als gemeente focussen we daarom op activiteiten die bijdragen aan:
Bij jonge kinderen maken we het meeste verschil. We verlenen daarom met de nieuwe regeling subsidies aan die activiteiten, die hen ondersteunen. Door in te zetten op taalontwikkeling bij (jonge) kinderen, door in te zetten op het vergroten van ouderbetrokkenheid, door in te zetten op het verrijken van de educatieve omgeving van kinderen, en door in te zetten op de professional in vroeg- en voorschoolse educatie, op de basisschool en daarbuiten.
We borgen hiermee dat we focussen op daar waar we als gemeente het meeste verschil kunnen maken met en voor de partners. We bakenen de inzet van deze middelen af ten opzichte van alle andere activiteiten die we al ondernemen en subsidiëren vanuit bijvoorbeeld armoedebeleid. Dit doen wij door in de regeling duidelijke inhoudelijke criteria en voorwaarden te stellen, zodat subsidies worden ingezet voor activiteiten met aantoonbare impact. We zorgen ervoor dat we geen subsidies bieden, daar waar al andere middelen voor beschikbaar zijn. We bieden enkel subsidie wanneer deze randvoorwaardelijk is voor de realisatie en er geen andere manieren van financiering beschikbaar zijn. Activiteiten die primair behoren tot de reguliere verantwoordelijkheden van het onderwijs of die hun grondslag hebben in andere beleidsdomeinen, komen niet voor subsidie in aanmerking. Binnen de thema’s taal en kansengelijkheid is ruimte om verantwoordelijkheden te verbinden, daar waar educatie en opgroeien en ontwikkelen elkaar raken. In deze situaties kunnen gemeentelijke OABmiddelen worden ingezet om bruggen te slaan tussen beleidsterreinen en organisaties, bijvoorbeeld via samenwerking en gezamenlijke financiering.
Het realiseren van de maatschappelijke opgaven kunnen we niet alleen. We werken daarom samen met partners, onder andere door het verlenen van subsidies. Maar we stimuleren ook dat de partners met elkaar samenwerken. We zetten dan ook in op subsidies voor samenwerkende partijen, die met elkaar werken aan de maatschappelijke opgaven. Waar passend stellen we dan ook als voorwaarde dat de aanvrager werkt in een consortium met andere maatschappelijke partners. Ook kan cofinanciering (financieel of inkind) onderdeel uitmaken van de subsidievoorwaarden. Dit bevordert gedeelde verantwoordelijkheid en verhoogt de effectiviteit van de inzet.
We stimuleren daarnaast dat partners van elkaar leren. We verwachten dan ook van de partners dat ze de resultaten van hun subsidies inzichtelijk maken en delen met andere partners in de stad. Hiervoor gebruiken we waar mogelijk de bestaande overlegstructuren, zoals het Bestuurlijk Overleg voor de Jeugd. We hanteren het stedelijk kader voor versterking samenwerking, met bijvoorbeeld de BvO, lerende netwerken en de wijkbijeenkomsten 0-12 jaar.
Een belangrijke inhoudelijke eis is dat alle gesubsidieerde activiteiten expliciet bijdragen aan taalontwikkeling. Dit sluit aan bij de wettelijke taak van de gemeente om onderwijsachterstanden, en in het bijzonder taalachterstanden, terug te dringen. De taalcomponent geldt daarmee als een generiek vereiste binnen de regeling.
Waar eerder veel ruimte was voor losse initiatieven, wordt nu bewust meer richting gegeven. De gemeente stelt duidelijke kaders, doelen en inhoudelijke eisen (per pijler), terwijl binnen deze kaders ruimte blijft voor professionele invulling door partners. Dit vergroot de focus, samenhang en effectiviteit van de gesubsidieerde activiteiten. En het biedt subsidieaanvragers meer duidelijkheid, transparantie en voorspelbaarheid over de verwachtingen.
Deze subsidieregeling voor VVE en taal geeft richting aan de effecten die we willen bereiken, maar schrijft niet voor hoe de activiteiten eruit moeten zien. Dat laten we over aan de partners. Zij hebben in beeld welke initiatieven werken en passen bij hun organisatie, ambitie en doelgroep. Voor subsidies rondom kansengelijkheid subsidiëren we wél gerichte activiteiten. Binnen deze pijler is de ruimte voor initiatieven beperkt tot de in de regeling benoemde typen activiteiten.
Kansengelijkheid is een breed begrip. Om versnippering te voorkomen, is gekozen voor een gerichte afbakening: binnen deze pijler worden uitsluitend specifiek benoemde typen activiteiten gesubsidieerd. De regeling heeft hier een nadrukkelijk kaderstellend en begrenzend karakter. Op dit thema richten we ons op specifieke activiteiten die de gemeentelijke inzet op kansengelijkheid goed vertegenwoordigen en bijdragen aan de stedelijke ambities.
