Gemeenteblad van Nijkerk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijkerk | Gemeenteblad 2026, 368862 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Nijkerk | Gemeenteblad 2026, 368862 | beleidsregel |
Participatiebeleid gemeente Nijkerk 2025 - 2026
Als Nijkerk ontwikkelen wij ons steeds meer als samenwerkende gemeente die uitdaagt en ruimte biedt. Deze ambitie komt nadrukkelijk naar voren in het coalitieakkoord van het college en de Ontwikkelagenda 2023-2026.
Onze ambities zijn uitgewerkt in een participatiekader. Dit kader bestaat uit vier samenhangende onderdelen:
Participatiebeleid: hierin beschrijven wij hoe wij participatie organiseren. Het gaat om wettelijk verplichte vormen van inwonersparticipatie (zoals bij initiatieven onder de Omgevingswet), maar ook om overheidsparticipatie en netwerkparticipatie. Wij bieden spelregels, praktische handvatten en inspirerende voorbeelden.
Deze onderdelen vormen samen een stevige basis. In dit participatiebeleid ligt de nadruk op hoe wij als gemeente inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners betrekken bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van gemeentelijk beleid en projecten (inwonersparticipatie); en hoe wij initiatieven uit de samenleving ondersteunen (overheidsparticipatie). Het participatiebeleid kan ook bron van inspiratie zijn, bijvoorbeeld voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners die zelf initiatiefnemer zijn.
Om goed beleid te maken en complexe vraagstukken op te lossen, moeten wij keuzes maken die maatschappelijk verantwoord zijn worden. Dat kunnen wij niet alleen. Inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners kennen hun omgeving, brengen kennis mee en vullen de gemeente aan. Samen komen wij tot betere besluiten en resultaten.
Met zorgvuldige participatie willen wij:
Invloed geven: Participatie was lange tijd een vorm van inspraak waarbij inwoners vrijblijvend konden reageren op al gemaakte plannen. Wij willen dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners eerder invloed kunnen uitoefenen op beleid en projecten. Dat geldt niet alleen voor de voorbereiding maar ook bij de uitvoering en evaluatie.
Rekening houden met thema’s in de samenleving: Door participatie zien wij eerder welke onderwerpen spelen in de samenleving en kunnen wij daar beter op inspelen. Soms is er een tegengeluid. Luisteren naar het tegengeluid van inwoners dwingt de gemeente om haar opgaven vanuit verschillende kanten en belangen te bekijken, waardoor blinde vlekken worden voorkomen
Participatie is geen doel op zich, maar een middel. Wij zetten het in omdat het werkt, niet omdat het verplicht is. Goede participatie draagt bij aan betere plannen en besluiten. Wij doen het niet om draagvlak te ‘organiseren’ voor plannen die al vaststaan. Dat leidt tot schijnparticipatie. Wij willen juist dat betrokkenheid écht iets betekent.
1.2 Reikwijdte van het participatiebeleid
De gemeente vindt zorgvuldige participatie belangrijk. Tegelijk is het nodig om per onderwerp te bepalen wat haalbaar en zinvol is. Niet elk onderwerp vraagt om dezelfde vorm of intensiteit van participatie.
Wat valt onder het participatiebeleid?
Omgevingswet: deze wet stimuleert participatie en stelt hier in sommige gevallen ook eisen aan. Zo is participatie verplicht bij projectbesluiten (artikel 5.51 Ow). Bij andere instrumenten, zoals een omgevingsvisie, omgevingsprogramma, wijziging van het omgevingsplan of de aanvraag van een omgevingsvergunning, moet de gemeente het zorgvuldigheidsbeginsel naleven (artikel 10.1 Ow), waarbij participatie vaak onderdeel uitmaakt van een goede voorbereiding.
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): een aanvraag omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het omgevingsplan. Het college is bevoegd gezag om te besluiten gemotiveerd af te wijken van het omgevingsplan. De gemeenteraad kan besluiten voor bepaalde initiatieven participatie verplicht te stellen bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Wat valt niet onder het participatiebeleid?
Naast open participatieprocessen betrekt de gemeente ook formele adviesstructuren zoals de Sociaal Domein Raad, de Wmo-adviesraad en cliëntenraden. Ze hebben een voorgeschreven adviesrol en leveren vanuit hun ervarings- en domeinkennis waardevolle bijdragen aan bijvoorbeeld beleidswijzigingen of verordeningen in het sociaal domein. Zij vormen een vast onderdeel van het participatielandschap maar vallen buiten de reikwijdte van dit participatiebeleid.
Participatie is niet altijd zinvol of mogelijk
Als gemeente worden wij uitgedaagd om waar mogelijk, samen te werken met onze inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Kortom: we doen aan participatie tenzij.
Er kunnen redenen zijn om hiervan af te wijken. Participatie is alleen zinvol als er voldoende ruimte is om de inbreng van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners serieus te nemen. Soms ontbreekt die ruimte, bijvoorbeeld als de gemeente geen bevoegdheid heeft. Het kan ook zijn dat inwoners onlangs bij een vergelijkbaar onderwerp betrokken zijn geweest; dan wil je ‘participatiemoeheid’ voorkomen. In dit soort gevallen kan worden besloten om minder intensief of zelfs niet te participeren. Als wij daarvoor kiezen, leggen wij die keuze uit en maken wij duidelijk waarom participatie in dat geval niet passend is.
Besluit de gemeente wel tot participatie, dan zijn wij vanaf het begin helder over het doel, het proces, de participatieruimte, de rolverdeling en het besluitvormingsproces.
Een zorgvuldig proces leidt niet altijd tot instemming van alle betrokkenen, maar zorgt wel voor duidelijkheid en helpt om verwachtingen te managen. Zo voorkomen wij onnodige teleurstelling.
1.3 Voor wie is het participatiebeleid bedoeld?
Het participatiebeleid is bedoeld voor iedereen die te maken heeft met participatie: binnen de gemeente en in de samenleving. Het geeft duidelijkheid over rollen, verwachtingen en verantwoordelijkheden.
De gemeenteraad stelt het participatiebeleid vast. De gemeenteraad gebruikt het om te bepalen wanneer participatie passend is, welke rol de gemeente, inwoners en organisaties kunnen hebben, en hoe participatie past bij de rol van de gemeenteraad als volksvertegenwoordiging. Het beleid helpt de gemeenteraad om beter onderbouwde besluiten te nemen.
Het college van burgemeester en wethouders (B&W) gebruikt het beleid om te bepalen hoe en wanneer inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners betrokken worden bij beleid en uitvoering. Het beleid helpt het college om duidelijk en eerlijk te zijn over wat mensen kunnen verwachten. Dit draagt bij aan vertrouwen in de gemeente.
Ambtenaren gebruiken het beleid als hulpmiddel bij het opzetten en uitvoeren van participatie. Het biedt structuur, voorkomt dat iedereen het op zijn eigen manier doet, en maakt het makkelijker om duidelijke afspraken te maken met collega’s en inwoners. Het is bedoeld voor iedereen die werkt aan beleid, projecten of processen. Denk aan beleidsmedewerkers, projectleiders, ambtelijk opdrachtgevers, samenwerkingspartners en ingehuurde bureaus.
Initiatiefnemers uit de samenleving zoals bewoners, ondernemers, maatschappelijke partners, woningcorporaties of projectontwikkelaars, vinden in dit beleid duidelijke spelregels, voorbeelden en handvatten voor het opzetten en uitvoeren van eigen initiatieven. Dit kan variëren van een buurtinitiatief tot een grootschalig bouw- of ontwikkelproject met impact op de fysieke leefomgeving. Daarnaast beschrijft het hoe samenwerking met de gemeente kan worden ingericht (overheidsparticipatie) of het gebruik van het uitdaagrecht.
Voor participatie gelden wettelijke regels. De gemeente moet zich daaraan houden. De belangrijkste kaders zijn:
Algemene wet bestuursrecht (Awb): De Algemene wet bestuursrecht geeft de spelregels voor besluiten. We moeten een besluit zorgvuldig voorbereiden en belangen goed afwegen. Als we de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV) gebruiken, leggen we het ontwerpbesluit en de relevante stukken ter inzage en kunnen mensen zienswijzen indienen (meestal zes weken). Bij besluiten op aanvraag geldt soms een hoorplicht voor de aanvrager en direct betrokkenen. Ieder besluit moet duidelijk gemotiveerd worden.
Participatie helpt ons om aan deze eisen te voldoen en de motivering goed te onderbouwen.
Wet versterking participatie op decentraal niveau: Deze wet heeft de Gemeentewet aangepast en is in werking getreden op 1 januari 2025, met een invoeringstermijn van twee jaar. Op grond van deze wet moet de gemeenteraad vastleggen hoe inwoners en belanghebbenden kunnen meedoen bij het maken, uitvoeren en evalueren van het gemeentelijk beleid, en moeten regels over het uitdaagrecht in de participatieverordening komen te staan. De wet wil inwoners en volksvertegenwoordigers meer houvast geven en vergroot de invloed van de gemeenteraad op participatie.
Omgevingswet: De Omgevingswet (in werking sinds 2024) verplicht gemeenten om participatie te organiseren bij het opstellen of wijzigen van de zogenaamde kerninstrumenten: de omgevingsvisie, programma's en het juridisch bindende omgevingsplan. Dit plan is het belangrijkste instrument voor het beschermen en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving. Als de gemeente zelf initiatiefnemer is van een project of beleidswijziging, is het sowieso de bedoeling dat participatie wordt toegepast. Daarnaast kan de gemeenteraad bepalen dat ook initiatiefnemers van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) participatie moeten organiseren vóórdat zij een vergunningaanvraag indienen. Deze aanvragen wijken af van het omgevingsplan en vormen het ‘zijspoor’ binnen het stelsel van de Omgevingswet.
De wet schrijft niet voor hoe participatie moet plaatsvinden. Wel kan het gemeentelijk participatiebeleid daarbij richting geven.
Participatieverordening: Door Wet versterking participatie op decentraal niveau moeten gemeenten een participatieverordening vaststellen. Dit is een lokale verordening waarin de regels over participatie staan. Wij hebben tot 1 januari 2027 om deze voor onze gemeente vast te stellen. De verordening geeft structuur en duidelijkheid over hoe participatie in de gemeente wordt georganiseerd. Totdat de participatieverordening in werking treedt, geldt de inspraakverordening.
Uitdaagrecht (Right to Challenge): Inwoners of maatschappelijke partijen die denken dat zij een gemeentelijke taak beter of goedkoper kunnen uitvoeren, kunnen daarvoor een voorstel doen aan de gemeente. De Wet versterking participatie op decentraal niveau verplicht gemeenten om in de participatieverordening op te nemen hoe zij met zulke voorstellen omgaan. De gemeenteraad stelt regels vast voor dit proces, bijvoorbeeld over hoe een voorstel moet worden ingediend en welke voorwaarden gelden. Het uitdaagrecht geldt overigens niet voor alle taken van de gemeente; taken die betrekking hebben op openbare orde en veiligheid (OOV) vallen hierbuiten bijvoorbeeld.
Daarnaast zijn er gemeentelijke kaders waar wij ons aan houden. Voor participatie zijn dat onder andere, de Participatievisie Nijkerk 2024-2026, het Overkoepelend beleidsplan Sociaal Domein gemeente Nijkerk 2025 – 2040, het Strategisch communicatieplan gemeente Nijkerk 2023-2026, het organisatie-doorontwikkelingsprogramma (2024) en het gemeentelijk privacybeleid.
