Gemeenteblad van Leidschendam-Voorburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leidschendam-Voorburg | Gemeenteblad 2026, 371376 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leidschendam-Voorburg | Gemeenteblad 2026, 371376 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening Jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026
De raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouder(s) van 19 mei 2026 met kenmerk 4566;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, lid 3 van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet,
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Een aantal begrippen is al gedefinieerd in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Deze begripsbepalingen zijn ook van toepassing op deze verordening.
In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Ouder(s): ouder(s) met gezag, adoptieouder(s), stiefouder(s) of een ander die de jeugdige als behorend tot het gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Waar in deze verordening ‘ouder(s)’ staat, wordt mede verstaan: de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige, tenzij uit de context anders blijkt.
HOOFDSTUK 2 ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
Artikel 3 Geen voorziening op grond van de Jeugdwet
Voor zover de jeugdige aanspraak heeft op ondersteuning of een voorziening op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), Zvw- waaronder Intensieve Kind Zorg (IKZ), Wmo 2015 of de onderwijswetten, zijn deze andere wetten voorliggend op de Jeugdwet en bestaat geen recht op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet.
Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld afwegingskader met uitgangspunten voor gebruikelijke zorg.
In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of de ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
In principe wordt geen jeugdhulp toegekend voor (begeleiding bij) maatschappelijke activiteiten, omdat de verantwoordelijkheid onder de reguliere zorgplicht valt van ouder(s), tenzij een kind vanwege een beperking of problematiek niet zonder extra ondersteuning kan participeren en zelfredzaamheid onvoldoende kan ontwikkelen.
HOOFDSTUK 3 VORMEN VAN JEUGDHULP EN PARTNERS
Artikel 5 Vormen van jeugdhulp
Het college maakt bij het bepalen van de duur en intensiteit gebruik van de meest actuele versie van het richtinggevend kader van het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (SBJH). Dit kader biedt een inhoudelijke basis voor proportionele inzet van hulp. Afwijking blijft mogelijk, waarbij langdurige geïndiceerde jeugdhulp uitzonderlijk blijft en actief wordt gemonitord.
Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van cruciale jeugdzorg, waarvan de continuïteit door complexiteit, schaarste of specialistische aard moet worden gewaarborgd, inclusief de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering door gecertificeerde instellingen, en houdt hierbij rekening met regionale samenwerking en de wettelijke kaders.
Het college treft maatregelen wanneer de continuïteit van cruciale jeugdzorg in gevaar komt. Daarbij wordt, als het nodig is, gebruikgemaakt van de Subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg en wordt samengewerkt met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bij vroegsignalering en risicobeoordeling.
HOOFDSTUK 4 TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
Artikel 6 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt schriftelijk of elektronisch ingediend en voldoet aan de eisen van de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het eerste schriftelijke verzoek van een jeugdige en/of ouder(s) om jeugdhulp dat aan deze eisen voldoet, geldt als aanvraag.
Als de aanvraag onvolledig is of aanvullende informatie nodig is, kan het college de beslistermijn opschorten of éénmalig verlengen overeenkomstig de artikelen 4:5, 4:14 en 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college deelt de aanvrager schriftelijk mee dat de beslistermijn is opgeschort of verlengd, onder vermelding van de (nieuwe) uiterste beslisdatum.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Als de hulp wordt gestart voordat een beschikking is verstrekt, legt het college de beslissing over de inzet van hulp in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp vast in een beschikking, zonder dat dit afdoet aan de in het vierde lid genoemde beslistermijn.
Artikel 7 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Jeugdwet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of de ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp zonder contract of subsidierelatie met de gemeente, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
Artikel 8 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de rechter, het openbaar ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
HOOFDSTUK 5 BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 9 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en de ouder(s) zo spoedig mogelijk, een onderzoek uit overeenkomstig de in dit artikel 9 beschreven stappen en maakt het zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of de ouder(s) de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.
Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon zoals bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wmo 2015. Ook kan de jeugdige en/of ouder(s) ervoor kiezen dat een cliëntondersteuner of iemand uit het eigen netwerk aansluit bij het gesprek.
Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of de ouder(s) bij het college een familiegroepsplan indienen. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende 2 weken na de aanvraag in de gelegenheid het familiegroepsplan in te dienen. Als de jeugdige of de ouder(s) daarom vragen, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
Het college onderzoekt in een gesprek met de ouder(s) en, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige, welke voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is. Bij dit gesprek kan, als het college dat voor een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk acht, een medewerker uit een ander domein of een (externe) deskundige aansluiten. Het college informeert de ouder(s) en de jeugdige vooraf over de betrokkenheid van deze medewerker of deskundige.
Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of ouder(s) zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige en de ouder(s):
Als de jeugdige of de ouder(s) kiezen voor jeugdhulp in de vorm van een pgb, beoordeelt het college op basis van de eisen zoals opgenomen in hoofdstuk 6 van de verordening of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en of sprake is van een reden om een pgb te weigeren; de uitkomst van deze beoordeling en de gevolgen voor de wijze van verstrekking van de individuele voorziening worden in begrijpelijke bewoordingen opgenomen in het onderzoeksverslag en medegedeeld aan de jeugdige en de ouder(s).
In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning als gevolg van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, dan wordt de jeugdhulp voor de jeugdige afgestemd op de hulp die ouders nodig hebben. De veiligheid van de jeugdige is altijd een overweging in de afstemming.
Artikel 10 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.
Artikel 13 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning als gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of de ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.
Individuele begeleiding wordt toegepast op basis van een vastgesteld afwegingskader, waaronder de inzet van een verklarende analyse. Het college kan hiervan afwijken wanneer dit, gelet op de omstandigheden van het gezin of de jeugdige vanuit zwaarwegende maatschappelijke overwegingen, niet redelijk en/ of verantwoordelijk is.
Artikel 14 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht), eventueel met steun van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
Een aanvullende verzekering is geen voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 1.2 Jeugdwet. Het college kan jeugdigen of ouders niet verplichten een aanvullende verzekering af te sluiten. Indien geen of slechts gedeeltelijke dekking bestaat, beoordeelt het college of en in hoeverre een voorziening op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is.
Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in principe ook door hen geleverd kan worden. Bij uitval van een van de ouder(s) neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders.
Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
Het college kan een vervoersvoorziening verstrekken als en voor zover dit noodzakelijk is in verband met een toegekende individuele voorziening jeugdhulp. Het recht op vervoer bestaat niet zelfstandig, maar uitsluitend in samenhang met een dergelijke voorziening. Als een passende jeugdhulpvoorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoersvoorziening noodzakelijk is, wordt deze als voorliggend beschouwd.
Het college beoordeelt per individueel geval of een vervoersvoorziening noodzakelijk is. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulplocatie. Twee keer per week brengen en halen wordt in beginsel aangemerkt als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouder(s).
Indien ouder(s) of personen uit het sociaal netwerk het vervoer verzorgen en hun eigen mogelijkheden ontoereikend zijn, kan het college een tegemoetkoming in de kosten verstrekken. Het college kan hiervoor een pgb toekennen voor formeel vervoer. Indien de aard van de hulpvraag van de jeugdige meebrengt dat het vervoer door ouder(s) of een persoon uit het sociale netwerk moet worden geboden, kan het college een pgb voor informeel vervoer verstrekken.
Het college kan, als dit gelet op de omstandigheden van de jeugdige of het gezin redelijk is, afwijken van de in dit artikel opgenomen bepalingen. Hierbij kan worden gekeken naar factoren zoals afstand, belastbaarheid, beschikbaarheid van vervoer, beperkingen van ouder(s) of jeugdige, de gezinssamenstelling, werk en financiële situatie.
Er is sprake van ernstige dyslexie als volgens het meest actuele Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling een diagnose is gesteld en er geen andere oorzaken zijn gevonden die een ernstige stagnatie in de lees- en eventueel in de spellingsontwikkeling en ernstige woordleesproblemen kunnen verklaren.
Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij het Kwaliteitsregister Vaktherapie) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht.
Artikel 18 Kinderopvang en buitenschoolse opvang
In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Pleegzorg die is gestart voor het 18e jaar van de jeugdige (of na beëindiging voor het 18e jaar binnen 6 maanden weer is opgestart) loopt door totdat de jeugdige 21 jaar is, tenzij de jeugdige van 18 jaar of ouder dat niet wil. Daarna kan de pleegzorg worden verlengd tot 23 jaar als de jeugdige al pleegzorg ontvangt en voortzetting volgens het college noodzakelijk is.
HOOFDSTUK 6 AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
Artikel 21 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
Als een jeugdige of de ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger daarvoor een pgb-budgetplan in. Een door de jeugdige of de ouder(s) ondertekend pgb- budgetplan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb. De jeugdige of ouder(s) maakt gebruik van de toepasselijke overeenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). In het pgb- budgetplan is opgenomen:
Het college verstrekt een pgb als:
naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 24 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of de ouder(s) van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb- budgetplan opgenomen beoogde resultaat.
Bij de toepassing van het vierde lid, onderdeel b, maakt het college in ieder individueel geval een belangenafweging, waarbij het onder meer de aard en ernst van de eerdere schending, het tijdsverloop sinds het besluit tot herziening of intrekking en de huidige situatie en hulpbehoefte van de jeugdige en de ouder(s) betrekt.
Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren wanneer één of meerdere van de volgende omstandigheden aanwezig zijn, en deze omstandigheden niet adequaat kunnen worden gecompenseerd door maatregelen zoals bewindvoering, inzet van een professioneel beheerder of een verantwoord lid uit het netwerk:
Artikel 23 Onderscheid formele en informele hulp PGB
Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/ werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of
personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/ werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
De hoogte van het pgb voor informele hulp is gelijk aan het wettelijk minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, vermeerderd met de vakantiebijslag en een eventuele opslag. Als sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij werkgeverslasten afgedragen moeten worden, wordt het pgb verhoogd met deze werkgeverslasten. De tarieven worden (mede) gepubliceerd op de website van de SVB.
De hoogte van het pgb voor niet-professionele jeugdhulp bij kortdurend verblijf en dagbesteding wordt per individuele situatie vastgesteld op basis van het daarvoor geldende tarief als bedoeld in het derde lid. Hierbij wordt uitgegaan van het aantal uren individuele begeleiding en/of persoonlijke verzorging dat per etmaal kortdurend verblijf of per dagdeel dagbesteding noodzakelijk is.
De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij:
het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA.
HOOFDSTUK 7 AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
Artikel 27 Voorliggende voorzieningen
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz of een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.
Artikel 28 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:
zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en de ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.
Artikel 29 Afstemming Zvw en Wlz
In artikel 7 (toegang jeugdhulp via het medisch domein) is de mogelijkheid opgenomen dat jeugdigen en/of ouders via het medisch domein een verwijzing voor jeugdhulp kunnen ontvangen. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en met de zorgverzekeraars, over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt.
De inzet van zorg voor een jeugdige die 18 jaar wordt, kan wijzigen. Als het gaat om zorg die vanaf het 18e jaar onder de Zvw valt, zorgt het college in samenwerking met de zorgverzekeraars voor een soepele overgang. Het college doet dit door afspraken te maken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De afspraken gaan over hoe de continuïteit van zorg te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zvw of Wlz komen te vallen. Dit om te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
Als een aanvraag voor een indicatie op grond van de Wlz wordt afgewezen, draagt het college zorg voor een zorgvuldige beoordeling van de afwijzing, wijst het de jeugdige of diens ouder(s) op de mogelijkheden voor bezwaar en biedt het waar nodig onafhankelijke cliëntondersteuning. Het college kan, als de complexiteit van de situatie daartoe aanleiding geeft, in overleg treden met het CIZ.
Artikel 30 Afstemming met gecertificeerde instellingen
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:
de rol en verantwoordelijkheden van de gecertificeerde instelling bij de voorbereiding en overdracht rond de overgang van de jeugdige naar 18 jaar, waaronder het tijdig signaleren van de behoefte aan voortzetting van jeugdhulp, het adviseren over verlengde jeugdhulp en het afstemmen met het college en betrokken aanbieders.
Artikel 31 Afstemming justitiedomein
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de Jeugdwet.
Het college en de betrokken gecertificeerde instellingen nemen de afspraken op in het protocol zoals bedoeld in artikel 30 lid 3 van deze verordening. Het college en de Raad voor de Kinderbescherming leggen de manier van samenwerken en de gemaakte afspraken vast in het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 van de Jeugdwet.
Artikel 32 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Het college maakt met het bevoegd gezag van scholen en instellingen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, Jeugdwet afspraken over de wijze waarop de toegang van de gemeente bereikbaar is voor overleg bij het treffen van individuele voorzieningen voor jeugdigen die bij deze scholen en instellingen staan ingeschreven.
Het college kan daarnaast met organisaties voor kinderopvang, waaronder buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen, afspraken maken over signalering en toeleiding naar de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp. Deze organisaties worden niet aangemerkt als scholen of instellingen als bedoeld in de in het eerste lid genoemde onderwijswetten.
Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste en tweede lid bedoelde afspraken en de werkzaamheden van de leerplichtambtenaren als bedoeld in artikel 16 van de Leerplichtwet 1969, zodat de zorgplicht van scholen en de jeugdhulpplicht van de gemeente goed op elkaar aansluiten.
Artikel 33 Afstemming met Veilig Thuis
Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen.
Artikel 35 Afstemming werk en inkomen
Het college draagt zorg dat de toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Als het nodig is zorgt het college ervoor dat jeugdigen en/of ouder(s) de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen om deze belemmeringen weg te nemen, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen.
HOOFDSTUK 8 HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet doen de jeugdige of de ouder(s) aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.
Als de jeugdige of de ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Als de jeugdige of de ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt en er aanwijzingen zijn dat sprake is van een (dreigende) onveilige situatie voor de jeugdige, beoordeelt het college de veiligheid van de jeugdige en treft het, voor zover dat tot zijn verantwoordelijkheid behoort, passende maatregelen of schakelt daartoe de daartoe bevoegde instanties in.
Artikel 40 Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering
Het college kan de inzet van een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat door de individuele jeugdhulpaanbieder niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit de kwaliteitsafspraken zoals opgenomen in deze verordening en/ of in de contracten.
Wanneer het college op grond van deze verordening een ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten pgb, of de geldwaarde van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte jeugdhulp in natura, terugvordert, legt het die verplichting tot terugbetaling vast in een besluit. Het college biedt de jeugdige of de ouder(s) in beginsel een betalingstermijn van 6 weken en houdt bij de invordering zoveel mogelijk rekening met hun financiële draagkracht.
Artikel 41 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, de recht- en doelmatigheid van pgb’s. Bij dit onderzoek worden relevante signalen over een jeugdhulpaanbieder of uitvoerder, afkomstig van onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), SVB of het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ), betrokken.
Artikel 42 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Het college controleert periodiek of het pgb wordt besteed overeenkomstig de voorwaarden zoals vastgesteld in de beschikking. Hiertoe vraagt het college bij de SVB informatie op over de besteding van het pgb. Daarnaast kan het college, los van de SVB, zelfstandig onderzoek doen naar de besteding van het pgb. De budgethouder of de derde aan wie het pgb wordt besteed zijn verplicht mee te werken aan de verantwoording hierover.
HOOFDSTUK 9 REGELING ZAK- EN KLEEDGELD
Het college stelt ten behoeve van de jeugdige die ten minste gedurende een maand voltijds verblijft in een accommodatie, waarbij het voor de jeugdhulpaanbieder waar de jeugdige verblijft, blijkt dat het onmogelijk is om zelf van de onderhoudsplichtige ouders een bijdrage voor zak- en kleedgeld te ontvangen, een vervangende bijdrage ter beschikking gelijk aan het bedrag zoals genoemd in bijlage 5a.1 van de Regeling Jeugdwet. De bijdrage wordt uitbetaald aan de jeugdhulpaanbieder waar de jeugdige verblijft, mits de jeugdhulpaanbieder aantoont dat zij zelf voldoende heeft getracht de ouder(s) aan te spreken op hun onderhoudsplicht.
HOOFDSTUK 10 WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 44 Verhouding prijs en kwaliteit
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het tweede lid.
HOOFDSTUK 11 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en hun ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
Artikel 46 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Het college stelt jeugdigen en de ouder(s) van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Artikel 48 Overgangsrecht, intrekking oude verordening
Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026, worden behandeld op grond van de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2020 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026 leidt tot een gunstiger uitkomst.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 juli 2026 van de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg
de griffier,
R.G.R. Jeene,
de voorzitter,
M. Vroom
Met deze verordening verstevigt de gemeente het jeugdbeleid. Uitgangspunten zijn een sterke pedagogische basis, kinderrechten, het gewone leven als vertrekpunt, collectieve oplossingen, het bekijken van hulpvragen vanuit de context van de jeugdige en het werken vanuit vertrouwen. De gemeente sluit aan bij het besef dat het huidige jeugdhulpsysteem onder druk staat: met één op de zeven jeugdigen in de jeugdzorg is het systeem vastgelopen en financieel onhoudbaar. Te vaak wordt jeugdhulp ingezet voor problemen die thuishoren in opvoeding, onderwijs of de sociale context, waardoor de focus verschuift naar de jeugdige als drager van het probleem.
Daarom wordt in gezinnen, scholen, buurten en verenigingen het gewone leven versterkt. Ouders en jeugdigen worden ondersteund om samen ervaringen te delen en oplossingen te vinden. Het doel is dat vragen, onzekerheden en spanningen zoveel mogelijk binnen het normale leven worden opgevangen. Zo worden alledaagse opvoed- en opgroeivraagstukken niet onnodig geproblematiseerd of gemedicaliseerd, en wordt jeugdhulp alleen ingezet waar dit passend en nodig is.
Jeugdhulp als aanvullend middel
Waar het gewone leven niet voldoende is, maakt de verordening duidelijk wat wel en niet onder jeugdhulp valt. Ook bij een jeugdhulpvraag wordt eerst gekeken wat ouders en jeugdigen zelf kunnen oplossen. Jeugdhulp is aanvullend, nooit vervangend. Als het nodig is wordt hulp tijdelijk en doelgericht ingezet, met als doel dat jeugdigen en gezinnen zo snel mogelijk weer kunnen deelnemen aan het normale leven. Zo blijft capaciteit beschikbaar voor jeugdigen die aantoonbaar baat hebben bij jeugdhulp.