We willen dat gemeentelijke subsidies doelgericht en resultaatgericht worden ingezet. Zo zorgen we voor een doelmatige en doeltreffende inzet van gemeentelijke middelen. Daarom vragen we van de partners dat ze in beeld brengen hoe ze de subsidies gaan inzetten, en welke effecten daarmee worden beoogd. Aan het einde van de subsidieperiode vragen we partners om te reflecteren op wat er is bereikt. Zo brengen we in beeld wat er wordt gerealiseerd met de subsidies, en kunnen we bijsturen als dat nodig is. Hiervoor worden uniforme formats ontwikkeld voor aanvraag en verantwoording, waarmee de doelgerichtheid, transparantie en effectiviteit in de inzet van gemeentelijke OABmiddelen worden versterkt en onderlinge vergelijking en evaluatie beter mogelijk worden.
Daarnaast willen we inzetten op activiteiten die echt bijdragen aan het tegengaan en voorkomen van onderwijsachterstanden. Daarom zetten we in op activiteiten die evidence-based zijn; oftewel, activiteiten die aantoonbaar of aannemelijk effect hebben op het voorkomen en/of tegengaan van achterstanden. Zo borgen we dat we gemeentelijke middelen gebruiken voor het realiseren van duurzame langdurige effecten, in plaats van korte interventies. De onderbouwing kan resulteren uit data, wetenschappelijk onderzoek, onderzoek van kennisinstellingen of eigen, methodologisch verantwoord onderzoek.
We stellen het subsidieplafond voor de gehele regeling vast op de beschikbare middelen vanuit het Rijk, verminderd met de kosten voor inkoop en personeel. Het subsidieplafond stelt ons in staat om waar nodig expliciete bestuurlijke keuzes te maken voor het toekennen van subsidies. Subsidies gericht op onze wettelijke taken en bestuurlijke afspraken hebben prioriteit boven andere subsidieaanvragen.
In het artikel worden een aantal doelgroepen genoemd van de subsidies uit de pijler VVE. De subsidies dienen te minste gericht te zijn op één van deze doelgroepen. Niet elke doelgroep hoeft te worden bereikt. Het versterken van professionals werkzaam in VVE kan indirect worden gerealiseerd via een subsidie gericht op kinderen. In de subsidieaanvraag dient de aanvrager inzichtelijk te maken welke doelgroep wordt bereikt.
De vergoedingen voor de uitvoering van VVE worden jaarlijks berekend door een extern bureau dat opdracht krijgt van de gemeente. De vergoedingen worden tijdig bekend gemaakt aan aanvragers van VVE.
Binnen deze regeling wordt geen onderscheid gemaakt tussen een ‘grote ondersteuningsbehoefte’ en een ‘complexe ondersteuningsvraag’. De kern is dat het gaat om kinderen die intensievere, andere of aanvullende ondersteuning nodig hebben.
Beide typen vragen vallen binnen wat in het kader van Basisstructuur voor ondersteuning (BVO) wordt aangeduid als ‘puzzelvraagstukken’: situaties waarin maatwerk, afstemming en extra inzet nodig zijn.
Indien gedurende het subsidiejaar blijkt dat het aantal kindplaatsen is gestegen ten opzichte van de peildatum 1 oktober, kan houder een aanvullende subsidievraag indienen. De aanvullende subsidieaanvraag is niet geboden aan een uiterlijke indieningsdatum. De aanvullende subsidieaanvraag is alleen van toepassing op organisaties die reeds in het betreffende subsidiejaar een subsidie kindplaats hebben ontvangen.
De activiteiten die worden gesubsidieerd dienen aanvullend te zijn op activiteiten die al worden uitgevoerd in het kader van het VVE-programma.
De subsidie kunst voor kinderen is bedoeld voor het aanbieden van kunstactiviteiten aan jonge kinderen van 2 tot 4 jaar op de voorschool. Kinderen maken op een speelse manier kennis met kunst, zoals theater, muziek, dans of beeldende kunst. De activiteiten sluiten aan bij de leeftijd en belevingswereld van jonge kinderen.
Het doel is om meer kinderen gelijke kansen te bieden om zich breed te ontwikkelen.
De subsidie wordt slechts aan één aanvrager verleend, zodat het taalonderwijs voor nieuwkomers centraal kan worden georganiseerd in de gemeente. De gemeente Almere kiest ervoor om dit te beleggen bij het Taalcentrum.
De subsidie ontwikkelkansen is bedoeld om financiële problemen geen belemmering te laten zijn voor schooldeelname van kinderen.
Met de subsidie worden noodzakelijke schoolkosten betaald voor kinderen uit gezinnen met weinig financiële middelen. Het gaat om kosten die direct te maken hebben met school en leren, zoals materialen of activiteiten die nodig zijn om goed mee te kunnen doen op school.
Het doel is om te voorkomen dat kinderen door armoede een achterstand oplopen in hun schoolontwikkeling, met name op het gebied van taal.