2.1 Wat verstaan wij onder participatie?
De gemeente sluit aan bij de definitie van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) voor inwonersparticipatie. Daarmee bedoelen wij: een manier van beleid maken waarbij inwoners, individueel of georganiseerd, direct of indirect invloed kunnen uitoefenen op de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid.
Op basis van deze definitie hanteren wij de meest gangbare vormen van participatie.
Netwerkparticipatie: De gemeente werkt samen met maatschappelijke partners, belangenorganisaties en andere overheden bij het maken van beleid en besluiten, zoals bij jeugdhulp. Zorgaanbieders, de GGD, scholen, wijkteams en belangenorganisaties brengen kennis in, signaleren knelpunten en denken mee over wat nodig is voor goede ondersteuning van jongeren.
Participatie onder de Omgevingswet en participatie in andere domeinen
Behalve het onderscheid in vormen van participatie, is het belangrijk om te kijken waar participatie plaatsvindt: binnen de fysieke leefomgeving of op andere beleidsterreinen.
Participatie onder de Omgevingswet: De Omgevingswet gaat over plannen die invloed hebben op de leefomgeving. Denk aan bouwen, verkeer of natuur. Op basis van de wet is het verplicht en/of gewenst dat de gemeente en initiatiefnemers belanghebbenden op tijd betrekken bij zulke plannen. Dit is bijvoorbeeld verplicht als de gemeente het omgevingsplan wijzigt. Ook kan de gemeenteraad bepalen dat initiatiefnemers bij sommige vergunningen mensen moeten betrekken. De wet schrijft niet precies voor hoe dat moet, maar verwacht dat het zorgvuldig gebeurt. Door mensen vroeg te betrekken komen belangen, ideeën en zorgen tijdig op tafel. Dat helpt om betere plannen te maken, en om als college of raad goede keuzes te maken.
Participatie in andere domeinen: Er zijn ook initiatieven in het sociaal domein, gemeentelijke dienstverlening of bij burgerinitiatieven. Hier gaat participatie om het actief betrekken van inwoners bij het maken, uitvoeren of beoordelen van beleid. Het is vaak vrijwillig of beleidsmatig gewenst, maar niet wettelijk voorgeschreven. Participatie kan de betrokkenheid van inwoners bij onze gemeente versterken.
Door in ons participatiebeleid onderscheid te maken tussen wettelijke trajecten en open beleidsprocessen, wordt voor iedereen duidelijker wat ze kunnen verwachten. Inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners weten beter waar ze aan meedoen. Initiatiefnemers zien wat er van hen wordt gevraagd. Ambtenaren krijgen concrete handvatten die passen bij hun werk. Dit voorkomt misverstanden en zorgt voor een zorgvuldige en geloofwaardige aanpak.
2.2 Welke uitgangspunten hanteren wij?
Bij het organiseren van participatie met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners hanteert de gemeente een aantal belangrijke uitgangspunten. Deze gelden voor participatie onder de Omgevingswet, maar ook voor meer open vormen van participatie in andere domeinen.
Maatwerk: Per onderwerp en fase bepalen wij wat passend is. Wij letten op impact, gevoeligheid en ruimte voor invloed. Soms is participatie verplicht; en soms kiezen wij bewust voor ‘intensief’ omdat het onderwerp gevoelig of complex is, de zogenaamde ‘buitencategorie’. Tegelijk kijken wij naar wat praktisch haalbaar is qua tijd, budget en capaciteit. Intensieve participatie is niet altijd nodig of mogelijk. Participatie moet proportioneel zijn.
Met deze uitgangspunten bouwen wij door op ervaringen die opgedaan zijn tijdens de Samen aan Zet-dialogen in de periode 2017-2020 en de ambities uit het Coalitieakkoord 2022-2026 en de Ontwikkelagenda 2023-2026. De uitgangspunten sluiten ook aan bij de leidende principes uit het overkoepeld beleidsplan Social Domein 2025- 2025 - 2040. Een uitgebreide toelichting op deze uitgangspunten is te vinden in de Participatievisie 2024–2026.
In 2024 heeft er een evaluatie plaatsgevonden van de Nota Inbreidingslocaties Gemeente Nijkerk. Deze nota uit 2012 bood lange tijd houvast voor de gemeente en inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners, bij het opzetten en uitvoeren van participatietrajecten in het ruimtelijk domein. De gemeenteraad heeft bij deze evaluatie aangeven dat er een externe en interne consultatie plaats moest vinden, om terugkoppeling te krijgen op de wijze waarop de gemeente haar participatieprocessen uitvoert. De aanbevelingen uit deze evaluatie nemen wij nu mee als belangrijke aandachtspunten in ons participatiebeleid. Samengevat gaat het om aandacht voor: heldere kaders, communicatie en verwachtingen; zinvolle en tijdige participatie, met aandacht voor specifieke inhoudelijke elementen; aandacht voor speciale doelgroepen waaronder jongeren, toegankelijkheid en inclusie; en participatie benaderen vanuit maatwerk, met aandacht voor professionaliteit.
De aandachtspunten worden in de bijlagen van dit stuk uitgebreider toegelicht.
2.4 Samenhang communicatie, participatie, dienstverlening en omgevingsmanagement
In praktijk liggen communicatie, participatie, dienstverlening en omgevingsmanagement vaak dicht tegen elkaar aan. Tegelijkertijd is het goed om stil te staan bij de verschillen:
Communicatie is het gericht informeren van inwoners en het uitwisselen van kennis, bijvoorbeeld over beleid, regels en plannen. Het helpt om mensen te betrekken en stimuleert participatie. Ook binnen participatie speelt communicatie een belangrijke rol, zoals bij het delen van informatie en het voeren van een goed gesprek.
2.5 Hoe verhoudt zich participatie tot de representatieve democratie?
Wij zien participatie als een waardevolle aanvulling op de representatieve democratie. Inwoners kiezen de gemeenteraad, die kaders stelt en besluiten neemt namens de samenleving. Binnen die kaders is ruimte voor participatie: inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners worden betrokken bij de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van beleid en projecten – ook bij het opstellen van de kaders zelf. Dit vraagt om een goed samenspel tussen de gemeenteraad, het college en de deelnemers.
De gemeenteraad weegt het algemeen belang af, mede op basis van wat er vanuit de samenleving wordt ingebracht. Participatie betekent niet dat iedereen het altijd eens is met de uitkomst, maar het zorgt wel voor meer openheid en beter onderbouwde besluiten. Het helpt bestuur en gemeenteraad om goed in positie te komen omdat verschillende belangen meegewogen kunnen worden.
Omgevingsbewust denken en werken heeft op de eerste plaats met houding en gedrag te maken. Omdat wij dit zo belangrijk vinden, proberen wij hier op eenzelfde manier mee om te gaan in de ontwikkeling van intern beleid en uitvoering van eigen projecten. Het past om collega’s en samenwerkingspartners daar op een goede manier bij te betrekken. Kortom, wij denken ook na over participatie bij interne ontwikkelingen en projecten.
3 Rollen en verantwoordelijkheden
Participatie vraagt om duidelijke afspraken over ieders rol. Bij elk participatietraject spelen verschillende partijen een rol: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, ambtenaren, initiatiefnemers en andere betrokkenen, zoals inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Wie waarvoor verantwoordelijk is, hangt af van het soort initiatief en van de fase waarin het beleidsproces zich bevindt.
In dit hoofdstuk geven wij een algemeen overzicht van deze rolverdeling. In de volgende hoofdstukken gaan wij dieper in op de verantwoordelijkheden bij initiatieven die vallen onder de Omgevingswet, zoals ruimtelijke ontwikkelingen, én op initiatieven binnen andere beleidsvelden, zoals het sociaal domein of de gemeentelijke dienstverlening.
3.1 Gemeenteraad en college als bestuursorganen
De gemeenteraad en het college zijn beide bestuursorganen, met eigen bevoegdheden als het om participatie gaat. Dit betekent dat de vraag wanneer de gemeenteraad of het college over participatie beslist, afhangt van wie de bevoegdheid heeft over het betreffende beleid of project. In algemene zin geldt, het college is bij participatie is uitvoerend en organiserend, de gemeenteraad is kaderstellend en controlerend.
Wijst gevallen aan waarin participatie bij vergunningaanvragen verplicht is: De gemeenteraad kan op grond van de Omgevingswet bepalen voor welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) participatie verplicht is bij de aanvraag. In dat geval moet de aanvrager aangeven hóe belanghebbenden zijn betrokken. De gemeenteraad mag géén eisen stellen aan de manier waarop de initiatiefnemer participatie organiseert; dat bepaalt de initiatiefnemer zelf.
College van burgemeester en wethouders (B&W)
Mag geen eisen stellen aan de vorm van participatie door de initiatiefnemer: Het college mag niet bepalen hóé een initiatiefnemer participatie organiseert (bijvoorbeeld inloopavond of enquête). Wel mag het college beleidsregels opstellen voor de eigen beoordeling, zolang deze geen eisen stellen aan de vorm. Het college kan ook via handreikingen of haar ambtenaren, meedenken.
Vormt zich een menig over de resultaten van participatie bij BOPA-aanvragen, als de gemeenteraad participatie niet verplicht heeft gesteld: Het bevoegd gezag kan informatie uit participatie nodig hebben voor een zorgvuldige belangenafweging en de motivering van zijn besluit. Als de gemeenteraad geen participatieverplichting heeft vastgesteld voor een bepaald type initiatief, kan het college een initiatiefnemer niet verplichten om participatie te organiseren. Wel kan het college in het vooroverleg toelichten waarom participatie in het belang van de initiatiefnemer is en hoe dit kan bijdragen aan een soepelere besluitvorming. Als de initiatiefnemer desondanks afziet van participatie, kan het voor het college noodzakelijk zijn om op eigen initiatief aanvullende informatie in te winnen om tot een zorgvuldig besluit te komen.
3.2 Rolverdeling raad, college, ambtenaren en inwoners; wie heeft welke rol en wie besluit waarover?
Samenwerken en participatie vragen om maatwerk. Bij elke ontwikkeling of elk project kijken wij wat in die situatie de beste aanpak is. Daarbij speelt mee of het gaat om een initiatief in de fysieke leefomgeving dat onder de Omgevingswet valt, of om een ontwikkeling in een ander beleidsveld. In het eerste geval gelden specifieke wettelijke regels. In het tweede geval is er vaak meer ruimte voor een open invulling van het participatieproces.
Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden, of participatie wordt toegepast. Dat kan dus de gemeenteraad, het college of de burgemeester zijn. Beleid wordt breed geïnterpreteerd en omvat vaak ook projecten. Dit betekent dat er een bewuste beslissing moet worden genomen of participatie nodig is voor een specifiek project; het is dus niet voor elk project vereist. Wij worden wel uitgedaagd om steeds vaker aan participatie te doen. De inzet moet hoe dan ook proportioneel zijn.
Omdat participatie maatwerk is, moeten wij vooraf helder zijn over het doel van de participatie, de rolverdeling, de mate van invloed voor deelnemers en hoe wij de inbreng meewegen in de besluitvorming. Tijdens en na afloop van het participatietraject geven wij terugkoppeling aan de deelnemers. Wij leggen dan uit wat er met hun inbreng is gedaan en waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt.