De verordening versterkt de sturende rol van de gemeente. Het college kan voorzieningen periodiek heroverwegen en hanteert duidelijke kaders voor duur, intensiteit en vorm van hulp, zodat jeugdhulp doelgericht en ondersteunend aan het gewone leven blijft. Uitgangspunt blijft dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding. De gemeente richt ondersteuning op de context en oorzaken van de hulpvraag en biedt alleen hulp aan de jeugdige wanneer dit passend is. Hulp wordt niet ingezet als de problematiek uitsluitend bij de ouders ligt.
De verordening beschermt de rechten van de jeugdige door zorgvuldige besluitvorming, duidelijke rechtsbescherming en actieve betrokkenheid. De jeugdige heeft recht op een zorgvuldig onderzoek, een gemotiveerd besluit en vastlegging daarvan in een beschikking, ook bij afwijzing van jeugdhulp. Tegen het besluit van de gemeente kan een belanghebbende eerst bezwaar maken. Tegen de beslissing op bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hierdoor zijn de rechten op bezwaar en beroep gewaarborgd. De jeugdige wordt zoveel mogelijk betrokken bij plannen zoals perspectiefplannen of familiegroepsplannen, waarbij rekening wordt gehouden met behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren.
Daarnaast heeft de jeugdige recht op passende, noodzakelijke en veilige ondersteuning, privacy, kwalitatief goede hulp, bescherming tegen ongeschikte en mogelijk zelfs schadelijke hulp en continuïteit, ook bij de overgang naar 18 jaar of andere veranderingen in wetgeving of zorgdomein. Materiële voorzieningen, zoals zak- en kleedgeld, en toegang tot klachtprocedures zijn eveneens gegarandeerd. Waar de jeugdige een recht heeft, rust op het college op grond van de Jeugdwet de verplichting om dit te realiseren, door de benodigde voorzieningen, samenwerking en ondersteuning te organiseren.
Uitzonderingen en hardheidsclausule
Met duidelijke regels wordt geprobeerd uitzonderingssituaties zoveel mogelijk te beperken, omdat deze kunnen leiden tot onduidelijkheid, verkeerde interpretaties en nadelige gevolgen voor de jeugdige. Door een hardheidsclausule blijft het echter mogelijk in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels, met behoud van het uitgangspunt dat de jeugdige zoveel mogelijk kan deelnemen aan het normale leven.
Samenhang, continuïteit en toekomstgericht werken
De verordening benadrukt samenhang tussen onderwijs, gezin en jeugdhulp, tijdige afstemming bij de overgang naar volwassenheid en samenwerking met andere wetgeving, zoals de Wlz. Ook bij afwijzing van andere voorzieningen blijft de gemeente actief betrokken.
Met deze verordening kiest de gemeente voor een koerswijziging: vertrouwen waar mogelijk, begrenzing waar nodig en ondersteuning die bijdraagt aan ontwikkeling, veiligheid en participatie. Jeugdhulp is geen vanzelfsprekend recht, maar een tijdelijk en passend middel dat het gewone leven van jeugdigen en gezinnen versterkt.
Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met de algemene bepalingen. In hoofdstuk 2 staan de algemene uitgangspunten. In hoofdstuk 3 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden en met welke partners wordt samengewerkt. Hoofdstuk 4 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 5 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 6 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een pgb. De hoofdstukken 7 tot en met 12 bevatten overige afstemming, (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings-)plichten en de herziening van besluiten.
De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen?
Sinds 1 januari 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jeugdigen met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de Jeugdwet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jeugdigen, ouder(s) en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag.
Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet die de gemeenteraad opdraagt om bij de verordening regels vast te stellen over:
De verordening bevat ook regels ter waarborging van:
Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
De Jeugdwet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wmo 2015 . Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouder(s) van bij hun situatie zodat de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt.
Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij -toegankelijke) en individuele (niet vrij -toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 5 lid 1 en 2). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of de ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en de ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.
Toegang jeugdhulp via de gemeente
Een hulpvraag van een jeugdige of de ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door Veilig Thuis. De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of de ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en de ouder(s) wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en de ouder(s) gekeken worden wat de jeugdige en de ouder(s) eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en de ouder(s) doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd.
Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of de ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van de professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Door deze afspraken is het mogelijk toe te zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Ook wordt ingegaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin -1 regisseur- 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 5, derde lid). De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (zie artikel 7).
Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting
Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst de kinderrechter gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in het verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in het verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.
De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de Jeugdwet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de Jeugdwet. Als er algemene voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet- algemene toegankelijke voorzieningen.
Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de Jeugdwet.
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet (allemaal) nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’ en ‘jeugdige’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en jeugdhulp overeenkomstig de Jeugdwet gebruikt.
In artikel 1.1 van de Jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:
ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouder(s) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen;
het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, en
het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van 18 jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’.
In artikel 1.1. van de Jeugdwet is jeugdige als volgt gedefinieerd:
Ook de Algemene Jeugdwet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang de, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb).
‘Algemene voorziening’. De Jeugdwet kent geen definitie van een ‘algemene voorziening’. In artikel 2.9 van de Jeugdwet wordt wel de term ‘overige voorziening’ gebruikt, maar deze term wordt niet bij de begripsbepalingen gedefinieerd. De Wmo kent hier wel een definitie van (in artikel 1.1.1 Wmo 2015). Om aan te sluiten bij de terminologie van de Wmo wordt in deze verordening daarom de term ‘algemene voorziening’ gehanteerd.
‘Andere voorziening’: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp de opgenomen in artikel 2 (individuele voorzieningen en algemene voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 6 en verder.
‘iJw’: is in de Regeling Jeugdwet gedefinieerd als de ‘door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de Jeugdwet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties’. De iJw is de iStandaard om cliënten in alle fasen van de Jeugdwet-keten te volgen: van de toewijzing tot de zorglevering en de declaratie. Het doel is een snelle en efficiënte inzet van zorg ondersteunen en bijdragen aan een afname van administratieve lasten. Daarnaast moet iJw een betrouwbare en duurzame bron van informatie zijn over de Jeugdwet-zorg (https://www.istandaarden.nl/ijw).
‘Pgb’: De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘pgb’.
HOOFDSTUK 2 ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
Artikel 3 Geen voorziening op grond van de Jeugdwet
Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet is het college niet verplicht een voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Zvw. Het college is ook niet verplicht een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening voor begeleiding zoals bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing.
Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, of recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Zvw én de Jeugdwet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulpis bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127).
Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de Jeugdwet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.
Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of de ouder(s) naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen.
Uit jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 21 oktober 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5828), volgt dat vormen van ondersteuning zoals osteopathie, reflexintegratietherapie of vergelijkbare behandelingen die uitsluitend onder een aanvullende zorgverzekering vallen, niet op voorhand zijn uitgesloten van de Jeugdwet. Wanneer een behandeling niet valt onder het basispakket van de Zvw, maar uitsluitend onder een aanvullende verzekering, is de Zvw niet zonder meer voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent echter niet dat deze zorg automatisch voor vergoeding vanuit de Jeugdwet in aanmerking komt. Ook in die situaties gelden onverkort de voorwaarden uit deze verordening. Dat houdt in dat:
Dit artikel verduidelijkt de afbakening van de Jeugdwet. Het uitgangspunt is dat een individuele voorziening op grond van deze verordening alleen wordt ingezet wanneer sprake is van een daadwerkelijke ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige of een hulpvraag die daar direct op ziet.
Wanneer de ondersteuningsbehoefte primair voortkomt uit maatschappelijke problemen of eigen psychische of relationele problematiek van ouders, valt dit in beginsel onder andere wettelijke kaders, zoals de Wmo 2015, participatievoorzieningen of de volwassen-GGZ. Voorbeelden zijn armoede, schulden, huisvestingsproblemen, relationele spanningen of psychische klachten van ouders, zonder dat sprake is van een concrete bedreiging van de ontwikkeling en/ of veiligheid van het kind.
Jeugdhulp is niet bedoeld als oplossing voor dergelijke problematiek op zichzelf. Pas wanneer deze omstandigheden leiden tot een zodanige situatie dat de ontwikkeling van de jeugdige daadwerkelijk in het geding is en er een zelfstandige hulpvraag ontstaat als bedoeld in deze verordening, kan een individuele voorziening aan de orde zijn. Hiermee wordt de reikwijdte van de Jeugdwet zorgvuldig afgebakend en wordt ingezet op passende ondersteuning via het juiste wettelijke kader.
Begeleiding bij maatschappelijke activiteiten, waaronder bijvoorbeeld sportactiviteiten, wordt in beginsel niet aangemerkt als jeugdhulp. Alleen wanneer een kind vanwege een beperking of andere problematiek specifieke ondersteuning nodig heeft, kan sprake zijn van een voorziening op grond van de Jeugdwet. Daarbij moet zijn onderzocht en vastgesteld dat er een jeugdhulpbehoefte bestaat en dat het kind zonder deze ondersteuning niet kan participeren. In die gevallen kan extra begeleiding bij een sportactiviteit, inclusief zwemles, als jeugdhulp worden ingezet. Het gaat dan om een voorziening die tijdelijk van aard is en gericht is op het vergroten van participatie en zelfredzaamheid van het kind. Altijd wordt samen met de jeugdige en ouder(s) eerst gekeken naar een passend alternatief binnen eigen kracht en algemene voorzieningen. Cliëntondersteuning kan hierbij van dienst zijn. Bij financiële belemmeringen kan een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand of Stichting Leergeld.