De subsidie zomeronderwijs is bedoeld voor het organiseren van een onderwijsgericht programma in de zomervakantie voor alle kinderen van 4 tot 12 jaar.
Het zomeronderwijs richt zich op het versterken van taal en andere basisschoolvaardigheden. Zo wordt voorkomen dat kinderen tijdens de zomervakantie leerachterstand oplopen of verder achter raken.
Het zomeronderwijs is een tijdelijke, gerichte aanvulling op het reguliere onderwijs.
De subsidie buitenschoolse activiteiten is bedoeld voor het aanbieden van na- en buitenschoolse activiteiten voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Het gaat om een herkenbaar aanbod na of buiten schooltijd, waarin kinderen deelnemen aan activiteiten op het gebied van sport, spel, cultuur en natuur. Ook kunnen de activiteiten gericht zijn op het versterken van het zelfvertrouwen van kinderen. Deze activiteiten dragen bij aan het spelenderwijs ontwikkelen van kinderen, zowel op het gebied van sociaal-cognitieve vaardigheden als taal.
Kenmerken van de activiteiten:
De activiteiten bieden kinderen extra ontwikkeltijd en dragen bij aan gelijke kansen.
De subsidie toekomstoriëntatie is bedoeld voor activiteiten die leerlingen in het primair onderwijs helpen bij het ontdekken van werk en beroepen. Leerlingen maken kennis met de arbeidsmarkt en leren wat er nodig is om later een baan te vinden. Dit vergroot hun zelfvertrouwen en helpt hen bij het maken van keuzes voor opleidingen en werk. Alle activiteiten hebben daarin een taalcomponent.
De activiteiten dragen bij aan gelijke kansen op de arbeidsmarkt.
De subsidie kansengelijkheid is bedoeld voor kleinschalige activiteiten die de onderwijskansen van kinderen van 0 tot 12 jaar vergroten, met extra aandacht voor taalontwikkeling.
Het gaat om laagdrempelige initiatieven die kinderen extra steun bieden naast het reguliere aanbod van onderwijs en opvang. De activiteiten sluiten aan bij wat kinderen nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen en mee te doen op school.
De subsidie is bedoeld om lokale ideeën en kleine initiatieven mogelijk te maken die bijdragen aan gelijke kansen voor kinderen.
Onder ‘kosten voor locaties’ worden ook verstaan kosten voor (het huren van) locaties die direct noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteiten. De kosten voor locatie dienen redelijk en realistisch te zijn en opgenomen te zijn in de begroting. Overige kosten voor huisvesting niet direct te relateren aan een activiteit (zoals de kosten voor de vestiging van de organisatie of nieuwe meubels) zijn niet subsidiabel.
Onder ‘kosten voor materialen’ worden ook verstaan kosten voor catering die direct te relateren zijn aan het uitvoeren van activiteiten. De kosten voor catering dienen redelijk en realistisch te zijn en opgenomen te zijn in de begroting. Overige catering voor medewerkers niet direct te relateren aan een activiteit zijn niet subsidiabel.
Onder ‘kantoorbenodigdheden’ worden ook verstaan telefoonkosten voor medewerkers.
De subsidieaanvragen worden bij het overschrijden van het subsidieplafond gerangschikt op volgorde zoals benoemd in het artikel. De subsidieaanvragen bedoeld voor het subsidiëren van kindplaatsen hebben prioriteit boven andere aanvragen gelet op de wettelijke verplichtingen van de gemeente rondom het faciliteren van kindplaatsen voor VVE.
De beoordeling wordt uitgevoerd door ten minste 2 ambtelijk medewerkers betrokken bij het beleid rondom onderwijsachterstanden.
Het puntensysteem wordt alleen toegepast bij gelijkheid binnen een prioriteringscategorie zoals bedoeld in artikel 24.
Met het deelnemen aan wijkbijeenkomsten 0-12 jaar wordt beoogd dat gesubsidieerde organisaties betrokken blijven bij de gezamenlijke opgave om onderwijsachterstanden tegen te gaan, kennis en ervaringen delen en signalen vanuit de praktijk terugkoppelen aan de gemeente. De vorm en intensiteit van deze betrokkenheid kunnen per organisatie verschillen en zijn afhankelijk van de aard en schaal van de gesubsidieerde activiteiten.
Er wordt nadrukkelijk geen minimum aantal bijeenkomsten, momenten of uren aangewezen waaraan deelname verplicht is. Tegelijkertijd wordt van subsidieontvangers verwacht dat zij zich aantoonbaar verbinden aan deze gezamenlijke inzet. Indien gedurende de subsidieperiode blijkt dat een aanvrager structureel geen betrokkenheid toont, bijvoorbeeld door niet deel te nemen aan overleggen, geen informatie te delen en geen enkele bijdrage te leveren aan het lerend netwerk of beleidsontwikkeling, kan dit aanleiding zijn om het gesprek aan te gaan en zo nodig te interveniëren.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-376629.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.