Wij geven hier enkele voorbeelden.
|
Voorbeeld 3: Gemeente ontwikkelt beleid in het sociaal domein De gemeente ontwikkelt een programma op het gebied van gezonde leefstijlen. Het college is verantwoordelijk voor de uitwerking, binnen de kaders die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Ambtenaren betrekken jongeren en maatschappelijke organisaties bij het opstellen van het beleid. Hun inbreng wordt verwerkt in het voorstel. De gemeenteraad beslist uiteindelijk over het programma. Voorbeeld 4: Inwoners doen voorstel via uitdaagrecht Inwoners willen zelf een deel van het openbaar groen in hun wijk onderhouden en dienen hiervoor een voorstel in. Het college beoordeelt het plan op haalbaarheid en maakt afspraken over de uitvoering. De gemeenteraad heeft eerder via de participatieverordening regels vastgesteld over hoe het uitdaagrecht werkt. Ambtenaren begeleiden het proces en ondersteunen de initiatiefnemers waar nodig.1 |
4 Hoeveel participatie is nodig?
Samenwerken en participatie vragen om maatwerk. Daarbij maken we gebruik van een afwegingskader in de vorm van een keuzehulp. Zo kunnen wij als gemeente beter uitleggen welke vorm van participatie wij kiezen, wat de spelregels zijn, waar mensen wel of niet over mee kunnen praten, en hoe de rollen zijn verdeeld. Ook maken wij duidelijk wie beslist en wat er met de inbreng gebeurt. De participatie moet in verhouding staan tot het onderwerp en wat in praktijk haalbaal is.
In dit hoofdstuk beschrijven wij een aantal algemene hulpmiddelen die ons helpen om te bepalen welke vorm van participatie past bij een bepaalde opgave. Deze hulpmiddelen gebruiken wij bij participatie in de fysieke leefomgeving onder de Omgevingswet, maar ook voor participatie in de andere domeinen. De hulpmiddelen die wij hier beschrijven zijn:
Deze hulpmiddelen zorgen voor structuur en helpen om keuzes te onderbouwen, zowel binnen de organisatie als richting de samenleving.
Ook al is het uitgangspunt ‘wij participeren tenzij’, bij het kiezen van een passende vorm van participatie spelen ook praktische overwegingen een rol. Denk aan tijd, budget en capaciteit. Soms willen wij intensief participeren, maar is dat in de praktijk niet haalbaar.
Omgekeerd zijn er ook situaties waarin extra intensieve participatie wenselijk is. Bijvoorbeeld bij projecten of beleidsvragen met veel maatschappelijke impact of gevoeligheid. Deze trajecten vragen om een aanpak in de ‘buitencategorie’.
Tot slot zetten wij de belangrijkste aandachtspunten bij overheidsparticipatie en netwerkparticipatie op een rij.
Vroeger mochten inwoners vooral reageren op plannen die al klaar waren. Tegenwoordig betrekken wij inwoners, ondernemers en organisaties op verschillende manieren en in een vroeger stadium. Daarbij kunnen de rollen verschillen.
Soms is wettelijk vastgelegd wat wel of niet mag. In andere gevallen kunnen wij in overleg afspraken maken over wie welke rol heeft. Afhankelijk van het project of beleid kan de gemeente initiatiefnemer zijn, samenwerkingspartner, ondersteuner, opdrachtgever, controleur of beslisser.
Het is belangrijk dat wij aan het begin van een project of beleidsproces duidelijk afspreken wie wat doet, in welke fase. Tijdens het hele traject blijven wij hierover helder communiceren.
Wij laten ons hierbij inspireren door de NSOB-leidraad. Deze beschrijft vier mogelijke rollen van de overheid: rechtmatig, presterend, samenwerkend en responsief. Afhankelijk van de opgave past de ene rol beter dan de andere. Het bepalen van de juiste rol helpt dus om bewuster te kiezen voor een participatiestrategie die past: informeren, meedenken, samenwerken of ondersteunen van initiatieven.
4.2 Participatieladder als hulpmiddel bij inwonersparticipatie
Om participatie in onze gemeente goed en duidelijk te organiseren, gebruiken wij de participatieladder. Deze ladder is vooral bedoeld voor situaties waarin de gemeente zelf initiatiefnemer is van beleid, een project of een plan. De ladder laat zien hoeveel ruimte wij geven aan inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om mee te denken of mee te doen. Zo helpt de ladder ons om inwonersparticipatie op een passende manier vorm te geven.
Soms zijn inwoners of maatschappelijke organisaties zélf initiatiefnemer. In die gevallen verandert de rol van de gemeente. Dan spreken wij van overheidsparticipatie: de gemeente denkt mee of ondersteunt het initiatief van een ander, in plaats van dat zij zelf de leiding heeft.
De participatieladder helpt ons dus om bij projecten en beleidsontwikkeling waar de gemeente initiatiefnemer is, te bepalen welke vorm van participatie het beste past.
De participatieladder laat zien op welk niveau inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners kunnen meedoen. De ladder loopt op van beperkte tot zeer intensieve invloed op het proces of het eindresultaat.
Welk niveau het beste past, hangt af van de aard van het vraagstuk, de fase van het proces, het juridische en financiële kader en de belangen die spelen. Er is dus niet één beste vorm van participatie. Het gaat om een bewuste keuze die past bij de opgave én bij wat inwoners of partners verwachten. Wij hanteren zes niveaus van participatie:
Inspreken: Inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners krijgen de gelegenheid om hun mening te geven in een vroeg stadium, bijvoorbeeld tijdens bewonersavonden of bij informele bijeenkomsten met raads- of commissieleden. Inspreken gebeurt vaak voordat de formele procedure start, zodat signalen uit de samenleving kunnen worden meegenomen bij het opstellen van plannen of beleidsvoorstellen. Denk aan inwoners of ondernemers die inspreken tijdens een commissievergadering over de uitgangspunten voor een wijziging van het omgevingsplan.
Consulteren: De gemeente vraagt actief om meningen of ideeën, maar houdt zelf de regie. Er ontstaan geen formele rechten, zoals bezwaar of beroep. Denk aan een online enquête over het gemeenteloket in Hoevelaken, interviews onder bezoekers van Buurthuis De Refter en Buurtcentrum Paasbos, of contact met jongeren over skateparken via whatsappgroepen.
Coproduceren en samenwerken: Gemeente en betrokkenen werken gelijkwaardig samen aan het ontwikkelen van plannen of oplossingen. Denk aan de samenwerking tussen de gemeente en drie initiatiefnemers voor de invulling van het terrein naast sporthal De Slag in Hoevelaken of de totstandkoming van het overkoepeld beleidsplan voor het sociaal domein. Ook bij gedeelde planvorming behoudt de gemeente de eindverantwoordelijkheid. College of gemeenteraad zijn het bevoegd gezag en verantwoordelijk voor de besluitvorming.
Delegeren: De gemeente stelt kaders vast, maar laat keuzes of uitvoering aan bewoners of partners, zonder formele mandaten. Denk aan buurtbewoners die met een subsidie en ondersteuning van de gemeente het beheer van een groenstrook zelf regelen, of een jongerenorganisatie die zelfstandig beslist over de besteding van een gemeentelijk jongerenbudget.
Door helder te zijn over het gekozen participatieniveau, weten alle betrokken partijen waar ze aan toe zijn, wat er van hen wordt verwacht, en in hoeverre hun inbreng invloed heeft op het uiteindelijke besluit of resultaat. Dat draagt bij aan transparantie, vertrouwen en een realistische dialoog tussen gemeente en inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners.
4.3 Overwegen: waar letten wij op bij het kiezen?
De participatieladder is een hulpmiddel om te bepalen hoe intensief de gemeente met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners in gesprek gaat. Dit geldt vooral bij inwonersparticipatie. Wij willen dat participatie zinvol en eerlijk is. Dat betekent een aanpak die past bij het project of beleid, met duidelijke afspraken over het doel van de participatie, het proces, de rollen en wat er met de uitkomsten gebeurt. Participatie heeft alleen waarde als het serieus wordt ingezet; schijnparticipatie willen wij voorkomen.
Bij het overwegen van een passende participatieaanpak letten wij op het volgende:
Ruimte voor invloed: De vraag is hoeveel ruimte er werkelijk is om de inbreng van betrokkenen mee te nemen. Dat bepaalt welk niveau op de participatieladder realistisch, zinvol en eerlijk is. Als wij weten dat inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners in een fase van een beleidsontwikkeling of het project, geen invloed (meer) hebben op de inhoud of het proces, dan heeft participatie geen zin. Wij willen schijnparticipatie voorkomen en zullen hier ook duidelijk over zijn.
Bereidheid en vermogen van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners om betrokken te worden - of eigenaarschap te krijgen van - de opgave: In hoeverre willen en kunnen inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners meedoen of (een deel van) de verantwoordelijkheid dragen voor de opgave? Let op organisatiegraad, beschikbare tijd, kennis, representativiteit en continuïteit. Is bereidheid en vermogen hoog, dan passen samenwerken, delegeren of zelfbeheer. Is dit beperkt, dan ligt informeren of consulteren voor de hand. De gemeente kan dit vergroten met passende werkvormen, duidelijke uitleg en begeleiding, binnen de wettelijke kaders en mandaten.
Fase van het initiatief: Hoe eerder wij participatie starten, hoe meer ruimte er is voor invloed. In een vroege fase kun je samen ontwikkelen of meebeslissen. In een latere fase past het beter om te informeren of te consulteren. Participatie vindt niet alleen plaats bij de voorbereiding van een project of beleid, maar ook bij de uitvoering en evaluatie.
Juridische en bestuurlijke kaders: Soms is participatie wettelijk vereist of beleidsmatig wenselijk. Bij een wijziging van het omgevingsplan móet de gemeente belanghebbenden betrekken (volgens het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht). Bij een BOPA geldt een participatieverplichting alleen als de gemeenteraad dat heeft bepaald. De wet- en regelgeving verplichten dus soms tot participatie, maar schrijven niet voor hoe die moet worden vormgegeven. Dat bepaalt de gemeente (of initiatiefnemer) zelf, afhankelijk van de situatie. Er zijn ook situaties waarin participatie volgens de wet niet mogelijk is. Denk aan het uitdaagrecht. Inwoners kunnen geen gebruik kunnen maken van het uitdaagrecht om gemeentelijke taken over te nemen die betrekking hebben op taken binnen het domein van openbare orde en veiligheid (OOV).
Om te bepalen hoeveel participatie zinvol is, hebben we een keuzehulp ontwikkeld. De keuzehulp helpt om een onderbouwd, richtinggevend advies te geven over de intensiteit van een participatieproces en het passende niveau op de participatieladder.
In het algemeen geldt: hoe complexer de opgave, hoe groter de impact en hoe gevoeliger het onderwerp, hoe intensiever je wilt – of moet - samenwerken met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Belangrijk: er moet wel ruimte zijn om hun inbreng te gebruiken. Is die ruimte er niet, dan is er sprake van schijnparticipatie. Dat willen we te allen tijde voorkomen.
De keuzehulp is bedoeld als richtingwijzer, niet als automatische piloot. Een hoge score op factoren als ‘impact’, ‘complexiteit’ of ‘gevoeligheid’ betekent dat het participatieproces extra zorg vraagt, maar niet automatisch dat wij voor de hoogste trede van de participatieladder moeten kiezen. Bijvoorbeeld als wet- en regelgeving de manoeuvreerruimte beperkt, het onderwerp maatschappelijk polariseert waardoor een te open proces vast gaat lopen, of bij veiligheids- of spoedvraagstukken. Dan past waarschijnlijk een voorzichtige strategie (informeren/ consulteren) met extra aandacht voor transparantie en terugkoppeling. De score van de keuzehulp geeft een signaalwaarde.