HOOFDSTUK 3 VORMEN VAN JEUGDHULP EN PARTNERS
Artikel 5 Vormen van jeugdhulp
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 6) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen’).
Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van de vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en de ouder(s).
Uit de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de Jeugdwet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het derde lid wordt daarom bij bepaalde individuele voorzieningen op collectief niveau op deze elementen gestuurd. Het college moet op basis van het vierde lid deze elementen overnemen in de afspraken die zij maakt met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie. Het feit dat deze omvang in beginsel wordt aangehouden maakt dat in zeer bijzondere individuele situaties van de in de verordening bepaalde omvang kan worden afgeweken.
Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van de inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket.
Per 1 januari 2026 is de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg van kracht. Deze wet verplicht gemeenten om complexe en schaarse vormen van jeugdhulp regionaal beschikbaar te stellen en de continuïteit te waarborgen. Onder cruciale jeugdzorg vallen onder meer: jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, specialistische hulp bij complexe problematiek, forensische jeugdhulp, hulp voor jeugdigen met een zintuiglijke beperking, 24-uurs crisishulp, dagbehandeling in groepsverband, hoogspecialistische geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen, hulp bij seksueel misbruik, hulp bij ernstige onzindelijkheidsproblematiek, en jeugdbescherming en jeugdreclassering uitgevoerd door gecertificeerde instellingen.
De NZa heeft een vroegsignaleringstaak voor aanbieders van deze vormen van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen. Bij acute financiële risico’s kan gebruik worden gemaakt van de Subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg. Met deze leden wordt vastgelegd dat het college verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid en continuïteit van cruciale jeugdzorg, met regionale samenwerking, toezicht en subsidiemogelijkheden als instrumenten om continuïteit te waarborgen.
HOOFDSTUK 4 TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN
In dit hoofdstuk worden de toegangsmogelijkheden tot jeugdhulp in het vrijwillig kader (nader) geregeld. Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven wordt hier de toegang niet geregeld in het gedwongen kader, via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting.
Artikel 6 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 9 opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de Jeugdwet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen.
Jeugdigen en ouder(s) kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of de ouder(s) is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 9). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouder(s) verlangd (CRvB zestien januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).
Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de Jeugdwet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of de ouder(s) een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een pgb- budgetplan in moeten dienen.
Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb.
Als de inzet van jeugdhulp niet kan wachten tot het onderzoek is afgerond, kan het college in spoed- of crisissituaties direct jeugdhulp inzetten. In deze gevallen start de hulp onmiddellijk, zonder dat vooraf een volledig onderzoek is afgerond of een besluit is genomen.
Het besluit tot inzet van een individuele voorziening wordt dan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de start van de hulp, vastgelegd in een beschikking.
Dit lid regelt dat de beslistermijn wordt opgeschort gedurende de periode waarin de jeugdige en/of ouder(s) een familiegroepsplan opstellen en indienen. Het familiegroepsplan is een plan dat door ouders, de jeugdige en het sociale netwerk wordt opgesteld, waarin zij zelf aangeven hoe de problemen kunnen worden aangepakt.
De opschorting van de beslistermijn met zes weken voorkomt dat het college onder tijdsdruk een beschikking moet nemen terwijl het familiegroepsplan nog in voorbereiding is. Zo wordt recht gedaan aan het uitgangspunt van de Jeugdwet dat ouders en hun netwerk zo veel mogelijk zelf oplossingen formuleren, en kan het college dit plan betrekken bij de beoordeling van de noodzaak en aard van jeugdhulp. Deze duur geeft jeugdigen en ouders reële tijd om samen met hun netwerk een familiegroepsplan te maken, maar waarborgt ook dat het college binnen afzienbare tijd een besluit neemt.
Voor het indienen van een aanvraag voor jeugdhulp is het voldoende dat één ouder met gezag namens de jeugdige optreedt. Het college mag de aanvraag niet afhankelijk stellen van toestemming van de andere gezaghebbende ouder; dat zou een extra wettelijke drempel zijn. De wettelijke eis dat beide ouders met gezag toestemming moeten geven, geldt voor het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp en niet voor de aanvraag. Deze toestemming is vormvrij en de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de jeugdhulpverlener, niet bij het college.
Het college spant zich wel in om beide gezaghebbende ouders zoveel als redelijkerwijs mogelijk te betrekken bij de besluitvorming. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat betrokkenheid van beide ouders, ook vanuit systemisch en pedagogisch perspectief, bijdraagt aan het welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige. Het betrekken van beide ouders bevordert de samenwerking, vergroot het draagvlak voor de hulp en ondersteunt de stabiliteit en veiligheid van het kind.
Artikel 7 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hiervoor), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de Jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of de ouder(s) na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of de ouder(s) kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 6).
Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten de van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of de ouder(s) geen gebruik kunnen maken van een pgb.
In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of de ouder(s) daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat volgens het oordeel van de aanbieder de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn. Het oordeel wordt mede gebaseerd op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van de handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het vierde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan dat wat volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Daarnaast geldt dat de jeugdhulpaanbieder zich moet houden aan de bepalingen uit deze verordening. Dit betekent concreet dat de jeugdhulpaanbieder zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 6 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook beperkt de inzet zich in beginsel tot de individuele voorzieningen die in artikel 5 zijn opgesomd. Aldus legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute
HOOFDSTUK 5 BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE
Artikel 9 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren
Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek gebeurt in samenspraak met de jeugdige en de ouder(s). Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en de ouder(s) en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en de ouder(s).
Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.
Op grond van artikel 2.5, van de Jeugdwet informeert het college jeugdigen, ouder(s) en pleegouder(s) tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Jeugdstem voert dit vertrouwenswerk in de praktijk uit. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op:
Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de Jeugdwet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.
Ouder(s) hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij het onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouder(s) kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen.
Als de jeugdige of de ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jeugdige of de ouder(s) al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.
Het is mogelijk dat een jeugdige of de ouder(s), na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of de ouder(s) zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening.
Om een volledig beeld te krijgen van de ontwikkeling van de jeugdige kan het college ouder(s) vragen de voorgeschiedenis van de jeugdige en het gezin in beeld te brengen. Hierin kan dan de hele (vroege) ontwikkeling en de hulpvraag worden beschreven. Als de hulpvraag ook met school te maken heeft kan het college, enkel met toestemming van de ouder(s), de leerkracht of mentor van de school verzoeken om het schoolvragenformulier alvast in te vullen. Dit ter voorbereiding op het gesprek naar aanleiding van de melding van de hulpvraag.
De Jeugdwet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en de ouder(s) er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en de ouder(s) te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:
Stap 1 - inventariseer de vraag.
Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of de ouder(s)? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de Jeugdwet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of de ouder(s) nu een beroep doen op de gemeente.
Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart en leg dat vast.
Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.
De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en de ouder(s), met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat de jeugdige kan groeien naar zelfstandigheid en dat de jeugdige voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.
Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.
Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.
Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.
Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.
Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo 2015, Wlz of de Zvw en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 28 e.v.).
Als wél sprake is van een hulpvraag van de jeugdige, zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening, en de hulpvraag voortkomt uit maatschappelijke, psychische of relationele problemen van ouder(s), wordt de jeugdhulp afgestemd op de ondersteuning die ouder(s) nodig hebben. Bij deze problemen kan worden gedacht aan problemen rondom bestaanszekerheid (schulden, huisvesting, inkomen), verslavings- of GGZ- problematiek of echtscheidingsproblematiek. Het college zet daarbij nadrukkelijk in op het versterken van ouder(s) en het toeleiden naar passende hulp voor hen, zo nodig in samenwerking met andere (betrokken) partijen. Het uitgangspunt is dat problemen bij ouder(s) zo veel mogelijk daar worden aangepakt waar zij ontstaan. De jeugdhulp die wordt ingezet richt zich in deze situaties op aangepaste en realistische doelen. Daarbij wordt rekening gehouden met wat redelijkerwijs en binnen een bepaalde termijn van de ingezette jeugdhulp kan worden verwacht, gelet op de problematiek(en) van de ouder(s).
Het werken met aangepaste en realistische doelen geldt ook als bekend is dat er een wachtlijst is voor de hulp die ouder(s) nodig hebben en als de ouder(s) weigeren hulp te zoeken en/ of te starten. In deze situaties richt de ondersteuning aan de jeugdige zich primair op het waarborgen van de veiligheid en het bevorderen van een gezonde ontwikkeling, terwijl de inzet op hulp voor ouder(s) waar mogelijk wordt voortgezet. Er worden afspraken gemaakt over het contact tijdens de wachtperiode.
Artikel 10 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming
Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 9 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of de ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.
In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:
Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de Jeugdwet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot). Daartoe bepaalt artikel 10, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Jeugdwet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.
Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot de bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.
Artikel 11 Vaststelling van het Burgerservicenummer
Dit artikel is gebaseerd op de bepalingen in §7.2 van de Jeugdwet. Volgens artikel 7.2.1 van de Jeugdwet mag het BSN worden gebruikt om te waarborgen dat persoonsgegevens van de juiste jeugdige zijn. Artikel 7.2.2 schrijft voor dat het BSN bij het eerste contact met de jeugdige wordt vastgesteld. Artikel 7.2.3 geeft aan dat hiervoor het nummerregister of de BRP kan worden geraadpleegd, tenzij het BSN al bekend is via een andere bevoegde gebruiker. Het doel van deze bepaling is het waarborgen van de rechtmatigheid van de jeugdhulpverlening en dat de inzet van voorzieningen bij de juiste jeugdige terechtkomt.