De participatieaanpak moet aansluiten bij de fase, regelgeving, complexiteit, impact, gevoeligheid én aanwezige beslisruimte. Zo betrek je mensen op een manier die passend, zinvol en haalbaar is. De keuzehulp geeft een signaalwaarde en helpt om richting te geven aan de intensiteit en het ontwerp van het participatieproces.
Beperkte participatie: zichtbare of voelbare wijziging met beperkte impact. Voorbeelden: dakkapel aan de voorzijde (Ruimte); nieuw e-formulier voor meldpunt openbare ruimte (Dienstverlening); herinrichting van de wachtruimte van het sociaal wijkteam (Sociaal).
Directe omgeving of doelgroep informeren en om reactie vragen.
Gemiddelde participatie: verandering met duidelijke invloed op leefomgeving of dienstverlening. Voorbeelden: agrariër start minicamping (Ruimte); invoering van een regionaal jeugdhulp-arrangement (Sociaal); overstap naar digitale paspoortaanvragen met ophaalafspraken-op-maat (Dienstverlening).
Informatieavond, keukentafel- of focussessies organiseren, enquêtes.
Intensieve participatie: groot project of beleidsontwikkeling met brede impact. Voorbeelden: nieuwbouw van 300 woningen met wijkpark (Ruimte); gemeentelijk armoedeprogramma (Sociaal); visie Publieksdienstverlening met self-servicehubs (Dienstverlening).
Breed traject opzetten met enquêtes, bewonersbijeenkomsten, klankbordgroep en co-ontwerpsessies; inbreng aantoonbaar meewegen.
4.6 Praktische randvoorwaarden die participatie beïnvloeden
Bij het kiezen van een passend niveau van participatie speelt de aard van de opgave een belangrijke rol, zoals de fase van het initiatief, de maatschappelijke gevoeligheid en de belangen die op het spel staan. Maar naast inhoudelijke en bestuurlijke overwegingen zijn er ook praktische randvoorwaarden die de vorm en intensiteit van participatie beïnvloeden. Denk aan:
Deze praktische afwegingen kunnen betekenen dat wij voor een opgave intensief zouden willen participeren maar in de praktijk (tijdelijk) niet haalbaar is. Dit kan gelden voor de ingezette participatieactiviteiten maar ook voor de evaluatie van de participatie. Het is belangrijk dat wij hier open en eerlijk over communiceren: wat is wél mogelijk, wat niet en waarom? Zo scheppen wij realistische verwachtingen en blijven wij een betrouwbare gesprekspartner voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners.
Bij sommige projecten kiest de gemeente bewust voor een intensieve vorm van participatie. Dat geldt vooral bij gevoelige onderwerpen met grote maatschappelijke impact, zoals een asielzoekerscentrum, de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg of uitbreidingswijk, de oprichting van windturbines of zonnevelden of een brede bezuinigingsopgave waarbij voorzieningen onder druk staan. In zulke gevallen is het belangrijk om inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners ruimhartig te betrekken, omdat de belangen groot zijn en het debat vaak scherp is.
Deze trajecten behoren tot de ‘buitencategorie’. De aanpak die daarbij hoort, met veel bijeenkomsten, brede consultatie en uitgebreide terugkoppeling, is niet altijd geschikt of nodig bij andere projecten.
Als wij dit als norm zouden nemen voor alle participatie, dan ontstaat zelfs het risico van ‘participatie-inflatie’: de inzet raakt uit balans met het onderwerp. Dat belast inwoners en organisatie, en kan participatie zelfs schaden. Daarom begint elke aanpak met een bewuste afweging, gebaseerd op de inhoud, de context en de ruimte voor invloed.
In het voorgaande stond inwonersparticipatie centraal. Daarbij denken inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners actief mee over gemeentelijk beleid of projecten. Bij overheidsparticipatie is het andersom: dan sluit de gemeente aan bij initiatieven die uit de samenleving komen. Dat vraagt van de gemeente een andere houding: niet alleen sturen, maar ook luisteren, meebewegen en mogelijk maken. Oftewel: van presterend naar responsief of samenwerkend, zoals het NSOB dat omschrijft.
Als er sprake is van overheidsparticipatie, kijken wij zorgvuldig naar de volgende punten:
Bestuurlijke legitimiteit en transparantie: Is er mandaat of besluitvorming nodig vanuit het college of de raad? Hoe wordt de rol van de gemeente verantwoord naar derden (bijv. raad, pers, belanghebbenden)? Wordt de betrokkenheid van de gemeente vastgelegd (bijv. in een intentieovereenkomst, convenant of verslag)?
Bij netwerkparticipatie werkt de gemeente samen met andere partijen die een maatschappelijke of bestuurlijke rol hebben. Denk aan woningcorporaties, zorginstellingen, scholen, ondernemersverenigingen, belangenorganisaties of andere overheden. Vaak gaat het om een gedeelde opgave waarbij meerdere partijen invloed uitoefenen en gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. De gemeente is in zo’n netwerk niet per definitie leidend, maar één van de spelers.
Netwerkparticipatie vraagt om een open en samenwerkende houding van zowel beleidsmedewerkers als bestuurders. De gemeente is dan niet alleen rechtmatig of presterend, maar ook procespartner en verbinder (zie NSOB-rollen). Afhankelijk van het onderwerp kan de samenwerking informeel plaatsvinden of formeel worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een convenant of programma.
Bij netwerkparticipatie letten wij op de volgende punten:
5 Participatie en de Omgevingswet: Samenwerken aan onze leefomgeving
Dit hoofdstuk gaat over (inwoners)participatie bij initiatieven in de fysieke leefomgeving die onder de Omgevingswet vallen. Het is bedoeld als handreiking voor bestuurders en ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor participatie bij gemeentelijke projecten waarbij de gemeente zelf initiatiefnemer is.
De Omgevingswet, van kracht sinds 1 januari 2024, bundelt en vereenvoudigt regels voor de fysieke leefomgeving. Het doel is om betere keuzes mogelijk te maken tussen belangen op het gebied van ruimte, milieu, water, natuur, mobiliteit, gezondheid en economie. Tegelijk geeft de wet meer ruimte aan initiatiefnemers en vraagt zij van overheden om integraal en omgevingsgericht te werken.
Participatie vormt een belangrijk onderdeel van zorgvuldige besluitvorming. Het vroeg betrekken van belanghebbenden helpt om plannen te verbeteren. Het zorgt ervoor dat het college en de gemeenteraad beter kunnen besluiten, omdat verschillende belangen op tijd in kaart zijn gebracht. Ook draagt het bij aan vertrouwen tussen de gemeente, inwoners, organisaties en andere initiatiefnemers. Dit geldt zowel voor plannen van de gemeente zelf als voor initiatieven van anderen.
5.2 Initiatief / ontwikkeling en participatie
Bij initiatieven die passen binnen het omgevingsplan, is participatie meestal niet nodig. Tijdens het opstellen van het omgevingsplan is namelijk al participatie georganiseerd. Toch is het wenselijk dat de gemeente omwonenden goed informeert bij grotere projecten die hinder kunnen veroorzaken, zoals geluid, verkeer of bouwactiviteiten. Soms kan het ook passend zijn om omwonenden te betrekken bij de uitvoering.
Bij initiatieven die niet passen binnen het omgevingsplan, is de situatie anders. Dan moet de initiatiefnemer een vergunning aanvragen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). In dat geval wordt bekeken of participatie verplicht is en hoe die moet worden ingericht. Dat hangt af van het juridische traject dat nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken.
Onder de Omgevingswet bestaan er twee wegen voor het juridisch mogelijk maken van een ontwikkeling, die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan. Hierbij gaat het om:
Een wijziging van het geldende omgevingsplan. Dit is in principe de aangewezen weg voor het mogelijk maken van grotere ontwikkelingen, zoals de bouw van een nieuwe woonwijk of de aanleg van een rondweg of een nieuw bedrijventerrein. De raad heeft de bevoegdheid om het omgevingsplan vast te stellen op grond van artikel 2.4 van de Omgevingswet. Zoals uit bovenstaande hoofdstukken blijkt, is de gemeente verplicht om inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en bestuursorganen te betrekken bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan.
Grotere ontwikkelingen kunnen ook worden geïnitieerd door particulieren. Hierbij gaat het doorgaans om professionele ontwikkelaars, die uit zichzelf en in overleg en in samenwerking met de gemeente een degelijk participatietraject doorlopen. De gemeente kan hen hier echter niet toe verplichten. In het zeldzame geval dat een ontwikkelaar niet bereid is een participatietraject te doorlopen of dit op gebrekkige wijze uitvoert, dient de gemeente zélf de benodigde extra informatie in te winnen. Dit kan tijdens de verplichte procedurestappen van de Awb of daarbuiten.
In het gewijzigde omgevingsplan kan dan een vergunningplicht worden opgenomen voor bepaalde activiteiten, zoals de bouw van een reeks woningen passend binnen die grotere ontwikkeling (welke grotere ontwikkeling met de wijziging van het omgevingsplan juridisch mogelijk is gemaakt). Hierbij gaat het om een OPA, een activiteit die de gemeente in het omgevingsplan heeft aangewezen als vergunningplichtig. De afgifte van de betreffende vergunning maakt dan de bouw van deze reeks woningen daadwerkelijk juridisch mogelijk volgens de regels van het geldende omgevingsplan (deze ruimtelijke vergunningplicht zorgt voor een extra controlemoment nadat de gemeenteraad het omgevingsplan heeft gewijzigd).
Het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (voor een activiteit die afwijkt van de regels van het omgevingsplan; een BOPA). Een BOPA kan allerlei typen activiteiten en projecten betreffen en wordt in de eerste jaren na inwerkingtreding van de Omgevingswet ook voor de meest uiteenlopende projecten gebruikt nu de gemeenten nog weinig ervaring hebben met het wijzigen van omgevingsplannen. In principe is de BOPA echter bedoeld voor het juridisch mogelijk maken van ‘kleinere’ ontwikkelingen. Uit bovenstaande hoofdstukken blijkt dat hierbij, ten aanzien van participatie door particuliere initiatiefnemers, sprake is van twee mogelijkheden, te weten:
Een BOPA, die behoort tot de gevallen waarvoor de gemeenteraad heeft bepaald dat participatie wél een verplicht aanvraagvereiste is. Als de vergunningaanvrager bij zo’n aangewezen geval niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. Er is dan niet voldaan aan een wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Wel moet het college de aanvrager eerst de gelegenheid geven het gebrek te herstellen. De aanvrager zal in een participatieverslag onder meer moeten aangeven hoe belanghebbenden zijn betrokken.
Participatie is een aanvraagvereiste. Het is géén onderdeel van de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning. Onvoldoende participatie vormt dus geen grond om de vergunning te weigeren.
Een BOPA, die behoort tot de gevallen waarvoor de gemeenteraad níet heeft bepaald dat participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Een voorbeeld van een dergelijk initiatief is een bewoner die een omgevingsvergunning aanvraagt voor een gebouw, dat niet past binnen de regels van het omgevingsplan. Of een agrariër, die zijn bedrijf wil omzetten naar een volwaardige recreatievoorziening.
Op basis van artikel 7.4 van de Omgevingsregeling is de aanvrager wel verplicht om bij de vergunningaanvraag aan te geven óf hij aan participatie heeft gedaan en zo ja, hoe en wat daarvan de resultaten zijn. Maar als een particuliere aanvrager simpelweg zegt dat hij niet aan participatie heeft gedaan, is dat voldoende (omdat het hier dus niet gaat om een BOPA waarvoor de raad heeft bepaald dat participatie wel een verplicht aanvraagvereiste is).
Uiteraard is de gemeente als bevoegd gezag bij een eigen initiatief altijd verplicht om aan participatie te doen en belanghebbenden vroegtijdig te betrekken. Het is immers van het grootste belang om alle relevante belangen en feiten in beeld te hebben gebracht op het moment van besluitvorming over het wel of niet afgeven van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
5.3 De rol van de gemeenteraad in het verplicht stellen van participatie
De gemeenteraad mag op grond van artikel 16.55, vierde lid, van de Omgevingswet bepalen bij welke vergunningaanvragen participatie verplicht is. De gemeenteraad legt dit vast in een lijst met gevallen waarin participatie nodig is bij een aanvraag die afwijkt van het omgevingsplan. Dit is in voorgaande paragraaf besproken.
Daarnaast verplicht de Wet versterking participatie op decentraal niveau de gemeenteraad om een participatieverordening vast te stellen. Daarin staat bij welke beleidsvoorstellen, plannen of besluiten participatie verplicht is, en hoe de participatie wordt ingericht, uitgevoerd en geëvalueerd.
Door deze kaders duidelijk vast te leggen, voorkomt de gemeente rechtsongelijkheid en zorgt zij voor een voorspelbare en transparante werkwijze.
5.4 Participatie bij initiatieven / ontwikkelingen door derden (particuliere of maatschappelijke initiatiefnemers)
Voor initiatiefnemers anders dan de gemeente zelf, zoals projectontwikkelaars, maatschappelijke organisaties of bewonerscollectieven, is participatie in principe vrijwillig. Dit verandert alleen als de gemeenteraad participatie verplicht heeft gesteld voor bepaalde soorten aanvragen. Dat mag de gemeenteraad doen op basis van artikel 16.55, vierde lid, van de Omgevingswet. Zoals hiervoor aangegeven, gaat het dan om aanvragen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Als participatie verplicht is, wordt van de initiatiefnemer verwacht dat:
Het college van B&W is het bevoegd gezag voor het verlenen van omgevingsvergunningen, ook bij aanvragen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Als de gemeenteraad participatie verplicht heeft gesteld, beoordeelt het college of de initiatiefnemer voldoende participatie heeft uitgevoerd.
Zoals hierboven aangegeven, vormt participatie geen aparte weigeringsgrond. Het college mag niet weigeren om een vergunning te verlenen alleen omdat de participatie onvoldoende of niet passend was. Het college kan van de aanvrager verlangen het participatieverslag aan te vullen of het participatieproces te verbeteren. Als de aanvrager hier niet of in onvoldoende mate aan tegemoet komt, kan het college de aanvraag gewoon buiten behandeling laten.
De gemeente mag initiatiefnemers ondersteunen, bijvoorbeeld met richtlijnen, formats of praktische informatie. Zij mag echter geen eisen stellen aan de vorm van participatie. Deze mag zelf kiezen of hij bijvoorbeeld, inloopavonden organiseert in combinatie met ‘keukentafelgesprekken enz.. De initiatiefnemer is hier vrij in, ook als de door hem gewenste ontwikkeling een BOPA is, die behoort tot de gevallen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste vormt.
5.5 Participatie bij initiatieven / ontwikkelingen door de gemeente
Als de gemeente zelf initiatiefnemer is van een ruimtelijke ontwikkeling en daarvoor bijvoorbeeld een wijziging van het omgevingsplan wil vaststellen of een vergunningprocedure voor een BOPA moet doorlopen, of een nieuw beleidskader wil vaststellen, dan heeft zij een extra verantwoordelijkheid voor participatie. Deze verantwoordelijkheid volgt onder andere uit de zorgplicht van de overheid (artikel 10.1 van de Omgevingswet), de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals zorgvuldigheid en transparantie) en het Omgevingsbesluit (artikel 10.2; motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan). In deze situaties zorgt de gemeente ervoor dat:
Deze aanpak draagt bij aan zorgvuldige besluitvorming en versterkt het vertrouwen in de gemeente als samenwerkingspartner.
5.6 Het participatiebeleid als kader
De gemeenteraad stelt via het participatiebeleid en de participatieverordening duidelijke kaders vast voor participatie. Deze kaders geven richting aan hoe de gemeente en initiatiefnemers participatie aanpakken. De gemeenteraad kan onder andere bepalen:
Participatie is geen formele hindernis, maar een middel om plannen te verbeteren, besluitvorming te versterken en samen te werken met de samenleving. De gemeente heeft hierin een voorbeeldrol: als initiatiefnemer én als partij die kaders stelt. Tegelijk biedt zij ruimte aan anderen om hun participatieproces zelf vorm te geven, zolang dit op een zorgvuldige, open en passende manier gebeurt.
6 Instrumenten voor participatie
Samenwerken en participatie zijn altijd maatwerk. Per project of beleidsontwikkeling bepalen wij wat het beste past. Dat geldt ook voor de instrumenten en werkvormen die wij inzetten. Soms is participatie niet wenselijk of mogelijk; soms is juiste extra participatie nodig. Participatie moet proportioneel en te verantwoorden zijn.
Om participatie goed te organiseren, maken wij als gemeente gebruik van een 6-stappenplan en een (digitale) toolbox om onze participatieprocessen te uit te werken. Deze zijn in eerste instantie bedoeld voor projectleiders, opdrachtgevers en bestuurders, om te gebruiken bij het over overwegen, ontwerpen, organiseren, terugkoppelen, verantwoorden en besluitvorming, en evalueren van participatieprocessen in verschillende taakvelden. Deze hulpmiddelen zijn ook bedoeld als inspiratiebron voor initiatiefnemers uit de samenleving.
Wij houden deze hulpmiddelen actueel en vernieuwen de inhoud waar nodig, zodat ze blijven aansluiten bij veranderende vraagstukken en de behoeften van inwoners en partners.
In dit hoofdstuk lichten wij een aantal van de belangrijkste participatie-instrumenten toe.
Als wij participatieprocessen voorbereiden en uitvoeren, dan laten wij ons leiden door een 6-stappenplan. De zes stappen zijn: overwegen; ontwerpen; organiseren; terugkoppelen; verantwoorden en besluitvorming; en evalueren.
Overwegen: Bij de start wordt gekeken welke intensiteit en niveau van participatie past. De keuzehulp geeft daarvoor een signaalwaarde. Dat is een richting, geen automatisch besluit. Naast inhoud en bestuurlijke kaders worden ook tijd, geld, capaciteit en kennis meegewogen. Doel en ruimte voor invloed worden bepaald en afgestemd met de opdrachtgever van de betreffende opgave.
Ontwerpen: Daarna krijgt de participatieaanpak vorm. Voor eenvoudige projecten volstaat een kort participatieplan; voor complexe trajecten is een uitgebreidere aanpak gebruikelijk. In het ontwerp staat: waarover wel en niet wordt meegedacht, wie de doelgroepen zijn, welke werkvormen worden gebruikt, de planning, en hoe verslag en terugkoppeling plaatsvinden. Het (project)team denkt hier bij voorkeur in mee en waar mogelijk ook participanten zelf. De opdrachtgever beoordeelt en stelt het plan vast.
Organiseren: De plannen worden daarna praktisch uitgewerkt. Activiteiten (bijeenkomsten, online onderdelen e.d.) worden ingepland en tijdig aangekondigd. Locaties, begeleiding en digitale middelen worden geregeld. Er is aandacht voor diversiteit en inclusie, met extra inzet voor groepen voor wie participatie minder vanzelfsprekend. De opbrengst van participatieactiviteiten wordt vastgelegd.
Verantwoorden en besluitvorming: Bij het besluit hoort een toelichting op de participatie. Het participatieverslag gaat mee naar college of raad, met de motivering hoe de inbreng is meegewogen. Waar nodig sluit dit aan op de wettelijke voorbereidingsprocedure. Voorstellen aan bestuur geven proces en resultaten correct weer.
Participatieprocessen worden uitgewerkt in een participatieaanpak en verwerkt in het projectplan van de betreffende opgave, of in een apart participatieplan. Afhankelijk van de opgave stelt het bevoegde bestuursorgaan (raad, college of gemandateerd directeur/teamleider) het participatieplan vast.
Er is een (digitale) toolbox beschikbaar. De toolbox is een centrale omgeving met praktische hulpmiddelen voor participatie en bevat onder meer:
Hulpmiddelen zijn waar mogelijk voorzien van een instructie en verwijzingen naar beleid, wet- en regelgeving en aanvullende bronnen. Zo biedt de toolbox houvast voor het zorgvuldig voorbereiden, uitvoeren en evalueren van participatieprocessen.
Participatie vraagt altijd om maatwerk. De manier waarop een participatieproces wordt ingericht zal dus per opgave verschillen. Wij geven enkele voorbeelden.
In het ruimtelijk domein zijn bewonersbijeenkomsten, huisbezoeken, enquêtes en informatiebrieven veelgebruikte vormen. Digitale middelen spelen daarbij een steeds grotere rol. Voorbeelden zijn de gemeentelijke website, de interactieve participatiekaart (met een overzicht van ruimtelijke projecten) en de Bouwapp – een digitaal platform waarop bewoners projecten volgen, hun mening geven en zien wat de participatie heeft opgeleverd.
Participatie is geen vast proces, maar een manier van samenwerken die steeds verandert. In Nijkerk zien wij participatie als een leerproces: elke aanpak, elk traject en elke samenwerking levert nieuwe inzichten op. Daarom blijven wij zoeken naar manieren om participatie slimmer, effectiever en toegankelijker te maken.
Wij willen technologie en data beter benutten om inwoners te bereiken en processen te ondersteunen. Denk aan digitale platforms, interactieve kaarten, stemhulpmiddelen of nieuwe manieren om feedback op te halen. Tegelijkertijd hebben wij oog voor mensen die minder digitaal vaardig zijn of minder vertrouwen hebben in de overheid. Juist deze groepen – het stille midden, of mensen die zich niet vanzelf laten horen – vragen om een andere benadering.
Wij laten ons graag inspireren door andere gemeenten en nemen actief deel aan landelijke en regionale netwerken, zoals die van de VNG, het IPLO en samenwerkingsverbanden in de regio. Zo blijven wij op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen, én delen wij onze eigen lessen en ervaringen.
Onze ambitie gaat verder dan het verbeteren van participatieprocessen. Wij zien participatie ook als een manier om vertrouwen op te bouwen tussen overheid, samenleving, wetenschap en media. En als een middel om polarisatie tegen te gaan. Door ruimte te maken voor dialoog, samenwerking en gedeeld eigenaarschap, bouwen wij samen aan een samenleving waarin verschillen mogen bestaan (en soms zelfs een kracht zijn), maar verbinding centraal staat.
De gemeente Nijkerk wil een inclusieve samenleving, waarin iedereen gelijk wordt behandeld en kan meedoen. Wij willen voorkomen dat inwoners zich buitengesloten voelen of van elkaar vervreemden. Daarom zetten wij in op bewustwording van de kracht van diversiteit en het tegengaan van vooroordelen. Wij kijken kritisch naar onze rol als werkgever, subsidieverlener en samenwerkingspartner. Ook ondersteunen wij initiatieven die bijdragen aan antidiscriminatie, diversiteit en inclusie. Wij investeren in toegankelijke programma’s en diensten, afgestemd op de verschillende behoeften van inwoners. Dit doen wij samen met inwoners, niet over hen, maar mét hen.
Daarom besteden wij extra aandacht aan groepen voor wie participatie minder vanzelfsprekend is. Denk aan jongeren, ouderen, laaggeletterden, mensen met een beperking en inwoners met een migratieachtergrond. Drempels zoals taal, beperkte mobiliteit, digitale uitsluiting of afstand tot de overheid maken het voor hen lastiger om mee te doen.