In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en de ouder(s) krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor de besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouder(s) de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.
De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of de ouder(s) het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en de ouder(s) doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.
Artikel 13 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening
In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet opstellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Het betrekt de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.
Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt.
Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de Jeugdwet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de Jeugdwet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien de leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt.
Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of algemene voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of algemene voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.
Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.
Het vierde lid sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/) en de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd.
Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouder(s) helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet.
In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de Jeugdwet alleen aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de Jeugdwet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouder(s) liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouder(s) zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouder(s) via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat als er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de Jeugdwet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.
Met dit lid wordt beoogd het gebruik van individuele begeleiding zorgvuldig en terughoudend toe te passen. Individuele begeleiding is een zwaar en ingrijpend middel, dat alleen wordt ingezet op basis van een vastgesteld afwegingskader. Dit geldt zowel in relatie tot verblijf, onderwijs, dagbesteding en dagbehandeling. Aanleiding hiervoor is dat uit praktijkervaring en onderzoek blijkt dat deze vorm van begeleiding vaak wordt ingezet als laatste redmiddel in zeer complexe situaties, terwijl het zelden leidt tot duurzame verbetering.
Onderzoek en ervaringen, onder meer uit de regio Rotterdam-Rijnmond, laten zien dat langdurige individuele begeleiding hoge kosten met zich meebrengt, de zelfredzaamheid van jeugdigen kan verzwakken en het risico vergroot dat perspectief op ontwikkeling ontbreekt. Daarnaast kan deze vorm van begeleiding nadelige effecten hebben op hechting en het toewerken naar zelfstandigheid. Ook blijkt dat individuele begeleiding vaak lang doorloopt, zonder duidelijke doelen, afbouw of samenhangende behandelstrategie.
Het college wil voorkomen dat individuele begeleiding een structurele oplossing wordt bij het ontbreken van passend aanbod, onvoldoende regie of afstemming tussen jeugdzorg, GGZ, onderwijs en dagbesteding en dagbehandeling. Daarom wordt deze vorm van begeleiding alleen toegestaan bij hoge uitzondering, altijd op basis van een verklarende analyse en met een beperkte duur
Als er sprake is van een uitzonderingssituatie kan het college, gelet op de omstandigheden van de jeugdige of het gezin en/ of vanuit zwaarwegende maatschappelijke overwegingen, gemotiveerd afwijken van het afwegingskader. Onder zwaarwegende maatschappelijke overwegingen wordt onder meer verstaan situaties waarin het achterwege laten van (tijdelijke) individuele begeleiding leidt tot een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de jeugdige, het gezin, de directe omgeving en/ of de maatschappij. Hierbij kan worden gedacht aan situaties waarin sprake is van (dreiging van) ernstige geweldsdelicten, andere ernstige strafbare feiten, of ernstig zelfbeschadigend tot suïcidaal gedrag. Het college kan in deze uitzonderlijke situaties gemotiveerd afwijken van het afwegingskader, met als doel acute risico’s te beperken en stabiliteit te creëren. Er wordt bij de onderbouwing van de uitzonderingssituatie rekening gehouden met het risico dat er geen nieuw precedent ontstaat door de uitzonderingssituatie.
Coördinatie wordt ingezet om te zorgen voor samenhang en regie in situaties waar de veiligheid of ontwikkeling van de jeugdige onder druk staat en meerdere partijen betrokken zijn. Hoewel deze situaties vaak complex zijn, is er niet altijd sprake van meervoudige problematiek op verschillende levensdomeinen. Complexiteit kan ook voortkomen uit de aard van de problematiek of de samenwerking tussen betrokken partijen.
Artikel 14 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Artikel 2.3, van de Jeugdwet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de Jeugdwet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en de ouder(s) er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en de ouder(s) staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden.
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf. Van ouder(s) mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouder(s) behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouder(s) worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL: CRVB:2019:2362).
De in de Jeugdwet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouder(s) om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.
Bij gescheiden ouder(s) geldt als uitgangspunt dat beide ouder(s) met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouder(s) zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.
Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de Jeugdwet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en de ouder(s) er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en de ouder(s) staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De Jeugdwetgever formuleert het als volgt:
“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of de ouder(s) een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en de ouder(s) de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder ontoereikend de. Dit zou ook strijdig zijn met de uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, de ouder(s) en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouder(s) en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en de ouder(s) zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).
Het eerste lid geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg, zoals opgenomen in de ‘Beleidsregels jeugdhulp Leidschendam- Voorburg 2026’.
Dit lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of de ouder(s) gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.
De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de Jeugdwet. De in het Burgerlijk Jeugdwetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouder(s) en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouder(s) is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid. In geval van gescheiden ouders, wordt rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont, terwijl erkend wordt dat soms geen andere ouder beschikbaar is, bijvoorbeeld door overlijden, onbekendheid of afwezigheid van betrokkenheid.
Dit lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouder(s). Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.
Op de in artikel 9 van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden.Daarmee wordt het noodzakelijke verband gelegd tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de Jeugdwet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouder(s) kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.
In artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer omvatten van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld, waarbij geldt dat de gemeente die verantwoordelijk is voor de jeugdhulp op grond van het woonplaatsbeginsel ook verantwoordelijk is voor het vervoer. In geval van gescheiden ouders in verschillende gemeenten, is die gemeente ook verantwoordelijk voor het vervoer van en naar beide ouderadressen. Artikel
Wanneer de ouder(s) in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655).
Het vervoer moet noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Van een medische noodzaak is sprake als de jeugdige vanwege een lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking niet in staat is om, al dan niet onder gebruikelijke begeleiding, op passende wijze zelfstandig van en naar de jeugdhulplocatie te reizen.
Een reisafstand binnen 6 kilometer wordt gezien als gebruikelijke hulp; van ouders wordt verwacht dat zij dit zelf regelen. Het gaat hier om één van de wegingsfactoren. Dit wil dus zeggen dat als de afstand korter is dan 6 kilometer er om andere redenen wel vervoer kan worden toegekend. Ook geldt dat een afstand van meer dan 6 km niet vanzelfsprekend leidt tot een vervoersvoorziening als ouders wel met eigen mogelijkheden het vervoer kunnen organiseren.
De uitgangspunten zoals genoemd in lid vijf d ‘best passende, best te organiseren en goedkoopste vervoersvoorziening’ kunnen met elkaar op gespannen voet staan. Bij de besluitvorming hierover staat het belang van het kind dan ook voorop. Met het oog op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, verstaat het college hier het volgende onder:
Het uitgangspunt zoals genoemd in lid vijf e is dat gebruik wordt gemaakt van groeps- of openbaar vervoer. Taxivervoer, doorgaans solovervoer maar soms met meerdere kinderen, wordt alleen ingezet wanneer dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege ernstige gedragsproblematiek bij het kind die veilig groepsvervoer verhindert, of andere niet-medische omstandigheden waardoor deelname aan groepsvervoer niet haalbaar is. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de andere kinderen in het groepsvervoer en met het belang van rust, reinheid en regelmaat.
Bij kortdurend verblijf wordt van de ouders verwacht dat zij hun kind naar de logeerplek brengen, vanuit het principe van eigen kracht. Dit is echter geen absolute voorwaarde. Het college toetst altijd individueel of het in het concrete geval redelijk en haalbaar is, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met de ontlastende functie van het kortdurend verblijf.
Artikel 1.2 Jeugdwet bepaalt dat het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet hoeft te treffen als er voor dezelfde problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling (bijv. Wlz, Zvw, leerlingenvervoer). Begeleiding vanuit de Wmo 2015 geldt niet als voorliggende voorziening voor jeugdigen. De wetgever heeft bepaald dat begeleiding voor jeugdigen tot 18 jaar in beginsel onder de Jeugdwet valt.
Het uitgangspunt is dat kinderen zoveel mogelijk door ouders of het sociale netwerk zelf worden vervoerd of zelfstandig reizen. Een tegemoetkoming in de vervoerskosten wordt alleen verstrekt wanneer de eigen mogelijkheden daadwerkelijk ontoereikend zijn en de financiële situatie het vervoer belemmert. Deze tegemoetkoming mag niet leiden tot gederfde inkomsten van ouders wanneer zij het vervoer zelf verzorgen. Bij de beoordeling kijkt het college ook naar de praktische mogelijkheden van ouders, bijvoorbeeld rekening houdend met werk en andere zorgtaken. In artikel 25 is geregeld hoe de hoogte van een pgb voor de kosten van vervoer wordt bepaald.
Het vervoer wordt uitsluitend verstrekt voor het daadwerkelijk brengen en ophalen van de jeugdige naar de jeugdhulpaanbieder. Dit betekent dat per dag maximaal één heenrit en één terugrit voor één meereizende begeleider wordt vergoed. Ritten die ouders maken zonder dat de jeugdige meerijdt, zoals terugrijden na het brengen of heenrijden voorafgaand aan het ophalen, vallen niet onder Jeugdwetvervoer en worden niet vergoed. Alleen de jeugdige is doelgroep; ouders kunnen op grond van de Jeugdwet geen afzonderlijke vervoersvoorziening ontvangen.