Ook mensen die hun vertrouwen in de overheid hebben verloren of die zich minder snel uitspreken – het stille midden – verdienen aandacht. Daarom zoeken wij hen actief op en maken wij ruimte voor nieuwe werkvormen, zodat wij in onze participatie aansluiten bij de leefwereld van onze inwoners.
Om meer groepen te bereiken en een stem te geven in beleid en uitvoering, houden wij rekening met het volgende:
Wij kiezen passende vormen en kanalen: Niet iedereen bereik je via een digitale enquête of raadsinformatieavond. Alternatieven kunnen zijn: jongerenpanels, seniorencafés, buurthuizen, scholen, zorglocaties, moskeeën of sportverenigingen, maar ook op social media zoals Instagram of Whatsapp. (Fysieke) aanwezigheid op locaties waar mensen zich thuis voelen is vaak effectiever dan uitnodigingen op afstand. Let op: TikTok zou een geschikt kanaal kunnen zijn om jongeren te bereiken maar deze app is verboden op werktelefoons van gemeenteambtenaren!
Wij werken met brugfiguren en sleutelpersonen: Mensen uit de doelgroep zelf of uit het netwerk van de doelgroep kunnen de brug vormen tussen gemeente en inwoners. Denk aan jongerenwerkers, wijkverpleegkundigen, ervaringsdeskundigen, taalambassadeurs of kinderen voor hun ouders. Zij kunnen signalen opvangen, participatie uitleggen en het vertrouwen vergroten.
Inclusieve participatie vraagt om maatwerk, creativiteit en samenwerking met maatschappelijke partners. In ieder traject maken wij een bewuste afweging: wie worden geraakt door dit onderwerp? Wie horen wij nu nog onvoldoende? En wat is nodig om hún stem ook te laten doorklinken in de besluitvorming? Participatie is pas waardevol als iedereen mee kan doen.
Soms is het lastig om direct contact met betrokkenen te organiseren, of is het verstandig om een project of beleidsontwikkeling op een andere manier te toetsen. In zulke gevallen maken wij gebruik van de zogenoemde betrokkenheidsprofielen van Citisens. Onderzoeksbureau Citisens ontwikkelde haar profielen op basis van onderzoek onder meer dan 75.000 Nederlanders. Ze combineren sociaal-demografische kenmerken – zoals leeftijd, opleidingsniveau en welvaart – met gegevens over betrokkenheid bij de leefomgeving, vertrouwen in de overheid, participatiegedrag en communicatievoorkeuren. Dit levert acht herkenbare groepen op: Idealistische Globalisten, Bescheiden Grijzen, Gehaaste Gezinnen, Zelfverzekerde Individualisten, Onzekere Afzijdigen, Traditiegetrouwe Stabilisten, Bevlogen Netwerkers en Praktisch Gerichte Doeners.
Veel gemeenten gebruiken deze profielen om communicatie en participatie gerichter en effectiever vorm te geven. De profielen zijn tot op straatniveau beschikbaar, waardoor wij per wijk of buurt strategieën kunnen ontwikkelen die beter aansluiten bij de behoeften en kenmerken van de lokale bevolking.
Binnen het taakveld Ruimte bood de Nota Inbreidingslocaties lange tijd houvast. De bijbehorende processchema’s gaven betrokkenen zowel binnen als buiten de gemeente, duidelijkheid over de stappen in het proces van participatie en besluitvorming.
Met de invoering van de Omgevingswet zijn processen en spelregels deels gewijzigd. In dit participatiebeleid geven wij daarom opnieuw richting: wat mogen partijen van elkaar verwachten binnen de huidige juridische en beleidsmatige kaders, met name bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving?
Ter ondersteuning van projecten waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid en vastgesteld, zoals bijvoorbeeld bij langdurige gebiedsontwikkeling, hebben de betrokken afdelingen aangepaste processchema’s ontwikkeld. Dit is ook gedaan voor projecten waarvoor geen vergunning of een vergunning voor een OPA of BOPA is vereist, zoals bijvoorbeeld bij reconstructies in de openbare ruimte. Deze schema’s maken duidelijk:
7.1 Wie is er verantwoordelijk voor participatie?
De Omgevingswet en Wet versterking participatie op decentraal niveau nodigen ons als gemeente nadrukkelijk uit om inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid en projecten. De wet of het bevoegde bestuursorgaan (raad, college of gemandateerd directeur/teamleider) bepaalt of participatie bij beleid of projecten verplicht of wenselijk is. De invulling van het participatieproces ligt vervolgens bij de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun beleidsontwikkeling of project. De eerste verantwoordelijkheid voor participatie ligt dus bij beleidsadviseurs, projectleiders en leidinggevenden die als ambtelijk opdrachtgever verantwoordelijk zijn voor een opgave. Zij zijn ook verantwoordelijk voor de financiering van de participatieactiviteiten, die worden bekostigd uit het budget van het betreffende project of beleidsproces. Het Ondersteuningsteam Participatie (OTP) adviseert en begeleidt hierbij, maar is niet verantwoordelijk voor het organiseren of bekostigen van participatie.
7.2 Ondersteuningsteam Participatie (OTP)
Het OTP zet zich in voor goede participatie in Nijkerk, vanuit de visie dat Nijkerk een samenwerkende gemeente is die uitdaagt en ruimte biedt. Het team is onderdeel van Communicatie, Participatie en Bestuursondersteuning en werkt vooral als partner van collega’s binnen de taakvelden Ruimte, Sociaal Domein en Bedrijfsvoering.
Het team ondersteunt beleidsadviseurs, projectleiders en leidinggevenden in hun rol als opdrachtgever. Daarnaast ondersteunt het college en de gemeenteraad bij het vormgeven van interne en externe participatie. Het OTP ondersteunt ook inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Dat doet het team met beleid, handreikingen en een toegankelijke toolbox met praktische hulpmiddelen.
De kerntaken van het OTP zijn:
Het organiseren van goede communicatie- en participatietrajecten is altijd maatwerk. Sommige trajecten zijn intensief en vragen veel tijd en aandacht. Daarom schakelt de gemeente regelmatig externe experts in voor ondersteuning. Deze experts brengen specialistische kennis en ervaring mee die een waardevolle aanvulling zijn op onze eigen expertise.
Een belangrijk voordeel van externe deskundigen is dat zij een onafhankelijke positie kunnen innemen. Dit is vooral van belang bij complexe, omvangrijke of maatschappelijk gevoelige opgaven, waarbij de impact op de omgeving groot is en verschillende en soms tegenstrijdige, belangen spelen.
Het versterken van omgevingsbewust werken en effectieve participatie kost tijd. Dit geldt voor de organisatie en voor de samenleving. Wij leren door samen te doen, te evalueren en stap voor stap te verbeteren. Elk participatietraject biedt kansen om te leren: over de inhoud, het proces en de samenwerking met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners.
Daarom evalueren wij onze participatieaanpak regelmatig, zowel tijdens het proces als achteraf. De lessen gebruiken wij om beleid, werkwijzen en hulpmiddelen aan te scherpen. Ook proberen wij bewust nieuwe vormen van participatie uit. Wij leren niet alleen van onze eigen praktijk, maar ook van ervaringen van andere gemeenten en landelijke ontwikkelingen. Zo blijft ons beleid actueel, sluiten wij aan bij wat er nodig is en komt omgevingsbewust denken en werken in het DNA van de organisatie.
8.1 Omgevingsbewust denken en werken
Goede participatie begint met omgevingsbewust denken en werken. Dat betekent dat wij als gemeente goed weten wat er leeft in de samenleving, in staat zijn om belangen in kaart te brengen en waar mogelijk, rekening houden met die belangen in de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie van onze projecten en beleid. Dat geldt zowel voor plannen van de gemeente als voor initiatieven uit de samenleving.
Omgevingsbewust werken vraagt meer dan het toepassen van losse instrumenten. Het vraagt om een andere manier van denken en doen. Daarom investeren wij in houding en gedrag. Wij willen nieuwsgierig en open zijn naar inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Diezelfde houding oefenen wij ook binnen onze eigen organisatie: zo buiten, zo binnen.
Deze werkwijze sluit aan bij de ontwikkellijnen in ons participatie-uitvoeringsprogramma en bij het bredere organisatie-ontwikkelprogramma van de gemeente. Wij benaderen vraagstukken niet vanuit één taakveld maar juist integraal, met oog voor de belangen van alle betrokkenen. Teams worden samengesteld op basis van kwaliteiten, rollen zijn helder verdeeld, en samenwerking over taakvelden heen wordt gestimuleerd. Zo zorgen wij dat participatie en communicatie vaste onderdelen zijn van onze aanpak.
Ook het leren krijgt volop aandacht. Samen met HRM analyseren teams wat zij nodig hebben aan training en ondersteuning, met speciale aandacht voor omgevingsbewust werken en het voeren van gesprekken met inwoners. Daarnaast leren wij van onze praktijk: door evaluaties, het volgen van voorbeeldprojecten, het uitproberen van nieuwe vormen van participatie, en door uit te wisselen met andere gemeenten. Zo blijven wij onze aanpak verbeteren en groeien wij stap voor stap in omgevingsbewust denken en doen.
Wij evalueren participatie structureel. Dat doen wij in elke fase van het beleidsproces: van verkenning tot uitvoering. Zo leren wij van ervaringen, verbeteren wij de kwaliteit van participatie en versterken wij het vertrouwen. Evaluaties gebeuren zowel intern als extern:
Wij evalueren niet alleen achteraf, maar ook tussentijds, zodat wij waar nodig kunnen bijsturen. De evaluatie kijkt naar: de inhoudelijke opbrengsten van de participatie; de kwaliteit van het proces; en de ervaring van deelnemers, zoals hun waardering van de communicatie en de ruimte voor invloed.
8.3 Evalueren en de Omgevingswet
De Omgevingswet legt nadruk op zorgvuldige en transparante besluitvorming, waarbij participatie een belangrijke rol speelt. De wet verplicht niet tot het evalueren van participatie, maar op grond van artikel 10.1 van de Omgevingswet zijn bestuursorganen wél verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorbereiding, uitvoering en evaluatie van besluiten. Dat betekent dat ook het participatieproces onderwerp van reflectie kan zijn.
Evaluatie helpt om te leren, het vertrouwen van betrokkenen te versterken en inzichten op te doen voor beter beleid en uitvoering.
Ook initiatiefnemers uit de samenleving zoals bewonersgroepen, bedrijven of maatschappelijke partners, hebben hierin een rol. Bij initiatieven die afwijken van het geldende omgevingsplan (BOPA’s) en waarvoor de gemeenteraad participatie verplicht heeft gesteld, moeten zij een participatieverslag indienen. Daarin staat wie is betrokken, hoe het proces is ingericht en wat er met de inbreng is gedaan. Hoewel zo’n verslag geen formele evaluatie hoeft te bevatten, is het aan te raden om kort te reflecteren op de aanpak. Bijvoorbeeld:
Zo versterken wij een cultuur van openheid, leren en kwaliteitsverbetering – precies wat past bij de bedoeling van de Omgevingswet: samen werken aan een goede, duurzame en gedragen fysieke leefomgeving.
Elk jaar maken wij een tussenrapportage. Hierin staat wat er is gebeurd, wat wij hebben uitgeprobeerd, welke resultaten wij hebben bereikt, wat wij hebben geleerd en hoe de opbrengsten doorwerken in toekomstig beleid. Hierbij betrekken wij ook inwoners en partijen die hebben meegedaan aan participatieprocessen. Zo wordt zichtbaar wat wij doen en ontstaat er een goed beeld van wat goed werkt en wat niet werkt.
Bij deze monitoring en rapportage wordt expliciet gelet op de geformuleerde uitgangspunten in ons participatiebeleid, maar ook aan aandachtspunten die tijdens eerdere externe en interne consultaties zijn meegegeven. Onderdeel van de rapportage is ook een overzicht van participatietrajecten die uitgevoerd zijn. Daarmee kunnen wij de samenhang van verschillende beleidsontwikkelingen en uitvoeringsprojecten monitoren.
De rapportage bevat de geleerde lessen, zowel op procesniveau als inhoudelijk. Het college bespreekt deze rapportage met de gemeenteraad, waarna deze openbaar wordt gemaakt.
Op deze manier draagt evaluatie niet alleen bij aan verantwoording en kwaliteit, maar ook aan een cultuur van continu leren en verbeteren. Zo werken wij aan een stevig fundament voor duurzame participatie in de gemeente Nijkerk.
8.5 Wanneer is de participatie ‘goed’?
Er worden in dit beleidsplan vele uitgangs- en aandachtspunten genoemd. Als wij willen sturen op de kwaliteit van de participatie dan zullen wij in ieder geval letten op het volgende:
Tijdigheid en inhoudelijke relevantie: Goede participatie vindt plaats op het juiste moment. Daarom moet de planning van participatie goed afgestemd zijn op de projectplanning. Dat betekent dat participatie moet plaatsvinden op momenten dat er nog ruimte is om inbreng mee te nemen in keuzes en besluiten. Vroegtijdige betrokkenheid van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners vergroot de kans dat hun inbreng daadwerkelijk invloed heeft.
Toegankelijkheid en inclusie: Wij willen dat participatie voor iedereen toegankelijk is, op een manier die past bij de opgave. Bij monitoring kijken wij of de gemeente er in slaagt om ook doelgroepen te bereiken die niet vanzelfsprekend meedoen, zoals jongeren, mensen met een beperking of inwoners met beperkte taalvaardigheid. Dit draagt bij aan inclusieve besluitvorming.
Bestuurlijke bruikbaarheid: Participatie moet het bestuur ondersteunen. Wij kijken daarom of de aanpak het college en de gemeenteraad helpt om goed onderbouwde besluiten te nemen. Leidt participatie tot betere plannen of meer inzicht in de dilemma’s en belangen die spelen? En draagt dit bij aan een zorgvuldige besluitvorming?
Organisatorische randvoorwaarden: Tot slot is het belangrijk om zicht te houden op de beschikbaarheid van mensen, middelen en ondersteunende instrumenten binnen de organisatie. Daarbij gaat het zowel om de “zachte kant” (zoals houding, gedrag en interne samenwerking) als om de “harde kant” (zoals formats, planning, systemen en capaciteit). Ook reflectie op de eigen werkwijze hoort hierbij: lukt het om participatie structureel te verbeteren en te borgen?
8.6 Ondersteuningsteam Participatie
Het Ondersteuningsteam Participatie (OTP) speelt in dit alles een belangrijke rol. Het OTP ondersteunt opgaveverantwoordelijke collega’s bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van hun participatieactiviteiten. In goed overleg met de teams organiseert het OTP leeractiviteiten en kennisdeling. Denk aan opleidingen, coaching, intervisie en leersessies. Het OTP zorgt voor een overzicht van participatieactiviteiten en bewaakt de kwaliteit van de voorbereiding, uitvoering en evaluatie. Dat doet ze door kaders en een toolbox aan te reiken, te adviseren en waar nodig ook mee te helpen in de uitvoering.
9 Privacy en gegevensbescherming in participatie
Als gemeente hechten wij veel waarde aan het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners die deelnemen aan participatietrajecten. Daarom houden wij bij het opzetten, uitvoeren en evalueren van participatieprocessen altijd rekening met de geldende privacywetgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Bij participatie kan het nodig zijn om persoonsgegevens te verwerken. Bijvoorbeeld wanneer mensen zich aanmelden voor een bijeenkomst, een enquête invullen, een idee insturen of meedoen aan een gesprek over een specifieke locatie. In die gevallen treedt de gemeente op als verwerkingsverantwoordelijke. Dat betekent dat wij verantwoordelijk zijn voor een rechtmatige, veilige en transparante verwerking van deze gegevens. Het kan nuttig zijn om vooraf een Privacy Impact Analyse (PIA) uit te voeren.
Uitgangspunten voor privacy bij participatie
Bij participatietrajecten waarbij persoonsgegevens worden verwerkt, hanteren wij de volgende uitgangspunten:
Deelnemers aan participatie hebben het recht om hun persoonsgegevens in te zien, te laten corrigeren of te laten verwijderen, tenzij er sprake is van een wettelijke uitzondering.
Verzoeken hiervoor kunnen worden ingediend bij de gemeente. Informatie over de manier waarop een verzoek ingediend kan worden is terug te vinden op de website www.nijkerk.eu/privayverklaring .
Ons participatiekader bestaat uit vier samenhangende onderdelen: de participatievisie, het participatiebeleid, het uitvoeringsprogramma en de participatieverordening. De visie beschrijft waarom participatie belangrijk is en wat wij ermee willen bereiken. Het beleid geeft richting aan hoe wij participatie organiseren en welke vormen passend zijn in verschillende situaties. Het uitvoeringsprogramma bevat concrete acties om participatie te versterken, zoals trainingen, pilots en verbeteringen in werkprocessen. De participatieverordening vormt tot slot het juridische fundament en legt vast wat de gemeente verplicht is te doen op het gebied van participatie, zowel bij gemeentelijke plannen als bij initiatieven van derden. Samen zorgen deze vier onderdelen voor een duidelijke, praktische en betrouwbare aanpak van participatie, die houvast biedt aan inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners, ambtenaren en bestuurders.
Het uitvoeringsprogramma is in 2024 opgesteld en door het college goedgekeurd. Daarin beschrijven wij de doelen, resultaten en activiteiten die wij in een periode van drie jaar ondernemen om uitvoering te geven aan de participatievisie. Wij maken ook inzichtelijk hoe wij dit organiseren en borgen. Het programma is uitgewerkt in vijf samenhangende ontwikkellijnen:
Basis op orde: De eerste lijn gaat over het neerzetten van een stevige structuur. Het Ondersteuningsteam Participatie (OTP) voert regie op participatie en zorgt samen met extra formatie voor advies en projectondersteuning. Participatieve projecten worden in beeld gebracht, met aandacht voor waar participatie nog beter kan. Er worden gesprekken gestart over hoe om te gaan met polarisatie.
Interne communicatie en bewustwording: De tweede lijn vergroot het besef binnen de organisatie over het belang van participatie. Hiervoor wordt een kernboodschap opgesteld en een interne campagne gestart. Er komt een intranetpagina en er worden leeractiviteiten georganiseerd om kennis, inspiratie en netwerken te delen.
Ondersteunen en faciliteren van organisatie, bestuur en inwoners: De derde ontwikkellijn draait om het ondersteunen en faciliteren van zowel de gemeentelijke organisatie als inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Er komt een toolbox met formats, scans en handreikingen, gericht op zowel de organisatie als de samenleving. Samen met HRM wordt gekeken naar opleidingsbehoeften, met aandacht voor omgevingsbewust werken. Ook worden inwonersplatforms en panels onderzocht. Daarnaast worden afspraken gemaakt met maatschappelijke partners en met de griffie over de rol van de raad.
Leren van ervaringen: De laatste lijn zet in op het gezamenlijk leerproces, op het versterken van de lerende organisatie. Voorbeeldprojecten worden gevolgd, er wordt geëxperimenteerd met nieuwe vormen van participatie en een meetinstrument wordt ontwikkeld. Door lessen te delen via intranet en bijeenkomsten, en elk participatietraject te evalueren, groeit de organisatie stap voor stap. Wat wij leren, verwerken wij in beleid en werkwijze.
11 Participatieverordening en Uitdaagrecht
De participatieverordening is het vierde deel van het participatiekader. De verordening zorgt voor de formele en juridische borging van de principes en afspraken en bouwt voort op de participatievisie, het participatiebeleid en het uitvoeringsprogramma door wettelijke regels en procedures vast te leggen. De participatieverordening verankert de afspraken die de gemeente met zichzelf maakt als het gaat om de betrokkenheid van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid en projecten; het legt ook de rechten van initiatiefnemers en participanten vast. Wij verwoorden ook onze spelregels voor het uitdaagrecht.
11.1 Wet versterking participatie op decentraal niveau
De verplichting voor gemeenten om een participatieverordening op te stellen is vastgelegd in artikel 150 van de Gemeentewet. Dit artikel is gewijzigd door de Wet versterking participatie op decentraal niveau, die op 1 januari 2025 in werking is getreden. Voorheen verplichtte artikel 150 gemeenten tot het vaststellen van een inspraakverordening voor de voorbereiding van beleid. Met de wetswijziging is deze verplichting uitgebreid naar een participatieverordening die ook de uitvoering en evaluatie van beleid omvat. Daarnaast verankert de wet het uitdaagrecht, waarmee inwoners kunnen verzoeken om bepaalde overheidstaken over te nemen als zij denken deze beter of efficiënter te kunnen uitvoeren. Gemeenten hebben vanaf de inwerkingtreding van de wet een overgangstermijn van twee jaar om de participatieverordening vast te stellen. Dit betekent dat elke gemeente uiterlijk op 1 januari 2027 over een participatieverordening moet beschikken.
11.2 Participeren over de participatieverordening
Bij het opstellen van dit participatiebeleid is de participatieverordening nog niet uitgewerkt. Het opstellen van deze verordening inclusief het bijbehorende uitdaagrecht, vraagt om zorgvuldigheid. Daarom pakken wij dit belangrijke onderdeel van ons participatiekader op in een apart traject. Daarbij gaan wij in goed overleg met inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en de gemeenteraad.
Op deze manier wordt het opstellen van de participatieverordening zelf al een voorbeeld van goed participatief werken en bouwen wij verder aan het fundament voor de manier waarop wij in Nijkerk samen beleid maken.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten – Handreiking ‘Aan de slag met participatie’
Praktische handreiking van de VNG voor het inrichten van participatiebeleid.
https://vng.nl/onderwerpenindex/bestuur-en-organisatie/participatie/documenten/aan-de-slag-met-participatie
Uitleg over de vier overheidsrollen: rechtmatig, presterend, netwerkend en responsief.
https://communicatiekompas.nl/vakmanschap/rollen-van-de-overheid
Participatietrajecten: indicatoren voor het toetsen van de kwaliteit in drie stappen
Whitepaper over het beoordelen van participatietrajecten.
https://www.nen.nl/nieuws/bouw/nen-publiceert-whitepaper-over-kwaliteit-van-burgerparticipatie/
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nijkerk d.d.27 november 2025,
de griffier,
mevrouw. A.G. Verhoef-Franken
de voorzitter,
mevrouw T.T.E. de Jonge-Ruitenbeek
13.1 Bijlage: Aandachtspunten evaluatie Nota Inbreidingslocaties Gemeente Nijkerk
In 2024 is de Nota Inbreidingslocaties van de gemeente Nijkerk geëvalueerd. De aanbevelingen uit deze evaluatie nemen wij mee als belangrijke aandachtspunten voor ons participatiebeleid. Samengevat wordt er vanuit de gemeenteraad aandacht gevraagd voor: duidelijke kaders, communicatie en verwachtingsmanagement; zinvolle en tijdige participatie met oog voor inhoudelijke accenten; toegankelijkheid en inclusie, met extra aandacht voor specifieke doelgroepen; en maatwerk, met focus op een professionele aanpak.