Het college kan een vergoeding verstrekken voor een alternatieve vervoersvoorziening als deze past bij de jeugdige en niet duurder is dan het openbaar vervoer. Het gaat daarbij niet alleen om bestaande opties zoals een (elektrische) fiets. Ook nieuwe of gezamenlijke initiatieven kunnen in aanmerking komen, bijvoorbeeld wanneer ouders gezamenlijk een bus organiseren of een andere alternatieve oplossing realiseren. Hiermee blijft ruimte voor maatwerk en innovatie, zodat vervoer veilig, praktisch en passend kan worden uitgevoerd.
Daarnaast moet het wel om passend vervoer gaan. Dat betekent bijvoorbeeld:
Het doel van de vervoerstraining is om de jeugdige in staat te stellen alsnog zelfstandig te reizen, waarbij de jeugdige niet langer op een vervoersvoorziening is aangewezen. Als dat niet mogelijk is, wordt de jeugdige door middel van de vervoerstraining ondersteund in het zo zelfstandig mogelijk reizen, waardoor gebruik kan worden gemaakt van een goedkopere vervoersvoorziening en de jeugdige niet langer afhankelijk is van een begeleider die meereist.
Om het vervoer efficiënter en goedkoper te maken, kan het college opstapplaatsen aanwijzen. Jeugdigen worden dan niet thuis opgehaald, maar gaan - eventueel onder begeleiding - naar de aangewezen plek, waar de taxi of bus hen ophaalt.
De aan te wijzen opstapplaats moet op een veilige en beschutte plek zijn. Het feit dat de opstapplaats aan een drukke verkeersweg ligt, is op zichzelf niet voldoende om de locatie als onvoldoende veilig te beoordelen. Van ouders mag in dergelijke situaties verwacht worden dat zij voor begeleiding zorgen tot ten minste het moment dat hun kind is ingestapt. De opstapplaats moet ook binnen een redelijke afstand van de woning van de jeugdige liggen. Het is aan het college om te beoordelen wat in een individuele situatie redelijk is. Een reistijd van niet meer dan 15 minuten is in ieder geval redelijk.
Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de jeugdige naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Nu van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar en op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, onmogelijk is.
Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame jeugdige zijn verplicht informatie met betrekking tot wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college. Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame jeugdige iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit.
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op deze voorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening.
Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek.
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen.
Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken.
Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een jeugdige de toegang tot de vervoersvoorziening tijdelijk of voor de rest van de beschikkingsperiode ontzeggen, als bij herhaling is gebleken dat de jeugdige door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn als de zorgvraag van de jeugdige dermate hoog is dat die niet van een reguliere chauffeur kan worden gevergd.
Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de Jeugdwet valt, met dien verstande dat de Jeugdwetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zvw naar de Jeugdwet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college, op grond van artikel 2.3, van de Jeugdwet, enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs is vastgesteld dat dit noodzakelijk is.
De Jeugdwet sluit niet uit dat vaktherapie, als het passend is, ingezet wordt als jeugdhulp. De Jeugdwet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, dient de gemeente zich te baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren.
Er is een aantal vaktherapieën waarvan het effect (nog) niet wetenschappelijk is aangetoond. Die therapieën worden meestal ook niet door de zorgverzekeraar vergoed. In die situaties geldt het uitgangspunt dat de voorziening in beginsel ook niet vanuit de Jeugdwet wordt verstrekt, tenzij er geen passend alternatief beschikbaar is. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines.
Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij het Kwaliteitsregister Vaktherapie) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie als losse interventie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of de toegang van de gemeente met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapeut (die in beginsel niet SKJ-geregistreerd is) alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een coördinerend behandelaar.
Deze werkwijze sluit aan bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2023:655). Daarin is bevestigd dat het college bij de beoordeling van een aanvraag mag betrekken of een interventie past binnen de totale behandeling en of er voldoende professionele regie is georganiseerd. Als uit een deskundig advies blijkt dat dit nog niet het geval is, kan het college besluiten de interventie niet te vergoeden.
Artikel 18 Kinderopvang en buitenschoolse opvang
In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Jeugdwet op de kinderopvang.
Alleen als er als gevolg van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.
Uitgangspunt is inclusieve opvang: kinderen maken, waar mogelijk, gebruik van reguliere kinderopvang of BSO en nemen deel aan de groep. De inzet van (specialistische) begeleiding is erop gericht dat het kind zo veel mogelijk groepsgewijs wordt opgevangen en mee kan doen met de andere kinderen. Het afzonderen van het kind wordt zoveel mogelijk voorkomen; individuele begeleiding wordt alleen ingezet als dit noodzakelijk is om het kind veilig en verantwoord te laten deelnemen aan de opvang en/of om de gestelde jeugdhulpdoelen te bereiken. Het college vergoedt in deze situaties uitsluitend de meerkosten die direct samenhangen met de noodzakelijke (specialistische) begeleiding; de reguliere opvangkosten blijven voor rekening van ouders.
Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of BSO+.
Naast de Jeugdwet zijn er binnen jeugdzorg ook aanvullende afspraken over pleegzorg gemaakt. Het gaat om de volgende afspraken:
sinds februari 2020 kan verblijf in een gezinshuis worden verstrekt (of doorlopen) aan jeugdigen in de leeftijd tot 23 jaar. In overleg tussen gemeente, jeugdige, gezinshuisouders en eventueel behandelverantwoordelijke moet er dan wel een perspectief voor de toekomst zijn vastgelegd. Dit is een voorwaarde voor verstrekking of verlenging van het verblijf tot 23 jaar.
Dit wordt verlengde Jeugdhulp genoemd. Zowel pleegzorg als verblijf in een gezinshuis kan in het kader van verlengde Jeugdhulp standaard worden verstrekt tot de jeugdige de 23-jarige leeftijd bereikt. Dit kan alleen als voor deze jeugdige vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd ook al pleegzorg was ingezet, tenzij het pleegkind heeft aangegeven geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg.
Het uitgangspunt is dat onderwijs een essentieel onderdeel is van de voorziening. Het college zorgt er, in samenwerking met de jeugdhulpaanbieder en de onderwijsinstelling, voor dat de jeugdige continu onderwijs kan blijven volgen en ingeschreven blijft staan. Dit voorkomt onderbreking van het leerproces en ondersteunt de ontwikkeling van de jeugdige.
De voorkeursvolgorde bij uithuisplaatsing is plaatsing in een gezins- of kleinschalige omgeving (zoals pleegzorg, gezinshuizen en andere kleinschalige woonvormen). Voor deze vormen wordt gekozen omdat zij een zo normaal mogelijke gezins- en opvoedsituatie bieden en in deze vorm, hechting, stabiliteit en continuïteit van de zorg bevorderen. Ook sluiten zij beter aan bij het recht op familieleven dan grootschalige residentiële instellingen. Alleen als de problematiek of veiligheidssituatie van de jeugdige zodanig is dat verblijf in een instelling aantoonbaar meer in het belang van de jeugdige is, kan hiervan worden afgeweken.
Artikel 20 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of de ouder(s) en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, zoat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voort uit de Jeugdwet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Nu het verslag van het onderzoek een belangrijk onderdeel vormt van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit, wordt dit verslag ook aan de beschikking toegevoegd.
HOOFDSTUK 6 AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB
In de Jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt.
Artikel 21 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb
Wanneer een jeugdige of de ouder(s) naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of de ouder(s) vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo kan het college een format vaststellen voor een pgb- budgetplan dat de jeugdige of de ouder(s) met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb- budgetplan dient te de opgenomen.
Uit de motivering in het pgb- budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb- budgetplan moet zijn voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 21 van de verordening. Verder moet uit het pgb- budgetplan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.
De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet. In de Jeugdwet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd:
In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien toe op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet.
Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is strikt geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van ZIN waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.
Specialistische begeleiding wordt ingezet voor zware en complexe problematiek. Deze vorm van begeleiding vraagt meer gespecialiseerde kennis dan reguliere individuele begeleiding, maar blijft ondersteuning gericht op zelfredzaamheid en participatie.
Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet).
Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.
Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf):
Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb- budgetplan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.
Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.
In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
Dit betekent dat iedere omstandigheid steeds in de context van het individuele geval beoordeeld moet worden. Het enkele feit dat één van de opgesomde omstandigheden aanwezig is, mag niet automatisch leiden tot een afwijzing van een pgb. Uit jurisprudentie, zoals de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2019:4940), volgt dat bijvoorbeeld schuldenproblematiek op zichzelf geen categorale uitsluitingsgrond vormt. Het gaat er telkens om of de budgethouder of budgetbeheerder – al dan niet met inzet van passende waarborgen, zoals een beschermingsbewindvoerder, een professionele budgetbeheerder of een geschikt persoon uit het sociale netwerk – in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Daarmee blijft maatwerk geborgd en wordt recht gedaan aan de bedoeling dat een pgb slechts geweigerd kan worden als de risico’s niet adequaat kunnen worden ondervangen.
1. Problematische schuldenproblematiek: problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij de financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.
Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.
Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.
2. Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over het eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over het eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.
3. Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt nog meer als budgethouder of budgetbeheerder, of het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, of de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.
4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.
5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.
6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over het leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.
7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de SVB is en doet in relatie tot het pgb.
8. Het niet verkrijgen van een VOG waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.
Artikel 23 Onderscheid formele en informele hulp PGB
Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wlz en Zvw wordt gehanteerd.
Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandigen zonder personeel (zzp’er), die onder toezicht staat van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouder(s), broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Professionals die hulpverlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb.
Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de Jeugdwet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de Jeugdwet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulp verlenen, moeten in beginsel geregistreerd zijn in het SKJ- of BIG-register.
Rechtspraak (o.a. Rb. Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2023:966 en ECLI:NL:RBGEL:2025:4929) maakt echter duidelijk dat in bijzondere situaties gemotiveerd kan worden afgeweken van deze registratieplicht, mits aannemelijk is dat de kwaliteit en veiligheid van de geboden hulp niet worden aangetast. Het college kan dus in uitzonderlijke gevallen bepalen dat een niet-geregistreerde professional de hulp uitvoert, als voldoende deskundigheid en waarborgen voor de kwaliteit van de uitvoering aanwezig zijn (artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet). Het gaat hierbij om een uitzondering op de hoofdregel dat professionals geregistreerd moeten zijn.
Informele hulp is de jeugdhulp die wordt geboden door een natuurlijk persoon die behoort tot het sociale netwerk van de jeugdige of ouder (zoals personen uit de huiselijke kring, bloed- of aanverwanten, vrienden of anderen met een sociale relatie) en die de jeugdhulp niet beroeps- of bedrijfsmatig verleent en geen jeugdhulpaanbieder is als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet.
Bloedverwantschap ontstaat door:
afstamming van dezelfde voorvader;
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;
Artikel 24 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder(s).
De bepaling, waarbij de VOG bij aanvang van de hulpverlening niet ouder mag zijn dan 3 maanden en tijdens de hulpverlening niet ouder mag zijn dan drie jaar, geldt uitdrukkelijk ook voor solistisch werkende jeugdhulpverleners, veelal zzp’ers, waarbij de verplichting om te beschikken over een VOG rechtstreeks voortvloeit uit artikel 4.1.6, derde lid, van de Jeugdwet.
GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.
In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk.
De essentialia (belangrijkste regels) van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Tariefsdifferentiatie hoort hierbij. Deze uitspraak ging over de Wmo 2015, maar de rechtbank sprak uit (CRVB 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092) dat wat daar in het kader van de WMO 2015 in rechtsoverweging 4.5 is overwogen, ook geldt voor de Jeugdwet.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp vanuit een professionele organisatie (lid een) en een tarief voor informele hulp (lid drie). Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wlz en Zvw wordt gehanteerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen.
De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura.
Op grond van artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet stelt het college de hoogte van het pgb zodanig vast dat de noodzakelijke jeugdhulp kan worden ingekocht. Het college mag het pgb relateren aan het tarief voor ZIN. Een lager percentage dan het ZIN-tarief is gerechtvaardigd, omdat in dat tarief kosten zijn inbegrepen die bij pgb-zorg geheel of gedeeltelijk ontbreken, zoals overhead, huisvesting, contractbeheer en administratieve lasten. Met het vastgestelde percentage blijft het pgb toereikend om de geïndiceerde jeugdhulp bij ten minste één aanbieder in te kopen.
Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp’ers (lid twee), wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager omdat zij vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit hebben als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.
In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp (lid drie) gebaseerd op het wettelijk minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, vermeerderd met vakantieopslag, werkgeverslasten en een opslag. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan de arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht. Deze lijn wordt ondersteund door recente rechtspraak, waaronder de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 8 november 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:4405), en sluit aan bij de beleidsopvatting van de staatssecretaris, zoals verwoord in de Kamerbrief van 20 december 2024, waarin een hoger tarief voor informele hulp onwenselijk wordt geacht. Iemand hoort tot het sociaal netwerk als er een bestaande sociale relatie is met de jeugdige/ouders en de hulp niet beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend; bij familie wordt dit in elk geval aangenomen.
De gehanteerde eventuele opslag in lid 3 sluit aan bij de beleidsdoelstelling om minder te professionaliseren en informele zorg actief te stimuleren als passend alternatief voor zwaardere jeugdhulp. Door een tarief vast te stellen dat hoger ligt dan het wettelijk minimumloon, maar aanzienlijk lager blijft dan de tarieven voor formele jeugdhulp, wordt daarbij onbedoelde professionalisering voorkomen. Daarmee ontstaat een bewuste prikkel om ondersteuning, waar mogelijk, binnen het informele netwerk te organiseren. Op deze manier draagt het tarief bij aan normalisering en beheersing van de kosten.
De Regeling Jeugdwet Artikel 8b biedt de mogelijkheid om een professioneel tarief rekenen als de hulp uit het sociaal netwerk beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend. In het vierde lid is deze mogelijkheid alleen in geval van hoge uitzondering opgenomen; er zijn voorwaarden gesteld met betrekking tot noodzakelijkheid en kwaliteit, en er gelden expliciete uitsluitingscriteria.
Dit artikel regelt hoe de hoogte van het pgb voor niet-professionele jeugdhulp bij kortdurend verblijf en dagbesteding wordt bepaald. De vaststelling vindt plaats per individuele situatie en is gebaseerd op het tarief voor niet-professionele jeugdhulp zoals bedoeld in het derde lid. Bij de berekening wordt uitgegaan van het aantal uren individuele begeleiding en/of persoonlijke verzorging dat daadwerkelijk noodzakelijk is per etmaal bij kortdurend verblijf of per dagdeel bij dagbesteding. Er wordt gewerkt met een reëel en werkbaar aantal uren en niet met een inzet van 24 uur per etmaal.
Het pgb voor niet-professionele jeugdhulp bedraagt nooit meer dan het pgb voor professionele jeugdhulp. Daarnaast geldt dat de hoogte van het pgb niet hoger mag zijn dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate en passende voorziening in natura. Hiermee wordt geborgd dat het pgb doelmatig wordt ingezet en dat informele jeugdhulp niet leidt tot hogere kosten dan zorg in natura, terwijl de noodzakelijke ondersteuning wel passend en beschikbaar blijft.
De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein.
Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.
Bij sommige vormen van jeugdhulp vanuit het sociale netwerk is het wenselijk de mogelijkheid voort te zetten om minder dan het wettelijk minimumloon te vergoeden. Het gaat hier om hulp die hoofdzakelijk wordt verleend uit morele of sociale overwegingen, bijvoorbeeld door familie of vrienden. Voor deze niet-professionele hulp geldt dat de hulpverlener geen aanspraak maakt op een beloning zoals bij reguliere arbeid.
Om dit in de praktijk te regelen, biedt de Regeling Jeugdwet een nieuwe mogelijkheid: met een verklaring (niet zijnde een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) kan een hulpverlener een klein, symbolisch bedrag ontvangen uit het pgb. Dit betreft hulp en bijstand in de particuliere sfeer, zoals een vriendendienst of vrijwillige hulp in familieverband, waarbij geen wettelijke verplichting bestaat tot beloning. Het tarief voor deze vorm van jeugdhulp wordt door het college vastgesteld op basis van artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet.
Het college controleert of de verklaring wordt opgesteld volgens het vigerende, door de SVB vastgestelde model en of het ten minste het volgende bevat:
Artikel 26 Uitgesloten van pgb
Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in dit artikel opgesomd.
Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt daarom niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of de ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien de jeugdige ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.
De jeugdige of de ouder(s) heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Als besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.
Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de Jeugdwet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek zoals bedoeld in artikel 9 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of de ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.
Een eenmalige uitkering kan alleen mogelijk als er nog budget beschikbaar is, maar het pgb is bedoeld voor de daadwerkelijke zorg en ondersteuning van de budgethouder. Het betreft gemeenschapsgeld dat anders terugvloeit naar de gemeente. Dit is de reden waarom het niet is toegestaan om een feestdagenuitkering via het pgb uit te keren.
Een eenmalige uitkering is bijvoorbeeld een eenmalige uitkering aan de aanbieder ter compensatie voor het plotselinge en onvoorziene verlies aan inkomsten. Dit speelt onder meer wanneer de afgesproken opzegtermijn niet kan worden nagekomen, bijvoorbeeld bij het overlijden van de inwoner of bij een (tijdelijke) opname. Het pgb is echter uitsluitend bestemd voor de daadwerkelijke zorg en ondersteuning van de budgethouder, en niet voor extra financiële compensaties buiten de zorgovereenkomst.
Kosten zoals cursussen van de zorgverlener, entreegeld voor recreatieve activiteiten, maaltijden en consumpties bij overwerk, en woonkosten in wooninitiatieven worden niet vergoed vanuit het pgb. Het pgb is uitsluitend bestemd voor de daadwerkelijke zorg en ondersteuning van de individuele budgethouder. Cursussen en maaltijden zijn kosten van de zorgverlener zelf, entreegeld betreft recreatie en woonkosten zijn particuliere uitgaven van de bewoners. Door deze kosten uit te sluiten blijft het pgb volledig gericht op zorg en ondersteuning.
Het is niet toegestaan om een vast bedrag per periode via het pgb uit te keren, omdat dan niet gegarandeerd is dat de zorg daadwerkelijk is geleverd. Als de zorg stopt maar de zorgovereenkomst niet wordt beëindigd, kunnen betalingen blijven doorlopen terwijl er geen zorg wordt geleverd.
HOOFDSTUK 7 AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN
In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.
Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wlz, de Zvw en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de Jeugdwet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de Jeugdwet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de Jeugdwet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de Jeugdwet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015.
Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet.
Als een gedragswetenschapper Ernstige Dyslexie (ED) vaststelt, maar daarvoor géén behandelindicatie afgeeft, dan is geen sprake van jeugdhulp. Dat betekent dat onderwijs in dat geval (ook voor deze jeugdige) verantwoordelijk blijft voor goed lees- en spellingsonderwijs in de klas, eventuele extra begeleiding in de klas en andere specifieke interventies. Het onderzoek van de gedragswetenschapper is overigens wél een vorm van jeugdhulp onder de Jeugdwet. Intelligentietesten die worden afgenomen met een ander doel dan ten behoeve van onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen evenmin onder jeugdhulp. (zie ook bij artikel 23)
Artikel 28 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de Jeugdwet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de Jeugdwet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 9 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.
Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen de bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. Zodra voor een jeugdige een indicatie of aanspraak op grond van een andere wet is vastgesteld, zet het college zich actief in om te bevorderen dat deze zorg zo spoedig mogelijk begint. Tot de feitelijke start blijft het college verantwoordelijk voor het leveren van jeugdhulp. In deze situatie treedt het college direct in overleg met betrokken partijen om afspraken te maken over overdracht, bekostiging en eventuele verrekening van kosten. Als de jeugdhulp langer duurt dan 3 maanden, wordt in gezamenlijk overleg bezien welke tijdelijke aanpassingen in het zorgaanbod passend zijn, met blijvende inzet op een spoedige start van de nieuwe voorziening.
Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.
Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of de ouder(s). Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.
Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het 18e levensjaar, of het 21e of 23e levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het 16e levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen.
Artikel 29 Afstemming Zvw en Wlz
De verplichting voor het college om afspraken te maken over de voorwaarden en de wijze van verwijzing via het medisch domein volgt uit artikel 2.7 lid 4 van de Jeugdwet. De gemeente gaat daarbij uit van de professionele standaarden die voor de betrokken beroepsgroepen gelden.
De verplichting voor het college om te voorzien in overbruggingszorg volgt uit het woonplaatsbeginsel (artikel 1.1 Jeugdwet) en de zorgplicht van de gemeente om te voorkomen dat een jeugdige zonder passende ondersteuning komt te zitten. Het uitgangspunt is dat de nieuwe voorziening, zodra een indicatie of aanspraak is vastgesteld, zo spoedig mogelijk moet starten. Het college zet zich daarom actief in om samen met betrokken partners belemmeringen zoals wachtlijsten of het ontbreken van een passende plek zo snel mogelijk op te lossen. De uitspraak van de Geschillencommissie Sociaal Domein van 26 juli 2024 (referentiecode: 229647/256000), bevestigt dat de gemeente van herkomst verantwoordelijk blijft totdat de nieuwe voorziening daadwerkelijk is gestart.
De afgelopen periode is er een toename zichtbaar in afwijzingen van Wlz-aanvragen door het CIZ, waarbij de motivering niet altijd overtuigend is of waarbij het onderzoek onvoldoende diepgaand lijkt te zijn uitgevoerd. Recente rechtspraak (o.a. ECLI:NL:RBOVE:2024:6697 en ECLI:NL: RBNNE:2025:2195) bevestigt dat het CIZ een vergaande onderzoeksplicht en bewijslast heeft. Daarbij geldt dat de vraag of de zorgbehoefte ‘blijvend’ is, beoordeeld moet worden in relatie tot het al dan niet wegvallen van onplanbare 24-uurszorg, en niet enkel op basis van algemene ontwikkelingsmogelijkheden. Het is van belang dat de gemeentelijke toegang alert is op mogelijke onvolkomenheden in de besluitvorming, cliënten wijzen op hun rechten en zorgen voor passende ondersteuning bij bezwaarprocedures.
Artikel 32 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
De leerplichtambtenaren van gemeente zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de Leerplichtwet. Problemen van jeugdigen uiten zich niet zelden in de vorm van (langdurig of frequent) schoolverzuim of voortijdig schoolverlaten. Afstemming tussen leerplichtambtenaar, school én de toegang van de gemeente is in dergelijke gevallen van groot belang.
Artikel 35 Afstemming werk en inkomen
Het hebben van schulden en/of het leven in armoede kan gezinnen veel stress opleveren. Deze stress maakt dat mensen op een andere manier beslissingen nemen. Armoede- en schuldenproblematiek kunnen zo op de voorgrond treden dat ouder(s) hun rol als opvoeder niet meer goed kunnen invullen, maar ook dat jeugdhulp minder of niet effectief is. Het is daarom belangrijk om armoede en financiële problemen tijdig te signaleren en ouders zo nodig snel naar de juiste financiële hulp en armoedevoorzieningen toe te leiden. Hierbij kan het college of gecertificeerde instelling een actieve rol hebben: aanvragen van armoedevoorzieningen, het voeren van een gesprek over armoede, zelf een afspraak maken voor de ouder en de drempel zo laag mogelijk maken door bijvoorbeeld samenwerking met de maatschappelijke dienstverlening.
HOOFDSTUK 8 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK
Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet.
Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouder(s) en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en de ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en de ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet.
Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of de ouder(s) het college alle informatie verstrekt die van belang kan de voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de ouder(s). Immers, ook van jeugdigen en/of ouder(s) met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouder(s) niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp.
Artikel 40 Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering
Dit lid werkt artikel 8.1.4 Jeugdwet uit voor pgb-besluiten en breidt de daarin genoemde gronden uit naar besluiten over individuele voorzieningen in natura. Daarmee wordt gekozen voor gemeentelijk beleid waarin voor natura en pgb dezelfde herzienings- en intrekkingsgronden gelden.
Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens toe op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van de bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726).
Van een jeugdige en/of de ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen 4 maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen 4 maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen en/ of ouder(s) niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.
In de Jeugdwet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de Jeugdwet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De invorderingsbevoegdheid via dwangbevel is op grond van de Jeugdwet uitsluitend van toepassing op pgb’s en niet op voorzieningen in natura. Deze dwangbevelbevoegdheid geldt dus niet voor voorzieningen in natura; daarvoor beperkt de verordening zich tot de bevoegdheid tot (civielrechtelijke of bestuursrechtelijke) terugvordering van de geldschade.
In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Met opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Het gaat bijvoorbeeld om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit is in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat:
Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouder(s) niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit het sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.
Verder kan er voor ten hoogste 13 weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz.
Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik kan maken van een individuele voorziening in de vorm van pgb door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.
Het college kan de inzet van een voorziening tijdelijk opschorten als er een gegrond vermoeden is dat een aanbieder de gemaakte kwaliteitsafspraken niet naleeft. Deze maatregel moet steeds feitelijk onderbouwd en proportioneel zijn. Tijdens de opschorting wordt actief onderzoek gedaan naar de feiten. Het formele kwaliteitstoezicht berust bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ); de bevoegdheid van de gemeente beperkt zich tot het handhaven van de eigen contractuele afspraken en de verordening.
Artikel 41 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s
Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet.
In de Jeugdwet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de Jeugdwet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de Jeugdwet toezichthouder(s) aanwijst, die specifiek toezien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd.
Op grond van artikel 8.1.3, van de Jeugdwet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning. Het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de Jeugdwet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 41, tweede en derde lid toegevoegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb.
Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de Jeugdwet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouder(s), bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouder(s) ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.
Artikel 42 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en in vorm van pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen.
In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die de afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid).
HOOFDSTUK 10 WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 44 Verhouding prijs en kwaliteit
Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, meting van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of de ouder(s), door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermings- maatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 38 voorziet hierin, waarbij een aantal elementen met aanvullende criteria nader zijn uitgewerkt. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.
Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.
HOOFDSTUK 11 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP
Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de Jeugdwet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling over klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.
In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v., van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet logisch is, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, of wanneer de aanbieder niet adequaat op de klacht reageert of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen aanbieder en klager, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.
Artikel 46 Betrekken van ingezetenen bij het beleid
In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de Jeugdwet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de Jeugdwet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze Jeugdwet.
Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. In Leidschendam- Voorburg is in 2023 door de gemeenteraad de Participatieverordening Leidschendam-Voorburg 2023 vastgesteld.
Artikel 48 Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening
Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:
Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt de Verordening jeugdhulp Leidschendam-Voorburg 2026.
Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.
De hardheidsclausule maakt het mogelijk voor het college om af te wijken van de bepalingen van de verordening met het oog op het gezond, veilig en zo normaal als mogelijk opgroeien van een jeugdige. Het moet gaan om een zeer bijzondere situatie waarin het volledig toepassen van (een) bepaling(en) uit de verordening een bedreiging vormt voor het gezond, veilig en zo normaal als mogelijk opgroeien van een jeugdige die op geen andere manier kan worden weggenomen en zou leiden tot een duidelijk onredelijke uitkomst. Dat kan aan de orde zijn als bijvoorbeeld vaststaat dat een bepaalde voorziening die geen deel uitmaakt van het aanbod aan voorzieningen tóch in het individuele geval nodig is en daarvoor geen alternatief bestaat dat wel tot het voorzieningenpakket behoort of aan de gestelde kaders in deze verordening voldoet. De overweging om de hardheidsclausule in te zetten, wordt nooit door één consulent genomen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-371376.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.