Heldere kaders, communicatie en verwachtingen
Heldere kaders, communicatie en verwachtingen: Wij zijn vanaf het begin duidelijk over de spelregels van participatie. Wij leggen uit waar mensen wel of niet over kunnen meepraten en hoe de rollen zijn verdeeld. Ook maken wij inzichtelijk hoe besluiten worden genomen en wat er met de inbreng gebeurt. Wij geven aan waarom sommige ideeën niet kunnen en laten verschillende invalshoeken zien.
Vroeg investeren in relaties met doelgroepen: Wij bouwen al in een vroeg stadium contact op met de mensen die bij participatie betrokken zijn. Eindgebruikers krijgen een centrale rol. Waar wij vooraf nog geen contact hebben, gebruiken wij bijvoorbeeld Citisens-profielen om inzicht te krijgen. Wij maken helder welke rol zij hebben, zoals adviseren in de beginfase van een plan.
Zinvolle en tijdige participatie, specifieke inhoudelijke accenten
Extra aandacht voor groen in ruimtelijke plannen: Bij plannen voor de fysieke omgeving letten wij goed op groen. Wij betrekken waar mogelijk groenspecialisten op tijd. Groen zal zich echter altijd verhouden tot andere ruimtelijke factoren die een rol spelen (water, milieu, veiligheid, gezondheid e.d.).
Aandacht voor toegankelijkheid en inclusie: Wij houden rekening met mensen die moeilijk te bereiken zijn. Denk aan jongeren, ouderen, mensen met een beperking, laaggeletterde inwoners of mensen met een migratieachtergrond. Als direct contact lastig is, schakelen wij vertegenwoordigers of deskundigen zoals jongerenadviseurs in.
Participatie is maatwerk: Wij kijken per situatie wat nodig is. Daarbij houden wij rekening met de inhoud en de complexiteit van het project. Zo voorkomen wij dat participatie een standaard stappenplan wordt. Soms is participatie verplicht; en soms kiezen wij bewust voor ‘intensief’ omdat het onderwerp gevoelig of complex is, de zogenaamde ‘buitencategorie’. Tegelijk kijken wij naar wat praktisch haalbaar is qua tijd, budget en capaciteit. Intensieve participatie is niet altijd nodig of mogelijk.
13.2 Bijlage: Taakveld Ruimte: processchema’s aanpak en reconstructies openbare ruimte en langdurige gebiedsontwikkeling2
Projecten waarvoor een vergunning is vereist (OPA’s en BOPA’s) en projecten die zonder vergunning zijn toegestaan.
Voorbeeld: Aanpak en reconstructies openbare ruimte
|
Projectfase 3 |
||||||
|
Input ophalen - Ontwerpuitgangspunten / aandachtsvelden ophalen bij betrokken interne disciplines en externe stakeholders en bewoners. Opstellen participatieplan en stakeholderanalyse. |
DB, OB, vakspecialisten, planvorming, hulpdiensten, communicatie, subsidieverstrekkers |
Functioneel ontwerp opstellen van alle functies binnen projectgebied in samenhang met elkaar. Een algemeen beeld krijgen van de leefomgeving waarbinnen het project zich afspeelt. Input wordt gebruikt om het schetsontwerp of plan vorm te geven. Uitkomsten worden verwerkt en (online) beschikbaar gesteld. |
||||
|
DB, OB, vakspecialisten, planvorming, hulpdiensten, communicatie, Raad, college |
Informatiebrief met uitnodiging, bewonersbijeenkomst, presentaties besluitvorming bij college en raad |
Belanghebbenden informeren over de plannen en met hen in gesprek gaan hierover. Input wordt gebruikt om de plannen, schetsontwerpen nader te detailleren. Bezoekers, ook degene die er niet waren, kunnen een reactie geven via een reactieformulier. Als tijdens de informatieavond of uit de reactieformulieren blijkt dat er veel tegenstrijdige belangen zijn, kan een extra bijeenkomst georganiseerd worden met als doel: er samen uit komen. De gepresenteerde plannen, uitkomsten en reactienota worden na afloop van de informatieavond (online) gedeeld. |
||||
|
Als een vergunning (OPA of BOPA) noodzakelijk is, kan ook sprake zijn van een ontwerp-omgevingsvergunning |
Ontwerp opwerken tot detailniveau van DO. Input verwerken in concept-DO - Als dat op basis van de Awb is vereist: terinzagelegging ontwerp van omgevingsvergunning |
Informatiebrief, website, gemeentepagina, bij ontwerp-omgevingsvergunning publicatie volgens wettelijke voorschriften |
Afhankelijk van de wettelijke procedure in de betreffende specifieke situatie: Eenieder of een belanghebbende kan formeel een bezwaar of een zienswijze indienen tegen het voorgenomen besluit (besluit met rechtsgevolg) van het college. Op de website, in de brief en in een artikel op de gemeentepagina wijst de gemeente inwoners/ betrokkenen op de mogelijkheid om gebruik te maken van het recht op inspraak. De naar voren gebrachte standpunten, meningen, bezwaren en zienswijzen dient de gemeente te betrekken bij de definitieve besluitvorming. Afhankelijk van de aard van de naar voren gebrachte reactie treden we in contact met degene, die deze reactie naar voren heeft gebracht. Tijdens een gesprek gaan we nader in op eventuele bezwaren en zienswijzen en kijken we hoe we hiermee kunnen omgaan. Het persoonlijke contact geeft het proces een gezicht en er kan nader uitleg worden gegeven aan het hoe en waarom, er ontstaat meer begrip. Extra bijeenkomst (optioneel) Het kan voorkomen dat er zienswijzen/ bezwaren worden ingediend die met elkaar in tegenspraak zijn. Vanuit het oogpunt van participatie en wederzijds begrip bestaat de mogelijkheid om met beide indieners om de tafel te gaan zitten en de zienswijzen met elkaar te delen. Alle inspraakreacties en de beantwoording hiervan worden samengevat in een eindverslag. Dit eindverslag en de laatste wijzigingen op het definitieve ontwerp worden voorgelegd aan het college voor definitieve besluitvorming. |
|||
|
Verlening omgevingsvergunning (voor OPA of BOPA) als deze is vereist. |
Informatiebrief, website, gemeentepagina, bij verlening omgevingsvergunning publicatie volgens wettelijke voorschriften |
De doelgroep wordt per brief geïnformeerd over het definitieve besluit van het college. De indieners van een reactie (bezwaar, zienswijze) ontvangen een brief op maat. Zij worden (in geval sprake is van een verleende OPA of BOPA) gewezen op hun beroepsmogelijkheden. De andere belanghebbenden/ betrokkenen worden met een algemene brief op de hoogte gebracht. Deze brieven en het eindverslag worden ook online geplaatst. In de brieven wordt hiernaar verwezen. |
||||
|
Informatiebrief met uitnodiging, bewonersbijeenkomst/huisbezoeken |
De bewoners en stakeholders in en rondom het gebied informeren. De bewoners en stakeholders proactief betrokken houden en plannen eventueel beter maken voor het project in de realisatiefase van het project. |
|||||
|
Om aan te geven dat het plan in uitvoering komt, wordt aan de belanghebbenden een brief gestuurd over de start werkzaamheden. In deze brief wordt ook aangegeven wie er namens de gemeente en aannemer contactpersoon is voor de uitvoering. Deze brief wordt op de website van de gemeente Nijkerk gepubliceerd. |
||||||
|
Voortgang, Gedetailleerde planning en mogelijke overlast melden aan direct betrokken stakeholders |
Stakeholders in het gebied en belanghebbenden die in het gebied een doel hebben of op doorreis zijn. |
Tijdens de uitvoering ligt een grote verantwoordelijkheid voor de communicatie bij de aannemer die namens de gemeente belast is met de realisatie. In de bouwvergadering houdt de gemeente vinger aan de pols rondom de communicatie en voortgang. |
||||
|
Tijdens de uitvoering ligt een grote verantwoordelijkheid voor de communicatie bij de aannemer die namens de gemeente belast is met de realisatie. In de bouwvergadering houdt de gemeente vinger aan de pols rondom de communicatie en voortgang. |
||||||
|
DB, OB, vakspecialisten, Raad, college, subsidieverstrekkers |
Projecten waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid en vastgesteld.
Voorbeeld: Gebiedsontwikkeling
13.3 Bijlage: Bouwstenen participatieverordening
Wij voegen een overzicht toe van de onderdelen die worden opgenomen in de participatieverordening. De verordening vormt de juridische grondslag voor de wijze waarop participatie wordt vormgegeven bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid, besluiten en initiatieven. De bepalingen sluiten aan bij de verplichtingen uit de Gemeentewet, de Omgevingswet en de Wet versterking participatie op decentraal niveau, en geven invulling aan het streven naar een transparante, betrokken en zorgvuldige bestuurspraktijk.
Verplichting tot participatie: Geeft aan in welke gevallen participatie verplicht of wenselijk is. Voor gemeentelijke beleidstrajecten en besluiten regelt de participatieverordening het wanneer en hoe. Voor initiatieven van derden geldt: een aanvrager van een omgevingsvergunning moet in de aanvraag aangeven of en hoe hij heeft geparticipeerd en wat dit heeft opgeleverd (aanvraagvereiste). Participatie wordt alleen verplicht als de gemeenteraad bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) vooraf gevallen aanwijst waarin participatie móét plaatsvinden; de verordening verwijst naar dat aparte raadsbesluit.
Participatie bij gemeentelijke initiatieven: Benoemt de verantwoordelijkheden van college, gemeenteraad en ambtelijke organisatie bij participatie rond gemeentelijke beleidsvoorstellen, plannen of gebiedsontwikkelingen. Ook wordt toegelicht hoe verslaglegging plaatsvindt en hoe participatie-inbreng wordt meegenomen in besluitvorming.
Participatie bij initiatieven van derden: Geeft aan wat van particuliere of maatschappelijke initiatiefnemers wordt verwacht. In de aanvraag voor een omgevingsvergunning licht de aanvrager toe of er aan participatie is gedaan, op welke manier en met welk resultaat. Is door de raad een BOPA-geval aangewezen waarin participatie verplicht is, dan moet de aanvrager dit vóór het indienen aantoonbaar organiseren; bij ontbreken of onvoldoende participatie kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. Er is landelijk geen vast format; gemeenten mogen hierover informerend sturen.
Gemeentelijke participatie bij maatschappelijke initiatieven (overheidsparticipatie): Beschrijft in welke gevallen en onder welke voorwaarden de gemeente actief participeert in initiatieven van derden. Dit biedt duidelijkheid over rolopvatting en wanneer de gemeente besluit om wel of niet aan te sluiten.
Participatieverslag: Specificeert wat minimaal wordt vastgelegd. Voor aanvragen om omgevingsvergunning schrijft de Omgevingsregeling voor dat de aanvrager in zijn stukken opneemt óf er is geparticipeerd en, zo ja, met wie, hoe en welke uitkomsten zijn opgehaald. Dit is een aanvraagvereiste, geen landelijk voorgeschreven sjabloon. De participatieverordening legt geen extra inhoudseisen op aan het verslag. Het college beschrijft in een aparte beleidsregel hoe het beoordeelt of de aangeleverde toelichting passend is bij de aard en omvang van het plan.
Voor gemeentelijke initiatieven kan de verordening aanvullend bepalen dat een eindverslag wordt opgesteld en openbaar gemaakt voor transparantie en verantwoording.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-368862.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.